---

Eva's Lied deel I en II

De liederen van deel I zijn genummerd 101 t/m 142

De liederen van deel II zijn genummerd 201 t/m 257

---

 

*101

#3

1

  Eva, jouw naam betekent 'leven',

  geschenk van God aan ons gegeven

  die naar Gods beeld geschapen zijn.

  Verwant aan jou zijn alle vrouwen

  en mannen die een wereld bouwen,

  waar leven echt geleefd kan zijn.

2

  Gods aarde als een tuin beheren,

  uitputting, roofbouw van haar weren

  en werken aan een maatschappij,

  waar ongelijkheid der geslachten

  in woord en daad en in gedachten

  verdwenen is, Gods beeld zijn wij.

3

  Grimmig grijnst ons de toekomst tegen,

  vasthoudend kiezen wij die wegen

  waar Wijsheid en Gods Geest langs gaan.

  Waar werkelijkheid geworden dromen

  lichtend het kwade binnenstromen,

  Eva, ervaren wij jouw naam.

---

*102

#3

1

  Zij is een vrouw van naam in Israel.

  Zij is een vrouw die volkeren mag schragen.

  Zij draagt haar naam op goddelijk bevel:

  Sara, gezegend tot in onze dagen.

  Hoe donker ook de wegen en hoe smal,

  vrouwen van Naam, zij zullen niet versagen.

2

  Al blijft vergeefs ons zoeken naar het woord

  dat uit den hoge tot u werd gesproken,

  vrouw die het ongehoorde hebt gehoord,

  zwervend terzijde in uw tent gedoken -

  een lach, een wenk, een samenhang verstoord,

  vrouw, naar een nieuwe toekomst opgebroken

3

  Hoog heeft de Heilige uw woord geschat:

  'In alles wat zij zegt, wil naar haar horen.'

  Uit u die om uw volk geleden had

  zijn koningen van volkeren geboren.

  Aartsmoeder Sara, sterre op ons pad,

  in wie de glans van Isra‰l mocht gloren

---

*103

#6

1

  Zoals soms op het watervlak

  een lelie drijft

  en met die tere bloesem blak

  het water blijft,

2

  zo spiegelt in mij argeloos

  de Sjechina,

  de vuurbevlogen hemelroos

  die opengaat.

3

  Mijn ogen houden lichtglans vast

  die ik niet ken.

  Hoe kan een vrouw van stof en as

  zoals ik ben

4

  de dracht bewaren en alleen

  in zand en zon

  geloven in wie mij verscheen

  en dit begon?

5

  Ik zie de weg waarlangs ik kwam

  in overmacht,

  een rechte weg die mij benam

  mijn wil en kracht.

6

  Ik zie de vuurzuil die mij drijft,

  ik moet wel gaan

  en in hun duister tentverblijf

  als lichtroos staan.

---

*104

#3

1

  Wat stond je toch voor ogen

  Rebekka bij de bron?

  Je hebt het woord genomen

  zei ja, en keek niet om.

  Je ging voor liever leven,

  zoals eens Abraham,

  naar 't land door God gegeven,

  ver van je huis en stam.

2

  Aartsmoeder van zovelen

  je leven heeft bestaan

  uit kiezen en uit delen,

  hoe boeiend is je naam.

  Met Hagar, weggezonden,

  en Sara, met haar lach,

  ben je voorgoed verbonden

  met heel Gods nageslacht.

3

  Je gaat heel eigen wegen

  en speelt daarbij hoog spel.

  Je kiest op hoop van zegen

  voor Jakob, Isra‰l.

  De hemel zal het weten

  je keert de rollen om.

  Wie zal jouw naam vergeten,

  Rebekka, bij de bron.

---

*105

#4

1

  Tamar, moedig en zachtmoedig,

  zou in eigen kwetsbaarheid,

  op een kruispunt van de tijd,

  hoop en leven trots behoeden.

2

  Stille dagen, stille nachten,

  stille vrouw met vrouwenrecht,

  wetend wat is toegezegd,

  scheurde sluiers van verwachten.

3

  En zij koos met open ogen

  voor een toekomst naar haar hand,

  nam zichzelf als onderpand

  tot de grens van haar vermogen.

4

  Ademloos een mens bevragen,

  recht doen aan gerechtigheid

  blaast nieuw leven in de tijd,

  zal het leven verder dragen!

---

*106

#4

1

  Gaan twee vrouwen in de rouw

  naar een land van hoop op zegen.

  Kiezen voor elkaar in trouw,

  delen wat haar wordt gegeven.

  Al het jouwe is het mijne

  zusterschap in 't groot en 't kleine.

2

  Bethlehem geeft haar geen brood,

  er is bitterheid en zorgen.

  Wie is losser uit de nood,

  wie geeft brood, vandaag en morgen?

  Is voor haar niets meer gebleven

  dan het recht op arenlezen?

3

  Bukkend achter maaiers aan

  groeien vragen, hoog als koren.

  Rijpen tot een nieuw verstaan,

  een geloven te behoren

  tot het volk dat leeft bij wetten

  die het recht naar 't leven zetten.

4

  Ruth, een vreemd'ling in het land

  zoekt haar recht en heeft gevonden.

  Liefde krijgt de overhand,

  Ruth en Boaz, lotsverbonden,

  komen samen en het leven

  wordt gevierd en doorgegeven.

---

*107

#3

1

  Ik was in slavernij. Ik torste het bestaan.

  Geroepen, wie heeft mij, geroepen bij mijn naam?

  'Martha, Martha', en ik, ik wist weer wie ik was.

  Een stem, een hand, een blik, die mij mijzelf hergaf.

2

  Ik voel mij sterk en vrij sinds ik die roep verstond.

  Mijn zuster, zij aan zij, verwoordt het nieuw verbond

  de mens van Nazareth geleidt een levenlang

  wie luistert, en hij redt van angst en ondergang.

3

  Zoals de dode broer geroepen uit het graf

  het licht opnieuw ervoer en liep het rotspad af,

  zo vinden wij de weg en gaan op eigen kracht

  aan dood en angst onthecht tot waar de tafel wacht.

---

*108

#5

1

  Zij heeft geweten wie zij was:

  een vaas doorschijnend als albast,

  verlangen wellend tot de rand,

  een mirremaat, een liefdepand.

2

  Zij heeft geweten wat zij kocht

  voor hem die zij vertwijfeld zocht,

  zij beeldde in haar gave uit

  hoe zuiver liefde zich ontsluit.

3

  Zij heeft geweten wie hij was,

  De meester Gods, de avondgast,

  De mens die aan de maaltijd spreekt

  over de liefde die ontbreekt.

4

  Zij wisten beiden, man en vrouw

  hoe diep de schuld en het berouw

  en hoe vergeving ons bevrijdt

  als bronnen in de regentijd.

5

  Wie zijn wij voor zijn aangezicht

  wanneer door hem wordt aangericht

  Gods maaltijd en wij zijn te gast

  bij wijn in kruiken van albast.

---

*109

#4

1

  'k Zou zo graag een ketting rijgen

  want ik wil een steunpunt krijgen.

  Ruth, Sara, Bathseba

  Hagar en Debora.

2

  'k Wil een kleurig snoer gaan maken

  om mijn heimwee kwijt te raken,

  Martha en Lydia,

  jij vrouw uit Magdala.

3

  Knoop de namen van de vrouwen

  om door eeuwen vast te houden,

  Anna en Salom‚,

  Riet, Tine en Ren‚e.

4

  Als een stevig koord met kralen

  zijn wij deel van Gods verhalen,

  Jo, Fie en Jessica,

  wij, in de Gloria!

---

*110

#3

1

  Vol van verwachting zijn wij gekomen,

  om weer te weten waartoe wij bestaan.

  Verstillend van binnen, verlangend te horen

  het levende Woord dat opnieuw wordt geboren

  waar mensen in aandacht en liefde verstaan.

2

  Tijd vloeit ineen; verleden wordt heden,

  toekomst wordt nu, maar altijd blijft het Woord.

  herinnerd te worden aan hoe wij bedoeld zijn,

  herscheppen de wereld waarmee wij vergroeid zijn,

  die opdracht aan alles wat ademt gaat voort.

3

  Samengekomen om te gaan vieren

  uur van gemeenschap, van Woord en van Geest,

  dat warm en met liefde en licht is doorweven,

  ons helpt om ons leven gestalte te geven.

  Verwachtingsvol zijn wij gereed voor dit feest.

---

*111

#3

1

  Hoor eens aan, hoor eens aan

  hoe wij zijn ontstaan.

  Jij en ik en allemaal,

  allen zijn wij beeld

  van Wie ons ongedeeld

  leven gaf, waardoor ook jij

  met je licht en schaduwzij

  mee mag doen in Gods verhaal.

2

  Zie eens aan, zie eens aan

  hoe jij mag bestaan

  jij en ik en allemaal,

  wetend van de bron

  buigen wij de route om,

  trekken uit dit dorre land

  naar de groene waterkant

  vinden kracht voor ons verhaal.

3

  Kijk eens aan, kijk eens aan

  hoe jij door mag gaan

  jij en ik en allemaal,

  putten uit de Bron

  waar alles mee begon

  delen vruchten, brood en wijn

  met wie ons gegeven zijn,

  zo gaan wij in Gods verhaal.

---

*112

#3

1

  In je moeders schoot geweven

  tot een wonder van bestaan,

  kwam je bij ons in het leven,

  dankbaar zeggen wij jouw naam.

  Opnieuw mogen wij beleven

  wat wij zien maar niet verstaan,

  welk een groot geheimenis

  jong geboren leven is.

2

  Aan een lange reis begonnen

  die een levensloop beslaat,

  zul je door een wereld trekken

  waarin heel veel kwaad bestaat.

  Al vanaf je eerste schrede

  bidden wij dat met je gaat,

  Die ons geest en adem geeft

  en ook jou geschapen heeft.

3

  Hoeveel liefde wij ook geven

  en hoe weerbaar je ook wordt

  kwetsbaar zul je altijd blijven,

  mensenmacht schiet toch tekort.

  Door de doop ben j'opgenomen,

  kind van mensen, kind van God,

  in de kring hier om je heen,

  leven kun je niet alleen.

---

*113

#3

1

  Kind, de naam aan jou gegeven

  is geborgen in ons hart

  en in handen opgeschreven.

  In je kleine, warme leven

  houd je stam en bloesem vast.

2

  Welkomstwoorden die we spreken

  - schvchter door herinnering -

  zullen licht na licht ontsteken,

  nu we de belofte weten          

  in dit fonkelnieuw begin.

3

  Als het water zul je stromen,

  en in bootjes van papier

  worden zout en verre dromen

  naar jou einder meegenomen.

  Leven zij in jou vernieuwd.

---

*114

#3

1

  Wij, die zo vaak de belofte vergeten,

  God, ontferm U over ons.

  Wij die de naam van de naaste niet weten,

  God, ontferm U over ons.

  't lied van de hoop is al gaande versleten,

  God, ontferm U over ons.

2

  Angst die ons dof en krachteloos maakt,

  Christus denk aan ons!

  Knagend verdriet dat ons wezen raakt,

  Christus denk aan ons!

  vriendschap door ons te bitter gemaakt,

  Christus denk aan ons!

3

  Iedere dag dat we U niet vertrouwen,

  God, ontferm U over ons.

  Vesting van eigen gelijk die we bouwen,

  God, ontferm U over ons.

  Pijn om het als Uw mens uit te houden,

  God, ontferm U over ons.

---

*115

#5

1

  Maaltijd van vreugde, licht overgoten,

  stralend staat alles voor ons klaar,

  zegenend groeten wij elkaar,

  cirkel van mensen, tafelgenoten.

2

  Maaltijd van liefde, hier zijn wij samen,

  eten van wat de aarde geeft,

  voelen de goedheid die hier leeft,

  lichaam en geest, zij komen op adem.

3

  Maaltijd van rust, vertel je verhalen,

  luister naar wat je wordt verteld,

  spreek van je vreugden, wat je kwelt,

  zo kunnen wij Gods liefde vetalen.

4

  Maaltijd van delen, laten we geven,

  aandacht en warmte aan elkaar,

  tijd en geduld, een stil gebaar,

  woorden waarmee je voortkunt in 't leven.

5

  Maaltijd van vrede, Gods Geest gaat komen.

  Op lichte voeten komt Zij aan,

  trekt met ons mee door ons bestaan

  van alledag, bezielt onze dromen.

---

*116

#4

1

  De mens die ons beminde

  meer dan de trouwste vrinden

  die ons gegeven zijn,

  verzamelt ons in vrede.

  Wij staan hier aangetreden

  genodigden bij brood en wijn.

2

  Mens die ons als een moeder

  wil met haar lichaam voeden

  en ons te drinken geeft,

  maak ons zo sterk van binnen

  dat wij hem overwinnen

  die zich in ons genesteld heeft.

3

  Bevrijd van heersersmachten

  die in ons overnachten

  sinds onze kindertijd,

  zijn wij als open schalen

  waarin uw Geest kan dalen

  en woning vindt voor haar bereid.

4

  Wij delen in de vrede

  waarvoor zo heeft geleden

  de mens Jehosjoea

  die zich als brood liet breken.

  De wijn is ons het teken

  dat vrede vloeiend verder gaat.

---

*117

#3

1

  Wij moeten gaan; aan 't lied van bevrijding

  voegden we weer een eigen refrein,

  zagen rondom de glans van herkenning

  hoe we elkaar tot Verbondgenoot zijn.

  Vonden het Woord, eerder gehoord,

  als nieuwe bron op eigen terrein.

2

  Laten we gaan. Geloof in de zegen

  die onze God steeds toegezegd heeft,

  in niemandsland soms worst'lend verkregen

  maar die ons hoop, moed en waakzaamheid geeft.

  Neem van hier mee, het vaste idee

  Licht blijft de kern, vaak tastend beleefd.

3

  Neem bij het gaan de mantel van vrede

  die we behoedzaam om mogen slaan,

  waarin de Naam vol kleur is geweven.

  Vage beschutting in mensenbestaan.

  In de woestijn, vruchten en wijn:

  vrede en zegen! Laten we gaan.

---

*118

#4

1

  Aan onszelf teruggegeven,

  korte spanne uitgeheven

  boven lasten van het leven

  zagen wij

  'n visioen, al was 't maar even

  hoe wij mogen zijn.

2

  Beeld dat wij nu in ons dragen,

  stralend licht dat onze dagen

  richting geeft door wat wij zagen,

  lijf en geest

  voelen in de diepste lagen

  heelheid die geneest.

3

  Volheid hebben wij ervaren

  waar w'in vrede samen waren,

  onze onrust kon bedaren

  aangeraakt

  door de hemel die de aarde

  vasthoudt en bewaakt.

4

  Vleug van eeuwigheid, ontloken

  in een schepping zo gebroken,

  hoop als vonken aangestoken

  om ons heen.

  Tijd van gaan is aangebroken,

  wij gaan niet alleen.

---

*119

#3

1

  Schemertij van leven: aan het stil verloop

  zoek ik stem te geven tussen vrees en hoop.

  Vormloos in gedachten drijven beeld en klank.

  Aarzelend verwachten heeft slechts hoop als onderpand.

2

  Ingekeerde dagen groeien in de tijd

  tot ze licht gaan dragen, groter openheid.

  Zachtjesaan geloven dat de toekomst wint

  nu aan oude tonen een nieuw lied van hoop ontspringt.

3

  Voor de eng'lenkoren hapert nog mijn stem.

  Ik wil 't lied doen horen buiten Bethlehem.

  'k Leg opzij de doeken van vertedering.

  Kind dat ik ga zoeken; wees mijn zichtbaar nieuw begin!

---

*120

#4

1

  In de harten van de mensen

  leeft een eeuwenoud gerucht

  van een wereld die volmaakt was,

  waarvan God zag dat zij goed was,

  lichtend beeld dat van ons vlucht.

2

  Echo die in ons blijft klinken,

  vonk van God, geef ons de durf

  't met dit sprankje hoop te wagen

  tot het groeiend wordt voldragen,

  ons van binnenuit vervult.

3

  Als een kind zo klein en kwetsbaar,

  teer maar toch vol zachte kracht

  wordt dan Christus steeds herboren,

  wat in 't donker leek verloren,

  wordt weer aan het licht gebracht.

4

  Dunne draad van licht en leven,

  Geest van God die ons geleidt,

  voer door eeuwen en door dagen

  ons naar heelheid die de aarde

  van gebrokenheid bevrijdt.

---

*121

#4

1

  Huilend kwam je hier tot leven,

  van de warme moederschoot

  afgesneden en verdreven

  om te leven tot de dood,

  en een mens te zijn die weet

  van de diepte en het leed.

2

  Tussen ster en steen te zoeken

  naar het recht en naar het licht,

  woordelijk vanuit de boeken

  vrede zijn en vergezicht

  en te staan onder de boog;

  zeven kleuren hemelhoog.

3

  Liefde, liefde openbaren

  tegen alle stromen in,

  vrede onderons verklaren

  van een oud, een nieuw begin,

  anders, heler samengaan,

  namen voegen bij De Naam.

4

  Mensenkind, van horen zeggen

  zingen wij de woorden door,

  aarzelend, niet uit te leggen

  maar vermoedend dat het spoor

  hemels, helend uitzicht geeft,

  welbehagen voor wie leeft.

---

*122

#4

1

  De vrouwen op die eerste dag

  zijn door de tuin gelopen

  met schrik: het graf was open

  alleen de tuinman die men zag.

2

  De vrouwen lieten daar het graf

  met blijdschap: er was leven!

  Ze zagen het maar even,

  maar niemand nam hen dat meer af.

3

  Die vreugd'en vrees en wankele moed

  zijn eeuwenlang gaan duren.

  Geen Thomas, geen structuren

  verhulden ons dat zicht voorgoed.

4

  Jij, die de weg nu met mij gaat,

  door nacht of mist moet lopen,

  hou vol! En laat ons hopen

  omdat de tuinman ergens staat!

---

*123

#4

1

  Tussen waken, tussen dromen,

  in het vroege morgenlicht,

  wordt de steen van 't graf genomen,

  horen vrouwen het bericht,

  dat door dood en duisternis

  Jezus leeft en bij ons is.

2

  Zij die zich als eersten buigen

  over leven in haar schoot,

  zijn op Pasen kroongetuigen

  van nieuw leven uit de dood.

  Vrouwen hebben Hem ontmoet,

  weten zich bevrijd voorgoed.

3

  Uit een sprakeloos verleden

  weggeschoven, ongehoord,

  wordt een nieuwe tuin betreden,

  open is de laatste poort,

  sluiers worden weggedaan:

  het is tijd om op te staan.

4

  Lente kleurt de kale bomen,

  door het leven aangeraakt

  bloeien bloemen aan de zomen,

  zo wordt alles nieuw gemaakt.

  Juichend stemt het leven in

  met de toon van het begin.

---

*124

#7

1

  Het pure witte licht

  van Gods aanwezigheid

  is als een bliksemschicht,

  een keerpunt in de tijd.

2

  In stilte, ongezien

  en stralend, onverwacht,

  herrijst de Levende

  uit dood en donk're nacht.

3

  De kruiden van de dood,

  zij kunnen weggedaan.

  De Opgestane leeft

  en spreekt Maria aan.

4

  H aar blij getuigenis

  zet zich onstuitbaar voort,

  dit ongelooflijk nieuws

  wordt tot vandaag verwoord.

5

  De werkelijkheid van God

  breekt in ons leven in

  als ruimte, perspektief,

  geeft alles nieuwe zin.

6

  Waar leven triomfeert,

  het dode overwint,

  daar bloeit de wereld op

  en heel de schepping zingt.

7

  Waar Pasen wordt gevierd

  is dood voorbijgegaan,

  daar wortelt weer de hoop

  in 't menselijk bestaan.

---

*125

#5

1

  De hof ligt tussen waken, tussen dromen,

  de nacht trekt zich terug voor 't morgenlicht,

  er is een woord, een naam, een vreemd bericht;

  de steen is van de groeve weggenomen.

2

  De steen is van de groeve weggenomen,

  de vrouwen blijven bij de ingang staan,

  de dood, het leven, kunnen zij niet aan;

  zij waren voor de laatste eer gekomen.

3

  Zij waren voor de laatste eer gekomen,

  gedrie‰n, op die eerste dag der week,

  met zalf en specerijen, maar nu bleek;

  het nieuwe leven is Hem overkomen.

4

  Het nieuwe leven is Hem overkomen,

  God zelf heeft in de laatste eer voorzien,

  hun oren horen en hun ogen zien;

  de steen is van de harten afgenomen.

5

  De steen is van de harten afgenomen,

  Hij komt hen tegemoet en noemt hun naam.

  Een ongekende blijdschap breekt zich baan;

  de hof ligt tussen waken tussen dromen.

---

*126

#4

1

  Geest van voor het mens'lijk leven,

  geest van eeuwigheid,

  stem tot woord en daad verheven

  die de toon hebt aangegeven

  en ons zingen leidt.

2

  Alle dingen zijn begonnen,

  wonderlijke raad,

  doordat gij u hebt bezonnen,

  bij uzelf een beeld gewonnen

  dat in ons bestaat.

3

  Woord en toon en beeld tezamen

  schepping is een dans.

  Geest, wij willen u beamen,

  kom ons klein geloof beschamen,

  breng ons in balans.

4

  Grote danser in ons midden,

  vuur de harten aan,

  dat wij zingen, dat wij bidden.

  Grote danser in ons midden,

  blijft niet stille staan.

---

*127

#4

1

  Die eenmaal op de wateren broedde,

  moeder van al wat leeft,

  Geest van de aanvang, onze moeder,

  dank voor wat U ons geeft.

2

  Neerdalend als een duif van vrede,

  teken voor ons bestaan,

  deel wat U ons wilt schenken mede,

  wijs ons de wegen aan.

3

  Komende in vurige tongen,

  raak ons aan met Uw taal,

  zodat wij met harten en monden,

  zingen van Uw verhaal.

4

  Jezus volgen, zijn liefde vieren,

  leven bij brood en wijn,

  mensen beminnen, bloemen, dieren,

  trouw aan de aarde zijn.

---

*128

#5

1

  Onzichtbaar zoals adem is

  woont Gods Geest in ons midden,

  als levenskracht die bouwt en bruist

  en zichtbaar maakt wat in ons huist

  aan leven, liefde, zingen.

2

  Als wind die waait waarheen hij wil

  is Gods Geest daar aanwezig

  waar mensen voor Haar openstaan,

  door Haar gestuwd de weg opgaan

  van ruimte, recht en vrede.

3

  Als ademnood ons overvalt,

  benauwdheid voor het leven,

  en eenzaamheid ons hart verstart,

  blaast Zij ons warmt'in, licht en zacht,

  geeft moed, zet in beweging.

4

  De Geest van God is overal

  waar mensen Haar herkennen,

  Zij ziet ons door de ogen aan

  van hen die helpend naast ons staan,

  Zij gaat door heel de schepping.

5

  O adem Geest, die ons vervult,

  geschenk aan ons gegeven

  zolang wij hier op aarde zijn,

  geheim van troost in angst en pijn,

  Jouw adem is het leven!

---

*129

#3

1

  De Geest van God waait als een wind

  op vleugels van de vrede,

  als adem  die ons leven doet,

  deelt ons een onrust mede

  die soms als storm durft op te staan,

  geweld en kwaad durft tegengaan,

  een koele bries die zuivert.

2

  De Geest van God is als een vuur,

  als vlammen felbewogen,

  verterend wat aan onrecht leeft,

  een gloed vol mededogen.

  Een vonk van hoop in onze nacht,

  een wenkend licht dat op ons wacht,

  een warmt'in hart en ogen.

3

  In stilte werkt de Geest van God,

  stuwt voort met zachte krachten,

  een wijze moeder die ons hoedt,

  een bron van goede machten.

  Zij geeft ons moed om door te gaan,

  doet mensen weer elkaar verstaan,

  omgeeft ons als een mantel.

---

*130

#5

1

  Als alle hoop vervlogen is

  het leven leeg is door gemis,

  waait er de adem van Gods geest

  door huis en hart op 't Pinksterfeest.

2

  De woorden, tot de rand gevuld,

  spreken zich uit, zo wordt onthuld

  een nieuw refrein, een oud verhaal,

  een rondedans in tong en taal.

3

  Het vuur van wat eens is beloofd

  staat als een vlam op ieders hoofd,

  in alle talen wordt verteld:

  de liefde wint voorgoed het veld.

4

  Zij ademen een nieuwe naam,

  die geestdrift raakt ons allen aan,

  met vergezichten eeuwigheid

  binnen de grenzen van de tijd.

5

  Alsof de uittocht nieuw begint,

  de tamboerijn van ver weerklinkt,

  gaan wij op weg, bevrijd voorgoed;

  het wordt een eindeloze stoet.

6

  Als alle hoop vervlogen is

  het leven leeg is door gemis,

  waait er de adem van Gods geest

  door huis en hart op 't Pinksterfeest.

---

*131

#5

1

  Voor ons valt alles samen:

  het licht, het brood, de geest,

  wij vieren en beamen

  in ‚‚n gebaar het feest

  dat Christus ons beloofde,

  dat aan ons werd volbracht.

  Wij heffen onze hoofden.

  Ga met ons door de nacht.

2

  Zoals de dwaze moeders

  niet wijken voor geweld

  en houden in haar hoede

  de liefsten ongeteld

  en noemen hen bij name

  tegen de heersers in

  van eeuwigheid tot amen -

  zo zijn wij naar Gods zin.

3

  Licht zullen wij verspreiden,

  op aarde zichtbaar staan

  als lampen in getijden

  van storm en nieuwe maan.

  Hoe donker onze wegen,

  hoe angstig onze tocht,

  ontvangen is de zegen,

  gevonden is wie zocht.

4

  Brood is de mens geworden

  die voor ons in wou staan

  en koos zich te omgorden

  ten dode en te gaan

  waar wij niet kunnen volgen

  tenzij wij als het graan

  in zaailingen verzwolgen

  aandurven op te staan.

5

  Geest is het die doet leven

  herboren in het licht.

  Zij troost wie zich haar geven.

  Zij houdt ons recht gericht.

  Zij doet wat zij beloofde

  en loopt als vuur haar wacht.

  Wij heffen onze hoofden.

  Ga met ons door de nacht.

---

*132

#5

1

  Wanneer de oorsprong blijft verborgen

  onder het drijfzand van weleer,

  is er geen zicht, geen weg naar morgen,

  geen stroom, geen bedding, tij noch keer.

2

  Wanneer het woord versmalt tot klanken,

  tot rimp'ling aan de waterrand,

  geen dieplood heeft, geen bodemranken,

  is er geen hier, geen overkant.

3

  Maar als de roep gaat over 't water

  en weerklank vindt in vaste grond,

  is er een doortocht nu en later,

  een samengaan dat niet verwondt.

4

  Een vloed van leven, niet te stuiten,

  breekt door de vliezen van de stroom,

  wij gaan de perken ver te buiten

  en bloeien aan de waterzoom.

5

  De tijd van oogst is aangebroken,

  de bronnen van Uw overvloed

  heeft velden in het wit gestoken,

  geeft brood dat ons van harte voedt.

---

*133

#2

1

  Vrij, uit; 't buitelkruid

  drijft de dorre gronden uit.

  Als de bloei dreigt te verzanden

  rolt het dood naar beter land.

  Door de wind op streek gebracht

  toont het onvermoede kracht.

2

  Heg, steg; vrouw, waai weg,

  bij de bron is straks een heg.

  Losgemaakt om groei te vinden

  durf je leven van de Wind!

  Sterke stroom of zachte dauw

  maakt een roos van mij en jou!

---

*134

#4

1

  Wie door God Zelf is aangeraakt

  is als een groene boom

  die aan het water staat

  en bloei en vruchten die zij draagt

  als wonder blijft beleven,

  een ongedacht gegeven.

2

  Refrein:

  In de ogen van de ander,

  in haar doen en daad

  spiegelt zich het beeld van God,

  naar Wie wij zijn gemaakt.

3

  Als water dat doorzichtig vloeit

  en vol geheimen is

  van levenskracht en groei,

  is God een bron van overvloed

  die dorheid doet genezen

  tot groen en glanzend leven.

         In de ogen van de ander,

         in zijn doen en daad

         spiegelt zich het beeld van God

         naar Wie wij zijn gemaakt.

4

  Verborgen bron van ons bestaan,

  die sinds de schepping stroomt

  en daarmee door zal gaan

  zolang er tijd zal zijn, wij staan

  in eeuwenlange rijen

  geworteld in bevrijding.

         In de ogen van de ander,

         in haar doen en daad

         spiegelt zich het beeld van God

         naar Wie wij zijn gemaakt.

---

*135

#1

1

  Zomaar een lied, een Naam die wij kennen,

  eeuwenoud Woord, door mensen vernieuwd

  als zij de bron, de ruimte herkennen,

  jodenman, brodenman, allemans vriend.

  Zomaar een lied, een Naam die wij zingen.

  Eenmaal gezongen, in flarden bewaard,

  deint het de kring van naamvlechters binnen.

  Klankbord van hoop, met namen besnaard.

---

*136

#4

1

  Het heeft de Heilige behaagd

  mij in armoede te bewonen,

  een schamel huis, een onderkomen

  van niets, waarin het licht zich waagt

  en wordt getemperd door de wanden,

  maar mild in schijnselen blijft branden.

2

  Lamp die in mij te wiegen hangt,

  Naam die mij woorden zacht leert spreken,

  Wijsheid die niet meer wil ontbreken

  in mij die naar uw licht verlangt,

  ik wil nu gaan op rechte wegen.

  Geen tegenstander houdt mij tegen.

3

  Al word ik onverhoeds gewond,

  al komen zij om mij te schenden,

  ik weet tot Wie ik mij kan wenden:

  ik leef met U in vast verbond,

  Gij die mij naar U hebt geschapen

  en in wiens kracht ik mij ontwapen.

4

  Om hier te horen en te zien

  een afglans van Uw hoge lichten,

  waarvoor zelfs serafijnen zwichten

  als vuur dat vuur tot branden dient,

  komen de mensen moe van strijden

  op adem bij mij in mijn lijden.

---

*137

#5

1

  Zoals het zaad eerst sterven moet

  voor leven kan beginnen,

  zo moeten wij eerst door het kwaad

  v¢¢r wij het overwinnen.

2

  Alsof wij trekken door de dood

  van duisternis en lijden,

  zo moeten wij van binnenuit

  de kern van 't kwaad bestrijden.

3

  Die strijd waarvoor ons moed ontbreekt

  valt dan slechts aan te binden,

  als wij met and'ren samen zijn

  en als wij Jou daar vinden.

4

  Een God die mee het kwaad ingaat

  ons steun en kracht blijft geven,

  helpt ons te worden als het zaad,

  door dood heen te herleven.

5

  Zoals na kou en wintertijd

  het land wordt overtogen

  met groene sluiers kiemend zaad,

  wordt steeds weer hoop geboren.

---

*138

#3

1

  Geest en adem ijl verweven

  is de zijden draad van 't leven,

  Šn ons middel van bestaan

  om een ruimte op te bouwen

  waar, in wederzijds vertrouwen

  ieder naast elkaar zal gaan.

2

  Samen weer op adem komen

  doet hervonden krachten stromen

  tussen mens en mens en mens.

  Vrouwen die maar zachtjes zongen,

  schuchteren die houvast vonden,

  worden aan elkaar bekend.

3

  Laten we diep ademhalen,

  nieuwe sterkte dan vertalen

  in een eigen openheid.

  Het zal goed zijn om te delen:

  zout voor brood en lucht voor spelen.

  Ademen is hoog geprijsd!

---

*139

#3

1

  Verborgen in oude verhalen,

  verteld zolang mensen bestaan,

  zijn woorden van hemel en aarde

  die over Gods wonderen gaan.

  W'ontdekken ze als we ervaren

  ontvangend in 't leven te staan.

2

  Verhalen die jong zijn gebleven

  want ook ons bestaan wordt verwoord

  in tijdloze, steeds nieuwe beelden

  sinds eeuwen door mensen gehoord.

  Z'omsluiten ons warm als een deken,

  ze nemen ons op en gaan voort.

3

  Wij leven zelf nieuwe verhalen

  waarin ons de Geest tegenkomt,

  als groots en geweldig ervaren,

  als ruimte en rust in een storm.

  Wij zeggen weer voort wat wij zagen,

  verhaal waar geen einde aan komt.

---

*140

#5

1

  Wij dromen van de mensenrechten

  die ieder mens dan heeft,

  niet langer tegen onrecht vechten,

  daar't recht van liefde leeft.

2

  Verdwenen zijn de diktaturen,

  gevangenschap en pijn,

  verbanning en verdriet verduren,

  God zelf zal bij ons zijn.

3

  Wie in die dromen durft geloven

  voelt zelf verandering,

  vertwijfeling en wanhoop doven

  in blijde aarzeling.

4

  En licht en sterk, vol zachte krachten

  die onverzet'lijk zijn,

  bevechten wij de kwade machten

  die niet te tellen zijn.

5

  Waar mensen putten uit de bronnen

  van droom als werk'lijkheid,

  daar is Gods toekomst al begonnen

  in onze levenstijd.

---

*141

#3

1

  Eerbied voor alles wat ademt en leeft

  voor wat is geschapen, geboren,

  genietend en dankbaar voor al wat zij geeft

  de volheid der aarde bewonen,

  recht doen aan mensen gemaakt naar Gods beeld

  is vrede, van waaruit gebrokenheid heelt.

2

  Vrede kan wonen waar macht door geweld

  als wapen en wet is verdwenen,

  verdrukking als kwaad aan de kaak wordt gesteld,

  geen mens zich meer voelt als een vreemde,

  honger en wanhoop voorbij zijn gegaan,

  wanneer wij dat willen, kan vrede bestaan.

3

  Breek af de muren van zelfzucht en angst

  om kwetsbaar maar moedig te leren,

  dat in ons en om ons pas vrede aanvangt

  wanneer wij het tij zelf gaan keren.

  Plekken van licht en van liefde zijn daar

  waar God wordt geleefd in de blik naar elkaar.

---

*142

#2

1

  Vogelvluchten doen vermoeden

  hoe de vrijheid voelt zo hoog.

  Wie kan schapenwolken hoeden

  tot aan verre regenboog?

  Bomen, aardevast geworteld,

  lonken waaiend naar het licht,

  blijven, leunend tegen stormen,

  vastberaden opgericht.

  En uit water, spieg'lend water

  kijkt me mijn verlangen aan.

  Als een beeld naar een gelijk'nis

  en ik hoorde dat het goed is,

  goed genoeg om door te gaan.

2

  Mensenvrijheid voelt haar banden,

  weet zich binnen tijd en huid.

  Maar in woorden en door handen

  breken zachte krachten uit.

  Vreemdeling bij name noemen,

  machtigen te machtig zijn;

  klein geloof in visioenen

  brengt bevrijding dichterbij!

  En bij water, stromend water

  ziet een mens de ander aan.

  In hun ogen de gelijk'nis,

  en ze weten dat het goed is,

  goed om samen door te gaan.

---

*201

#3

1

  Vrouwvolk uit verleden tijd

  dat als schimmenspel beklijft.

  Vrouw van Lot in haast verwrongen,

  Zij die ooit met Mirjam zongen.

  Steeds weer twijgen aan de stam

  waardoor leven verder kwam.

  Nu nog kan ik namen geven:

  'Zusters door het leven'.

2

  Vrouw met de albasten kom.

  Waterdraagster bij de bron.

  Velen die met woord en daden

  aan de eeuwen schijnsel gaven.

  In een onbenoemde stoet

  onze tijden tegemoet.

  Zo veel namen kan ik geven:

  'zusters in het leven'.

3

  Vrouwen, ingeperkt en dwaas.

  Zij die naast mij verder gaan.

  En met durf en mededogen

  vonken slaan en vuren stoken.

  Ze zijn griffels bij het Woord,

  schrijven haar traditie voort.

  En ik waag het uit te spreken:

  'zusters in mijn leven'.

---

*202

#3

1

  Om kinderspel, de klank van tamboerijnen,

  de stameling van de gevonden woorden,

  om reizen naar nog niet bekende verten,

  de dagen die doen dorsten naar wat water,

  om nachten vruchtbaar en het late rusten

  en alle weelden van wie moeder worden;

2

  om liefdesappelen om die te geven

  aan wie nog niet, aan wie nog zonder vreugde

  om recht te doen en rechten te ontvangen

  en overeind te blijven in verachting

  de rug te rechten en te zien hoe zusters

  tesamen wonen en elkaar doen leven-

3

  lievelingsboom: jij sneeuwende amandel

  die mij de komst voorzegt van grote lente

  waarin het dode en de doden levend,

  de takken van de vruchten zullen buigen

  zoals ik boog maar nooit zullen zij breken:

  ik zie de moeders van het licht verzameld.

---

*203

#3

1

  Niet doordat uit de verten zijn verzameld

  talloze zwervenden en zijn geborgen

  in de omarming van de heuveldalen

  waar wijnstokken haar zware trossen dragen

  en vijgen schaduw spreiden zoete vruchten

  in overvloed, de poorten zijn geopend,

2

  zal zij de stad herkennen en betreden

  de herderin van de ontroostbaar velen,

  geschondenen verslagen en verworpen,

  de kinderlozen en die zich verloren

  in de verlatenheid genaamd de liefde,

  zelf van de lammeren het meest gekwetste

3

  en aan de poorten zal zij blijven wachten

  tot ook het laatste kind is aangekomen

  dat aan de jacht van allen tegen allen

  ontkomen is als in de nacht de sterren

  ontelbaar schitteren: het zand van zee‰n

  die ongeschapen bleven tot dit einde.

---

*204

#7

1

  Zing van de vrouwen,

  zij durven het leven aan

  doden geen kind'ren

  maar larten hen voortbestaan.

2

  Machten en farao's

  hebben geen laatste woord

  door alle angsten heen

  wordt er naar God gehoord.

3

  Moeders verbergen

  haar kinderen voor de dood

  houden het stil maar

  het groeit en het wordt te groot.

4

  Vlechten een bootje

  en geven het leven prijs

  spelen hoog spel

  maar zij hopen op goede reis.

5

  Huilen en wachten

  en Mirjam als kleine zus

  weet al van dood

  maar zij droomt van een exodus.

6

  Wetten die spreken van dood

  zijn zo hard als steen

  zien van een kind

  hartverwarmend door alles heen.

7

  Wie redt een kind

  uit het water uit ondergang

  die redt een volk

  nu en later en levenslang.

---

*205

#4

1

  Genade is Gods Naam vervoegen

  'Ik zal er zijn' in deze tijd;

  is woedend worden om fascisme

  discriminatie wereldwijd

  is voor de onderdrukker kiezen

  en vroedvrouw in Egypte zijn

  is zekerheid durven verliezen

  om deelgenoot te kunnen zijn.

2

  Genade is Gods Naam vervoegen

  'Ik zal er zijn' op deze tocht;

  brood delen met de vluchtelingen,

  oase zijn voor wie dat zocht,

  met Mirjam samen dansen, zingen

  ondanks de leegte der woestijn,

  is veiligheid durven verlaten

  om reisgenoot te durven zijn.

3

  Genade is Gods Naam vervoegen

  'Ik zal er zijn' in ballingschap;

  is opstaan, breken uit strvcturen die

  mensen dwingt tot vreemd'lingschap,

  is Gods gezicht kunnen herkennen

  in dat van de misbruikte mens,

  nooit aan onrecht willen wennen

  en lotgenoot van Vasthi zijn.

4

  Genade is Gods Naam vervoegen

  'Ik zal er zijn' voorbij de tijd;

  genade is elkaar behoeden

  in vrede en gerechtigheid,

  na rouw en droefheid weer beginnen,

  met Jezus opstaan uit de pijn,

  genade is elkaar beminnen

  om naamgenoot van God te zijn.

---

*206

#7

1

  allen:

  De naam die je draagt is de weg die je gaat.

  De weg die je gaat is de naam die je draagt.

2

  koor/solo:

  Doe weg het verkleinwoord, sta op in je naam,

  jij vrouw met de verve van een rode cyclaam,

  jij mens met de mond van de wilde narcis,

  de roos in haar fierheid die is wat zij is.

3

  allen:

  De naam die je draagt is de weg die je gaat.

  De weg die je gaat is de naam die je draagt.

4

  koor/solo:

  Voordat je geboren werd woonde je naam

  geborgen verborgen als wilde cyclaam

  die worstelt totdat zij op rotsen ontbloeit

  en niet meer zal sterven van leven doorgloeid.

5

  allen:

  De naam die je draagt is de weg die je gaat.

  De weg die je gaat is de naam die je draagt.

6

  koor/solo:

  De plaats waar wij wonen is vol van de wind

  die zaden verzamelt en vruchten ontbindt.

  De naam is een mantel. Sla die om je heen.

  Wees ‚‚n met je naam in de Naam van de E‚n.

7

  allen:

  De naam die je draagt is de weg die je gaat.

  De weg die je gaat is de naam die je draagt.

---

*207

#4

1

  Verdwaald in het leven, verkild door het zoeken

  naar doel en bestemming, slechts vragen ontmoeten

  op vruchteloos roepen,

  gestrand in het denken

  zo moe en verdrietig, zo zoek voor jezelf.

2

  Een stem die je naam roept, de hemel gaat open

  verrast en verrukt je en licht komt in stromen

  je groeten en warmen

  in zachte omarming

  gekend door de ander, gezien wie je bent.

3

  Een pad van het licht door die ander geweven

  een brug, smal en sterk, die je wankel, onzeker

  terugloopt naar leven

  terug naar de mensen

  die warmte en sterkte, die boden van God.

4

  Een flits van herkenning en alles valt samen

  wat was en wat is en vervlechting van namen

  een stroom van verhalen

  verbindt de geslachten

  geeft ook aan jouw leven een plaats in de tijd.

---

*208

#3

1

  Toen we van bevrijding hoorden

  vroegen we de liefsten mee.

  Spaarden dromen om te delen,

  bakten brood om mee te nemen,

  en vertrokken als zovelen

  voor een voettocht naar de zee.

2

  Met het zoute vocht van tranen

  zijn we door de vloed gegaan.

  Achter ons verdronken machten

  aan wie wij geen redding brachten.

  Het was zwaarder dan we dachten

  en een deel van ons bestaan.

3

  Die niet door de Rietzee trokken

  maken leegte om ons heen,

  naasten die we hier niet vinden.

  Tussen vriend en vreemdelinge

  gaan we deze reis beginnen,

  treden waar geen paden zijn.

---

*209

#4

1

  Een land is beloofd, als een nevelig land

  en dag na dag moeilijk te vinden.

  Wij leren de kern van het oude geheim.

  Wij zeggen elkaar dat het zonnig zal zijn

  en veilig voor vrouwen en kind'ren.

2

  Het land van de hoop lijkt een armelijk land,

  je ziet er geen glimmende machten.

  Maar ogentroost bloeit langs de kant van de straat

  en mensen zijn blij dat de ander bestaat.

  De weerlozen leren er lachen.

3

  Dat land is voor nu, niet van later of toen,

  het is er bij stukjes en beetjes.

  Elk mens die in Geest - kracht de angst overwint,

  of huilend en sjouwend het kwade bedwingt

  herschept zo het land van het leven.

4

  Wij blijven in gang en verbruiken de tijd,

  wij weten niet waar we belanden.

  Maar steeds als de zon opkomt is het misschien

  de dag dat we ergens en even gaan zien

  hoe 't goed is voor ons en voor and'ren.

---

*210

#3

1

  We gedenken Rachab die haar huis behoedde,

  die haar liefsten redde aan de zijkant van de stad.

  Omdat zij bij dichte poorten waakte in de nacht

  en een toekomst aan de and're kant vermoedde.

2

  En we vragen Rachab wat haar heeft bewogen

  om hoog spel te spelen met de koning van het land.

  Kleur bekennend door een vuurrood teken aan de wand

  toen voor onverzekerd leven was gekozen.

3

  We bezingen Rachab die haar naam bewaarde,

  niet is doodgezwegen in de lange levenslijn.

  Zij die ooit een mens van goed vertrouwen durfde zijn

  staat voor - goed geschreven in het boek der Namen.

---

*211

#3

1

  Met de sterren in haar ogen,

  glanzend als de oceaan,

  is ze op de plek gaan staan

  waar de paden samenkomen,

  vrouwe Wijsheid,

  onbevangen als een kind,

  roept ze schallend in de wind.

2

  Zij kent het begin der dingen.

  Van de allereerste tijd

  heeft ze al de dans geleid.

  Ze is Gods vertrouwelinge,

  vrouwe Wijsheid.

  Wat ze vraagt in stad en land

  brengt het leven in balans.

3

  Eerlijkheid als goud gewogen,

  recht dat blinkt als zilverwerk,

  en de mens die waarheid zegt

  daarvan heeft ze luid gesproken,

  vrouwe Wijsheid.

  Wij slaan nieuwe wegen in

  met de wijsheid als vriendin.

---

*212

#2

1

  Een sterke vrouw,

  wie vindt haar niet een sterke vrouw.

  Zoals ze nieuwe draden spint

  met stukken lach en wanhoopvezels,

  en daarmee leven aan zich bindt.

  Haar hoop kan veertig keer verbleken.

  En als haar stem geen adem vindt

  verlamt haar hart totdat het leven

  weer moed legt op haar weefgetouw.

  Een sterke vrouw.

2

  Een mens van kracht.

  Kijk om en zie een mens van kracht.

  Zelf grenst ze haar terreinen om.

  Haar tuin heeft graan en appelbomen,

  en ergens diep weet ze een bron.

  Een levenlang kan zij daar komen,

  haar handen als een lege kom.

  Ze draagt in druppels haar vermogen.

  Zo heeft ze het al ver gebracht.

  Een mens van kracht!

---

*213

#6

1

  Al wat geweest is gebeurt weer opnieuw

  en alles heeft zijn tijd.

  Een tijd van treuren en dansen

  tijd van geboorte en tijd van de dood.

2

  Vluchtig en ijl en ongrijpbaar als wind

  de tijd die raadsel blijft.

  Een tijd van zaaien en oogsten

  tijd van het kwaad en genezing daarvan.

3

  Mensen zij zoeken en maken zichzelf

  verblijfplaats in de tijd.

  Een tijd van zoeken, ontdekken

  tijd van de liefde en tijd van alleen.

4

  Tegen de eeuwen is mensenbestaan

  een hartklop in de tijd.

  Een tijd van bouwen en breken

  tijd van ontwijken en toegewend zijn.

5

  Kort is het leven, geniet van de dag

  de tijd is geschenk van God.

  Een tijd van kussen en zingen,

  lachen en huilen, geschenk is de tijd.

6

  Want als de tijden geborgen in God

  zijn wij dat in Haar hand.

  Een tijd van spreken en zwijgen

  tijd om te zwijgen uit eerbied voor God.

---

*214

#8

1

  Vreugde zal ons zelf verbazen

  als we 't oude liedje blazen

  op de loftrompet.

2

  Lied van trouw  en hoop op zegen,

  van beginne aangeschreven

  en op onze maat gezet.

3

  mensen kunnen rondbazuinen

  dat de angst het veld moet ruimen

  als vertrouwen wint.

4

  Alle snaren zijn gespannen

  nu het lied van ons verlangen

  om gerechtigheid weerklinkt.

5

  Fluiten met hun hoge tonen

  hebben onze durf en dromen

  bij elkaar gebracht.

6

  't Ritme van ons zoekend leven

  wordt onstuitbaar doorgegeven

  met de slagen van ons hart.

7

  Blijdschap schalt als een fanfare

  waar een mens een mens bewaarde

  bij Gods regenboog.

8

  Met violen, trom en koper

  zingen wij het donker open

  onze stem klimt hemelhoog!

---

*215

#4

1

  Toen Maria zong, zo klein, zo jong,

  zong zij een machtig lied.

  God toegedaan met lijf en leven,

  en recht gaan staan en antwoord geven,

  zo is een mens geheimenis

  dat niet meer weg te praten is.

  Opnieuw genoemd in de geslachten

  door allen die nog licht verwachten.

  Zing dit steeds weer, vergeet het niet,

  het is een machtig lied.

2

  Toen Maria zong,

  zo blij, zo jong,

  zong zij een prachtig lied.

  Die Heilig heet wil mensen kennen

  en door de geest tot leven brengen.

  Wie aan geen wonder heeft gedacht

  stroomt vol met Gods verbeeldingskracht.

  Een gloed die ons zal blijven warmen

  omhult ons in elkaars erbarmen.

  Zing dit steeds weer, vergeet het niet,

  het is een prachtig lied.

3

  Toen Maria zong,

  zo sterk en jong,

  zong zij een krachtig lied.

  De machtigen van deze aarde,

  zij hebben niet de meeste waarde.

  Ivoren torens zijn gebouwd

  op drijfzand van verdriet en rouw.

  Maria zingt voor stemmelozen

  omdat de Ene heeft gekozen.

  Zing dit steeds weer, vergeet het niet,

  het is een krachtig lied.

4

  Magnificat, magnificat,

  Magnificat, magnificat.

---

*216

#3

1

  Een vijftal vrouwennamen

  hebben de weg verlicht,

  waarlangs de mensen kwamen

  op zoek naar Gods gezicht.

  't Is Tamar die in woede

  en fier haar plaats opeist,

  en Rachab onvermoede

  bevrijdster uit de strijd.

2

  Zie Ruth, de onbeschroomde,

  die liefde paart aan moed,

  Baths‚ba, de beroofde,

  werd ooit haar leed vergoed?

  De ongenoemde vrouwen

  zijn in ons opgestaan,

  zij wekken ons vertrouwen

  met haar op weg te gaan.

3

  Hoe zijn Maria's woorden

  een lamp voor onze voet.

  Zij zingt van Gods belofte:

  gedeelde overvloed,

  gerechtigheid en vrede,

  de machtigen onttroond.

  God hoort onze gebeden,

  de God die ons bewoont.

---

*217

#4

1

  Zou ik niet mogen delen

  in jouw barmhartigheid?

  Wordt dan een vreemdelinge

  toch niet door jou bevrijd?

2

  Dat kan ik niet geloven

  omdat ik je vertrouw.

  Vol zorg om wie mij lief is

  doe ik beroep op jou!

3

  Jij aarzelt om te treden

  buiten de eigen kring.

  Mijn hoopvol tegenspreken

  bereikt verandering.

4

  Nu zijn de grenzen open,

  door mijn vasthoudendheid.

  Zo hebben wij elk-ander

  door dialoog bevrijd.

---

*218

#7

1

  allen - melodie A:

  Ik dacht: ik heb een lamp, ik zal

  haar aandoen als de avond valt.

  Ik zwerf naar hier, ik zwerf naar daar

  en ieder wordt mijn licht gewaar.

2

  koor/solo - melodie b:

  Maar toen de avond viel was ik

  onhandig als mijn linkerhand,

  vergat het lichtend ogenblik

  door slaap en droefheid overmand.

3

  koor/solo - melodie c:

  Ontwaken is een duister lot,

  ontwaken midden in de nacht

  voor wie zich dacht haar eigen god

  en niemand met haar licht verwacht.

4

  allen - melodie A:

  Ik dacht ik heb een lamp, ik zal

  haar aandoen als de avond valt.

  Ik zwerf naar hier, ik zwerf naar daar

  en ieder wordt mijn licht gewaar.

5

  koor/solo  -  melodie B:

  En toen de avond viel was ik

  behendig als mijn rechterhand,

  ontstak ik in een ogenblik

  de lamp die in het donker brandt.

6

  koor/solo  -  melodie C:

  Ontwaken is een heerlijk lot,

  ontwaken midden in de nacht

  wanneer het roepen luider wordt:

  sta op voor wie je hebt verwacht.

7

  allen  -  melodie A:

  Wij waren vijf van dageraad

  en vijf gevangen in de nacht,

  twee handen tot hun uur gebracht,

  ‚‚n mens die door de wereld gaat.

---

*219

#3

1

  Het water wellend uit de Bron

  zoekt klaterend naar eigen wegen,

  geen die het tegenhouden kon

  en samen met de kracht der zon

  is 't mens en aarde tot een zegen.

2

  De dorst naar levend water bracht

  het Kind ons in herinnering.

  Het kwam daartoe in onze nacht,

  ontsloot een Bron met teed're kracht

  en laaft ons met verwondering.

3

  Vul dan je kruik tot aan de rand

  en les je dorst, de Bron blijft stromen.

  En schenk maar uit met gulle hand,

  bevloei het dorre, droge land:

  geen kind mag meer van dorst omkomen.

---

*220

#5

1

  De hoge waterval

  vult in het mensendal

  bedding en leven,

  Vrijheid en zomerlicht

  zijn in een vergezicht

  met schuim geschreven.

2

  Achter de horizon

  baart zelfs de kleinste bron

  tranen en zorgen.

  Daar houdt datzelfde land

  gierig in 't scherpe zand

  water verborgen.

3

  Allemens' levensboom

  heeft langs de brede stroom

  groeiplaats gevonden.

  Een roze rozen struik

  bloeit in een stille tuin

  bij diepe gronden.

4

  Leven wordt ondermaats

  druppelsgewijs gespaard

  tussen de keien.

  Maar als een wondermacht

  kan daar de mensenkracht

  blijven gedijen.

5

  Zullen we mensen zijn

  die ook de dorre pijn

  niet meer vergeten,

  of blijft de waterkruik

  tijdenlang ongebruikt ?

  Wie zal het weten...

---

*221

#4

1

  De pijn brandde na in haar opgen.

  Ze droeg het gewicht van de nacht.

  Zo kwam ze bij man en bij macht

  en hield een pleidooi voor haar dromen.

2

  De lamme is niet meer gekomen.

  De blinde liet zich er niet zien.

  Er heeft daar geen enkele vriend

  voor Jezus ten beste gesproken.

3

  Maar zij heeft de cirkel doorbroken

  en eenzame woorden gezegd.

  Ze wist van erbarmen en recht,

  de vrouw die haar dromen geloofde.

4

  We blijven geroepen tot dromen,

  verbeelding op klaarlichte dag.

  Wie eenmaal een vergezicht zag

  krijgt werk'lijkheid helder voor ogen.

---

*222

#5

1

  Pasen, een feest van dwazen,

  van vrouwen die de tekens lazen,

  eerder dan die met Hem verbonden,

  toch de Verrezene niet vonden.

2

  Pasen, een feest van hopen.

  Maria gaan de ogen open.

  Zij ziet. En haar geschiedt een wonder.

  Zij hoort wat and'ren niet verstonden.

3

  Pasen, het feest van leven.

  De dood is in het graf gebleven.

  De laatste vijand is verdreven.

  Een nieuwe Mens is ons gegeven.

4

  Pasen, de dag der dagen.

  Nu willen wij het leven wagen.

  Voorbijgegaan de tijd van rouwen.

  Laten wij aan een toekomst bouwen.

5

  Pasen, een feest van lichten,

  verwonderlijke vergezichten.

  Geef ons de dwaasheid van die vrouwen,

  dat wij in vrijheid U aanschouwen.

---

*223

#8

1

  Koor:

  Mogen wij nog dromen dromen

  in het donker van de nacht,

  worden zij ons niet ontnomen

  onder druk van wereldmacht.

2

  allen:

  Help ons deze macht te breken,

  maak ons wegwijs door een teken.

3

  koor:

  Zoals broos ontloken leven

  zeker is voor haar die draagt

  kan de toekomst tekens geven

  waar verwachting wordt geschraagd.

4

  allen:

  Tijd van wachten kan lang duren;

  kom, o Geest, verlicht de uren.

5

  koor:

  Twijfel heeft geen slecht geweten

  maar ontkennen toont geen kracht.

  Zie hoe Hanna heeft begrepen

  al wat een gebed vermag.

6

  allen:

  Ook aan vrouwen op Paasmorgen

  bleef het teken niet verborgen.

7

  koor:

  Bij de eigentijdse zorgen

  wordt elk teken in de nacht

  leidraad naar de nieuwe morgen

  voor wie Gods belofte wacht.

8

  allen:

  Tijd van wachten kan lang duren;

  kom, o Geest, verlicht de uren.

---

*224

#3

1

  Maria van Magdala, vrouw van formaat

  die tot het laatst bij het kruis is gebleven,

  heeft als de eerste het teken begrepen

  dat leven met liefde en recht niet vergaat.

2

  Ze is door het licht van de morgen geraakt.

  Vrij van verdriet en van angst kon ze zeggen

  dat wie de kruiden bij doden blijft leggen

  een zouteloos beeld van de levende maakt.

3

  Getrouw aan de vriend die haar kende bij naam

  heeft ze besloten tot opstaan en spreken.

  Wij, die op weg zijn, herkennen het teken.

  Maria van Magdala, vrouw van formaat.

---

*225

#2

1

  Dit is het wonder: de kracht van de Geest

  baart stralend nieuw leven op 't Pinksterfeest.

  In een onzeker en kwetsbaar bestaan

  ontkiemt het bevrijdend, en kondigt ons aan:

  sta op en vat moed

  en weet het voorgoed

  dat Godd'lijke liefde de wereld begroet.

2

  Dit is het wonder: de kracht van de Geest

  herschept, en wekt op wat als dood is geweest.

  Geeft inzicht en uitzicht, doorbreekt en ontvouwt.

  Geen oor heeft gehoord en geen oog heeft aanschouwd

  wat ons is voorzegd:

  na bitter gevecht

  zal vrede ons deel zijn en waarheid en recht.

---

*226

#3

1

  Verwelkom de verborgen zon

  die heel de schepping kroont

  haar licht ontstroomt de diepste bron

  totdat het je bewoont.

2

  Bekleed met licht word je tot licht

  weten verdrijft de waan

  door honderd handen opgericht

  kun je in geestkracht gaan.

3

  De ruimten van de duisternis

  de straten van de angst

  zij blijken niets. En zie er is

  de rust die je verlangt.

---

*227

#7

1

  In zeven kleuren spant de boog

  van licht en water zich

  belofte en herinnering

  dat God zich aan ons bindt.

2

  Tot in het nachtblauw van ons leed

  dringt toch een afglans door

  van Gods nabijheid die ons draagt

  en liefde schemert rood.

3

  Zoals het blauw licht in de lucht

  en donker in de zee,

  aan alle kanten om ons is,

  gaat Gods trouw met ons mee.

4

  Als lentegroen dat bloesem draagt

  en zich verdiept om oogst

  en vrucht en zaad en groen te zijn,

  zo eeuwig is de hoop.

5

  God die als ongeschapen Licht,

  het licht als eerste schiep,

  doorstraalt als woordeloze klank

  der sferen harmonie.

6

  Waar warmte en beweging is

  als Wind die vlammen stuurt,

  zo blaast de geest van God ons aan

  te worden als Haar vuur.

7

  In zeven kleuren spant de boog

  van licht en water zich,

  belofte en herinnering

  dat God zich aan ons bindt.

---

*228

#5

1

  Blad glanst van groen, de winter is voortvluchtig.

  Zelfs wie hem zoekt die vindt zijn kou niet meer.

  Geen rest van sneeuw, geen wenk van oostenwinden.

  Wij zijn bevrijd, ons klaaglied neemt een keer.

2

  Hoog ruist de vleugelslag van wilde zwanen.

  Zij zoeken naar een broedplaats in de zon.

  Ach kon ik vrij als zij mijn wegen banen

  naar waar de nieuwe levenstijd begon.

3

  Maar ik ben hier geboren en gebonden

  met hoeveel koorden aan dit aards bestek.

  Mijn ziel heeft alle wetten al geschonden

  in drift zich los te scheuren van haar plek.

4

  Al glanst het licht opnieuw over de landen

  en gloeit de bloesem in de hazelaar,

  voor mij is er geen kentering op handen.

  Ik ken geen zacht getijde van het jaar.

5

  E‚n vreugde houdt mij gaande al mijn dagen

  de Minne die mij kent en achterliet

  in deze tuin waar bomen vruchten dragen

  en zwanen ruisen naar haar broedgebied.

---

*229

#9

1

  Reizend over slechte wegen,

  half geradbraakt door de keien

  zomerhitte winterregen

  reizend komt een mens zich tegen.

2

  Bouwde ik van oude stenen

  nieuwe huizen voor de vrouwen

  Salamanca en Toledo

  het was niets dan Godsvertrouwen.

3

  Zoals Jacob dromen droomde

  wervelende vergezichten,

  zag ik vrouwen zingend komen

  heel de toekomst voor ons lichten.

4

  Bergen waren mijn genoten

  ik aanbad hun sneeuwen kronen.

  de tiara van de zomer

  blonk door zon en zand bestoven.

5

  Geur van tijm en zoete dadels

  alles bracht mij tot gebeden,

  die mijn voeten deden treden

  over vloeren die daar waden.

6

  Vrouwen die in later eeuwen

  eenzaam reizen langs ravijnen,

  ga in vrede, wees verzekerd

  dat ik je zal thuis geleiden.

7

  Zonder vriendschap is geen leven,

  zonder de vriendin der vrienden

  is geen leven: Die ons diende

  en vernieuwde is de meeste.

8

  Wees dan zelf de vrouw der vrouwen

  God gezochte en gevonden,

  vuur voor wie niet warmen konden,

  wijn voor wie zichzelf berouwen.

9

  Zing mijn liedbrief, ik Teresa

  teken met de naam der namen:

  Majesteit verbindt ons samen:

  vrij zijn in elkaars genade.

---

*230

#3

1

  Ik schreeuw God, hoor mij aan

  al vind ik amper woorden

  zwijgen zal mij vermoorden

  ik wil niet naamloos sterven.

  Laat mij jouw Naam beerven.

  Een ieder, die mij heeft ontluisterd

  mijn geest en lichaam heeft geknecht,

  die heeft jouw Vadernaam verduisterd.

  Laat het niet toe, o God, verleen mij recht.

2

  Sta op, mijn God, sta op,

  ik kan niet meer verdragen:

  ik ben veracht, geslagen.

  Hoe kan ik tot Jou komen?

  Mijn naam is mij ontnomen.

  Zoals een dier, bedekt met wonden

  zich houdt verscholen na de jacht,

  ben ik, Jouw kind, misbruikt, geschonden,

  veroordeeld tot het duister van de nacht.

3

  O, zusters, hoort naar mij:

  om aan elkaar te helen

  moet ik met jullie delen.

  Als wij God namen geven

  kan ik met Haar herleven.

  Wij schenken wijn en breken broden

  tot onz'en Haar gedachtenis.

  Waar wij elkaar tot opstaan noden

  zijn wij benoemd in Gods geschiede

---

*231

#6

1

  Ik kan niet anders dan mijn stem verheffen,

  opdat de sprakeloze wordt gehoord,

  voor wie ik wet het wapen van het woord:

  alleen dat kan de onderdrukker treffen.

2

  Hij zal niet ongemerkt zijn hebzucht voeden

  naar rijkdom en bezit en overmacht;

  ik neem het woord en breek zijn brute kracht,

  mijn roep wil de onmondige behoeden.

3

  Ik zal de naam van mijn verdwenen kind'ren

  roepen langs elke straat, op ieder plein.

  Ik k…n niet zwijgen over deze pijn,

  geen dreigement zal ooit mijn klacht verhind'ren.

4

  Ik noem je naam, de wereld zal hem horen,

  geen mens kan zeggen dat hij het niet wist.

  Jouw naam doorbreekt als een klaroen de mist

  en zal de werkers van het kwaad verstoren.

5

  Ik zwijg niet tot de wereld hŠm zal richten

  die armen en vertrapten heeft vermoord.

  Ik zwijg niet tot de hemel't heeft gehoord

  en wij met God het Vredesrijk gaan stichten.

6

  Dan zal een lied door alle straten klinken

  en dansers scharen zich aaneen op 't plein,

  er zal muziek, gelach en vreugde zijn.

  En niemand zal nog ooit het recht verminken.

---

*232

#2

1

  Wij die de dag verwachten

  waarop het licht ons vindt

  trotseren tegenkrachten.

  Het is: wie waagt die wint.

2

  Hoog boven ons vermogen

  de Geest stuwt ons bestaan

  tot waar, het licht voor ogen

  wij vrijuit kunnen gaan.

---

*233

#1

1

  Zolang een zwaard de landen ploegt

  zijn aard' en hemel onbegroet.

  Opdat wij niet verloren staan:

  versterk ons hart, in Vredesnaam!

---

*234

#1

1

  Vrees niet, je hebt genade gevonden bij God.

  Wees niet bang, wees niet bang,

  je hebt genade gevonden bij God.

---

*235

#5

1

  Verlossing is een lang verhaal

  waarin ik word herboren

  ik ga er niet verloren

  maar leer mijn eigen taal.

2

  God heeft het mij al toegezegd

  de ruimte mij gegeven,

  het zelfbewuste leven

  is in mijn hand gelegd.

3

  Geschapen naar het godd'lijk beeld

  zal ik voor zwakken kiezen

  niet bang om te verliezen

  aan al wie met mij deelt.

4

  Een mensenkring aan vrouwen rijk

  die zich geen moeder noemen

  of zich daarop beroemen

  daar voel ik mij gelijk.

5

  We drinken wijn en delen brood

  om 't leven te bevechten,

  wie zich niet laten knechten

  zijn sterker dan de dood.

---

*236

#3

1

  Tot spreken heb je mij gehoord,

  tot nieuwe levenskracht.

  Ervaring, eerder nooit verwoord,

  wordt aan het licht gebracht.

2

  Tot spreken heb je mij gehoord,

  en tijdens mijn verhaal

  ontstaat in mij een ander woord,

  begin van nieuwe taal.

3

  Tot spreken heb ik jou gehoord

  in wederkerigheid.

  Wij scheppen samen, woord voor woord,

  de taal die ons bevrijdt.

---

*237

#3

1

  Mijn taal heeft heel het alfabet

  po‰tisch op muziek gezet.

  Elk lied van mij stelt steeds de vraag

  vanwaar de kracht komt, die mij schraagt.

  Maar waar vind ik het nieuwe woord,

  dat naam geeft wat ik heb gehoord.

2

  Een storm, die mij tot staam'len brengt,

  een gloed, die mijn bestaan verzengt,

  een ruimte, die mij duiz'len doet,

  een stilte, waar ik Jou bevroed.

  O Woord, word vlees, word brood dat breekt,

  terwijl mijn hart om heelheid smeekt.

3

  Toch roekeloos, vol overmoed

  laat ik mij warmen in Jouw gloed,

  Jouw ruimte doet mij rechtop staan,

  Jouw stilte noemt me bij mijn naam,

  Jouw antwoord in de storm gebracht

  geeft naam aan mijn hervonden kracht.

---

*238

#3

1

  Het ochtendlicht wil binnen komen,

  jij opent het gordijn voor mij -

  weer ben je mij vandaag nabij...

  mmmmmmmmmmmm.

2

  Ik heb zo lang alleen gevochten

  en 'God, ontferm u' slechts gezegd.

  Toen werd ik in jouw hand gelegd...

  mmmmmmmmmmmm.

3

  Dat ik in jou dit kon herkennen

  is mij het licht in al mijn pijn,

  teken van God die er zal zijn ...

  mmmmmmmmmmmm.

---

*239

#3

1

  De kilheid van de schone schijn

  zal mensen nooit tot manna zijn.

  Het rookgordijn om Jou gelegd

  verstikt de woorden van gebed.

  Er blijft alleen: 'en toch, en toch'.

2

  Geringen zijn in levensnood,

  hun angst en moeheid stervensgroot.

  Hoe lang geleden is gezegd

  dat Jij de laatste woorden hebt?

  Wij kennen slechts: 'en toch, en toch.'

3

  We zijn verslagen en verkracht,

  we gaan ten onder aan de macht.

  En dit is alles dat ons rest,

  dit ingeschrompelde gebed.

  Een ademtocht: 'en toch, en toch.'

---

*240

#7

1

  Ik wil bij je wonen,

  ik verlang naar jou,

  jij bent eerbied waardig,

  vrijgevochten vrouw.

2

  Alles wordt doorzichtig

  als ik met je speel,

  dansend in de rondte

  zijn we gaaf en heel.

3

  Onze liefde vieren

  sterk en trots van lijf

  als een openbaring

  warm en toegewijd.

4

  Liefde heeft herschapen

  onze levenslust,

  ons op 't lijf geschreven

  blij en zelfbewust.

5

  Kom bij mij aan tafel

  denken wij aan brood

  lichaam dat gebroken

  bang is als de dood.

6

  Toasten wij de bekers

  sluiten een verbond,

  maken met vriendinnen

  een bevrijdingsfront.

7

  Ik zal niet berusten

  tot de laatste vrouw

  ver en lang vergeten

  op zal staan met jou.

---

*241

#3

1

  Hoog als de hemel de liefde,

  wijd als het vruchtbare land,

  diep als de bodem der zee‰n/

  sterk als een stormwind haar kracht,

  dat zij delen,

  in die zegen,

  God die Zelf leven, liefde is.

2

  Werelden schept zij, de liefde

  wonder dat ons doet bestaan,

  mens van ons maakt door haar volheid,

  gloed die ons leven doorstraalt.

  dat zij delen

  in die zegen,

  God die Zelf leven, liefde is.

3

  Dat zij de ander in liefde,

  samen op weg door de tijd,

  ruimte tot groei willen geven,

  thuis voor elkaar kunnen zijn,

  dat zij delen

  in die zegen,

  God die Zelf leven, liefde is.

---

*242

#4

1

  Het leven bespelen

  door tijd en seizoen

  is leven van groei.

  Van distel en bloem

  en droogte en wind willen weten.

2

  We trekken de voren

  en zaaien zwart zaad.

  En rijkdom ontstaat,

  de Geest komt en blaast.

  Ze waait al het stof van het koren.

3

  We planten en sproeien

  de struik van respect,

  de berk van gebed,

  het kruid van verzet.

  En lachen luidop als ze bloeien.

4

  We blijven bezingen

  het wijd open land,

  de meest tere plant,

  het leven als pand.

  We zullen elk jaar weer beginnen.

---

*243

#4

1

  We kunnen beginnen,

  de kring is voltooid.

  We vieren de oogst

  van leven en brood

  We brachten de manden vol binnen.

2

  We dekken de tafel:

  een woordeloos lied,

  het diepe verdriet,

  een ongeknakt riet.

  We zullen meer plaats moeten maken.

3

  We kiezen de vruchten

  van kennis en kracht.

  Als zegen gedacht

  voor ieder geslacht.

  Er zijn nog veel monden te wllen.

4

  We zullen verdelen

  ons eigen tekort,

  het brood op ons bord,

  het menselijk lot.

  We mogen elkaar niet verspelen.

---

*244

#1

1

  Gevoed in het duister

  gegroeid naar het licht

  gedrenkt mnet het water

  van hemel en aarde,

  de stroom van Jouw gaven

  die voeden en laven,

  Lof zij Jou, die dit geeft, Geest van God.

---

*245

#6

1

  Blijf geborgen in je naam.

  Wees als een mens gezegend,

  om wat je hebt gezegd, en om wat is verzwegen.

  De rafels van je hart omdat je bent gesleten.

  Om je wezen, zwak en sterk,

  leven is een mensenwerk.

2

  Blijf geborgen in je naam,

  Wees als een mens gezegend.

  Om wat je hebt gedaan, om wat is nagelaten.

  Wat soms is misgegaan, de scherven die je maakte.

  Onvermijdelijke pijn

  voor wie mensen moeten zijn.

3

  Blijf geborgen in je naam,

  Wees als een mens gezegend.

  Om je vasthoudendheid, om angsten in het donker.

  De pijnen in je lijf, en je geloof in morgen.

  Wisselvallig is het tij

  voor wie mensen kunnen zijn.

4

  Blijf geborgen in je naam.

  Wees als een mens gezegend,

  om wie je hebt getroost, gedragen in gedachten.

  Je liefde en je hoop, de keren dat je lachte.

  Alle zegening en heil

  van wie mensen mogen zijn.

5

  Blijf geborgen in je naam

  Wees als een mens gezegend,

  om heel je reisverhaal met alle mensenfouten.

  Om vriendschap en begrip, en ongeschokt vertrouwen.

  Om het leren mettertijd

  van de naam 'Ik zal er zijn'.

6

  Blijf geborgen in je naam

  Wees als een mens gezegend,

---

*246

#3

1

  De mensen van voorbij

  wij noemen ze hier samen.

  De mensen van voorbij

  wij noemen ze bij namen.

  Zo vlinderen zij binnen

  in woorden en in zinnen

  en zijn wij even bij ekaar

  aan 't einde van het jaar.

2

  De mensen van voorbij

  zij blijven met ons leven.

  De mensen van voorbij

  ze zijn met ons verweven

  in liefde, in verhalen,

  die wij zo graag herhalen,

  in bloemengeuren, in een lied

  dat opklinkt uit verdriet.

3

  De mensen van voorbij

  zij worden niet vergeten.

  De mensen van voorbij

  zijn in een ander weten.

  Bij God mogen ze wonen,

  daar waar geen pijn kan komen.

  De mensen van voorbij

  zijn in het licht, zijn vrij.

---

*247

#2

1

  We leefden door de kortste dag,

  we zagen toen het avond was

  hoe diep het donker nog zou worden.

  En met het grijze morgentij

  was ook die lange nacht voorbij.

  Maar daarna bleef de zon verborgen.

2

  Het duister is nog niet gedaan.

  We steken duizend kaarsen aan

  en blijven zo elkaar herkennen.

  Door de verborgen ommekeer

  komen eens licht en warmte weer.

  De dagen zullen langzaam lengen.

---

*248

#8

1

  Voorzang:

  Wij zijn met twee en drie en meer,

  God, wees in ons midden.

2

  Allen:

  Wij zijn met twee en drie en meer,

  God, wees in ons midden.

3

  Voorzang:

  Zo we als boeken zijn slordig beschreven

  grif op de bladen steeds weer uw Naam.

4

  Allen:

  Wij zijn met twee en drie en meer,

  God, wees in ons midden.

5

  Voorzang:

  Om zachte kernen van leven te hoeden

  worden we bolsters van hoop en vrees.

6

  Allen:

  Wij zijn met twee en drie en meer,

  God, wees in ons midden.

7

  Voorzang:

  Wij zijn de mensen die dwaasheid geloven,

  toon ons de kleuren van het Verbond.

8

  Allen:

  Wij zijn met twee en drie en meer,

  God, wees in ons midden.

---

*249

#1

1

  Kom in de kring wij komen samen

  om voor elkaar een huis te zijn.

  God is het huis, wij wonen samen

  om voor elkaar een thuis te zijn.

---

*250

#1

1

  Wij groeten elkaar en samen groeten

  wij Gods Geest die nader komt.

---

*251

#1

1

  Woord van het begin -

  dat chaos weeft tot zin -

  dat ons het leven geeft -

  tot licht wordt op ons pad,

  dat wij nu door gaan geven,

  dat wij nu door gaan geven.

---

*252

#1

1

  Wij blijven in het licht geloven,

  zingen psalmen, schreeuwen psalmen,

  fluiten psalmen in het donker.

---

*253

#7

1

  Keervers 1:

  Wij bidden God, de welgezinde

  ten tijde dat Hij zich laat vinden.

  Met jubelzangen van bevrijding

  omringt Hij ons.

2

  strofe 1:

  In de dreiging van de tijd

  zoeken wij barmhartigheid.

  Mensen zijn wij, klein en bang

  voor een barre ondergang.

3

  Keervers 2:

  Wij bidden God, de welgezinde

  ten tijde dat Zij zich laat vinden.

  Met jubelzangen van bevrijding

  omringt Zij ons.

4

  strofe 2:

  Daaglijks worden wij gekweld

  door het woedende geweld

  en de angsten van ons hart

  maken heel de wereld zwart.

5

  keervers 1:

  Wij bidden God, de welgezinde,

  ten tijde dat Hij zich laat vinden.

  Met jubelzangen van bevrijding

  omringt Hij ons.

6

  strofe 3:

  Als wij door de diepte gaan

  van dit menselijk bestaan,

  dan ontspringt aan het verdriet

  de genade van een lied.

7

  keervers 2:

  Wij bidden God, de welgezinde,

  ten tijde dat Zij zich laat vinden.

  Met jubelzangen van bevrijding

  omringt Zij ons.

---

*254

#1

1

  Wij zijn hier bijeen om gemeenschap te voeden,

  er staat voor ons allen een maaltijd klaar.

  Wij danken van harte voor al het goede

  en reiken de beker, de schaal naar elkaar.

---

*255

#1

1

  Spreid uw dragende vleugels onder ons uit,

  spreid uw warmende lichtglans over ons uit.

---

*256

#1

1

  Vrede voor jou, vrede voor jou,

  open je handen, vrede voor jou.

  Vrede, vrede, vrede, vrede.

  Vrede voor jou, vrede voor jou,

  geef me je handen, vrede voor jou.

---

*257

#1

1

  Zegen mij namens de Geest die ons zegent,

  jou mag ik zegenen in Haar Naam.