---
Eva's Lied deel I en II
De liederen van deel I zijn genummerd 101 t/m 142
De liederen van deel II zijn genummerd 201 t/m 257
---
*101
#3
1
Eva, jouw naam betekent 'leven',
geschenk van God aan ons gegeven
die naar Gods beeld geschapen zijn.
Verwant aan jou zijn alle vrouwen
en mannen die een wereld bouwen,
waar leven echt geleefd kan zijn.
2
Gods aarde als een tuin beheren,
uitputting, roofbouw van haar weren
en werken aan een maatschappij,
waar ongelijkheid der geslachten
in woord en daad en in gedachten
verdwenen is, Gods beeld zijn wij.
3
Grimmig grijnst ons de toekomst tegen,
vasthoudend kiezen wij die wegen
waar Wijsheid en Gods Geest langs gaan.
Waar werkelijkheid geworden dromen
lichtend het kwade binnenstromen,
Eva, ervaren wij jouw naam.
---
*102
#3
1
Zij is een vrouw van naam in Israel.
Zij is een vrouw die volkeren mag schragen.
Zij draagt haar naam op goddelijk bevel:
Sara, gezegend tot in onze dagen.
Hoe donker ook de wegen en hoe smal,
vrouwen van Naam, zij zullen niet versagen.
2
Al blijft vergeefs ons zoeken naar het woord
dat uit den hoge tot u werd gesproken,
vrouw die het ongehoorde hebt gehoord,
zwervend terzijde in uw tent gedoken -
een lach, een wenk, een samenhang verstoord,
vrouw, naar een nieuwe toekomst opgebroken
3
Hoog heeft de Heilige uw woord geschat:
'In alles wat zij zegt, wil naar haar horen.'
Uit u die om uw volk geleden had
zijn koningen van volkeren geboren.
Aartsmoeder Sara, sterre op ons pad,
in wie de glans van Isra‰l mocht gloren
---
*103
#6
1
Zoals soms op het watervlak
een lelie drijft
en met die tere bloesem blak
het water blijft,
2
zo spiegelt in mij argeloos
de Sjechina,
de vuurbevlogen hemelroos
die opengaat.
3
Mijn ogen houden lichtglans vast
die ik niet ken.
Hoe kan een vrouw van stof en as
zoals ik ben
4
de dracht bewaren en alleen
in zand en zon
geloven in wie mij verscheen
en dit begon?
5
Ik zie de weg waarlangs ik kwam
in overmacht,
een rechte weg die mij benam
mijn wil en kracht.
6
Ik zie de vuurzuil die mij drijft,
ik moet wel gaan
en in hun duister tentverblijf
als lichtroos staan.
---
*104
#3
1
Wat stond je toch voor ogen
Rebekka bij de bron?
Je hebt het woord genomen
zei ja, en keek niet om.
Je ging voor liever leven,
zoals eens Abraham,
naar 't land door God gegeven,
ver van je huis en stam.
2
Aartsmoeder van zovelen
je leven heeft bestaan
uit kiezen en uit delen,
hoe boeiend is je naam.
Met Hagar, weggezonden,
en Sara, met haar lach,
ben je voorgoed verbonden
met heel Gods nageslacht.
3
Je gaat heel eigen wegen
en speelt daarbij hoog spel.
Je kiest op hoop van zegen
voor Jakob, Isra‰l.
De hemel zal het weten
je keert de rollen om.
Wie zal jouw naam vergeten,
Rebekka, bij de bron.
---
*105
#4
1
Tamar, moedig en zachtmoedig,
zou in eigen kwetsbaarheid,
op een kruispunt van de tijd,
hoop en leven trots behoeden.
2
Stille dagen, stille nachten,
stille vrouw met vrouwenrecht,
wetend wat is toegezegd,
scheurde sluiers van verwachten.
3
En zij koos met open ogen
voor een toekomst naar haar hand,
nam zichzelf als onderpand
tot de grens van haar vermogen.
4
Ademloos een mens bevragen,
recht doen aan gerechtigheid
blaast nieuw leven in de tijd,
zal het leven verder dragen!
---
*106
#4
1
Gaan twee vrouwen in de rouw
naar een land van hoop op zegen.
Kiezen voor elkaar in trouw,
delen wat haar wordt gegeven.
Al het jouwe is het mijne
zusterschap in 't groot en 't kleine.
2
Bethlehem geeft haar geen brood,
er is bitterheid en zorgen.
Wie is losser uit de nood,
wie geeft brood, vandaag en morgen?
Is voor haar niets meer gebleven
dan het recht op arenlezen?
3
Bukkend achter maaiers aan
groeien vragen, hoog als koren.
Rijpen tot een nieuw verstaan,
een geloven te behoren
tot het volk dat leeft bij wetten
die het recht naar 't leven zetten.
4
Ruth, een vreemd'ling in het land
zoekt haar recht en heeft gevonden.
Liefde krijgt de overhand,
Ruth en Boaz, lotsverbonden,
komen samen en het leven
wordt gevierd en doorgegeven.
---
*107
#3
1
Ik was in slavernij. Ik torste het bestaan.
Geroepen, wie heeft mij, geroepen bij mijn naam?
'Martha, Martha', en ik, ik wist weer wie ik was.
Een stem, een hand, een blik, die mij mijzelf hergaf.
2
Ik voel mij sterk en vrij sinds ik die roep verstond.
Mijn zuster, zij aan zij, verwoordt het nieuw verbond
de mens van Nazareth geleidt een levenlang
wie luistert, en hij redt van angst en ondergang.
3
Zoals de dode broer geroepen uit het graf
het licht opnieuw ervoer en liep het rotspad af,
zo vinden wij de weg en gaan op eigen kracht
aan dood en angst onthecht tot waar de tafel wacht.
---
*108
#5
1
Zij heeft geweten wie zij was:
een vaas doorschijnend als albast,
verlangen wellend tot de rand,
een mirremaat, een liefdepand.
2
Zij heeft geweten wat zij kocht
voor hem die zij vertwijfeld zocht,
zij beeldde in haar gave uit
hoe zuiver liefde zich ontsluit.
3
Zij heeft geweten wie hij was,
De meester Gods, de avondgast,
De mens die aan de maaltijd spreekt
over de liefde die ontbreekt.
4
Zij wisten beiden, man en vrouw
hoe diep de schuld en het berouw
en hoe vergeving ons bevrijdt
als bronnen in de regentijd.
5
Wie zijn wij voor zijn aangezicht
wanneer door hem wordt aangericht
Gods maaltijd en wij zijn te gast
bij wijn in kruiken van albast.
---
*109
#4
1
'k Zou zo graag een ketting rijgen
want ik wil een steunpunt krijgen.
Ruth, Sara, Bathseba
Hagar en Debora.
2
'k Wil een kleurig snoer gaan maken
om mijn heimwee kwijt te raken,
Martha en Lydia,
jij vrouw uit Magdala.
3
Knoop de namen van de vrouwen
om door eeuwen vast te houden,
Anna en Salom‚,
Riet, Tine en Ren‚e.
4
Als een stevig koord met kralen
zijn wij deel van Gods verhalen,
Jo, Fie en Jessica,
wij, in de Gloria!
---
*110
#3
1
Vol van verwachting zijn wij gekomen,
om weer te weten waartoe wij bestaan.
Verstillend van binnen, verlangend te horen
het levende Woord dat opnieuw wordt geboren
waar mensen in aandacht en liefde verstaan.
2
Tijd vloeit ineen; verleden wordt heden,
toekomst wordt nu, maar altijd blijft het Woord.
herinnerd te worden aan hoe wij bedoeld zijn,
herscheppen de wereld waarmee wij vergroeid zijn,
die opdracht aan alles wat ademt gaat voort.
3
Samengekomen om te gaan vieren
uur van gemeenschap, van Woord en van Geest,
dat warm en met liefde en licht is doorweven,
ons helpt om ons leven gestalte te geven.
Verwachtingsvol zijn wij gereed voor dit feest.
---
*111
#3
1
Hoor eens aan, hoor eens aan
hoe wij zijn ontstaan.
Jij en ik en allemaal,
allen zijn wij beeld
van Wie ons ongedeeld
leven gaf, waardoor ook jij
met je licht en schaduwzij
mee mag doen in Gods verhaal.
2
Zie eens aan, zie eens aan
hoe jij mag bestaan
jij en ik en allemaal,
wetend van de bron
buigen wij de route om,
trekken uit dit dorre land
naar de groene waterkant
vinden kracht voor ons verhaal.
3
Kijk eens aan, kijk eens aan
hoe jij door mag gaan
jij en ik en allemaal,
putten uit de Bron
waar alles mee begon
delen vruchten, brood en wijn
met wie ons gegeven zijn,
zo gaan wij in Gods verhaal.
---
*112
#3
1
In je moeders schoot geweven
tot een wonder van bestaan,
kwam je bij ons in het leven,
dankbaar zeggen wij jouw naam.
Opnieuw mogen wij beleven
wat wij zien maar niet verstaan,
welk een groot geheimenis
jong geboren leven is.
2
Aan een lange reis begonnen
die een levensloop beslaat,
zul je door een wereld trekken
waarin heel veel kwaad bestaat.
Al vanaf je eerste schrede
bidden wij dat met je gaat,
Die ons geest en adem geeft
en ook jou geschapen heeft.
3
Hoeveel liefde wij ook geven
en hoe weerbaar je ook wordt
kwetsbaar zul je altijd blijven,
mensenmacht schiet toch tekort.
Door de doop ben j'opgenomen,
kind van mensen, kind van God,
in de kring hier om je heen,
leven kun je niet alleen.
---
*113
#3
1
Kind, de naam aan jou gegeven
is geborgen in ons hart
en in handen opgeschreven.
In je kleine, warme leven
houd je stam en bloesem vast.
2
Welkomstwoorden die we spreken
- schvchter door herinnering -
zullen licht na licht ontsteken,
nu we de belofte weten
in dit fonkelnieuw begin.
3
Als het water zul je stromen,
en in bootjes van papier
worden zout en verre dromen
naar jou einder meegenomen.
Leven zij in jou vernieuwd.
---
*114
#3
1
Wij, die zo vaak de belofte vergeten,
God, ontferm U over ons.
Wij die de naam van de naaste niet weten,
God, ontferm U over ons.
't lied van de hoop is al gaande versleten,
God, ontferm U over ons.
2
Angst die ons dof en krachteloos maakt,
Christus denk aan ons!
Knagend verdriet dat ons wezen raakt,
Christus denk aan ons!
vriendschap door ons te bitter gemaakt,
Christus denk aan ons!
3
Iedere dag dat we U niet vertrouwen,
God, ontferm U over ons.
Vesting van eigen gelijk die we bouwen,
God, ontferm U over ons.
Pijn om het als Uw mens uit te houden,
God, ontferm U over ons.
---
*115
#5
1
Maaltijd van vreugde, licht overgoten,
stralend staat alles voor ons klaar,
zegenend groeten wij elkaar,
cirkel van mensen, tafelgenoten.
2
Maaltijd van liefde, hier zijn wij samen,
eten van wat de aarde geeft,
voelen de goedheid die hier leeft,
lichaam en geest, zij komen op adem.
3
Maaltijd van rust, vertel je verhalen,
luister naar wat je wordt verteld,
spreek van je vreugden, wat je kwelt,
zo kunnen wij Gods liefde vetalen.
4
Maaltijd van delen, laten we geven,
aandacht en warmte aan elkaar,
tijd en geduld, een stil gebaar,
woorden waarmee je voortkunt in 't leven.
5
Maaltijd van vrede, Gods Geest gaat komen.
Op lichte voeten komt Zij aan,
trekt met ons mee door ons bestaan
van alledag, bezielt onze dromen.
---
*116
#4
1
De mens die ons beminde
meer dan de trouwste vrinden
die ons gegeven zijn,
verzamelt ons in vrede.
Wij staan hier aangetreden
genodigden bij brood en wijn.
2
Mens die ons als een moeder
wil met haar lichaam voeden
en ons te drinken geeft,
maak ons zo sterk van binnen
dat wij hem overwinnen
die zich in ons genesteld heeft.
3
Bevrijd van heersersmachten
die in ons overnachten
sinds onze kindertijd,
zijn wij als open schalen
waarin uw Geest kan dalen
en woning vindt voor haar bereid.
4
Wij delen in de vrede
waarvoor zo heeft geleden
de mens Jehosjoea
die zich als brood liet breken.
De wijn is ons het teken
dat vrede vloeiend verder gaat.
---
*117
#3
1
Wij moeten gaan; aan 't lied van bevrijding
voegden we weer een eigen refrein,
zagen rondom de glans van herkenning
hoe we elkaar tot Verbondgenoot zijn.
Vonden het Woord, eerder gehoord,
als nieuwe bron op eigen terrein.
2
Laten we gaan. Geloof in de zegen
die onze God steeds toegezegd heeft,
in niemandsland soms worst'lend verkregen
maar die ons hoop, moed en waakzaamheid geeft.
Neem van hier mee, het vaste idee
Licht blijft de kern, vaak tastend beleefd.
3
Neem bij het gaan de mantel van vrede
die we behoedzaam om mogen slaan,
waarin de Naam vol kleur is geweven.
Vage beschutting in mensenbestaan.
In de woestijn, vruchten en wijn:
vrede en zegen! Laten we gaan.
---
*118
#4
1
Aan onszelf teruggegeven,
korte spanne uitgeheven
boven lasten van het leven
zagen wij
'n visioen, al was 't maar even
hoe wij mogen zijn.
2
Beeld dat wij nu in ons dragen,
stralend licht dat onze dagen
richting geeft door wat wij zagen,
lijf en geest
voelen in de diepste lagen
heelheid die geneest.
3
Volheid hebben wij ervaren
waar w'in vrede samen waren,
onze onrust kon bedaren
aangeraakt
door de hemel die de aarde
vasthoudt en bewaakt.
4
Vleug van eeuwigheid, ontloken
in een schepping zo gebroken,
hoop als vonken aangestoken
om ons heen.
Tijd van gaan is aangebroken,
wij gaan niet alleen.
---
*119
#3
1
Schemertij van leven: aan het stil verloop
zoek ik stem te geven tussen vrees en hoop.
Vormloos in gedachten drijven beeld en klank.
Aarzelend verwachten heeft slechts hoop als onderpand.
2
Ingekeerde dagen groeien in de tijd
tot ze licht gaan dragen, groter openheid.
Zachtjesaan geloven dat de toekomst wint
nu aan oude tonen een nieuw lied van hoop ontspringt.
3
Voor de eng'lenkoren hapert nog mijn stem.
Ik wil 't lied doen horen buiten Bethlehem.
'k Leg opzij de doeken van vertedering.
Kind dat ik ga zoeken; wees mijn zichtbaar nieuw begin!
---
*120
#4
1
In de harten van de mensen
leeft een eeuwenoud gerucht
van een wereld die volmaakt was,
waarvan God zag dat zij goed was,
lichtend beeld dat van ons vlucht.
2
Echo die in ons blijft klinken,
vonk van God, geef ons de durf
't met dit sprankje hoop te wagen
tot het groeiend wordt voldragen,
ons van binnenuit vervult.
3
Als een kind zo klein en kwetsbaar,
teer maar toch vol zachte kracht
wordt dan Christus steeds herboren,
wat in 't donker leek verloren,
wordt weer aan het licht gebracht.
4
Dunne draad van licht en leven,
Geest van God die ons geleidt,
voer door eeuwen en door dagen
ons naar heelheid die de aarde
van gebrokenheid bevrijdt.
---
*121
#4
1
Huilend kwam je hier tot leven,
van de warme moederschoot
afgesneden en verdreven
om te leven tot de dood,
en een mens te zijn die weet
van de diepte en het leed.
2
Tussen ster en steen te zoeken
naar het recht en naar het licht,
woordelijk vanuit de boeken
vrede zijn en vergezicht
en te staan onder de boog;
zeven kleuren hemelhoog.
3
Liefde, liefde openbaren
tegen alle stromen in,
vrede onderons verklaren
van een oud, een nieuw begin,
anders, heler samengaan,
namen voegen bij De Naam.
4
Mensenkind, van horen zeggen
zingen wij de woorden door,
aarzelend, niet uit te leggen
maar vermoedend dat het spoor
hemels, helend uitzicht geeft,
welbehagen voor wie leeft.
---
*122
#4
1
De vrouwen op die eerste dag
zijn door de tuin gelopen
met schrik: het graf was open
alleen de tuinman die men zag.
2
De vrouwen lieten daar het graf
met blijdschap: er was leven!
Ze zagen het maar even,
maar niemand nam hen dat meer af.
3
Die vreugd'en vrees en wankele moed
zijn eeuwenlang gaan duren.
Geen Thomas, geen structuren
verhulden ons dat zicht voorgoed.
4
Jij, die de weg nu met mij gaat,
door nacht of mist moet lopen,
hou vol! En laat ons hopen
omdat de tuinman ergens staat!
---
*123
#4
1
Tussen waken, tussen dromen,
in het vroege morgenlicht,
wordt de steen van 't graf genomen,
horen vrouwen het bericht,
dat door dood en duisternis
Jezus leeft en bij ons is.
2
Zij die zich als eersten buigen
over leven in haar schoot,
zijn op Pasen kroongetuigen
van nieuw leven uit de dood.
Vrouwen hebben Hem ontmoet,
weten zich bevrijd voorgoed.
3
Uit een sprakeloos verleden
weggeschoven, ongehoord,
wordt een nieuwe tuin betreden,
open is de laatste poort,
sluiers worden weggedaan:
het is tijd om op te staan.
4
Lente kleurt de kale bomen,
door het leven aangeraakt
bloeien bloemen aan de zomen,
zo wordt alles nieuw gemaakt.
Juichend stemt het leven in
met de toon van het begin.
---
*124
#7
1
Het pure witte licht
van Gods aanwezigheid
is als een bliksemschicht,
een keerpunt in de tijd.
2
In stilte, ongezien
en stralend, onverwacht,
herrijst de Levende
uit dood en donk're nacht.
3
De kruiden van de dood,
zij kunnen weggedaan.
De Opgestane leeft
en spreekt Maria aan.
4
H aar blij getuigenis
zet zich onstuitbaar voort,
dit ongelooflijk nieuws
wordt tot vandaag verwoord.
5
De werkelijkheid van God
breekt in ons leven in
als ruimte, perspektief,
geeft alles nieuwe zin.
6
Waar leven triomfeert,
het dode overwint,
daar bloeit de wereld op
en heel de schepping zingt.
7
Waar Pasen wordt gevierd
is dood voorbijgegaan,
daar wortelt weer de hoop
in 't menselijk bestaan.
---
*125
#5
1
De hof ligt tussen waken, tussen dromen,
de nacht trekt zich terug voor 't morgenlicht,
er is een woord, een naam, een vreemd bericht;
de steen is van de groeve weggenomen.
2
De steen is van de groeve weggenomen,
de vrouwen blijven bij de ingang staan,
de dood, het leven, kunnen zij niet aan;
zij waren voor de laatste eer gekomen.
3
Zij waren voor de laatste eer gekomen,
gedrie‰n, op die eerste dag der week,
met zalf en specerijen, maar nu bleek;
het nieuwe leven is Hem overkomen.
4
Het nieuwe leven is Hem overkomen,
God zelf heeft in de laatste eer voorzien,
hun oren horen en hun ogen zien;
de steen is van de harten afgenomen.
5
De steen is van de harten afgenomen,
Hij komt hen tegemoet en noemt hun naam.
Een ongekende blijdschap breekt zich baan;
de hof ligt tussen waken tussen dromen.
---
*126
#4
1
Geest van voor het mens'lijk leven,
geest van eeuwigheid,
stem tot woord en daad verheven
die de toon hebt aangegeven
en ons zingen leidt.
2
Alle dingen zijn begonnen,
wonderlijke raad,
doordat gij u hebt bezonnen,
bij uzelf een beeld gewonnen
dat in ons bestaat.
3
Woord en toon en beeld tezamen
schepping is een dans.
Geest, wij willen u beamen,
kom ons klein geloof beschamen,
breng ons in balans.
4
Grote danser in ons midden,
vuur de harten aan,
dat wij zingen, dat wij bidden.
Grote danser in ons midden,
blijft niet stille staan.
---
*127
#4
1
Die eenmaal op de wateren broedde,
moeder van al wat leeft,
Geest van de aanvang, onze moeder,
dank voor wat U ons geeft.
2
Neerdalend als een duif van vrede,
teken voor ons bestaan,
deel wat U ons wilt schenken mede,
wijs ons de wegen aan.
3
Komende in vurige tongen,
raak ons aan met Uw taal,
zodat wij met harten en monden,
zingen van Uw verhaal.
4
Jezus volgen, zijn liefde vieren,
leven bij brood en wijn,
mensen beminnen, bloemen, dieren,
trouw aan de aarde zijn.
---
*128
#5
1
Onzichtbaar zoals adem is
woont Gods Geest in ons midden,
als levenskracht die bouwt en bruist
en zichtbaar maakt wat in ons huist
aan leven, liefde, zingen.
2
Als wind die waait waarheen hij wil
is Gods Geest daar aanwezig
waar mensen voor Haar openstaan,
door Haar gestuwd de weg opgaan
van ruimte, recht en vrede.
3
Als ademnood ons overvalt,
benauwdheid voor het leven,
en eenzaamheid ons hart verstart,
blaast Zij ons warmt'in, licht en zacht,
geeft moed, zet in beweging.
4
De Geest van God is overal
waar mensen Haar herkennen,
Zij ziet ons door de ogen aan
van hen die helpend naast ons staan,
Zij gaat door heel de schepping.
5
O adem Geest, die ons vervult,
geschenk aan ons gegeven
zolang wij hier op aarde zijn,
geheim van troost in angst en pijn,
Jouw adem is het leven!
---
*129
#3
1
De Geest van God waait als een wind
op vleugels van de vrede,
als adem die ons leven doet,
deelt ons een onrust mede
die soms als storm durft op te staan,
geweld en kwaad durft tegengaan,
een koele bries die zuivert.
2
De Geest van God is als een vuur,
als vlammen felbewogen,
verterend wat aan onrecht leeft,
een gloed vol mededogen.
Een vonk van hoop in onze nacht,
een wenkend licht dat op ons wacht,
een warmt'in hart en ogen.
3
In stilte werkt de Geest van God,
stuwt voort met zachte krachten,
een wijze moeder die ons hoedt,
een bron van goede machten.
Zij geeft ons moed om door te gaan,
doet mensen weer elkaar verstaan,
omgeeft ons als een mantel.
---
*130
#5
1
Als alle hoop vervlogen is
het leven leeg is door gemis,
waait er de adem van Gods geest
door huis en hart op 't Pinksterfeest.
2
De woorden, tot de rand gevuld,
spreken zich uit, zo wordt onthuld
een nieuw refrein, een oud verhaal,
een rondedans in tong en taal.
3
Het vuur van wat eens is beloofd
staat als een vlam op ieders hoofd,
in alle talen wordt verteld:
de liefde wint voorgoed het veld.
4
Zij ademen een nieuwe naam,
die geestdrift raakt ons allen aan,
met vergezichten eeuwigheid
binnen de grenzen van de tijd.
5
Alsof de uittocht nieuw begint,
de tamboerijn van ver weerklinkt,
gaan wij op weg, bevrijd voorgoed;
het wordt een eindeloze stoet.
6
Als alle hoop vervlogen is
het leven leeg is door gemis,
waait er de adem van Gods geest
door huis en hart op 't Pinksterfeest.
---
*131
#5
1
Voor ons valt alles samen:
het licht, het brood, de geest,
wij vieren en beamen
in ‚‚n gebaar het feest
dat Christus ons beloofde,
dat aan ons werd volbracht.
Wij heffen onze hoofden.
Ga met ons door de nacht.
2
Zoals de dwaze moeders
niet wijken voor geweld
en houden in haar hoede
de liefsten ongeteld
en noemen hen bij name
tegen de heersers in
van eeuwigheid tot amen -
zo zijn wij naar Gods zin.
3
Licht zullen wij verspreiden,
op aarde zichtbaar staan
als lampen in getijden
van storm en nieuwe maan.
Hoe donker onze wegen,
hoe angstig onze tocht,
ontvangen is de zegen,
gevonden is wie zocht.
4
Brood is de mens geworden
die voor ons in wou staan
en koos zich te omgorden
ten dode en te gaan
waar wij niet kunnen volgen
tenzij wij als het graan
in zaailingen verzwolgen
aandurven op te staan.
5
Geest is het die doet leven
herboren in het licht.
Zij troost wie zich haar geven.
Zij houdt ons recht gericht.
Zij doet wat zij beloofde
en loopt als vuur haar wacht.
Wij heffen onze hoofden.
Ga met ons door de nacht.
---
*132
#5
1
Wanneer de oorsprong blijft verborgen
onder het drijfzand van weleer,
is er geen zicht, geen weg naar morgen,
geen stroom, geen bedding, tij noch keer.
2
Wanneer het woord versmalt tot klanken,
tot rimp'ling aan de waterrand,
geen dieplood heeft, geen bodemranken,
is er geen hier, geen overkant.
3
Maar als de roep gaat over 't water
en weerklank vindt in vaste grond,
is er een doortocht nu en later,
een samengaan dat niet verwondt.
4
Een vloed van leven, niet te stuiten,
breekt door de vliezen van de stroom,
wij gaan de perken ver te buiten
en bloeien aan de waterzoom.
5
De tijd van oogst is aangebroken,
de bronnen van Uw overvloed
heeft velden in het wit gestoken,
geeft brood dat ons van harte voedt.
---
*133
#2
1
Vrij, uit; 't buitelkruid
drijft de dorre gronden uit.
Als de bloei dreigt te verzanden
rolt het dood naar beter land.
Door de wind op streek gebracht
toont het onvermoede kracht.
2
Heg, steg; vrouw, waai weg,
bij de bron is straks een heg.
Losgemaakt om groei te vinden
durf je leven van de Wind!
Sterke stroom of zachte dauw
maakt een roos van mij en jou!
---
*134
#4
1
Wie door God Zelf is aangeraakt
is als een groene boom
die aan het water staat
en bloei en vruchten die zij draagt
als wonder blijft beleven,
een ongedacht gegeven.
2
Refrein:
In de ogen van de ander,
in haar doen en daad
spiegelt zich het beeld van God,
naar Wie wij zijn gemaakt.
3
Als water dat doorzichtig vloeit
en vol geheimen is
van levenskracht en groei,
is God een bron van overvloed
die dorheid doet genezen
tot groen en glanzend leven.
In de ogen van de ander,
in zijn doen en daad
spiegelt zich het beeld van God
naar Wie wij zijn gemaakt.
4
Verborgen bron van ons bestaan,
die sinds de schepping stroomt
en daarmee door zal gaan
zolang er tijd zal zijn, wij staan
in eeuwenlange rijen
geworteld in bevrijding.
In de ogen van de ander,
in haar doen en daad
spiegelt zich het beeld van God
naar Wie wij zijn gemaakt.
---
*135
#1
1
Zomaar een lied, een Naam die wij kennen,
eeuwenoud Woord, door mensen vernieuwd
als zij de bron, de ruimte herkennen,
jodenman, brodenman, allemans vriend.
Zomaar een lied, een Naam die wij zingen.
Eenmaal gezongen, in flarden bewaard,
deint het de kring van naamvlechters binnen.
Klankbord van hoop, met namen besnaard.
---
*136
#4
1
Het heeft de Heilige behaagd
mij in armoede te bewonen,
een schamel huis, een onderkomen
van niets, waarin het licht zich waagt
en wordt getemperd door de wanden,
maar mild in schijnselen blijft branden.
2
Lamp die in mij te wiegen hangt,
Naam die mij woorden zacht leert spreken,
Wijsheid die niet meer wil ontbreken
in mij die naar uw licht verlangt,
ik wil nu gaan op rechte wegen.
Geen tegenstander houdt mij tegen.
3
Al word ik onverhoeds gewond,
al komen zij om mij te schenden,
ik weet tot Wie ik mij kan wenden:
ik leef met U in vast verbond,
Gij die mij naar U hebt geschapen
en in wiens kracht ik mij ontwapen.
4
Om hier te horen en te zien
een afglans van Uw hoge lichten,
waarvoor zelfs serafijnen zwichten
als vuur dat vuur tot branden dient,
komen de mensen moe van strijden
op adem bij mij in mijn lijden.
---
*137
#5
1
Zoals het zaad eerst sterven moet
voor leven kan beginnen,
zo moeten wij eerst door het kwaad
v¢¢r wij het overwinnen.
2
Alsof wij trekken door de dood
van duisternis en lijden,
zo moeten wij van binnenuit
de kern van 't kwaad bestrijden.
3
Die strijd waarvoor ons moed ontbreekt
valt dan slechts aan te binden,
als wij met and'ren samen zijn
en als wij Jou daar vinden.
4
Een God die mee het kwaad ingaat
ons steun en kracht blijft geven,
helpt ons te worden als het zaad,
door dood heen te herleven.
5
Zoals na kou en wintertijd
het land wordt overtogen
met groene sluiers kiemend zaad,
wordt steeds weer hoop geboren.
---
*138
#3
1
Geest en adem ijl verweven
is de zijden draad van 't leven,
Šn ons middel van bestaan
om een ruimte op te bouwen
waar, in wederzijds vertrouwen
ieder naast elkaar zal gaan.
2
Samen weer op adem komen
doet hervonden krachten stromen
tussen mens en mens en mens.
Vrouwen die maar zachtjes zongen,
schuchteren die houvast vonden,
worden aan elkaar bekend.
3
Laten we diep ademhalen,
nieuwe sterkte dan vertalen
in een eigen openheid.
Het zal goed zijn om te delen:
zout voor brood en lucht voor spelen.
Ademen is hoog geprijsd!
---
*139
#3
1
Verborgen in oude verhalen,
verteld zolang mensen bestaan,
zijn woorden van hemel en aarde
die over Gods wonderen gaan.
W'ontdekken ze als we ervaren
ontvangend in 't leven te staan.
2
Verhalen die jong zijn gebleven
want ook ons bestaan wordt verwoord
in tijdloze, steeds nieuwe beelden
sinds eeuwen door mensen gehoord.
Z'omsluiten ons warm als een deken,
ze nemen ons op en gaan voort.
3
Wij leven zelf nieuwe verhalen
waarin ons de Geest tegenkomt,
als groots en geweldig ervaren,
als ruimte en rust in een storm.
Wij zeggen weer voort wat wij zagen,
verhaal waar geen einde aan komt.
---
*140
#5
1
Wij dromen van de mensenrechten
die ieder mens dan heeft,
niet langer tegen onrecht vechten,
daar't recht van liefde leeft.
2
Verdwenen zijn de diktaturen,
gevangenschap en pijn,
verbanning en verdriet verduren,
God zelf zal bij ons zijn.
3
Wie in die dromen durft geloven
voelt zelf verandering,
vertwijfeling en wanhoop doven
in blijde aarzeling.
4
En licht en sterk, vol zachte krachten
die onverzet'lijk zijn,
bevechten wij de kwade machten
die niet te tellen zijn.
5
Waar mensen putten uit de bronnen
van droom als werk'lijkheid,
daar is Gods toekomst al begonnen
in onze levenstijd.
---
*141
#3
1
Eerbied voor alles wat ademt en leeft
voor wat is geschapen, geboren,
genietend en dankbaar voor al wat zij geeft
de volheid der aarde bewonen,
recht doen aan mensen gemaakt naar Gods beeld
is vrede, van waaruit gebrokenheid heelt.
2
Vrede kan wonen waar macht door geweld
als wapen en wet is verdwenen,
verdrukking als kwaad aan de kaak wordt gesteld,
geen mens zich meer voelt als een vreemde,
honger en wanhoop voorbij zijn gegaan,
wanneer wij dat willen, kan vrede bestaan.
3
Breek af de muren van zelfzucht en angst
om kwetsbaar maar moedig te leren,
dat in ons en om ons pas vrede aanvangt
wanneer wij het tij zelf gaan keren.
Plekken van licht en van liefde zijn daar
waar God wordt geleefd in de blik naar elkaar.
---
*142
#2
1
Vogelvluchten doen vermoeden
hoe de vrijheid voelt zo hoog.
Wie kan schapenwolken hoeden
tot aan verre regenboog?
Bomen, aardevast geworteld,
lonken waaiend naar het licht,
blijven, leunend tegen stormen,
vastberaden opgericht.
En uit water, spieg'lend water
kijkt me mijn verlangen aan.
Als een beeld naar een gelijk'nis
en ik hoorde dat het goed is,
goed genoeg om door te gaan.
2
Mensenvrijheid voelt haar banden,
weet zich binnen tijd en huid.
Maar in woorden en door handen
breken zachte krachten uit.
Vreemdeling bij name noemen,
machtigen te machtig zijn;
klein geloof in visioenen
brengt bevrijding dichterbij!
En bij water, stromend water
ziet een mens de ander aan.
In hun ogen de gelijk'nis,
en ze weten dat het goed is,
goed om samen door te gaan.
---
*201
#3
1
Vrouwvolk uit verleden tijd
dat als schimmenspel beklijft.
Vrouw van Lot in haast verwrongen,
Zij die ooit met Mirjam zongen.
Steeds weer twijgen aan de stam
waardoor leven verder kwam.
Nu nog kan ik namen geven:
'Zusters door het leven'.
2
Vrouw met de albasten kom.
Waterdraagster bij de bron.
Velen die met woord en daden
aan de eeuwen schijnsel gaven.
In een onbenoemde stoet
onze tijden tegemoet.
Zo veel namen kan ik geven:
'zusters in het leven'.
3
Vrouwen, ingeperkt en dwaas.
Zij die naast mij verder gaan.
En met durf en mededogen
vonken slaan en vuren stoken.
Ze zijn griffels bij het Woord,
schrijven haar traditie voort.
En ik waag het uit te spreken:
'zusters in mijn leven'.
---
*202
#3
1
Om kinderspel, de klank van tamboerijnen,
de stameling van de gevonden woorden,
om reizen naar nog niet bekende verten,
de dagen die doen dorsten naar wat water,
om nachten vruchtbaar en het late rusten
en alle weelden van wie moeder worden;
2
om liefdesappelen om die te geven
aan wie nog niet, aan wie nog zonder vreugde
om recht te doen en rechten te ontvangen
en overeind te blijven in verachting
de rug te rechten en te zien hoe zusters
tesamen wonen en elkaar doen leven-
3
lievelingsboom: jij sneeuwende amandel
die mij de komst voorzegt van grote lente
waarin het dode en de doden levend,
de takken van de vruchten zullen buigen
zoals ik boog maar nooit zullen zij breken:
ik zie de moeders van het licht verzameld.
---
*203
#3
1
Niet doordat uit de verten zijn verzameld
talloze zwervenden en zijn geborgen
in de omarming van de heuveldalen
waar wijnstokken haar zware trossen dragen
en vijgen schaduw spreiden zoete vruchten
in overvloed, de poorten zijn geopend,
2
zal zij de stad herkennen en betreden
de herderin van de ontroostbaar velen,
geschondenen verslagen en verworpen,
de kinderlozen en die zich verloren
in de verlatenheid genaamd de liefde,
zelf van de lammeren het meest gekwetste
3
en aan de poorten zal zij blijven wachten
tot ook het laatste kind is aangekomen
dat aan de jacht van allen tegen allen
ontkomen is als in de nacht de sterren
ontelbaar schitteren: het zand van zee‰n
die ongeschapen bleven tot dit einde.
---
*204
#7
1
Zing van de vrouwen,
zij durven het leven aan
doden geen kind'ren
maar larten hen voortbestaan.
2
Machten en farao's
hebben geen laatste woord
door alle angsten heen
wordt er naar God gehoord.
3
Moeders verbergen
haar kinderen voor de dood
houden het stil maar
het groeit en het wordt te groot.
4
Vlechten een bootje
en geven het leven prijs
spelen hoog spel
maar zij hopen op goede reis.
5
Huilen en wachten
en Mirjam als kleine zus
weet al van dood
maar zij droomt van een exodus.
6
Wetten die spreken van dood
zijn zo hard als steen
zien van een kind
hartverwarmend door alles heen.
7
Wie redt een kind
uit het water uit ondergang
die redt een volk
nu en later en levenslang.
---
*205
#4
1
Genade is Gods Naam vervoegen
'Ik zal er zijn' in deze tijd;
is woedend worden om fascisme
discriminatie wereldwijd
is voor de onderdrukker kiezen
en vroedvrouw in Egypte zijn
is zekerheid durven verliezen
om deelgenoot te kunnen zijn.
2
Genade is Gods Naam vervoegen
'Ik zal er zijn' op deze tocht;
brood delen met de vluchtelingen,
oase zijn voor wie dat zocht,
met Mirjam samen dansen, zingen
ondanks de leegte der woestijn,
is veiligheid durven verlaten
om reisgenoot te durven zijn.
3
Genade is Gods Naam vervoegen
'Ik zal er zijn' in ballingschap;
is opstaan, breken uit strvcturen die
mensen dwingt tot vreemd'lingschap,
is Gods gezicht kunnen herkennen
in dat van de misbruikte mens,
nooit aan onrecht willen wennen
en lotgenoot van Vasthi zijn.
4
Genade is Gods Naam vervoegen
'Ik zal er zijn' voorbij de tijd;
genade is elkaar behoeden
in vrede en gerechtigheid,
na rouw en droefheid weer beginnen,
met Jezus opstaan uit de pijn,
genade is elkaar beminnen
om naamgenoot van God te zijn.
---
*206
#7
1
allen:
De naam die je draagt is de weg die je gaat.
De weg die je gaat is de naam die je draagt.
2
koor/solo:
Doe weg het verkleinwoord, sta op in je naam,
jij vrouw met de verve van een rode cyclaam,
jij mens met de mond van de wilde narcis,
de roos in haar fierheid die is wat zij is.
3
allen:
De naam die je draagt is de weg die je gaat.
De weg die je gaat is de naam die je draagt.
4
koor/solo:
Voordat je geboren werd woonde je naam
geborgen verborgen als wilde cyclaam
die worstelt totdat zij op rotsen ontbloeit
en niet meer zal sterven van leven doorgloeid.
5
allen:
De naam die je draagt is de weg die je gaat.
De weg die je gaat is de naam die je draagt.
6
koor/solo:
De plaats waar wij wonen is vol van de wind
die zaden verzamelt en vruchten ontbindt.
De naam is een mantel. Sla die om je heen.
Wees ‚‚n met je naam in de Naam van de E‚n.
7
allen:
De naam die je draagt is de weg die je gaat.
De weg die je gaat is de naam die je draagt.
---
*207
#4
1
Verdwaald in het leven, verkild door het zoeken
naar doel en bestemming, slechts vragen ontmoeten
op vruchteloos roepen,
gestrand in het denken
zo moe en verdrietig, zo zoek voor jezelf.
2
Een stem die je naam roept, de hemel gaat open
verrast en verrukt je en licht komt in stromen
je groeten en warmen
in zachte omarming
gekend door de ander, gezien wie je bent.
3
Een pad van het licht door die ander geweven
een brug, smal en sterk, die je wankel, onzeker
terugloopt naar leven
terug naar de mensen
die warmte en sterkte, die boden van God.
4
Een flits van herkenning en alles valt samen
wat was en wat is en vervlechting van namen
een stroom van verhalen
verbindt de geslachten
geeft ook aan jouw leven een plaats in de tijd.
---
*208
#3
1
Toen we van bevrijding hoorden
vroegen we de liefsten mee.
Spaarden dromen om te delen,
bakten brood om mee te nemen,
en vertrokken als zovelen
voor een voettocht naar de zee.
2
Met het zoute vocht van tranen
zijn we door de vloed gegaan.
Achter ons verdronken machten
aan wie wij geen redding brachten.
Het was zwaarder dan we dachten
en een deel van ons bestaan.
3
Die niet door de Rietzee trokken
maken leegte om ons heen,
naasten die we hier niet vinden.
Tussen vriend en vreemdelinge
gaan we deze reis beginnen,
treden waar geen paden zijn.
---
*209
#4
1
Een land is beloofd, als een nevelig land
en dag na dag moeilijk te vinden.
Wij leren de kern van het oude geheim.
Wij zeggen elkaar dat het zonnig zal zijn
en veilig voor vrouwen en kind'ren.
2
Het land van de hoop lijkt een armelijk land,
je ziet er geen glimmende machten.
Maar ogentroost bloeit langs de kant van de straat
en mensen zijn blij dat de ander bestaat.
De weerlozen leren er lachen.
3
Dat land is voor nu, niet van later of toen,
het is er bij stukjes en beetjes.
Elk mens die in Geest - kracht de angst overwint,
of huilend en sjouwend het kwade bedwingt
herschept zo het land van het leven.
4
Wij blijven in gang en verbruiken de tijd,
wij weten niet waar we belanden.
Maar steeds als de zon opkomt is het misschien
de dag dat we ergens en even gaan zien
hoe 't goed is voor ons en voor and'ren.
---
*210
#3
1
We gedenken Rachab die haar huis behoedde,
die haar liefsten redde aan de zijkant van de stad.
Omdat zij bij dichte poorten waakte in de nacht
en een toekomst aan de and're kant vermoedde.
2
En we vragen Rachab wat haar heeft bewogen
om hoog spel te spelen met de koning van het land.
Kleur bekennend door een vuurrood teken aan de wand
toen voor onverzekerd leven was gekozen.
3
We bezingen Rachab die haar naam bewaarde,
niet is doodgezwegen in de lange levenslijn.
Zij die ooit een mens van goed vertrouwen durfde zijn
staat voor - goed geschreven in het boek der Namen.
---
*211
#3
1
Met de sterren in haar ogen,
glanzend als de oceaan,
is ze op de plek gaan staan
waar de paden samenkomen,
vrouwe Wijsheid,
onbevangen als een kind,
roept ze schallend in de wind.
2
Zij kent het begin der dingen.
Van de allereerste tijd
heeft ze al de dans geleid.
Ze is Gods vertrouwelinge,
vrouwe Wijsheid.
Wat ze vraagt in stad en land
brengt het leven in balans.
3
Eerlijkheid als goud gewogen,
recht dat blinkt als zilverwerk,
en de mens die waarheid zegt
daarvan heeft ze luid gesproken,
vrouwe Wijsheid.
Wij slaan nieuwe wegen in
met de wijsheid als vriendin.
---
*212
#2
1
Een sterke vrouw,
wie vindt haar niet een sterke vrouw.
Zoals ze nieuwe draden spint
met stukken lach en wanhoopvezels,
en daarmee leven aan zich bindt.
Haar hoop kan veertig keer verbleken.
En als haar stem geen adem vindt
verlamt haar hart totdat het leven
weer moed legt op haar weefgetouw.
Een sterke vrouw.
2
Een mens van kracht.
Kijk om en zie een mens van kracht.
Zelf grenst ze haar terreinen om.
Haar tuin heeft graan en appelbomen,
en ergens diep weet ze een bron.
Een levenlang kan zij daar komen,
haar handen als een lege kom.
Ze draagt in druppels haar vermogen.
Zo heeft ze het al ver gebracht.
Een mens van kracht!
---
*213
#6
1
Al wat geweest is gebeurt weer opnieuw
en alles heeft zijn tijd.
Een tijd van treuren en dansen
tijd van geboorte en tijd van de dood.
2
Vluchtig en ijl en ongrijpbaar als wind
de tijd die raadsel blijft.
Een tijd van zaaien en oogsten
tijd van het kwaad en genezing daarvan.
3
Mensen zij zoeken en maken zichzelf
verblijfplaats in de tijd.
Een tijd van zoeken, ontdekken
tijd van de liefde en tijd van alleen.
4
Tegen de eeuwen is mensenbestaan
een hartklop in de tijd.
Een tijd van bouwen en breken
tijd van ontwijken en toegewend zijn.
5
Kort is het leven, geniet van de dag
de tijd is geschenk van God.
Een tijd van kussen en zingen,
lachen en huilen, geschenk is de tijd.
6
Want als de tijden geborgen in God
zijn wij dat in Haar hand.
Een tijd van spreken en zwijgen
tijd om te zwijgen uit eerbied voor God.
---
*214
#8
1
Vreugde zal ons zelf verbazen
als we 't oude liedje blazen
op de loftrompet.
2
Lied van trouw en hoop op zegen,
van beginne aangeschreven
en op onze maat gezet.
3
mensen kunnen rondbazuinen
dat de angst het veld moet ruimen
als vertrouwen wint.
4
Alle snaren zijn gespannen
nu het lied van ons verlangen
om gerechtigheid weerklinkt.
5
Fluiten met hun hoge tonen
hebben onze durf en dromen
bij elkaar gebracht.
6
't Ritme van ons zoekend leven
wordt onstuitbaar doorgegeven
met de slagen van ons hart.
7
Blijdschap schalt als een fanfare
waar een mens een mens bewaarde
bij Gods regenboog.
8
Met violen, trom en koper
zingen wij het donker open
onze stem klimt hemelhoog!
---
*215
#4
1
Toen Maria zong, zo klein, zo jong,
zong zij een machtig lied.
God toegedaan met lijf en leven,
en recht gaan staan en antwoord geven,
zo is een mens geheimenis
dat niet meer weg te praten is.
Opnieuw genoemd in de geslachten
door allen die nog licht verwachten.
Zing dit steeds weer, vergeet het niet,
het is een machtig lied.
2
Toen Maria zong,
zo blij, zo jong,
zong zij een prachtig lied.
Die Heilig heet wil mensen kennen
en door de geest tot leven brengen.
Wie aan geen wonder heeft gedacht
stroomt vol met Gods verbeeldingskracht.
Een gloed die ons zal blijven warmen
omhult ons in elkaars erbarmen.
Zing dit steeds weer, vergeet het niet,
het is een prachtig lied.
3
Toen Maria zong,
zo sterk en jong,
zong zij een krachtig lied.
De machtigen van deze aarde,
zij hebben niet de meeste waarde.
Ivoren torens zijn gebouwd
op drijfzand van verdriet en rouw.
Maria zingt voor stemmelozen
omdat de Ene heeft gekozen.
Zing dit steeds weer, vergeet het niet,
het is een krachtig lied.
4
Magnificat, magnificat,
Magnificat, magnificat.
---
*216
#3
1
Een vijftal vrouwennamen
hebben de weg verlicht,
waarlangs de mensen kwamen
op zoek naar Gods gezicht.
't Is Tamar die in woede
en fier haar plaats opeist,
en Rachab onvermoede
bevrijdster uit de strijd.
2
Zie Ruth, de onbeschroomde,
die liefde paart aan moed,
Baths‚ba, de beroofde,
werd ooit haar leed vergoed?
De ongenoemde vrouwen
zijn in ons opgestaan,
zij wekken ons vertrouwen
met haar op weg te gaan.
3
Hoe zijn Maria's woorden
een lamp voor onze voet.
Zij zingt van Gods belofte:
gedeelde overvloed,
gerechtigheid en vrede,
de machtigen onttroond.
God hoort onze gebeden,
de God die ons bewoont.
---
*217
#4
1
Zou ik niet mogen delen
in jouw barmhartigheid?
Wordt dan een vreemdelinge
toch niet door jou bevrijd?
2
Dat kan ik niet geloven
omdat ik je vertrouw.
Vol zorg om wie mij lief is
doe ik beroep op jou!
3
Jij aarzelt om te treden
buiten de eigen kring.
Mijn hoopvol tegenspreken
bereikt verandering.
4
Nu zijn de grenzen open,
door mijn vasthoudendheid.
Zo hebben wij elk-ander
door dialoog bevrijd.
---
*218
#7
1
allen - melodie A:
Ik dacht: ik heb een lamp, ik zal
haar aandoen als de avond valt.
Ik zwerf naar hier, ik zwerf naar daar
en ieder wordt mijn licht gewaar.
2
koor/solo - melodie b:
Maar toen de avond viel was ik
onhandig als mijn linkerhand,
vergat het lichtend ogenblik
door slaap en droefheid overmand.
3
koor/solo - melodie c:
Ontwaken is een duister lot,
ontwaken midden in de nacht
voor wie zich dacht haar eigen god
en niemand met haar licht verwacht.
4
allen - melodie A:
Ik dacht ik heb een lamp, ik zal
haar aandoen als de avond valt.
Ik zwerf naar hier, ik zwerf naar daar
en ieder wordt mijn licht gewaar.
5
koor/solo - melodie B:
En toen de avond viel was ik
behendig als mijn rechterhand,
ontstak ik in een ogenblik
de lamp die in het donker brandt.
6
koor/solo - melodie C:
Ontwaken is een heerlijk lot,
ontwaken midden in de nacht
wanneer het roepen luider wordt:
sta op voor wie je hebt verwacht.
7
allen - melodie A:
Wij waren vijf van dageraad
en vijf gevangen in de nacht,
twee handen tot hun uur gebracht,
‚‚n mens die door de wereld gaat.
---
*219
#3
1
Het water wellend uit de Bron
zoekt klaterend naar eigen wegen,
geen die het tegenhouden kon
en samen met de kracht der zon
is 't mens en aarde tot een zegen.
2
De dorst naar levend water bracht
het Kind ons in herinnering.
Het kwam daartoe in onze nacht,
ontsloot een Bron met teed're kracht
en laaft ons met verwondering.
3
Vul dan je kruik tot aan de rand
en les je dorst, de Bron blijft stromen.
En schenk maar uit met gulle hand,
bevloei het dorre, droge land:
geen kind mag meer van dorst omkomen.
---
*220
#5
1
De hoge waterval
vult in het mensendal
bedding en leven,
Vrijheid en zomerlicht
zijn in een vergezicht
met schuim geschreven.
2
Achter de horizon
baart zelfs de kleinste bron
tranen en zorgen.
Daar houdt datzelfde land
gierig in 't scherpe zand
water verborgen.
3
Allemens' levensboom
heeft langs de brede stroom
groeiplaats gevonden.
Een roze rozen struik
bloeit in een stille tuin
bij diepe gronden.
4
Leven wordt ondermaats
druppelsgewijs gespaard
tussen de keien.
Maar als een wondermacht
kan daar de mensenkracht
blijven gedijen.
5
Zullen we mensen zijn
die ook de dorre pijn
niet meer vergeten,
of blijft de waterkruik
tijdenlang ongebruikt ?
Wie zal het weten...
---
*221
#4
1
De pijn brandde na in haar opgen.
Ze droeg het gewicht van de nacht.
Zo kwam ze bij man en bij macht
en hield een pleidooi voor haar dromen.
2
De lamme is niet meer gekomen.
De blinde liet zich er niet zien.
Er heeft daar geen enkele vriend
voor Jezus ten beste gesproken.
3
Maar zij heeft de cirkel doorbroken
en eenzame woorden gezegd.
Ze wist van erbarmen en recht,
de vrouw die haar dromen geloofde.
4
We blijven geroepen tot dromen,
verbeelding op klaarlichte dag.
Wie eenmaal een vergezicht zag
krijgt werk'lijkheid helder voor ogen.
---
*222
#5
1
Pasen, een feest van dwazen,
van vrouwen die de tekens lazen,
eerder dan die met Hem verbonden,
toch de Verrezene niet vonden.
2
Pasen, een feest van hopen.
Maria gaan de ogen open.
Zij ziet. En haar geschiedt een wonder.
Zij hoort wat and'ren niet verstonden.
3
Pasen, het feest van leven.
De dood is in het graf gebleven.
De laatste vijand is verdreven.
Een nieuwe Mens is ons gegeven.
4
Pasen, de dag der dagen.
Nu willen wij het leven wagen.
Voorbijgegaan de tijd van rouwen.
Laten wij aan een toekomst bouwen.
5
Pasen, een feest van lichten,
verwonderlijke vergezichten.
Geef ons de dwaasheid van die vrouwen,
dat wij in vrijheid U aanschouwen.
---
*223
#8
1
Koor:
Mogen wij nog dromen dromen
in het donker van de nacht,
worden zij ons niet ontnomen
onder druk van wereldmacht.
2
allen:
Help ons deze macht te breken,
maak ons wegwijs door een teken.
3
koor:
Zoals broos ontloken leven
zeker is voor haar die draagt
kan de toekomst tekens geven
waar verwachting wordt geschraagd.
4
allen:
Tijd van wachten kan lang duren;
kom, o Geest, verlicht de uren.
5
koor:
Twijfel heeft geen slecht geweten
maar ontkennen toont geen kracht.
Zie hoe Hanna heeft begrepen
al wat een gebed vermag.
6
allen:
Ook aan vrouwen op Paasmorgen
bleef het teken niet verborgen.
7
koor:
Bij de eigentijdse zorgen
wordt elk teken in de nacht
leidraad naar de nieuwe morgen
voor wie Gods belofte wacht.
8
allen:
Tijd van wachten kan lang duren;
kom, o Geest, verlicht de uren.
---
*224
#3
1
Maria van Magdala, vrouw van formaat
die tot het laatst bij het kruis is gebleven,
heeft als de eerste het teken begrepen
dat leven met liefde en recht niet vergaat.
2
Ze is door het licht van de morgen geraakt.
Vrij van verdriet en van angst kon ze zeggen
dat wie de kruiden bij doden blijft leggen
een zouteloos beeld van de levende maakt.
3
Getrouw aan de vriend die haar kende bij naam
heeft ze besloten tot opstaan en spreken.
Wij, die op weg zijn, herkennen het teken.
Maria van Magdala, vrouw van formaat.
---
*225
#2
1
Dit is het wonder: de kracht van de Geest
baart stralend nieuw leven op 't Pinksterfeest.
In een onzeker en kwetsbaar bestaan
ontkiemt het bevrijdend, en kondigt ons aan:
sta op en vat moed
en weet het voorgoed
dat Godd'lijke liefde de wereld begroet.
2
Dit is het wonder: de kracht van de Geest
herschept, en wekt op wat als dood is geweest.
Geeft inzicht en uitzicht, doorbreekt en ontvouwt.
Geen oor heeft gehoord en geen oog heeft aanschouwd
wat ons is voorzegd:
na bitter gevecht
zal vrede ons deel zijn en waarheid en recht.
---
*226
#3
1
Verwelkom de verborgen zon
die heel de schepping kroont
haar licht ontstroomt de diepste bron
totdat het je bewoont.
2
Bekleed met licht word je tot licht
weten verdrijft de waan
door honderd handen opgericht
kun je in geestkracht gaan.
3
De ruimten van de duisternis
de straten van de angst
zij blijken niets. En zie er is
de rust die je verlangt.
---
*227
#7
1
In zeven kleuren spant de boog
van licht en water zich
belofte en herinnering
dat God zich aan ons bindt.
2
Tot in het nachtblauw van ons leed
dringt toch een afglans door
van Gods nabijheid die ons draagt
en liefde schemert rood.
3
Zoals het blauw licht in de lucht
en donker in de zee,
aan alle kanten om ons is,
gaat Gods trouw met ons mee.
4
Als lentegroen dat bloesem draagt
en zich verdiept om oogst
en vrucht en zaad en groen te zijn,
zo eeuwig is de hoop.
5
God die als ongeschapen Licht,
het licht als eerste schiep,
doorstraalt als woordeloze klank
der sferen harmonie.
6
Waar warmte en beweging is
als Wind die vlammen stuurt,
zo blaast de geest van God ons aan
te worden als Haar vuur.
7
In zeven kleuren spant de boog
van licht en water zich,
belofte en herinnering
dat God zich aan ons bindt.
---
*228
#5
1
Blad glanst van groen, de winter is voortvluchtig.
Zelfs wie hem zoekt die vindt zijn kou niet meer.
Geen rest van sneeuw, geen wenk van oostenwinden.
Wij zijn bevrijd, ons klaaglied neemt een keer.
2
Hoog ruist de vleugelslag van wilde zwanen.
Zij zoeken naar een broedplaats in de zon.
Ach kon ik vrij als zij mijn wegen banen
naar waar de nieuwe levenstijd begon.
3
Maar ik ben hier geboren en gebonden
met hoeveel koorden aan dit aards bestek.
Mijn ziel heeft alle wetten al geschonden
in drift zich los te scheuren van haar plek.
4
Al glanst het licht opnieuw over de landen
en gloeit de bloesem in de hazelaar,
voor mij is er geen kentering op handen.
Ik ken geen zacht getijde van het jaar.
5
E‚n vreugde houdt mij gaande al mijn dagen
de Minne die mij kent en achterliet
in deze tuin waar bomen vruchten dragen
en zwanen ruisen naar haar broedgebied.
---
*229
#9
1
Reizend over slechte wegen,
half geradbraakt door de keien
zomerhitte winterregen
reizend komt een mens zich tegen.
2
Bouwde ik van oude stenen
nieuwe huizen voor de vrouwen
Salamanca en Toledo
het was niets dan Godsvertrouwen.
3
Zoals Jacob dromen droomde
wervelende vergezichten,
zag ik vrouwen zingend komen
heel de toekomst voor ons lichten.
4
Bergen waren mijn genoten
ik aanbad hun sneeuwen kronen.
de tiara van de zomer
blonk door zon en zand bestoven.
5
Geur van tijm en zoete dadels
alles bracht mij tot gebeden,
die mijn voeten deden treden
over vloeren die daar waden.
6
Vrouwen die in later eeuwen
eenzaam reizen langs ravijnen,
ga in vrede, wees verzekerd
dat ik je zal thuis geleiden.
7
Zonder vriendschap is geen leven,
zonder de vriendin der vrienden
is geen leven: Die ons diende
en vernieuwde is de meeste.
8
Wees dan zelf de vrouw der vrouwen
God gezochte en gevonden,
vuur voor wie niet warmen konden,
wijn voor wie zichzelf berouwen.
9
Zing mijn liedbrief, ik Teresa
teken met de naam der namen:
Majesteit verbindt ons samen:
vrij zijn in elkaars genade.
---
*230
#3
1
Ik schreeuw God, hoor mij aan
al vind ik amper woorden
zwijgen zal mij vermoorden
ik wil niet naamloos sterven.
Laat mij jouw Naam beerven.
Een ieder, die mij heeft ontluisterd
mijn geest en lichaam heeft geknecht,
die heeft jouw Vadernaam verduisterd.
Laat het niet toe, o God, verleen mij recht.
2
Sta op, mijn God, sta op,
ik kan niet meer verdragen:
ik ben veracht, geslagen.
Hoe kan ik tot Jou komen?
Mijn naam is mij ontnomen.
Zoals een dier, bedekt met wonden
zich houdt verscholen na de jacht,
ben ik, Jouw kind, misbruikt, geschonden,
veroordeeld tot het duister van de nacht.
3
O, zusters, hoort naar mij:
om aan elkaar te helen
moet ik met jullie delen.
Als wij God namen geven
kan ik met Haar herleven.
Wij schenken wijn en breken broden
tot onz'en Haar gedachtenis.
Waar wij elkaar tot opstaan noden
zijn wij benoemd in Gods geschiede
---
*231
#6
1
Ik kan niet anders dan mijn stem verheffen,
opdat de sprakeloze wordt gehoord,
voor wie ik wet het wapen van het woord:
alleen dat kan de onderdrukker treffen.
2
Hij zal niet ongemerkt zijn hebzucht voeden
naar rijkdom en bezit en overmacht;
ik neem het woord en breek zijn brute kracht,
mijn roep wil de onmondige behoeden.
3
Ik zal de naam van mijn verdwenen kind'ren
roepen langs elke straat, op ieder plein.
Ik k…n niet zwijgen over deze pijn,
geen dreigement zal ooit mijn klacht verhind'ren.
4
Ik noem je naam, de wereld zal hem horen,
geen mens kan zeggen dat hij het niet wist.
Jouw naam doorbreekt als een klaroen de mist
en zal de werkers van het kwaad verstoren.
5
Ik zwijg niet tot de wereld hŠm zal richten
die armen en vertrapten heeft vermoord.
Ik zwijg niet tot de hemel't heeft gehoord
en wij met God het Vredesrijk gaan stichten.
6
Dan zal een lied door alle straten klinken
en dansers scharen zich aaneen op 't plein,
er zal muziek, gelach en vreugde zijn.
En niemand zal nog ooit het recht verminken.
---
*232
#2
1
Wij die de dag verwachten
waarop het licht ons vindt
trotseren tegenkrachten.
Het is: wie waagt die wint.
2
Hoog boven ons vermogen
de Geest stuwt ons bestaan
tot waar, het licht voor ogen
wij vrijuit kunnen gaan.
---
*233
#1
1
Zolang een zwaard de landen ploegt
zijn aard' en hemel onbegroet.
Opdat wij niet verloren staan:
versterk ons hart, in Vredesnaam!
---
*234
#1
1
Vrees niet, je hebt genade gevonden bij God.
Wees niet bang, wees niet bang,
je hebt genade gevonden bij God.
---
*235
#5
1
Verlossing is een lang verhaal
waarin ik word herboren
ik ga er niet verloren
maar leer mijn eigen taal.
2
God heeft het mij al toegezegd
de ruimte mij gegeven,
het zelfbewuste leven
is in mijn hand gelegd.
3
Geschapen naar het godd'lijk beeld
zal ik voor zwakken kiezen
niet bang om te verliezen
aan al wie met mij deelt.
4
Een mensenkring aan vrouwen rijk
die zich geen moeder noemen
of zich daarop beroemen
daar voel ik mij gelijk.
5
We drinken wijn en delen brood
om 't leven te bevechten,
wie zich niet laten knechten
zijn sterker dan de dood.
---
*236
#3
1
Tot spreken heb je mij gehoord,
tot nieuwe levenskracht.
Ervaring, eerder nooit verwoord,
wordt aan het licht gebracht.
2
Tot spreken heb je mij gehoord,
en tijdens mijn verhaal
ontstaat in mij een ander woord,
begin van nieuwe taal.
3
Tot spreken heb ik jou gehoord
in wederkerigheid.
Wij scheppen samen, woord voor woord,
de taal die ons bevrijdt.
---
*237
#3
1
Mijn taal heeft heel het alfabet
po‰tisch op muziek gezet.
Elk lied van mij stelt steeds de vraag
vanwaar de kracht komt, die mij schraagt.
Maar waar vind ik het nieuwe woord,
dat naam geeft wat ik heb gehoord.
2
Een storm, die mij tot staam'len brengt,
een gloed, die mijn bestaan verzengt,
een ruimte, die mij duiz'len doet,
een stilte, waar ik Jou bevroed.
O Woord, word vlees, word brood dat breekt,
terwijl mijn hart om heelheid smeekt.
3
Toch roekeloos, vol overmoed
laat ik mij warmen in Jouw gloed,
Jouw ruimte doet mij rechtop staan,
Jouw stilte noemt me bij mijn naam,
Jouw antwoord in de storm gebracht
geeft naam aan mijn hervonden kracht.
---
*238
#3
1
Het ochtendlicht wil binnen komen,
jij opent het gordijn voor mij -
weer ben je mij vandaag nabij...
mmmmmmmmmmmm.
2
Ik heb zo lang alleen gevochten
en 'God, ontferm u' slechts gezegd.
Toen werd ik in jouw hand gelegd...
mmmmmmmmmmmm.
3
Dat ik in jou dit kon herkennen
is mij het licht in al mijn pijn,
teken van God die er zal zijn ...
mmmmmmmmmmmm.
---
*239
#3
1
De kilheid van de schone schijn
zal mensen nooit tot manna zijn.
Het rookgordijn om Jou gelegd
verstikt de woorden van gebed.
Er blijft alleen: 'en toch, en toch'.
2
Geringen zijn in levensnood,
hun angst en moeheid stervensgroot.
Hoe lang geleden is gezegd
dat Jij de laatste woorden hebt?
Wij kennen slechts: 'en toch, en toch.'
3
We zijn verslagen en verkracht,
we gaan ten onder aan de macht.
En dit is alles dat ons rest,
dit ingeschrompelde gebed.
Een ademtocht: 'en toch, en toch.'
---
*240
#7
1
Ik wil bij je wonen,
ik verlang naar jou,
jij bent eerbied waardig,
vrijgevochten vrouw.
2
Alles wordt doorzichtig
als ik met je speel,
dansend in de rondte
zijn we gaaf en heel.
3
Onze liefde vieren
sterk en trots van lijf
als een openbaring
warm en toegewijd.
4
Liefde heeft herschapen
onze levenslust,
ons op 't lijf geschreven
blij en zelfbewust.
5
Kom bij mij aan tafel
denken wij aan brood
lichaam dat gebroken
bang is als de dood.
6
Toasten wij de bekers
sluiten een verbond,
maken met vriendinnen
een bevrijdingsfront.
7
Ik zal niet berusten
tot de laatste vrouw
ver en lang vergeten
op zal staan met jou.
---
*241
#3
1
Hoog als de hemel de liefde,
wijd als het vruchtbare land,
diep als de bodem der zee‰n/
sterk als een stormwind haar kracht,
dat zij delen,
in die zegen,
God die Zelf leven, liefde is.
2
Werelden schept zij, de liefde
wonder dat ons doet bestaan,
mens van ons maakt door haar volheid,
gloed die ons leven doorstraalt.
dat zij delen
in die zegen,
God die Zelf leven, liefde is.
3
Dat zij de ander in liefde,
samen op weg door de tijd,
ruimte tot groei willen geven,
thuis voor elkaar kunnen zijn,
dat zij delen
in die zegen,
God die Zelf leven, liefde is.
---
*242
#4
1
Het leven bespelen
door tijd en seizoen
is leven van groei.
Van distel en bloem
en droogte en wind willen weten.
2
We trekken de voren
en zaaien zwart zaad.
En rijkdom ontstaat,
de Geest komt en blaast.
Ze waait al het stof van het koren.
3
We planten en sproeien
de struik van respect,
de berk van gebed,
het kruid van verzet.
En lachen luidop als ze bloeien.
4
We blijven bezingen
het wijd open land,
de meest tere plant,
het leven als pand.
We zullen elk jaar weer beginnen.
---
*243
#4
1
We kunnen beginnen,
de kring is voltooid.
We vieren de oogst
van leven en brood
We brachten de manden vol binnen.
2
We dekken de tafel:
een woordeloos lied,
het diepe verdriet,
een ongeknakt riet.
We zullen meer plaats moeten maken.
3
We kiezen de vruchten
van kennis en kracht.
Als zegen gedacht
voor ieder geslacht.
Er zijn nog veel monden te wllen.
4
We zullen verdelen
ons eigen tekort,
het brood op ons bord,
het menselijk lot.
We mogen elkaar niet verspelen.
---
*244
#1
1
Gevoed in het duister
gegroeid naar het licht
gedrenkt mnet het water
van hemel en aarde,
de stroom van Jouw gaven
die voeden en laven,
Lof zij Jou, die dit geeft, Geest van God.
---
*245
#6
1
Blijf geborgen in je naam.
Wees als een mens gezegend,
om wat je hebt gezegd, en om wat is verzwegen.
De rafels van je hart omdat je bent gesleten.
Om je wezen, zwak en sterk,
leven is een mensenwerk.
2
Blijf geborgen in je naam,
Wees als een mens gezegend.
Om wat je hebt gedaan, om wat is nagelaten.
Wat soms is misgegaan, de scherven die je maakte.
Onvermijdelijke pijn
voor wie mensen moeten zijn.
3
Blijf geborgen in je naam,
Wees als een mens gezegend.
Om je vasthoudendheid, om angsten in het donker.
De pijnen in je lijf, en je geloof in morgen.
Wisselvallig is het tij
voor wie mensen kunnen zijn.
4
Blijf geborgen in je naam.
Wees als een mens gezegend,
om wie je hebt getroost, gedragen in gedachten.
Je liefde en je hoop, de keren dat je lachte.
Alle zegening en heil
van wie mensen mogen zijn.
5
Blijf geborgen in je naam
Wees als een mens gezegend,
om heel je reisverhaal met alle mensenfouten.
Om vriendschap en begrip, en ongeschokt vertrouwen.
Om het leren mettertijd
van de naam 'Ik zal er zijn'.
6
Blijf geborgen in je naam
Wees als een mens gezegend,
---
*246
#3
1
De mensen van voorbij
wij noemen ze hier samen.
De mensen van voorbij
wij noemen ze bij namen.
Zo vlinderen zij binnen
in woorden en in zinnen
en zijn wij even bij ekaar
aan 't einde van het jaar.
2
De mensen van voorbij
zij blijven met ons leven.
De mensen van voorbij
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemengeuren, in een lied
dat opklinkt uit verdriet.
3
De mensen van voorbij
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen,
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij.
---
*247
#2
1
We leefden door de kortste dag,
we zagen toen het avond was
hoe diep het donker nog zou worden.
En met het grijze morgentij
was ook die lange nacht voorbij.
Maar daarna bleef de zon verborgen.
2
Het duister is nog niet gedaan.
We steken duizend kaarsen aan
en blijven zo elkaar herkennen.
Door de verborgen ommekeer
komen eens licht en warmte weer.
De dagen zullen langzaam lengen.
---
*248
#8
1
Voorzang:
Wij zijn met twee en drie en meer,
God, wees in ons midden.
2
Allen:
Wij zijn met twee en drie en meer,
God, wees in ons midden.
3
Voorzang:
Zo we als boeken zijn slordig beschreven
grif op de bladen steeds weer uw Naam.
4
Allen:
Wij zijn met twee en drie en meer,
God, wees in ons midden.
5
Voorzang:
Om zachte kernen van leven te hoeden
worden we bolsters van hoop en vrees.
6
Allen:
Wij zijn met twee en drie en meer,
God, wees in ons midden.
7
Voorzang:
Wij zijn de mensen die dwaasheid geloven,
toon ons de kleuren van het Verbond.
8
Allen:
Wij zijn met twee en drie en meer,
God, wees in ons midden.
---
*249
#1
1
Kom in de kring wij komen samen
om voor elkaar een huis te zijn.
God is het huis, wij wonen samen
om voor elkaar een thuis te zijn.
---
*250
#1
1
Wij groeten elkaar en samen groeten
wij Gods Geest die nader komt.
---
*251
#1
1
Woord van het begin -
dat chaos weeft tot zin -
dat ons het leven geeft -
tot licht wordt op ons pad,
dat wij nu door gaan geven,
dat wij nu door gaan geven.
---
*252
#1
1
Wij blijven in het licht geloven,
zingen psalmen, schreeuwen psalmen,
fluiten psalmen in het donker.
---
*253
#7
1
Keervers 1:
Wij bidden God, de welgezinde
ten tijde dat Hij zich laat vinden.
Met jubelzangen van bevrijding
omringt Hij ons.
2
strofe 1:
In de dreiging van de tijd
zoeken wij barmhartigheid.
Mensen zijn wij, klein en bang
voor een barre ondergang.
3
Keervers 2:
Wij bidden God, de welgezinde
ten tijde dat Zij zich laat vinden.
Met jubelzangen van bevrijding
omringt Zij ons.
4
strofe 2:
Daaglijks worden wij gekweld
door het woedende geweld
en de angsten van ons hart
maken heel de wereld zwart.
5
keervers 1:
Wij bidden God, de welgezinde,
ten tijde dat Hij zich laat vinden.
Met jubelzangen van bevrijding
omringt Hij ons.
6
strofe 3:
Als wij door de diepte gaan
van dit menselijk bestaan,
dan ontspringt aan het verdriet
de genade van een lied.
7
keervers 2:
Wij bidden God, de welgezinde,
ten tijde dat Zij zich laat vinden.
Met jubelzangen van bevrijding
omringt Zij ons.
---
*254
#1
1
Wij zijn hier bijeen om gemeenschap te voeden,
er staat voor ons allen een maaltijd klaar.
Wij danken van harte voor al het goede
en reiken de beker, de schaal naar elkaar.
---
*255
#1
1
Spreid uw dragende vleugels onder ons uit,
spreid uw warmende lichtglans over ons uit.
---
*256
#1
1
Vrede voor jou, vrede voor jou,
open je handen, vrede voor jou.
Vrede, vrede, vrede, vrede.
Vrede voor jou, vrede voor jou,
geef me je handen, vrede voor jou.
---
*257
#1
1
Zegen mij namens de Geest die ons zegent,
jou mag ik zegenen in Haar Naam.