---

Gezangen uit het Liedboek voor de kerken

---

 

*1

#4

1

  God heeft het eerste woord.

  Hij heeft in den beginne

  het licht doen overwinnen,

  Hij spreekt nog altijd voort.

2

  God heeft het eerste woord.

  Voor wij ter wereld kwamen,

  riep Hij ons reeds bij name,

  zijn roep wordt nog gehoord.

3

  God heeft het laatste woord.

  Wat Hij van oudsher zeide,

  wordt aan het eind der tijden

  in heel zijn rijk gehoord.

4

  God staat aan het begin

  en Hij komt aan het einde.

  Zijn woord is van het zijnde

  oorsprong en doel en zin.

---

*2

#7

1

  Wat sprak God op de eerste dag?

  Laat, zei Hij op de eerste,

  licht in het donker heersen.

  Laat ze hun namen leren:

  het licht is dag, het donker nacht.

  En wat God sprak die eerste dag

  was goed toen Hij het zag.

  Hij sprak een dag voor alle

  in god'lijk welgevallen.

2

  Wat sprak Hij op de tweede uit?

  Laat zei Hij op de tweede,

  een waterscheiding wezen

  van boven en beneden:

  span, uitspansel, mijn hemel uit.

  En wat God sprak die tweede dag

  Was goed toen Hij het zag.

  Hij sprak een dag voor alle

  in god'lijk welgevallen.

3

  Wat was de derde dag zijn woord?

  Laat, sprak Hij op de derde,

  de wateren der aarde

  zich tot een zee vergaren

  en 't droge brenge vruchten voort.

  En wat God sprak die derde dag

  was goed toen Hij het zag.

  Hij sprak een dag voor alle

  in god'lijk welgevallen.

4

  Wat sprak Hij op de vierde dag?

  Laat, zei Hij op de vierde,

  de grote hemellichten

  der aarde tijden richten

  en scheiden tussen dag en nacht.

  En wat God sprak die vierde dag

  was goed toen Hij het zag.

  Hij sprak een dag voor alle

  in god'lijk welgevallen.

5

  Wat was t' dat de vijfde zei?

  Laat, zei Hij, het gewemel

  van vogels langs de hemel

  en vissen door de zee?n

  vruchtbaar en menigvuldig zijn.

  En wat God sprak die vijfde dag

  was goed toen Hij het zag.

  Hij sprak een dag voor alle

  in god'lijk welgevallen.

6

  En wat de zesde? Laat nu 't vee,

  wild, en wat kruipt op aarde,

  zich met haar kruid verzaden,

  maar laat Ons mensen maken,

  die haar beheersen, naar ons beeld.

  En wat God sprak die zesde dag

  was goed toen Hij het zag.

  Hij sprak een dag voor alle

  in god'lijk welgevallen.

7

  En op de zevende? Die dag

  heeft God de Heer gezwegen,

  die dag heeft Hij gezegend

  om in zijn rust te leven,

  nadat Hij alles had volbracht.

  En God heeft ons ook weggelegd,

  als alles is volzegd,

  van 't eerste tot het laatste,

  om in zijn rust te rusten.

---

*3

#6

1

  Uit Oer is hij getogen,

  aartsvader Abraham,

  om voortaan te geloven

  in 't land van Kana?n,

  om voortaan als een blinde

  te zien een donker licht,

  om voortaan helderziende

  te zijn op God gericht.

2

  Uit Oer is hij getogen

  ten antwoord op een stem,

  die riep hem uit den hoge

  op naar Jeruzalem

  En allen die geloven

  zijn Abrahams geslacht,

  geboren uit den hoge,

  getogen uit de nacht.

3

  Uit Abraham geboren

  die zo gezworven heeft

  is, wie om God te horen

  gestorven is en leeft:

  het volk van de profeten,

  de stam van het verbond,

  het volk hier beneden

  de stem van God verstond.

4

  Het is niet meer te tellen,

  dat volk dat na hem kwam,

  een vader van zo velen

  is vader Abraham.

  Van Jacob, edel strijder

  wiens naam is Isra?l,

  van Mozes de bevrijder

  die sprak op hoog bevel,

5

  van Jozua de hertog

  die ruimte heeft gemaakt,

  van Simson, dapper vechter,

  die uit het graf op staat,

  van David, koning David,

  en van zijn grote zoon,

  Elia met de raven,

  Hizkia met zijn droom.

6

  En allen die geloven

  zijn Abrahams geslacht,

  geboren uit de hoge,

  getogen uit de nacht.

  De stad die zij verbeiden

  die staat in wit en goud

  aan 't einde van de tijden

  voor iedereen gebouwd.

---

*4

#6

1

  Wij eten weer het bitter brood

  om te gedenken aan de dagen

  dat Gij Egypte hebt geslagen

  met de verschrikking van de dood.

2

  Engel des doods, ga ons voorbij.

  Zie op het bloed dat als teken

  aan onze deurpost is gestreken.

  Engel, ga onze deur voorbij.

3

  Wij eten haastig in de nacht

  kruiden en ongezuurde broden.

  Wij doen wat Gij ons hebt geboden,

  wij eten 't lam door ons geslacht.

4

  Wij staan reisvaardig tot de tocht

  naar 't goede land van Jacobs kinderen.

  Geen Rode Zee kan meer verhinderen

  die van de dood zijn vrijgekocht.

5

  Doe Gij ons door het water gaan

  en laat uw wolkkolom ons richten,

  uw vuurkolom ons 's nachts verlichten!

  Maak onze voet een vaste baan!

6

  Neem onze reisstaf in uw hand

  en wijs ons weer, als in de dagen

  dat Gij  Egypte hebt geslagen,

  de weg naar het beloofde land.

---

*5

#3

1

  Wij trekken nu het diensthuis uit,

  Egypte's rijkdom onze buit.

  De dood ging onze deur voorbij,

  want bloed was daar en bloed maakt vrij.

  En voor ons ligt nu de woestijn,

  waar God de Heer de gids zal zijn.

  En God heeft ons een land beloofd:

  de naam des Heren zij geloofd!

2

  Wij trekken door woestijn en zand,

  verlosten uit Egypteland.

  Geen vijand, die ons tegenstreeft,

  waar ons de Heer zijn zegen geeft.

  Wij trekken op de einder aan,

  waar al Gods poorten openstaan.

  Want God heeft ons een land beloofd:

  de naam des Heren zij geloofd!

3

  Wij trekken voort: des Heren volk.

  De Heer is bij ons in de wolk,

  een wolk des daags, een rookkolom,

  een schaduw tussen zand en zon,

  een wolk des nachts, een vuurkolom,

  een licht, als 't duister is rondom,

  want God heeft ons een land beloofd:

  de naam des Heren zij geloofd!

---

*6

#5

1

  Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag;

  het komt aan de dag.

  Zijn hand is verheven, zijn hand die bevrijd,

  zijn hand die zijn volk heeft geleid.

  De God onzer vaadren wordt heerlijk bekend.

  Wij prijzen zijn naam in zijn heilige tent.

  Hij heeft ons verlost en Hij ging met ons mee

  en wie ons vervolgden wierp Hij in de zee

  met vliegende vaandels en blinkende zwaarden,

  met wagens en paarden.

2

  De Heer is een krijgsman, Hij trekt voor ons uit

  en machtig verluidt

  de roemrijke klank van zijn naam over ons:

  de Here, de God des verbonds!

  Hij heeft ons bevrijd, uit het diensthuis vandaan,

  Hij heeft ons geleid op een veilige baan.

  De wateren weken en stonden gedwee,

  de vijand verzonk als een steen in de zee

  met vliegende vaandels en blinkende zwaarden,

  met wagens en paarden.

3

  Wie is er, o Here ter wereld als Gij?

  Wie komt U nabij

  in heilige luister, in reddende macht

  die wonderen tot stand heeft gebracht?

  Wij moeten U loven met hart en met mond,

  want Gij zult ons brengen naar heilige grond.

  Uw liefde bereidt ons een veilig gebied.

  Uw dreigende vinger verwijst naar het niet

  de vliegende vaandels en blinkende zwaarden,

  de wagens en paarden.

4

  De volken der aarde gaan eind'lijk verstaan

  wat Gij hebt gedaan.

  Hun leiders die bouwen op list en geweld

  verstommen en zwijgen ontsteld.

  Totdat Gij uw volk dat Gij zelve formeert,

  totdat Gij het volk dat tot U zich bekeert

  het land van belofte hebt binnengebracht,

  vergaan door het diepe geheim van de macht

  de vliegende vaandels en blinkende zwaarden,

  de wagens en paarden.

5

  Ik zing voor de Heer. Hij is koning voor goed

  en dwars door de vloed

  geleidt Hij de zijnen. Zijn goddelijk spoor

  gaat zelfs in de zee niet teloor:

  de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt,

  het water en bloed dat de zonden uitdelgt.

  Zo gaat het van doodszee naar levensjordaan,

  en zingende moeten het water in gaan

  met slaafse ellende en vorst'lijke waarde

  de mens der aarde.

---

*7

#4

1

  Het woord dat u ten leven riep

  is niet te hoog, is niet te diep

  voor mensen die 't zo traag beamen.

  Het is een teken in uw hand,

  een licht dat in uw ogen brandt.

  Het roept u dag aan dag bij name.

3

  Het is niet aan de overzij.

  Wat zegt gij dan: wie zal voor mij

  de wijde oceaan bevaren,

  wie brengt van de overkant der zee

  de schat der diepe wijsheid mee,

  die 's levens raadsel kan verklaren?

3

  Het is ook in de hemel niet,

  hoe vaak gij ook naar boven ziet

  en droomt van bovenaardse streken.

  Wat gij ook in de sterren leest,

  alleen de Geest beroert de geest,

  alleen het woord kan 't hart toespreken.

4

  Het woord van liefde, vrede en recht

  is in uw eigen mond gelegd,

  is in uw eigen hart geschreven.

  Rondom u klinkt de stem van God:

  vrijspraak, vertroosting en gebod,

  vlak voor u ligt de weg ten leven.

---

*8

#2

1

  Gij hemel en aarde, doet open uw oor

  en geeft mij gehoor.

  Ik spreek dat mijn woord op u regenen zou,

  mijn taal op u druppelt als dauw.

  Ontvangt in uw oor wat mijn mond u ontsluit

  als stromen van regen op 't kiemende kruid.

  Ontvangt in uw hart wat mijn tong u vertelt

  als groeizame regen op 't groenende veld.

  Bereidt nu uw harten, bereidt nu uw oren

  om naar mij te horen.

2

  De Heer roep ik uit, want de Heer is zijn naam!

  Roemt allen te saam

  het werk van de Heer, de volkomenheid Gods,

  want Hij is uw heil en uw rots!

  Roemt allen zijn waarheid! Hij doet wat Hij zegt:

  zijn wegen zijn trouw en zijn paden zijn recht.

  Roemt allen zijn grootheid! Hij heeft het volbracht

  en zal het volbrengen voor ieder geslacht.

  Bereid nu uw harten, bereid nu uw oren

  om naar Hem te horen!

---

*9

#10

1

  Mijn hart verheugt zich zeer

  en roemt in God, de Heer.

  Hij doet mij 't hoofd opsteken.

  Hij heeft mijn eer gered

  Ik kan vrijmoedig met

  al wie mij hoonde spreken.

2

  Niemand ter wereld is

  van rang en stand gewis,

  want God alleen is heilig.

  Maar wie zijn onmacht kent

  en tot de Heer zich wendt,

  is in zijn hoede veilig.

3

  Waartoe dat loos gepraat

  van eigen hoge staat,

  die trots van kloeke mannen!

  De Heer die alles weet

  beoordeelt lief en leed

  en weegt der mensen plannen.

4

  De boog valt uit de hand

  van wie hem pochend spant

  om need'rigen te treffen.

  Maar wie versaagde wordt

  met nieuwe kracht omgord

  en zal zich blij verheffen.

5

  Wie breed aan tafel zat

  en lekkernijen at

  leert schamel brood te prijzen.

  Maar wie gebrek leed, is

  gezeten aan een dis

  vol uitgelezen spijzen.

6

  Een vrouw die wordt gesmaad

  om haar vergeefse staat

  krijgt rijke kinderzegen.

  Maar wie zich heeft beroemd,

  daar men haar moeder noemt,

  staat eenzaam en verlegen.

7

  De Heer, zijn naam zij lof,

  werpt levenden in 't stof,

  doet doden weer herleven.

  De trotsen slaat Hij neer.

  Geringen wordt de eer

  van edelen gegeven.

8

  Het is de Heer die doodt

  en die de donk're schoot

  van 't graf weer kan ontsluiten.

  Waar Hij het leven geeft,

  die zelve waarlijk leeft,

  daar is het niet te stuiten.

9

  De Here God regeert.

  Zijn goede trouw fundeert

  een rijk voor al de zijnen.

  Zij zijn gerust en stil.

  Maar wie het boze wil

  zal in de nacht verdwijnen.

10

  Des Heren woord beslist

  der volken oude twist.

  De laatsten worden eersten.

  Mijn hart verheugt zich zeer,

  en roemt in God, de Heer.

  Zijn vredevorst zal heersen.

---

*10

#5

1

  David heeft de reus verslagen

  in een ongelijke strijd,

  zwaard en schild kon hij niet dragen

  en het pantser was te wijd:

  zal men zich met brons bekleden

  om te zijn

  machtig als die onbesneden

  Filistijn?

2

  Weerloos waagde hij zich op de

  heuvel waar het dom geweld

  tegen God en zijn belofte

  al zijn hoon had opgesteld:

  maar nadat het was gekomen

  met geschal,

  werd er geen gerucht vernomen

  dan zijn val!

3

  Waag het met het ongetelde

  wapen van de herderszoon,

  laat uw hart zich niet ontstellen

  door het hoog en breed vertoon

  van de goden en de geesten

  dezer eeuw,

  door het brullen van de beesten

  beer en leeuw.

4

  Laat de reus u niet verbazen,

  sta hem welgemoed te weer,

  want de leuzen en de vaandels

  zijn al voor hun tijd verteerd,

  heeft het niet de zoon van Juda

  uitgedaagd?

  Die zijn leven voor zijn broeders

  heeft gewaagd!

5

  Veertig dagen duurt het tarten

  op die heuvel van de hoon:

  tel de wonden en de smarten

  van de herder, Davids Zoon;

  in zijn lichaam staat getekend

  onze waan

  die de sterren doet verbleken,

  zon en maan!

---

*11

#6

1

  Elia was, tot de dood beducht,

  een dagreis in de woestijn gevlucht.

  Hij wilde wel slapen, hij was moe:

  neem mij maar weg, waar moet ik naar toe?

  Neem van de spijs,

  drink van de drank,

  eet voor de reis,

  want de weg is lang!

2

  Hij sliep in de schaduw van de brem.

  Een engel des Heren wekte hem.

  Sta op Elia, heeft die gezegd,

  God heeft voor u de tafel gedekt.

  Neem van de spijs,

  drink van de drank,

  eet voor de reis,

  want de weg is lang!

3

  Hij at en dronk en legde zich neer.

  De engel kwam en wekte hem weer:

  sta op Elia, eet u de kracht

  om voort te reizen door dag en nacht.

  Neem van de spijs,

  drink van de drank,

  eet voor de reis,

  want de weg is lang!

4

  En Elia heeft, met kracht gespijsd,

  veertig dagen en nachten gereisd,

  naar de horizon, de hoge rots,

  naar de Horeb toe, 't gebergte Gods.

  Hij nam van de spijs,

  hij dronk van de drank,

  hij at voor de reis,

  want de weg was lang.

5

  Hij sliep in de schaduw der spelonk,

  tot het woord des Heren tot hem klonk:

  wat doet gij, Elia, dat gij ligt?

  Sta op de berg voor mijn aangezicht.

  Neem van de spijs,

  drink van de drank,

  eet voor de reis,

  want de weg is lang!

6

  Wat doet gij, Elia? sprak de Heer,

  sta op en keer op uw schreden weer.

  Zalf in mijn naam tot wie ik u zend,

  maak het al wie Mij kennen bekend:

  Neem van de spijs,

  drink van de drank,

  eet voor de reis,

  want de weg is lang!

---

*12

#4

1

  Niet in 't geweldige geluid

  van stormwind die de rotsen breekt

  is het uw stem die tot ons spreekt.

  De stormen trekken voor U uit.

2

  En ook wanneer de diepte trilt

  en de aarde siddert als een riet,

  is het in deze beving niet

  dat Gij U openbaren wilt.

3

  Niet in het alverblindend licht

  van vuur, niet in een vlammengloed

  is het dat Gij wilt zijn ontmoet

  en vinden wij uw aangezicht.

4

  Maar als de koelte om ons staat

  en een zacht suizen ons vervult,

  weten wij dat Gij komen zult,

  en wij omwinden het gelaat.

---

*13a

#4

1

  D' Almachtige is mijn Herder en Geleide,

  wat is er dat me schort?

  Hij weidt mij als zijn schaap, in vette weide

  waar gras noch groen verdort.

  Hij drenkt mijn ziel in koele bronne en beke.

  Indien mijn geest verstrooi'

  en afdwaal' van de kudde en rechte streke,

  Hij brengt ze weer te kooi.

2

  Hij brengt mij op de heerbaan van zijn wetten

  en 't goddelijke recht,

  om zijnen naam en eer in top te zetten

  door 't lof van zijn knecht.

  Al zworf ik om in nare en donk're dalen,

  beschaduwd van de dood,

  nog vreest mijn hart geen ongeluk, noch kwalen:

  Hij staat me bij in de nood!

3

 Ik mag me vast op zijnen staf verlaten

  en trouwe herdersstok.

  Hij dekt voor mij, ten schimp van die mij haten

  met onverzoenb're wrok,

  een volle dis, gela?n met lekkernijen.

  Hij zalft mijn haar en hoofd

  met oliegeur, om 't aanschijn te verblijen

  door glans die druk verdooft.

4

  Wat wordt aan mij een schone kelk gegeven

  vol wijns! God stort zijn hart

  genadig uit, ten beste van mijn leven,

  ten troost van alle smart.

  Ik zal Gods huis en zegenrijke tempel

  bewonen dag en nacht,

  en nimmermeer verlaten Arons drempel,

  maar sterven op mijn wacht!

---

*13b

#4

1

  D' Almachtige is mijn Herder en Geleide,

  wat is er dat me schort?

  Hij weidt mij als zijn schaap, in vette weide

  waar gras noch groen verdort.

  Hij drenkt mijn ziel in koele bronne en beke.

  Indien mijn geest verstrooi'

  en afdwaal' van de kudde en rechte streke,

  Hij brengt ze weer te kooi.

2

  Hij brengt mij op de heerbaan van zijn wetten

  en 't goddelijke recht,

  om zijnen naam en eer in top te zetten

  door 't lof van zijn knecht.

  Al zworf ik om in nare en donk're dalen,

  beschaduwd van de dood,

  nog vreest mijn hart geen ongeluk, noch kwalen:

  Hij staat me bij in de nood!

3

  Ik mag me vast op zijnen staf verlaten

  en trouwe herdersstok.

  Hij dekt voor mij, ten schimp van die mij haten

  met onverzoenbre wrok,

  een volle dis, gela?n met lekkernijen.

  Hij zalft mijn haar en hoofd

  met oliegeur, om 't aanschijn te verblijen

  door glans die druk verdooft.

4

  Wat wordt aan mij een schone kelk gegeven

  vol wijns! God stort zijn hart

  genadig uit, ten beste van mijn leven,

  ten troost van alle smart.

  Ik zal Gods huis en zegenrijke tempel

  bewonen dag en nacht,

  en nimmermeer verlaten Arons drempel,

  maar sterven op mijn wacht!

---

*14

#5

1

  De Heer is mijn Herder!

  'k Heb al wat mij lust;

  Hij zal mij geleiden

  naar grazige weiden.

  Hij voert mij al zachtkens

  aan waat'ren der rust.

2

  De Heer is mijn Herder!

  Hij waakt voor mijn ziel,

  Hij brengt mij op wegen

  van goedheid en zegen,

  Hij schraagt me als ik wankel,

  Hij draagt me als ik viel.

3

  De Heer is mijn Herder!

  Al dreigt ook het graf,

  geen kwaad zal ik vrezen,

  Gij zult bij mij wezen;

  o Heer, mij vertroosten

  uw stok en uw staf!

4

  De Heer is mijn Herder!

  In 't hart der woestijn

  verkwikken en laven

  zijn hemelse gaven;

  Hij wil mij versterken

  met brood en met wijn.

5

  De Heer is mijn Herder!

  Hem blijf ik gewijd!

  'k zal immer verkeren

  in 't huis mijnes Heren:

  zo kroont met haar zegen

  zijn liefde me altijd.

---

*15

#4

1

  Looft nu, mijn ziel, de Here,

  looft, al wat in mij is, zijn naam!

  Vergeet niet, hoeveel keren

  de Here u heeft welgedaan.

  Hij wil uw schuld vergeven,

  u reden van de dood,

  gij zijt met heel uw leven

  geborgen in zijn schoot.

  De Heer vernieuwt uw krachten

  als van een adelaar,

  Hij maakt wie Hem verwachten

  al zijn beloften waar.

2

  Gij armen en verdrukten

  ziet uit naar Hem, die u bevrijdt;

  gebeukten en gebukten,

  in zijn rijk is gerechtigheid.

  Gij die, uzelf tot schade,

  des Heren weg verliet,

  de Heer is vol genade,

  voor eeuwig toornt Hij niet,

  Hij die voor u blijft zorgen,

  de zonden van u doet

  als de avond van de morgen,

  ja, kwaad vergeld met goed.

3

  De Heer is als een vader,

  die voor zijn kinderen 't beste wil;

  wie Hem vertrouwend naad'ren,

  die geeft Hij rust, die maakt Hij stil.

  Hij immers kent ons broze

  bestaan, want stof zijn wij,

  een teer geluk, als rozen

  zo schoon, zo snel voorbij;

  als gras zijn wij, als blaren,

  wanneer de najaarswind

  door 's levens boom komt varen,

  wie is er die ze vindt?

4

  Maar 't rijk van Gods genade

  staat vast en blijft in eeuwigheid.

  Zijn trouw komt hun te stade,

  die Hem getrouw zijn toegewijd.

  Gij engelen, sterke helden,

  die doet zij heilig woord,

  nooit moede ons te melden

  al wat gij van Hem hoort,

  looft Hem, gij zult Hem geven

  de lof van 't gans heelal;

  en gij mijn ziel, mijn leven,

  loof gij Hem bovenal!

---

*16

#2

1

  Gij volken looft uw God en Heer

  wilt Hem het loflied zingen.

  Laat de fonteinen van zijn eer

  in ieder hart ontspringen,

  omdat Hij u verkoren heeft,

  omdat Hij u genade geeft,

  door Christus, halleluja.

2

  Hoe groot is zijn barmhartigheid

  voor allen allerwege,

  zijn waarheid en zijn tederheid

  als overvloed van regen.

  Zijn liefde duurt in eeuwigheid,

  en geeft om niet de zaligheid.

  Zingt, zingt Hem, halleluja.

---

*17

#4

1

  'k Hef, vol verlangst, van dag tot dag mijn ogen

  om hulp en uitkomst bergwaarts heen.

  Mijn hulp komt van de Heer alleen,

  die 't aardrijk schiep en 's hemels ruime bogen

  door zijn vermogen.

2

  Hij zal uw voet van 't spoor niet laten glijden;

  Hij, uw vertrooster in 't verdriet,

  de wachter Isrels sluimert niet;

  zijn wakend oog zal u in alle tijden

  van ramp bevrijden.

3

  De Heer zal u beschermen als voor dezen,

  is schaduw aan uw rechterhand,

  opdat bij dag der zonne brand,

  noch 's nachts de maan u hinderlijk moog' wezen,

  of leed doe vrezen.

4

  De Heer zal u in onheil en gevaren

  met gunstig' ogen gadeslaan;

  Hij zal, waar ge in of uit moogt gaan,

  van nu tot in uw laatste levensjaren

  u steeds bewaren.

---

*18

#5

1

  Zalige ure! vruchtbaar van verblijden,

  die mij deed horen dat de schone tijden,

  zozeer gewenst en van zo menig vrome,

  weer zullen komen.

2

  Dat ons de dagen weder zullen keren,

  dat men zal ingaan in het huis des Heren

  en Salems muren met haar schoon' gebouwen

  vreugdig aanschouwen.

3

  Stad van vrede, schoonste van de steden,

  ik wens u toe wel duizend zaligheden

  en die u minnen bid ik dat ten zegen

  God zij genegen!

4

  Wat is de reden dat ik ganse nachten,

  gehele dagen wens in mijn gedachten,

  dat gij nooit zegen en geluk moet derven

  maar eeuwig erven?

5

  Omdat de Here dien wij moeten pogen

  dienstvaardig te eren uit al ons vermogen

  u tot zijn woning die gij steeds moet wezen

  heeft uitgelezen.

---

*19

#3

1

  Uit angst en nood stijgt mijn gebed.

  O Heer, wil naar mij horen!

  Wanneer Gij op ons falen let,

  zijn wij, o God verloren.

  Maar in uw eindeloos geduld

  delgt Gij de menselijke schuld

  en zegent die U vrezen.

2

  Ik hoop op God de Heer en wacht

  het woord dat Hij zal spreken.

  Al loopt het naar de middernacht,

  ik volg zijn heilig teken.

  Mijn hart is in d donkerheid

  een wachter die het licht verbeidt,

  een wachter op de morgen.

3

  Hoop, Isra?l, op God de Heer

  die rijk is aan genade.

  Want Hij verlaat u nimmermeer,

  al kiest gij ook ten kwade.

  Hij leidt u door de woestenij

  en maakt gans Isra?l eens vrij

  van ongerechtigheden.

---

*20

#7

1

  Laat ons nu vrolijk zingen!

  Komt, heft uw lied'ren aan

  voor Hem, wie alle dingen

  altijd ten dienste staan.

  Ik wil de Heer daarboven

  lofprijzen hier op aard,

  ja, Hem van harte loven,

  die veilig mij bewaart.

2

  Hoe goed is 't hun die bouwen

  op Isrels vaste rots,

  hun die zich toevertrouwen

  de trouwe handen Gods.

  Zij hebben 't heil verkregen,

  de allerschoonste schat;

  God leidt hen op zijn wegen,

  hun voet wordt moe noch mat.

3

   Hij is de Heer, de sterke,

  in Hem is alle macht.

  Dat zeggen ons zijn werken,

  dat zeggen dag en nacht,

  de aarde en de hemel,

  de mensen en het vee,

  en alles wat er wemelt

  in 't water van de zee.

4

  Hij is de Heer, de trouwe,

  die niemand onrecht doet.

  Wie maar aan Hem zich houden,

  die geeft Hij alle goed.

  Moet iemand onrecht lijden,

  de Heer staat aan zijn kant.

  Hij doet te allen tijde

  aan elk zijn woord gestand.

5

  Op duizenderlei wijze

  redt Hij ons van de dood.

  Hij geeft ons drank en spijze

  in schaarste en in nood.

  En als wij zijn gevangen,

  te middernacht zendt Hij

  ons liederen en gezangen

  en maakt ons eind'lijk vrij.

6

  Hij is het licht der blinden,

  der zwakken steun en staf.

  Die zich in rouw bevinden,

  neemt Hij de droefheid af.

  Maar allen die Hem haten,

  hun wegen maakt Hij krom;

  wat zij in trots bezaten,

  keert Hij in gramschap om.

7

  Ik arme en geringe,

  hoe zou ik voor uw troon

  U lof en dank toezingen?

  Gij zijt zo groot, zo schoon.

  Maar omdat Gij mijn leven

  duldt voor uw aangezicht,

  mag ik, o Heer, U geven

  de weerglans van het licht.

---

*21

#7

1

  Alles wat adem heeft love de Here,

  zinge de lof van Isrels God!

  Zolang ik hier in het licht mag verkeren,

  roem ik zijn liefde en prijs mijn lot.

  Die lijf en ziel geschapen heeft

  worde geloofd door al wat leeft.

  Halleluja! Halleluja!

2

  Vorsten zijn mensen uit aarde geboren,

  zij keren eens tot aarde weer;

  rijkdom en macht, het gaat alles verloren,

  niemand gedenkt hun daden meer.

  Machtigen wank'len in hun waan,

  roepen wij dan de Here aan.

  Halleluja! Halleluja!

3

  Welgelukzalig is ieder te noemen,

  die Jakobs God als helper heeft!

  Wat zou hem schaden, wie zou hem verdoemen,

  die dag aan dag met Christus leeft!

  Wie met de Heer te rade gaat,

  die staat Hij bij met raad en daad.

  Halleluja! Halleluja!

4

  Hij is 't, die hemelen, zee?n en aarde,

  die al wat is tot aanzijn riep,

  de enige God die zijn macht openbaarde,

  Hem is gehoorzaam wat Hij schiep.

  Hij, die het al heeft in zijn hand,

  houdt ook ons zwak geloof in stand.

  Halleluja! Halleluja!

5

  O gij verdrukten, die onrecht moet lijden,

  Hij die u recht verschaft is hier!

  Hong'rige, Hij wil u spijze bereiden,

  dorstige, zie de heilsrivier!

  Zijt gij geboeid, Hij maakt u vrij;

  God schenkt genade velerlei.

  Halleluja! Halleluja!

6

  Vreemdeling, die hier op aard moet gedogen,

  dat u de haat der mensen treft,

  Hij richt u op, als gij neer zijt gebogen

  en Hij buigt neer wie zich verheft.

  Zijt gij  in rouw, God is uw licht;

  Hij schenkt, o blinde, u 't gezicht.

  Halleluja! Halleluja!

7

  Roemt dan, gij mensen, en lofzingt tezamen

  Hem die zo grote dingen doet.

  Alles wat adem heeft roepe nu amen,

  zinge nu blijde: God is goed!

  Love dan ieder die Hem vreest

  Vader en Zoon en Heil'ge Geest!

  Halleluja! Halleluja!

---

*22

#6

1

  De wijsheid van voor alle tijden

  spreekt luid en dringend haar woord.

  Zij wacht waar de wegen zich scheiden,

  zij komt en klopt aan de poort.

  Zij is op de hoogten getreden,

  zij roept op de pleinen der steden

  en al wie oren heeft hoort

2

  Ik wil aan de mensen onthullen

  wat waar is, edel en goed.

  En allen die luisteren, zullen

  mij volgen, 't licht tegemoet.

  Het recht zal op aarde geschieden

  en vrees en geweld zullen vlieden

  waar ik het leven behoed.

3

  Met mij ging de Vader te rade

  nog eer Hij iets deed ontstaan.

  ik schreed lang de hemelse paden

  de zon, de sterren vooraan.

  Eer God nog hun weg had beschreven,

  heeft Hij tot prinses mij verheven.

  De eeuwen kennen mijn naam.

4

  In mijn had de Koning behagen

  die alles schoon heeft gesticht.

  Ik was het vermaak van zijn dagen,

  terwijl ik speelde in 't licht.

  Ik daal tot de mensen uit den hoge,

  opdat ik zijn hart en zijn ogen

  op 's Heren koninkrijk richt'.

5

  De opperste wijsheid, de vrouwe

  die hoog is, edel en rein

  heeft hier haar paleis laten bouwen

  en open hof zal het zijn.

  O komt tot de zeven pilaren,

  eenvoudigen, dolende scharen,

  breekt brood, drinkt bloedrode wijn.

6

  Ja, hier is het leven te winnen

  dat opweegt tegen de dood,

  de dienst van de hemelse minne

  die God van oudsher gebood,

  de stralende vrouwe, de schone,

  de wijsheid die bij u wil wonen

  en zelf aan tafel u noodt.

---

*23

#3

1

  Het zal zijn in het laatste der tijden

  dat de berg van de tempel verheerlijkt zal staan,

  dat de wegen er heen zullen leiden

  en de volken der aarde op weg zullen gaan

  om de rechten des Heren te leren,

  zich tot God en elkaar te bekeren.

2

  Als Jeruzalems tinnen gaan blinken

  en beschamen der bergen en heuvelen trots,

  zal Sion uit blijde weerklinken

  het bevrijdende woord van het koninkrijk Gods.

  Tot bescherming van allen die leven

  staat de wet van Gods heil er geschreven.

3

  En een smidse van 't huis onzes Heren

  maakt het zwaard tot een ploegschaar, de speer tot een zicht.

  Niemand zal meer een wapen hanteren;

  maar zij groeten elkaar in het heldere licht

  van de waarheid die eindelijk zal dagen

  over mensen van zijn welbehagen.

---

*24

#1

1

  Jesaja de profeet zag in de geest

  stralend de Here, en hij was bevreesd.

  Hoog op zijn troon zat Hij, een vuur rondom,

  zijn mantelzoom vervulde 't heiligdom.

  Serafs omringden van omhoog de troon,

  zes vleugels had een ieder, blinkend schoon:

  met twee bedekten zij hun aangezicht,

  twee sloegen zij rondom hun voeten dicht,

  met twee gespreide vleugels vlogen zij,

  roepend van overzij tot overzij:

  Heilig is God, der legerscharen Heer!

  Heilig is God, der legerscharen Heer!

  Heilig is God, der legerscharen Heer!

  Vol is de aarde van zijn glans en eer!

  O heilig God, die 't al beweegt rondom,

  spaar ons, onheilig in uw heiligdom!

---

*25

#9

1

  Het volk dat wandelt in het duister

  zal een groot licht zien, een groot licht.

  Hef naar de hemel uw gezicht,

  met opgeheven hoofden, luister,

2

  gij die hier woont in 't dal der tranen

  en van de schaduwen des doods,

  gij hoort zijn stap, gij ziet hoe groots

  Hij zich zijn witte weg zal banen.

3

  Hij komt met vrede; en geen rampen

  geen oorlog en geen bitterheid

  zal er meer zijn, geen kind dat schreit,

  geen laarzen die in 't duister stampen.

4

  Geen liefde gaat er meer verloren,

  de onderdrukking is voorbij,

  de dood is dood, nu juichen wij,

  er is een Kind voor ons geboren.

5

  Er is een Zoon voor ons gegeven,

  de Zoon van God die Koning is,

  die 't licht is in de duisternis,

  de weg, de waarheid en het leven.

6

  En alle and're vreemde namen:

  die Wonderlijke Raadsman heet,

  omdat Hij de geheimen weet

  van hemel en van aarde samen.

7

  En Sterke God, die de gebeden

  verhoren zal, die overwint.

  Eeuwige Vader heet dat Kind,

  en Vorst van eindeloze vrede.

8

  Dan zal de aarde voor ons allen

  het land van melk en honing zijn,

  het Kind van God zal Koning zijn,

  nooit zal de troon van David vallen.

9

  En alle, alle mensen samen,

  die zullen voor zijn aangezicht

  staan zingen in het grote licht.

  En Hij kent allen bij hun namen.

---

*26

#4

1

  Daar is uit 's werelds duist're wolken

  een licht der lichten opgegaan.

  Komt tot zijn schijnsel, alle volken,

  en gij, mijn ziele, bid het aan!

  Het komt de schaduwen beschijnen,

  de zwarte schaduw van de dood.

  De nacht der zonde zal verdwijnen,

  genade spreidt haar morgenrood.

2

  Gij wilt met vrede tot ons komen,

  met vreed' en vrijheid, vreugd' en eer.

  Het juk is van de hals genomen,

  God lof, wij zijn geen slaven meer!

  De staf des drijvers ligt verbroken,

  aan wie ons hart zich had verkocht,

  en 't wapentuig in brand gestoken

  van hem, die onze ziele zocht.

3

  Wat heil, een Kind is ons geboren,

  een Zoon gegeven door Gods kracht!

  De heerschappij zal Hem behoren,

  zijn last is licht, zijn juk is zacht.

  Zijn naam is Wonderbaar, zijn daden

  zijn wondren van genaad' alleen.

  Hij doet ons, hoe met schuld beladen,

  verzoend voor 't oog des Vaders tre?n.

4

  o Vredevorst, Gij kunt gebieden

  de vreed' op aard' en in mijn ziel!

  Doe alle volken tot U vlieden,

  dat al wat ademt voor U kniel!

  Des Heren ijver zal bewerken,

  dat Hij de zetel, U bereid,

  met recht en met gericht zal sterken.

  Hem zij de lof in eeuwigheid!

---

*27

#6

1

  De Heer richt op zijn berg een maaltijd aan,

  van spijs en merg, van uitgelezen wijnen;

  van heind' en ver zal men aan tafel gaan,

  de Heer is gul en goed voor al de zijnen.

2

  Gezuiverd en belegen is de wijn,

  zo rood als bloed, gerijpt tot heil en zegen;

  op deze berg zal 't feest'lijk toeven zijn,

  hier lijdt de Heer ons heen langs alle wegen.

3

  Op deze berg neemt Hij de sluier weg

  waar alle volkeren mee zijn omwonden;

  de duisternis zal worden afgelegd,

  geheimen opgeklaard, boeien ontbonden.

4

  Wij treden aan het ontoegank'lijk licht,

  wij volkeren, wij heidenen, wij mensen;

  wij zien het leven zelf in het gezicht,

  God haalt ons thuis van achter alle grenzen.

5

  En Hij, het leven zelf, verslindt de dood

  tot overwinning en van alle ogen

  wist Hij de tranen af. Het ochtendrood

  gaat stralend op, een opgang uit den hoge.

6

  Dit zeiden zijn profeten in zijn geest;

  de bankring van de dood zal zijn gebroken,

  de smaad van Isra?l wordt uitgewist;

  zo zal het gaan, want zo heeft Hij gesproken.

---

*28

#4

1

  Wij hebben een sterke stad,

  een stad met muren en schansen,

  wij hebben een sterke stad,

  een stad waar de kinderen dansen

  en waar men muziek maakt en zingt,

  een stad door de Heer omringd.

2

  Wie wonen daar in die stad,

  die stad op de nieuwe aarde?

  Een volk dat de Heer aanbad

  en de trouw aan zijn roeping bewaarde.

  O poortwachter, open de poort

  voor alwie vertrouwt op zijn woord!

3

  Vertrouwt op de Heer, vertrouwt

  want eeuwig zal Hij ons dragen.

  De vesting zo hoog gebouwd,

  die heeft Hij ternedergeslagen

  maar mensen die steeds zijn geknecht

  die wandelen hier in het licht.

4

  Rechtvaardigen, hier is uw stad,

  standvastigen, hier uw sterkte.

  Een ruimte die niemand mat,

  een ruimte die niemand bewerkte

  dan Isra?ls Heiland alleen,

  Hij voert de verdrukten erheen.

---

*29

#8

1

  Gij die 't menselijke leven

  hebt gewild, waarom hebt Gij

  het ten dode opgeschreven,

  waarom gaat het snel voorbij?

  Wenst Gij, dat we ons nederleggen

  zonder vragen of verweer?

  Zijn die ons de dood aanzeggen

  wel uw engelen, o Heer?

2

  Laat het toch geen avond worden

  op het midden van de dag!

  Wat is het leven, dat verdorde

  voordat men er vrucht van zag?

  Kan uw heerlijkheid bewijzen

  bloesem die de wind verwoei?

  Hoe zou U mijn leven prijzen,

  als gij 't afsnijdt in zijn bloei?

3

  Duister, Here, zijn uw wegen.

  Ja, Gij dreef mij naar de grens

  van het land, dat zonder zegen,

  zonder hoop is voor een mens.

  Eenzaam ben ik, mij vergaten

  in dit oord de levenden;

  waarom hebt Gij, God, verlaten

  de verloorne die ik ben?

4

  Onverhoeds is mij ontnomen

  't veilig huis van mijn bestaan;

  ach, ik moet tot in mijn dromen

  't roofdier van mijn angst weerstaan.

  En ik klaag, zo als een vogel

  klaagt om zijn verstoorde nest.

  Naakt ben ik, en naar den hoge

  schreeuwt wat er van mij nog rest.

5

  Was 't vergeefs dan, dat ik leefde,

  Here God? zo roep ik luid.

  Wever, die mijn leven weefde,

  haalt Gij zo uw werk weer uit?

  Nog een nacht, tot aan de morgen,

  dan is het met mij gedaan;

  nergens ben ik meer geborgen,

  Here, wees met mij begaan!

6

  Zo heb ik om U gestreden,

  en Gij hebt tot mij gezegd:

  leef dan, mens, Ik geef u heden

  t' leven als een heilig recht!

  Dat Gij het niet af woudt snijden

  voor het rijpte tot uw eer,

  daarin mag ik mij verblijden,

  dat is 't leven zelf, o Heer!

7

  Ja, Gij wilde mij beproeven

  en 't is mij tot heil geweest:

  'k mocht ontkomen aan de groeve

  om te leven naar uw geest.

  O genadige God, mijn zonden

  zijn voor U verleden tijd;

  Gij wierp ze in de ondoorgronde

  diepten der vergetelheid.

8

  Lof zij U! Ach Heer, de doden

  kennen niet uw gunst, wie zou

  onder zand en onder zoden

  U lofzingen om uw trouw?

  Slechts die leven, slechts die leven,

  en zij weten zelf niet hoe,

  zullen U de ere geven,

  zoals ik het heden doe!

---

*30

#7

1

  Wie mat de waat'ren in zijn holle hand,

  bepaalde in het scheppingslicht

  van berg en heuvel het gewicht?

  Wie is het die de hemelbol omspant?

  Wie gaf Hem raad en reden

  die aller eeuwigheden

  begin en einde draagt?

  Hebt gij het niet gehoord?

  Weet gij het niet? Het woord!

  o volk, dat naar Hem vraagt.

2

  Waarmee is God te vergelijken? Ziet:

  een enk'le druppel in zijn hand

  en op zijn waag een korrel zand

  is bij de Heer der volken macht, meer niet.

  Als alle cederwouden

  als offer branden zouden

  en al hun wild verging;

  ja, als de Libanon

  een altaar wezen kon,

  het ware te gering.

3

  Een bronzen beeld, bedekt met blinkend goud,

  hoogstralend in de ruime zaal

  en in het nederig portaal

  een wijgeschenk van donker ebbenhout:

  komt door die dode dingen

  het werk van stervelingen

  hemel en aarde saam?

  Hebt gij het niet gehoord?

  Gij kent Hem door zijn woord,

  Hij woont hier in zijn naam.

4

  Hebt gij dan geen begrip van laag en hoog,

  is 't u van oudsher niet bericht?

  God heeft zijn zetel hoog in 't licht:

  sprinkhanen zijn de mensen in zijn oog.

  Geweldenaars en rijken

  die vast geworteld lijken,

  zij worden uitgewist,

  als Hij in 't firmament

  zijn weidse vierschaar spant

  en hun geding beslist.

5

  Waarmee zou God te vergelijken zijn?

  Wat zoekt gij een gelijkenis

  met Hem die hoog en heilig is?

  Sla op uw ogen naar het diep geheim,

  naar de miljoenen lichten

  en laat u onderrichten.

  Wie bracht dit al tot stand?

  God schiep het door zijn woord.

  Hij leidt de sterren voort.

  Niet een valt uit zijn hand.

6

  Wat zegt gij, Isra?l: God kent mij niet,

  mijn rechtzaak gaat aan Hem voorbij?

  Der eeuwigheden Heer is Hij,

  de hele schepping is zijn rijksgebied.

  Maar aller heem'len orde

  doet Hem niet moede worden

  om voor u in te staan.

  Hebt gij het niet gehoord?

  Weet gij het niet? Het woord

  zal altijd met u gaan.

7

  De gang wordt vast, het lied krijgt nieuw geluid.

  De bloem der jonglingschap versaagt,

  maar al wie naar de Here vraagt

  slaat als een adelaar zijn vleugels uit.

  Zij wand'len onvermoeibaar,

  zij trekken onuitroeibaar

  door deze wereldnacht.

  Hebt gij het niet gehoord?

  Weet gij het niet? Het woord

  geeft moeden nieuwe kracht.

---

*31

#5

1

  Zij zullen de wereld bewonen,

  zij namen het wonder ter hand,

  de mensen van nacht en nevel

  brengt Hij naar het heilige land.

2

  Er zal geen verzengende hitte,

  geen dorst en geen honger meer zijn

  want Hij zal ze weide aan water

  dat vloeit uit het hart der woestijn.

3

  En Hij maakt de hoogte begaanbaar

  en Hij baant een weg door de zee,

  van alle vier einden der aarde

  brengt Hij zich een volk bijeen.

4

  De hemel roept uit Halleluja,

  de aarde brengt leven tot stand,

  de bergen bezwijken van vreugde,

  de wereld wordt vaderland.

5

  Ten dage der grote genade

  als God de gebeden beloont,

  dan zullen de volkeren weten

  dat Hij bij de mensen woont.

---

*32

#5

1

  Hoe lieflijk, hoe schoon zijn de schreden

  op bergen, hoog in 't licht

  van wie zich met een woord van vrede

  en heil tot Sion richt.

  Van ver weergalmt der boden lied:

  de Heer regeert, vrees niet.

2

  O hoor, zelfs de wachters gaan zingen

  met opgewekte stem.

  Hun eigen ogen zien de dingen

  die aan Jeruzalem

  geschieden in des Heren naam.

  Hij brengt uw volk weer saam.

3

  Verheugt u, Jeruzalems puinen

  en laat triomfgeschal

  weerklinken over straat en pleinen.

  Zingt luide overal:

  de Here heeft zijn volk getroost,

  zijn heilige stad verlost.

4

  Nu zien alle volken der aarde

  hoe God zijn macht ontvouwt.

  Wie u vervolgden gaan ontwaren

  hoe hoog de Heer u houdt.

  O Sion, heel de wereld weet

  dat God u niet vergeet.

5

  Hoe lieflijk, hoe schoon gaan de schreden

  van Gods gezanten voort.

  In alle landen, alle steden

  weerklinkt des Heren woord.

  En waar de Heer verzoening bracht

  wordt Sions heil herdacht.

---

*33

#3

1

  O alle gij dorstigen, komt tot de stromen

  en gij die geen geld hebt, treedt nader en eet.

  Ja, zonder uw geld en uw goed moogt gij komen.

  Om niet staat de tafel des Heren gereed

  met wijn en met melk uit Gods eigen domeinen

  voor al zijn genodigden, groten en kleinen.

2

  Waarom toch uw geld en uw moeite te geven

  voor wat niet verzadigt, het hart niet verblijd?

  Komt allen tot Mij en uw ziel zal herleven

  van spijs en van drank die voor eeuwig gedijt.

  Hier weet gij met harten, met handen en monden

  dat God met zijn volk zich voorgoed heeft verbonden.

3

  O zoekt toch de Here, hier wordt Hij gevonden.

  Aanbidt Hem en prijst Hem, hier is Hij nabij.

  Nu is het de goede, gezegende stonde.

  Nu maakt Hij van blaam en van smetten u vrij.

  De vallende mensen die nu zich bekeren

  zijn heiligen Gods aan de tafel des Heren.

---

*34

#6

1

  Om Sions wil zwijg ik niet stil,

  maar zal het heil des Heren,

  Jeruzalem, met luider stem

  lofzingend profeteren;

  totdat uw leed gewroken is,

  totdat uw licht ontstoken is,

  totdat gij straalt in ere.

2

  Uw luister gaat als dageraad

  voor alle volken blinken.

  Gij draagt voortaan een nieuwe naam

  die God u toe zal denken.

  O kroonjuweel, o donk're gloed,

  o kleinood Gods dat flonk'ren moet

  met glans die Hij zal schenken.

3

  Zoals een maagd die wordt gevraagd

  is Sion opgetogen.

  Zoals een bruid haar man verblijdt,

  zal zij de Heer verhogen.

  Haar land zal niet verlaten zijn,

  't zal bruiloft in haar straten zijn

  en lente in haar hoven.

4

  Rondom de muur wordt ieder uur

  Gods wachtwoord doorgegeven.

  Zo is de tijd die nu verstrijkt

  met zijn geheim doorweven.

  Gun u geen rust bij dag en nacht,

  totdat door Gods gezag en macht

  Jeruzalem mag leven.

5

  Dan wordt uw ooft niet meer geroofd,

  geen oogst gaat meer verloren.

  Dan zult gij staan met most en graan

  in 't huis, door God verkoren.

  De zaaier eet de vrucht van 't land.

  Dit heeft God bij zijn rechterhand

  aan Isra?l gezworen.

6

  Ruim baan, ruim baan! Gods volk mag gaan

  naar 't land van melk en honing.

  Trekt voort, trekt voort! gaat door de poort

  van zijn verheven woning.

  De volken zien uw heilig spoor,

  zij volgen het en neigen voor

  de standaard van uw koning.

---

*35

#5

1

  Scheur, Heer, de heem'len, scheur ze wijd

  en treed uit uw verborgenheid!

  't valt ons zo lang te wachten,

  tot Gij zult tonen wie Gij zijt:

  de Heiland der verachten.

2

  Ja, scheur de heem'len en daal neer,

  dat alle bergen beven, Heer,

  die machtigen der aarde.

  O God, verschijn als vuur, verteer

  ze als rijshout zonder waarde.

3

  Doe zo uw naam, waarin wij staan,

  kennen aan wie in grootheidswaan

  zich tegen U verheffen,

  dat ieder volk van nu voortaan

  voor U zijn plaats beseffe.

4

  Daal neer, dat voor uw aangezicht

  de bergen beven, houd gericht!

  Waar zag men ooit verschijnen

  een God als Gij zo stralend licht,

  die intreedt voor de zijnen?

5

  O God, Gij maakt het wachten goed!

  Gij komt met vrede tegemoet

  wie wandelt op uw wegen.

  Wie vrolijk recht en waarheid doet

  treedt Gij als Heiland tegen.

---

*36

#4

1

  Ik zal, zo spreekt de Here

  de schapen die Mij overbleven

  vanwaar Ik ze verspreidde

  naar 't eigen land doen wederkeren.

  Ik zal ze goede herders geven

  om daar te weiden.

2

  Daar zal, zo spreekt de Here,

  mijn kudde generlei verschrikking

  of kwaad meer hoeven vrezen,

  maar vruchtbaar zijn en zich vermeren.

  Zij zal, verzadigd in verkwikking,

  gelukkig wezen.

3

  Daar zal, zo spreekt de Here,

  als Ik van Isrel op deed trekken

  wat mijn genade spaarde,

  een koning nar mijn recht regeren.

  Ik zal uit Davids stam verwekken

  een spruit rechtvaardig.

4

  Daar zal, zo spreekt de Here,

  men zeggen: nu mag Juda leven,

  Isra?l veilig wonen!

  Zo waarlijk is dit als de Here

  leeft, die zijn volk wel had verdreven

  maar thuis deed komen!

---

*37

#5

1

  Zo sprak de Heer der legerscharen,

  de God van Isra?l,

  tot wie zo diep vernederd waren:

  o volk, het ga u wel!

  Bouwt huizen en gaat daarin wonen,

  plant hoven, eet uw vrucht,

  gewin u dochteren en zonen

  en leef in goed gerucht!

2

  Maar zoek de vrede voor dit Babel

  waar gij verbannen zijt,

  bidt voor de stad want in haar straten

  daagt eens een andere tijd,

  ja bidt voor haar want in haar vrede

  schuilt ook voor u het heil.

  Babel en alle wereldsteden

  staan rondom Isra?l.

3

  Zeventig jaar zult gij daar leven,

  de volheid van de tijd,

  dan zal Ik weer mijn wachtwoord geven,

  dan wordt gij uitgeleid.

  Aan u gedenk Ik alle dagen

  met vrede in mijn hand:

  vrijheid zal Ik voor u doen dagen,

  een toekomst in het land.

4

  Gij zult Mij zoeken, zult Mij vinden,

  als gij van harte vraagt.

  Zie, uw ellende loopt ten einde

  en uw verlossing daagt.

  Want Ik zal voor uw vrijheid strijden

  en overal vandaan

  zal Ik u voorgaan, u geleiden

  naar huis, naar Kana?n.

5

  Zo heeft de Heer tot ons gesproken,

  de God van Isra?l;

  die in het duister zijt gedoken

  dit voorportaal der hel,

  in deze wereld moet gij wonen

  en huizen bij de tijd.

  Hier zal Ik u mijn vrede tonen

  en hier leid Ik u uit.

---

*38

#5

1

  De Heer spreekt: hoor mijn hartsgeheim,

  o Isra?l, mijn teer beminde,

  omdat gij liefhebt in den blinde

  verdorven macht en schonen schijn,

  liet Ik u gaan in uw ellende,

  ontnam u honing, melk en wijn.

  Nu voer Ik u in de woestijn

  en daar zal Ik mij tot u wenden.

2

  Dan vindt gij weer uw eigen grond,

  als toen Ik u in oude tijden

  voor 't eerst aan uw bestemming wijdde.

  Dan sluit Ik een vernieuwd verbond

  met al wat leeft, dan geef ik vrede.

  Geen dier doet kwaad, geen schepsel wondt

  en alle krijgsgedruis verstomt

  rondom mijn volk en heilige stede.

3

  Ik zal u werven tot mijn bruid,

  zo zegt de Heer, Ik zal u winnen.

  Een lichte bruidstijd zal beginnen

  in liefde en gerechtigheid.

  Ik zal u waarlijk trouw beminnen.

  Geheel mijn hart gaat naar u uit.

  Ik leer u wat mijn naam beduidt. 

  Zo zult gij eindelijk Mijn kennen.

4

  Ik zal verhoren, spreekt de Heer,

  Ik zal de hemelen verhoren

  en die verlenen als tevoren

  aloude gunst van wind en weer.

  De aarde zal met most en koren

  het antwoord geven van weleer.

  O Isra?l, verheug u zeer,

  want niets gaat van uw oogst verloren.

5

  En wie Ik was voorbijgegaan,

  omdat hij zelf Mij had vergeten,

  zal van mijn milde ontferming weten.

  Mijn eigen volk noem Ik voortaan  

  wie niet mijn volk had moeten heten.

  Ik spreek u als mijn liefste aan.

  Dan zegt gij stil en blij mijn naam:

  mijn Bruidegom, mijn God van vrede.

---

*39

#9

1

  Vrees niet, gij land, verheug u en wees blijde

  en dieren, weest gerust in bos en weide.

  Jong gras ontkiemt, de wildernis wordt groen

  in dit seizoen.

2

  De wijn stok bloeit, de vijgenboom zal dragen.

  Dit zal een oogstfeest zijn van welbehagen.

  Sion, verblijd u, want de Here doet

  u waarlijk goed.

3

  De regen zal, de vroege en de spade,

  u teken zijn van goedheid en genade.

  De beken zwellen en de vijvers zijn

  weer koel en rein.

4

  Daarna doet God de hoge hemel open

  en antwoordt op uw bidden en uw hopen.

  Hij giet zijn eigen Geest in overvloed

  op vlees en bloed.

5

  Die Geest geeft 's Heren woord in kindermonden.

  De oude mannen dromen onomwonden.

  De jongelingen zien een vergezicht

  van vrede en licht.

6

  Ja ook op wie de vrijheid niet genieten,

  op slaven zal de Heer zijn Geest uitgieten. 

  Zij krijgen deel aan een vernieuwd bestaan

  in 's Heren naam.

7

  Zij zullen allen op de dag des Heren,

  de grote, de geduchte, profeteren,

  zij zien de tekens van het naad'rend uur:

  bloed, rook en vuur.

8

  De geestesstorm zal door de wereld varen.

  God zal zijn volle glorie openbaren.

  In bloed en duister zal het licht vergaan

  van zon en maan.

9

  En allen die naar 's Heren wegen vragen,

  die van zijn grote naam het zegel dragen,

  vieren in 't nieuw Jeruzalem het feest

  van Woord en Geest.

---

*40

#9

1

  Zijt Gij mijn God,

  ben ik uw mens nog, Here?

  Doet Gij vergaan wie zich van U afkeren,

  laat Gij mij over aan mijn lot?

2

  Geef toch een blijk

  van weten en vergeven!

  Ik roep U uit de diepten van het leven,

  de diepten van het dodenrijk,

3

  Gij zelf deed, Heer,

  mij weg van voor uw ogen.

  Red mij! de waat'ren zijn om mij bewogen,

  breng uit de zee mijn leven weer!

4

  Alleen een vis

  is aan haar hart geborgen,

  mij mensenkind, mij vogel van de morgen,

  mij dompelt zij in duisternis.

5

  Ach Heer, geef licht

  wie viel in ongenade!

  Hoe lang vergeldt Gij 't kwade met het kwade,

  verhult Gij mij uw aangezicht?

6

  Hebt Gij voorgoed

  wie U verliet verstoten,

  voor eeuwig achter mij de poort gesloten

  naar 't leven en zijn overvloed?

7

  Zie mij weer aan,

  zie 't zeewier om mijn slapen;

  moet dan de krans, Heer, voor mijn hoofd geschapen,

  verdorren en verloren gaan?

8

  Gij duldt het niet,

  Gij redt mij uit de golven;

  Gij hebt de dood zijn eigen graf gedolven,

  de waat'ren zijn uw grondgebied.

9

  Wie hel en dood,

  wie wind en water vrezen,

  Gij wilt mijn God, ik mag uw mens weer wezen!

  Ik maak uw naam op aarde groot.

---

*41

#5

1

  De Here, de heerser der aarde,

  zegt: Isra?l, Isra?l,

  eens zal u de wereld aanvaarden

  en weten, waarom Ik u spaarde.

  Dan komt, zonder stokken of zwaarden,

  men tot u: Het ga u wel!

2

  Eens zullen de mensen het weten

  en roepen van stad tot stad:

  De God op de Sion gezeten

  is de Enige! Laat ons vergeten

  de haat onzer twisten en veten

  en gaan wij nar Hem op pad!

3

  God zegt: In het laatste der dagen,

  dan zullen, o Isra?l,

  de volken u vinden en vragen:

  vergeef wie u hebben geslagen!

  en Ik zal hen met zich doen dragen

  mijn zegen, het ga hun wel.

4

  Eens zullen zij een uit de joden

  aangrijpen, die in hun waan

  zich aan u vergrepen, u doodden,

  en zeggen: Ach, zie onze noden;

  met u is de God aller goden,

  o mens, laat ons met u gaan!

5

  Eens zullen de volken u eren,

  o volk dat Ik heb gesticht;

  eens zullen die 't aardrijk regeren

  tot Mij en elkaar zich bekeren,

  dan wordt in mijn stad, spreekt de Here,

  't verzoeningsmaal aangericht.

---

*42

#3

1

  Verheug u, gij dochter van Sion,

  en jonkvrouw Jeruzalem, juich!

  Uw koning rijdt binnen,

  het rijk gaat beginnen,

  de zalige tijden,

  Hij komt ons bevrijden

  rechtvaardig, zachtmoedig,

  de aarde zal spoedig

  een bloeiende tuin zijn van vrede en recht,

  de Heer heeft het heden gezegd.

2

  Verheug u, gij dochter van Sion,

  en jonkvrouw Jeruzalem, juich!

  Hij zal u regeren

  met God en met ere.

  De wagens, de paarden,

  de wapens, de zwaarden,

  krijgszuchtige plannen,

  Hij zal ze verbannen,

  Hij zal ze verdoen in zijn toorn en zijn recht,

  het is van te voren voorzegd.

3

  Verheug u, gij dochter van Sion,

  en jonkvrouw Jeruzalem, juich!

  Zijn daden, zij zullen

  de aarde vervullen,

  voor jood en voor heiden

  door dood en door lijden

  draagt Hij met zich mede

  de blijdschap, de vrede,

  Hij rijdt op een ezel. Hij lijdt als een knecht,

  zo brengt Hij het leven terecht.

---

*43

#6

1

  Die dag zal komen, brandend als een oven,

  een bosbrand die niet meer te stuiten is;

  een vuurgloed aangestoken uit den hoge

  verteert de wortels van de duisternis.

2

  Voor allen die hun harten hoog verhieven

  als sterren aan de hemel van de tijd,

  die leefden zonder hoop en zonder liefde,

  is dit het einde, want hun rijk is uit.

3

  Maar allen die de naam des Heren vrezen

  gaat dan de zon der wereld stralend op.

  Hij breidt zijn vleugels uit en komt genezen

  al wie verkommerd zijn in 's werelds loop.

4

  Laat dan de lof van God in 't ronde schallen,

  zij zullen zijn als dieren in de wei,

  als kalveren die springen uit de stallen,

  de winter ging voorbij en zij zijn vrij.

5

  Dit is de dag, de grote dag des Heren

  als alle onrecht brandende vergaat,

  het daglicht zal in duisternis verkeren

  maar uit de nacht verrijst de dageraad.

6

  Allen die de gerechtigheid verachtten

  worden als as, vertreden door de voet,

  dit is de dag, waarvoor wij overnachten,

  de dag die Hij, de Heer, verrijzen doet.

---

*44

#3

1

  Dankt, dankt nu allen God

  met hart en mond en handen,

  die grote dingen doet

  hier en in alle landen,

  die ons van kindsbeen aan,

  ja, van de moederschoot,

  zijn vaderlijke hand

  en trouwe liefde bood.

2

  Die eeuwig rijke God

  moog' ons reeds in dit leven

  een vrij en vrolijk hart

  en milde vrede geven.

  Die uit genade ons

  behoudt te allen tijd,

  is hier en overal

  een helper die bevrijdt.

3

  Lof, eer en prijs zij God

  die troont in 't licht daarboven.

  Hem, Vader, Zoon en Geest

  moet heel de schepping loven.

  Van Hem, de ene Heer,

  gaf het verleden blijk,

  het heden zingt zijn eer,

  de toekomst is zijn rijk.

---

*45

#6

1

  O Gij die onze koning zijt

  en Heer van alle goden,

  die Abraham hebt uitgeleid

  en Isra?l ontboden,

  o Here zegen wie U zoekt

  en doe uw naam herleven!

  Gij hebt ons toch niet in uw boek

  ten dode opgeschreven!

2

  Van kindsbeen af heb ik gehoord,

  waar elk zich om verwondert,

  dat Isra?l U toebehoort,

  door U is afgezonderd.

  Gij hebt ons naar uw woord gedaan,

  Gij hebt ons aangenomen.

  O Heer, hoe zijn wij voortgegaan!

  Waar is het toe gekomen!

3

  Nu onze nood voor ogen is,

  dat is om onze zonden.

  De Heer die in den hoge is,

  heeft ons weer heengezonden.

  Geen mededogen is ons deel:

  wij hadden God verlaten;

  de boze grijpt ons naar de keel,

  Haman en zijn soldaten!

4

  Zij zijn op hunner goden hand

  en zullen ons haast dwingen,

  dat wij hier in dit snode land

  uw lof niet langer zingen.

  Houdt Gij uw lof in stand, o Heer,

  de wereld overstelpt ons.

  zo bid ik U van harte zeer,

  geen ander immers helpt ons.

5

  Zij roepen uit eens mensen macht,

  die als een leeuw zal woeden.

  O hoed in deze wereldnacht

  uw lammeren ten goede!

  Gedenk weer aan uw maagd, o God,

  en geef haar taal en teken,

  opdat zij openhartig tot

  hardvochtigen kan spreken.

6

  Gij weet, o Heer, hier staat uw kerk

  en bidt voor al haar kleinen!

  De vijand is ons veel te sterk,

  doe Gij hen dan verdwijnen!

  Bewijs aan ons uw werk, uw wil,

  opdat onder uw ogen

  wij allen hier gerust en stil

  godzalig leven mogen!

---

*46

#7

1

  Kwam van Godswege

  een man in ons bestaan,

  een stem om te getuigen,

  Johannes was zijn naam.

  Man van Godswege,

  Johannes was zijn naam.

2

  Zo staat geschreven:

  de heuvel moet geslecht,

  geen kwaad mag zijn bedreven,

  maak alle paden recht.

  Zo staat geschreven:

  maak alle paden recht.

3

  Doper, wat liep je

  in kemelharen pij,

  als een profeet, wat riep je

  daar in die woestenij?

  Doper, wat riep je

  daar in die woestenij?

4

  Dat wij omkeren,

  verlaten ons domein,

  beleven 't woord des Heren

  en niet weerbarstig zijn.

  Dat wij omkeren

  en niet weerbarstig zijn.

5

  Doper, wat moeten

  wij doen totdat Hij komt?

  In hoop en vrees doet boete,

  gelooft in zijn verbond.

  Doper wat moeten

  wij doen totdat Hij komt?

6

  Deelt met elkander

  het brood van alledag,

  opdat in u de ander

  Gods heil aanschouwen mag.

  Deelt met elkander

  het brood van deze dag.

7

  Volk uitverkoren

  om eeuwig te bestaan,

  een kind wordt u geboren,

  Messias is zijn naam.

  Kind ons geboren,

  Messias is uw naam.

---

*47

#3

1

  Jezus die langs het water liep

  en Simon en Andreas riep,

  om zomaar zonder praten

  hun netten te verlaten,

  Hij komt misschien vandaag voorbij

  en roept ook ons, roept u en mij,

  om alles op te geven

  en trouw Hem na te leven.

2

  Jezus die langs de straten kwam

  en tollenaars terzijde nam:

  k Wil in uw woning wezen

  voor nu en voor nadezen,

  Hij komt misschien vandaag voorbij

  en neemt ook u terzij of mij

  en vraagt ons, Hem te geven

  de rijkdom van ons leven.

3

  Christus die door de wereld gaat

  verheft zijn stem niet op de straat,

  Hij spreekt ons hart aan, heden,

  en wenkt ons met zich mede.

  En lokt ook nog zoveel ons aan,

  tot wie zouden wij anders gaan?

  Hij heeft en zal ons geven

  alles, het eeuwig leven.

---

*48

#10

1

  O onze Vader, trouwe Heer,

  zie uit uw hemel op ons neer;

  breng ons als broeders bij elkaar,

  maak onze arme woorden waar,

  laat wat wij spreken met de mond

  opwellen uit des harten grond.

2

  Geheiligd zij uw naam, o Heer,

  bewaar ons door de rechte leer,

  en maak ons doen en laten rein,

  dat wij U niet tot schande zijn.

  Breng Gij weer thuis te rechter tijd

  het arme volk, dat wordt misleid.

3

  Uw koninklijke heerschappij

  zij nu en eeuwig ons nabij.

  Geleid ons tot het bruiloftsfeest

  door alle gaven van de Geest.

  Sla het geweld van satan neer,

  behoed uw eigen kerk, o Heer.

4

  Als in de hemel hoog en klaar

  zo zij op aarde openbaar

  uw wil die heilig is en goed.

  Neem in bezit ons vlees en bloed,

  en maak ons, Heer, in lief en leed

  gehoorzaam, tot uw wil gereed.

5

  Heer, aller ogen zijn gericht

  op U, die leven geeft en licht.

  Geef ons vandaag ons daag'lijks brood,

  spaar ons voor ziekte en hongersnood.

  Geef ieder zo zijn deel, o Heer,

  dat hij het neemt te uwer eer.

6

  Vergeef o Vader onze schuld,

  zodat weer blijdschap ons vervult;

  gelijk wij van hun schuld ontslaan

  al wie ons hebben kwaad gedaan.

  Maak zo uw vrede openbaar.

  U dienend dienen wij elkaar.

7

  Leid ons niet in verzoeking, Heer.

  Wees ons een sterke tegenweer

  ter linker en ter rechterhand.

  Wij houden in uw hoede stand,

  al woedt de boze onverpoosd,

  omdat uw Geest ons hart vertroost.

8

 2 Verlos ons van de bozen macht,

  rondom ons heen heerst diepe nacht.

  Verlos ons van de eeuw'ge dood

  en sta ons bij in stervensnood.

  Neem onze zielen in uw hand

  en breng ze in het vaderland.

9

  U is en worde toegebracht

  het rijk, de heerlijkheid, de kracht,

  U onze Vader op de troon

  die tot ons zendt uw lieve Zoon,

  die ons door uwe Geest geleidt,

  U zij de lof in eeuwigheid.

10

   Amen dat is: zo zal het zijn.

   Al is 't geloof maar zwak en klein,

   Gods goede trouw is groot en sterk

   en Christus pleit voor heel zijn kerk.

   Waar in zijn naam gebeden is,

   is Amen zeker en gewis.

---

*49

#14

1

  De vogels van de bomen

  die lopen door de lucht

  als vederlichte dromen,

  zij wonen in het licht.

2

  Zij rusten op de adem

  van God die ademend

  de wereld heeft geschapen

  en alle namen kent,

3

  die alle hemelstreken,

  de aarde als een huis,

  alleen maar door te spreken

  maakte, spelenderwijs.

4

  De grandioze bloemen

  de bloemen bij de vleet

  met schitterende kronen,

  als koningen gekleed,

5

  in kleuren en in geuren

  vertellen zij van God

  en weten van geen treuren,

  de vreugde is te groot.

6

  De vogelen des hemels

  de leli?n des velds,

  zij hebben ons van Jezus

  en 't paradijs verteld.

7

  De vogels die daar vliegen,

  zij geven hoog van God,

  zij geven van de liefde

  van God de Vader op!

8

  De bloemen en de heesters

  als sluiers van een bruid

  breiden het vuur des geestes

  over de aarde uit.

9

  Zij bloeien zo uitbundig,

  zij zingen overluid

  als was hun bloei oneindig,

  hun lied onsterfelijk,

10

   zij vliegen zo voortvarend,

   zij wiegen in de wind

   en zingen op de aarde

   de zon die overwint.

11

   Want God is al hun leven,

   zij komen niet te kort,

   al bloeien ze maar even

   en morgen reeds verdord.

12

   Wat zullen wij dan slaven

   en werken totterdood?

   Ons manna komt van boven,

   ons dagelijkse brood.

13

   God immers houdt de ganse

   aarde in stand en staat,

   hier in het ondermaanse

   verheft Hij zijn gelaat.

14

   God immers houdt op aarde

   wat leeft in staat en stand.

   Hij zal ook ons bewaren,

   wij eten uit zijn hand.

---

*50

#9

1

  O grote God, o goede Heer,

  ik val voor uwe voeten neer,

  en roepe tot U nacht en dag,

  want zonder U ik niets vermag.

  Verhoor en geef mij mijn begeert'

  door die mij 't bidden heeft geleerd.

2

  Ik ben een schaapken, dat daar is

  verbijsterd in de wildernis;

  ik ben een penning, weggeraakt,

  een zoon, die 't lelijk heeft gemaakt.

  O Vader, zoek mij wederom,

  opdat ik blijv' uw eigendom.

3

  Leer mij belijden openbaar

  te zijn een arme tollenaar,

  niet roemende voor uw gericht,

  dat ik veel goeds heb uitgericht,

  opdat ik niet in zulk een waan

  moet ongeholpen van U gaan.

4

  Stuur mijn gemoed, o Schepper trouw,

  dat ik niet op het zand en bouw';

  geef dat ik, op uw Zoon alleen

  gegrond als op een vaste steen,

  niet vreze wind of watersnood

  en generhande wederstoot.

5

  Bewaar mij, dat uw heilig woord

  niet zij van mij vergeefs gehoord,

  of valle op de harde grond,

  of van de dorens zij doorwond,

  of van de vogels in de lucht

  belet te dragen goede vrucht.

6

  Behoed mij, als de vijand kwaad

  terwijl ik sluimer, zaait zijn zaad,

  dat ik dan met het wilde ruit

  niet uit en wiede 't goede kruid,

  maar spaar het liever allebei,

  totdat het Christus zelve schei.

7

  Geef dat in mij 't gelove klein

  vermeerder als een mosterdgrein.

  Geef dat ik vind, dan word ik rijk,

  de parel van uw koninkrijk,

  de schat die in de akker ligt,

  de rechte zoekers toegericht.

8

  Gij hebt door uwe grote Geest

  bereid een blijde bruiloftsfeest,

  en mij, onwaardig, ook genood;

  geef, dat ik het niet van mij stoot,

  en niet het wijze van de hand

  om ossen, vrouw of akkerland.

9

  Verhoor, o Vader, mijn geween.

  Waar 'k bid om brood, geeft Gij geen steen.

  Ik zoeke, laat mij vinden; och,

  ik kloppe, doe mij open toch!

  Laat mij door U behouden 't veld

  die op de hemel doe geweld.

---

*51

#3

1

  Lieve Heer, Gij zegt kom en ik kom,

  want mijn leven is onder de macht gesteld

  van de Heer die mijn dagen en nachten telt

  en de Heer zegt kom en ik kom.

2

  O mijn God, Gij zegt ga en ik ga,

  Gij zegt ga en ik ga, laat mij niet alleen,

  wees het woord in mijn vlees en de geest om mij heen,

  wees de adem waaruit ik ontsta.

3

  Want o Heer, ik zeg kom en Gij komt,

  ik zeg kom en Gij komt en uw bloed wordt wijn

  en uw lichaam brood voor wie hongerig zijn

  en uw naam wordt een lied in mijn mond.

---

*52

#3

1

  Ja?rus had een dochtertje,

  en allen die haar zagen,

  dachten dat zij gestorven was

  en kwamen haar beklagen.

  Maar Jezus zei: ga heen, zij slaapt,

  en heeft haar aangeraakt.

  Slapen is niet tot de dood,

  slapen is wachten op U,

  want als uw stem tot ons spreekt,

  zien wij en kennen wij U.

2

  Toen Jezus zei: sta op, mijn kind,

  stond zij weer op haar voeten,

  omdat opnieuw het leven vindt,

  wie Jezus mag ontmoeten.

  Wie Jezus hand heeft opgericht,

  mag lopen in het licht.

  Slapen is niet tot de dood,

  slapen is wachten op U,

  want als uw stem tot ons spreekt,

  zien wij en kennen wij U.

3

  Heer, doe ons als dit dochtertje:

  wanneer de mensen rouwen,

  denkend dat wij gestorven zijn,

  doe ons op U vertrouwen.

  Doe ons nu opstaan uit de dood

  en eten van uw brood.

  Slapen is niet tot de dood,

  slapen is wachten op U,

  wachten dat Gij tot ons spreekt,

  wachten totdat wij U zien.

---

*53

#5

1

  Zijt Gij waarop de wereld wacht

  of wachten wij een ander?

  Zult Gij, een zwakke zonder macht,

  als koning heersen in Gods kracht,

  ons leiden tot elkander?

2

  Ik geef aan blinden het gezicht

  en oren aan de doven.

  Zalig die, door Mij opgericht,

  ziende mag lopen in het licht

  en horende geloven.

3

  Zijt Gij van wie gesproken is

  in de voorbije tijden?

  Hoe maakt Gij onze ziel gewis,

  dat God door de geschiedenis

  voor U de weg bereidde?

4

  Komt, die van hopen moede zijt,

  die arm zijt van verlangen!

  Komt tot het oordeel dat bevrijdt

  en 't heil, dat eeuwig u verblijdt,

  zult gij om niet ontvangen!

5

  Kom Heer, op wie de wereld wacht,

  wij wachten op geen ander.

  O kom, een zwakke zonder macht,

  als koning heersen in Gods kracht

  en leid ons tot elkander.

---

*54

#6

1

  Een zaaier ging uit om te zaaien,

  hij zaaide zo wijd als de wind,

  zo wijd als de winden waaien

  waar niemand een spoor van vindt.

2

  Een deel van het zaad ging verloren,

  een deel van het zaad werd brood,

  maar niemand weet van te voren

  de weg van het zaad in de schoot.

3

  Het wordt op de wegen vertreden,

  het valt in een vruchteloos graf,

  het sterft aan de doornen beneden,

  de vogels van boven af.

4

  De lage, de hoge gevaren

  bedreigen het kiemende graan,

  maar soms kan het openbaren

  de zin van het aardse bestaan.

5

  Er is geen verwachting van leven,

  tenzij in de dood van het zaad,

  wij moeten de aarde vergeven

  dat zij ons sterven laat.

6

  O Zaaier, ga uit om te zaaien

  de kiem waaruit leven ontstond,

  zo wijd als de winden waaien

  en maak ons tot moedergrond!

---

*55

#4

1

  Weet gij waarmee het koninkrijk

  zich vergelijken laat?

  Een zaadje, klein, onogelijk,

  een mosterdzaad.

2

  Als zaad dat in de aarde glijdt,

  zo zwak is ons geloof,

  maar 't wordt een boom die schaduw spreidt

  met tak en loof.

3

  De hemelvogels van omhoog

  die zoeken naar een nest.

  krijgen zijn schaduw in het oog,

  en vinden rust.

4

  O boom ten hemel uitgespreid

  die in de aarde staat!

  O edel kruid der eeuwigheid,

  o mosterdzaad!

---

*56

#6

1

  Ga in het schip, zegt Gij,

  steek van het strand,

  Vaar tegen wind en tij,

  vaar naar de overkant,

  wacht daar op Mij.

2

  Geeft Gij ons nu een steen,

  Meester, voor brood?

  Laat Gij ons nu alleen?

  Laat Gij ons in de nood?

  Zendt Gij ons heen?

3

  Wij zien alleen nog maar

  water en wind.

  Zegt Gij dan: wacht Mij daar?

  Wij, nu de nacht begint,

  weten niet waar.

4

  Wandelt Gij als een schim

  over het meer?

  Werd Gij een verre glimp?

  Heer, zijt Gij onze Heer,

  kom van de kim!

5

  Kom met uw scheppingswoord

  in onze ziel!

  Spreekt dat de wind het hoort!

  Kom, dat het water knielt,

  bij ons aan boord!

6

  Ik ben het, zegt Gij dan.

  Kom maar met Mij

  mee naar de overkant.

  Wees maar niet bang, zegt Gij,

  hier is mijn hand.

---

*57a

#5

1

  Zeven was voldoende,

  vijf en twee,

  zeven was voldoende

  voor vijfduizend

  op de heuvels langs de zee.

2

  Zeven is voldoende,

  brood en vis,

  Jezus is voldoende

  voor ons allen

  als de kring gesloten is.

3

  Zeven is voldoende

  toen en nu,

  zeven is voldoende

  alle dagen

  van ons leven, dank zij U.

4

  Voed ons met uw leven,

  vis en brood,

  alle zeven dagen,

  Gij verzadigt

  allen met uw offerdood.

5

  Want Gij zijt de eerste

  rond alom,

  ja, Gij zijt de eerste

  en de laatste,

  kom, o Here Jezus kom!

---

*57b

#5

1

  Zeven was voldoende,

  vijf en twee,

  zeven was voldoende

  voor vijfduizend

  op de heuvels langs de zee.

2

  Zeven is voldoende,

  brood en vis,

  Jezus is voldoende

  voor ons allen

  als de kring gesloten is.

3

  Zeven is voldoende

  toen en nu,

  zeven is voldoende

  alle dagen

  van ons leven, dank zij U.

4

  Voed ons met uw leven,

  vis en brood,

  alle zeven dagen,

  Gij verzadigt

  allen met uw offerdood.

5

  Want Gij zijt de eerste

  rond alom,

  ja, Gij zijt de eerste

  en de laatste,

  kom, o Here Jezus kom!

---

*58

#4

1

  De schapen alle honderd,

  die moeten binnen gaan,

  maar een is afgezonderd

  naar eigen zin gegaan

  Op alle honderd schapen

  die van de kudde zijn

  heeft een de kooi verlaten

  en dwaalt in de woestijn.

2

  De herder is verwonderd:

  waar is het schaapje heen?

  Hij telt ze een voor een

  Van al de honderd schapen

  die Hem ter harte gaan

  heeft een de kooi verlaten

  en is apart gegaan.

3

  De herder is gedwongen

  naar de woestijn te gaan.

  Hij heeft het schaap gevonden,

  zo komt het veilig aan

  waar al de and're schapen

  alreeds verzameld zijn,

  want wie de kooi verlaten

  die vinden de woestijn.

4

  De mensen zijn gebonden

  door herders zonder hart,

  zo hebben zij gezondigd

  en allen zijn zij zwart

  Maar God wil van de schapen

  de goede herder zijn.

  Hij heeft de kooi verlaten,

  Hij zoekt in de woestijn.

---

*59

#4

1

  De  rijke kwam tot Jezus

  en vroeg Hem: goede Meester,

  hoe word ik zalig? Leer mij

  te leven. Maar de Heer zei:

  gij hebt  toch de geboden:

  niet stelen en niet doden,

  niet liegen, niet hoereren,

  vader en moeder eren?

  Wij trekken in karavanen,

  wij willen langs vaste banen

  met pak en zak naar de hemel,

  wij hebben de weg bepaald.

  Maar God zegt dat onze kemel

  moet door het oog van de naald.

2

  De rijke zei: ik lette

  van jongsaf op die wetten

  en deed wat zij mij zeiden.

  Ik heb steeds onderscheiden

  het goede van het kwade.

  Ik ben aan moeder, vader

  met heel mijn hart gehoorzaam

  en volg hen waar zij voorgaan.

  Wij trekken in karavanen,

  wij willen langs vaste banen

  met pak en zak naar de hemel,

  wij hebben de weg bepaald.

  Maar God zegt dat onze kemel

  moet door het oog van een naald.

3

  En Jezus zag de rijke

  en dacht: hoe kan een rijke

  ooit tot de hemel ingaan?

  Hij zei: gij hebt veel dingen,

  maar een ontbreekt u: armoe.

  Word arm nu met de armen

  en volg mij om te erven

  leven dat niet kan sterven.

  Wij trekken in karavanen,

  wij willen langs vaste banen

  met pak en zak naar de hemel,

  wij hebben de weg bepaald.

  Maar God zegt dat onze kemel

  moet door het oog van een naald.

4

  Heer, wij zijn droef te moede.

  Wij zoeken naar het goede,

  maar het zijn harde woorden

  die wij U spreken hoorden.

  Kunnen wij niets behouden?

  Zendt Gij ons in de koude

  en wilt alleen verwarmen

  die arm zijn met de armen?

  Wij trekken in karavanen,

  wij willen langs vaste banen

  met pak en zak naar de hemel,

  wij hebben de weg bepaald.

  Maar God zegt dat onze kemel

  moet door het oog van een naald.

---

*60

#3

1

  Pluk nu het groen van de velden

  en zwaai met takken van bomen,

  want nu zal de koning komen,

  zoals de profeten meldden!

  Hij zal op een veulen rijden,

  het jong van een ezelin.

  O koning, kom ons bevrijden

  en rijd Jeruzalem in!

2

  Roep nu voor Hem uit: Hosanna

  die komt in de naam des Heren!

  En spreid voor Hem uit uw kleren,

  want de koning komt! Hosanna!

  Zachtmoedig komt Hij gereden

  op 't jong van een ezelin.

  Hij brengt ons allen de vrede,

  Hij rijdt Jeruzalem in!

3

  O koning, wij zien U wenen:

  uw stad wilde U niet horen.

  Zal de vijand haar verstoren

  en verstrooien al haar stenen?

  Gij komt op een veulen rijden,

  het jong van een ezelin,

  maar 't is de weg van uw lijden:

  Gij rijdt Jeruzalem in.

---

*61

#3

1

  Een landheer had met eigen hand

  een goede wijngaard aangeplant,

  voorzag die van een uitzichttoren,

  een pers en alle toebehoren,

  beveiligde hem met een heg,

  gaf hem aan pachters en ging weg

  om, als de wijngaard had gedragen,

  zijn aandeel in de vrucht te vragen.

  Het land dat wij bewonen

  hoort ons alleen.

  Wie om de pachtsom komen

  zenden wij heen.

  God week te lang geleden

  uit ons bestaan.

  God is in eeuwigheden

  op reis gegaan.

2

  Wij hebben Gods natuur gepacht

  en nooit meer om de huur gedacht,

  hebben gegrepen en geslagen

  die om de vruchten durfden vragen,

  hebben gestenigd en gedood

  die deden wat hen God gebood.

  Maar niets is ons nog overkomen,

  de wijngaard is ons niet ontnomen.

  Het land dat wij bewonen

  hoort ons alleen.

  Wie om de pachtsom komen

  zenden wij heen.

  God week te lang geleden

  uit ons bestaan.

  God is in eeuwigheden

  op reis gegaan.

3

  O Here God, wat wilt Gij nog?

  Zendt Gij uw Zoon? Gij kent ons toch,

  Gij weet toch hoe wij met Hem hand'len,

  hoe wij Hem doden als de and'ren.

  Wij werpen Hem uw wijngaard uit

  om die te erven als een buit.

  Dan kan ons niets meer overkomen,

  wordt nooit de wijngaard ons ontnomen.

  Zult Gij nu tot ons komen,

  Heer, tot een straf,

  en 't land dat wij bewonen,

  neemt Gij 't ons af?

  Zullen wij 't niet be?rven

  als deelgenoot,

  maar met de kwaden sterven

  een kwade dood?

---

*62

#4

1

  Wie oren om te horen heeft,

  hore naar de wet die God hem geeft:

  gij zult geen vreemde goden,

  maar Mij alleen belijden voortaan.

  Hoor, Isra?l, mijn geboden.

2

  Bemint uw Heer te allen tijd,

  dient Hem met alles wat gij zijt,

  aanbidt Hem in uw daden.

  Dit is het eerste en grote gebod,

  de wil van God, uw Vader.

3

  Biedt uw naaste de helpende hand,

  spijzigt de armen in uw land,

  een woning wilt hen geven.

  Het tweede gebod is het eerste gelijk;

  doet dit, en gij zult leven.

4

  De macht der liefde is zo groot,

  geen water blust haar vuren uit,

  wanneer zij is ontstoken.

  Nu wilt ontbranden aan liefdeswoord,

  God heeft het tot ons gesproken.

---

*63

#5

1

  De Heer verschijnt te middernacht!

  Nu is nog alles stil,

  maar zalig hij die toch reeds wacht

  en Hem begroeten wil.

2

  Want ook als niemand naar Hem vraagt

  noch in zijn dag gelooft,

  zijn komst wordt door geen macht vertraagd:

  Hij heeft het zelf beloofd.

3

  Wie waakt er als een trouwe knecht,

  zijn Meester toegedaan,

  dat als de Heer komt om zijn recht

  hij voor Hem kan bestaan?

4

  Zijn onze lampen wel gereed

  en branden ze wel goed,

  zodat, als Christus binnentreedt,

  Hij waardig wordt begroet?

5

  De Heer verschijnt te middernacht!

  Nu is nog alles stil

  Zalig, die toch geduldig wacht

  en Hem begroeten wil.

---

*64

#6

1

  Gij hebt met uw brede gebaren

  de mensen gestrooid uit uw hand

  en in de seizoenen der jaren

  volmaakt Gij de oogst op uw land.

2

  In deze onstuimige lente,

  waarin heel de wereld bestaat,

  verwekt Gij de elementen

  en wie scheidt het goed van het kwaad?

3

  En wie zal het zaad onderscheiden,

  het zij tot verval of tot eer?

  Uw regen geeft regen aan beide,

  uw zon ziet op beide terneer.

4

  Heer, zijn wij het zaad van uw akker,

  Gij doet ons ontkiemen tot graan.

  Wij sliepen en Gij roept ons wakker,

  Gij doet ons uit aarde ontstaan.

5

  Wij groeien de aarde te boven,

  wij rijpen in weer en in wind,

  totdat Gij in garven en schoven

  de mensen tezamen bindt.

6

  En als Gij ons brengt in uw schuren

  ten tijde der eeuwigheid,

  o laat ons het dorsen verduren

  waarmee Gij het graan onderscheidt!

---

*65

#4

1

  Het graan slaapt in de aarde

  en 't hemels koninkrijk,

  verborgen in de wereld,

  is aan het graan gelijk.

2

  Nadat het uitgestrooid is,

  wisselen dag en nacht.

  Geen weet hoe het gegroeid is:

  het draagt vanzelve vrucht.

3

  De halm groeit in de vore,

  en in die halm de aar,

  en in die aar het koren:

  het wordt vanzelve zwaar.

4

  Wanneer het koren rijp is,

  laat God de sikkel slaan,

  omdat zijn koninkrijk is

  geborgen in het graan.

---

*66

#6

1

  Mijn ziel verheft Gods eer;

  mijn geest mag blij den Heer

  mijn Zaligmaker noemen,

  die, in haar lage staat,

  zijn dienstmaagd niet versmaadt,

  maar van zijn gunst doet roemen.

2

  Om wat God heeft gedaan

  zal elk geslacht voortaan

  alom mij zalig spreken:

  o groot geheimenis

  dat mij geschonken is.

  Zijn almacht is gebleken.

3

  Hoe heilig is zijn naam!

  Laat volk bij volk tesaam

  barmhartigheid verwachten,

  nu Hij de zaligheid

  voor wie Hem vreest, bereidt

  door al de nageslachten.

4

  Des Heren kracht is groot;

  zijn arm verstrooit, verstoot

  die hoog zijn in hun ogen.

  Hun tronen zijn niet meer,

  maar gunstrijk wil de Heer

  eenvoudigen verhogen.

5

  De Heer vervult met goed

  uit 's hemels overvloed

  der hongerigen monden.

  Hij ziet geen rijken aan,

  maar heeft met al hun waan

  hen ledig weggezonden.

6

  Hij trok zich Isra?l aan,

  Hij laat niet hulp'loos staan

  die Abrams troost verwachten.

  Groot en in eeuwigheid

  is Gods barmhartigheid

  voor duizenden geslachten!

---

*67

#3

1

  God zij geloofd uit alle macht,

  Hij komt zijn volk bevrijden

  en heeft aan Isra?l gebracht

  verlossing in zijn lijden.

  Hij heeft zijn teken opgericht:

  verheffing van het aangezicht

  voor heel het huis van David,

  zoals voorlang geschreven stond

  heeft Hij gedacht aan zijn verbond,

  zo doet Hij ons herleven.

2

  Bevrijding uit de vijandschap

  de hand van die ons haten,

  gelijk Hij eens gezworen had

  Abraham onze vader,

  opdat wij in rechtvaardigheid

  de Here God zijn toegewijd

  ons leven lang op aarde.

  Zo zult gij voor de Heer uitgaan,

  een stem die Hem de toegang baant:

  bereidt Hem alle wegen!

3

  Gij zijt de stem der profetie

  sprekend van mededogen,

  want eens zal ieders oog Hem zien:

  de Opgang uit den hoge.

  Gezegend zij de dageraad

  het licht dat weldra schijnen gaat

  voor wie in duister kwijnen.

  Hij zal de schaduw van de dood

  beschamen met zijn morgenrood.

  Op aarde daalt de vrede!

---

*68

#2

1

  Zo laat Gij, Heer, uw knecht,

  naar 't woord hem toegezegd,

  thans henengaan in vrede,

  nu hij uw zaligheid,

  zo lang door hem verbeid,

  gezien heeft op zijn bede.

2

  Een licht, zo groot, zo schoon,

  gedaald van 's hemels troon,

  straalt volk bij volk in de ogen,

  terwijl 't het blind gezicht

  van 't heidendom verlicht

  en Isrel zal verhogen.

---

*69

#6

1

  Johannes, wat moeten wij doen?

  Wij zoeken de weg des Heren

  en wilden wel naar Hem toe,

  maar weten niet waar en hoe.

2

  Wie twee stel klederen heeft,

  die klede de onbeklede,

  wie dubbel te eten heeft,

  die geve wie honger heeft.

3

  Johannes wat moeten wij doen?

  Wij tollenaars en soldaten,

  wij wilden wel naar Hem toe,

  maar weten niet waar en hoe.

4

  Tollenaars, hebt genoeg

  aan wat u is voorgeschreven,

  soldaten, het zij u genoeg

  te vorderen wat u voegt.

5

  Johannes, wat moeten wij doen?

  Zijt gij het op wie wij wachten?

  Wij wilden wel naar Hem toe,

  maar weten niet waar en hoe.

6

  Ik die u met water doop,

  bereid de weg des Heren,

  maar die met zijn Geest u doopt,

  Hij is het op wie gij hoopt.

---

*70

#6

1

  De laatsten worden de eersten,

  wie knielde krijgt een troon,

  de knechten mogen heersen,

  de dienaar heet een zoon.

2

  O Heer, o eerstgeboren

  van allen uit de dood,

  Gij zoekt wat is verloren,

  Gij maakt het leven groot.

3

  Gij die als allerlaatste

  ter wereld wederkomt,

  Gij wijst ons onze plaatsen

  wanneer de strijd verstomt.

4

  Wie zelf zich hoog verheffen,

  die slaat zijn oordeel neer,

  de bergen worden vereffend,

  de zee zwijgt voor de Heer.

5

  Maar wie zich heeft gebogen

  voor wat Hij geboden heeft,

  die zal Hij ook verhogen

  zo waar Hij eeuwig leeft.

6

  De laatsten worden de eersten,

  wie knielde krijgt een troon,

  wie slaaf was mag nu heersen,

  de vreemdeling wordt zoon.

---

*71

#3

1

  Jezus, wand'lend langs de wegen,

  kwam eens tien melaatsen tegen,

  die van verre bleven staan,

  roepend: Meester, zie ons aan.

  En Hij zeide: wordt gereinigd,

  wordt genezen, weest geheiligd.

  Gaat en laat uzelve zien

  aan de priester, alle tien.

2

  Tien melaatsen gingen henen

  en genazen, maar slechts ene,

  slechts een vreemde, dankte Hem,

  kerende, met luider stem.

  En Hij vroeg: waar zijn de negen?

  Waarom hebben zij gezwegen

  en vindt slechts een vreemdeling

  woorden van verheerlijking?

3

  Heer, als wij, melaats van harte,

  tot U roepen uit de verte

  en Gij zegt: gaat heen, wordt rein,

  laat ons als die ene zijn.

  Laat de dank in onze monden

  woorden vinden voor het wonder.

  Laat ons lovend tot U gaan

  om wat Gij ons hebt gedaan.

---

*72

#4

1

  Gij volgt ons uit Jeruzalem

  en spreekt zodat ons in uw stem

  waar Gij de schriften open doet,

  het woord van den beginne groet.

2

  Zo zult Gij ons terzijde gaan;

  want Gij zijt waarlijk opgestaan,

  in 't breken van ons brood zijt Gij

  ons in ons eigen huis nabij.

3

  O Heer, tot U zo bidden wij,

  blijf in ons midden, wees nabij,

  steek Gij ons dorre hart in brand

  al zijn wij traag door onverstand.

4

  Wanneer ons dan de avond wenkt,

  de schaduw van ons leven lengt,

  wees onze laatste reisgenoot,

  een metgezel in alle nood.

---

*73

#4

1

  De Heer is onze reisgenoot,

  Hij die ons zijn gezelschap bood

  en sprekend over kruis en graf

  geduldig tekst en uitleg gaf.

2

  Zo valt een lange weg ons licht,

  de schrift opent een vergezicht

  en brengt verdwaalden dicht bij huis,

  verloren zonen komen thuis.

3

  De avond daalt, blijf bij ons Heer!

  Hij zet zich aan de tafel neer

  en breekt het brood en schenkt de wijn,

  die gast, het moet de gastheer zijn!

4

  Wij keren naar Jeruzalem,

  ons brandend hart verneemt zijn stem,

  Hij deelt met ons het daag'lijks brood,

  de Heer is onze reisgenoot.

---

*74

#5

1

  Wij willen de bruiloftsgasten zijn

  van Kana in Galilea.

  Wij drinken daar van de bruiloftswijn.

  Wij willen van harte vrolijk zijn

  met Jezus en Maria.

2

  Maria sprak in bekommerdheid:

  er is niet genoeg te drinken.

  Maar Hij zei: nog is het niet mijn tijd.

  Zij wist in haar hart: Hij is bereid,

  en zal het ons zeker schenken.

3

  En toen de maaltijd ten einde liep,

  zag Hij naar de lege vaten,

  en deed ze vullen door die Hij riep,

  en scheppen wat Hij te drinken schiep.

  Zij proefden: wijn was het water.

4

  Wij mogen met Jezus gezeten zijn

  te Kana tussen de gasten.

  Een ander schenkt eerst de goede wijn

  en drinkt de mindere op het eind.

  Hier komt het beste het laatste.

5

  Wij zijn op het bruiloftsfeest genood

  met Jezus en met Maria.

  Hij draagt ons over de watervloed

  en laaft ons hart met zijn hartebloed

  te Kana in Galilea.

---

*75

#15

1

  U kennen, uit en tot U leven,

  Verborgene die bij ons zijt,

  zolang ons 't aanzijn is gegeven,

  de aarde en de aardse tijd,

  o Christus, die voor ons begin

  en einde zijt, der wereld zin!

2

  Gij zijt het brood van God gegeven,

  de spijze van de eeuwigheid;

  Gij zijt genoeg om van te leven

  voor iedereen en voor altijd.

  Gij voedt ons nog, o hemels brood,

  met leven midden in de dood.

3

  O Christus, ons van God gegeven,

  Gij tot in alle eeuwigheid

  de weg, de waarheid en het leven,

  Gij zijt de zin van alle tijd.

  Vervul van dit geheimenis

  uw kerk die in de wereld is.

4

  U kennen, uit en tot U leven,

  Verborgene die bij ons zijt,

  zolang ons 't aanzijn is gegeven,

  de aarde en de aardse tijd,

  o Christus, die voor ons begin

  en einde zijt, der wereld zin!

5

  Gij zijt het water ons ten leven;

  de bronnen van de eeuwigheid

  zijn ons ter lafenis gegeven,

  zijn doorgebroken in de tijd.

  O Gij, die als een bron ontspringt

  in elk die tot U komt en drinkt.

6

  O Christus, ons van God gegeven,

  Gij tot in alle eeuwigheid

  de weg, de waarheid en het leven,

  Gij zijt de zin van alle tijd.

  Vervul van dit geheimenis

  uw kerk die in de wereld is.

7

  U kennen, uit en tot U leven,

  Verborgene die bij ons zijt,

  zolang ons 't aanzijn is gegeven,

  de aarde en de aardse tijd,

  o Christus, die voor ons begin

  en einde zijt, der wereld zin!

8

  Gij zijt het licht van God gegeven,

  een zon die nog haar stralen spreidt,

  wanneer het nacht wordt in ons leven,

  wanneer het nacht wordt in de tijd.

  O licht der wereld, zie er is

  voor wie U kent geen duisternis.

9

  O Christus, ons van God gegeven,

  Gij tot in alle eeuwigheid

  de weg, de waarheid en het leven,

  Gij zijt de zin van alle tijd.

  Vervul van dit geheimenis

  uw kerk die in de wereld is.

10

   U kennen, uit en tot U leven,

   Verborgene die bij ons zijt,

   zolang ons 't aanzijn is gegeven,

   de aarde en de aardse tijd,

   o Christus, die voor ons begin

   en einde zijt, der wereld zin!

11

   Gij zijt de wijnstok van het leven,

   in duizend ranken uitgebreid,

   het leven, ons in U gegeven,

   draagt goede vruchten op zijn tijd.

   Laat ons uw ranken zijn voorgoed,

   doorstroom ons met uw hartebloed.

12

   O Christus, ons van God gegeven,

   Gij tot in alle eeuwigheid

   de weg, de waarheid en het leven,

   Gij zijt de zin van alle tijd.

   Vervul van dit geheimenis

   uw kerk die in de wereld is.

13

   U kennen, uit en tot U leven,

   Verborgene die bij ons zijt,

   zolang ons 't aanzijn is gegeven,

   de aarde en de aardse tijd,

   o Christus, die voor ons begin

   en einde zijt, der wereld zin!

14

   Gij zijt tot herder ons gegeven,

   wij zijn de schapen die Gij weidt;

   waar Gij ons leidt is 't goed te leven,

   Heer, die ons voorgaat door de tijd.

   Wie bij U blijft en naar U ziet,

   verdwaalt in deze wereld niet.

15

   O Christus, ons van God gegeven,

   Gij tot in alle eeuwigheid

   de weg, de waarheid en het leven,

   Gij zijt de zin van alle tijd.

   Vervul van dit geheimenis

   uw kerk die in de wereld is.

---

*76

#3

1

  Zie hoe de mensen heengaan,

  zeggend: die vreemde woorden

  zijn niet om aan te horen.

  Zie hoe de mensen heengaan:

  wilt gij niet met ze meegaan?

  Heer, waar zullen wij heen?

  Wie anders dan Gij alleen

  kan ons te geloven geven

  woorden van eeuwig leven?

2

  Ziet gij niet hoe de mensen

  tot hun eigen wegen keerden

  om te doen wat zij begeerden?

  Wilt gij niet als de mensen

  doen naar uw eigen wensen?

  Heer, waar zullen wij heen?

  Wie anders dan Gij alleen

  kan ons te geloven geven

  woorden van eeuwig leven?

3

  Ziet gij niet hoe de wijzen,

  hoofdschuddend in verbaasdheid,

  glimlachen om uw dwaasheid?

  Wilt gij niet voor de wijzen

  wijs zijn, dat zij u prijzen?

  Heer, waar zullen wij heen?

  Wie anders dan Gij alleen

  kan ons te geloven geven

  woorden van eeuwig leven?

---

*77

#4

1

  De Trooster komt,

  die Christus zenden zal,

  en die nooit van ons wijkt.

  De Trooster komt,

  de ure is er al,

  dat Hij het vuur ontsteekt:

  de Vader zendt Hem uit den hoge,

  Hij toont zijn hulp en mededogen.

  De Trooster komt!

2

  De Raadsman komt,

  die u terzijde staat:

  Hij wijst de rechte weg.

  De Raadsman komt,

  gij deelt in zijn beraad

  van waarheid en van recht.

  Door Vader en door Zoon gezonden,

  zal Hij het komende verkonden.

  De Raadsman komt!

3

  De Heil'ge Geest,

  als Hij zich openbaart,

  stelt alles in zijn licht.

  De Heil'ge Geest,

  waar Hij verschijnt op aard,

  houdt Hij gestreng gericht.

  Hij is voor Christus de getuige,

  Hij komt de wereld overtuigen,

  de Heil'ge Geest!

4

  O Geest van God,

  die alles uit Hem neemt,

  nooit gaat zijn woord voorbij.

  O Paracleet,

  blijft Gij de wereld vreemd,

  Gij komt uw kerk nabij.

  Gij zijt het, die voor ons bewaarde

  alwat de Heiland deed op aarde.

  O Geest van God!

---

*78

#4

1

  Laat me in U blijven, groeien, bloeien,

  o Heiland die de wijnstok zijt!

  Uw kracht moet in mij overvloeien,

  of 'k ben een wis verderf gewijd.

  Doorstroom, beziel en zegen mij,

  opdat ik waarlijk vruchtbaar zij!

2

  Ik kan mijzelf geen wasdom geven:

  niets kan ik zonder U, o Heer!

  In uw gemeenschap kiemt er leven

  en levensvolheid meer en meer!

  Uw Geest moet in mij uitgestort:

  de rank die U ontvalt, verdort.

3

  Neen, Heer, ik wil van U niet scheiden,

  'k blijf de Uw' altijd, blijf Gij de mijn'!

  Uw liefde moet alom mij leiden,

  uw leven moet mijn leven zijn,

  uw licht moet schijnen in mijn huis

  bij kruis naar kracht en kracht vaar kruis.

4

  Dan blijft mijn ziel voor U gewonnen,

  dan wint mijn ziel door U in kracht!

  Het werk in need'righeid begonnen,

  wordt dan in heerlijkheid volbracht!

  Wat in de winds'len sliep, ontbot,

  en komt in 't licht en rijpt voor God.

---

*79

#3

1

  Die in benauwdheid zuchten

  omdat hun uur gekomen is,

  zijn bij de eerste kreten

  hun pijn vergeten

  uit vreugde

  dat er een mensenkind geboren is.

2

  Die nu verlies moet lijden

  heb Ik mijn wederzien beloofd.

  En gij zult te dien dage

  mij niets meer vragen

  in blijde

  vervulling die geen sterveling u rooft.

3

  Bidt en gij zult ontvangen!

  Mijn troost zal met u medegaan.

  De Vader houdt zijn oren

  geopend voor uw

  verlangen,

  wanneer gij Hem zult bidden in mijn naam.

---

*80

#5

1

  Wij delen verdriet en zorgen

  met hen die Gij achterliet.

  Uw macht is zo diep verborgen,

  wij wandelen in de morgen,

  maar wij vinden uw lichaam niet.

2

  Wij vinden een open groeve.

  Wij blijven verwonderd staan

  en met wie Gij liefhadt vertoeven.

  Hij die U het meest bedroefde

  mag het eerste naar binnen gaan.

3

  Wij gaan met die ander binnen,

  vrijwillig in 't donker graf.

  Het achtergebleven linnen

  doet hem het geloof herwinnen.

  Leggen wij onze twijfel af?

4

  O Heer, laat een engel komen,

  opdat van ons moede hart

  de steen worde weggenomen.

  O Heer, laat een engel komen,

  want wij zijn in onszelf verward.

5

  En doe ons de schriften open,

  zoals Gij het graf ontsluit,

  dan zullen wij als gedoopten

  voorgoed met de uwen lopen

  in het paaslicht dat niemand stuit.

---

*81

#8

1

  Ik zoek mijn Heer, het graf is leeg,

  de lente bloeit maar antwoordt niet.

  Er is geen troost voor mijn verdriet:

  de Heer is weg!

2

  Wie ik ontmoette sprak ik aan,

  de eng'len wenkten bij het graf,

  maar niemand die mij antwoord gaf.

  Waar is Hij dan?

3

  Daar komt een man. De hovenier!

  mijn ogen zijn van tranen blind

  Wijs mij de plaats, waar ik Hem vind.

  Hij is niet hier.

4

  Maria! zegt Hij, en terstond,

  ik zag Hem niet, maar aan zijn stem,

  dezelfde steeds, herkende ik Hem,

  toen Hij mij vond.

5

  Nu weet ik het, ik zie Hem staan

  en nader Hem. Ik heb Hem weer!

  Hij antwoordt mij, in zacht verweer:

  raak Mij niet aan!

6

  Ik ben er niet voor u alleen,

  mijn and're broeders zijn er nog,

  reeds vaar ik op tot God omhoog.

  Ga! Zeg het hun!

7

  Getroost, gehoorzaam, ging ik heen

  en bracht de boodschap rond met spoed:

  Hij zocht en kende mij voorgoed,

  en iedereen!

8

  De Heer is waarlijk opgestaan!

  Dat weten wij, dat zingen wij.

  Hij leeft! Hij komt tot u en mij:

  Hij raakt ons aan!

---

*82

#5

1

  Terwijl wij Hem bewenen,

  omdat Hij van ons ging,

  is Hij aan ons verschenen

  in zijn verheerlijking.

2

  Terwijl wij om Hem treuren,

  toont Hij ons hand en voet.

  Hij komt door dichte deuren,

  Hij spreekt zijn vredegroet.

3

  Terwijl wij van Hem spreken,

  is Hij in onze kring

  om ons het brood te breken

  van zijn verkondiging.

4

  Opdat wij zouden weten,

  wat ons te hopen staat,

  vraagt Hij ons om te eten:

  een vis, een honingraat.

5

  Hij is de Heer en Koning,

  die eeuwig bij ons is.

  Zijn woorden zijn als honing,

  zijn naam is als een vis.

---

*83

#7

1

  O Heer, blijf toch niet vragen.

  Gij weet dat ik U haat,

  dat ik geen kruis wil dragen,

  niet gaan waarheen Gij gaat.

  O Heer, blijf toch niet vragen.

2

  O Heer, heb mededogen.

  Vraag toch niet weer. Gij weet

  dat ik U steeds verloochen,

  dat ik U steeds vergeet.

  O Heer, heb mededogen.

3

  Gij vraagt ten tweeden male.

  Gij, Herder, spreekt zo zacht

  van schapen die verdwalen

  en kermen in de nacht.

  Gij vraagt ten tweeden male.

4

  Heer, blijf mij niet ontroeren.

  Ik stond wel voor U klaar,

  als ik een zwaard mocht voeren;

  maar dit is mij te zwaar.

  Heer, blijf mij niet ontroeren.

5

  Ten derden male vraagt Gij.

  Gij laat niet van mij af.

  Mijn haat, mijn opstand draagt Gij,

  begraaft ze in uw graf.

  Ten derden male vraagt Gij.

6

  Gij weet toch alles, Here.

  Ik heb U lief. Gij weet:

  liefde zal mij verteren,

  zelfs als ik U vergeet.

  Gij weet toch alles, Here.

7

  O Heer, vraag altijd verder.

  Uw liefde triomfeert.

  Huurlingen worden herder.

  Het offerlam regeert.

  O Heer, vraag altijd verder.

---

*84

#4

1

  O God die op het Pinksterfeest

  uw Geest uitstort op alle vlees

  en uit de hemel nederdaalt

  op alle tong en taal,

2

  stort nu in ons het goede woord

  dat wordt geloofd met het gehoor

  en indaalt als een zoete wijn

  waarvan wij dronken zijn,

3

  dat Jood en Griek en Arabier

  uw daden horen, nu en hier,

  dat U Romein en Aziaat

  in eigen taal verstaat!

4

  O stormwind die ons huis vervult,

  vuur dat zich over elk verdeelt,

  maak onze eigen woorden tot

  de eigen taal van God!

---

*85

#5

1

  De hemel is opengesprongen,

  de Naam werd vlees en bloed,

  de engelen hebben gezongen

  de wereld tegemoet.

2

  Maar vlees en bloed zijn gebroken,

  vergoten en vergaan.

  Toen ging de aarde open,

  de Naam is opgestaan.

3

  En die het hoorden en zagen

  die hebben het voortgezet

  ondanks de listen en lagen

  van de wereldse wet.

4

  En sommigen zijn gestenigd

  omdat de Geest hen dreef,

  zij zijn met de Naam verenigd

  die sterft en eeuwig leeft.

5

  Want wie de krans heeft gewonnen,

  voor hem is het wachten gedaan

  en het jaar des Heren begonnen.

  Hij ziet de Koning aan.

---

*86

#10

1

  De wereld is van Hem vervuld,

  die 't kennen gaat te boven,

  wiens heerlijkheid ons is verhuld,

  in vonken licht verstoven.

  Geen mensenoog heeft Hem gezien

  wien elk zijn tempel bouwt, in wien

  onwetend wij geloven.

2

  Maar Hij die in de aanvang schiep

  de hemel en de aarde,

  die al wat is tot aanzijn riep,

  de Onge?venaarde,

  woont niet in tempels; er is niets

  dat Hem ontbreekt, hoe zou Hij iets

  uit mensenhand aanvaarden?

3

  Hij blies ons van zijn adem in.

  Hij, hemelhoog verheven,

  heeft ons in Adam een begin,

  een levensdoel gegeven:

  te wonen op zijn aarde, waar

  het goed is, goed om met elkaar

  in zijn verbond te leven.

4

  Hij meet ons tijd en ruimte toe

  genoeg om Hem te vinden.

  Hij kent ons toch, Hij weet toch hoe

  wij tasten in den blinde

  naar Hem, uit wie ons leven is.

  Eens treedt Hij uit de duisternis

  en noemt ons zijn beminden.

5

  Ja, Hij is elk van ons nabij,

  hoe hemelhoog verheven;

  in Hem bestaan, bewegen wij,

  in Hem is heel ons leven.

  Dat heeft Hij aan het licht gebracht:

  de mensen zijn van zijn geslacht,

  voorgoed met Hem verweven.

6

  Hij die ons ver is en verwant,

  hoe kan Hij zijn aanbeden

  in enig beeld, door mensenhand

  uit steen of hout gesneden?

  Geen denkbeeld zelfs, hoe hoog, hoe diep,

  kan Hem bevatten die ons roep

  om Hem te kennen, heden.

7

  Want Hij die zozeer anders is

  dan al wat wij vereren,

  verscheen in de geschiedenis,

  God zelf, de Heer der heren.

  De eeuwen der onwetendheid

  zijn om, het is de hoogste tijd

  tot Hem ons te bekeren.

8

  God heeft zich zelf ons toegewend:

  een man verscheen op aarde,

  een mens, in wie Hij onherkend

  zich aan ons openbaarde.

  In Hem als in een tempel heeft

  de God gewoond die eeuwig leeft,

  de Onge?venaarde.

9

  Hij die rechtvaardig was en stil

  droeg wat Hem was beschoren,

  die stierf, en zie Hij leeft, Hij wil

  ook in ons zijn herboren.

  Ons leven is in het geding:

  tot onze val en opstanding

  heeft God Hem uitverkoren.

10

   Hoort dan de stem van Christus, die

   uit aller heren landen

   u tot zich roept, hoort Hem, voor wie

   de dood zelfs werd te schande:

   bekeert u, die nog spot en lacht,

   de grote dag, de grote nacht,

   het oordeel is ophanden.

---

*87

#5

1

  Wij willen God de ere geven

  en maken zijn genade groot;

  want wij zijn voor de zonde dood

  en wat God zelf heeft afgeschreven

  zal niet herleven.

2

  Wij zijn met onze Heer verbonden

  en door de doop Hem toegewijd.

  Wij gingen midden in de tijd

  in Christus dood voor onze zonde

  geheel te gronde.

3

  De mensheid der verloren tijden

  deed Christus sterven aan zijn kruis,

  opdat Hij uit het slavenhuis,

  als nieuwe mensen, zijn bevrijden

  zou uitgeleiden.

4

  Al onze boosheid en ellende

  ging met de Heer ter rust in 't graf.

  Wij zijn ontslagen van de straf

  en God wil zich weer tot ons wenden

  als zijn gekenden.

5

  Zoals de Christus is verrezen

  door 's Vaders heerlijke overmacht,

  zo zijn ook wij aan 't licht gebracht

  om nieuw te leven, zonder vrezen,

  nu en na dezen.

---

*88

#4

1

  Mijn God, gewapend tot de tanden

  voeren twee mannen in mij strijd:

  een wil dat ik te rechter tijd

  voor U in liefde zal ontbranden,

  de ander wil uw recht aanranden

  en drijft mij tot opstandigheid.

2

  De een, vol geest en vol genade,

  daalde uit de hemel tot mij neer.

  Wanneer ik hem maar volg, o Heer,

  acht ik alle and're dingen schade.

  De ander, afgezant van 't kwade,

  wil aardse lust en aardse eer.

3

  Ik zoek de vrede en oorlog maak ik,

  roep vrede, en pleeg snood verraad.

  Het goede willen geeft geen baat.

  Naar werken van de vrede haak ik,

  maar 't goede dat ik wil verzaak ik

  en doe het kwade dat ik haat.

4

  Kom mijn verscheurde hart genezen,

  o Heer, door uw genade groot;

  ik ben het zelf die weerstand bood.

  Herstel de eenheid van mijn wezen

  en laat U dienen en U vrezen

  wie eens een slaaf was van de dood.

---

*89

#5

1

  O Christus, Heer der heerlijkheid

  die Gij aan ons zult openbaren,

  al 't lijden hier in deze tijd

  is maar een schaduw die verglijdt,

  uw licht is niet te evenaren.

2

  Gij zult aan ons uw wederschijn,

  in ons bestaan uw rijk betonen.

  Dan zullen wij, uit nood en pijn

  geboren, eind'lijk mensen zijn,

  o mensenzoon, als Gij Gods zonen.

3

  Daarnaar ziet heel de schepping uit,

  zij wacht reikhalzend van verlangen,

  dat Adam haar begroet als bruid,

  dat hij haar weer een zin ontsluit,

  die in zinloosheid was gevangen.

4

  Ja, eens, met ons tesaam zal zij

  verlost zijn, in uw licht verheven;

  dan is haar kreunen en geschrei,

  dan is de barensnood voorbij

  slechts blijdschap om het nieuwe leven.

5

  Dank voor de Geest, ons toevertrouwd,

  die ons reeds nu die dag doet prijzen!

  Gij, onze hoop en ons behoud,

  geef ons, het heil, van ver aanschouwd,

  aan heel uw schepping te bewijzen.

---

*90

#11

1

  Is God de Heer maar voor mij,

  wat zou mij tegen zijn?

  Ik roep: ach Here, hoor mij!

  en wat mij kwelt wordt klein.

  al heeft zich ook verheven

  de macht van hel en dood,

  ik heb voor heel mijn leven

  in God mijn bondgenoot.

2

  Dit weet ik vast en zeker,

  dat mij de Heer bemint,

  dat Hij mijn deel, mijn beker,

  mijn Vader is, mijn vriend,

  dat Hij geen kwaad kan willen,

  dat Hij mij bij wil staan,

  dat Hij de storm zal stillen,

  mijn vijand zal verslaan.

3

  De grond van mijn vertrouwen

  is Christus, in zijn bloed

  is voor wie op Hem bouwen

  Gods heil in overvloed.

  Ik vind in eigen leven

  niets lieflijks hier op aard;

  wat Hij mij heeft gegeven

  alleen is minnenswaard.

4

  Mijn Jezus is mijn ere.

  Had Hij niet, Hij, mijn licht

  bij mij in willen keren,

  'k zou voor Gods aangezicht

  niet staande kunnen blijven:

  zijn bliksem zou mij slaan

  en in levenden lijve

  zou 'k in Gods vuur vergaan.

5

  O liefde, Hij die bluste

  't vuur dat een mens verteert,

  doet in zijn trouw mij rusten,

  meer dan ik heb begeerd.

  Ja, ik wil dapper wezen

  in alle tegenspoed:

  ik hoef voor niets te vrezen,

  Hij schonk mij heldenmoed.]

6

  Zijn Geest wil in mij wonen,

  Hij richt mijn wens en wil,

  en wat er ook mag komen,

  Hij spreekt en maakt mij stil.

  Al wat de Heer van binnen

  geplant heeft, rijpt tot vrucht.

  Hij is de Geest, die in mij

  en met mij Vader! zucht.

7

  En als het nacht gaat worden,

  een nacht vol schrik en pijn,

  dan zucht de Geest in woorden

  die onuitzegbaar zijn.

  En wat mijn hart wil spreken,

  maar wat geen stem meer krijgt,

  is taal voor Hem en teken,

  als Hij zich overneigt.

8

  Dan spreekt van zoete dingen

  zijn Geest tot mijnen geest:

  dat God zijn gunstelingen

  rust geeft, hun ziel geneest,

  en dat Hij voor hen bouwde

  een schone, nieuwe stad,

  waar 't dat haar aanschouwde

  vindt wat het zoekt, zijn schat.

9

  Wat er mij ook gebeure,

  in eeuwigheid zijt Gij,

  en wat ter wereld, Here,

  zou scheiden U en mij?

  Al tonen zich verbolgen

  de groten van de tijd,

  geen honger of vervolging,

  niets dat mij van U scheidt.

10

   't Zij engelen of machten,

   Gij maakt mij van hen vrij.

   Der diepten donk're krachten,

   der hoogten hovaardij,

   zij mogen mij verdrukken

   en doden, Gij houdt stand;

   zij kunnen mij niet rukken,

   Heer Jezus, uit uw hand.

11

   Mijn hart wil blij opspringen,

   het kan niet treurig zijn,

   ik lach en loop te zingen

   in louter zonneschijn.

   De zon die staat te stralen,

   o Jezus, dat zijt Gij.

   Ik dank U duizendmalen,

   wat zijt Gij goed voor mij!

---

*91

#4

1

  Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen,

  of sterft zichzelf, wij zijn met Christus een.

  Wanneer wij leven leven wij voor Hem,

  wanneer wij sterven horen wij zijn stem.

  In leven en in sterven weten wij:

  wij zijn geborgen in zijn heerschappij.

2

  Immers daarom is Hij ons voorgegaan,

  is Hij gestorven, is Hij opgestaan.

  Daarom werd Hij weer levend, zie Hij leeft

  opdat Hij ons met Hem het leven geeft.

  En levenden en doden allebei

  zijn onderworpen aan zijn heerschappij.

3

  Waarom veroordeelt gij uw broeder dan?

  Waarom veracht gij hem? Van man tot man,

  van mens tot mens is hij uw lotgenoot.

  Wij worden allen eens voorbij de dood

  gesteld voor Christus rechterstoel en Hij

  stelt ons in 't oordeel van zijn heerschappij.

4

  Zoals geschreven is zo zal het zijn:

  Ik leef, zo zegt de Heer, en gij zijt mijn.

  En alle knie op aarde buigt zich neer,

  en alle mond belijdt mij als de Heer.

  Wij loven U o God, Gij zijt nabij

  met de genade van uw heerschappij.

---

*92

#6

1

  Al kon ik alle talen spreken

  van hemel en aarde,

  wanneer de liefde zou ontbreken,

  wat had het voor waarde?

  Mijn woord was niets dan loos gerucht,

  luid schallende metalen,

  schel klinkende cymbalen,

  beroering in de lucht.

2

  Al kon ik in de toekomst lezen,

  geheimen ontvouwen

  en met een blik het ware wezen

  der dingen doorschouwen;

  had ik volmaakt geloof, zodat

  ik bergen kon doen wijken:

  hoe nietig zou ik blijken,

  als ik geen liefde had.

3

  Verdeelde ik mijn goed en have,

  ja, zou ik mijn leven

  in onverschrokken overgave

  als martelaar geven;

  wanneer het niet uit liefde was,

  geen vuurdoop zou mij baten,

  niets zou ik achterlaten

  dan vruchteloze as.

4

  O liefde, dochter der genade,

  hoe schoon zijn de deugden

  die met u gaan op al uw paden,

  een reidans van vreugden:

  geduld en welgezindheid gaan

  met eenvoud, wil tot vrede

  en lust in recht en rede,

  waarheid en trouw tesaam.

5

  O liefde, gij neemt haat en boosheid

  en zelfzucht en schande

  in ongeveinsde argeloosheid

  de wapens uit handen.

  Gij dekt de schulden toe. Gij zijt,

  vol hoop het hoogste wagend,

  gelovig alles dragend,

  het leven toegewijd.

6

  Geloof en hoop en liefde worden

  nooit van ons genomen.

  Gedrie?n bouwen zij de orde

  die God zal doen komen.

  Dan vieren wij het bruiloftsfeest

  en mogen blijde zingen

  van drie verheven dingen,

  maar van de liefde 't meest.

---

*93

#6

1

  Bij 't steken der bazuinen

  gaat in een punt des tijds

  over der wereld puinen

  Gods licht op, klaar en weids.

  En die in Christus zijn

  ontmoeten blij elkander,

  ontkomen aan de schijn,

  geheel en al veranderd.

2

  Als de bazuinen blazen

  Gods allerlaatst appel,

  dan vaart een groot verbazen

  door hemel, aarde en hel,

  dan rijzen in het licht

  de doden, die nu slapen

  en voor Gods aangezicht

  worden ook wij herschapen.

3

  Dit broze mensenleven,

  verloren in de tijd,

  zal God een lichaam geven

  van onvergank'lijkheid.

  Dan is geheel geschied

  het woord van den beginne:

  het doodsrijk zinkt in 't niet;

  Gods rijk zal overwinnen.

4

  Als Gods bazuinen klinken

  en als het morgenrood

  te middernacht zal blinken,

  o strenge, bitt're dood,

  waar is uw zege dan,

  waar is uw scherpe schade

  aan vrouw en kind en man,

  uw rijk van ongenade?

5

  Tiran die onomwonden

  verdelgt in stad en land,

  al is door onze zonden

  de wet ook op uw hand,

  Gode zij dank dat Hij

  uw schrikbewind deed falen.

  in Christus zullen wij

  de lauwerkrans behalen.

6

  Bazuinen en klaroenen,

  trompetten, hel en luid,

  nodigen ons tot koene

  en trouwe daden uit.

  De arbeid in de Heer

  zal niet in 't ijle vallen,

  maar blinken tot zijn eer,

  als Gods bazuinen schallen.

---

*94

#4

1

  Mensen, wij zijn geroepen om te leven!

  Hoog is de hemel boven ons verstand

  en onder onze voeten hier beneden

  de goede grond, het groene moederland.

2

  God onze toekomst, God is onze Vader,

  Hij is het licht voor onze dagen uit.

  De hele wereld leeft van zijn genade,

  Hij gaf de aarde en Hij geeft de tijd.

3

  Abraham heeft Hij eerst zijn woord gegeven,

  dat als een zaad ontkiemde in zijn zaad,

  om zo de toekomst tegemoet te leven

  wanneer de grote oogst te velde staat.

4

  Ja, wij zijn allen zonen der belofte,

  kinderen van de dag die komen zal,

  als Hij, de Zoon, de Zon, daalt uit de hoogte,

  roepend van recht en vrede overal!

---

*95

#3

1

  Nu bidden wij met ootmoed en ontzag

  de Vader aan, wiens naam aan elk geslacht

  in hemel en op aarde aanzijn gaf,

  dat, naar zijn heerlijk wezen,

  Hij ons de kracht des Heil'gen Geestes geve

  en de Messias bij ons intrek neme.

  Zijn liefde is de grondslag van ons leven,

  de oorsprong van ons hart.

2

  Dan zullen wij met alle heil'gen saam

  in 't morgenlicht op hoge tinnen staan

  en hoogte en diepte, lengte en breedte van

  Gods heil doormeten mogen.

  Dan kennen wij de liefde uit den hoge,

  al gaat zij verre het verstand te boven.

  Wij zullen tot de volle wasdom komen

  in Gods verheven naam.

3

  Hem nu die in ons werkt en ons geleidt,

  die verder gaat dan al ons bidden reikt

  en meer is dan ons diepste denken peilt,

  zij heerlijkheid en glorie

  in de gemeente die Hij heeft verkoren,

  in elk geslacht dat van zijn naam zal horen,

  door Jezus Christus, nu gelijk tevoren

  en tot in eeuwigheid.

---

*96

#10

1

  Wordt krachtig in de Heer

  en in zijn sterke macht,

  de duivel gaat tekeer,

  weest op zijn list bedacht.

2

  Niet tegen vlees en bloed

  is deze strijd gericht,

  het is een geest die woedt,

  een vijand van het licht,

3

  des duivels hoge raad

  en boze overheid,

  al wat aan macht bestaat

  en kwade majesteit.

4

  Om deze reden doet

  Gods wapenrusting aan,

  zodat gij als het moet

  de vijand kunt weerstaan.

5

  Met waarheid weest omgord

  en pantsert u met recht,

  zodat gij weerbaar wordt

  en standhoudt in 't gevecht.

6

  Uw voeten onvermoeid

  voor vrede in de weer,

  die moeten zijn geschoeid

  met ijver voor de Heer.

7

  Uw schild is dat gij God

  vurig en vast gelooft,

  zodat gij onder schot

  het vuur van satan dooft.

8

  De helm van het behoud

  die om de slapen sluit,

  dat is het heil van God,

  de kracht der zaligheid.

9

  Zo staat gij dan gereed,

  strijdvaardig en gespoord,

  ten laatsten kamp en weet:

  het zwaard dat is Gods woord.

10

   En bidt dan in de Geest

   voortdurend voor elkaar

   God die de harten leest,

   dat Hij u wel bewaar!

---

*97

#3

1

  Naam van Jezus die ten dode

  op het hout geschreven zijt,

  vreemde koning van de Joden

  die ten spot verheven zijt,

  vorstelijk hebt Gij gestreden

  om de vrede

  tot in alle eeuwigheid.

2

  Zoon van God en zoon van David,

  priester zonder waardigheid

  die ten dienste van de slaven

  als een slaaf op aarde zijt,

  aan de mens gelijk geworden

  ja gestorven

  voor ons aller zaligheid.

3

  alle leven moet zich buigen,

  voor U buigen mettertijd,

  al wat stem heeft zal getuigen

  dat Gij Algebieder zijt,

  God heeft U een naam gegeven

  hoog verheven

  boven alle namen uit.

---

*98

#3

1

  Verblijdt u in de Heer te allen tijd!

  Dat zeg ik u, dat zeg ik u: verblijdt u!

  Verblijdt u, want de Heer is zeer nabij,

  de Heer is zeer nabij en Hij bevrijdt u.

2

  Weest niet bezorgd, maar bidt en smeekt de Heer,

  weest niet bezorgd, maar mild en toegenegen,

  want Hij brengt in uw ballingschap een keer;

  zijn land, zijn erf, zijn stad heeft Hij gezegend.

3

  Daarom, dankt God! De vrede die Hij geeft

  gaat alle redelijk verstand te boven.

  Hij die uw harten in zijn hoede heeft,

  is goed, is God. Gij moet in Hem geloven.

---

*99

#5

1

  Christus naar wie wij heten

  heeft met zijn groot geduld

  de Wet en de Profeten

  ten einde toe vervuld.

  Maar ons is aangezegd,

  tot aan het eind der dingen

  de uitgang te volbrengen,

  de lange lijdensweg.

2

  Geen licht is ons gebleven,

  er is geen God te zien,

  de dagen alle zeven

  en de geboden tien,

  dan deze ene naam;

  die naam is alle nachten

  ons heimelijk verwachten,

  ons innerlijk geheim.

3

  De duisternis te boven

  al staat de nacht rondom,

  zijn allen die geloven

  dat Jezus is de zon.

  Zij kiemen uit zijn graf,

  zij bloeien uit zijn wonden,

  zij worden uitgezonden

  de nacht uit in de dag.

4

  Zij moeten met Hem lijden

  en met Hem levend zijn

  tot aan de laatste tijden

  dan staan zij in zijn tuin

  en heffen op hun hoofd

  als bloemen en als doden

  die uit de bodem komen

  en 't licht zien ongedoofd.

5

  Het licht van alle stralen

  komt uit zijn aangezicht.

  Zijn ster zal nooit meer dalen

  en met Hem opgericht

  verhogen zij de dag,

  verhogen zij het leven

  en  roepen heil en zegen

  over de aarde af.

---

*100

#16

1

  Er heeft een stem gesproken,

  de Heer was daar!

  Antwoordt Hem vastbesloten,

  staat voor Hem klaar

2

  Behoudt het woord, de gaven,

  met wakk're zin;

  volhardt uw taak te dragen

  en leeft daarin!

3

  Hebt Gij uw knecht genodigd?

  Wie ben ik, Heer?

  Roekeloos, kleingelovig,

  zwak en niets meer.

4

  Het woord, van God gegeven,

  brengt ommekeer,

  het voedt ons in het leven,

  is vol verweer.

5

  Houdt hoog zijn naam en wetten,

  strijdt onbevlekt.

  Niets kan het heil beletten,

  dat Hij verwekt.

6

  Leer ons eenvoudig leven

  niet afgeleid.

  Wie zich aan Hem wil geven

  sta steeds bereid.

7

  De tijden slaan als golven

  over ons hoofd.

  Wie in Hem blijft geloven

  wordt niet verdoofd.

8

  Wie durft met Hem te lijden,

  Hem toegewend?

  De Heer kent al de zijnen:

  het fundament!

9

  Vlucht voor wat dwaas bekoorde,

  keert daarvan af.

  Leeft uit gezonde woorden,

  weest nimmer laf.

10

   De schepping wordt geheiligd

   door het gebed,

   en wat het woord beveiligt,

   blijft onbesmet.

11

   Aan Hem is eeuwig eigen

   onsterf'lijkheid.

   Wie Hem behoort zal krijgen

   hoop in de tijd.

12

   Wie zich in dienst verlooch'nen

   door oefening

   zullen door Hem vermogen

   dit goede ding.

13

   Straks is de strijd be?indigd,

   de loop volbracht,

   de Rechter reikt de zijnen

   de krans die wacht.

14

   Eens zal de Heer verschijnen

   te zijner tijd,

   Hij zal niet langer zijn in

   onzichtbaarheid.

15

   Dan doet Hij ons aanschouwen

   wat was verhuld,

   en wat ons was onthouden

   wordt dan vervuld.

16

   De koning nu der eeuwen,

   eeuwig de Heer,

   heerlijk, onzienlijk, enig,

   zij kracht en eer!

---

*101

#5

1

  Om Christus wil zijn wij verblijd.

  Hij heeft in alle mens'lijkheid

  een zoon die naar zijn vader aardt

  God in het vlees geopenbaard.

2

  Looft Hem, die van de Geest ontving

  voor altijd zijn rechtvaardiging,

  de Geest, die Hem herleven doet

  in mensen, mens'lijk vlees en bloed.

3

  Hij die, ontheven hemelhoog,

  te stralend voor het sterf'lijk oog,

  aan de engelen verschenen is

  in 't licht van zijn verrijzenis,

4

  Hij is aanwezig in het woord,

  dat wordt gepredikt en gehoord

  in heel de wereld en geloofd,

  en dat ons zegent hoofd voor hoofd.

5

  Om Christus wil zijn wij verblijd,

  die inging in Gods heerlijkheid

  en voor Gods ogen, stralend schoon,

  is wat wij zullen zijn, de Zoon.

---

*102

#4

1

  God heeft vanouds gesproken

  door der profeten woord.

  Hij ging onafgebroken

  met onze vaadren voort.

  En elke nieuwe spreker

  verhief zijn eigen stem.

  Toch gaven zij een zeker

  getuigenis van Hem.

2

  Nu aan het eind der dagen

  heeft God de tijd vervuld,

  en al zijn welbehagen

  is door de Zoon onthuld.

  Wat de profeten zeiden,

  voor ons maakt Hij het waar.

  't Geheim der oude tijden

  is heden openbaar.

3

  In Hem is al het zijnde

  geroepen uit het niet.

  Hij is begin en einde

  van al wat er geschiedt.

  Hijzelf, het stralend teken

  van 's Vaders majesteit,

  wil heden tot ons spreken

  van Gods barmhartigheid.

4

  Hij heeft uit al het leven

  de smetten weggedaan.

  De zonden zijn vergeven,

  daarom spreekt Hij ons aan.

  En Hij heeft, opgestegen

  aan 's Vaders rechterzij,

  de Hoogste naam verkregen.

  Daarom spreekt Hij ons vrij.

---

*103

#3

1

  De heiligen, ons voorgegaan,

  hebben hier niets verworven,

  maar zijn aan 't einde van hun baan

  als vreemdeling gestorven.

  Maar zij geloofden dat Gods hand

  die hen tot daar geleid had

  in 't beter, hemels vaderland

  een stad voor hen bereid had.

  Geprezen zij zijn naam!

  Hij deed hen veilig gaan!

  Komt, zingen wij tesaam

  met alle heiligen!

2

  Zij trokken uit als Abraham,

  door God de Heer geroepen

  zonder te weten waar hij kwam,

  om 't land van God te zoeken.

  Zij zijn gestorven in zijn naam

  en hebben niets geweten

  dan dat Hij had gezegd: Ik schaam

  mij niet uw God te heten.

  Geprezen zij zijn naam!

  Hij deed hen veilig gaan!

  Komt, zingen wij tesaam

  met alle heiligen!

3

  Die van de aarde vrijgekocht

  nu rusten van hun werken,

  zij spreken en getuigen nog

  om ons geloof te sterken,

  dat wij omgeven door de wolk

  de weg ten einde lopen,

  een met het heilig trekkend volk

  in liefde en in hope.

  Geprezen zij zijn naam!

  Hij doet ons veilig gaan!

  Komt, zingen wij tesaam

  met alle heiligen!

---

*104

#3

1

  Al wie het woord zal horen

  en doet het daarna niet

  is als een mens die ziet

  het eigen aangeboren

  gelaat

  zo 't in de spiegel staat.

2

  Maar heeft hij 't al geweten,

  dit beeld van zijn bestaan,

  daarna zijns weegs gegaan

  terstond is hij 't vergeten

  en ziet

  doch kent zichzelve niet!

3

  Ons beeld, ons ware wezen,

  woord Gods in eigen vlees,

  volmaakt en zonder vrees,

  staat in de wet te lezen

  zo doet

  wat zalig is en goed.

---

*105

#7

1

  Christus heeft voor ons geleden

  als een beeld van ons bestaan,

  dat wij zover zouden gaan

  in zijn voetstappen te treden.

2

  Die geen zonde heeft bedreven,

  uit wiens mond niet is gehoord

  enig onvertogen woord,

  maar de adem van het leven.

3

  Die wanneer Hij werd geslagen,

  zelfs zijn mond niet opendeed,

  die niet dreigde als Hij leed,

  maar het zwijgend heeft verdragen.

4

  Die de zonden heeft gekorven

  in zijn lichaam aan het hout,

  dat gij Gode leven zoudt,

  aan de zonde afgestorven.

5

  Door wiens striemen gij genezen,

  door wiens dood gij levend zijt,

  levend in rechtvaardigheid,

  taal en teken van Gods wezen.

6

  Als eertijds verdoolde schapen

  thans den Herder toegewijd,

  die u in de waarheid weidt.

  Uw Bewaarder zal niet slapen.

7

  Ja, de Heer zal u bewaren,

  Hij de Herder, Hij het Lam,

  die voor u ter aarde kwam,

  die voor u is opgevaren!

---

*106

#4

1

  Het einde aller dingen is nabij,

  zo weest dan nuchter, waakt in de gebeden,

  vurig van hart en staat elkander bij;

  liefde dekt alle ongerechtigheden.

2

  Staat voor elkander open, dient elkaar,

  ieder gelijk hij gaven heeft gekregen;

  maakt om u heen het heil des Heren waar

  en deelt met een ruim hart Gods grote zegen.

3

  Als iemand spreekt, hij spreke vrank en vrij

  als iemand dient, hij diene met zijn daden,

  dat God in taal en taak verheerlijkt zij:

  Woord van zijn Woord, genade voor genade.

4

  Door Jezus den Messias wien behoort

  de kracht, de heerlijkheid alle de dagen;

  zo weest nu waakzaam en gedenkt het woord

  het einde aller dingen heeft geslagen.

---

*107

#4

1

  Wie zich hovaardig heffen,

  die zal God wederstaan,

  maar wie zachtmoedig leven,

  ziet Hij genadig aan.

  Daarom, houdt u gereed,

  voegt u gewillig samen,

  elkander onderdanig,

  ootmoedigheid uw kleed.

2

  Zo buigt u dan terneder

  en kust de hand van God

  die krachtig is en teder

  en klaagt Hem al uw nood,

  opdat Hij u verhoogt

  wanneer de dag zal dagen,

  dat alles is voldragen,

  de ochtend van de oogst.

3

  Uw vijand niets ontziende

  gaat als een leeuw op roof

  en zoekt u te verslinden,

  sta vast in het geloof,

  weest nuchter dan en waakt

  en draagt uw deel van 't lijden

  dat tot het eind der tijden

  ter wereld wordt volbracht.

4

  De God aller genade

  die u geroepen heeft,

  die zal u wel bewaren,

  zo waar Hij eeuwig leeft.

  Lijdt nog een kleine tijd,

  God zal u niet begeven,

  Hij staaft en sterkt uw leven,

  en geeft u zekerheid.

---

*108

#6

1

  Weest niet verbaasd als u de wereld haat;

  gij moet integendeel uw liefde geven:

  dat is de overgang van dood naar leven!

  Wie niet bemint leeft in gestorven staat.

2

  Al wie zijn broeder haat begaat een moord.

  God heeft ons niet geroepen om te doden,

  samen te leven heeft Hij ons geboden.

  Alleen de liefde plant zijn schepping voort.

3

  Maar wie de dood diep in zijn wezen draagt,

  kan die het leven in zich hebben wonen?

  Broeder en broeder zijn tezamen zonen

  van God die liefde geeft en liefde vraagt.

4

  Zo hebben wij de liefde Gods herkend:

  dat Hij zijn leven voor ons heeft gegeven.

  Er staat in alle woorden Gods geschreven

  dat wie de mensen haat zijn schepping schendt.

5

  Wie al het goed van deze wereld heeft

  en die zijn broeder dan gebrek ziet lijden,

  hoe zou Gods liefde levend in hem blijven?

  Levend alleen is wat nieuw leven geeft.

6

  Niet slechts met woord en tong maar metterdaad

  en in der waarheid moeten wij beminnen.

  Zo immers leven wij het leven binnen.

  Wie niet bemint leeft in gestorven staat.

---

*109

#6

1

  Hoor een heilig koor van stemmen,

  staande aan de glazen zee,

  halleluja, halleluja,

  God zij glorie, zingen zijn.

  Menigten die geen kan tellen,

  als de sterren in hun glans,

  psalmen zingend, palmen dragend,

  in de hemel is een dans.

2

  Patriarchen en profeten,

  de getuigen van uw Geest,

  koning, heilige, apostel,

  martelaar, evangelist,

  maagden, moeders, mannen, vrouwen

  die volhardden tot het eind,

  tot U baden in vertrouwen,

  die nu stralende verschijnt.

3

  Komende uit de verdrukking,

  en de kleren wit als sneeuw

  in het bloed des Lams gewassen

  van het vuil van deze eeuw,

  in vervolgingen standvastig

  wachtende op U, hun Heer,

  overwonnen zij de satan

  en de wereld neemt een keer.

4

  Ja, zij hebben overwonnen

  met uw kruis als hun banier,

  volgend U in uw verzoening,

  door de diepe doodsrivier.

  Met uw lijden medelijdend,

  medestervend in uw dood,

  vonden zij het eeuwig leven

  en hun loon bij U is groot.

5

  Nu omstraalt hen licht des hemels

  en de levensbron ontspringt

  waar zij juichen U ter ere

  waar hun koor uw glorie zingt.

  Vrede is hun deel voor immer,

  liefde is hun eeuwig recht,

  alle waarheid zal het winnen

  en het blinkt van uw gezicht.

6

  God uit God, eerste geboren,

  licht uit licht, o zonneschijn,

  in wiens lichaam uitverkoren

  heiligen slechts heilig zijn,

  schenk ons leven uit uw bronnen,

  door uw adem aangeraakt

  zingen wij tot Vader, Zoon en

  Heilige Geest die levend maakt.

---

*110

#4

1

  Het Lam, voor ons op aard' geslacht,

  is eeuwig waard te ontvangen

  de wijsheid, rijkdom, eer en kracht

  en dankb're lofgezangen!

2

  Hij, die als Hogepriester leeft,

  en met zijn Geest ons zegent,

  Hij is 't, die moed en sterkte geeft,

  wat kwaad ons ook bejegent.

3

  Die in ons oog de moeite leest,

  toont ons zijn medelijden;

  Hij is, als wij, verzocht geweest

  en sterkt ons, als wij strijden.

4

  Hij komt en draagt de gloriekroon;

  God toont zijn welgevallen

  en geeft aan Hem, als Mensenzoon

  het oordeel over allen.

---

*111

#4

1

  Een stem, die niemand stuit,

  hoor ik ten hemel uit

  weerklinken: Looft den Here!

  Het heil heeft Hij tot stand gebracht,

  het zal Hem worden toegedacht

  en met een moeiteloze macht

  zal Hij voortaan regeren.

2

  Hij maakt zijn oordeel waar.

  Hij zal van boos gevaar

  bevrijden 't aardse leven.

  Al wat er zwelgt in bloed en dood

  en 't duister eert als moederschoot,

  is nu verdelgd. Zo goed en groot

  is Hij die recht wil geven.

3

  Verslagen is de strijd.

  Nu stijgt in eeuwigheid

  de wierook der gebeden.

  Nu wordt verteerd, wat zich verweert,

  tot het als lofzang wederkeert:

  boven begrip en rede.

4

  Een stem, die niemand stuit,

  hoor ik ten hemel uit

  ten hemel in weerkaatsen:

  looft onze God, wie Hem behoort,

  en plant zijn lof op aarde voort,

  want waar men zingt is 't heilig oord,

  waar Hij zijn troon wil plaatsen.

---

*112

#9

1

  Als Koning opgetreden

  en heerser van 't heelal,

  wees dan, o Heer, aanbeden

  met lied'ren overal!

2

  De lichten zijn ontstoken,

  de liefde wordt gevierd,

  het leven is ontloken,

  de bruid heeft zich versierd.

3

  Zo blakende van minne

  in alle waardigheid:

  het smetteloze linnen

  van de rechtvaardigheid.

4

  Het ongerepte leven

  zo blinkende gekleed,

  uit draden saamgeweven:

  de daden die men deed.

5

  De bruiloft is gekomen,

  de tafel aangericht.

  Vergeten zijn de dromen,

  gedaan is het gericht.

6

  En wat is ons geboden

  aan deze blanke dis?

  Die zelf het brood der broden,

  de wijn der ranken is.

7

  Hoe zalig die zich laven,

  van vreugde dronken zijn!

  Hij is de overgave,

  hij wil geschonken zijn.

8

  Hij is de wijn, de zoete,

  die nimmermeer verschaalt,

  het Lam dat voor ons boette

  en dat nu zegepraalt.

9

  O land van melk en honing,

  o water dat ons wast!

  Zo laat er in zijn woning

  vrolijk zijn toegetast!

---

*113

#4

1

  Ik zag een troon

  en die daarop gezeten was,

  zo wit en groot

  dat er geen plaats meer voor de hemel was.

  De sterren waren overschenen

  door zijn aangezicht.

  De aarde was verdwenen

  in zijn licht.

2

  En uit de dood

  kwamen de doden opgestaan,

  en voor de troon

  zag ik de groten en de kleinen staan.

  Het donker waar zij in verzonken

  gaf hen allen weer,

  de diepte die zij dronken

  was niet meer.

3

  En in 't gericht

  zag ik de boeken opengaan

  en kwam aan 't licht

  alles wat door de doden was gedaan.

  Maar ook het naamboek van het leven

  was daar en ik zag

  hoe wat Hij had geschreven

  openlag.

4

  Toen zeide Hij

  die op de troon gezeten was:

  het is voorbij,

  en 'k zag dat er opnieuw een wereld was.

  En 'k zag dat wat daar was geleden,

  wat daar was geschreid,

  bevrijd was in een vrede

  voor altijd.

---

*114

#3

1

  Ik zag een nieuwe hemel zich verheffen,

  een nieuwe aarde ontstond

  om het geheim des levens te beseffen,

  niet meer in zee gegrond.

  Ik zag een stad verblindend naderkomen,

  een middelpunt van feest,

  Jeruzalem, zoals het in Gods dromen

  van ouds moet zijn geweest.

2

  Jeruzalem is als een bruid getreden

  voor God in wit en goud

  en in haar held're ogen staat een vrede

  door niemand ooit aanschouwd.

  Een stem roept in het rond: nu gaat beginnen,

  de koninklijke tijd,

  de koning zal de koningin beminnen

  die Hem is toegewijd.

3

  De Koning die zijn troon heeft in den hoge,

  houdt bij de mensen hof

  en alle tranen zal Hij van hun ogen

  afwissen tot zijn lof.

  Er zal geen rouw, er zal geen dood meer wezen,

  nergens verdriet meer zijn,

  de eerste dingen werden uitgewezen,

  voorbij ging alle pijn.

---

*115

#4

1

  Die op de troon zat zeide:

  nieuw maak Ik alle ding,

  hemel en aarde beide,

  wat nu ten einde ging.

  Al wat er moest vervallen,

  stierf in der tijden kring.

  Ik maak de dingen alle

  blinkend van zegening.

2

  De woorden zijn waarachtig

  die Hij gesproken heeft

  want God de Heer almachtig,

  oorsprong van al wat leeft,

  de eerste en de laatste

  einde en nieuw begin,

  Hij, God, sluit alle plaatsen

  en alle tijden in.

3

  Wie dorst heeft, laat hij drinken,

  de bron des levens welt,

  nu zal in 't niet verzinken

  aanzien en macht en geld,

  want springende fonteinen

  wachten wie overwon,

  de zingenden, de reinen,

  God is hun pure bron.

4

  God zal hun Vader wezen

  en zij der waarheid kind,

  maar wie Hem niet wil vrezen

  een poel van leugen vindt.

  Daarom wilt u bekeren,

  dat gij niet zult vergaan

  doch staan voor God de Here

  als zoon en erfgenaam.

---

*116

#6

1

  Daar komt een schip, geladen

  tot aan het hoogste boord,

  draagt Gods Zoon vol genade,

  des Vaders eeuwig woord.

2

  Hoe 't schip het water kliefde!

  Het bergt een kostb'ren last;

  het zeil, dat is de liefde,

  de Heil'ge Geest de mast.

3

  Het anker valt ter rede,

  nu is het schip aan land.

  Het woord is vlees geworden,

  Gods Zoon reikt ons de hand.

4

  Te Bethlehem geboren

  als kindje in een stal,

  geeft zich voor ons verloren

  de Heiland van 't heelal.

5

  En wie in groot verblijden

  dit kindje kussen wil,

  moet vooraf met Hem lijden

  zijn kruis, om zijnentwil,

6

  En daarna met Hem sterven,

  om met Hem op te staan

  en 't leven te verwerven,

  gelijk Hij heeft gedaan.

---

*117

#7

1

  Hoe zal ik U ontvangen,

  hoe wilt Gij zijn ontmoet,

  der wereld hoogst verlangen,

  des harten heiligst goed?

  Wil zelf uw fakkel dragen

  in onze duisternis,

  opdat wat U behage

  ons klaar en zeker is.

2

  Uw Sion strooit U palmen

  en meien voor uw voet,

  en ik breng U in psalmen

  mijn jubelende groet.

  Mijn hart zal openspringen

  gelijk ontluikend groen,

  ik wil uw naam lofzingen

  zoveel mijn lied kan doen.

3

  Ver van de troon der tronen

  en 's hemels zonneschijn

  wilt Ge onder mensen wonen,

  der mensen broeder zijn.

  Met God wilt Ge ons verzoenen,

  tot God heft Ge ons omhoog,

  en onder millioenen

  hebt Gij ook mij in 't oog.

4

  'k Lag machteloos gebonden

  Gij komt en maakt mij vrij!

  Ik was bevlekt met zonden

  Gij komt en reinigt mij!

  Het leven was mij sterven

  tot Gij mij op deedt staan.

  Gij doet mij schatten erven,

  die nimmermeer vergaan.

5

  Zo diep waart Gij bewogen:

  Gij daaldet van uw troon;

  uit godlijk mededogen

  zocht Gij der mensen woon,

  Gij die de last der volken,

  hun plagen duizendvoud,

  wat niemand kan vertolken,

  in liefde omsloten houdt.

6

  Gij zwaarbeproefde schare

  ten dode toe benard,

  daar gaat een blijde mare,

  o schrijf die in uw hart:

  al drukt het kruis uw schouder,

  al dooft het laatste licht,

  uw Trooster en Behouder

  staat voor uw aangezicht.

7

  Nog eens zal Hij verschijnen

  als richter van 't heelal,

  die 't hoofd van al de zijnen

  voor eeuwig kronen zal.

  Nog is die dag verborgen,

  wacht hem gelovig af,

  terwijl de grote morgen

  reeds schemert boven 't graf.

---

*118

#2

1

  Op U, mijn Heiland, blijf ik hopen.

  Verlos mij van mijn bange pijn!

  Zie, heel mijn hart staat voor U open

  en wil, o Heer, uw tempel zijn.

  O Gij, wien aard' en hemel zingen,

  verkwik mij met uw heil'ge gloed.

  Kom met uw zachte glans doordringen,

  o zon van liefde, mijn gemoed!

2

  Vervul, o Heiland, het verlangen,

  waarmee mijn hart uw komst verbeidt!

  Ik wil in ootmoed U ontvangen,

  mijn ziel en zinnen zijn bereid.

  Blijf in uw liefde mij bewaren,

  waar om mij heen de wereld woedt.

  O, mocht ik uwe troost ervaren:

  doe intocht, Heer, in mijn gemoed!

---

*119

#5

1

  Richt op uw macht, o Here der heirscharen

  en laat uw hulp ontwaken uit uw hand,

  wil voor uw aangezicht uw volk bewaren

  opdat de nacht zal wijken uit het land.

2

  Richt aan uw heil voor wie in onheil leven,

  zend uw gerechtigheid als morgendauw,

  dan zal het land de rijkste vruchten geven:

  de vijgeboom en wijnstok van de trouw.

3

  Richt op uw woning en roep ons tezamen,

  omring ons met uw alvermogend woord,

  wees ons een tempel en roep onze namen,

  zodat wij juichen: God heeft ons verhoord!

4

  Richt aan de vreugdedis voor al de dagen,

  reik ons de beker van uw trouwverbond,

  wij zullen altoos van uw heil gewagen

  in brood en wijn, totdat Gij wederkomt.

5

  Richt over de aarde en haar diepe stromen,

  de volkeren de sterren, zon en maan,

  zij zullen allen voor uw aanschijn komen

  en zingen dat uw woorden niet vergaan.

---

*120

#4

1

  Heft op uw hoofden, poorten wijd!

  Wie is het, die hier binnen rijdt?

  Begroet Hem, Heer der heerlijkheid

  en Heiland vol barmhartigheid!

  Hij geeft de wereld 't leven weer.

  Juicht blijde, zingt uw God ter eer,

  looft Hem, die sterk van daad

  de deuren binnen gaat.

2

  Rechtvaardigheid is zijn bestel,

  zachtmoedigheid zijn metgezel.

  Hij draagt een kroon van heiligheid,

  een scepter van barmhartigheid.

  Hij maakt ons vrij, de angst verdwijnt,

  Juicht, nu die Heiland ons verschijnt;

  door Hem geschiedt Gods raad,

  zijn heerschappij bestaat!

3

  Gezegend was het land, de stad,

  waar deze Koning binnentrad.

  Gezegend 't hart, dat openstaat

  en Hem als Koning binnenlaat.

  De Zonne der gerechtigheid

  verblindde niet door majesteit;

  maar wat in duister sliep,

  ontwaakte, toen Hij riep.

4

  Heft op uw hoofden, poorten wijd!

  Elk hart zij Hem ter woon bereid!

  De palmen van uw eerbied spreidt

  de weg langs, die uw Koning rijdt.

  Hij komt tot u met troost en vree

  en brengt u heil en liefde mee.

  Geprezen zij de Heer,

  Hij geeft u 't leven weer!

---

*121

#4

1

  God lof! Nu is gekomen

  Gods aangename tijd:

  de Koning onzer dromen,

  de Heer der heerlijkheid

  treedt, zonder praal en pracht,

  in onze wereld binnen,

  om hier te overwinnen

  de duivel en zijn macht.

2

  Hij wilde zich verlagen

  en daalde van zijn troon;

  een ezel mag Hem dragen,

  Hem sieren staf noch kroon.

  Hij wil zijn koningsmacht

  en majesteit verhullen,

  om need'rig te vervullen

  wat God van Hem verwacht.

3

  Gij machtigen der aarde,

  't is uit met Gods geduld,

  zo gij Hem niet aanvaarden,

  Hem niet aanbidden zult.

  Wie in hun trots en waan

  zich tegen Hem verheffen,

  die zal zijn gramschap treffen,

  die doet Hij ondergaan.

4

  Gij armen en verdrukten,

  waar gij op aarde zijt,

  gebeukten en gebukten

  in deze boze tijd,

  houdt moed, Hij nadert al!

  Gij moogt uw Held ontvangen,

  de Vorst van uw verlangen,

  met lied'ren zonder tal!

---

*122

#5

1

  Komt tot ons, de wereld wacht,

  Heiland, kom in onze nacht.

  Licht dat in de nacht begint,

  kind van God, Maria 's kind.

2

  Kind dat uit uw kamer klein,

  als des hemels zonneschijn

  op de aarde wordt gesteld,

  gaat uw weg zoals een held.

3

  Gij daalt van de Vader neer

  tot de Vader keert Gij weer,

  die de hel zijt doorgegaan

  en hemelwaarts opgestaan.

4

  Uw kribbe blinkt in de nacht

  met een ongekende pracht.

  Het geloof leeft in dat licht

  waarvoor al het duister zwicht.

5

  Lof zij God in 't hemelrijk,

  Vader, Zoon en Geest gelijk,

  nu en overal altijd,

  nu en tot in eeuwigheid.

---

*123

#5

1

  De naam des Heren nadert reeds van verre,

  Jeruzalem, ga op de heuvel staan;

  Hij tooit u met de heerlijkheid der sterren,

  gij, kroon der schoonheid, hef uw bruidzang aan.

2

  Hij schittert als het licht van zeven dagen,

  Hij zetelt op de veste van uw lied;

  gij zult de volken van uw heil gewagen

  die dringen rond uw heilig grondgebied.

3

  Jeruzalem, gij zijt de troost der Schriften,

  en groot is uw volharding en geduld;

  sta op en zie: dit is het eind der zuchten,

  de Heer der tijden heeft uw dag vervuld.

4

  Uw ballingschap heeft uit, nu zult gij dienen,

  lichtende stad, de Koning Zebaoth,

  de Vorst der volkeren, zij zullen knielen

  en zich met u verblijden in uw lot.

5

  Moeder der levenden, bereid zijn wegen,

  uw zonen komen reeds van verre aan,

  zij dingen naar uw erfdeel en uw zegen,

  vorstin der aarde, richt uw maaltijd aan.

---

*124

#5

1

  Nu daagt het in het oosten,

  het licht schijnt overal:

  Hij komt de volken troosten,

  die eeuwig heersen zal.

2

  De duisternis gaat wijken

  van de eeuwenlange nacht.

  Een nieuwe dag gaat prijken

  met ongekende pracht.

3

  Zij, die gebonden zaten

  in schaduw van de dood,

  van God en mens verlaten

  begroeten 't morgenrood.

4

  De zonne, voor wier stralen

  het nacht'lijk duister zwicht,

  en die zal zegepralen,

  is Christus, 't eeuwig licht!

5

  Reeds daagt het in het oosten,

  het licht schijnt overal:

  Hij komt de volken troosten,

  die eeuwig heersen zal.

---

*125

#5

1

  O kom, o kom, Immanu?l,

  verlos uw volk, uw Isra?l,

  herstel het van ellende weer,

  zodat het looft uw naam, o Heer!

  Weest blij, weest blij, o Isra?l!

  Hij is nabij, Immanu?l!

2

  O kom, Gij wortel Isa?,

  verlos ons van de tyrannie,

  van alle goden dezer eeuw,

  o Herder, sla de boze leeuw.

  Weest blij, weest blij, o Isra?l!

  Hij is nabij, Immanu?l!

3

  O kom, o kom, Gij Ori?nt,

  en maak uw licht alom bekend;

  verjaag de nacht van nood en dood,

  wij groeten reeds uw morgenrood.

  Wees blij, weest blij, o Isra?l!

  Hij is nabij, Immanu?l!

4

  O kom, Gij sleutel Davids, kom

  en open ons het heiligdom;

  dat wij betreden uwe poort,

  Jeruzalem, o vredesoord!

  Weest blij, weest blij, o Isra?l!

  Hij is nabij, Immanu?l!

5

  O kom, die onze Heerser zijt,

  in wolk en vuur en majesteit.

  O Adonai die spreekt met macht,

  verbreek het duister van de nacht.

  Weest blij, weest blij, o Isra?l!

  Hij is nabij, Immanu?l!

---

*126

#3

1

  Verwacht de komst des Heren,

  o mens, bereid u voor:

  reeds breekt in deze wereld

  het licht des hemels door.

  Nu komt de Vorst op aard,

  die God zijn volk zou geven;

  ons heil, ons eigen leven

  vraagt toegang tot ons hart.

2

  Bereid dan voor zijn voeten

  de weg die Hij zal gaan;

  wilt gij uw Heer ontmoeten,

  zo maak voor Hem ruim baan.

  Hij komt, bekeer u nu,

  verhoog de dalen, effen

  de hoogten die zich heffen

  tussen uw Heer en u.

3

  Een hart dat wacht in ootmoed

  is lieflijk voor de Heer,

  maar op een hart vol hoogmoed

  ziet Hij in gramschap neer.

  Wie vraagt naar zijn gebod

  en bidden blijft en waken,

  in hem wil woning maken

  het heil, de Zoon van God.

---

*127

#7

1

  Gaat, stillen in den lande,

  uw Koning tegemoet,

  de intocht is ophanden

  van Hem die wondren doet.

  Gij die de Heer verwacht,

  laat ons voor alle dingen

  Hem ons hosanna zingen.

  Hij komt, Hij komt met macht.

2

  Vat moed, bedroefde harten,

  de Koning nadert al.

  Vergeet  uw angst en smarten,

  daar Hij u helpen zal.

  Er is weer nieuwe hoop:

  Hij noemt u zijn beminden,

  in 't woord laat Hij zich vinden,

  in avondmaal en doop.

3

  Hoort toe, gij zwaarbeproefden,

  uw Koning is niet ver!

  Voor wie in 't duister toefden,

  rijst nu de morgenster.

  De Heer geeft in de nood

  zijn wonderbare bijstand;

  Hij slaat de laatste vijand,

  Hij overwint de dood.

4

  Weest onbezorgd, gij armen,

  aan kinderen gelijk;

  in koninklijk erbarmen

  maakt God u groot en rijk.

  Hij die het veld bekleedt,

  de vogelen kan spijzen,

  wil ook zijn kind bewijzen

  dat Hij zijn noden weet.

5

  Juicht nu, trots al uw zorgen,

  de Koning komt met macht.

  Ons, in zijn hart geborgen

  heeft Hij zo rijk bedacht.

  Nu zullen angst en pijn

  en toorn ons nooit meer schaden.

  God wil, in zijn genade,

  dat wij zijn kind'ren zijn.

6

  Gaat uit met snelle schreden

  uw Koning tegemoet.

  Daar komt Hij aangereden,

  rechtvaardig, schoon en goed!

  Komt nu van overal

  uw Heer en Heiland groeten,

  die al het leed verzoeten,

  de pijn genezen zal.

7

  Gij schenkt met volle handen,

  die zelf de armoe draagt.

  Gij maakt uzelf te schande,

  die steeds naar zondaars vraagt.

  Wij willen, groot en klein,

  die 't al van U ontvingen,

  U ons hosanna zingen

  en eeuwig dankbaar zijn.

---

*128

#6

1

  Kom tot ons, scheur de heem'len, Heer,

  daal, Heiland, uit uw hemel neer.

  Ruk open, rijt ze uit het slot,

  de hemeldeuren, Zoon van God.

2

  Dauwt, heem'len, schenk u maat'loos uit,

  daal, Heer, als dauw op dorstig kruid.

  Gij wolken, breekt in regens neer,

  regent de Heiland, Isrels Heer.

3

  Breek, aarde, uit, breek uit in pracht,

  dat berg en dal van lente lacht.

  O aarde, wek die roze rood,

  ontspring, Heer, aan der aarde schoot.

4

  Waar blijft Gij toch, o 's werelds troost,

  die wij verbeiden onverpoosd?

  O daal toch uit uw hoog paleis

  in ons verloren paradijs.

5

  Gij klare zon, gij schone ster,

  door ons aanschouwd van eind'loos ver,

  o zon ga op, o zonneschijn,

  laat ons niet in het donker zijn.

6

  Wij zijn hier in zo grote nood,

  wij leven allen naar de dood.

  O kom, en voer met sterke hand

  ons weer terug in 't vaderland.

---

*129

#6

1

  Geen kracht meer om te leven,

  geen licht om op te staan;

  de stad van onze vrede,

  de stad van Gods bestaan,

  is kinderloos alleen,

  berooid, beroofd, verlaten,

  de wanhoop in haar straten,

  de winter om haar heen.

2

  Wees langer niet verbolgen

  in deze laatste tijd,

  kom haastig met de wolken,

  God van rechtvaardigheid!

  De dood is overal,

  het licht is uitgestorven,

  de nacht is zonder morgen,

  het lichaam zonder taal.

3

  Wij zijn als een onreine,

  een afgevallen blad,

  de wind doet ons verdwijnen,

  ons eigenhandig kwaad.

  Uw licht, uw aangezicht

  hebt Gij voor ons verduisterd,

  de schuld heeft ons verbijsterd,

  een last die op ons ligt.

4

  Aanzie al die ellende,

  hoe wij zijn opgejaagd

  en zend wie Gij zoudt zenden,

  die alle zonden draagt.

  Laat van de steenwoestijn

  tot aan de berg des Heren

  het Lam alom regeren,

  de aarde aarde zijn!

5

  De vrede gaat verloren,

  o hemel, sta ons bij!

  Wordt gij weerom geboren,

  spreekt God, en hoort naar Mij!

  ik ben IK BEN, uw Heer,

  uw Vader, uw bevrijder,

  Ik laat in deze tijden

  vrede op aarde neer!

6

  Gij hemel vastbesloten,

  gij wolken zwaar en grijs,

  geeft heden uit den hoge

  uw volk rechtvaardigheid

  als dauw die na de nacht

  omlaag daalt allerwege,

  als hemelhoge regen

  die alles vruchtbaar maakt!

---

*130

#4

1

  De nacht is haast ten einde,

  de morgen niet meer ver.

  Bezing nu met verblijden

  de held're morgenster.

  Wie schreide in het duister

  begroet zijn klare schijn

  als hij met al zijn luister

  straalt over angst en pijn.

2

  Zo is ons God verschenen

  in onze lange nacht.

  Hij die de eng'len dienen

  die eeuwen is verwacht,

  is als een kind gekomen

  en heeft der wereld schuld

  nu zelf op zich genomen

  en draagt ze met geduld.

3

  Hoevele zwarte nachten

  van bitterheid en pijn

  en smartelijk verwachten

  ons deel nog zullen zijn

  op deze donk're aarde,

  toch staat in stille pracht

  de ster van Gods genade

  aan 't einde van de nacht.

4

  God lijkt wel diep verborgen

  in onze duisternis

  maar schenkt ons toch een morgen

  die vol van luister is.

  Hij komt ons toch te stade

  ook in het strengst gericht.

  Zijn oordeel is genade,

  zijn duisternis is licht.

---

*131

#7

1

  O zalig, heilig Bethlehem,

  o onder duizend uitverkoren,

  vereerd boven Jeruzalem,

  want Jezus is in u geboren.

2

  O Bethlehem, klein grote stad,

  klein van begrijp, maar groot van waarde,

  gij zijt het allereelste vat

  en de allerrijkste stad der aarde.

3

  Verheugt u dan, o Isra?l,

  hoe mocht me u blijder boodschap brengen?

  Tot u zo komt Immanu?l,

  wilt uit der zonden slaap ontspringen.

4

  O Koning Christe, Prinse groot,

  hoe wordt Gij hier aldus gevonden

  in hooi, in stro, in zulke nood,

  in arme doekskes teer gewonden?

5

  Gij hebt het firmament gemaakt,

  alwaar U loven 's hemels geesten,

  maar nu geheel bloot ende naakt

  ligt Gij in 't midden van de beesten.

6

  O machtig God, o Jesu zoet,

  wat liefd' heeft U daartoe getrokken,

  dat Gij aanneemt ons vlees en bloed

  om ons tot U alzo te lokken?

7

  Komt tot dit Kind, gij Adams kind,

  hoe kunt gij nog de wereld minnen?

  Ziet hoe Jezus Hem met u bindt,

  offert Hem heel uw hart en zinnen.

---

*132

#3

1

  Er is een roos ontloken

  uit barre wintergrond,

  zoals er was gesproken

  door der profeten mond.

  En Davids oud geslacht

  is weer opnieuw gaan bloeien

  in 't midden van de nacht.

2

  Die roos van ons verlangen,

  dat uitverkoren zaad,

  is door een maagd ontvangen

  uit Gods verborgen raad.

  Maria was bereid,

  toen Gabri?l haar groette

  in 't midden van de tijd.

3

  Die bloem van Gods behagen

  heeft, naar Jesaja sprak,

  de winterkou verdragen

  als allerdorste tak.

  O roos als bloed zo rood,

  God komt zijn volk bezoeken

  in 't midden van de dood.

---

*133

#15

1

  Ik ben een engel van de Heer,

  daal uit de hemel tot je neer

  en breng een nieuw en mooi verhaal

  dat ik vertel in mensen taal.

2

  't Is van een moeder die vannacht

  een kindje kreeg en dankbaar lacht.

  't Is van een kindje, lief en klein,

  dat wil altijd je vriendje zijn.

3

  De Here Jezus is dat kind

  die ieder helpt die Hem bemint,

  de Heiland die je droefheid kent

  en alles waar je bang voor bent.

4

  Hij die je van je schuld bevrijdt

  geeft je geluk en zaligheid,

  dat je in de hemel dag aan dag

  met ons, de eng'len, wonen mag.

5

  Let goed op wat ik je vertel,

  dan vind je vast dat kindje wel:

  't ligt in een kribbe in een stal

  Toch is Hij Koning van 't heelal.

6

  Laat ons nu blij en welgezind

  gaan zoeken naar dat hemels kind

  en met de herders binnengaan.

  Zie, zie wat God hier heeft gedaan.

7

  Maar kijk niet enkel met het oog

  dat al zo vaak een mens bedroog.

  Alleen wie luistert telkens weer

  die ziet Gods zoon, de lieve Heer.

8

  Wees welkom, eed'le gast, zo groot,

  die arme zondaars niet verstoot.

  Gij zoekt mij op in donk're nacht.

  Hoe wordt U ooit mijn dank gebracht.

9

  Heer die alles hebt gemaakt,

  hoe werdt Gij nu zo arm en naakt

  dat Gij in doeken liggen moet

  in 't hooi dat os en ezel voedt.

10

   Al zou de wijde wereld, Heer,

   tien keer zo groot of honderd keer,

   van goud en diamanten zijn...

   nog was ze als wieg voor U te klein.

11

   Maar grove doeken, simpel hooi,

   dat is uw koninklijke tooi,

   dat is de zijde, het brokaat

   waarin, Gij, vorst, U vinden laat.

12

   Zo voert Gij uit uw wijze plan

   waar ik de les uit leren kan,

   dat 's werelds macht en hoge staat

   voor U maar hooi is dat vergaat.

13

   O kindje Jezus, lief en zoet,

   spreid U een bedje in mijn gemoed

   en blijf bij mij in lief en leed,

   zodat ik, Heer, U nooit vergeet.

14

   Dan ben ik vrolijk en gerust

   en zing en spring naar hartelust.

   Mijn wiegelied krijgt dieper klank:

   een psalm van hulde, lof en dank.

15

   Ere zij God! Hij zendt zijn Zoon.

   De engelen zingen wonderschoon.

   Zo wensen zij ons allen saam

   een goed nieuwjaar in Jezus naam.

---

*134

#3

1

  Eer zij God in onze dagen,

  eer zij God in deze tijd.

  Mensen van het welbehagen,

  roept op aarde vrede uit.

  Gloria in excelsis Deo,

  Gloria in excelsis Deo.

2

  Eer zij God die onze Vader

  en die onze Koning is.

  Eer zij God die op de aarde

  naar ons toe gekomen is.

  Gloria in excelsis Deo,

  gloria in excelsis Deo.

3

  Lam van God, Gij hebt gedragen

  alle schuld tot elke prijs,

  geef in onze levensdagen

  peis en vre? kyrieleis.

  Gloria in excelsis Deo,

  gloria in excelsis Deo.

---

*135

#3

1

  Hoor, de eng'len zingen de eer

  van de nieuw geboren Heer!

  Vreed op aarde, 't is vervuld:

  God verzoent der mensen schuld.

  Voegt u, volken, in het koor,

  dat weerklinkt de hemel door,

  zingt met algemene stem

  voor het kind van Bethlehem!

  Hoor, de eng'len zingen de eer

  van de nieuw geboren Heer!

2

  Hij, die heerst op 's hemels troon,

  Here Christus, Vaders Zoon,

  wordt geboren uit een maagd

  op de tijd die God behaagt.

  Zonne der gerechtigheid,

  woord dat vlees geworden zijt,

  tussen alle mensen in

  in het menselijk gezin.

  Hoor, de eng'len zingen de eer

  van de nieuw geboren Heer!

3

  Lof aan U die eeuwig leeft

  en op aarde vrede geeft,

  Gij die ons geworden zijt

  taal en teken in de tijd,

  al uw glorie legt Gij af

  ons tot redding uit het graf,

  dat wij ongerept en rein

  nieuwgeboren zouden zijn.

  Hoor, de eng'len zingen de eer

  van de nieuw geboren Heer!

---

*136

#4

1

  Hoort gij de eng'len zingen,

  een jong en machtig koor?

  De hemelzangen dringen

  tot in de diepte door.

  Nu blijft de stem besloten

  bij herders in hun dal,

  straks zal hij zich vergroten,

  dan luistert het heelal.

2

  Nog is de glans verborgen,

  verschuilt zich in een stal.

  Hoe ver schijnt nog de morgen,

  die eenmaal lichten zal.

  Bedreigen donk're machten

  het kind, dat God ons zendt,

  wij moeten hunk'rend wachten

  tot Hij de tijden wendt.

3

  Nu knielen herders, wijzen,

  rondom de kribbe neer.

  Straks zal Hem alles prijzen

  als Heiland en als Heer.

  Dan vallen alle volken

  de Mensenzoon te voet,

  dan komt Hij op de wolken,

  in majesteit begroet.

4

  Wat wij gelovend hopen

  wordt eind'lijk toch vervuld,

  dan gaan de deuren open

  den wordt het rijk onthuld.

  God komt de Zoon verhogen,

  zijn scepter reikt zeer wijd.

  Dan schouwen onze ogen

  zijn komst in heerlijkheid.

---

*137

#4

1

  Hoor de herders, hoe ze Hem loven,

  hoor de engelen daarboven,

  allen die den Heer geloven,

  prijst uw Koning hemelhoog!

  Ons is daarbuiten in het veld

  een mare vermeld

  door Gabri?l, Gods bode:

  gij herders die uw schapen weidt

  weest nu verblijd

  blaast op uw schalmeien Gode,

  grote blijdschap, goede tijd,

  dat brengen wij bij dezen,

  dat u en al den volke nu zal wezen.

  Zoon van God, o Zoon van God, in vlees en bloed,

  die de mens van nood en dood genezen doet.

2

  Zie de wijzen, hoe ze reizen,

  om Gods Zoon met goud te prijzen,

  onzen Heer eer te bewijzen,

  myrrh' en wierook uit hun paleis.

  God onze hoogste majesteit

  deed in deze tijd

  zijn woord de mensen zoeken.

  Een meisje geeft Hem levenslicht

  en zie Hij ligt

  gebonden in de doeken,

  in de kribbe vindt gij Hem

  in Bethlehem ter stede,

  die allen zal bevrijden hier beneden.

  Zoon van God, o Zoon van God, in vlees en bloed,

  die de mens van nood en dood genezen doet.

3

  Zingt nu mede met Maria,

  zingt nu gloria halleluja,

  zingt met alle eng'len mede

  voor den Heer die Jezus heet!

  Toen zong het hele hemelkoor

  de hemel door:

  aan God den Vader ere

  en vrede zal van nu voortaan

  in Jezus' naam

  op aarde gaan regeren!

  In de mensen, in zijn volk,

  heeft God een welbehagen,

  nu heeft het aangename uur geslagen!

  Zoon van God, o Zoon van God, in vlees en bloed,

  die de mens van nood en dood genezen doet.

4

  Lieve mensen, allen samen,

  zingt nu blij te moede amen!

  Want wie zijn Gods erfgenamen?

  Gij en ik in Jezus' naam!

  De herders gingen toen op weg,

  zoals gezegd,

  om Davids Zoon te vinden

  en 't woord te zien dat is geschied

  en vrede biedt

  aan alle mensenkinderen.

  Zij kwamen aan in Bethlehem

  en hebben Hem gevonden

  die heel de wereld helen zal van zonde!

  Davids Zoon, ja Davids Zoon, Gods vlees en bloed,

  die de mens in nood en dood herleven doet.

---

*138

#4

1

  Komt allen tezamen,

  jubelend van vreugde:

  komt nu, o komt nu naar Bethlehem!

  Ziet nu de vorst der eng'len hier geboren.

  Komt, laten wij aanbidden,

  komt, laten wij aanbidden,

  komt, laten wij aanbidden die Koning.

2

  De hemelse eng'len

  riepen eens de herders

  weg van de kudde naar 't schamel dak. 

  Spoeden ook wij ons met eerbied'ge schreden!

  Komt, laten wij aanbidden,

  komt, laten wij aanbidden,

  komt, laten wij aanbidden, die Koning.

3

  Het licht van de Vader,

  licht van den beginne,

  zien wij omsluierd, verhuld in 't vlees:

  goddelijk Kind, gewonden in de doeken!

  Komt, laten wij aanbidden,

  komt, laten wij aanbidden,

  komt, laten wij aanbidden die Koning.

4

  O Kind, ons geboren,

  liggend in de kribbe,

  neem onze liefde in genade aan!

  U, die ons liefhebt, U behoort ons harte!

  Komt, laten wij aanbidden,

  komt, laten wij aanbidden,

  komt, laten wij aanbidden die Koning.

---

*139

#3

1

  Komt, verwondert u hier, mensen,

  ziet, hoe dat u God bemint,

  ziet vervuld der zielen wensen,

  ziet dit nieuw geboren kind!

  Ziet, die 't woord is, zonder spreken,

  ziet, die vorst is, zonder pracht,

  ziet, die 't al is, in gebreken,

  ziet, die 't licht is, in de nacht,

  ziet, die 't goed is, dat zo zoet is,

  wordt verstoten, wordt veracht.

2

  Ziet, hoe dat men met Hem handelt,

  hoe men Hem in doeken bindt,

  die met zijne godheid wandelt

  op de vleugels van de wind.

  Ziet, hoe ligt Hij hier in lijden

  zonder teken van verstand,

  die de hemel moet verblijden,

  die de kroon der wijsheid spant.

  Ziet, hoe tere is de Here,

  die 't al draagt in zijne hand.

3

  O Heer Jesu, God en mense,

  die aanvaard hebt deze staat,

  geef mij wat ik door U wense,

  geef mij door uw kindsheid raad.

  Sterk mij door uw tere handen,

  maak mij door uw kleinheid groot,

  maak mij vrij door uwe banden,

  maak mij rijk door uwe nood,

  maak mij blijde door uw lijden,

  maak mij levend door uw dood!

---

*140

#4

1

  Prijs de Heer die herders prijzen,

  die in 's hemels paradijzen

  alle eng'len eer bewijzen,

  hier op aarde daalt Hij neer.

2

  Geef de Koning van uw leven

  wat de koningen Hem geven,

  breng uw schatten de verheven

  in de stal geboren Heer.

3

  Laat uw loflied samenvallen

  met het lied der heil'gen allen,

  dat de hemelen weerschallen

  van die jubelende wijs.

4

  Aan de Koning uitverkoren,

  uit een maagd voor ons geboren,

  moet ons hele hart behoren

  onze lof en eer en prijs.

---

*141

#3

1

  Ik kniel aan uwe kribbe neer,

  o Jezus, Gij mijn leven!

  Ik kom tot U en breng U, Heer,

  wat Gij mij hebt gegeven.

  O, neem mijn leven, geest en hart,

  en laat mijn ziel in vreugd en smart

  bij U geborgen wezen.

2

  Voor ik als kind ter wereld kwam,

  zijt Gij voor mij geboren.

  Eer ik een woord van U vernam,

  hebt Gij mij uitverkoren.

  Voor dat uw hand mij heeft gemaakt,

  werd Gij een kindje, arm en naakt,

  hebt Gij U mij gegeven.

3

  Temidden van de nacht des doods

  zijt Gij, mijn zon, verrezen.

  O zonlicht, mild en mateloos,

  uw gloed heeft mij genezen.

  O zon die door het donker breekt

  en  't ware licht in mij ontsteekt,

  hoe heerlijk zijn uw stralen.

---

*142

#7

1

  U Jezus Christus loven wij,

  die een mens zijt, ons nabij,

  die uit een maagd geboren zijt,

  de hemel is om U verblijd.

  Kyrieleis.

2

  Gods eigen Zoon in majesteit

  ligt hier in een krib en schreit,

  een mensenkind van vlees en bloed,

  die eeuwig God is, eeuwig goed.

  Kyrieleis.

3

  Die voor de wereld is te groot,

  ligt hier in Maria 's schoot.

  Hij is een kindje klein en teer

  die alles onderhoudt als Heer.

  Kyrieleis.

4

  Het eeuwig licht staat aan 't begin,

  neemt de hele wereld in.

  Al is de nacht ook nog zo dicht,

  het maakt ons kind'ren van het licht.

  Kyrieleis.

5

  Hij God uit God van eeuwigheid,

  die een mens wordt in de tijd,

  Hij voert ons uit de duisternis,

  naar waar de hemel open is.

  Kyrieleis.

6

  Hoe arm daalt Hij op aarde neer,

  is uit liefde onze Heer,

  en maakt ons in het hemelrijk

  aan engelen in 't licht gelijk.

  Kyrieleis.

7

  Dat alles heeft de Heer gedaan,

  zo is Hij met ons begaan.

  Verheug u, ganse christenheid

  en breng Hem dank in eeuwigheid.

  Kyrieleis.

---

*143

#3

1

  Stille nacht, heilige nacht!

  Davids Zoon, lang verwacht,

  die miljoenen eens zaligen zal,

  wordt geboren in Bethlehems stal,

  Hij, der schepselen Heer,

  Hij, der schepselen Heer.

2

  Hulploos Kind, heilig Kind,

  dat zo trouw zondaars mint,

  ook voor mij hebt Ge U rijkdom ontzegd,

  wordt Ge op stro en in doeken gelegd.

  Leer me U danken daarvoor.

  Leer me U danken daarvoor.

3

  Stille nacht, heilige nacht!

  Vreed' en heil wordt gebracht

  aan een wereld, verloren in schuld;

  Gods belofte wordt heerlijk vervuld.

  Amen, Gode zij eer!

  Amen, Gode zij eer!

---

*144

#7

1

  Dansen wil mijn hart en springen,

  Heer, voor U

  juichen, nu

  alle eng'len zingen.

  Luister, hun vervoerde koren,

  hel en luid,

  juub'len 't uit:

  Christus is geboren!

2

  Heden heeft zijn rijk verlaten

  's hemels held,

  uw geweld,

  dood, zal niet meer baten!

  Als bevrijder zond de Here

  van zijn troon

  ons zijn Zoon.

  Lof zij Hem en ere!

3

  Tot zijn krib roept Hij de mensen,

  u en mij.

  Kom, zegt Hij,

  Ik vervul uw wensen;

  laat u niet door schijn verblinden:

  wat gij mist,

  in Mij is 't

  voor wie zoekt te vinden.

4

  Komt dan haastig toegelopen!

  Hier wordt heel

  't heil uw deel,

  zie, de poort staat open!

  Hij is liefde, Hij is leven;

  niet meer ver

  straalt de ster,

  die u licht zal geven.

5

  Gij die zijt in 't nauw gedreven,

  hebt vrij baan,

  gij moogt gaan

  op de weg ten leven.

  Kom, Hij wil u vrolijk maken;

  gij zult zijn

  daar waar pijn,

  nood noch dood u raken.

6

  Gij die onder uw geweten

  deerlijk lijdt,

  kom, gij zijt

  niet door God vergeten.

  Zie dit kind, gij hebt gevonden

  die geneest

  hart en geest

  en verbindt uw wonden.

7

  Staat gij daar met lege handen,

  hier zendt geen

  u weer heen

  in uw schuld en schande.

  Want in Hem schenkt God ons allen

  's hemels schat,

  't schoonste wat

  ons ten deel kan vallen.

---

*145

#3

1

  Nu zijt wellekome Jesu, lieve Heer,

  Gij komt van alzo hoge, van alzo veer.

  Nu zijt wellekome van de hoge hemel neer.

  Hier al op dit aardrijk zijt Gij gezien nooit meer.

  Kyrieleis.

2

  Herders op den velde hoorden een nieuw lied,

  dat Jezus was geboren, zij wisten 't niet.

  Gaat aan gene straten en gij zult Hem vinden klaar.

  Beth'lem is de stede, daar is 't geschied voorwaar.

  Kyrieleis.

 

3

  Wijzen uit het Oosten uit zo verren land

  zij zochten onze Here met offerand.

  Ze offerden ootmoediglijk mirr', wierook ende goud

  te eren van dat kinde, dat alle ding behoudt.

  Kyrieleis.

---

*146

#8

1

  Dit is de dag, die God ons schenkt,

  waaraan thans ieder christen denkt;

  hem viere, wat in 't groot heelal

  door Jezus is en wezen zal.

2

  Men had Hem eeuwen lang verwacht;

  en toen Gods tijdperk was volbracht,

  toen zond Hij van zijn hoge troon

  het heil der wereld ons, zijn Zoon.

3

  O Gij ons heil, ons hoogste goed,

  Gij werd een mens van vlees en bloed,

  werd onze broeder, en door U

  zijn wij Gods eigen kind'ren nu.

4

  Als ik dit wonder vatten wil,

  dan wordt mijn geest van eerbied stil,

  aanbidt het, maar doorgrondt het niet,

  dat zo de liefde Gods geschiedt.

5

  U, die voor ons geboren zijt,

  U zij ons hart, ons lied gewijd.

  Wij voegen juichend onze stem

  bij 't englenheir van Bethlehem.

6

  Geloofd die komt in 's Heren naam!

  Wij christ'nen zeeg'nen U te zaam,

  U, vredevorst, der vaadren wens,

  U zaligmaker, God en mens!

7

  Roem, hemel, die geboortedag,

  de schoonste, die de wereld zag;

  juich, aarde, nu ge uw koning ziet,

  zing Hem een nooit gezongen lied.

8

  Dit is de dag, die God ons schenkt,

  waaraan eens heel de wereld denkt;

  hem viere, wat in 't groot heelal

  door Jezus is en wezen zal.

---

*147

#6

1

  Looft God, gij christ'nen, maakt Hem groot

  in zijn verheven troon,

  die nu zijn rijk voor ons ontsloot

  en zendt zijn eigen Zoon,

  en zendt zijn eigen Zoon.

2

  Hij daalt uit 's Vaders schoot terneer

  op aard om kind te zijn,

  een kindje arm en naakt en teer

  al in een kribje klein,

  al in een kribje klein.

3

  Verzakende zijn macht en recht,

  verkiest Hij zich een stal,

  neemt de gedaant' aan van een knecht,

  de Schepper van het Al,

  de Schepper van het Al.

4

  Hij ruilt met ons op vreemde wijs:

  Hij neemt ons vlees en bloed

  en geeft ons in zijns Vaders huis

  zijn eigen overvloed,

  zijn eigen overvloed.

5

  Hij wordt een knecht en ik een heer:

  wat win ik veel daarbij!

  Waar vindt men zoveel gulheid weer

  als Jezus heeft voor mij,

  als Jezus heeft voor mij.

6

  En nu ontsluit Hij weer de poort

  van 't schone paradijs.

  De cherub staat er niet meer voor.

  God zij lof, eer en prijs!

  God zij lof, eer en prijs!

---

*148

#3

1

  Wees wellekom, Immanu?l,

  in vlees en bloed ons metgezel,

  ons Heiland en behoeder!

  Wees wellekom, o Godes Zoon,

  die komt van uit uws Vaders troon,

  ons aller Heer en broeder!

  Welkom,

  welkom,

  die ons harten,

  onze smarten

  komt genezen,

  welkom moet ons Jezus wezen!

2

  Uw heerlijkheid en godlijk licht

  wordt nu vertoond voor ons gezicht

  met al zijn gulden klaarheid;

  de vaadren zagen dit van ver

  als in de nacht de morgenster,

  nu schijnt de zon in waarheid.

  Welkom,

  welkom,

  die ons harten,

  onze smarten

  komt genezen,

  welkom moet ons Jezus wezen!

3

  O welkom, die ons vlees en bloed

  hergeven komt uw eeuwig goed

  en draagt der wereld zonden,

  om onzentwil in schamelheid,

  zeer arm in hooi en krib geleid,

  in doeken teer gewonden.

  Welkom,

  welkom,

  die ons harten,

  onze smarten

  komt genezen,

  welkom moet ons Jezus wezen!

---

*149

#4

1

  O God die met ons zijt,

  hoor ons verwarde bidden:

  al zijt Gij in ons midden,

  hoezeer zijn wij U kwijt!

  God uit God, licht uit licht,

  wat vraagt Ge ons U te zoeken

  ergens in stro en doeken,

  een onaanzienlijk wicht?

2

  Waarom hebt Gij uw macht,

  Heer, uit de hand gegeven,

  dat lijden werd uw leven,

  zwakte uw een'ge kracht?

  Waarom uw heerlijkheid

  verhuld in scha en schande,

  zozeer, dat Ge U niet van de

  geringsten onderscheidt?

3

  Om onze lotgenoot

  te zijn waar wij versagen,

  om onze nederlagen,

  ons leed en onze dood;

  om ons nabij te zijn,

  van vader en van moeder

  verlatenen, o broeder

  in nood, deelt Ge onze pijn.

4

  Maak onze ogen dan

  ziende en ons hart genegen

  tot wat er allerwegen

  leeft en niet leven kan,

  dat wij, als ons de tijd

  donker wordt van gevaren,

  zalig zijn en ervaren,

  dat Gij God met ons zijt.

---

*150

#5

1

  In den beginne was het woord,

  op aarde is zijn stem gehoord

  die spreken wil tot elk geslacht,

  Hij werd geboren in de nacht.

2

  Hij werd geboren in de nacht

  die al het licht heeft voortgebracht,

  aan zon en maan zijn teugel legt,

  Hij is de Heer, Hij werd een knecht.

3

  Hij is de Heer, Hij werd een knecht,

  op Hem wordt alle last gelegd,

  Hij woont temidden van het kwaad,

  Hij troont in onze lage staat.

4

  Hij troont in onze lage staat

  waar al wat leeft verloren gaat,

  Hij kwam toen niemand naar Hem riep,

  dit licht dat zoveel luister schiep.

5

  Dit licht dat in het duister sliep

  is God die ons bij name riep,

  Hij roept totdat Hij wordt gehoord,

  in den beginne was het woord.

---

*151

#3

1

  O Christus, woord der eeuwigheid,

  dat naar ons uitging in de tijd 

  en daad werd, mens van hoofd tot voeten,

  wij danken U, God die Gij zijt,

  dat Gij ons mens'lijk wilt ontmoeten.

2

  Hoe hadden wij U ooit verstaan,

  waart Gij niet tot ons uitgegaan,

  o levenswoord van den beginne?

  Spreek, woord van vlees en bloed, ons aan,

  o Christus, treed ons leven binnen.

3

  Gij werd een mens, maar zonder eer,

  die in de wereld geen verweer,

  niets heerlijks had voor mensenogen.

  Gij woord dat antwoord vraagt, o Heer,

  geef dat wij U herkennen mogen.

---

*152

#7

1

  Een Kind geboren te Bethlehem,

  te Bethlehem!

  Verheugd is nu Jeruzalem,

  halleluja, halleluja!

2

  Wiens heerschappij geen einde kent,

  geen einde kent,

  Hij daalde neer om onze ellend.

  Halleluja, halleluja!

3

  De Koningen uit het Oostenland

  het Oostenland,

  vereerden Hem met offerand.

  Halleluja, halleluja!

4

  Die knielden daar in ootmoed neer,

  in ootmoed neer,

  voor 't kleine kind, hun God en Heer.

  Halleluja, halleluja.

5

  Die zich zo diep vernederd heeft,

  vernederd heeft,

  Hij is het die ons 't leven geeft!

  Halleluja, halleluja.

6

  Hij maakt ons door zijn armoe rijk,

  zijn armoe rijk,

  en brengt ons in het hemelrijk.

  Halleluja, halleluja.

7

  Zo zinge al wat zingen mag,

  wat zingen mag:

  den Heer zij dank op deze dag.

  Halleluja, halleluja.

---

*153

#10

1

  Wij edelingen, blij van geest,

  ter kerke gaan op 't hoge feest

  den eerstgeboren Heiland groeten

  en knielen voor de klene voeten

  van 't Kind, waarvoor Herodes vreest.

2

  Het Kind, waarvoor een starre rijst,

  die wijzen met haar stralen wijst

  de donk're plaats van zijn geboorte,

  en leidt hen binnen Davids poorte,

  daar de Allerhoogste 't laagste prijst.

3

  Het oosten offert wierook, goud

  en mirr' tot 's levens onderhoud

  van Hem die, neergedaald van boven,

  in 't arme Beth'lem leit verschoven,

  hoewel Hij alles heeft gebouwd.

4

  't Gevogelt' dat op wieken zweeft

  zijn nest, de vos zijn holen heeft

  en woont in bergen en in bossen;

  een stal van ezelen en ossen

  den Schepper nauw'lijks herberg geeft.

5

  De kribbe Hem een wieg verstrekt

  die 't aardrijk met den hemel dekt

  en ellek dier bestelt zijn voeder.

  O Kind, Gij zijt gelijk uw moeder

  met pracht noch hovaardij bevlekt.

6

  Hier schuilt dat godlijk aangezicht,

  waaruit de zonne schept haar licht

  en alle starren glans en luister.

  Hier leit Hij zonder glans in 't duister,

  die eng'len tot zijn dienst verplicht.

7

  De hemel, 't aardrijk en de hel

  die luist'ren scherp naar zijn bevel

  en sidd'ren voor de zuiv're wetten,

  die Hij door vissers laat trompetten

  en blazen over duin en del.

8

  De doeken daar dit Kind in leit

  is 't purper van zijn majesteit,

  waarin de herders Hem aanschouwen,

  dien God de zielen komt vertrouwen,

  gelijk van ouds was toegezeid:

9

  Dat God zijn kudde weiden zal,

  en hoen voor ramp en ongeval

  en naar 't verdwaalde schaapken vragen,

  en dat op zijne schouders dragen

  met vreugd bij 't overig getal.

10

   Hier is de wijsheid ongeacht,

   hier geldt geen adel, staat noch pracht.

   De hemel heeft het kleen' verkoren.

   al wie door ootmoed wordt herboren

   die is van 't hemelse geslacht.

---

*154

#5

1

  O Kerstnacht, schoner dan de dagen,

  hoe kan Herodes 't licht verdragen,

  dat in uw duisternisse blinkt

  en wordt gevierd en aangebeden?

  Zijn hoogmoed luistert naar geen reden,

  hoe schel die in zijn oren klinkt.

2

  Hij poogt de Onnooz'le te vernielen

  door 't moorden van onnooz'le zielen,

  en wekt een stad- en land- geschrei

  in Bethlehem en op den akker

  en maakt de geest van Rachel wakker,

  die waren gaat door beemd en wei.

3

  Dan naar het westen, dan naar 't oosten.

  wie zal die droeve moeder troosten,

  nu zij haar lieve kinders derft?

  Nu zij die ziet in 't bloed versmoren,

  aleer ze nauw'lijks zijn geboren,

  en zoveel zwaarden rood geverfd?

4

  Zo velt de zeis de korenaren,

  zo schudt een bui de groene blaren,

  wanneer het stormt in 't wilde woud.

  Wat kan de blinde staatzucht brouwen,

  wanneer ze raast uit misvertrouwen!

  Wat luidt zo schendig dat haar rouwt!

5

  Bedrukte Rachel, schort dit waren:

  uw kinders sterven martelaren

  en eerstelingen van het zaad,

  dat uit uw bloed begint te groeien

  en heerlijk tot Gods eer zal bloeien

  en door geen tirannie vergaat.

---

*155

#5

1

  Kind, nu wij om U vrolijk zijn,

  valt ons uw nood in en uw pijn,

  't leed dat door onze schuld vannacht

  wij hebben over U gebracht.

  Kyrie eleison,

  Christe eleison,

  Kyrie eleison.

2

  De wereld is vol feestgeschal.

  Maar Gij ligt in een arme stal.

  Uw oordeel is alreeds geveld,

  uw kruis staat ginds al opgesteld.

  Kyrie eleison,

  Christe eleison,

  Kyrie eleison.

3

  De hele wereld baadt in licht.

  Maar U wacht nu reeds het gericht.

  Uw eenzaamheid wendt niemand af.

  Vlakbij uw kribbe gaapt het graf.

  Kyrie eleison,

  Christe eleison,

  Kyrie eleison.

4

  De wereld is vol luid gezang.

  Maar U wacht dood en ondergang.

  Gij moet wel slapen angstvervuld

  onder 't gewicht van onze schuld.

  Kyrie eleison,

  Christe eleison,

  Kyrie eleison.

5

  Eens, als Ge ons tot uw vreugde noodt,

  aan gene zijde van de dood,

  zal zonder bitterheid en pijn

  ons hart vrij voor het loflied zijn.

  Kyrie eleison,

  Christe eleison,

  Kyrie eleison.

---

*156

#11

1

  Van 't vroeglicht van de dageraad

  tot waar de zon weer ondergaat

  zingt elk de koning Christus eer,

  het kind der maagd is onze Heer.

2

  Hem is het die zij 't leven geeft,

  dien Gabri?l verkondigd heeft,

  Hem wien de Doper hulde bood,

  opspringend in zijn moederschoot.

3

  Hij die het hele leven hoedt,

  die ook de kleinste vogel voedt,

  ligt hier in 't stro. Hij 's hemels vorst,

  hier drinkt Hij aan zijn moeders borst!

4

  Luid klinkt het lied van 't engelkoor

  Ere zij God, de hemel door.

  Aan herders wijst het in de stal

  de grote herder van 't heelal.

5

  Herodes trotse vorst, waarom

  zijt gij zo bang dat Christus komt,

  die aardse macht niet nodig heeft,

  daar Hij ons 't rijk des hemels geeft?

6

  De wijze koningen van ver,

  zij volgden de verheven ster,

  zij zijn van licht tot licht gegaan

  en boden God geschenken aan.

7

  Hoe luid weerklonk de moederklacht

  om kind'ren, weerloos omgebracht

  door de tyran in haat en nijd

  als offers Christus toegewijd.

8

  Het hemels lam stond wit en licht

  in 't zuiver water opgericht.

  met onze schuld heeft Hij gestaan

  als dopeling in de Jordaan.

9

  Elk wonder was getuigenis

  dat Hij uit God geboren is,

  die zieken de gezondheid gaf

  de doden opriep uit het graf.

10

   O teken van zijn macht zo groot!

   Het water in de kruik werd rood.

   Toen Hij beval te schenken, schonk

   de schenker wijn en ieder dronk.

11

   U met de Vader en de Geest,

   o Heer die op het heilig feest

   van heden ons verschenen zijt,

   zij lof en eer in eeuwigheid.

---

*157

#7

1

  Hoe helder staat de morgenster,

  en straalt mij tegen van zo ver,

  de luister van mijn leven.

  Komt tot mij, zoon van David, kom,

  mijn Koning en mijn Bruidegom,

  mijn hart wil ik U geven.

  Lieflijk,

  vriendlijk,

  schoon en heerlijk,

  zo begeerlijk,

  mild in 't geven,

  stralend, vorstelijk verheven.

2

  Gij zijt mijn parel en mijn kroon,

  o Zoon van God, Maria 's zoon,

  een hooggeboren Koning.

  O lelie die mijn hart bekoort,

  uw zoete evangeliewoord,

  is louter melk en honing.

  Gij zijt

  altijd

  hosianna,

  hemels manna,

  dat wij eten,

  nooit meer kan ik U vergeten.

3

  Gij schittert als een edelsteen,

  mijn hart is vol van U alleen,

  uw liefde doet mij leven.

  Hoe groei ik in uw lichte schijn,

  hoe bloei ik op daar ik mag zijn

  een rank met U verweven.

  Aan U

  blijft nu

  heel mijn leven

  weggegeven,

  om te ontvangen

  U, mijn liefde, mijn verlangen.

4

  Hoe liefelijk is uw gelaat;

  als Gij uw ogen op mij slaat,

  dan doet de vreugd mij beven.

  Gij Jezus, zijt zo trouw en goed;

  uw woord en geest, uw vlees en bloed,

  zij zijn mijn ziel, mijn leven.

  Heer des

  hemels

  laat, getrouwe,

  mij aanschouwen

  uw erbarmen.

  Herder neem mij in uw armen.

5

  Voor Gij de wereld hebt gemaakt,

  heeft mij uw liefde aangeraakt,

  mijn sterke held, mijn Vader.

  Uw Zoon komt tot mij, kiest mij uit,

  Hij is mijn liefste, ik zijn bruid,

  ik treed Hem zingend nader.

  Hij de

  mijne,

  die het leven

  mij zal geven

  hoog daarboven,

  eeuwig zal mijn hart Hem loven.

6

  Laat al het vrolijke geluid,

  van stemmen, van viool en fluit,

  te zijner ere klinken.

  Hij staat voor altijd aan mijn zij.

  Mijn schone liefste is van mij,

  in Hem wil ik verzinken.

  Laat ons

  samen

  spelen zingen,

  dansen springen

  voor den Here,

  die de Koning is der ere.

7

  Hoe is Hij mij zo innig na,

  de Alfa en de Omega,

  mijn hart doet Hij ontbranden.

  Hij zal mij tot zijn lof en prijs

  opnemen in zijn paradijs,

  dan klap ik in de handen.

  Amen,

  amen,

  kom mij troosten

  allerschoonste,

  mijn begeren,

  toef niet langer, kom o Here.

---

*158

#4

1

  Christus, met eer gekroonde,

  Zoon Gods in eeuwigheid,

  die bij en in God woonde

  en uitging in de tijd,

  Gij zijt de morgensterre

  die opging van zeer verre,

  uw licht straalt wijd en zijd.

2

  Gij zijt als mens geboren,

  eenmaal de tijd vervuld,

  opdat geen mens verloren

  zou gaan in zonde en schuld,

  Gij hebt de dood gedood en

  Gods hemel weer ontsloten,

  het leven ons onthuld.

3

  Geef dat we in uw genade

  toenemen meer en meer

  en gaan met U te rade

  en U beminnen zeer,

  opdat wij hier reeds proeven

  wat wij zozeer behoeven:

  't zoet van uw heil, o Heer.

4

  Gij schepper aller dingen,

  Gij vaderlijke kracht,

  hebt alle ordeningen

  der aarde in uw macht.

  Wil dan tot U bekeren

  ons hart en zijn begeren,

  God die ons thuis verwacht.

---

*159

#8

1

  O Here Jezus, lang verbeid,

  Gij die onze verlosser zijt,

  neem het lied aan, U toegewijd,

  uit genade.

2

  Wij waren in de zonde dood,

  maar Gij, begaan met onze nood,

  daalde neer in Maria 's schoot

  uit genade.

3

  U werd in haar jonkvrouwlijkheid

  een mens'lijk lichaam toebereid

  door Gods Geest van voor alle tijd

  uit genade.

4

  Gij leerde ons een nieuw bestaan

  en wees de smalle weg ons aan,

  die wij moeten ten leven gaan,

  uit genade.

5

  Toen hebt Gij zelf de dood geduld

  en, diep veracht, uw werk vervuld

  om ons heil en om onze schuld

  uit genade.

6

  En opgestegen tot Gods troon,

  bepleit Gij als zijn eigen Zoon

  voor de uwen de zegekroon

  uit genade.

7

  Verzamel Gij uw kerk o Heer,

  regeer haar met uw trouwe leer,

  om uws lieven naams lof en eer,

  uit genade.

8

  Geef door uw arbeid en uw strijd,

  dat zij gewint de zaligheid

  en U lofzingt in eeuwigheid,

  uw genade.

---

*160

#3

1

  Komt ons in diepe nacht ter ore:

  de morgenster is opgegaan,

  een mensenkind voor ons geboren,

  God zal ons redden is zijn naam.

  Opent uw hart, gelooft uw ogen,

  vertrouwt u toe aan wat gij ziet:

  hoe 't woord van God van alzo hoge

  hier menselijk aan ons geschiedt.

2

  Geen ander teken ons gegeven

  geen licht in onze duisternis

  dan deze mens om mee te leven

  een God die onze broeder is.

  Zingt voor uw God, Hij openbaarde

  in Jezus zijn menslievendheid.

  Zo wordt de wereld nieuwe aarde

  en alle vlees aanschouwt het heil.

3

  Zoals de zon komt met zijn zegen

  een bruidegom van licht en vuur,

  zo komt de koning van de vrede

  voorgoed gekomen is zijn uur.

  Hij huwt de mensen aan elkander

  zijn liefde gaat van mond tot mond.

  Hij geeft zijn lichaam ons in handen.

  Zo leven wij zijn nieuw verbond.

---

*161

#5

1

  Uit uw hemel zonder grenzen

  komt Gij tastend aan het licht

  met een naam en een gezicht

  even weerloos als wij mensen.

2

  Als een kind zijt Gij gekomen

  als een schaduw die verblindt

  onnaspeurbaar als de wind

  die voorbijgaat in de bomen.

3

  Als een vuur zijt Gij verschenen

  als een ster gaat Gij ons voor

  in den vreemde wijst uw spoor

  in de dood zijt Gij verdwenen.

4

  Als een bron zijt Gij begraven

  als een mens in de woestijn.

  Zal er ooit een ander zijn

  ooit nog vrede hier op aarde?

5

  Als een woord zijt Gij gegeven

  als een nacht van hoop en vrees

  als een pijn die ons geneest

  als een nieuw begin van leven.

---

*162

#5

1

  Omdat Hij niet ver wou zijn

  is de Heer gekomen.

  Midden in wat mensen zijn

  heeft Hij willen wonen.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

2

  Overal nabij is Hij

  mens'lijk allerwegen.

  Maar geen mens herkent Hem, Hij

  wordt gewoon verzwegen.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

3

  God van God en licht van licht

  aller dingen hoeder

  heeft een menselijk gezicht

  aller mensen broeder.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

4

  Wilt daarom elkander doen

  alle goeds geduldig.

  Weest elkaar om zijnentwil

  niets dan liefde schuldig.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

5

  Weest verheugd, van zorgen vrij:

  God die wij aanbidden

  is ons rakelings nabij,

  wonend in ons midden.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

---

*163

#5

1

  Gij zijt een mensenzoon, Gij komt van ver,

  bloed van ons bloed, uit ons zijt Gij genomen.

2

  Gij hebt mijn lief en leed, mijn dag gedeeld;

  Gij zijt voor mij geen vreemde God gebleven.

3

  Toen ik nog nergens was, maar levend dood,

  hebt Gij en Gij alleen mijn licht ontstoken.

4

  Licht van uw licht zijn wij, van uw geslacht,

  mensen van licht maar duister onze wegen.

5

  Mensen van vlees en steen, van hoop en vrees,

  breng ons toch thuis, in godsnaam geef ons vrede.

---

*164

#4

1

  Gij die de ster van David zijt

  en wijzen roept en dwazen leidt,

  Gij hebt in duister U gewaagd

  en naar de rechte weg gevraagd.

2

  Gij die de Heer zijt en de Geest

  die van de aanvang is geweest,

  Gij hebt U onderworpen aan

  de letter van ons voortbestaan.

3

  Gij die de zin der schriften zijt,

  Gods woord in alle eeuwigheid,

  Gij hebt gehoorzaamheid geleerd,

  een vuur van hoop heeft U verteerd.

4

  O Zoon van God, ons aller hoofd,

  gelijk een kind hebt Gij geloofd

  en als een minnaar liefgehad

  Jeruzalem uw moederstad.

---

*165

#5

1

  Toen Jezus bij het water kwam,

  waar Hem Johannes wachtte,

  werd Hij gedoopt, het zuiver lam,

  de volheid der geslachten.

  Hij daalde neer in de Jordaan,

  badwater onzer zonden.

  Zijn leven neemt ons sterven aan,

  zijn bloed heelt onze wonden.

  Zijn sterven is ons leven.

2

  Dit is Gods wil; het water is

  niet water slechts, is leven.

  Zo zegt ons het getuigenis

  door woord en Geest gegeven.

  Gods stem weerklinkt: dit is mijn Zoon,

  mijn lam, mijn welgevallen,

  een mensenwoord, een mensenloon,

  de waarheid voor ons allen,

  diep in ons hart geschreven.

3

  Zo teder als een mens kan zijn,

  zo staat de Zoon des mensen,

  de Zoon van God hier jong en rein,

  ons bidden en ons wensen

  vervullend met aanwezigheid.

  Een stem, een duif daalt neder.

  O heilige Drievuldigheid,

  op aarde schoon en teder,

  o God aan ons gegeven.

4

  Gij zegt het zelf: wie op U hoopt

  dit moet de wereld horen

  wie U gelooft, in U gedoopt,

  die is uit U geboren.

  En zonder werken van de wet,

  en zonder macht'loos pogen,

  wordt hij gereinigd en gered

  en staat hij voor uw ogen,

  voltooid en zonder zonden.

5

  Als 't oog alleen het water ziet,

  zoals het wordt vergoten,

  dan weet het hart en twijfelt niet,

  wat daarin ligt besloten.

  Wij worden in uw dood gedoopt.

  Door U voorgoed vergeven,

  staat Adam stralend op en loopt

  terug in 't eeuwig leven,

  het paradijs hervonden.

---

*166

#4

1

  Juicht voor de koning van de Joden,

  buigt voor geen dove wereldmacht,

  knielt voor de knecht die Gods geboden

  beluisterd heeft en wel geacht.

  Drie vreemden zochten Hem van verre,

  Herodes hebben zij bespot,

  met goud, met wierook en met mirre

  aanbaden zij de Zoon van God.

2

  Hij daalt ootmoedig in het water,

  de vogel Geest komt aangesneld,

  God heeft in Hem zijn welbehagen

  en alle zaligheid gesteld:

  tegen de stroom staat Hij ten teken,

  hier wordt des levens loop gewend,

  het blinde lot gestuwd tot zegen,

  wij zijn tot in de dood gekend.

3

  In Kana was de gloed geweken,

  het vuur bedolven onder as;

  toen zei de vlam in ieders beker

  wie er de ware wijnstok was;

  laat het nu uit de kruiken stromen,

  de vreugde ga van mond tot mond,

  omdat Hij, in zijn uur gekomen,

  de aarde aan zijn zijde vond!

4

  Juicht voor de koning van de volken,

  buigt voor zijn opperheerschappij,

  zingt halleluja! Uit de wolken

  komt ons zijn heerlijkheid nabij.

  Bouwt dan ootmoedig aan de aarde,

  legt vrede in elkanders hand:

  Hij die de beste wijn bewaarde

  roept ons ter bruiloft in zijn land!

---

*167

#6

1

  Heer Jezus licht der wereld

  en schat der zaligheid,

  wij komen U ter ere,

  hier door uw Geest geleid,

  tezamen in uw tempel,

  opdat ook wij misschien

  naar Simeons exempel

  U zouden mogen zien.

2

  Gij laat U door ons vinden,

  o Heer, in ieder oord.

  Gij zijt bij uw beminden

  aanwezig naar uw woord.

  Geef dat ook hier en heden

  't geloof uw heil aanschouwt,

  uw tempel in mag treden,

  U in de armen houdt.

3

  Wees in ons leven luister

  en licht in onze pijn,

  en in ons kruis en duister

  de milde zonneschijn,

  voor 't aarz'lend hart een leider,

  een vuur van heinde en ver,

  voor zieken een bevrijder,

  voor stervenden een ster.

4

  Heer geef ook ons geringen

  als eenmaal Simeon

  de zwanezang te zingen

  uitziende naar uw zon:

  Nu doe ik Heer in vrede

  mijn oude ogen dicht,

  ik heb reeds hier beneden

  gezien uw zalig licht.

5

  Ja, ja, ik mag geloven:

  ik heb U zelf aanschouwd.

  Dat kan geen vijand roven,

  hoezeer hij mij benauwt.

  ik ben in U geborgen,

  niets is er dat ons scheidt,

  geen bitterheid, geen zorgen,

  nu Gij de mijne zijt.

6

  Nu zijt Gij nog verheven

  en ver van mij vandaan,

  nu bid ik U met beven:

  herken mij, zie mij aan.

  Dan echter, o getrouwe

  zal ik van aangezicht

  tot aangezicht aanschouwen

  uw ongeschapen licht.

---

*168

#6

1

  O Jezus Christus, licht ze bij

  die leven aan uw licht voorbij.

  Voeg ze met uwe kudde saam,

  opdat zij niet verloren gaan.

2

  Vervul met uw genadeschijn,

  die op verkeerde paden zijn.

  Sta bij, die heim'lijk in zijn hart

  verlokt en aangevochten wordt.

3

  Breng, die aan uw gebod ontkwam,

  terug als uw verloren lam.

  Maakt de gewonde zielen heel

  en geef ze aan de hemel deel.

4

  Open de doven het gehoor,

  de stomme lippen, spreek ze voor,

  dat zij belijden hun geloof,

  niet langer stom, niet langer doof.

5

  Verlicht het oog dat U niet ziet.

  Leid hem weerom die U verliet.

  Verzamel, die verwijderd gaan.

  Versterk ze die in twijfel staan.

6

  Dan zullen zij, niet meer vervreemd,

  voor tijd en eeuwigheid vereend,

  in aarde en hemel, dan en nu,

  allen tezamen danken U.

---

*169

#6

1

  Zingt nu de Heer, stemt allen in

  met ons die God lofzingen,

  want Hij deed ons van het begin

  verrukkelijke dingen.

  Hij heeft het menselijk geslacht

  in 't licht geroepen en bedacht

  met louter zegeningen.

2

  Maar wij verkozen 't duister meer

  dan 't licht door God geschapen

  en dwaalden weg van onze Heer

  als redeloze schapen.

  Wij hebben dag en nacht verward,

  de nacht geprezen in ons hart

  en onze dag verslapen.

3

  Voor 't leven hebben wij de dood,

  het lege niets verkozen,

  voor vrede vreze, steen voor brood,

  voor 't eeuwig goed de boze.

  Wij hebben onze ziel verkocht

  van ademtocht tot ademtocht

  aan die genadeloze.

4

  Maar God heeft naar ons omgezien!

  Wij, in de nacht verdwaalden,

  hoe zou het ons vergaan, indien

  Hij ons niet achterhaalde,

  indien niet in de duisternis

  het licht dat Jezus Christus is

  gelijk de morgen straalde.

5

  Heer Jezus, die ons hebt bezocht,

  Gij Opgang uit den hoge,

  die onze ziel hebt vrijgekocht,

  dat zij U dienen moge,

  Gij herder die 't verloorne zoekt,

  de hemel heeft ons niet vervloekt:

  God is om ons bewogen.

6

  Zingt dan de Heer, stemt allen in

  met ons die God lof geven:

  Hij schiep ons voor een nieuw begin,

  hoeveel wij ook misdreven.

  Hij riep ons uit de nacht in 't licht

  van zijn genadig aangezicht.

  in Christus is ons leven!

---

*170

#6

1

  Meester, men zoekt U wijd en zijd,

  komend langs velerlei wegen.

  Oud'ren gaan rustig welbereid

  jongeren aarz'lend U tegen.

  Maar vroeg of laat, 't zij dag of nacht,

  eens vindt Ge ons moe en zonder kracht,

  hunkerend naar uwe zegen.

2

  Arts aller zielen, 't is genoeg,

  als Gij ons neemt in uw hoede.

  Heel toch de wond, die 't leven sloeg,

  laat ons niet hoop'loos verbloeden.

  Spreek slechts een woord, een woord met macht,

  dan krijgt ons leven nieuwe kracht.

  Spreek, dan keert alles ten goede.

3

  Heiland, Gij weet, hoe dikwijls zorg,

  twijfel en angst ons benauwen.

  Van uw belofte zelf de borg,

  schraagt Gij ons wank'lend vertrouwen.

  Licht wordt ons levens doel en grond,

  als Ge ons vergunt de zaal'ge stond,

  dat wij uw aanschijn aanschouwen.

4

  Heer, onze mond heeft U gesmaad,

  toch heeft ons hart U gebeden.

  Wijzen der wereld zag men laat

  heim'lijk uw drempel betreden.

  Hoogmoed, die voor geen wet zich buigt,

  heeft door uw ootmoed overtuigd,

  U als zijn meester beleden.

5

  Opperste Leidsman, geef ons raad,

  wij zijn door tweedracht gescheiden.

  Opstand der zinnen, twijfel, haat,

  maken ons zwak in het strijden.

  Stralende held, breng ons weer saam,

  ga voor ons uit, uw grote naam

  zal tot de zege ons leiden.

6

  Koning, verheugd geloven wij

  wat uw getuigen verkonden:

  slechts onder uwe heerschappij

  heeft ons hart vrede gevonden.

  Daarom zoekt U elk mensenkind;

  zoek, Herder, mij, opdat ik vind;

  anders zo ga ik te gronde.

---

*171

#4

1

  Christus wandelt langs de straten

  van land en stad, alleen gelaten.

  Wie volgt het roepen van zijn stem?

  Nadert zondaars, moeden, blinden,

  zijn kracht en liefde wil u vinden.

  Waar zoudt gij rusten dan bij Hem?

  Wij dwaalden ver, o Heer,

  wij zagen 't pad niet meer,

  maar uw liefde,

  met teed're kracht,

  heeft door de nacht

  ons in uw armen thuisgebracht.

2

  Zegening vloeit uit zijn handen.

  Zijn woorden doen de harten branden

  van levenshoop en stervensmoed.

  Wie in Jezus' lichte sporen

  tot zijne kudde gaat behoren,

  vindt bete en dronk in overvloed.

  Wij zochten lafenis,

  waar 't water schamel is,

  nooit verzadigd.

  Nu lest Ge altijd

  wie dorstend strijdt,

  Gij, die de bron des levens zijt.

3

  Spreidt uw palmen voor zijn voeten,

  laat al wat ademt Hem begroeten:

  de Koning komt, valt knielend neer.

  Davids Zoon rijdt door de velden.

  Hij maakt discipelen tot helden,

  zijn Geest vaart door het machtig heer.

  Wij aarzelden zo lang,

  de harten werden bang.

  Doelloos kwijnen!

  Voorbij het leed,

  nu elk zich weet

  tot heil'ge offerdienst gereed!

4

  Christus wandelt langs de wegen

  der wereld zijne toekomst tegen.

  Het licht al aan de horizon.

  Reeds gaat 't eeuwig schijnsel klimmen

  rondom uit alle verre kimmen,

  zoals geen dageraad begon.

  Het koninkrijk genaakt.

  Gerede harten, waakt!

  Dag des Heren...

  Uw heil'gen zijn

  met kleed'ren rein

  gereed om op het feest te zijn.

---

*172

#4

1

  Een mens te zijn op aarde

  in deze wereldtijd,

  is leven van genade

  buiten de eeuwigheid,

  is leven van de woorden

  die opgeschreven staan

  en net als Jezus worden

  die 't ons heeft voorgedaan.

2

  Een mens te zijn op aarde

  in deze wereldtijd,

  is komen uit het water

  en staan in de woestijn,

  geen god onder de goden,

  geen engel en geen dier,

  een levende, een dode,

  een mens in wind en vuur.

3

  Een mens te zijn op aarde

  in deze wereldtijd,

  dat is de dood aanvaarden,

  de vrede en de strijd,

  de dagen en de nachten,

  de honger en de dorst,

  de vragen en de angsten,

  de kommer en de koorts.

4

  Een mens te zijn op aarde

  in deze wereldtijd,

  dat is de Geest aanvaarden

  die naar het leven leidt;

  de mensen niet verlaten,

  Gods woord zijn toegedaan,

  dat is op deze aarde

  de duivel wederstaan.

---

*173

#5

1

  Alles wat over ons geschreven is

  gaat Gij volbrengen deze laatste dagen,

  alle geboden worden thans voldragen,

  alle beproeving van de wildernis.

2

  Gods schepping die voor ons gesloten bleef

  ontsluit Gij weer, Gij opent onze harten,

  die Zoon van David zijt en Man van Smarte,

  Koning der Joden die de dood verdreef.

3

  Jezus, de haard van uw aanwezigheid

  zal in ons hart een vreugdevuur ontsteken.

  Gij gaat vooraan, Gij zult ons niet ontbreken,

  Gij Hogepriester in der eeuwigheid.

4

  Gij onderhoudt de vlam van ons bestaan,

  aan U, o Heer, ontleent het brood zijn leven,

  ons is een lofzang in de mond gegeven,

  sinds Gij de weg van 't offer zijt gegaan.

5

  Dit is uw opgang naar Jeruzalem

  waar Gij uw vrede stelt voor onze ogen,

  vrede aan allen die uw naam verhogen:

  heden hosanna, morgen kruisigt Hem!

---

*174

#3

1

  Ik wil mij gaan vertroosten

  in Jesu lijden groot.

  Al heeft 't gestaan ten boosten,

  het mocht nog worden goed.

  Al om mijn zondig leven

  ben ik met druk beva?n.

  Dat wil ik gaan begeven:

  o Jesu, zie mij aan!

2

  Mijn zuchten en mijn kermen

  zie aan, genadig God!

  Eilaas, wil mijns ontfermen,

  al heb ik uw gebod

  versmaad te meen'ger ure,

  ik wil mij beet'ren gaan.

  Dit doet mijn herte treuren:

  o Jesu, zie mij aan!

3

  De tijd heb ik verloren,

  die Gij mij hebt verleend.

  Naar U wild' ik niet horen,

  in zonden was 'k versteend.

  Zeer traag ben ik tot deugden,

  al heb ik goed vermaan.

  Oorsprong der eeuw'ge vreugden,

  o Jesu, zie mij aan!

---

*175

#4

1

  O wij arme zondaars, bedelaars onrein,

  die in zonde ontvangen en geboren zijn,

  onze schulden brachten ons in zo grote nood,

  dat met lijf en ziel wij vervielen aan de dood.

  Kyrie eleison,

  Christe eleison,

  Kyrie eleison.

2

  Had de Here Jezus ons niet opgezocht,

  mens onder de mensen, en ons vrijgekocht,

  Hij alleen tot sterven voor anderen bereid,

  wij waren verloren in alle eeuwigheid.

  Kyrie eleison,

  Christe eleison,

  Kyrie eleison.

3

  Hoe zal 't God de Here ooit worden geloond,

  dat Hij zoveel liefde aan ons heeft betoond,

  ja, dat Hij zijn Een'ge, zijn Zoon gegeven heeft

  tot een prijs voor velen, die stierf en zie, Hij leeft!

  Kyrie eleison,

  Christe eleison,

  Kyrie eleison.

4

  Lof zij U, Heer Jezus, die in grote nood

  eenzaam en verlaten stierf de bitt're dood,

  U die met de Vader zult heersen voor altijd:

  leid ons arme zondaars, o Heer, ter zaligheid.

  Kyrie eleison,

  Christe eleison,

  Kyrie eleison.

---

*176

#5

1

  O Liefde die verborgen zijt

  in diepe stilten eeuwigheid,

  erbarm U over ons bestaan,

  het wordt verraden en verdaan.

2

  Hoe acht'loos in ons midden wordt

  het kostbaar mensenbloed gestort

  en in het onbarmhartig licht

  het kruis des Heren opgericht.

3

  De minsten van de mensen zijn

  daar uitgestrekt in angst en pijn.

  Tot aan het eind der wereld lijdt

  Christus in hun verlatenheid.

4

  O Liefde uit de eeuwigheid

  die met ons mens geworden zijt,

  wij bidden, laat ons niet alleen

  in al het duister om ons heen,

5

  opdat ook wij o Heer U niet

  verlaten in uw diep verdriet

  maar bij U zijn in al de pijn

  waarmee de mensen mensen zijn.

---

*177

#7

1

  Leer mij, o Heer, uw lijden recht betrachten,

  in deze zee verzinken mijn gedachten:

  o liefde die, om zondaars te bevrijden,

  zo zwaar moest lijden.

2

 'k Zie U, God zelf, in eeuwigheid geprezen,

  tot in de dood als mens gehoorzaam wezen,

  in onze plaats gemarteld en geslagen,

  de zonde dragen.

3

  O allerheiligst, onuitspreeklijk wonder:

  de Rechter zelf gaat aan het recht ten onder.

  O wreed geding; wie kan geheel doorgronden

  de vloek der zonden.

4

  God is rechtvaardig, ja, een God der wrake;

  en Hij is liefde, Hij wil zalig maken.

  zie hier de schalen die ten volle wegen

  en vloek en zegen.

5

  Dit breekt mijn trots. Waar zou ik nog op bogen?

  Ik lig in 't stof, maar God komt mij verhogen,

  nu ik van vijand Gods en tegenstander

  in vriend verander.

6

  Daar Ge U voor mij hebt in de dood gegeven,

  hoe zou ik naar mijn eigen wil nog leven?

  Zou ik aan U voor zulk een bitter lijden

  mijn hart niet wijden?

7

  Laat mij, o Heer, uw wond're wijsheid prijzen,

  dwaasheid en ergernis voor wereldwijzen,

  laat mij uw kruis dat sterken zwakheid noemen

  als sterkte roemen.

---

*178

#10

1

  Jezus, om uw lijden groot,

  om uw leven en uw dood

  die volbrengen 't recht van God,

  Kyrie eleison.

2

  Heer, om uw zachtmoedigheid,

  vorst die op een ezel rijdt

  en om Sions onwil schreit,

  Kyrie eleison.

3

  Om de zalving door een vrouw,

  vreugdeolie, geur van rouw,

  teken van wat komen zou,

  Kyrie eleison.

4

  Om het brood, Heer, dat Gij breekt,

  om de beker die Gij reikt,

  om de woorden die Gij spreekt,

  Kyrie eleison.

5

  Here, om uw bloedig zweet,

  als Ge alleen de wijnpers treedt,

  om de kelk vol bitter leed,

  Kyrie eleison.

6

  Om het zwijgen, het geduld,

  waarmee Gij de wet vervult,

  als men vrucht'loos zoekt naar schuld,

  Kyrie eleison.

7

  Om het woord van godlijk recht

  dat Gij tot uw rechters zegt,

  zelf hebt Ge uw geding beslecht,

  Kyrie eleison.

8

  Om de doornen van uw kroon,

  om de gees'ling en de hoon,

  roepen wij, o Mensenzoon,

  Kyrie eleison.

9

  Om uw kruis, Heer, bidden wij,

  om de speerstoot in uw zij,

  ga aan onze schuld voorbij,

  Kyrie eleison.

10

   Heer, om uw vijf wonden rood,

   om uw onverdiende dood,

   smeken wij in onze nood,

   Kyrie eleison.

---

*179

#8

1

  Wie heeft op aard de prediking gehoord,

  de prediking van 't vleesgeworden woord,

  de Zoon van God, op Golgotha vermoord?

  Wie durft geloven?

  Wie ziet in Hem Gods reddend' arm, van boven

  tot ons gestrekt?

  Wie durft zijn kruis belijden?

  Wiens hart zich in de lijdende verblijden,

  met smaad bedekt?

2

  Een rijsje dat zo woest een storm bewoog,

  een wortel uit een aarde dor en droog,

  had geen gedaante of schoonheid in ons oog.

  Als wij Hem zagen,

  zo was daar niets dat ogen kon behagen;

  Hij was veracht,

  de onwaardigste der mensen:

  wie durft zich Hem tot Zaligmaker wensen?

  Hij was veracht.

3

  O Man van Smart, dat ieder voor U kniel'!

  Gij droegt aldus de krankheid onzer ziel:

  't was onze last die op uw schouders viel;

  ons overtreden

  heeft U verwond; om de ongerechtigheden

  door ons begaan,

  zijt Ge in dit leed gekomen;

  de straf, die ons de vrede toe doet stromen,

  die naamt Gij aan.

4

  't Is heil, wat uw verbrijz'ling ons verkondt:

  uw striemen zijn genezing onzer wond;

  wij dwaalden als verloren schapen rond

  op eigen paden;

  de Heer heeft U met onze last beladen;

  Gij hebt geboet;

  niet Gij, slechts wij zijn schuldig;

  maar Gij, Gij stort gewillig en geduldig

  uw dierbaar bloed.

5

  Gelijk een lam, dat stil ter slachtbank gaat,

  gelijk een schaap zich zwijgend scheren laat,

  zo deedt Ge uw mond niet open onder 't kwaad,

  U overkomen.

  God heeft U uit het oordeel weggenomen,

  toen Ge elke toog

  zijns bekers had gedronken,

  en 't zondig volk gerechtigheid geschonken

  in 's Heren oog.

6

  Toen was 't volbracht, volbracht voor zondaars, Heer!

  Gij buigt het hoofd tot uwe ruste neer;

  geen oneer treft uw heilig lichaam meer,

  geen smaad der bozen;

  al is uw graf gesteld bij goddelozen,

  God wreekt uw recht:

  de liefd' en de eerbied dragen

  U van het kruis en schreiend' ogen zagen

  U weggelegd.

7

  O Heiland, dus gefolterd voor mijn kwaad!

  O Heil'ge, om mijn schande dus gesmaad!

  Wat spruit er uit uw graf een heerlijk zaad

  van eeuwig leven!

  Hoe veler ziel werd U van God gegeven

  voor de eeuwigheid,

  om de eeuw'ge eer te delen,

  U, die U tot een offer gaaft voor velen,

  bij Hem bereid!

8

  't Verloste volk verheft tot U zijn hart,

  rechtvaardige, die zonde voor hen werd;

  het zegent al uw wonden, smaad en smart!

  Gij hebt geleden

  voor snoden; Gij voor vijanden gebeden;

  Gij hebt gesmacht,

  moest Gods nabijheid derven,

  hun ziel ten troost, in leven en in sterven:

  het is volbracht.

---

*180

#7

1

  Geths?mane, die nacht moest eenmaal komen.

  De Heiland heeft bewust die weg genomen.

  Hij laat zijn doel niet los, wijkt niet terzijde,

  aanvaardt het lijden.

2

  Hoe dichtbij is de hof, waar Gij gewaakt hebt;

  verstaanbaar is de klacht, die Gij geslaakt hebt.

  Nog leeft de haat, die U kwam overvallen:

  zo zijn wij allen.

3

  Wie heeft gewaakt van die het naaste stonden?

  Hij heeft hen driemaal slapende gevonden.

  hij ging terug en heeft alleen geleden,

  eenzaam gebeden:

4

  Laat Vader, deze beker Mij voorbijgaan;

  waar zijn de eng'len die Mij kunnen bijstaan?

  Maar, zo Ik niet dit lijden mag ontvlieden,

  uw wil geschiede.

5

  Altijd zal Jezus weer in doodsstrijd wezen,

  tot aan het eind der wereld moet Hij vrezen,

  zijn eigen jongeren in slaap te ontdekken.

  Wat zou hen wekken?

6

  In angst en tranen werd zijn strijd gestreden.

  Toen kon Hij toebereid naar voren treden.

  De duisternis kon, wat zij mocht verzinnen,

  Hem niet verwinnen.

7

  Hier zijn wij, Heer, een afgeweken schare,

  wij, die zo zorgeloos, zo ontrouw waren.

  Verander ons en reinig onze harten,

  o Man van smarten!

---

*181

#6

1

  Noem de overtreding mij, die Gij begaan hebt,

  het kwaad, gekruiste Heer, dat Gij gedaan hebt,

  waaraan uw volk U schuldig heeft bevonden,

  noem mij uw zonden.

2

  Gij wordt gegeseld en gekroond met doornen,

  geminacht als de minste der verloor'nen,

  en als een booswicht, die zijn straf moet dragen,

  aan 't kruis geslagen.

3

  Zeg mij, waarom men U aldus gehoond heeft,

  U dus, mijn vorst, gescepterd en gekroond heeft!

  Om voor mijn schuld verzoening te verwerven,

  moest Gij dus sterven?

4

  Hoe vreemd, dat voor de schapen zijner weide

  de herder zelf ter slachtbank zich liet leiden,

  de heer zich voor de schulden zijner knechten

  aan 't kruis liet hechten.

5

  O wonderbare liefde, die ons denken

  te boven gaat, wat kan mijn liefd' U schenken,

  wat ooit bereiken de arbeid mijner dagen,

  dat U behage?

6

  O liefde, voor dit offer van uw leven,

  wat kan ik, dan mijzelf ten offer geven,

  opdat ik nooit, hetzij ik leev' of sterve,

  uw liefde derve!

---

*182

#6

1

  Jezus, leven van ons leven,

  Jezus, dood van onze dood,

  Gij hebt U voor ons gegeven,

  Gij neemt op U angst en nood,

  Gij moet sterven aan uw lijden

  om ons leven te bevrijden.

  Duizend, duizendmaal, o Heer,

  zij U daarvoor dank en eer.

2

  Gij die alles hebt gedragen

  al de haat en al de hoon,

  die beschimpt wordt en geslagen,

  Gij rechtvaardig, Gij Gods Zoon,

  als de minste mens gebonden,

  aangeklaagd om onze zonde.

  Duizend, duizendmaal, o Heer,

  zij U daarvoor dank en eer.

3

  Die gewillig waart ten dode,

  in het duister van de pijn

  U ten offer hebt geboden,

  hoe verlaten moet Gij zijn,

  troosteloos aan 't kruis gehangen

  opdat wij uw troost ontvangen.

  Duizend, duizendmaal, o Heer,

  zij U daarvoor dank en eer.

4

  Alle leed hebt Gij geleden,

  Gij gedragen met geduld.

  Als een worm zijt Gij vertreden

  zonder schuld, om onze schuld,

  opdat wij door U verheven

  als verlosten zouden leven.

  Duizend, duizendmaal, o Heer,

  zij U daarvoor dank en eer.

5

  Koning tot een spot getekend

  met een riet en doornenkroon,

  bij de moordenaars gerekend

  overstelpt met smaad en hoon,

  opdat naar uw welbehagen

  wij de kroon der ere dragen.

  Duizend, duizenmaal, o Heer,

  zij U daarvoor dank en eer.

6

  Dank zij U, o Heer des levens,

  die de dood zijt doorgegaan,

  die Uzelf ons hebt gegeven

  ons in alles bijgestaan,

  dank voor wat Gij hebt geleden,

  in uw kruis is onze vrede.

  Voor uw angst en diepe pijn

  wil ik eeuwig dankbaar zijn.

---

*183

#7

1

  O hoofd vol bloed en wonden,

  bedekt met smaad en hoon,

  o hoofd zo wreed geschonden,

  uw kroon een doornenkroon,

  o hoofd eens schoon en heerlijk

  en stralend als de dag,

  hoe lijdt Gij nu zo deerlijk!

  Ik groet U vol ontzag.

2

  O hoofd zo hoog verheven,

  o goddelijk gelaat,

  waar werelden voor beven,

  hoe bitter is uw smaad!

  Gij, eens in 't licht gedragen,

  door engelen omstuwd,

  wie heeft U zo geslagen

  gelasterd en gespuwd?

3

  O Heer uw smaad en wonden,

  ja alles wat Gij duldt,

  om mij is het, mijn zonden,

  mijn schuld, mijn grote schuld.

  O God ik ga verloren

  om wat ik heb gedaan,

  als Gij mij niet wilt horen.

  Zie mij in liefde aan.

4

  Houdt Gij mij in uw hoede,

  Gij die uw schapen telt,

  o bron van al het goede,

  waar uit mijn leven welt.

  Gij die mijn ziel wilt laven

  met liefelijke spijs,

  Gij overstelpt met gaven

  tot in het paradijs.

5

  Ik dank U o mijn vrede,

  mijn God die met mij gaat,

  voor wat Gij hebt geleden

  aan bitterheid en smaad.

  Geef dat ik trouw mag wezen,

  want Gij zijt trou en goed.

  Ik volg U zonder vrezen

  wanneer ik sterven moet.

6

  Wanneer ik eens moet heengaan

  ga Gij niet van mij heen,

  laat mij dan niet alleen gaan

  niet in de dood alleen.

  Wees in mijn laatste lijden,

  mijn doodsangst, mij nabij.

  O God, sta mij terzijde,

  die lijdt en sterft voor mij.

7

  Wees Gij om mij bewogen

  en troost mijn angstig hart.

  Voer mij uw beeld voor ogen,

  gekruisigde, uw smart.

  Dan zal ik vol vertrouwen,

  gelovig en bewust,

  uw aangezicht aanschouwen.

  Wie zo sterft, sterft gerust.

---

*184

#6

1

  Met de boom des levens

  wegend op zijn rug

  droeg de Here Jezus

  Gode goede vrucht.

  Kyrie eleison,

  wees met ons begaan,

  doe ons weer verrijzen

  uit de dood vandaan.

2

  Laten wij dan bidden

  in dit aardse dal,

  dat de lieve vrede

  ons bewaren zal,

  Kyrie eleison,

  wees met ons begaan,

  doe ons weer verrijzen

  uit de dood vandaan,

3

  want de aarde vraagt ons

  om het zaad des doods,

  maar de hemel draagt ons

  op de adem Gods.

  Kyrie eleison,

  wees met ons begaan,

  doe ons weer verrijzen

  uit de dood vandaan.

4

  Laten wij God loven,

  leven van het licht,

  onze val te boven

  in een evenwicht,

  Kyrie eleison,

  wees met ons begaan,

  doe ons weer verrijzen

  uit de dood vandaan,

5

  Want de aarde jaagt ons

  naar de diepte toe,

  maar de hemel draagt ons,

  liefde wordt niet moe.

  Kyrie eleison,

  wees met ons begaan,

  doe ons weer verrijzen

  uit de dood vandaan.

6

  Met de boom des levens

  doodzwaar op zijn rug

  droeg de Here Jezus

  Gode goede vrucht.

  Kyrie eleison,

  wees met ons begaan,

  doe ons weer verrijzen

  uit de dood vandaan.

---

*185

#10

1

  Des konings vaandels gaan vooraan,

  't geheim des kruises grijpt ons aan,

  dat op het schandhout uitgespreid

  de Schepper als een schepsel lijdt.

2

  Zijn handen heeft Hij uitgestrekt,

  zijn voeten zijn met bloed bedekt;

  opdat Hij ons ter hulpe kwam

  is Hij geofferd als een lam.

3

  Het harde ijzer van de speer

  stak in de zijde van de Heer,

  opdat het water en het bloed

  ons reinigde in overvloed.

4

  Wat David in zijn vrome lied

  voorspeld heeft, dat is nu geschied.

  Hij heeft de volkeren geleerd

  dat God vanaf het hout regeert.

5

  Hoe moogt gij, boom, zo blinkend staan

  met 't koninklijke purper aan?

  O stam, het heeft de Heer behaagd

  dat gij zijn heilig lichaam draagt!

6

  O zalig aan wiens takken breed

  het schoonste dat de wereld weet

  als aan een waag gewogen is,

  geheven uit de duisternis.

7

  Wat heeft uw schors een zoete stroom

  van geur verspreid, o levensboom.

  Gij draagt als rijpe vrucht de Heer,

  gij draagt de kroon van lof en eer.

8

  Ik groet u, altaar, groet u, lam,

  dat 't heerlijk lijden op zich nam,

  waar 't leven mee de dood bedwingt,

  als 't leven uit de dood ontspringt.

9

  O kruis, u groet ik, want gij zijt

  mijn hoop in deze lijdenstijd.

  Geef vrolijkheid wie u vertrouwt

  genade, wie zijn kwaad berouwt.     

10

   U brenge al wat leeft de eer,

   Drievuldigheid, o ene Heer,

   die ons door 't kruisgeheim bevrijdt,

   regeer ons tot in eeuwigheid.

---

*186

#11

1

  Zing, mijn tong, bezing het teken

  van de zege in de strijd.

  't Vaandel dat de Heer zal steken,

  is het kruis waaraan Hij lijdt.

  Hij die 't daglicht aan doet breken

  heeft ten offer zich gewijd.

2

  Ziende hoe het mens'lijk leven,

  dat Hij schoon geschapen had,

  aan de dood was prijsgegeven

  om de vrucht die Adam at,

  heeft God weer een boom verheven,

  gaf zijn allerliefste schat.

3

  Om het heil ons te bereiden

  heeft Hij 't heilig recht voldaan,

  heeft hem die ons kwam misleiden

  met zijn list beschaamd doen staan,

  bood ons om ons te bevrijden

  deze vrucht der liefde aan.

4

  Toen de volheid van de tijden

  was gekomen, koos de Zoon,

  Heer des hemels, onze zijde,

  daalde neder uit de troon,

  God en Zoon des mensen beide,

  voor een maagd het moederloon.

5

  't Schreiend kind door God gezonden

  in de kribbe, was de Heer.

  In de windselen gewonden

  lag Hij hulpeloos terneer,

  handjes, voetjes, saamgebonden,

  zoetjes drinkend, klein en teer.

6

  Toen de ure was gekomen

  en zijn levenstijd vervuld,

  heeft de Heer op zich genomen

  als verlosser alle schuld,

  liet het lam zich zonder schromen

  binden, leed het met geduld.

7

  Eenzaam hangt Hij en terzijde.

  Dorens, spijkers, felle speer,

  doen zijn teder lichaam lijden,

  bloed en water stroomt terneer.

  Wat voor stroom komt U bevrijden,

  aarde, zee en sterrenheer!

8

  Edelste van alle bomen,

  zalig kruis van ons geloof,

  uit welk woud zijt gij genomen,

  zo met takken, bloemen, loof?

  Lieflijk hout, welk een volkomen

  lieve last hangt in uw loof.

9

  Buig o boom uw takken neder,

  harde nerf, wees in dit uur

  vloeiende en mild en teder,

  niet zo streng als van natuur.

  't Koningslichaam rust gereder

  op een zachte stam terneer.

10

   Immers draagt gij als een gave

   Hem die zich ten offer wijdt.

   Gij, de loods, gij wijst de haven,

   als de wereld schipbreuk lijdt.

   Hout dat 't bloed des lams zal laven,

   balsem, stromend wijd en zijd.

11

   Aan de Vader hoog verheven,

   aan de Zoon die voor ons lijdt,

   aan de Trooster van ons leven,

   zalige drievuldigheid,

   zij de eer en kracht gegeven

   nu en in der eeuwigheid.

---

*187

#3

1

  Daar gaat een lam en draagt de schuld

  der wereld met zich mede;

  het boet in eindeloos geduld

  voor al wat wij misdeden.

  Daar gaat het en het wordt zo moe,

  stil gaat het naar de slachtbank toe,

  't vindt nergens meer een weide.

  Smaad neemt het op zich, hoon en spot,

  wonden en doodsangst zijn zijn lot

  en zegt: dit wil ik lijden.

2

  Ik zal daarvoor mijn leven lang

  U danken, dit gedenken:

  de liefde, die 'k van U ontvang,

  U, Jezus, wederschenken.

  Gij zijt het licht, Heer, van mijn hart;

  wanneer het in de dood verstart,

  dan zijt Gij nog mijn leven.

  Niets heb ik van mijzelve meer,

  zie, alles wat ik ben, o Heer,

  zij in uw hand gegeven.

3

  Ik zal mij in uw lieflijkheid

  bij dag en nacht verblijden;

  ik wil mijzelf nu en altijd

  U tot een offer wijden.

  Ik wil voor U mijn hartebloed

  uitstorten, Heer, want Gij zijt goed,

  uw naam zij hooggeprezen.

  Al wat Gij voor mij zijt geweest,

  dat zal diep in mijn hart en geest

  voorgoed besloten wezen.

---

*188

#2

1

  O Lam van God, onschuldig

  geslacht aan 't kruis der schande,

  te allen tijd geduldig

  bereid ten offerande,

  Gij hebt de schuld gedragen,

  nu is de dood verslagen.

  Erbarm U onzer, o Jezus!

2

  O Lam van God, onschuldig

  gefolterd en geslagen,

  leer ons, als Gij geduldig,

  ons kruis U na te dragen;

  doe ons U meer beminnen

  en help ons overwinnen.

  Geef ons uw vrede, o Jezus!

---

*189

#4

1

  Mijn Verlosser hangt aan 't kruis,

  hangt ten spot van snode smaders.

  Zoon des Vaders,

  waar is toch uw almacht thans,

  waar uw goddelijke glans?

2

  Mijn Verlosser hangt aan 't kruis,

  en Hij hangt er mijnentwegen,

  mij ten zegen.

  Van de vloek maakt Hij mij vrij,

  en zijn sterven zaligt mij.

3

  Mijn Verlosser hangt aan 't kruis.

  Zou ik dan in droeve dagen

  troost'loos klagen?

  Als ik naar zijn kruis mij richt,

  valt mijn eigen last mij licht.

4

  Mijn Verlosser hangt aan 't kruis!

  'k heb mij, Heer, voor dood en leven

  U gegeven.

  Laat mij dan in vreugd en pijn

  met U in gemeenschap zijn.

---

*190

#5

1

  Wie hangt er zo deerlijk, geteisterd, geschonden,

  roosverwig, vol striemen en wonden,

  tot smaadheid en schande aan 't kruishout verheven?

  Wat heeft Hij, wat heeft Hij misdreven?

2

  Dat is er het slachtlam zo heilig geboren,

  tot breking en lessing van toren.

  Zijn misdaad is liefde, uitvloeien en geven,

  dat kost Hem, dat kost Hem zijn leven.

3

  Kost dat Hem zijn leven, die schoonste van allen,

  hoe is Hij in 't lijden vervallen?

  Of is het uit liefde en heilige minne,

  wat zal Hij daarmede dan winnen?

4

  Wat anders als 't leven der eeuwige zielen,

  die droevig in zonden vervielen.

  Opdat Hij die schulden verzoene en boete,

  zo druipen zijn handen en voeten.

5

  Ach Jezus, beminde, hoogwaarde en schone,

  wie zal U, wie zal U belonen?

  Uw weldaad die gaat ons vermogen te boven,

  wij willen U prijzen en loven.

---

*191

#2

1

  Gij wordt voor mij gekruisigd, Heer,

  maar, wonder, Gij biedt geen verweer.

  O schennis, die U wedervaart,

  geen leed om mij wordt U bespaard.

2

  Heer, die nu voor wat boos is boet.

  Ik schiep de nacht waarin Gij bloedt.

  Mijn nood is in uw hart gekerfd.

  Ik ben de wond waaraan Gij sterft.

---

*192

#6

1

  O kostbaar kruis, o wonder Gods,

  waaraan de Prins der glorie stierf;

  ik wil om U zijn zonder trots,

  ik acht verlies wat ik verwierf.

2

  Bewaar mij dat ik roemen zou

  dan in mijn Heren Christi dood.

  Al wat ik anders noemen zou

  is niets bij dit mysterie groot.

3

  O angst en liefde, ondereen

  vermengd als water en als bloed,

  zij wijzen naar het wonder heen

  van Hem die op de aarde boet.

4

  Het rode bloed, zijn koningskleed

  bedekt het schandelijke kruis,

  dat wordt door alles wat Hij leed

  de levensboom van 't paradijs.

5

  En door zijn dood en door zijn bloed

  is nu de wereld dood voor mij.

  Ik ben gestorven, maar voor goed

  van heel de dode wereld vrij.

6

  De aarde zelf is veel te klein

  voor wie U waarlijk loven wil.

  Uw liefde is een groot geheim,

  zij vraagt geheel mijn hart en ziel.

---

*193

#3

1

  O wereld, zie uw leven

  hoog aan het kruis geheven,

  uw heil zinkt in de dood.

  De eersteling van allen

  laat stil zich welgevallen

  verdrukking, slagen, hoon en spot.

2

  Wie heeft U zo geslagen,

  waarom moet Gij verdragen

  die bitterheid en pijn?

  Gij zijt toch zonder zonde,

  toch niet in 't kwaad gebonden

  als wij en onze kind'ren zijn.

3

  Ik ben het, ik moest boeten,

  met handen en met voeten

  genageld aan uw kruis.

  O Here, die uw leven

  voor mij hebt prijsgegeven,

  gedenk mij in het paradijs.

---

*194

#4

1

  Dag zo bitter en zo goed

  dag waarop het schrift van onze zonden

  werd vernietigd, ons geschonden

  menszijn werd geboet.

2

  Dag zo bitter en zo goed

  dag waarop de schuld van onze handen

  werd gevorderd, en hun schande

  weggedaan voorgoed.

3

  Dag zo bitter en zo goed

  dag waarop de Heer doornageld boette

  voor ons dwalen, onze voeten

  waste met zijn bloed.

4

  Dag zo bitter en zo goed,

  dag waarop de Heer van God verlaten

  aan Hem vasthield, ons ten bate

  zie het was zeer goed.

---

*195

#5

1

  Nu valt de nacht.

  Het is volbracht:

  de Heer heeft heel zijn leven

  voor het menselijk geslacht

  in Gods hand gegeven.

2

  De wereld gaf

  Hem slechts een graf,

  zijn wonen was Hem zwerven;

  al zijn onschuld werd Hem straf

  en zijn leven sterven.

3

  Hoe slaapt Gij nu,

  die men zo ruw

  aan 't kruishout heeft gehangen.

  Starre rotsen houden U,

  rots des heils, gevangen.

4

  't Is goed, o Heer,

  Gij hoeft de eer

  van God niet meer te staven.

  Leggen wij ons bij U neer,

  in uw dood begraven.

5

  Hoe wonderlijk,

  uitzonderlijk

  een sabbath is gekomen:

  eens voor al heeft Hij het juk

  van ons afgenomen.

---

*196

#5

1

  Den Heer wil ik prijzen

  en ere bewijzen,

  wiens dappere hand

  heeft ruiter en wagen

  verdreven, verslagen,

  gewenteld in 't zand.

2

  De Heer is mijn leven,

  de Heer heeft gegeven

  zijn lof in mijn mond.

  Hij schenkt mij, mijn Koning,

  zijn veilige woning,

  zijn heilig verbond.

3

  Gij overste Rechter,

  Gij krachtigste vechter,

  uw naam is zo zoet:

  o Jesu Gods Zone,

  Gij velt van den trone

  den drijver verwoed!

4

  Maar ons zult Gij planten

  als levende planten,

  o Heer, in uw hof.

  Uw scepter zal blijven,

  uw rijk zal beklijven

  met eeuwige lof.

5

  Gods Zone wilt loven,

  Gods Zoon van hier boven

  heeft wonder gedaan;

  aanhoort deze tijding

  en laat de bevrijding

  u niet meer ontgaan!

---

*197

#4

1

  De dag rijst rood in het verschiet,

  de hemel zingt het hoogste lied,

  de aarde juicht uit alle macht,

  de hel barst los in jammerklacht.

2

  Omdat de Koning komt en stoot

  de deuren open van de dood,

  bevrijdend uit de lange nacht,

  het volk dat in het duister wacht.

3

  Die lag besloten met een steen,

  een wacht soldaten erom heen,

  stijgt uit het graf en triomfeert

  in al zijn pracht. De Heer regeert.

4

  Nu zijn de tranen en de pijn

  voorbij. De dood zal niet meer zijn.

  Een stralende engel kondigt aan:

  de Heer is waarlijk opgestaan.

---

*198

#4

1

  De mond der aarde spreekt

  de naam des levens uit,

  de zoon der toekomst breekt

  de kluisters van de tijd,

2

  de dag die was verwacht

  eeuwen en eeuwen her

  breekt aan en uit de nacht

  verrijst de morgenster,

3

  het licht straalt uit de grond,

  Christus is opgestaan,

  de adem van zijn mond

  spreekt ons met leven aan,

4

  de duisternis verbleekt,

  het is hoog aan de tijd,

  de Man van Pasen steekt

  zijn beide handen uit

  Hij groet zijn Pinksterbruid.

---

*199

#7

1

  De toekomst van de Heer is daar

  en voor zijn voeten uit

  gaan vrede en rechtvaardigheid

  als bruidegom en bruid.

2

  De trouw zal bloeien als een roos

  en zie, gerechtigheid

  zal uit de hemel moeiteloos

  neerdalen in de tijd.

3

  Voorwaar, het heil is nu nabij,

  uw goedertierenheid.

  En vol verwachting zingen wij:

  God roept de vrede uit!

4

  Sta op, o God, en maak het waar

  wat heel uw kerk bezingt:

  dat heel uw schepping weer ontwaakt

  uit haar betovering.

5

  Want groot zijt Gij en daden groot

  zijn door uw hand gedaan;

  het graan ontkiemt ternauwernood,

  het sterft om op te staan.

6

  Gij hebt de groeve toegedekt

  waarin de korrel viel

  om weer te worden opgewekt:

  Adam met hart en ziel.

7

  Nu is de dag van oogsten daar,

  het hoogste van de tijd;

  een koning als een korenaar

  staat op in majesteit.

---

*200

#5

1

  Heerlijk verschenen is de dag

  waarop ons lied niet zwijgen mag,

  want Jezus Christus triomfeert,

  Hij die het graf de rug toekeert.

  Halleluja.

2

  De nacht, de zonde en de dood,

  de hel, het leed, de angst, de nood,

  dit alles is teniet gedaan,

  nu onze Heer is opgestaan.

  Halleluja.

3

  Die eens de buit was van de dood

  en weerloos lag in aarde 's schoot,

  Hij heeft het licht teruggebracht,

  Hij schenkt het leven overmacht.

  Halleluja.

4

  Heel de aarde, al het schepsel zal

  opstaan in 't zonlicht overal;

  voorbij is nu de droefenis,

  omdat de Heer verrezen is.

  Halleluja.

5

  Ook wij, wij zetten blij van zin

  een stralend halleluja in.

  O Christus, die verrezen zijt,

  wij prijzen uw aanwezigheid.

  Halleluja.

---

*201

#3

1

  O dag van de verrijzenis,

  de volken zijn verblijd,

  Pasen des Heren, Pasen is 't,

  nu Hij ons zelf geleidt,

  ons leidt naar 't leven uit de dood

  en naar de hemel heen

  uit deze aarde en haar nood.

  Hij leidt ons, Hij alleen.

2

  O laat ons waarlijk zuiver zijn

  dan zien wij hoe in 't licht.

  zo stralend als de zonneschijn

  Christus staat opgericht.

  Dan horen we als de dag aanbreekt

  met bovenaardse gloed,

  hoe Christus zelve tot ons spreekt

  zeggende: weest gegroet.

3

  De hemel heft het loflied aan,

  de aarde is verblijd,

  Christus de Heer is opgestaan

  in al zijn majesteit.

  De wereld die onzichtbaar is,

  de wereld die men niet ziet,

  begroeten de verrijzenis

  en zingen 't zegelied.

---

*202

#5

1

  Nu de Heer is opgestaan

  loopt alom het leven uit,

  breekt de nieuwe lente aan, 

  roert zich in het groene kruid.

  Heel de aarde die ontwaakt,

  looft Hem die haar heeft gemaakt

  met een jubelend geluid.

2

  Helder wordt de hemel weer,

  stralend open overal,

  en een zachte zon ziet neer

  in ons liefelijke dal,

  dat in prille schoonheid blinkt.

  Overal in 't rond weerklinkt

  vogellied en lof geschal.

3

  Koning van de koude dood,

  trotse vorst, al was weleer

  uw geweld ook nog zo groot,

  al waart gij der wereld heer,

  nu heeft uit uw bar beleid,

  heerst uw ongerechtigheid

  over ons geslacht niet meer.

4

  Nu de dood verslagen is,

  en voorgoed teniet gedaan,

  wordt vervuld het lang gemis

  breekt het volle leven aan,

  en de mens mag, God zij prijs,

  het verloren paradijs

  onbekommerd binnengaan.

5

  Jezus Christus gaat vooraan

  in zijn koningsheerschappij;

  die de dood is doorgegaan

  maakt ons allen waarlijk vrij.

  Aan de Vader, Zoon en Geest

  is de zege, het is feest.

  Van zijn liefde zingen wij.

---

*203

#7

1

  Die in de dood gebonden lag

  om ons en onze zonden,

  is opgestaan met groot gezag:

  Christus heeft overwonnen!

  Hij bracht ons het leven weer,

  laat ons nu loven God en Heer

  en zingen: halleluja!

  Halleluja!

2

  Geen die de dood bedwingen kon,

  geen enkel mens op aarde;

  dat kwam doordat wij man voor man

  verstrikt in zonden waren.

  Zo kreeg hij ons in zijn macht

  en heeft ons in zijn rijk gebracht

  en hield ons daar gevangen.

  Halleluja!

3

  Toen heeft Gods Zoon ons hulp verschaft.

  Hij, als een mens gekomen,

  wees zonde en verzoeking af

  en heeft de dood ontnomen

  als zijn rechtsmacht en geweld;

  hij moest de sleutels van de hel

  in Christus' handen laten.

  Halleluja!

4

  Het was een strijd sinds lang voorzegd,

  die dood en leven streden.

  Nu is, Godlof, het pleit beslecht:

  Christus is onze vrede.

  Hij die onze bondgenoot

  geworden is, heeft in zijn dood

  de dood voor ons verslagen.

  Halleluja!

5

  Ziet nu die 't ware Paaslam is,

  waarvan wij moeten leven,

  die aan het kruis in duisternis

  zichzelf heeft prijsgegeven.

  Zijn bloed is aan onze deur;

  niet langer oefent zijn terreur

  de dood, die mensenmoorder.

  Halleluja!

6

  Laat ons dan vieren 't hoge feest

  dat Christus heeft gegeven,

  verheugd van hart en blij van geest,

  Hij immers is ons leven.

  Hij is onze zon, ons licht,

  op Hem is ons bestaan gericht,

  't is dag voor ons geworden.

  Halleluja!

7

  Dit is het maal, hebt Gij gezegd,

  der ongezuurde broden.

  Wij doen het oude zuurdeeg weg,

  gelijk Gij hebt geboden.

  Gij zelf wilt tot lafenis

  en spijze ons zijn, o Heer, dat is

  genoeg voor dood en leven.

  Halleluja!

---

*204

#3

1

  Jezus Christus, onze Heiland,

  heeft de dood overmand.

  Ten derden dage

  zijn zonde en dood verslagen.

  Kyrie eleison.

2

  Zonder zonde is Hij geboren,

  droeg voor ons 's Hoogsten toorn;

  voor ons gestorven

  heeft Hij Gods gunst verworven.

  Kyrie eleison.

3

  Nu is alles, zonde en doodsnacht,

  leven, heil in zijn macht.

  Hij kan behouden,

  wie zich Hem toevertrouwden.

  Kyrie eleison.

---

*205

#6

1

  Nu triomfeert de Zoon van God

  die is verrezen uit de dood,

  halleluja, halleluja,

  met grote pracht en heerlijkheid.

  Hem zij de lof in eeuwigheid!

  Halleluja, halleluja.

2

  Hij heeft de duivel alle macht

  ontnomen, hem ten val gebracht.

  Halleluja, halleluja.

  Hij heeft gelijk een grote held

  de boze reddeloos geveld.

  Halleluja, halleluja.

3

  Nu doet geen vijand ons meer kwaad;

  al dreigt hij ook, het heeft geen baat.

  Halleluja, halleluja.

  Hij ligt in 't stof, hij heerst niet meer,

  wij zijn Gods eigen kind'ren weer.

  Halleluja, halleluja.

4

  O Gij die onze Heiland zijt,

  die zondaars uit de dood bevrijdt,

  Halleluja, halleluja,

  om uw genade en liefde leid

  ons binnen in uw heerlijkheid.

  Halleluja, halleluja.

5

  Voor wie vertrouwen op uw woord

  ontsluit Gij zelf de donk're poort.

  Halleluja, halleluja.

  Zo laat ons dan uit alle macht

  lofzingen Hem, wiens heil ons wacht:

  halleluja, halleluja.

6

  Aan God de Vader in zijn troon,

  aan Christus, zijn geliefde Zoon,

  halleluja, halleluja,

  en aan de Geest zij toegewijd

  lof, dank en eer in eeuwigheid.

  Halleluja, halleluja.

---

*206

#5

1

  Komt drinken wij tot lafenis

  de nieuwe drank die leven is,

  zij wordt niet door een wonder Gods

  gedwongen uit de dode rots.

2

  Zij is de bron, het leven zelf,

  ontspringend uit het grafgewelf,

  Christus, de levende fontein,

  waarin wij allen zalig zijn.

3

  In alle dingen opgericht,

  door alles heen dringt hemels licht,

  de schepping heft het feestlied aan

  want Christus is thans opgestaan.

4

  Gisteren was ik met U dood,

  o Christus, in dit morgenrood

  word ik met U weer opgewekt

  daar Gij de uwen tot U trekt.

5

  O Christus, ik die gist'ren pas

  met U aan 't kruis gehangen was,

  laat heden tot uw lof en prijs

  mij bij U zijn in 't paradijs.

---

*207

#12

1

  Hoort aan, gij die Gods kind'ren zijt:

  der heem'len hoogste majesteit

  verrees vandaag in heerlijkheid.

  Halleluja.

2

  De drie Maria 's daalden af

  vroeg in de schemer naar het graf,

  met zalf, waar elk haar liefde in gaf.

  Halleluja.

3

  Door Magdalena 's angstig woord

  zijn twee discip'len aangespoord

  en haastten ademloos zich voort.

  Halleluja.

4

  Johannes is over het veld

  sneller dan Petrus voortgesneld,

  om zelf te zien wat werd gemeld.

  Halleluja.

5

  De vrouwen, naar het graf gegaan,

  zegde een witte engel aan,

  dat nu de Heer was opgestaan.

  Halleluja.

6

  Aan de discipelen bijeen

  was 't Christus zelve die verscheen

  en vrede wenste als voorheen.

  Halleluja.

7

  't Bericht werd Thomas ook gedaan.

  Hij hoorde het vol twijfel aan

  dat Jezus zou zijn opgestaan.

  Halleluja.

8

  Zie, Thomas, mijn doorboorde zij,

  mijn handen, voeten allebei,

  en twijfel niet, geloof in Mij.

  Halleluja.

9

  De wond van spijker en van speer

  zag hij en twijfelde niet meer,

  maar stamelde: mijn God en Heer.

  Halleluja.

10

   Zalig wie niet getwijfeld heeft,

   niet ziet en toch zich overgeeft,

   zijn deel is dat hij eeuwig leeft.

   Halleluja.

11

   Wij vieren 't feest van Pasen weer,

   en brengen alle lof en eer

   aan onze opgestane Heer.

   Halleluja.

12

   Voor alles wat Hij heeft gedaan,

   roepen wij God ootmoedig aan

   nu onze Heer os opgestaan.

   Halleluja.

---

*208

#19

1

  De Heer is waarlijk opgestaan,

  halleluja, halleluja,

  de nacht des doods voorbijgegaan.

  Halleluja, halleluja!

2

  Wanneer Hij niet was opgestaan,

  Halleluja, halleluja,

  dan zou de wereld zijn vergaan.

  Halleluja, halleluja!

3

  Maar nu Hij overwonnen heeft,

  halleluja, halleluja,

  nu loven wij de Heer die leeft.

  Halleluja, halleluja!

4

  Drie vrouwen namen specerij,

  halleluja, halleluja,

  vroeg in de morgen kwamen zij.

  Halleluja, halleluja!

5

  Zij naderden bezorgd het graf,

  halleluja, halleluja.

  Wie wentelt straks de steen ons af?

  Halleluja, halleluja!

6

  Maar zie, de steen was weggedaan,

  halleluja, halleluja.

  Een engel sprak de vrouwen aan:

  halleluja, halleluja!

7

  Weest niet bevreesd, verheugt u zeer,

  halleluja, halleluja,

  Hij, die gij zoekt, is hier niet meer.

  Halleluja, halleluja!

8

  Ach goede engel, zeg mij dan,

  halleluja, halleluja,

  waar ik mijn Meester vinden kan.

  Halleluja, halleluja!

9

  Uw Heer, die hier gebonden lag,

  halleluja, halleluja,

  verrees op deze heil'ge dag.

  Halleluja, halleluja!

10

   Wanneer Hij dan verrezen is,

   halleluja, halleluja,

   wijs, engel, ons waar Jezus is.

   Halleluja, halleluja!

11

   Hier was zijn rustplaats, komt en ziet,

   halleluja, halleluja,

   verblijdt u 't graf behield Hem niet.

   Halleluja, halleluja!

12

   Mijn hart is nog vol angst en pijn,

   halleluja, halleluja,

   hoe zou ik blijde kunnen zijn?

   Halleluja, halleluja!

13

   Aanschouwt de windsels in het graf,

   halleluja, halleluja,

   die Jozef Hem als doodskleed gaf.

   Halleluja, halleluja!

14

   Wij zien het vol verbazing aan,

   halleluja, halleluja,

   zeg ons: waarheen is Hij gegaan?

   Halleluja, halleluja!

15

   Naar Galilea richt uw voet,

   halleluja, halleluja,

   daar wordt gij door uw Heer begroet.

   Halleluja, halleluja!

16

   Heb dank, o engel, voor uw woord,

   halleluja, halleluja,

   wij haasten ons, dat elk het hoort.

   Halleluja, halleluja!

17

   Zegt Petrus: Hij is opgestaan!

   Halleluja, halleluja.

   Zegt het al zijn disciplen aan.

   Halleluja, halleluja!

18

   Nu klinkt alom de roep voortaan:

   Halleluja, halleluja,

   de Heer is waarlijk opgestaan!

   Halleluja, halleluja!

19

   Verblijdt u met ons allen saam,

   halleluja, halleluja,

   lofzingt de Heer en prijst zijn naam!

   Halleluja, halleluja!

---

*209

#7

1

  Nu moet gij allen vrolijk zijn.

  De bomen zingen in de tuin,

  het lege graf verzwijgt het niet,

  de mond geopend voor het lied,

  halleluja!

2

  De loze worden zijn verstomd,

  de wereld die op adem komt

  zingt met de vogels in de lucht

  dat nu de nacht is weggevlucht,

  halleluja!

3

  Geen vlammend zwaard verspert de weg,

  de engel die het voerde zegt,

  dat alle leed geleden is

  omdat de Heer verrezen is,

  halleluja!

4

  Hij heeft het zegel weggedaan,

  nu kunnen wij zijn woord verstaan,

  zijn graf is als een open boek,

  de windsels liggen in de hoek,

  halleluja!

5

  O dood, die Hem ontkomen liet,

  Hij neemt bezit van uw gebied,

  zijn heerschappij gaat in en uit

  door al de deuren die men sluit,

  halleluja!

6

  Wij willen zingen dat Hij leeft,

  Hij leeft die God gehoorzaamd heeft,

  zijn graf staat ledig in de tijd,

  het is een mond vol zaligheid,

  halleluja!

7

  O goede engel bij het graf,

  de lente lost de winter af,

  bewaak het jonge groen en wijs

  de ingang van het paradijs,

  halleluja!

---

*210

#4

1

  Sta op! Een morgen ongedacht,

  Gods dag is aangebroken,

  er is in een bewogen nacht

  een nieuwe lente ontloken.

  Het leven brak door aarde en steen,

  uit alle wondren om u heen

  spreekt, dat God heeft gesproken.

2

  Hij heeft gezegd: Gij mens, kom uit,

  open uw dode oren;

  kom uit het graf dat u omsluit,

  kom uit en word geboren!

  Toen heeft zich in het vroegste licht

  de nieuwe Adam opgericht,

  ons allen lang tevoren.

3

  Al wat ten dode was gedoemd

  mag nu de hoop herwinnen;

  bloemen en vogels, alles roemt

  Hem als in den beginne.

  Keerde de Heer der schepping weer,

  dan is het tevergeefs niet meer

  te bloeien en te minnen.

4

  Sta op! Hij gaat al voor ons uit,

  de schoot van 't graf ontkomen.

  De morgen is vol nieuw geluid,

  werp af uw boze dromen.

  Waar Hij, ons Hoofd, is voorgegaan,

  is voor het lichaam nu vrij baan

  naar een bestaan volkomen.

---

*211

#5

1

  Christus is opgestanden

  al uit der moordenaars handen.

  Dus willen wij allen vrolijk zijn,

  Christus zal onze trooster zijn.

  Kyrieleis.

2

  Al zijn wij Gods gevangen,

  naar Christus is ons verlangen.

  Het kruis dat moeten wij dragen,

  zullen wij Christus behagen.

  Kyrieleis.

3

  Christus heeft geleden,

  Hij heeft voor ons gestreden,

  de vijand is verwonnen,

  de dood heeft Hij verslonden.

  Kyrieleis.

4

  Christus is nedergestegen,

  Hij heeft victorie verkregen.

  Hij is ons allen een Medicijn,

  Christus zal onze Verlosser zijn.

  Kyrieleis.

5

  Christus is nu verrezen,

  dus willen wij vrolijk wezen.

  De dood heeft verloren haren naam.

  Christus verlost ons al te saam.

  Kyrieleis.

 

  Halleluja,

  halleluja,

  halleluja.

---

*212

#8

1

  Halleluja, de blijde toon,

  halleluja,

  wordt nu gezongen zoet en schoon,

  halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

2

  Waar dat ik sta of dat ik ga,

  halleluja,

  mijn ziel, die zingt halleluja,

  halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

3

  Dit is de grote, blijde dag,

  halleluja,

  die David in de geest voorzag,

  halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

4

  Hemel en aarde zijn verheugd,

  halleluja,

  de heil'ge Kerk smaakt ook die vreugd,

  halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

5

  Want onze Heer en Koning groot

  halleluja,

  is nu verrezen uit de dood,

  halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

6

  Die stervend ons het leven gaf,

  halleluja,

  verrees in glorie uit het graf,

  halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

7

  Of nu de satan raast en tiert,

  halleluja,

  de leeuw uit Juda zegeviert,

  halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

8

  Daar boven in des hemels troon,

  halleluja,

  daar zingt men ongemeen en schoon,

  halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

---

*213

#6

1

  Lof zij God in de hoogste troon,

  lof zij zijn eengeboren Zoon,

  die voor ons droeg der zonde loon.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

2

  Des morgens op de derde dag,

  toen voor het graf de steen nog lag,

  verrees de Heer op Gods gezag.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

3

  De engel sprak: Houdt moed, vreest niet,

  ik ken de bron van uw verdriet:

  gij zoekt uw Heer, Hij is hier niet.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

4

  Hij is verrezen en Hij leeft.

  De dood heeft voor het eerst gebeefd.

  Komt, ziet waar Hij gelegen heeft.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

5

  Nu bidden wij U, Zoon van God,

  omdat Gij opstond uit de dood,

  geef ons nu uw genade groot,

  halleluja, halleluja, halleluja!

6

  opdat wij, vrolijk en bevrijd,

  lofzingen in der eeuwigheid

  uw lieve naam gebenedijd.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

---

*214

#6

1

  O morgen van verblijden,

  o dageraad, o licht!

  Zie, na de nacht van lijden

  toont God zijn aangezicht,

  Hij, machteloos geknecht,

  als wij in 't graf gelegd,

  blijkt in zijn onmacht sterk

  en doet een heerlijk werk.

2

  Hij was in 't graf gedreven,

  de vijand juicht en lacht,

  geen nood, het duurt maar even,

  want Hij verrijst met macht

  en in de morgen luid

  roept Hij de zege uit

  en zwaait in 't veld vooraan

  de overwinningsvaan.

3

  O, nu ik mocht aanschouwen,

  uw overwinningsfeest,

  kan mij niet meer benauwen

  het duister van mijn geest.

  Ik zal vol goede moed

  behouden 't kostbaar goed,

  dat mij verworven heeft

  de Heer die eeuwig leeft.

4

  Met Hem ben ik in vrede;

  Hij noemt mij met zijn naam.

  Ik ben een van zijn leden,

  waar Hij ging kan ik gaan.

  Daar leidt Hij zelve mij,

  waar ik ben daar is Hij.

  't Zij wereld, dood of hel,

  Hij is mijn metgezel.

5

  Nu leidt de weg naar boven.

  Ik volg Hem op de voet.

  Geen vijand kan mij roven

  uit zijn verkoren stoet.

  Woede wat woeden kan,

  de Heer dekt man voor man.

  Gij die mij schaden wilt,

  mijn Heiland is mijn schild!

6

  Nu brengt Hij zonder dralen

  mij aan de hemelpoort.

  In al der wereld talen

  staat daar gegrift het woord:

  wie met Hem zijn gehoond,

  die worden hier gekroond;

  wie stierven met de Heer,

  die komen hier tot eer.

---

*215

#3

1

  Christus, onze Heer, verrees,

  halleluja!

  Heil'ge dag na angst en vrees,

  halleluja!

  Die verhoogd werd aan het kruis,

  halleluja,

  bracht ons in Gods vrijheid thuis,

  halleluja!

2

  Prijst nu Christus in ons lied,

  halleluja,

  die in heerlijkheid gebiedt,

  halleluja,

  die aanvaardde kruis en graf,

  halleluja,

  dat Hij zondaars 't leven gaf,

  halleluja!

3

  Maar zijn lijden en zijn strijd,

  halleluja,

  heeft verzoening ons bereid,

  halleluja!

  Nu is Hij der heem'len Heer,

  halleluja!

  Eng'len juub'len Hem ter eer,

  halleluja!

---

*216

#3

1

  Laat groot en klein

  nu vrolijk zijn,

  jubelend God dank bewijzen.

  Laat al wie 't woord

  des levens hoort

  Vader en Zoon nu lofprijzen.

  Want Hij, in wie

  ons heil is, zie,

  die dood was leeft:

  de Vader heeft

  zijn Zoon voor ons doen verrijzen.

2

  Juich dan en zing!

  Hij, de Eersteling

  heeft onze vijand bedwongen,

  is sterk en groot

  dwars door de dood

  tot in Gods rijk doorgedrongen.

  Wie bij Hem hoort

  mag door die poort

  achter Hem aan

  ten leven gaan,

  Hij heeft de zege bedongen.

3

  Lof, dank en eer

  zij onze Heer,

  zegent zijn naam te allen tijde!

  Gij christ'nen, laat

  uw woord en daad

  zijn overwinning belijden.

  Dan zullen wij

  zijn zoals Hij

  en na de nood

  van graf en dood

  eeuwig in Hem ons verblijden.

---

*217

#4

1

  Jezus leeft en ik met Hem!

  Dood, waar is uw schrik gebleven?

  Hem behoor ik en zijn stem

  roept ook mij straks tot het leven,

  opdat ik zijn licht aanschouw,

  dit is al waar ik op bouw.

2

  Jezus leeft! Hem is het rijk

  over al wat is gegeven.

  En ik zal, aan Hem gelijk,

  eeuwig heersen, eeuwig leven.

  God blijft zijn beloften trouw,

  dit is al waar ik op bouw.

3

  Jezus leeft! Hem is de macht.

  Niets kan mij van Jezus scheiden.

  Hij zal, als de vorst der nacht

  mij te nakomt, voor mij strijden.

  Drijft de vijand mij in 't nauw,

  dit is al waar ik op bouw.

4

  Jezus leeft! Nu is de dood

  mij de toegang tot het leven.

  Troost en kracht in stervensnood

  zal de Levende mij geven,

  als ik stil Hem toevertrouw:

  Gij zijt al waar ik op bouw!

---

*218

#8

1

  Ik zeg het allen, dat Hij leeft,

  dat Hij is opgestaan,

  dat met zijn Geest Hij ons omgeeft

  waar wij ook staan of gaan.

2

  Ik zeg het allen, en de mond

  van allen zegt het voort,

  tot over 't ganse wereldrond

  de nieuwe morgen gloort.

3

  Nu schijnt ons deze wereld pas

  der mensen vaderland:

  een leven dat verborgen was

  ontvangen we uit zijn hand.

4

  Ten onder ging de sterke dood,

  ten onder in de vloed;

  nu straalt ons in het morgenrood

  zijn toekomst tegemoet.

5

  De donk're weg die Hij betrad

  komt uit in 't hemelrijk,

  en wie Hem volgen op dat pad,

  worden aan Hem gelijk.

6

  Wees nu, wie rouw draagt, eens voor al

  getroost en wanhoop niet:

  een weerzien zonder einde zal

  verzoeten uw verdriet.

7

  Nu is op aard geen goede daad

  meer tevergeefs gedaan,

  want wat gij goed doet is als zaad,

  dat heerlijk op zal gaan.

8

  't Is feest, omdat Hij bij ons is,

  de Heer die eeuwig leeft

  en die in zijn verrijzenis

  alles herschapen heeft.

---

*219

#6

1

  Zingt ten hemel toe,

  juicht en jubelt Gode,

  want Hij wordt niet moe

  voor ons uit te gaan

  als een vuur vooraan

  levenden en doden!

2

  Christus onze Heer

  is voor ons gestorven

  en Hij daalde neer

  in het doodsgebied,

  deed de dood te niet

  in de nieuwe morgen.

3

  Als een ster zal Hij

  boven ons hoofd stralen,

  ja, Hij maakt ons vrij

  uit het doodsgeding,

  uit de wisseling

  van de lotgevallen.

4

  Maatslag der natuur,

  kringloop der getijden,

  luistert naar het uur

  dat zijn liefde slaat,

  Hij kwam ons te baat,

  Hij zal ons bevrijden!

5

  Pasen is de dag,

  dat de doven lippen

  van het stomme graf

  Hem, het woord van God,

  uit de zwarte dood

  in het leven riepen.

6

  Daarom, zingt Hem toe!

  Hij is onze Heiland.

  Wordt zijn lof niet moe!

  God is opgestaan

  om de hand te slaan

  aan de oude vijand.

---

*220

#9

1

  Zingt nu de Heer! Hij zag ons aan,

  maakte de nacht tot morgen.

  Hij die ons riep in 's Vaders naam,

  heeft ons bevrijd van zorgen.

2

  Diep in de donk're aarde ging

  't lichaam van onze Here

  om als het woord der opstanding

  levend terug te keren.

3

  Als een verweeuwde zat de kerk,

  treurende om haar Heiland,

  maar in het graf deed Hij zijn werk,

  streed met de laatste vijand.

4

  Sion, in bitter zielsverdriet,

  kon nog alleen maar klagen,

  en in haar huis klonk leed voor lied,

  werden tot nacht de dagen.

5

  Zingt nu de Heer! Hij is getrouw.

  Ook als wij niet meer hopen,

  bloeien aan dorens van de rouw

  lachend de rozen open.

6

  't Woord was in onze mond verstomd,

  lag als een bleke dode.

  Godlof, de Geest des Heren komt

  en heeft het graf ontsloten.

7

  Zingt het de hoge hemel rond!

  't Woord aan de dood ontsprongen

  werd weer een kracht in onze mond,

  brandend met vuren tongen.

8

  Christengemeente, jubelt nu!

  Dit zijn u goede dagen.

  Hemelse eng'len zullen u

  hier op de handen dragen.

9

  Jubelt, want die in aarde lag,

  zit op de troon verheven!

  Jubelt, want elke blijde dag

  is ons zijn woord tot leven!

---

*221

#3

1

  Wees gegroet, gij eersteling der dagen,

  morgen der verrijzenis,

  bij wiens licht de macht der hel verslagen

  en de dood vernietigd is!

  Here Jezus, trooster aller smarten,

  zon der wereld, schijn in onze harten,

  deel ons zelf de voorsmaak mee

  van der zaal'gen sabbathsvree!

2

  Op uw woord, o Leven van ons leven,

  werpen wij het doodskleed af!

  Door de kracht uws Geestes uitgedreven,

  treden we uit ons zondengraf.

  Leer ons daag'lijks, leer ons duizendwerven,

  in uw kruisdood meegekruisigd sterven,

  en herboren opgestaan,

  achter U ten hemel gaan!

3

  In uw hoede zijn wij wel geborgen,

  en schoon eerlang 't oog ons breek',

  open gaat het op de grote morgen

  na deez' aardse lijdensweek.

  Welk een dag der ruste zal dat wezen,

  als we onsterf'lijk, uit de dood verrezen,

  knielen voor uw dankaltaar!

  Amen, Jezus, maak het waar!

---

*222

#3

1

  Jezus is ons licht en leven!

  Hij, die, aan het kruis geheven,

  met zijn bloed ons heeft gekocht,

  heeft nu vorst'lijk overmocht.

  Hij kan niet gebonden wezen;

  als een held is Hij verrezen!

  Halleluja! Halleluja!

2

  Hij heeft ridderlijk gestreden,

  hel en duivel neergetreden;

  woedt de vijand nog zo zeer,

  schaden kan hij ons niet meer.

  Sion moet Hem dank bewijzen

  en met luider stemme prijzen.

  Halleluja! Halleluja!

3

 't Leven heeft de dood verslonden;

  wat geboeid is, wordt ontbonden.

  Dood, waar is uw overmacht,

  waar uw prikkel, waar uw kracht?

  's Heren vrijgekochten hopen,

  want de hemel gaat hun open.

  Halleluja! Halleluja!

---

*223

#7

1

  De aarde is vervuld

  van goedertierenheid,

  van goddelijk geduld

  en goddelijk beleid.

2

  Gods goedheid is te groot

  voor het geluk alleen,

  zij gaat in alle nood

  door heel het leven heen.

3

  Zij daalt als vruchtbaar zaad

  tot in de groeve af

  omdat zij niet verlaat

  wie toeven in het graf.

4

  Omdat zij niet vergeet

  wie godverlaten zijn:

  de wereld hemelsbreed

  zal goede aarde zijn.

5

  De sterren hemelhoog

  zijn door dit zaad bereid

  als dienaars tot de oogst

  der goedertierenheid.

6

  Het zaad der goedheid Gods,

  het hoge woord, de Heer,

  valt in de voor des doods,

  valt in de aarde neer.

7

  Al gij die God bemint

  en op zijn goedheid wacht,

  de oogst ruist in de wind

  als psalmen in de nacht.

---

*224

#6

1

  Kondigt het jubelend aan,

  laat het de windstreken horen,

  doe het de aarde verstaan:

  God heeft ons wedergeboren!

2

  Zingt met een juichende stem,

  ademt weer opgetogen,

  dit is Jeruzalem,

  ere zij God in den hoge!

3

  Hier heeft de Heer ons geleid,

  hier doet Hij Isra?l wonen

  uit de ellende bevrijd,

  God zal het lijden ons lonen.

4

  Wandelend in de woestijn

  hebben wij water gevonden

  springende als een fontein,

  bronnen geslagen als wonden.

5

  Overvloed, overvloed Gods,

  sprengen van water en leven,

  bloed uit de flank van de rots,

  water en bloed om het even;

6

  daaruit ontspringt ons bestaan,

  zo zijn wij wedergeboren!

  Kondigt het jubelend aan,

  laat heel de wereld het horen!

---

*225

#5

1

  Zingt voor de Heer een nieuw gezang!

  Hij laaft u heel uw leven lang

  met water uit de harde steen.

  Het is vol wondren om u heen.

2

  Hij gaat u voor in wolk en vuur,

  gunt aan uw leven rust en duur

  en geeft het zin en samenhang.

  Zingt dan de heer een nieuw gezang!

3

  Een lied van uw verwondering

  dat nog uw naam niet onderging,

  maar weer opnieuw geboren is

  uit water en uit duisternis.

4

  De hand van God doet in de tijd

  tekenen van gerechtigheid.

  De Geest des Heren vuurt ons aan

  de heil'ge tekens te verstaan.

5

  Wij zullen naar zijn land geleid

  doorleven tot in eeuwigheid

  en zingen bij zijn wederkeer

  een nieuw gezang voor God de Heer.

---

*226

#6

1

  Gij die der sterren schepper zijt,

  met eeuwig licht uw kindren leidt,

  o Christus, die de mensen redt,

  hoor naar ons innig smeekgebed.

2

  Opdat de wereld niet vergaat

  door 't duivelse bedrog en kwaad,

  geeft Gij Uzelf in liefdespijn,

  en wordt haar milde medicijn.

3

  Gij draagt aan 't harde kruis gehecht

  de zonden van de wereld weg,

  o kind der maagd dat tot ons kwam

  als onbezoedeld offerlam.

4

  Voor uw immense majesteit

  buigt alle knie zich wijd en zijd,

  buigt aarde en hemel zich ter neer

  en dient U op uw wenken, Heer.

5

  Wanneer Gij zetelt ten gericht

  ten laatste dage in het licht,

  wij bidden U dat Gij ons wilt,

  o Rechter, schutten met uw schild.

6

  Lof, eer en macht en majesteit

  zij God de Vader toegewijd,

  en God de Zoon en God de Geest,

  zoals het immer is geweest.

---

*227

#5

1

  Gij maakt ons, Jezus, waarlijk vrij,

  U minnen, U begeren wij,

  God die ons aller Schepper zijt

  en mens in 't kernpunt van de tijd.

2

  Hoe heeft de liefde U vervuld,

  Gij neemt op U ons aller schuld,

  de wrede dood hebt Gij doorstaan,

  van ons het sterven weggedaan.

3

  Gij breekt de poort der hel met macht

  en voert gevang'nen uit de nacht

  in zege naar het zalig land

  en zetelt aan Gods rechterhand.

4

  Uw grote liefde drijv' U aan,

  vergeef het kwaad door ons gedaan,

  verzadig ons door 't lieflijk licht

  van uw genadig aangezicht.

5

  Ja Gij moet onze blijdschap zijn,

  ons loon voor eeuwig, licht en rein.

  Gij hooggeloofd in eeuwigheid

  zijt onze eer en heerlijkheid.

---

*228

#6

1

  Ten hemel opgevaren is, halleluja,

  Christus die Heer en Koning is, halleluja.

2

  Nu zit Hij aan Gods rechterhand, halleluja,

  heerst over hemel, zee en land, halleluja.

3

  Zie nu hoe in vervulling gaat, halleluja,

  wat in de psalm geschreven staat, halleluja.

4

  De Heer verleent zijn majesteit, halleluja,

  aan Davids Zoon in eeuwigheid, halleluja.

5

  Nu stijgt ons loflied op en eert, halleluja,

  de Here Christus die regeert, halleluja.

6

  De heilige Drievuldigheid, halleluja,

  zij lof en prijs in eeuwigheid, halleluja.

---

*229

#5

1

  De dag van onze Vorst brak aan.

  Zie, Gods gezalfde Koning

  gaat tot zijn hemelwoning.

  Hoe zal Hij in zijn schoonheid staan

  omstraald van morgenlicht

  voor 's Vaders aangezicht.

2

  Hij heeft, van dood en graf ontdaan,

  het leven weergenomen.

  Nu is zijn uur gekomen;

  Gods paradijs zal opengaan

  en heel de hemel wijd

  weerkaatst zijn heerlijkheid.

3

  De Vader stelt Hem in de troon

  als Christus en als Here,

  bekleed met macht en ere.

  De heerschappij is aan de Zoon,

  wiens goddelijk geweld

  de laatste vijand velt.

4

  Wie kan zijn hoog en heilig recht

  ter wereld ooit verbreken?

  Wie zal Hem tegenspreken,

  die voor zijn kerk en pleit beslecht

  en haar na strijd en kruis

  voert in het vaderhuis.

5

  O, Heer, die onze Koning zijt,

  laat niets uw rijk verhind'ren,

  en  open voor uw kindren

  de poorten van uw woning wijd.

  Laat, met uw feestkleed aan

  ons tot uw bruiloft gaan.

---

*230

#6

1

  Overwinnaar, grote Koning,

  alle heem'len zijn te klein,

  nu Gij weerkeert naar uw woning,

  intocht houdt in uw domein.

  Zou ik, Here, dan niet juichen,

  zou ik, sterv'ling, mij niet buigen

  nu Gij, hoogste Majesteit,

  U verheft in heerlijkheid?

2

  Zie ik U ten hemel varen,

  held van God, gekroond weldra,

  ingehaald door blijde scharen

  eng'len, roepend: Gloria!,

  zou ik, Heer, mij dan niet buigen,

  zou ik niet van vreugde juichen,

  nu het hemels feest begon,

  nu mijn Koning overwon?

3

  Overal, o Zon der zonnen,

  straalt Gij in uw heerlijkheid

  en voedt met uw licht de bronnen

  van de lichten wijd en zijd.

  Glansrijk zijt Gij opgestegen,

  't hemels welkom klinkt U tegen,

  alle heil'gen roepen luid

  't hemelse hosanna uit.

4

  Zou ik, Heer, uw kelk niet drinken,

  nu ik zo uw glorie zie?

  Zou mij ooit de moed ontzinken,

  nu ik uw victorie zie?

  Koning, ik wil U vertrouwen,

  nood noch dood kan mij benauwen,

  slechts voor U, Heer hooggeloofd,

  buig ik mij, buig ik het hoofd.

5

  Doe uw Geest ook in mij werken,

  schenk mij uw genade nu,

  opdat eind'lijk ook de sterke

  vijand in mij buigt voor U.

  Hef uw scepter, Heer der heren,

  overal moet Gij regeren,

  geef uw heerlijk rijk ruim baan,

  maak ook mij uw onderdaan.

6

  Laat Gij mij nog langer hopen?

  Doe wat ik van U begeer!

  Zie, ik stel de poorten open

  van mijn hart, treed binnen, Heer.

  Kom, o kom, Gij Vorst der ere,

  ook bij mij moet Gij inkeren,

  onderwerp wat U nog tart

  en wees koning in mijn hart!

---

*231

#4

1

  Wij knielen voor uw zetel neer,

  wij, Heer, en al uw leden,

  en eren U als onze Heer

  met lied'ren en gebeden.

  Dat alle macht, hoe hoog, hoe groot,

  voor U, o Godsgetuige,

  o Eerstgeboren' uit de dood

  zich diep eerbiedig buige!

2

  Die ons, gereinigd door uw bloed,

  tot priesters hebt verheven,

  en ons de hoge rang, de moed

  van koningen gegeven,

  U zij de roem, U zij de lof,

  U de eerkroon opgedragen!

  Geheel de aard' en 't hemelhof

  moet van uw eer gewagen.

3

  U, die als Heer der heerlijkheid

  verreest tot heil der volken,

  verwachten wij in majesteit

  eens weder op de wolken.

  Hij komt, elks oog zal Hem dan zien,

  ook die Hem heeft doorsteken!

  Elk zal Hem juichend hulde bien

  of om ontferming smeken.

4

  Hoe ras of traag de tijd verdwijnt,

  die dag zal zeker komen.

  Het licht, dat aan de kim verschijnt,

  wordt reeds van ver vernomen.

  Ja, halleluja, ja Hij komt!

  Juicht, mensen, eng'len, samen.

  Juicht met een vreugd, die 't al verstomt,

  juicht allen! Amen, amen!

---

*232

#4

1

  Gij, Jezus Christus, opgestegen

  tot hoogste heerlijkheid,

  blijft ons nabij op onze wegen;

  U zij de lof gewijd.

  Uw weg ging voort door smaad en dood;

  o Heer die ons uw lichaam bood

  als 't levensbrood

2

  Gij, 's Vaders Zoon, ten troon verheven,

  betoont uw majesteit,

  belooft voor ons verloren leven

  behoud in eeuwigheid.

  Gij zijt de doodspoort doorgegaan;

  als overwinnaar opgestaan,

  naamt Gij ons aan.

3

  Nog is uw heerlijkheid verborgen,

  maar ons geloof vertrouwt,

  dat eenmaal op de eeuw'ge morgen

  uw macht het veld behoudt.

  Gij, kracht, verhuld in brood en wijn,

  wilt onze eeuw'ge spijze zijn

  en maakt ons rein.

4

  Heer, open ons genadig de ogen

  en doe ons door uw Geest

  het licht zien en uw naam verhogen,

  voor 't oordeel onbevreesd.

  Ten troon verheven, ons nabij,

  staat Gij ons in de strijd terzij.

  Mijn kracht zijt Gij.

---

*233

#4

1

  Heer, komt in deze tijd

  uw heerschappij,

  het einde van de strijd,

  de stad waar vrij,

  uit boze droom ontwaakt,

  de mensen wonen,

  tot een gezin gemaakt,

  Gods dochters en Gods zonen?

2

  Heer, gaat Gij van ons heen,

  in deze tijd?

  Vermaakt Gij ons alleen

  uw dienstbaarheid?

  Laat Gij ons dan voorgoed

  in hoop en vrezen

  en mag uw vredegroet

  het laatste woord niet wezen?

3

  Uit uw verborgenheid

  hebt Gij vervuld

  het perk van deze tijd

  met Gods geduld.

  Uw woord doet telkens weer

  de harten branden.

  Gij blijft nabij, o Heer,

  met zegenende handen.

4

  Gedreven door de Geest

  gaan wij getroost

  de weg van alle vlees,

  die onverpoosd

  de Zoon des mensen gaat,

  te allen tijde,

  tot Hij weer voor ons staat,

  zoals Hij van ons scheidde.

---

*234

#2

1

  Al heeft Hij ons verlaten,

  Hij laat ons nooit alleen.

  Wat wij in Hem bezaten

  is altijd om ons heen

  als zonlicht om de bloemen

  een moeder om haar kind.

  Teveel om op te noemen

  zijn wij door Hem bemind.

2

  Al is Hij opgenomen,

  houd in herinnering,

  dat Hij terug zal komen,

  zoals Hij van ons ging.

  Wij leven van vertrouwen,

  dat wij zijn majesteit

  van oog tot oog aanschouwen

  in alle eeuwigheid.

---

*235

#2

1

  In bidden en in smeken,

  maak onze harten een.

  Wij hunk'ren naar een teken,

  o, laat ons niet alleen.

  De Heiland is getreden

  aan 's Vaders rechter hand:

  wij wachten hier beneden

  de gaven van zijn hand.

2

  Wijd open staan de deuren,

  nu is de toegang vrij.

  Voor wie verweesd hier treuren

  is Jezus' hulp nabij.

  Al dreigen nog gevaren,

  al wacht ons kruis en strijd,

  de Geest zal ons bewaren,

  de Geest, die troost en leidt.

---

*236

#7

1

  De jaarkring brengt ons in zijn keer

  de allerschoonste vreugde weer,

  omdat de Geest des Heren wordt

  op zijn disciplen uitgestort.

2

  Vlammen die op hun hoofden staan,

  nemen de vorm van tongen aan,

  opdat zij rijk aan woorden zijn

  en vol van liefde sterk en rein.

3

  De menigte der volken beeft

  omdat hun taal voor allen leeft.

  Men schimpt: zij zijn vol zoete wijn,

  die door de Geest bevleugeld zijn.

4

  Juist vijftig dagen na het feest

  van Pasen kwam de Heil'ge Geest,

  de spanne tijds van ouds gesteld,

  waarop de wet der vrijheid geldt.

5

  Wij buigen ons ootmoedig neer,

  en bidden U, getrouwe Heer,

  geef dat vandaag ook ons doorstraalt

  de Geest die van de hemel daalt.

6

  Wanneer het hart geheiligd is

  vervul het met uw lafenis,

  scheld Gij ons onze schulden kwijt

  en geef ons vrede in deze tijd.

7

  Wij roepen God de Vader aan,

  de Zoon, uit 't graf weer opgestaan,

  de Heil'ge Geest, die ons geleidt,

  van eeuwigheid tot eeuwigheid.

---

*237

#6

1

  Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer,

  houd Gij bij ons uw intocht, Heer;

  vervul het hart dat U verbeidt,

  met hemelse barmhartigheid.

2

  Gij zijt de gave Gods, Gij zijt

  de grote Trooster in de tijd,

  de bron waaruit het leven springt,

  het liefdevuur dat ons doordringt.

3

  Gij schenkt uw gaven zevenvoud,

  o hand die God ten zegen houdt,

  o taal waarin wij God verstaan,

  wij heffen onze lofzang aan.

4

  Verlicht ons duistere verstand,

  geef dat ons hart van liefde brandt,

  en dat ons zwakke lichaam leeft

  vanuit de kracht die Gij het geeft.

5

  Verlos ons als de vijand woedt,

  geef, Heer, de vrede ons voorgoed.

  Leid Gij ons voort, opdat geen kwaad,

  geen ongeval ons leven schaadt.

6

  Doe ons de Vader en de Zoon

  aanschouwen in de hoge troon,

  o Geest, van beiden uitgegaan,

  wij bidden U gelovig aan.

---

*238

#5

1

  Kom o Geest des Heren kom

  uit het hemels heiligdom,

  waar Gij staat voor Gods gezicht.

  Kom der armen troost, daal neer,

  kom en schenk uw gaven, Heer,

  kom wees in de harten licht.

2

  Kom o Trooster, Heil'ge Geest,

  zachtheid die de ziel geneest,

  kom verkwikking zoet en mild.

  Kom o vrede in de strijd,

  lafenis voor 't hart dat lijdt,

  rust die alle onrust stilt.

3

  Licht dat vol van zegen is,

  schijn in onze duisternis,

  neem de harten voor U in.

  Zonder uw geheime gloed

  is er in de mens geen goed,

  is de ziel niet rein van zin.

4

  Was wat vuil is en onrein,

  overstroom ons dor domein,

  heel de ziel die is gewond,

  maak weer zacht wat is verstard,

  koester het verkilde hart,

  leid wie zelf de weg niet vond.

5

  Geef uw gaven zevenvoud,

  ieder die op U vertrouwt,

  zich geheel op U verlaat.

  Sta ons met uw liefde bij,

  dat ons einde zalig zij,

  geef ons vreugd die niet vergaat.

---

*239

#7

1

  Kom Schepper God, o Heil'ge Geest,

  daal in de mensenharten neer,

  zij zijn uw schepselen geweest,

  herschep hen in genade, Heer.

2

  Uw naam is Trooster. Gij geleidt,

  o goddelijk geschenk, ons voort,

  o balsem die ons werd bereid,

  o bron van vuur, o levend woord.

3

  Ontsteek een licht in ons verstand

  en maak tot liefde ons hart bereid,

  geleid met milde vaste hand

  ons zwakke vlees in zekerheid.

4

  Gij zijt door gaven zevenvoud

  de vinger van Gods rechterhand,

  die 's Vaders woord ons toevertrouwt

  zodat het klinkt in ieder land.

5

  Weer van ons 's vijands list en nijd,

  en geef ons vrede in plaats van haat,

  opdat wij volgen waar Gij leidt

  en mijden wat de zielen schaadt.

6

  Maak ons geloof zo vol en schoon

  dat het de Vader leert verstaan

  en Jezus Christus, 's Vaders Zoon,

  o Geest van beiden uitgegaan.

7

  Lof zij de Vader, lof de Heer

  die uit de dood is opgestaan,

  de Trooster ook zij lof en eer

  en heerlijkheid van nu voortaan.

---

*240

#3

1

  Kom, Heilige Geest, Here God!

  Vervul ons met uw gaven, tot

  al wat wij zijn, geest, ziel en bloed,

  ontvlamt en staat voor U in gloed.

  O Geest, door uw aansteek'lijk licht

  hebt Gij U in 't geloof gesticht

  een volk uit velerlei tongen.

  Daarom, Heer, zij U lofgezongen.

  Halleluja, halleluja!

2

  Gij heilige zon, hemels schat,

  laat Gods woord lichten op ons pad,

  dat heel ons zijn Hem kent en roemt,

  dat heel ons hart Hem Vader noemt.

  Bescherm ons tegen leugenleer,

  dat wij slechts zoeken onze Heer

  Christus, ons enig betrouwen,

  dat wij gelovig op Hem bouwen.

  Halleluja, halleluja!

3

  Gij heilige gloed, zoete troost,

  wees met ons, dat wij onverpoosd

  en vrolijk U ten dienste staan,

  dan drijft ons niets bij U vandaan.

  Schenk, Heer, ons kracht van uwe kracht,

  geef ons de moed, geef ons de macht,

  de goede strijd hier te strijden,

  tot eind'lijk Gij ons zult bevrijden.

  Halleluja, halleluja!

---

*241

#4

1

  Nu bidden wij de Heilige Geest

  om een recht geloof het allermeest,

  dat Hij ons verblijde en ons bevrijde

  en aan 't einde ons naar huis geleide.

  Kyrieleis.

2

  Geef, kostbaar licht, ons uw helderheid,

  dat wij Christus kennen voor altijd.

  Leer Gij ons te bouwen op die Getrouwe,

  die ons 't vaderland heeft doen aanschouwen.

  Kyrieleis.

3

  Geef, heil'ge liefde, uw overvloed,

  doe ons hart ontvlammen in uw gloed,

  dat wij een van zinnen elkaar beminnen,

  alle twist en tweedracht overwinnen.

  Kyrieleis.

4

  Geef, hoogste Trooster in alle nood,

  dat wij nimmer vrezen schande of dood,

  dat wij niet versagen ten laatsten dage,

  als de vijand ons zelf komt aanklagen.

  Kyrieleis.

---

*242

#7

1

  Komt laat ons deze dag

  met heilig vuur bezingen

  en met vernieuwde vreugd,

  want God deed grote dingen.

  Eens gaf de Heil'ge Geest

  aan velen heldenmoed.

  Bidt dat Hij ons vandaag

  verlicht met Pinkstergloed.

2

  O Geest der eeuwigheid,

  gij Trooster aller tijden,

  deel thans uw zegen uit

  aan wie uw komst verbeiden.

  O heldere fontein,

  die uit Gods tempel welt,

  gij wordt een brede stroom

  die met de eeuwen zwelt.

3

  In 't lichaam van de Heer

  tot leden uitverkoren,

  zijn wij door uwe kracht

  als kindren nieuw geboren.

  Deel dan uw gaven uit,

  wees met uw kracht nabij.

  Dat ieder op zijn plaats

  een levend lidmaat zij.

4

  Gij liefdevuur van God,

  kom ons geheel doordringen.

  Voeg hart en zin tezaam

  en heilig alle dingen.

  Bij 's Heren liefdemaal

  zult Gij aanwezig zijn.

  Vorm ons naar Christus' beeld,

  door woord en brood en wijn.

5

  Des Heren tafel brengt

  ons tot elkaar in vrede.

  Deel Gij ons Christus' bloed

  en Christus' lichaam mede.

  Weer Gij de vijand af

  die sluw ons scheiden wil.

  Maak ons in Christus een,

  gelovig, blij en stil.

6

  Vul aan wat ons ontbreekt,

  want stukwerk is ons pogen.

  En wat ons afleidt van

  de vrede uit den hoge,

  laat dat, verheven licht,

  in vuur en wind vergaan.

  Houdt Gij ons staande door

  het wonder van Gods naam.

7

  Wie 's Heren Geest bezielt,

  wie 's Heren woord doet zingen,

  wie met ons vieren wil

  het feest der eerstelingen,

  die stemme met ons in

  en prijze Gods verbond

  dat Hij vandaag vernieuwt

  en elke morgenstond.

---

*243

#7

1

  Toen eenmaal God terneder kwam,

  kwam Hij in toorn en gloed,

  half duisternis, half witte vlam,

  de wolken voor zijn voet.

2

  Maar liefelijk en zacht gezind

  komt Hij de tweede keer.

  Zo teder als de morgenwind

  daalt nu zijn duif terneer.

3

  Het vuur, op Sina? een stroom,

  een wilde vlammendans,

  is nu op ieder hoofd een kroon,

  in ieder oog een glans.

4

  De stem die als bazuinen luid

  neersloeg op 't bevend volk,

  met majesteit weerklinkend uit

  de donkerzwarte wolk,

5

  die grote stem des hemels vindt

  nu hartelijk gehoor,

  en is als ademtocht van wind,

  als geestdrift in het oor,

6

  en vult de kerk van God, en vult

  de wereld overal;

  slechts niet het hart dat in zijn schuld,

  zijn trots volharden zal.

7

  Kom Heer, kom wijsheid, liefde, kracht,

  kom in het oor, o Geest,

  en red, Heer, door uw overmacht

  wie U bemint of vreest.

---

*244

#4

1

  Christus stoot de hemel open,

  een vuur komt door de wereld lopen,

  een nieuw getij breekt haastig aan.

  Hoor, de Geest vaart door het heden,

  vanwaar? waarheen? met sterke schreden,

  geen tegenstand kan Hem weerstaan.

  Geeft op uw trots verzet,

  verliest u aan zijn wet.

  Gij zijt veilig

  in zijn domein,

  nooit meer alleen,

  want nimmer zult gij wezen zijn.

2

  Laat u door de Trooster vinden,

  eens onbemind, nu Gods beminden,

  o kindren van Jeruzalem,

  dwaalt niet moedeloos, als vreemden,

  want Christus leeft, Hij die u kende.

  Nu neemt de Geest en deelt uit Hem.

  Uw wachten is voorbij,

  de Dag komt naderbij,

  merkt het teken,

  maakt u bereid,

  de Heer bevrijdt,

  staat op en volgt, het is de tijd.

3

  Ja, dit wordt een dag der dagen!

  Het nieuwe boek is opgeslagen,

  de Geest schrijft wegen in de tijd.

  De trompet is reeds gestoken,

  de stad werd zevenmaal omtrokken,

  hoelang reeds bleef dit uur verbeid!

  Treedt nu de muren uit:

  de Geest neemt ons ten buit,

  zijn getuigen.

  Een nieuwe baan

  mag ieder gaan,

  de Heiland zelf, Hij schrijdt vooraan.

4

  Eenmaal zal Hem alles prijzen,

  de Geest zal allen onderwijzen:

  wie wederstond, wordt overmocht.

  Geest van liefde, wijsheid, krachten,

  de wereld blijft uw leiding wachten,

  zo vaak hebt Gij uw volk bezocht.

  Jeruzalem, treed uit,

  verheug u als een bruid,

  zie uw Koning!

  Uw schreden richt

  de gids ten licht:

  Hij opent eeuwig vergezicht.

---

*245

#3

1

  Geest, uit de hemel neergedaald,

  storm van gedrevenheid,

  breek niet de mens die ademhaalt,

  Gij die ook stilte zijt.

2

  Geest van de Vader en de Zoon,

  vuur van hun heiligheid,

  verzeng ons niet, maar brand ons schoon

  van ongerechtigheid.

3

  Adem van leven in het woord,

  wek hen die niet verstaan:

  de stomme spreekt, de dove hoort,

  Gij doet het lied ontstaan.

---

*246

#4

1

  Gods adem die van boven kwam

  zet hart en ziel in vuur en vlam

  en opent ons de oren

  dat wij zijn tongval horen.

2

  De tongen zijn van wind en vuur,

  het woord is brandend van natuur,

  het loopt door alle landen

  en opent mond en handen.

3

  Het woord wordt wijd en zijd verstaan,

  het trekt zich alle dingen aan,

  het doet ons ademhalen

  en maakt ons wel ter tale.

4

  Luister, dat ademend geluid,

  God zaait de wind des Geestes uit

  om straks een storm te oogsten,

  de lof des Allerhoogsten.

---

*247

#3

1

  De Geest des Heren heeft

  een nieuw begin gemaakt,

  in al wat groeit en leeft

  zijn adem uitgezaaid.

  De Geest van God bezielt

  wie koud zijn en versteend

  herbouwt wat is vernield

  maak een wat is verdeeld.

2

  Wij zijn in Hem gedoopt

  hij zalft ons met zijn vuur.

  Hij is een bron van hoop

  in alle dorst en duur.

  Wie weet vanwaar Hij komt

  wie wordt zijn licht gewaar?

  Hij opent ons de mond

  en schenkt ons aan elkaar.

3

  De geest die ons bewoont

  verzucht en smeekt naar God

  dat Hij ons in de Zoon

  doet opstaan uit de dood.

  Opdat ons leven nooit

  in weer en wind bezwijkt,

  kom Schepper Geest, voltooi

  wat Gij begonnen zijt.

---

*248

#7

1

  Geweldige, gedreven wind,

  die valt met groot gedruis,

  die rukt aan muren, dak en bint,

  gij vult dit huis.

2

  Uw overdaad van adem stuwt

  het water voort met macht,

  wat God wil bouwen wordt opnieuw

  tot stand gebracht.

3

  Wat God wil bouwen is gezaaid

  en door de dood gegaan

  en dat zal kiemen waar Gij waait,

  als levend graan.

4

  Geweldige, Gij vult dit huis

  en slaat de tongen los,

  Gij maakt ons vurig dat het bruist

  als jonge most.

5

  Gedrevene, uw teugel breekt

  geliefde banden stuk

  en al wat onontbeerlijk leek

  wordt ons ontrukt.

6

  Wie zal verduren wat U drijft

  en wie begeert uw lust:

  Gij wakkert aan en gaat te lijf

  en kent geen rust.

7

  Gij, die niet te bedaren zijt,

  laat ons toch tot de oogst,

  o storm van vuur en tederheid

  niet ongetroost!

---

*249

#3

1

  Wij leven van de wind

  die aanrukt uit den hoge

  en heel het huis vervult

  waar knie?n zijn gebogen,

  die doordringt in het hart,

  in de verborgen hof,

  en uitbreekt in een lied

  en opstijgt God ten lof.

2

  Wij delen in het vuur

  dat neerstrijkt op de hoofden,

  de vonk die overspringt

  op allen die geloven.

  Vuurvogel van de vloed,

  duif boven de Jordaan,

  versterk in ons de gloed,

  wakker het feestvuur aan.

3

  Wij teren op het woord,

  het brood van God gegeven,

  dat mededeelzaam is

  en kracht geeft en nieuw leven.

  Dus zegt en zingt het voort,

  geeft uit met gulle hand

  dit manna voor elk hart,

  dit voedsel voor elk land.

---

*250

#5

1

  Kom, Heil'ge Geest, Gij vogel Gods,

  daal neder waar Gij wordt verwacht.

  Verschijn, Lichtengel, in de nacht

  van onze geest, verward en trots.

2

  Waar Gij niet zijt, is het bestaan,

  is alle denken, alle doen

  zo leeg en woest, zo dood, als toen

  Gij, Geest, nog niet waart uitgegaan.

3

  Er is geen licht dan waar Gij zijt,

  uw vleugels breidt, uw vleugels strekt,

  geen leven, dan waar Gij het wekt

  in een gemis dat naar U schreit.

4

  Hoor, Heil'ge Geest, wij roepen U!

  Kom, wees aanwezig in het woord;

  wek onze geest, opdat hij hoort,

  wek ons tot leven, hier en nu.

5

  O Heil'ge Geest, wij zijn verblijd:

  Gij immers, eeuwig ondoorgrond,

  legt zelf dit lied ons in de mond,

  ten teken dat Gij bij ons zijt.

---

*251

#2

1

  De wereld is gewonnen

  door woord en geest.

  Zoals het is begonnen

  met Pinksterfeest,

  zoals in alle talen

  het is verstaan,

  zo zal het zich herhalen

  van nu voortaan.

2

  Uit alle kerken komen

  wij om U saam.

  Gij schrijft door onze dromen

  uw grote naam,

  o God die uit de wolken

  daalt in de tijd,

  een licht voor alle volken

  in eeuwigheid.

---

*252

#4

1

  Wat zijn de goede vruchten,

  die groeien aan de Geest?

  De liefde en de vreugde,

  de vrede allermeest,

  geduld om te verdragen

  en goedertierenheid,

  geloof om veel te vragen,

  te vragen honderd uit;

2

  geloof om veel te geven,

  te geven honderd in,

  wij zullen leren leven

  van de verwondering:

  dit leven, deze aarde,

  de adem in en uit,

  het is van Gods genade

  en zijn lankmoedigheid.

3

  En wie zijn ziel niet prijsgeeft

  maar vasthoudt tot het eind,

  wie zijn bestaan niet kruisigt,

  hoezeer hij levend schijnt,

  hij gaat voorgoed verloren,

  het leven dat hij koos

  is tevergeefs geboren

  en eindigt vruchteloos.

4

  Maar wie zich door de hemel

  laat helpen uit de droom,

  die vindt de boom des levens,

  de messiaanse boom

  en als hij zich laat enten

  hier in dit aardse dal,

  dan rijpt hij in de lente

  tot hij vruchtdragen zal.

---

*253

#3

1

  O zalig licht, Drievuldigheid,

  die een in hart en wezen zijt,

  de grote zon verzinkt in nacht,

  o licht, houd in ons hart de wacht.

2

  U loven we in de dageraad,

  U smeken wij des avonds laat,

  geef dat ons lied uw lof verspreidt

  van eeuwigheid tot eeuwigheid.

3

  Aan God de Vader zij de eer,

  aan God de Zoon voor immermeer,

  aan God de Geest die troost en leidt

  zij lof nu en te allen tijd.

---

*254

#4

1

  God in de hoog' alleen zij eer

  en dank voor zijn genade,

  daarom, dat nu en nimmermeer

  ons deren nood en schade.

  God toont zijn gunst aan ons geslacht.

  Hij heeft de vrede weergebracht;

  de strijd heeft thans een einde.

2

  U, Vader, U aanbidden wij,

  wij zingen U ter ere;

  onwrikbaar staat uw heerschappij,

  voorgoed zult Gij regeren.

  Gij hebt onmetelijke macht,

  uw wil wordt onverwijld volbracht.

  Die Heer is onze Koning!

3

  O Jezus, die de Christus zijt,

  des Vaders Eengeboren,

  Gij hebt ons van de toorn bevrijd

  en redt wie was verloren.

  Gij, Lam van God, voor ons geslacht,

  verhoor ons roepen uit de nacht,

  erbarm U over allen.

4

  O Heil'ge Geest, ons hoogste goed,

  ten Trooster ons gegeven,

  heb dank dat Gij ons delen doet

  in Jezus' dood en leven.

  Beveilig ons in alle nood,

  blijf ons nabij in angst en dood,

  op U steunt ons vertrouwen.

---

*255

#4

1

  Ere zij aan God, de Vader,

  ere zij aan God, de Zoon,

  eer de Heil'ge Geest, de Trooster,

  de Drie?en'ge in zijn troon.

  Halleluja, halleluja,

  de Drie?en'ge in zijn troon!

2

  Ere zij aan Hem, wiens liefde

  ons van alle smet bevrijdt,

  eer zij Hem die ons gekroond heeft,

  koningen in heerlijkheid.

  Halleluja, halleluja,

  ere zij het Lam gewijd.

3

  Ere zij de Heer der eng'len,

  ere zij de Heer der kerk,

  ere aan de Heer der volken;

  aard' en hemel looft uw werk!

  Halleluja, halleluja,

  looft de Koning, heel zijn kerk!

4

  Halleluja, lof, aanbidding

  brengen eng'len U ter eer,

  heerlijkheid en kracht en machten

  legt uw schepping voor U neer.

  Halleluja, halleluja,

  lof zij U, der heren Heer!

---

*256

#5

1

  Niet enkel door het water

  kwam het woord,

  al was het schip geladen

  tot aan het hoogste boord.

  Niet enkel door het water,

  ook door bloed,

  treedt in de Zoon de Vader

  zijn schepping tegemoet.

2

  Niet enkel door de Doper

  is 't geweest,

  het bidden en het hopen

  vervult de Heil'ge Geest.

  Niet enkel door de Doper

  is 't gedaan.

  God doet zijn hemel open,

  geeft zelf zich te verstaan.

3

  Niet enkel door te baden

  zijn wij rein,

  daar Hij zijn kerk vergadert

  rond water, brood en wijn.

  Genade voor genade,

  overvloed!

  Hij noodt ons aan zijn tafel

  door water, woord en bloed.

4

  Drie zijn er op de aarde,

  waarlijk groot,

  die ons voor God bewaren

  in leven en in dood.

  De geest, het bloed, het water,

  zij alleen,

  getuigen van de waarheid...

  en deze drie zijn een.

5

  Wij loven en wij prijzen

  op dit feest

  de grote gunstbewijzen

  van Vader, Zoon en Geest.

  Wat God van oudsher zeide,

  dat geschiedt:

  zijn Geest zal ons geleiden,

  zijn woord klinkt in ons lied.

---

*257

#1

1

  Halleluja, eeuwig dank en ere,

  lof, aanbidding, wijsheid, kracht,

  word' op aard' en in de hemel, Here,

  voor uw liefd' U toegebracht!

  Vader, sla ons steeds in liefde gade;

  Zoon des Vaders, schenk ons uw genade;

  uw gemeenschap, Geest van God,

  amen, zij ons eeuwig lot!

---

*258

#4

1

  Halleluja, lof zij de Heer!

  Aanbidt de Vader, geeft Hem eer,

  de Schepper aller dingen!

  De roem van zijn barmhartigheid,

  zijn wijsheid, macht en majesteit

  moet al het schepsel zingen.

2

  Halleluja, lof zij de Zoon,

  gedaald van 's hemels hoge troon

  tot heil van stervelingen!

  Hem, die voor onze zonden stierf,

  ons 't leven door zijn dood verwierf,

  moet al het schepsel zingen.

3

  Halleluja, de Geest zij eer!

  Als in zijn tempel daalt Hij neer

  in 't hart van stervelingen!

  Hem, die ons troost en leert en leidt,

  en voor de hemel toebereidt,

  moet al het schepsel zingen.

4

  Halleluja, lof zij de Heer!

  Gelijk door eng'len word' U eer

  gebracht door stervelingen!

  Heer, driemaal heilig, wees ge?erd;

  U, die het gans heelal regeert,

  moet al het schepsel zingen.

---

*259

#2

1

  Halleluja! Lof zij het Lam,

  die onze zonden op zich nam,

  wiens bloed ons heeft geheiligd;

  die dood geweest is, en Hij leeft;

  die 't volk, dat Hij ontzondigd heeft,

  in eeuwigheid beveiligt!

2

  Aanbidt de Vader in het woord!

  Aanbidt de Zoon, aan 't kruis doorboord!

  Aanbidt de Geest uit beiden!

  Van zijn gemeenschap, zijn gena,

  zijn liefd' en trouw, halleluja,

  zal ons geen schepsel scheiden.

---

*260

#9

1

  Stad Jeruzalem verheven,

  hemels visioen van licht,

  die uit stenen trillend leven

  hoog omhoog wordt opgericht,

  bruid door engelen omgeven,

  staande voor Gods aangezicht.

2

  Zie haar uit de hemel dalend

  voor het bruiloftsfeest bereid,

  in onaardse schoonheid stralend

  voor de Heer die haar verbeidt,

  straten, muren haar bepalend

  gouden in hun zuiverheid.

3

  Zie de paarlen poorten open,

  wijd voor ieder open staan;

  wie op Christus bleven hopen

  in hun bitter aards bestaan

  zullen in het zonlicht lopen,

  zullen hier naar binnen gaan.

4

  Met de hardste hamerslagen

  zijn de stenen saamgebracht,

  door de bouwheer zelf gedragen

  door zijn hand gevoegd met kracht

  en gelegd in vaste lagen

  tot een stad in volle pracht.

5

  Daar als hoeksteen van vertrouwen

  Christus zelf is neergelegd,

  fundament van al het bouwen,

  staat de stad gegrond en hecht,

  zal zijn Sion Hem aanschouwen,

  zoals Hij het heeft gezegd,

6

  zullen zij in blijde stoeten,

  allen die daar binnen zijn,

  Hem met liederen begroeten,

  met een liefelijk refrein,

  de drie?nen God ontmoeten,

  leven in zijn lichte schijn.

7

  Kom, hartstocht'lijk aangebeden

  God omhoog, kom in uw kerk,

  deel aan ons uw goedheid mede,

  maak ons door uw liefde sterk,

  overstroom ons met uw vrede,

  zet uw zegel op uw werk.

8

  Moge allen hier verkrijgen

  wat zij van U bidden, Heer,

  en het koest'rend als hun eigen

  eeuwig leven tot uw eer,

  in het paradijs ontstijgen,

  vrede vinden immermeer.

9

  Eer zij U, o God gegeven,

  die de Allerhoogste zijt,

  Vader, Zoon, in 't licht verheven,

  Geest uit beide, die ons leidt,

  die regeert in 't eeuwig leven,

  U zij lof en eer gewijd.

---

*261

#8

1

  Sion mijn vaderland

  land aan de overkant 

  vol melk en honing

  stad in het gouden licht

  glanzende opgericht,

  stad van mijn Koning.

2

  Elk hart verovert gij,

  uw glans betovert mij,

  maak mij uw eigen.

  Zaligheid mateloos,

  gij maakt mij sprakeloos,

  zie ik zal zwijgen.

3

  Immers ik weet het niet

  welk een geweldig lied

  aan wordt geheven,

  weet niet welk vergezicht

  daar in het zalig licht

  ons wordt gegeven.

4

  Glorie der eeuwigheid

  stralende wijd en zijd,

  't hart dat U huldigt,

  hoe het uw lof ook zingt,

  U met gezang omringt,

  wordt overweldigd.

5

  Maar met de ogen dicht

  zie ik in 't hoge licht

  Sions paleizen,

  waar die geheiligd zijn,

  die bij God veilig zijn,

  altijd Hem prijzen.

6

  Zalig naar ziel en zin

  wand'len zij vredig in

  grazige weiden,

  lieflijk tot lafenis

  zal die hun Herder is

  zachtkens hen leiden.

7

  Daar zal geen pijn meer zijn,

  alles ten einde zijn

  waarom zij wenen.

  Hij is hun metgezel,

  Herder van Isra?l,

  troost om hen henen.

8

  Moog' aan ons allen de

  Heer in de vallende

  schaduw verschijnen.

  Dan staan wij zingende

  in het omringende

  licht met de zijnen.

---

*262

#3

1

  Op, waakt op! zo klinkt het luide.

  Wat wil dit roepen toch beduiden,

  gij torenwachters van de tijd?

  Middernacht is aangebroken,

  zijn uwe lampen wel ontstoken,

  gij maagden, die de Heer verbeidt?

  Gij slapenden, ontwaakt,

  de Bruidegom genaakt!

  Halleluja,

  nu opgestaan!

  Het feest breekt aan;

  gij moet Hem ijlings tegengaan.

2

  Sion hoort de wachters zingen,

  zij voelt het hart van vreugd opspringen,

  ontwaakt met spoed, staat haastig op.

  Uit de hemel daalt Hij neder,

  in waarheid sterk, in liefde teder:

  haar licht verschijnt, haar ster gaat op.

  Kom Heiland, 's aardrijks kroon,

  Heer Jezus, 's Vaders Zoon!

  Zingt hosanna,

  komt altemaal

  ter bruiloftszaal,

  waar Hij ons roept aan 't avondmaal!

3

  Laat ons U ter ere zingen

  met allen, die uw troon omringen,

  een koor van mens' en englenstem!

  Paarlen zijn der poorten bogen,

  die nederdalen uit den hogen:

  het hemelse Jeruzalem.

  Geen oog heeft ooit begroet,

  geen hart heeft ooit vermoed

  zulk een vreugde.

  Zo juichen wij

  en roemen blij

  de glorie van uw heerschappij!

---

*263

#6

1

  Jeruzalem, gij schone stad,

  hoe staat gij, bruid, in mijn behagen!

  Mijn ogen zijn van tranen nat,

  mijn harte doet gij naar u jagen.

2

  Hoe boven alle schoonheid schoon

  ziet mijne ziel uw luister schijnen!

  Met u te loven zwicht de toon

  van mensenstem en serafijnen.

3

  Schoon vaderland, schoon vaderland,

  wat glorielicht omgeeft den trone

  van God, mijn Heer, aan alle kant!

  O, zalig, die u krijgt ten lone!

4

  O Sion schoon, mij enig lief,

  gij hebt geroofd mijn hart en zinnen,

  maar zelfs uw roof doet mij gerief:

  nu kan ik u alleen beminnen!

5

  Nu roept mijn ziel: och Heer, wanneer,

  o wanneer zal ik van hier scheiden?

  Naar U, mijn God, haak ik zo zeer,

  al wil het vlees mij neerwaarts leiden!

6

  Ik ben hier in het tranendal,

  de hoge Thabor is daar boven:

  Heer, laat mij met der zaal'gen tal

  uw majesteit eens eeuwig loven!

---

*264

#4

1

  Jeruzalem, o stad zo hoog gebouwd,

  naar u verlangt mijn hart!

  Van verre reeds heeft u mijn oog aanschouwd.

  Met haasten en verward,

  is over berg en dalen,

  voort over 't wijde veld,

  mijn hart op enen male

  u tegemoet gesneld.

2

  Profeten groot en patriarchen oud

  gaan in het licht ons voor,

  en wie op aard, met schande en kruis vertrouwd,

  hen volgden in hun spoor.

  Aan tyrannie ontheven,

  van leed en smart ontdaan,

  zijn zij, met glans omgeven,

  tot vrijheid opgestaan!

3

  Met jubelklank van instrumenten schoon,

  violen en metaal,

  een nieuw gezang, in zoete, zuiv're toon

  beweegt de gouden zaal,

  met honderdduizend tongen,

  met stemmen nog veel meer,

  als in de aanvang zongen

  de heem'len en hun heir.

4

  Gij zijt mijn doel, verheven gouden stad!

  Hoe klopt mijn hart in mij;

  van 't aardse los, van vreugde hier verzaad,

  stijg ik u naderbij,

  weg boven aard' en sterren.

  Reikt eng'len, mij de hand!

  Ik zie u reeds van verre,

  mijn hoge vaderland!

---

*265

#21

1

  Jeruzalem, mijn vaderstad,

  mijn moederhuis, wanneer

  zal ik u zien zoals ge zijt,

  de bruid van onze Heer?

2

  Daar is geen pijn en geen verdriet,

  geen afgunst en geen nijd,

  en angst en armoe zijn er niet

  maar altijd vrolijkheid.

3

  Daar is geen zon, daar is geen maan,

  geen mist, geen duisternis,

  maar 't licht komt van de troon vandaan

  waar de Messias is.

4

  En zeker is geen ziekte daar,

  geen ongeluk, geen dood,

  geen boze duivel, geen gevaar

  en geen gebrek aan brood.

5

  God geve mij, Jeruzalem,

  dat ik eens op een dag

  een pelgrim aan uw poorten ben

  en dat ik binnen mag.

6

  Daar zijn de muren transparant,

  de deuren parelmoer,

  de sterke plaatsen diamant,

  zilver en goud de vloer.

7

  De huizen zijn er van ivoor

  met vensters van kristal,

  o mocht ik maar die deuren door,

  dan wist ik alles al!

8

  De heiligen staan in het licht

  en kijken honderd uit

  van aangezicht tot aangezicht

  met God en met zijn bruid.

9

  Jeruzalem, die grote stad,

  mijn God was ik er maar

  op 't vrolijk heilig huwelijk

  een van de gasten daar.

10

   Want hier is alle zoet vermengd

   met gal en bitterheid,

   geluk wordt altijd weer gekrenkt,

   hoe nijpen schuld en spijt!

11

   Maar daar is leven een en al

   verrukking en plezier

   en duizend jaren zijn er als

   de dag van gist'ren hier.

12

   De stroom des levens vloeit maar aan,

   de straten in en uit

   waarlangs de hoge bomen staan,

   het groene levenskruid.

13

   En engelen zitten op een rij

   als vogels in een boom,

   de vreugde gaat er nooit voorbij,

   het is als in een droom.

14

   Daar groeit het graan, daar rijpt de wijn

   voor iedereen te geef

   als nectar en als ambrozijn

   waarvan men eeuwig leeft.

15

   David is daar met harp en al,

   koormeester van de stad,

   Maria, denkend aan de stal,

   zingt het magnificat;

16

   Simeon heft zijn lofzang aan,

   Mirjam en Hanna zijn

   bij alle vrolijkheid vooraan

   met trom en tambourijn.

17

   Te Deum zingt Ambrosius

   en alle vaders mee,

   Johannes en Gregorius,

   zingen laudamus te.

18

   En Luther zingt er als een zwaan

   en Bach, de grote Bach,

   die mag de maat der eng'len slaan

   de lieve lange dag.

19

   De negers met hun loftrompet,

   de joden met hun ster,

   wie arm is, achteropgezet,

   de vromen van oudsher,

20

   van alle kanten komen zij

   de lange lanen door,

   het is een eindeloze rij,

   de kinderen gaan voor.

21

   Jeruzalem, mijn vaderhuis,

   mijn moederstad, wanneer

   zal ik u zien? Wij zijn op reis

   naar u en naar de Heer!

---

*266

#2

1

  Gods kinderen op aarde

  zij wand'len in het licht,

  omdat zij gerechtvaardigd

  zijn voor zijn aangezicht.

  Zij leven Hem ter ere,

  zijn naam hun lieve lust.

  Zij sterven in den Here,

  zij slapen zo gerust.

2

  Zij slapen en ontwaken

  als in een ogenblik.

  God zal hen wakker maken,

  Hij waakt voor hun geluk.

  Zo worden zij veranderd

  tot heerlijkheid en eer.

  Zij geven zich uit handen

  en leven in den Heer.

---

*267

#4

1

  Zalig, die in Christus sterven,

  de doden, die de hemel erven,

  voor wie Hij woning heeft bereid.

  Na de nacht van strijd en zorgen

  aanschouwen zij de eeuw'ge morgen,

  ontwakend tot onsterf'lijkheid.

  Van moeiten rusten zij.

  Hun lijden is voorbij.

  Halleluja,

  bij 's Vaders troon

  wacht hen de Zoon

  hun werken volgen hen als loon.

2

  Zalig zijn de ontslapen vromen

  voor ons te vroeg aan de aard ontnomen,

  maar die door God te goeder uur,

  aan het einde van hun dagen

  het Vaderhuis zijn ingedragen

  als rijpe schoven in de schuur.

  Zij leven bij de Heer

  en zondigen niet meer.

  Halleluja!

  't Is al volbracht,

  geen rouw of nacht

  heeft in Gods Koninkrijk meer macht.

3

  Dank, aanbidding, prijs en ere,

  wordt U, die op de troon zit, Here,

  door uw verlosten toegebracht!

  Zaal'gen, die hebt overwonnen

  brengt roem en lof de Nooitbegonnen'

  en aan het Lam, voor ons geslacht!

  Hij overwon het graf,

  wist onze trane af,

  halleluja!

  Hij ging ons voor

  de heem'len door:

  Hij voert ons mede in zijn spoor.

4

  Aarde, wijkt uw schoon en luister,

  verkeert gij, zon en maan in duister,

  dan blijft Gods heerlijkheid de zon!

  Eeuwig heil voor de geslachten,

  waarop zij hier verlangend wachten,

  ontspringt uit U, o Levensbron!

  De wereld gaat voorbij,

  vast staat uw heerschappij,

  halleluja!

  Getrouwe Heer,

  vertoef niet meer,

  kom Jezus, ja kom haastig Heer.

---

*268

#3

1

  U heb ik lief, U roep ik aan!

  Blijf, Heer, van mij niet verre staan

  en kom mijn ziel genezen.

  De wereld schonk mij vrede niet,

  naar aarde en hemel vraag ik niet,

  wilt Gij slechts mijne wezen.

  En als mijn laatste ure slaat,

  zo blijf mijn laatste toeverlaat,

  mijn deel en troost in eeuwigheid,

  wijl Gij mij door uw dood bevrijdt,

  Heer Jezus Christus, God en Heer,

  mijn God en Heer,

  zie in genade op mij neer!

2

  't Is al van U wat ik ontving,

  lichaam en ziel en ieder ding,

  waarmee ik hier mag leven.

  Dat ik het tot uw eer besteed,

  dat ik mijn naaste niet vergeet,

  dat moge uw gunst mij geven.

  Leer mij uw waarheid en bewaar

  mij voor de grote leugenaar.

  Wees bij mij, dat ik niet versaag,

  maar hier mijn kruis geduldig draag.

  Heer Jezus Christus, Heer en God, mijn Heer en God,

  laat mij niet over aan mijn lot.

3

  Als uw genade, Heer, 't gedoogt

  laat dan mijn ziel, in U verhoogd,

  voor eeuwig zijn geborgen.

  het lichaam, in der aarde schoot

  geborgen zonder pijn en nood,

  verwacht de jongste morgen.

  Dat dan uw stem mij wekken moog',

  dat ik U zie met eigen oog,

  gezeten op uw glorietroon

  in heerlijkheid, o 's Vaders Zoon.

  Heer Jezus Christus, hoor me altijd, verhoor me altijd,

  dat ik U prijs in eeuwigheid!

---

*269

#2

1

  Gelijk als de witte zwanen

  zingen op hun levensend,

  zo vergieten niet hun tranen

  Godes vrienden in 't torment,

  maar met blij gemoed zij zingen

  lof aan God,

  ja, van vreugde zij opspringen

  om hun lot.

2

  Want zij weten dat na 't lijden

  komen zal des hemels vreugd,

  waarmee zij na korte tijden

  zullen worden zeer verheugd.

  Hierom zij de dood versmaden

  op dit dal,

  omdat eeuwig hen verzaden

  Jezus zal.

---

*270

#4

1

  Eenmaal, wanneer mijn uur zal slaan

  en ik de donk're straten

  der ondoordringb're nacht moet gaan,

  ach, wil mij niet verlaten.

  Heer Jezus, leid mij naar uw land,

  ik leg mijn leven in uw hand,

  dat Gij het zult bewaren.

2

  Maar o mijn schuld, hoe zou ik mijn

  tekort dan nog verhelen?

  Heer Jezus, zie, mijn zonden zijn

  als zand aan zee, zo vele.

  Onthoud mij niet de troost, dat Gij

  de dood zijt ingegaan voor mij,

  opdat ik met U leve.

3

  Ik dank U, Heer, dat ik U ken,

  dat ik voor alle tijden

  een lid ben van uw lichaam en

  niets mij van U kan scheiden.

  Want wat Gij leeft, dat leef ik nu

  en sterf ik straks, dan sterf ik U:

  uw leven is mijn leven.

4

  Omdat Gij opstond uit het graf,

  kan mij de dood niet binden.

  Gij neemt mij angst en zorgen af

  en doet mij vreugde vinden.

  Waar Gij, Heer Jezus Christus, zijt,

  daar zal ik zijn in eeuwigheid.

  Ja, ik ga heen in vrede.

---

*271

#8

1

  Ach hoe vluchtig, ach hoe nietig,

  is der mensen leven!

  Zoals nevelen verschijnen,

  zoals nevelen verdwijnen,

  zo zal ook de mens verkwijnen.

2

  Ach hoe nietig, ach hoe vluchtig

  zijn der mensen dagen!

  Als op wateren die stromen

  en niet meer tot stilstand komen

  wordt ons leven meegenomen.

3

  Ach hoe vluchtig, ach hoe nietig

  is der mensen vreugde!

  Al  het heden wordt verleden,

  licht wordt donker, snel vergleden

  zijn der mensen heerlijkheden.

4

  Ach hoe nietig, ach hoe vluchtig

  is der mensen schoonheid!

  Als een bloem die staat te prijken

  tot de wind komt overstrijken,

  zo zal onze pracht bezwijken.

5

  Ach hoe vluchtig, ach hoe nietig,

  is 't geluk der mensen!

  Zoals helle meteoren

  even trekken zij hun sporen

  zo gaat hun geluk verloren.

6

  Ach hoe nietig, ach hoe vluchtig,

  zijn der mensen schatten!

  Vuur en vlam kan ze verteren,

  en de vloed is niet te weren,

  alles zal tot niets verkeren.

7

  Ach hoe vluchtig, ach hoe nietig

  is der mensen glorie!

  Die in hoogheid zijn gezeten

  en met God zich durven meten,

  in de dood zijn zij vergeten.

8

  Ach hoe nietig, ach hoe vluchtig

  is der mensen wezen!

  Al ons doen en al ons streven,

  heel de wereld duurt maar even.

  Wie God vreest zal eeuwig leven.

---

*272

#3

1

  Midden in het leven zijn wij

  door de dood omvangen.

  Wie is daar die hulp ons biedt,

  dat wij troost erlangen?

  Alleen Gij, Here Jezus!

  Hoezeer doet ons de zonde leed,

  die Gods toorn ontbranden deed.

  Heilige Here God,

  heilige, sterke God,

  heilige barmhartige Heiland,

  Gij eeuwige God,

  laat ons niet verzinken

  in de bitt're nood des doods!

2

  Midden in de dood zijn wij

  door de hel omvangen.

  Wie doet in die laatste nood

  redding ons erlangen?

  Alleen Gij, Here Jezus!

  U gaat ter harte, dat wij zijn

  in de zonde en in de pijn.

  Heilige Here God,

  heilige, sterke God,

  heilige barmhartige Heiland,

  Gij eeuwige God,

  laat ons niet versagen

  in de aanvechting der hel!

  Kyrieleison!

3

  Midden in de angst der hel

  drijft ons onze zonde.

  Waarheen vluchten, als die muil

  haast ons heeft verslonden?

  Alleen tot U, Heer Jezus!

  Want Gij vergoot uw kostbaar bloed,

  dat voor onze schuld voldoet.

  Heilige Here God,

  heilige sterke God,

  heilige barmhartige Heiland,

  Gij eeuwige God,

  laat ons niet ontzinken

  aan de troost van het geloof!

  Kyrieleison!

---

*273

#4

1

  Heer, herinner U de namen

  van hen, die gestorven zijn,

  en vergeet niet, dat zij kwamen

  langs de straten van de pijn,

  langs de wegen van het lijden,

  door het woud der eenzaamheid,

  naar het dag en nacht verbeide

  Vaderhuis, hun toebereid.

2

  Heer, herinner U hun luistrend

  wakker liggen in de nacht

  en hun roepen in het duister,

  de armzaal'gheid van hun kracht,

  en wil zeer aandachtig lezen

  in de rimpels van hun huid

  de verscheurdheid van hun wezen,

  en wis hunne zonden uit.

3

  Die Maria hebt vergeven

  en de rover aan het kruis,

  laat de doden eeuwig leven

  met U in het paradijs.

  Heer, herinner U hun namen,

  oordeel hen en spreek hen vrij,

  en bedek hun schuld en laat hen

  zitten aan uw rechterzij.

4

  Waarheen zal de mens zich keren,

  die, staand voor uw aangezicht,

  uwe liefde moet ontberen

  bij het eindelijk gericht?

  Heer, zo Gij niet wordt bewogen

  door het breken van zijn stem,

  door de droefheid in zijn ogen,

  is bij niemand heil voor hem.

---

*274

#7

1

  O Jezus wees ter plaatse!

  O Jezus kom op tijd!

  De eerste is de laatste.

  Hij loopt de wereld uit.

2

  De doden zijn verloren,

  gevallen uit het licht,

  zij hebben dichte oren

  en beide ogen dicht.

3

  O kinderen gestorven

  in onverstaanbaarheid,

  nu wordt het nooit meer morgen,

  de zon, de maan zijn uit.

4

  De liefde heeft geen haven,

  het schip zwalkt over zee.

  Het lichaam wordt begraven,

  alleen de dood gaat mee.

5

  Hij kwam de dode tegen,

  men droeg de dode uit.

  De dood is halverwege

  door onze Heer gestuit.

6

  Gij die ter hel gevaren

  de dood hebt uitgestaan,

  red hen die in de aarde

  zo reddeloos vergaan!

7

  Als koning zult Gij heersen,

  Gij maakt een nieuw begin.

  De laatste wordt de eerste,

  Hij loopt de wereld in.

---

*275

#3

1

  Er was een kind, dat zwaar en diep

  voor iedereen verloren sliep,

  men zei: de Heer is haar vergeten.

  Maar toen Hij kwam, heeft Hij geweten,

  waar Hij haar leven zoeken zou.

  Al blijft Hij ver, Hij is ons trouw.

2

  Er was een man in 't graf gelegd,

  drie dagen lang, heeft men gezegd,

  drie dagen ver van zijn beminden;

  hoe zoudt Ge, Heer, zijn spoor nog vinden?

  Maar 't was alsof Hij hem ontbood.

  Die 't leven is, kent onze dood.

3

  O Here Jezus, zie de mens:

  wij leven naar de laatste grens,

  en er wordt niets van U vernomen.

  Gij kent uw tijd, Gij zult wel komen,

  maar wij zijn bang en roepen zeer:

  Kom haastig, o kom haastig Heer!

---

*276

#3

1

  Als Godes Zoon, de heerser over al

  in stille rust dit aardse brengen zal

  en 't zwak gemoed verkwikken door zijn bloed,

  zo en zult ge mij,

  van de zonde vrij

  en van haren vloek ontladen,

  o slaap, o zoete slaap, niet schaden.

2

  Als ik ontwaak door Christi laatste stem,

  aanschouwende het nieuw Jeruzalem,

  hetwelk Hij geeft, wie in zijn vreze leeft,

  dan en zult ge mij

  van mijns Heren zij,

  die mij in zijn rijk zal leiden,

  o slaap, o zoete slaap, niet scheiden.

3

  Ik slaap, ik waak, ik ben gelijke blij,

  want mij altoos mijn Heiland blijft nabij,

  en toont mij 't licht van zijn vriendlijk gezicht;

  die mij heeft gesteld

  onder uw geweld,

  en na u het zalig leven,

  o slaap, o zoete slaap, zal geven.

---

*277

#6

1

  O hoe brandend van verlangen

  naar de levende fontein,

  in de ketenen gevangen

  van de aarde en haar pijn,

  zucht en bidt en strijdt de bange

  mensenziel om thuis te zijn.

2

  Des te harder is het heden

  dat zo bitter haar omringt,

  als zij denkt aan 't zoet verleden

  dat zo zalig haar omving.

  aan de lichte hof van Eden,

  schrijnende herinnering.

3

  Wie beschrijft de paradijzen

  vol van vrede en zaligheid,

  waar de tempels Gods verrijzen

  die met parels zijn bereid,

  die de weg naar huis toe wijzen,

  gulden stralend wijd en zijd.

4

  Stralend staan de hemelingen

  in het goddelijke licht,

  staan bekranst in grote kringen

  rond hun Koning opgericht,

  hoor hoe zij de zege zingen

  nu de vijand is gezwicht.

5

  Christus, zegepalm der helden,

  aan het einde van de baan,

  als het stil wordt op de velden,

  als de strijd heeft afgedaan,

  laat mij zijn bij uw getelden,

  in uw vrede binnengaan.

6

  Gij hebt mij uw kracht gegeven

  in het heetste van de strijd.

  Liefde die mij heeft gedreven,

  laat uw rust mij zijn bereid,

  laat mij drinken, o mijn leven,

  van uw licht in eeuwigheid.

---

*278

#17

1

  Dag des oordeels, dag des Heren.

  Alles zal tot as verteren,

  zoals de profeten leren.

2

  Dag van schrik die aan zal breken

  als de Rechter recht zal spreken

  en het kwaad op aarde wreken.

3

  De bazuinen zullen schallen

  door het dodenrijk en allen

  voor de troon terneer doen vallen.

4

  Dood en schepping zullen beven

  als de mens verrijst ten leven,

  als hij rekenschap moet geven.

5

  En dan wordt het boek gelezen

  en de wereld wacht vol vrezen

  hoe het vonnis wordt gewezen.

6

  Is de Rechter dan gezeten,

  dan zal Hij 't verborg'ne weten,

  alle straf wordt toegemeten.

7

  Waar moet ik dan van gewagen?

  Welke helper moet ik vragen?

  Niemand kan uw oordeel dragen.

8

  Koning in verschrikking tronend,

  en toch mild de schuld verschonend,

  red mij, mij uw trouw betonend.

9

  Jezus, heb toch medelijden,

  denk, hoe Gij voor mij moest lijden.

  Sta mij op die dag terzijde.

10

   Die, mij zoekend, zijt gebonden,

   mij verlost hebt van mijn zonden,

   zijn dan tevergeefs uw wonden?

11

   Grote Rechter van de wrake,

   laat mij uw vergeving smaken

   voor Gij 't vonnis op zult maken.

12

   Schuldig ben ik aan het kwade,

   rood van schaamte om mijn daden.

   God, ik smeek U, schenk genade.

13

   Die Maria hebt vergeven

   en de moord'naar schonkt het leven,

   mij ook hebt Gij hoop gegeven.

14

   Houd mij mijn gebed ten goede.

   Wil, Getrouwe, voor het woeden

   van het helse vuur mij hoeden.

15

  Wil mij met uw schapen weiden,

   en mij van de bokken scheiden,

   mij ter rechterzijde leiden.

16

   Gaan de zondaars eens verloren,

   is hun 't helse vuur beschoren,

   roep mij uit als uitverkoren.

17

   Hoor, ik roep in angstig klagen,

   't hart verbrijzeld en verslagen,

   red mij op die dag der dagen

---

*279

#7

1

  Het duurt niet lang meer tot de tijd

  van Christus aan zal breken,

  en Hij in grote heerlijkheid

  het oordeel uit zal spreken.

  Het lachen is dat uur gedaan,

  als alles zal in vuur vergaan,

  naar Petrus heeft geschreven.

2

  Dan klinken de bazuinen luid

  tot aan de verste kimmen.

  Dan zullen alle doden uit

  hun smalle graven klimmen.

  Maar die nog op de aarde gaan,

  die zal de Heer van stond af aan

  tot nieuwe mensen maken.

3

  Als Hij het boek geheven houdt

  en leest wat staat geschreven,

  wat ieder mens zo jong als oud

  op aarde heeft bedreven,

  hoort ieder mens Hem bevend aan,

  hoort ieder wat hij heeft gedaan

  de dagen van zijn leven.

4

  Wee dan de mens die enkel heeft

  het aardse goed verkoren,

  niet bij des Heren woord geleefd,

  de hemel heeft verloren.

  Hij zal voorgoed ter zijde staan,

  met satan mede moeten gaan,

  van Christus af, in 't duister.

5

  O Jezus, help mij dan ter tijd

  terwille van uw wonden,

  dat in het boek der zaligheid

  ook mijn naam wordt gevonden.

  Ik koester ook geen twijfel meer,

  ik weet ook wel, getrouwe Heer,

  dat Gij hebt overwonnen.

6

  Sta daarom eenmaal in voor mij,

  als Gij terug zult komen.

  Lees in uw boek en spreek mij vrij

  en stel mij bij uw vromen.

  Opdat ik met mijn broeders mag

  de hemel ingaan op die dag.

  Gij doet hem voor ons open.

7

  Heer Jezus, ach wat duurt het lang

  tot aan die dag der dagen.

  Zie ons op aarde klein en bang,

  bezocht door duizend plagen.

  Kom Rechter in uw majesteit

  in uw genade, kom, bevrijd

  ons van het kwade. Amen.

---

*280

#3

1

  Rechter in het licht verheven,

  Koning in uw majesteit,

  louter ons geringe leven,

  scheld ons onze schulden kwijt,

  laat uw vleug'len ons omgeven,

  troost ons met uw tederheid.

2

  Hoor de bittere gebeden

  om de vrede die niet daagt.

  Zie hoe diep er wordt geleden,

  hoe het kwaad de ziel belaagt.

  Zie uw mensheid hier beneden,

  wat zij lijdt en duldt en draagt.

3

  Houd wat Gij hebt ondernomen,

  klief het duister met uw zwaard.

  Kroon de menselijke dromen

  met uw koninkrijk op aard.

  Laat de vrede eind'lijk komen,

  die uw hart voor ons bewaart.

---

*281

#4

1

  Jezus zal heersen waar de zon

  gaat om de grote aarde om,

  de maan zijn lichte banen trekt,

  zover het verste land zich strekt.

2

  Het lied in alle talen zal

  zijn liefde loven overal,

  en uit de kindermond ontspringt

  de lofzang die zijn naam omringt.

3

  Zijn rijk is volle zaligheid,

  wie was gevangen wordt bevrijd,

  wie moe was komt tot rust voorgoed,

  wie arm was leeft in overvloed.

4

  Laat loven al wat adem heeft

  de koning die ons alles geeft.

  O aarde om dit nieuw begin

  stem met het lied der eng'len in.

---

*282

#3

1

  God zij geloofd in elk seizoen.

  Hij maakt het aardse leven groen,

  Hij maakt het aardse leven groen.

2

  Hij bindt ons door een recht geloof

  tot zijn gemeente, schoof aan schoof.

  Tot zijn gemeente, schoof aan schoof.

3

  Hij heeft ons in de herfst bereid

  de vrucht der volle zaligheid.

  De vrucht der volle zaligheid.

---

*283

#6

1

  Gij zijt de zin van wat wij zijn,

  de hartsfontein

  die water geeft

  dat leven is voor al wat leeft.

2

  Gij gaat in 't donker voor ons uit

  en niemand stuit

  uw grote gang

  de eeuwen door, een wereld lang.

3

  Al dwalen we ook ten dode af

  tot over 't graf,

  voorgoed zijt Gij

  ons met uw tederheid nabij.

4

  Wij keren allen tot U weer,

  beminde Heer

  en grote God.

  Hoe liefelijk is dan ons lot.

5

  Als alles nieuw wordt voor ons oog,

  de hemel hoog,

  de aarde wijd

  glanzen van onvergank'lijkheid.

6

  Als in het vorstelijke licht

  voor uw gezicht

  wij blinkend staan

  met witte waarheid aangedaan.

---

*284

#3

1

  O lieve Heer, geef vrede

  aan allen hier beneden

  die uitzien naar uw feest,

  opdat de mensen weten:

  uw heilige profeten

  zijn niet verblind geweest.

2

  Doe onze ogen stralen,

  doe ons het hart ophalen

  aan blijdschap na verdriet;

  o God voor wie verschijnen

  Christus en al de zijnen,

  versmaad hun smeken niet!

3

  Verlos ons van de boze,

  laat niet de goddelozen

  op aarde koning zijn!

  Laat ons uw land betreden,

  dat zal een land van vrede

  van melk en honing zijn!

---

*285

#4

1

  Geef vrede, Heer, geef vrede,

  de wereld wil slechts strijd.

  Al wordt het recht beleden,

  de sterkste wint het pleit.

  Het onrecht heerst op aarde,

  de leugen triomfeert,

  ontluistert elke waarde,

  o red ons sterke Heer.

2

  Geef vrede, Heer, geef vrede,

  de aarde wacht zo lang,

  er wordt zo veel geleden,

  de mensen zijn zo bang,

  de toekomst is zo duister

  en ons geloof zo klein;

  o Jezus Christus, luister

  en laat ons niet alleen!

3

  Geef vrede, Heer, geef vrede,

  Gij die de vrede zijt,

  die voor ons hebt geleden,

  gestreden onze strijd,

  opdat wij zouden leven

  bevrijd van angst en pijn,

  de mensen blijdschap geven

  en vredestichters zijn.

4

  Geef vrede, Heer, geef vrede,

  bekeer ons felle hart.

  Deel ons uw liefde mede,

  die onze boosheid tart,

  die onze mond leert spreken

  en onze handen leidt.

  Maak ons een levend teken:

  uw vrede wint de strijd!

---

*286

#5

1

  Geef aan de wereld vrede, Heer,

  in deze donk're tijden:

  de groten slaan de kleinen neer

  en honen en bestrijden

  wie uw vrederijk belijden.

2

  Zie, Koning Jezus, hoe zij staan

  gewapend tot de tanden

  en offeren de volken aan

  het vuur waarvan zij branden,

  red uw wereld uit hun handen!

3

  En doe ons van een ander vuur

  in gloed staan hier op aarde,

  gelouterd, dat wij in dit uur

  de strijd voor 't rijk aanvaarden,

  dat niet rust op 't scherp van zwaarden.

4

  Geef ons uw vrede in het hart

  en liefde, Heer, voor allen

  die door de groten zijn verward;

  laat, waar hun leuzen schallen,

  ons niet aan hun waan vervallen.

5

  Uw rijk, Heer, komt en het is nu:

  in 't onaantastbaar heden

  van uw genade zien wij U

  gegord met recht en rede

  voor ons uit, een Vorst van Vrede.

---

*287

#4

1

  Waartoe geploegd, als 't zaad

  niet valt in goede aarde?

  O God, of Gij ons haat?

  Wat heeft ons werk voor waarde?

  Met onkruid ruig en sterk

  vecht iedereen zich moe

  en de opbrengst van ons werk

  valt straks een ander toe.

2

  Zeg ons, welk voordeel heeft

  een mens van al zijn streven?

  Hij wint zijn brood en leeft,

  maar, Here, is dat leven?

  Wij kunnen hier toch niet

  bestaan bij brood alleen?

  In moeiten en verdriet

  gaat zo ons leven heen.

3

  Heer, als er dan geen zin

  is in ons werk gelegen,

  leg Gij een zin daarin,

  verkeer de vloek in zegen,

  opdat wij als weleer

  bewonen zonder pijn

  een aarde, waar wij weer

  gelukkig kunnen zijn.

4

  Betrek ons eens voor al

  op Hem die alle dingen

  eenmaal nieuw maken zal,

  dat wij in duizelingen

  zien wat ons oog niet ziet

  en ons verblijden zeer,

  dat onze arbeid niet

  vergeefs is in de Heer.

---

*288

#8

1

  Eens komt de grote zomer

  waarin zich 't hart verblijdt.

  God zal op aarde komen

  met groene eeuwigheid.

  De hemel en de aarde

  wordt stralende en puur.

  God zal zich openbaren

  in heel zijn kreatuur.

2

  Geen woord kan het bereiken,

  het is aan niets gelijk,

  met niets te vergelijken

  dat schone koninkrijk.

  Als God zich openbaren

  zal op de jongste dag

  dan zullen wij ervaren

  wat Hij met ons vermag.

3

  Dan zien wij met verblijden

  Hem die ons hart beleed,

  de Heer die door zijn lijden

  de hemel opendeed

  en alle patriarchen

  met de profeten saam,

  apost'len, martelaren,

  verlosten in zijn naam.

4

  Ook ons zal God verlossen

  uit alle pijn en nood,

  van 't woeden van de boze,

  van 't vrezen voor de dood,

  van aarzelen en klagen,

  verdriet en bitterheid,

  van alles wat wij dragen,

  van 't lijden aan de tijd.

5

  Ja, Hij zal ons geleiden

  in 't schone paradijs,

  het bruiloftsmaal bereiden

  zijn grote naam ten prijs.

  De liefde die wij zingen,

  zo schoon, zo ongekend,

  zal uit de bron ontspringen

  van God ons middelpunt.

6

  Dan breekt muziek van snaren

  aan alle kanten uit

  een niet te evenaren,

  een goddelijk geluid.

  De engelen omringen

  met heil'gen tesaam

  de troon van God en zingen

  de glorie van het Lam.

7

  Dan zijn wij aangezeten

  in Gods verheven zaal,

  en zullen met Hem eten

  het eeuwig avondmaal.

  Dan schenkt de boom des levens

  ons vrucht in overvloed,

  en van de stroom des levens

  drinken wij daar met God.

8

  Dan zal het loflied schallen

  rondom de gouden troon,

  dan heffen wij daar allen

  met grote vreugde aan:

  lof zij en eer en sterkte

  de Vader en de Zoon,

  de Geest om al zijn werken

  zij lof van nu voortaan.

---

*289

#5

1

  Morgenglans der eeuwigheid,

  licht aan 't eeuwig Licht onttogen,

  stel ons deze ochtendtijd

  uwe heerlijkheid voor ogen,

  en verdrijf door uwe macht

  onze nacht!

2

  Laat als milde morgendauw

  uw genade tot ons komen

  en de dorstige landouw

  van ons leven overstromen,

  ja, verkwik ons door uw troost

  onverpoosd.

3

  Laat uw heil'ge liefdegloed

  onze koude werken doden

  en versterk in ons de moed

  om, de eeuw'ge nacht ontvloden,

  voordat wij tenondergaan,

  op te staan.

4

  Breekt de jongste morgen aan,

  geef, o Opgang uit den hoge,

  dat wij met U opgestaan

  alle leed vergeten mogen,

  doe ons opgaan tot uw feest

  onbevreesd.

5

  Overstroom ons met uw licht,

  klare Zon van trouw en goedheid.

  Treed niet met ons in 't gericht,

  maar verblijd ons met de zoetheid

  van des hemels zaligheid

  voor altijd.

---

*290

#6

1

  Er is een land van louter licht

  waar heil'gen heersers zijn.

  Nooit gaat de gouden dag daar dicht

  in duisternis of pijn.

2

  Daar is het altijd lentetijd,

  in bloei staat elke plant.

  Alleen de smalle doodszee scheidt

  ons van dat zalig land.

3

  Men ziet het veld aan de overkant

  in groene luister staan,

  als Isra?l 't beloofde land

  zag over de Jordaan.

4

  Maar ach de stervelingen staan

  hier huiverend terzij,

  en durven niet op weg te gaan,

  het duister niet voorbij.

5

  Hing niet het wolkendek zo zwart

  van twijfel om ons heen,

  wij zouden 't land zien van ons hart,

  dat 't hemels licht bescheen.

6

  God, laat ons staan als Mozes hier

  hoog in uw zonneschijn,

  en geen Jordaan, geen doodsrivier

  zal scheiding voor ons zijn.

---

*291

#2

1

  Nooit kan 't geloof te veel verwachten,

  des Heilands woorden zijn gewis.

  't Faalt aardse vrienden vaak aan krachten,

  maar nooit een vriend als Jezus is.

  Wat zou ooit zijne macht beperken?

  't Heelal staat onder zijn gebied!

  En wat zijn liefde wil bewerken,

  ontzegt Hem zijn vermogen niet.

2

  Die hoop moet al ons leed verzachten.

  Komt, reisgenoten, 't heil des Heren wachten,

  zijn bergen vlak en zee?n droog.

  O zaligheid niet af te meten,

  o vreugd, die alle smart verbant!

  Daar is de vreemd'lingschap vergeten

  en wij, wij zijn in 't vaderland!

 

---

*292

#2

1

  Wegen Gods, hoe duister zijt gij,

  maar we omvleug'len ons het hoofd

  voor 't verblindend licht der toekomst,

  die 't verrukte hart gelooft!

  Blijve 't middel ons verholen,

  God maakt ons zijn doel gewis

  door de onfeil'bre profetie?n

  van zijn vast getuigenis.

2

  Aan de eindpaal van de tijden

  ziet ons oog de geest van 't kwaad,

  moe geworsteld en ontwapend,

  tot geen afval meer in staat.

  Als de Here God in allen,

  en in allen alles is,

  zal het licht zijn, eeuwig licht zijn,

  licht uit licht en duisternis.

---

*293

#4

1

  Wat de toekomst brengen moge,

  mij geleidt des Heren hand;

  moedig sla ik dus de ogen

  naar het onbekende land.

  Leer mij volgen zonder vragen;

  Vader, wat Gij doet is goed!

  Leer mij slechts het heden dragen

  met een rustig, kalme moed!

2

  Heer, ik wil uw liefde loven,

  al begrijpt mijn ziel U niet.

  Zalig hij, die durft geloven,

  ook wanneer het oog niet ziet.

  Schijnen mij uw wegen duister,

  zie, ik vraag U niet: waarom?

  Eenmaal zie ik al uw luister,

  als ik in uw hemel kom!

3

  Laat mij niet mijn lot beslissen:

  zo ik mocht ik durfde niet.

  Ach, hoe zou ik mij vergissen,

  als Gij mij de keuze liet!

  Wil mij als een kind behand'len,

  dat alleen de weg niet vindt:

  neem mijn hand in uwe handen

  en geleid mij als een kind.

4

  Waar de weg mij brengen moge,

  aan des Vaders trouwe hand,

  loop ik met gesloten ogen

  naar het onbekende land.

---

*294

#8

1

  Laat komen, Heer, uw rijk,

  uw koninklijke dag,

  toon ons uw majesteit,

  Messias, uw gezag!

2

  Waar blijft het overlang

  beloofde land van God,

  waar liefd' en lofgezang

  verdrijven leed en dood?

3

  Dat land, het ons vanouds

  vertrouwde Kana?n,

  waar God zijn stad herbouwt;

  Sion, waar zijt ge dan?

4

  Zal ooit een dag bestaan

  dat oorlog, haat en nijd

  voorgoed zijn weggedaan,

  in deze wereldtijd?

5

  Dat alle tyrannie

  eens zal geleden zijn?

  O sabbath Gods! En zie,

  dan zal het vrede zijn!

6

  Wij bidden, Heer, sta op

  en kom in heerlijkheid!

  Op U staat onze hoop

  die onze Herder zijt!

7

  Uw schapen zijn in nood,

  uw naam wordt niets geacht...

  men breekt uw volk als brood,

  men heeft ons opgejaagd.

8

  De nacht is als een graf,

  ontij heerst in het rond.

  Kom van de hemel af,

  o Ster van Gods verbond!

---

*295

#5

1

  Aan de deur van 's harten woning

  klopt des hemels Bruidegom:

  op, ontwaak, de nacht is om.

  Buiten wacht uw Heer en Koning:

  kom mijn bruid, die ik bemin,

  doe mij open, laat mij in!

2

  Maar hoe zou ik U ontmoeten?

  Ik ben koud en arm en naakt;

  loom heeft mij de nacht gemaakt;

  't leger bindt mijn trage voeten.

  't Wakker hart hoort uw geklop,

  maar ik geef mijn rust niet op.

3

  Christus van zo ver gekomen,

  wist, hoe Hij u vinden zou.

  Geef u over aan zijn trouw;

  klopt Hij nog, verwin uw schromen.

  Schoon gij aarzelt, Hij houdt aan,

  Hij zoekt bij u in te gaan.

4

  Hield uw deur zijn komen tegen,

  eenmaal wordt zijn kloppen stil.

  Wie Hem dan weer vinden wil,

  moet Hem zoeken langs de wegen,

  dolend in een duisternis,

  waar geen spoor te vinden is.

5

  Aan de deur der wereldtijden

  klopt nog eens de Bruidegom:

  op, ontwaakt, de nacht is om!

  Nu de zon, de langverbeide,

  rijzen gaat, schort op uw kleed,

  maakt u voor de dag gereed!

---

*296

#3

1

  Ik kom met haast, roept Jezus' stem.

  Hij heeft de dood verslagen.

  Nu zal al wie gelooft in Hem

  de kroon des levens dragen.

  Wijk niet van Hem.

  Hoor naar zijn stem.

  Reeds wenken ons van boven

  de scharen, die Hem loven.

2

  Ik kom met haast, Ik kom! Houd vast

  wat Ik u heb gegeven.

  Er blijft bij alle aardse last

  een open deur ten leven.

  Werp van u af

  wat ik niet gaf.

  Blijf u standvastig scharen

  bij wie mijn woord bewaren.

3

  Ik kom met haast, houd wat gij hebt,

  nog is de worst'ling gaande.

  Ik ben 't, uit wie gij krachten schept,

  houd in de strijd u staande.

  Zie op naar Mij:

  Ik blijf nabij.

  Ik houd u vast in 't lijden.

  Niets zal u van Mij scheiden.

---

*297

#2

1

  Toch overwint eens de genade,

  en maakt een einde aan de nacht.

  Dan onderwerpt de Heer het kwade,

  dan is de strijd des doods volbracht.

  De wereld treedt in 's Vaders licht,

  verheerlijkt voor zijn aangezicht.

2

  O welk een vreugde zal het wezen,

  als Hem elk volk is toegedaan;

  uit aard' en hemel opgerezen

  vangt dan het nieuwe loflied aan.

  Als ieder voor de Heer zich buigt

  en aller stem Gods lof getuigt.

---

*298

#2

1

  Wij staan ten laatsten kamp gereed,

  een strijd van dood en leven!

  Houdt daarin moedig stand en weet:

  God zal u nooit begeven.

  De oude wereld komt ten val,

  zij stort in puin, maar Christus zal

  het nieuwe rijk doen rijzen.

2

  Bazuingeschal verkondigt blij:

  't wordt overal vernomen

  reeds komt de Heiland naderbij,

  zijn rijk zal weldra komen!

  Blijft tot het laatste toe bijeen,

  tezamen sterk en met Hem een:

  zo zult gij overwinnen.

---

*299

#10

1

  Voor alle heil'gen in de heerlijkheid

  die U beleden in hun aardse strijd,

  zij uw naam lof, o Jezus, te allen tijd!

  Halleluja, halleluja!

2

  Gij waart hun rots, hun burg en al hun macht;

  Gij, Heer, hun loods en licht in storm en nacht;

  Gij hebt uw pelgrims veilig thuisgebracht.

  Halleluja, halleluja!

3

  Maak al uw strijders in dit aards gevecht

  moedig als hen wier pleit reeds werd beslecht

  tot aan de tijd die Gij hebt toegezegd.

  Halleluja, halleluja!

4

  Hun is de prijs, de lauwerkrans, de kroon,

  toch zijn wij een, zij zingend voor de troon,

  wij in de wereld, wachtend op Gods Zoon.

  Halleluja, halleluja!

5

  Lang valt de tijd en zwaar is ons geding,

  bang is de strijd en vol vertwijfeling,

  dat ons de zege bijna nog ontging.

  Halleluja, halleluja!

6

  Ten einde raad ontzinkt ons haast de moed

  maar in de verte klinkt ons tegemoet

  trompetgeschal dat Gij weerklinken doet!

  Halleluja, halleluja!

7

  Rood is de avond als het zonlicht daalt;

  ook in de dood hebt Gij hun lot bepaald,

  God die de moede strijders binnenhaalt.

  Halleluja, halleluja!

8

  Maar een oneindig glorierijker dag

  staat nog te wachten als op uw gezag

  heel 't heir der heil'gen tot U naad'ren mag.

  Halleluja, halleluja!

9

  Daar is de Koning als een jonge held!

  Hem komen allen tegemoet gesneld

  van vreugde stralend, scharen ongeteld.

  Halleluja, halleluja!

10

   Van alle einders, van de verste kust

   zullen zij vinden vrede, feest en rust,

   U lovend, Vader, Zoon, Heilige Geest!

   Halleluja, halleluja!

---

*300

#6

1

  Eens, als de bazuinen klinken,

  uit de hoogte, links en rechts,

  duizend stemmen ons omringen,

  ja en amen wordt gezegd,

  rest er niets meer dan te zingen,

  Heer, dan is uw pleit beslecht.

2

  Scheurt het voorhang van de wolken,

  wordt uw aangezicht onthuld,

  vaart de tijding door de volken

  dat Gij alles richten zult:

  Heer, dan is de dood verzwolgen,

  want de schriften zijn vervuld.

3

  Roep de doden tot getuigen

  dat Gij van oudsher regeert,

  roep hen die men dwong te zwijgen,

  die de wereld heeft geweerd,

  richt omhoog wat wist te buigen,

  kroon wat aanzien heeft ontbeerd.

4

  Als de graven openbreken

  en de mensenstroom vangt aan

  om de loftrompet te steken

  en uw hofstad in te gaan:

  Heer, laat ons dan niet ontbreken,

  want de traagheid grijpt ons aan.

5

  Mensen, komt uw lot te boven,

  wacht na dit een ander uur,

  gij moet op het wonder hopen

  dat gij oplaait als een vuur,

  want de Geest zal ons bestoken,

  nieuw wordt alle creatuur.

6

  Van die dag kan niemand weten,

  maar het woord drijft aan tot spoed,

  zouden wij niet haastig eten,

  gaandeweg Hem tegemoet,

  Jezus Christus, gist'ren, heden,

  komt voor eens en komt voor goed!

---

*301

#5

1

  Wij moeten Gode zingen

  halleluja,

  om alle goede dingen

  halleluja,

  al zijn wij vreemdelingen

  in schande en in scha,

  Gij zendt uw zegeningen

  halleluja.

2

  Hij schenkt de levensadem,

  Hij geeft de levensgeest,

  in schande en in schade

  is Hij nabij geweest,

  aan al wie Hem aanbaden,

  aan ieder die Hem vreest,

  komt Hij, de Heer, te stade,

  de minsten allermeest.

3

  Al leeft uw volk verschoven

  kyrieleison,

  in 't land van vuur en oven,

  in 't land van Babylon,

  al is de hemel boven

  voor mensen doof en stom,

  nog moeten wij U loven

  met stem en fluit en trom.

4

  De lier hing aan de wilgen,

  misericordia,

  God zal ons niet verdelgen,

  aan God zij gloria.

  Zijn woord zal ons genezen,

  halleluja,

  zoals het was voor dezen

  in Galilea.

5

  Wij moeten Goden zingen

  halleluja,

  de Heer van alle dingen

  die leeft in gloria,

  met alle stervelingen,

  niets komt zijn eer te na,

  wij moeten Gode zingen

  halleluja,

---

*302

#5

1

  God zij geloofd om Kana?n

  dat land vol druiven en vol graan,

  dat overvloeit van melk en honing,

  het geeft zijn oogst te rechter tijd,

  dat land is enkel vruchtbaarheid:

  gezegend land om in te wonen!

2

  Hier druipt de regen van Gods woord,

  in alle beken stroomt het voort,

  het drenkt de luisterende velden:

  die zijn gehoorzaam aan zijn lied

  en al doorgronden zij het niet,

  zij zullen het de mensen melden.

3

  Al het gezaaide spreekt Gods woord

  het plant zich duizendvoudig voort,

  wie is zo doof dat hij niet luistert?

  Wie is zo traag dat hij niet weet

  hoe God een Heiland komen deed,

  een zaad waarvan het weiland fluistert?

4

  En op de wei daar staat het lam

  dat werd gezocht door Abraham

  om God de Schepper te aanbidden:

  een lam, een zaad, een weerloos woord,

  dat wordt in Kana?n gehoord,

  daar is God vruchtbaar in ons midden.

5

  Zo zingen wij op hoge toon

  van Kana?n en van uw Zoon:

  uw woord is melk, uw liefde honing.

  Over de aarde waait de wind:

  uw adem maakt ons welgezind

  om zingend in dit land te wonen.

---

*303

#5

1

  De ware kerk des Heren,

  in Hem alleen gegrond,

  geschapen Hem ter ere,

  de bruid van zijn verbond,

  dankt aan zijn dood het leven.

  Hij is haar Bruidegom.

  Want God, zo staat geschreven,

  zag naar zijn dienstmaagd om.

2

  Door God bijeen vergaderd,

  ??n volk dat Hem behoort,

  als kindren van ??n Vader;

  ??n doop, ??n Geest, ??n woord.

  Zo offert allerwege

  de kerk U lof en prijs.

  E,n naam is aller zegen,

  ??n brood is aller spijs.

3

  Al heeft men haar geteisterd,

  al wordt zij onderdrukt,

  door dwalingen verbijsterd,

  door strijd uiteengerukt,

  de stem der martelaren

  roept uit: o Heer, hoe lang?

  De nacht is vol gevaren,

  de morgen vol gezang.

4

  In 't woeden aller tijden

  is nooit het lied verstomd,

  Gods hoede zal ons leiden,

  de volle vrede komt!

  Geloven wordt aanschouwen,

  als uit de hemel daalt

  de bruid, de hoge vrouwe,

  de kerk die zegepraalt.

5

  Met God zijn wij verbonden,

  met Vader, Zoon en Geest,

  met alwie overwonnen,

  alwie zijn trouw geweest.

  Bewijs ons uw genade,

  dan zingen wij bevrijd

  de glorie van uw daden,

  in tijd en eeuwigheid.

---

*304

#3

1

  God is getrouw, zijn plannen falen niet,

  Hij kiest de zijnen uit, Hij roept die allen.

  Die 't heden kent, de toekomst overziet,

  laat van zijn woorden geen ter aarde vallen;

  en 't werk der eeuwen, dat zijn Geest omspant,

  volvoert zijn hand.

2

  De Heer regeert! Zijn koninkrijk staat vast,

  zijn heerschappij omvat de loop der tijden;

  een sterke hand, die nooit heeft misgetast,

  blijft met het heilig zwaard des Geestes strijden;

  de adem zijner lippen overmant

  de tegenstand.

3

  De Heil'ge Geest, die haar de toekomst spelt,

  doet aan Gods kerk zijn heilgeheimen weten;

  Hij, die haar leidt en in de waarheid stelt,

  heeft zijn bestek met wijsheid uitgemeten;

  Hij trekt met heel zijn kerk van land tot land

  als Gods gezant.

---

*305

#2

1

  Waar God de Heer zijn schreden zet

  daar wordt de mens, van dwang gered,

  weer in het licht geheven.

  Als 's Heren woord weerklinkt met macht

  wordt aan het volk dat Hem verwacht

  de ware troost gegeven.

  Zijn Geest weerstaat de valse schijn

  en schrijft in harten het geheim

  van 's Vaders grote daden.

  Zo leven wij om Christus' wil

  te allen tijd gerust en stil

  alleen van zijn genade.

2

  O Heer, uw onweerstaanbaar woord

  drijft rusteloos de eeuwen voort

  wat mensen ook verzinnen.

  En waar de weg onvindbaar scheen

  mochten wij door geloof alleen

  de tocht opnieuw beginnen.

  Gij hebt de vaderen bevrijd

  en uit het diensthuis uitgeleid

  naar 't land van melk en honing.

  Hervorm, herschep ook ons geslacht,

  opdat het door de wereldnacht

  de weg vindt naar uw woning.

---

*306

#3

1

  Heer, stuur zelf het schip der kerk.

  Sterk is wind en tegenstroom

  en dat vindt de vijand schoon,

  die spot

  met U en uw gebod.

2

  God, houd zelf uw naam in eer.

  Weer met macht de wolf die snood

  in de nacht uw schapen doodt.

  Vergaar

  uw kudde bij elkaar.

3

  Help dat hoogmoed ons niet scheidt.

  Leid ons naar elkander heen,

  maak ons waar en maak ons ??n:

  dan stijgt

  een lied dat nooit meer zwijgt.

---

*307

#4

1

  Vergeef, o Heer, dat duizendvoud

  ons stem en steen gescheiden houdt,

  dat elk zijn eigen godshuis bouwt.

2

  Vergeef het. Kome nu de tijd

  dat U ??n huis wordt toegewijd

  van alle mensen wijd en zijd.

3

  Dan wordt het grote lied gehoord

  de wereld door met ??n accoord

  dat Christus prijst, het hemels woord.

4

  Hoor hoe van land tot land het snelt,

  ??n hoop, geloof en liefde meldt

  en Jezus' naadloos kleed herstelt.

---

*308

#4

1

  In Christus is noch west noch oost

  in Hem noch zuid noch noord,

  ??n broederschap rust in zijn troost,

  ??n wereld in zijn woord.

2

  Tot ieder hart, dat Hem behoort,

  met Hem gemeenschap vindt.

  De dienst aan Hem is 't gouden koord

  dat allen samen bindt.

3

  Broeders, ??n band is 't die ons bindt

  vanwaar en wie ge ook zijt

  wie onze Vader dient als kind,

  is Christus toegewijd.

4

  Laat zuid en noord nu zijn verblijd,

  Hem prijzen west en oost.

  Aan Christus hoor de wereld wijd,

  in Hem is zij vertroost.

---

*309

#6

1

  O Heer, wees met uw kerk

  en laat ons niet vergaan,

  maar zend uw kracht

  diep in de nacht,

  dan breekt de morgen aan.

2

  Wij wachten U, o Zon,

  het duister duurt zo lang,

  het water stijgt

  en Gij, Gij zwijgt,

  het wordt ons al te bang.

3

  Uw schepping vraagt naar U.

  Vohardt Gij in uw rust?

  De macht van 't kwaad

  gaat rond en gaat

  zijn gang naar hartelust.

4

  Het was de zesde dag

  dat Gij de mensen riep

  en schiep voorgoed

  in vlees en bloed

  en in uw beeld verdiept.

5

  De vrijdag is voorbij,

  de sabbath is vervuld.

  O dageraad

  toon uw gelaat,

  een ochtend zonder schuld!

6

  O Heer, wees met uw kerk

  en laat ons niet vergaan

  maar zend uw kracht

  diep in de nacht,

  uw kracht om op te staan.

---

*310

#3

1

  Bewaar ons, Here, bij uw woord,

  betoom des vijands roof en moord.

  Hij trok ten strijde om uw Zoon

  te stoten van uw hoge troon.

2

  Heer Jezus Christus, toon uw macht,

  Heer aller heren, kom met kracht.

  Bescherm uw arme christenheid,

  dat zij U love te allen tijd.

3

  O Geest, die onze Trooster zijt,

  geef dat uw volk ??n Heer belijdt,

  wees bij ons in de laatste nood,

  leid ons ten leven uit de dood.

---

*311

#2

1

  Hoe komt het dat het bos

  tot aan de hemel blaakt

  en door zo groot een vuur

  tot asse niet geraakt?

  O Mozes, man van God,

  wees sterk en onvervaard.

  Hijzelf is in het bos,

  zo blijft het welbewaard.

2

  Hoe komt het dat de kerk

  als in een oven gloeit

  vervolgd en onderdrukt

  en even heerlijk bloeit?

  O mens wees welgemoed

  en weet: het is de Heer.

  De Heer is in zijn kerk

  en laat ze nimmer meer.

---

*312

#3

1

  Behoed uw kerk, zet uit, o God, haar palen,

  zij kenn' eerlang geen grenzen meer!

  Dat elk in naam van onze Heer

  de knie?n voor U buig', en alle talen

  uw lof herhalen.

2

  Door Hem gekocht, door Hem verlost zijn we allen

  als kindren van ??n groot gezin.

  Ontgloei' heel de aard in broedermin!

  Moog' elke muur, die nog haar duizendtallen

  vaneen scheidt, vallen!

3

  Blijf door uw trouw ons zwak geloof beschamen,

  ontfermend Vader, de aard' word' ??n

  in uwe Zoon, door Hem alleen!

  Breng in uw huis eens al uw kindren samen

  voor eeuwig! Amen!

---

*313

#7

1

  Zonne der gerechtigheid,

  ga ons op in deze tijd,

  opdat al wat leeft de dag

  in uw kerk aanschouwen mag.

  Erbarm U, Heer.

2

  Wek de dode christenheid

  uit haar zelfverzekerdheid;

  zend uw stralen overal,

  dat de aarde U loven zal.

  Erbarm U, Heer.

3

  Zie, Heer, de verdeeldheid aan,

  die geen mens ooit helen kan.

  Breng, o Herder, in Gods naam

  uw verstrooide kudde saam.

  Erbarm U, Heer.

4

  Open overal de poort,

  Heer, voor uw voortvarend woord,

  win elk volk met stille kracht

  voor uw rijk, verdrijf de nacht!

  Erbarm U, Heer.

5

  Geef geloof aan wie Gij zendt,

  hoop en liefde, dat op 't eind

  wat met tranen werd gezaaid

  met gejuich mag zijn gemaaid.

  Erbarm U, Heer.

6

  Laat ons zo uw heerlijkheid

  zien in deze donk're tijd,

  opdat wij nu en voortaan

  trouw U ter beschikking staan.

  Erbarm U, Heer.

7

  Alle eer en macht en kracht

  worde, Heer, U toegebracht;

  heel de mensheid stemme saam

  in de drieklank van uw naam.

  Erbarm U, Heer.

---

*314

#4

1

  Gij die gelooft, verheugt u samen,

  't is God, die trouw zijn kerk bewaart!

  Die hoop zal nimmer ons beschamen:

  de Heer is God en zijn is de aard.

  Zijn woord heeft vrede, heil bereid

  van eeuwigheid tot eeuwigheid!

2

  Gezanten gaan door alle landen,

  een heil'ge opdracht drijft hen voort,

  zij vrezen strijd noch smaad, noch banden,

  zij houden vast aan Jezus' woord.

  Het mart'laarsbloed is 't zaad der kerk,

  de wasdom is des Heren werk.

3

  Nabij of ver, wij zijn verbonden:

  ??n Heer en ??n geloof, ??n doop,

  ??n Geest is tot ons neergezonden,

  en ??n is aller liefd' en hoop.

  Wij bidden en wij danken sa?m,

  wij roemen in ??n Vadernaam.

4

  Hoopt op de Heer, zijn dag komt nader!

  Een kudde, een Herder is beloofd.

  De volken buigen zich te gader

  voor Jezus Christus, aller Hoofd!

  Dat toch de dag des heils verscheen,

  dan worden aard' en hemel een!

---

*315

#4

1

  Heer die overwint

  en ons zijt voorgegaan,

  uw kerk is als een kind

  dat wacht om op te staan.

2

  Gij die de waker zijt

  en grote wondren doet,

  Gij komt, maar kom op tijd,

  voordat zij slaapt voorgoed.

3

  Ja?rus' dochter sliep,

  Gij hebt haar aangeraakt

  en toen uw stem haar riep

  is zij tot U ontwaakt.

4

  Wij zijn het wachten moe

  en klagen met misbaar:

  zij slaapt ten dode toe,

  kom, leg uw hand op haar!

---

*316

#6

1

  Blijf bij ons, Jezus, onze Heer;

  de avond daalt op aarde neer;

  het helder licht, uw godlijk woord,

  moog' bij ons schijnen ongestoord.

2

  Geef ons in deze zware tijd

  volharding en standvastigheid,

  opdat wij woord en sacrament

  bewaren tot aan 's werelds end.

3

  Bewaar uw kerk, zij is benard,

  want wij zijn boos en traag en hard;

  geef vrucht en zegen op uw woord,

  maak dat alom het wordt gehoord.

4

  Blijf Heer ons met uw woord nabij

  en maak ons van de vijand vrij,

  deel aan uw kerk genade mee,

  geduld en eenheid, moed en vree.

5

  Het is niet onze zaak, o Heer,

  't gaat om uw eeuwig rijk, uw eer.

  Wil allen trouw terzijde staan,

  die op uw wegen willen gaan.

6

  Uw woord maakt onze harten sterk,

  het is de schutsmuur van uw kerk.

  Houd ons daarbij, opdat wij Heer,

  buiten uw woord niets zoeken meer.

---

*317

#2

1

  Halleluja, 't loflied rijze

  Hem, die onze banden slaakt!

  Hem, die ons zijn naam ten prijze

  koningen en priesters maakt;

  Hem, die redt uit alle noden,

  die, waarachtig en getrouw,

  vastheid geeft aan 't Godsgebouw,

  Hem, de eerst'ling uit de doden,

  Hem, de Koning van 't heelal,

  wien 't heelal eens eren zal!

2

  Amen, Jezus Christus, amen!

  Ja, Gij zult in 't groot heelal

  't rijk der duisternis beschamen,

  tot het niet meer wezen zal.

  Woon, o Heiland, in ons midden!

  Onder uwe heerschappij

  zijn wij zalig, zijn wij vrij.

  Leer ons strijden, leer ons bidden!

  Amen, heerlijkheid en macht

  worde U eeuwig toegebracht!

---

*318

#10

1

  Hoe goed, o Heer, is 't hier te zijn,

  bij woord en water, brood en wijn,

  waar alles ons een dag voorspelt

  dat hel en dood zijn neergeveld.

2

  Ons leven zal geborgen zijn

  en eenmaal zal het morgen zijn,

  als helder licht ons overstraalt;

  een Davidsster die nooit meer daalt.

3

  Hier staan wij waar uw stem weerklinkt

  en 't eerste licht in duister blinkt

  dat scheiding maakte tussen nacht

  en morgenstond het leven wacht.

4

  O Heer, wij leven totterdood

  Gij roept ons uit de moederschoot

  om ongehinderd op te staan

  en naar 't beloofde land te gaan.

5

  Gij doet ons reizen door de tijd,

  verbonden in saamhorigheid,

  in vreugde en verwondering,

  in hoop en liefde onderling.

6

  Heb dank, dat Gij aanvaarden wilt

  wat hier een mens van de aarde tilt:

  een oogst, een dienst van offerand.

  Wij geven 't U uit uwe hand!

7

  Gij Geest die woorden leven doet

  zodat ons oor het woord ontmoet

  waarmee Gij roept wat nog niet is,

  uw toekomst, uw geschiedenis,

8

  ontsteek uw licht in onze geest,

  zodat ons hart verwonderd leest

  wat nog voor 't oog verborgen ligt

  in uw bereik, in uw gezicht;

9

  en als wij treden in de kring

  rondom uw heil en zegening,

  verenig ons en maak ons vrij

  van dood en schuld en slavernij!

10

   Geloofd zij God die eeuwig leeft.

   Geloofd Hij die zijn leven geeft!

   Geloofd Hij die ons leven doet:

   een lichaam uit een vlees en bloed.

---

*319

#5

1

  Looft God, die zegent al wat leeft,

  der heem'len Heer is Hij,

  die tussen ons zijn woning heeft.

  Die ver is, is nabij.

2

  Looft God, Hij stuurt het schip der kerk,

  dat naar de morgen vaart.

  Hij is de hartslag van ons werk,

  Hij houdt het welbewaard.

3

  Looft God, zijn vinger wijst ons aan,

  een toren in de tijd,

  dat het ten hemel toe moet gaan,

  en gaat in eeuwigheid.

4

  Looft God, want Hij spreekt onze taal,

  Hij troont op onze lof.

  In woord en doop en avondmaal

  houdt Hij bij ons zijn hof.

5

  Looft God, die ons aan tafel vraagt,

  loof bruid, uw Bruidegom,

  Ik loof U die mijn leven draagt,

  o lieve God, ik kom.

---

*320

#4

1

  Zingt een nieuw lied voor God de Here

  en weest van harte zeer verblijd.

  God wil alhier met ons verkeren,

  hier wordt een huis voor Hem bereid.

  Hij heeft de hand

  en het verstand

  gezegend voor het werk,

  de bouw van Christus' kerk.

2

  Kinderen van eenzelfde Vader,

  komt nu tesaam van zuid en noord.

  Van oost en west treden wij nader

  tot dit welaangename oord.

  Kracht van de jeugd,

  breng nu verheugd

  de stenen bij elkaar.

  God helpt u wonderbaar.

3

  God wil aan ons telkens weer tonen

  dat Hij genadig is en trouw.

  Dat Hij met ons samen wil wonen,

  geeft ons de moed voor dit gebouw.

  Maar niet met steen

  en hout alleen

  is 't grote werk gedaan.

  't Zal om onszelve gaan.

4

  De Heil'ge Geest geeft taal en teken.

  Christus deelt al zijn gaven uit.

  De Vader zelf wil tot ons spreken

  en elk verstaat wat het beduidt.

  Wees ons nabij

  en maak ons vrij

  in dit uw heiligdom.

  Kom, Here Jezus, kom!

---

*321

#4

1

  O Vader die uw woning sticht

  hoog in het ontoegank'lijk licht,

  geef onze hand de zekerheid

  om in de ontrouw van de tijd

  een huis te bouwen dat gewaagt

  van uw geduld dat alles draagt.

2

  O Christus die met al ons leed

  het ware heiligdom betreedt,

  Gij, grondsteen, door Godzelf gelegd,

  van het gebouw van liefde en recht,

  bouwoffer dat aan God behaagt,

  wees fundament dat alles draagt.

3

  O Geest, Gij mortel van Gods kerk,

  hoe ijdel is ons metselwerk,

  hoe pover is het offer dat

  wij dragen naar de nieuwe stad,

  voeg onze harten thans tesaam,

  een heilig huis voor Christus' naam.

4

  O Heilige Drievuldigheid

  die eerste en die laatste zijt,

  wil ons ontmoeten van omhoog,

  laat ons feestvieren voor uw oog.

  bereid voor ons de heil'ge dis

  in 't huis dat U geheiligd is.

---

*322

#6

1

  Hoor Gij ons aan!

  Wij heffen onze handen,

  kom Gij tot ons, neem onze offeranden,

  waarmee wij dankbaar voor U staan.

2

  Uw oog aanschouwt

  ons hier met onze schatten.

  Woont Gij, wie zelfs de heem'len niet bevatten,

  toch in een huis door ons gebouwd?

3

  Gij ziet en hoort

  wat onze mond wil spreken,

  het is een staam'lend, ontoereikend teken,

  een zwak en machteloos mensenwoord.

4

  In stil ontzag

  zijn wij voor U getreden.

  Wend dan uw oor naar onze smeekgebeden,

  waak met uw ogen nacht en dag!

5

  Gij spreekt ons aan,

  Ge hebt de mens verkoren:

  aan deze plaats doet Gij uw woorden horen,

  hier zijt Gij, want hier woont uw naam.

6

  O, antwoord Gij,

  als wij tezamen bidden,

  daal neder uit uw hoogte in ons midden!

  In uw vergeving wonen wij.

---

*323

#8

1

  God is tegenwoordig, God is in ons midden,

  laat ons diep in 't stof aanbidden.

  God is in ons midden, laat nu alles zwijgen

  alles in ons voor Hem neigen.

  Wie de stem heft tot Hem

  sla de ogen neder,

  geve 't hart Hem weder.

2

  God is tegenwoordig, die in 't licht daarboven

  dag en nacht de engelen loven.

  Heilig, heilig, heilig, zingen Hem ter ere

  al de hoge hemelsferen.

  Laat o Heer, U ter eer,

  ons lied ook U prijzen,

  lof en dank bewijzen.

3

  Gaarne laat ik varen alle ijdelheden,

  alle aardse vreugd en vrede.

  Wil en wens begeeft mij,

  ziel en lijf en leven

  zij geheel aan U gegeven.

  Ja Gij zijt voor altijd

  onze God en Here.

  U zij lof en ere.

4

  Koning in de hemel, kon ik U maar prijzen,

  U volkomen eer bewijzen.

  Kon ik als een engel eeuwig opgetogen

  naar U zien met eigen ogen.

  Laat mij nu reeds aan U

  alles mogen geven,

  lieve God, mijn leven.

5

  Oorzaak aller dingen, houdt Gij ons omgeven,

  adem van ons aardse leven.

  Oeverloze diepte, wonderlijkste wonder,

  zee ik ga in U ten onder.

  Ik in U, laat mij nu

  vallen in den blinde,

  U slechts zien en vinden.

6

  Streel Gij met uw stralen, God van licht en leven,

  mijn gezicht tot U geheven.

  Evenals de bloemen voor het zonlicht buiten

  zo gewillig zich ontsluiten,

  zo laat Gij zon van mij,

  in uw licht mij groeien

  voor U openbloeien.

7

  Maak mij recht eenvoudig, stil in den gebede,

  afgezonderd in uw vrede.

  Maak mij rein van harte, dat ik uwe klaarheid

  schouwen mag in geest en waarheid.

  Heer laat mij even vrij

  als een adelaar stijgen,

  zo word ik U eigen.

8

  Heer kom in mij wonen, zij mijn hart en leven,

  U ten heiligdom gegeven.

  Gij die zo nabij zijt, wend mij toe uw wezen,

  dat Ge in mij uw beeld moogt lezen.

  Waar ik ga zit of sta,

  laat mij U aanschouwen,

  met een stil vertrouwen.

---

*324

#4

1

  Wij zoeken in uw huis uw aangezicht, o Here.

  Naar vrede smachten wij, naar stille innigheid.

  Laat ons van Jezus zelf, die op een berg klom, leren

  alleen te zijn met U die geest en waarheid zijt.

2

  Maar Jezus weende en bad, alleen, omdat de mensen

  als schapen dwalen waar geen herder 't oog op richt.

  Verlos ons in zijn naam van onze ijd'le wensen.

  Voor een gesloten hart blijft ook de hemel dicht.

3

  Heer, wij gedenken U; laat ons dan nooit vergeten

  de mensheid zonder God, de mensheid zonder brood.

  Het bloed van Abel roept nog steeds tot ons geweten.

  Wie 't zingend overstemt is Ka?ns deelgenoot.

4

  De Heiland op de berg, alleen met God zijn Vader,

  vernam de stem van 't leed die van de aarde schreit.

  Heer Jezus, maak uw kerk tot hoorder en tot dader,

  opdat de wereld weet van uw barmhartigheid.

---

*325

#7

1

  Niet als een storm, als een vloed,

  niet als een bijl aan de wortel

  komen de woorden van God,

  niet als een schot in het hart.

2

  Maar als een glimp van de zon

  een groene twijg in de winter,

  dorstig en hard deze grond

  zo is het koninkrijk Gods.

3

  Stem die de stilte niet breekt

  woord als een knecht in de wereld

  naam zonder klank zonder macht

  vreemdeling zonder geslacht.

4

  Kinderen armen van geest

  mensen gelouterd tot vrede

  horen de naam in hun hart

  dragen het woord in hun vlees.

5

  Blinden herkennen de hand

  dovemansoren verstaan hem

  zalig de man die gelooft

  zalig de boom aan de bron.

6

  Niet in het graf van voorbij

  niet in een tempel van dromen

  hier in ons midden is Hij

  hier in de schaduw der hoop.

7

  Hier in dit stervend bestaan

  wordt Hij voor ons geloofwaardig

  worden wij mensen van God,

  liefde op leven en dood.

---

*326

#5

1

  Een rijke schat van wijsheid

  schonk God ons in zijn woord.

  Hebt moed, gij die op reis zijt,

  want daarmee kunt gij voort.

  Gods woord is ons een licht,

  en elk die in vertrouwen

  daarnaar zijn leven richt,

  die zal erin aanschouwen

  des Heren aangezicht.

2

  God opent hart en oren,

  opdat wij in geloof

  zijn roepstem zouden horen,

  voor and're stemmen doof.

  Gods woord gordt mensen aan,

  om zonder te versagen

  het smalle pad te gaan

  en stil het kruis te dragen

  achter hun Heiland aan.

3

  De geesten onderscheiden,

  gaf God ons als gebod;

  wie 't woord der waarheid mijden,

  weerstaan het rijk van God.

  Hoe bouwen zij op zand!

  Straks zal hun huis bezwijken,

  't houdt in de storm geen stand.

  Dan zal aan ieder blijken

  der dwazen onverstand.

4

  Maar wie op 't woord vertrouwen

  dat uitging uit Gods mond,

  die kunnen veilig bouwen,

  hun huis heeft vaste grond.

  Des Heren woord maakt vrij

  van dienst aan vreemde machten;

  in 't woord herkennen wij

  zijn plannen en gedachten.

  Het rijk is ons nabij!

5

  O Gij die wilt ontmoeten

  wie vragen naar uw wil,

  zie hoe wij aan uw voeten

  zitten en luist'ren stil.

  Geef dat tot U, o Heer,

  't woord van uw welbehagen

  niet ledig wederkeer',

  maar dat het vrucht mag dragen,

  uw grote naam ter eer.

---

*327

#3

1

  Heer Jezus, o Gij dageraad,

  wend naar ons toe uw licht gelaat.

  Uw Geest die in de waarheid leidt

  zij onze gids in deze tijd.

2

  Geef dat ons hart mag zijn gericht

  op U die ons verstand verlicht,

  opdat uw naam ons steeds nabij,

  uw lof op onze lippen zij,

3

  totdat met alle eng'len saam

  wij zingen: heilig is Gods naam!,

  en zien U in het zalig licht

  van aangezicht tot aangezicht.

---

*328

#3

1

  Here Jezus, om uw woord

  zijn wij hier bijeengekomen.

  Laat in 't hart dat naar U hoort

  uw genade binnenstromen.

  Heilig ons, dat wij U geven

  hart en ziel en heel ons leven.

2

  Ons gevoel en ons verstand

  zijn, o Heer, zo zonder klaarheid,

  als uw Geest de nacht niet bant,

  ons niet stelt in 't licht der waarheid.

  't Goede denken, doen en dichten

  moet Gij zelf in ons verrichten.

3

  O Gij glans der heerlijkheid,

  licht uit licht, uit God geboren,

  maak ons voor uw heil bereid,

  open hart en mond en oren,

  dat ons bidden en ons zingen

  tot de hemel door mag dringen.

---

*329

#3

1

  Grote God, Gij hebt het zwijgen

  met uw eigen,

  met uw lieve stem verstoord.

  Maak de weg tot U begaanbaar,

  wees verstaanbaar;

  spreek Heer, uw gemeente hoort.

2

  Heer, uw boodschap staat geschreven,

  ons ten leven,

  maak uw schrift het levend woord.

  Zie het boek van uw behagen

  opgeslagen;

  spreek Heer, uw gemeente hoort.

3

  Roep ons uit de doodse dalen

  waar wij dwalen,

  door een vreemde stem bekoord.

  Breng ons naar de heil'ge stede

  van uw vrede.

  Spreek Heer, uw gemeente hoort.

---

*330

#3

1

  Heb dank, o God van alle leven,

  die zijt alleen Uzelf bekend,

  dat Gij uw woord ons hebt gegeven,

  uw licht en liefd' ons toegewend.

  Nu rijst uit elke nacht uw morgen,

  nu wijkt uw troost niet meer van de aard,

  en wat voor wijzen bleef verborgen

  werd kinderen geopenbaard.

2

  En of een mens al diep verloren

  en ver van U verzworven is,

  Gij noemt zijn naam, hij is herboren,

  vernieuwd door uw getuigenis.

  U woord, dat spreekt in alle talen,

  heeft uit het graf ons opgericht,

  doet ons in vrijheid ademhalen

  en leven voor uw aangezicht.

3

  Gemeente, aan wier aardse handen

  dit hemels woord is toevertrouwd,

  o draag het voort naar alle landen,

  vermenigvuldigd duizendvoud.

  Een stem zegt: roep! Wat zoudt gij roemen

  op mensengunst of heerlijkheid?

  't Verwaait als gras en weidebloemen.

  Gods woord bestaat in eeuwigheid!

---

*331

#3

1

  Wij geloven allen in een God,

  die de hemel en de aarde

  geschapen heeft en Vader is;

  ons als kinderen aanvaardde.

  Hij wil dagelijks ons voeden,

  't vege lijf ons wel bewaren,

  onze ziel voor onheil hoeden

  en geen leed mag ons wedervaren.

  Hij zorgt trouw voor ons, houdt de wacht;

  de Heer heeft alles in zijn macht.

2

  Wij geloven allen in zijn Zoon,

  Jezus Christus, onze Here,

  die eeuwig bij de Vader woont,

  God gelijk in macht en ere.

  Uit Maria, die geloofde,

  werd de ware mens geboren

  die de Heil'ge Geest beloofde.

  Is voor ons, schuldig en verloren,

  aan 't kruis gestorven. Uit de dood

  ten leven opgewekt door God.

3

  Wij geloven in de Heil'ge Geest

  God, zoals de Zoon, de Vader,

  vertroostend wie het oordeel vreest

  en verrijkend met zijn gaven,

  wie van Christus zijn op aarde,

  doet Hij als een lichaam leven,

  vrij van kwaad dat hen bezwaarde.

  Alle vlees zal dan ook herleven.

  na deez' ellende ons bereid

  een leven in de eeuwigheid!

  Amen.

---

*332

#6

1

  Heer Jezus, Gij die als een kind

  geboren werd en zijt bemind,

  opdat wij niet in eigenwaan

  voorgoed verloren zouden gaan,

2

  Gij hebt de kinderen niet veracht,

  die men gelovig tot U bracht,

  maar hun de handen opgelegd

  en hen omvangen en gezegd:

3

  'Mensen, laat overal vandaan

  de kinderen vrij tot mij gaan;

  weerhoudt ze niet, want arm of rijk.

  derzulken is het hemelrijk'.

4

  Wij bidden U, o trouwe Heer,

  zie in genade op hen neer;

  wees met hen in de aardse strijd,

  wees met uw hele christenheid.

5

  Stel toch uw sterke eng'len om

  hen heen, zij zijn uw eigendom,

  en houd uw hand nu en voortaan

  zegenend over hun bestaan.

6

  Zegen hen in hun groei, o Heer,

  en laat ze leven tot uw eer,

  godzalig hier in deze tijd

  en eenmaal in de eeuwigheid.

---

*333

#5

1

  O Here God, ons liefst verlangen,

  dit kind van ons, dit liefdepand,

  wij hebben het van U ontvangen,

  wij geven 't U uit uwe hand.

2

  Als Gij het zelf niet vast blijft houden,

  nu het in onze handen is,

  dit kind voor 't licht bestemd, hoe zouden

  wij 't hoeden voor de duisternis?

3

  Geef dat wij niets zozeer begeren,

  als dat ons kind U kennen zal,

  die U in Christus onze Here

  geopenbaard hebt eens voor al.

4

  Geef dat het van ons leert te kijken

  naar Hem die 't licht der wereld is

  en altijd meer op Hem gaat lijken:

  een lichtglans in de duisternis,

5

  opdat het eens met ons mag wonen,

  Heer, in uw hoge, heil'ge stad,

  als al wie Christus, stralend schone

  verschijning hebben liefgehad.

---

*334

#5

1

  Here Jezus, wij zijn nu

  in het heiligdom verschenen,

  met ons kind gaan wij tot U 

  wil uw zegen ons verlenen

  waar de roepstem wordt vernomen:

  laat de kindren tot Mij komen.

2

  Laat dit woord dan allermeest

  helder klinken in onz' oren:

  wie door water en door Geest

  niet als kind werd nieuwgeboren

  wordt door U niet aangenomen,

  kan in 't rijk van God niet komen.

3

  Niemand, die ons helpen kan,

  niemand kan ons kind beschermen.

  Wie zijn wij? Neem Gij het dan,

  draag het in uw groot erbarmen.

  Dat het vroeg U in dit leven

  ja voorgoed zijn hart mag geven.

4

  Herder, neem uw schaapje aan.

  Hoofd, maak het een van uw leden.

  Wees zijn weg, wijs het zijn baan.

  Vredevorst, wees Gij zijn vrede.

  Wijnstok, laat dit rankje bloeien,

  dat er eens veel vruchten groeien.

5

  Al het onz' is U gewijd,

  't liefste wat Ge ons toevertrouwde

  wordt als offer U bereid.

  Gij alleen kunt het behouden.

  Schrijf de naam door ons gegeven

  in het levensboek ten leven.

---

*335

#9

1

  Heer van uw kerk,

  Gij hebt het woord genomen

  en zegt ons: laat de kindren tot Mij komen,

  want hunner is het koninkrijk.

2

  Hier zijn wij dan:

  van U is 't jonge leven,

  het moet U dankend worden weergegeven

  want alles komt uit uwe hand.

3

  Reeds staat Gij klaar

  en komt ons vriendlijk tegen,

  uw liefde vindt ons langs verborgen wegen,

  eer wij U zoeken zijt Gij daar.

4

  Geef ons uw naam,

  de oude mens moet sterven,

  in U zal hij een nieuw bestaan verwerven

  als Gij maar voor hem in wilt staan.

5

  Het water wacht

  en 't kind ontvangt uw zegen,

  Gij spreekt het aan, het heeft een naam gekregen

  en niemand rukt het uit uw macht.

6

  Uw teken spreekt

  Gij wilt zijn Heiland wezen,

  het is gedoopt, begraven en herrezen

  in Vader, Zoon en Heilige Geest.

7

  Uw mild gelaat

  blijft over 't kind gebogen;

  het wordt voor U geboren en getogen,

  vervult zijn wegen naar uw raad.

8

  En laat de mond

  der kindren, die we U wijden,

  eens, zelf ontwaakt, met ons uw naam belijden:

  wij leven vast in uw verbond.

9

  Er is gedoopt!

  Wij allen zijn verbonden,

  het voorgeslacht, de ouders, die hier stonden,

  de ganse kerk in een geloof.

---

*336

#6

1

  Zie hier de kindren tot U komen,

  gij zelf hebt hen genodigd, Heer;

  uw roepstem werd door ons vernomen:

  wij leggen ze in uw armen neer.

2

  Wil Gij hun Heer en Herder wezen.

  Laat ons in deze heil'ge stond

  uw naam op ieders voorhoofd lezen,

  het merk, dat hen aan U verbond.

3

  Laat van wie hier als kindren kwamen

  uw Heil'ge Geest nooit zijn geweerd.

  Ze zijn van U; draag Gij hun namen

  in uw handpalmen gegraveerd.

4

  Zij leven onder uw geleide,

  Gij blijft als ieder hen verlaat,

  Gij roept hen op tot waken, strijden,

  U na te volgen waar Gij gaat.

5

  Ze ontvingen toch het heilig teken

  van wat Gij in 't verborgen doet.

  Niets kan het testament verbreken,

  dat is verzegeld in uw bloed.

6

  En als de loopbaan is gelopen,

  het doel bereikt met laatste kracht,

  dan gaat de hemel voor hen open:

  ze zijn voor eeuwig thuisgebracht.

---

*337

#7

1

  Het water van de grote vloed

  en van de zee zo rood als bloed,

  dat is de aardse moederschoot,

  dat is de diepte van de dood.

2

  Want al het water wast niet af,

  dat wij verzinken in dit graf,

  tenzij de duif die nederdaalt

  ons uit den hoge vrede haalt.

3

  Tot ondergang zijn wij gedoemd,

  als God ons niet bij name noemt,

  maar God zij dank, Hij doet ons gaan

  door 't water van de doodsjordaan.

4

  Wij staan geschreven in zijn hand,

  Hij voert ons naar 't Beloofde Land.

  Als kinderen gaan wij zingend voort.

  De Vader is het die ons hoort.

5

  Met Noach en zijn regenboog,

  Mozes die uit Egypte toog

  en Jona uit het hart der zee,

  bidt heel uw kerk aanbiddend mee.

6

  Na"man, nu niet meer onrein,

  mag onder uw beminden zijn.

  ja, alle volken zijn in tel

  bij U, o God van Isra?l!

7

  Gij heft de aarde aan het licht

  door diepte heen en door gericht,

  eens zal zij bloeien als een roos,

  een dal van rozen, zondeloos!

---

*338

#7

1

  O God, die naar uw strenge wet

  het onboetvaardige geslacht

  eens door de zondvloed hebt gestraft,

  maar Noach in de ark gered,

2

  die Farao verdrinken deed,

  toen hij verstokt was van gemoed,

  maar Isra?l met droge voet

  deed uitgaan door de Rode Zee,

3

  die in uw Zoon aan ons gelijk

  het water van de doodsjordaan

  over zijn hoofd hebt laten gaan,

  zalige zondvloed tot ons heil,

4

  laat in dit water van de doop

  de kinderen die Gij ons geeft,

  bij Jezus Christus ingelijfd

  begraven worden in zijn dood,

5

  dat zij, tot leven opgestaan

  met die hen voorging in de dood,

  kruisdragend in geloof en hoop

  en liefde, vrolijk verder gaan,

6

  en in hun laatste ogenblik,

  het oog alleen op U gericht,

  voor Jezus Christus in 't gericht

  getroost verschijnen zonder schrik,

7

  door Jezus Christus onze Heer,

  die, met de Vader en de Geest

  een enige God, voor eeuwig leeft

  en tot in eeuwigheid regeert.

---

*339

#4

1

  Wie ingaat tot de dit water,

  gaat in tot die het water schiep:

  de liefde van de Vader

  is als het water diep.

2

  Wie ingaat tot dit water,

  gaat met die inging in ons vlees,

  de Zoon van de genade

  die uit de dood herrees.

3

  Wie ingaat tot dit water,

  ontvangt die op het water zweeft,

  die is uit Zoon en Vader,

  de Geest die eeuwig leeft.

4

  En opstaand uit dit water

  vergeet hij 't land dat hij verliet, 

  omdat hij land en water    

  opnieuw geboren ziet.

---

*340

#3

1

  Heer, zie ons aarzelend staan

  om uw stem gehoor te geven:

  kom met Mij naar de Jordaan,

  daar ligt de weg naar het leven!

  Heer, zie ons aarzelend staan.

2

  Wij moeten kiezen voor U,

  want Gij hebt ons uitverkoren

  ons te verliezen aan U,

  uit water en geest herboren.

  Wij moeten kiezen voor U.

3

  Wij zien het beloofde land,

  het water gaat voor ons open.

  Nu mogen wij aan uw hand

  dwars door het water lopen.

  Wij zien het beloofde land.

---

*341

#3

1

  Gij hebt uw woord gegeven

  nog voor ik U iets vroeg,

  dat is voor heel mijn leven,

  ja voor de dood genoeg.

  Uw woord is daad, o Vader,

  werd brood in de woestijn,

  werd mens en is mij nader

  dan wie mijn naasten zijn.

2

  Nu ik U heb gegeven

  mijn woord op deze dag,

  geef dat met heel mijn leven

  ik daarvoor instaan mag,

  dat ik het in mijn daden

  waarmaak aan iedereen.

  Maak zichtbaar uw genade

  door mij en om mij heen.

3

  God, die uw woord gegeven,

  uw Zoon gezonden hebt

  en naar zijn beeld het leven

  van wie U kent herschept,

  wees door uw Geest met allen

  die hebben ja gezegd,

  dat zij die staan niet vallen.

  Maak Gij ons trouw en echt.

---

*342

#4

1

  Tot U o  Heer, tot U die liefde zijt,

  die uw volk geheel de weg trouw zijt geweest,

  tot U die zelf uw Zoon hebt gegeven,

  Heer tot U keren wij toe heel ons leven.

2

  Zij die U volgden in gehoorzaamheid

  vonden in hun pijnen de troost van uw Geest.

  Geen, wiens geloof een kruis krijgt te dragen,

  zal ooit vergeefs U de kracht hoeven vragen.

3

  Kent Gij ons Heer Gij ons toebereid,

  zijn ook wij genood tot uw bruiloft, uw feest?

  Help dan de laatste schroom overwinnen:

  laat uw gemeente vandaag nieuw beginnen.

4

  Maak onze doop ten teken dat de tijd

  van uw heil vervuld is, dat elk door uw Geest

  vruchten zal dragen, vruchten van vrede:

  zo zal op aarde uw naam zijn beleden!

---

*343

#4

1

  Nu heeft het oude leven afgedaan!

  Wij mogen aan de toekomst toebehoren,

  want grote dingen heeft de Heer gedaan:

  wij zijn als kinderen van God herboren.

2

  Geen macht op aarde houdt hem in zijn macht

  die werd begraven in de dood des Heren,

  die opstond tot het leven in zijn kracht

  om aan zijn hand een nieuwe weg te leren.

3

  Water en Geest verwekten door de doop

  een nieuwe mens, die voortaan vrij mag leven.

  Bevrijd van zonde en vervuld van hoop

  mag hij zijn krachten aan het Godsrijk geven.

4

  't Lied van de vreugde gaat van mond tot mond:

  Gods liefde heeft ons samen uitverkoren

  om overal, de hele wereld rond,

  de boodschap van zijn rijk te laten horen.

---

*344

#5

1

  Het heil des hemels werd ons deel

  alleen door Gods genade.

  Wij werkten en wij wonnen veel,

  maar alle winst bleek schade.

  't Geloof ziet Jezus Christus aan:

  wat Hij deed is genoeg gedaan

  voor al wie leeft op aarde.

2

  Geen mens kon ooit des Heren wet,

  der mensen maat vervullen;

  toen heeft de Zoon zich ingezet

  om God en onzentwille

  en kwam tot ons, een mens als wij,

  maar zonder zonde, waarlijk vrij,

  de mens van den beginne.

3

  Om Hem rechtvaardigt nu de Heer

  het leven van ons allen.

  God is op ons niet toornig meer,

  maar ziet met welgevallen

  een volk, gedoopt in Christus' doop,

  verenigd in geloof en hoop

  en liefde tot elkander.

4

  Want wie hier leeft op zijn gezag,

  die is voor God rechtvaardig,

  hij vindt zijn handen elke dag

  tot goede werken vaardig;

  als nieuw wordt rond hem het bestaan

  en in hem vangt het voorjaar aan

  van 's Heren nieuwe aarde.

5

  Lof Vader, Zoon en Heil'ge Geest,

  Hem die voor alle tijden

  ons heeft geroepen tot zijn feest,

  die zeer ons zal verblijden.

  Ja, ons verlangen wordt vervuld

  en onze mens'lijkheid onthuld,

  zij is in God voleindigd.

---

*345

#7

1

  Jezus, Meester aller dingen,

  Woord van God van den beginne,

  in het lot der stervelingen

  brengt Gij tekenen tot stand.

2

  Gij weerstaat de boze machten,

  storm en ontij, donk're nachten

  en 't gevaar dat wij niet achten:

  richt U op en strek uw hand!

3

  Mozes heeft behoud gevonden,

  Farao ging diep ten onder,

  Gij doet wonder boven wonder,

  draag ons naar de overkant.

4

  Als wij slapen zult Gij waken;

  die als Jona in het water

  uit de diepte en verlaten

  riep en niets dan onheil vond.

5

  Gij hebt, uit de dood verrezen,

  't boos getij terecht gewezen,

  en het water zal U vrezen,

  't water brengt ons weer aan land.

6

  Hoe hebt Gij ons lot gedragen

  om het oude te begraven,

  Jezus, goede hoop en haven,

  uitzicht van het nieuwe land.

7

  Zend uw adem, wend de steven,

  dat uw schepelingen leven

  door uw goede Geest gedreven

  met het loflied in de mond!

---

*346

#7

1

  Ter maaltijd van het lam gereed,

  in witte klederen gekleed,

  de Rode Zee reeds doorgegaan,

  roepen wij koning Christus aan,

2

  wiens lichaam is als offerspijs

  verzengd op 't altaar van het kruis,

  wiens rode bloed wij drinken tot

  ons eeuwig heil, tot vrede in God.

3

  De nacht van Pasen maakt ons vrij,

  de doodsengel gaat ons voorbij,

  de tyrannie heeft afgedaan

  waarmee ons Farao wou slaan.

4

  Christus is 't Pascha deze nacht,

  't lam dat ten offer werd gebracht.

  Hij is 't die ons zijn lichaam bood

  als rein en ongedesemd brood.

5

  O offerlam dat eeuwig leeft,

  de poort der hel verbroken heeft,

  gevangenen uit diepe nacht

  in 't eeuwig licht heeft thuisgebracht,

6

  Christus die stralend triomfeert,

  als overwinnaar wederkeert,

  en bindt de vijand hoe hij woedt,

  en 't paradijs weer opendoet,

7

  die voert alom uw heerschappij,

  op deze feestdag bidden wij:

  bescherm uw volk, stel het niet bloot

  aan al het woeden van de dood.

---

*347

#8

1

  Roept God een mens tot leven,

  wie weet waarom en hoe,

  hij moet zichzelf prijsgeven

  hij leeft ten dode toe.

2

  Gods woord roept door de tijden

  zijn volk en grijpt het aan.

  Hij doet het uitgeleide,

  het moet de zee ingaan.

3

  Geroepen en verzameld

  uit dood en slavernij,

  gedoopt in wolk en water,

  dat volk van God zijn wij.

4

  Wij werden nieuw geboren,

  toen de mens Jezus kwam,

  die als een slaaf de zonde

  der wereld op zich nam.

5

  Met Hem in geest en water

  tot zoon van God gewijd,

  zijn wij met Hem begraven,

  verrezen voor altijd.

6

  Gestorven voor de zonde,

  in Jezus' bloed vereend

  en met elkaar verbonden,

  levend voor God alleen.

7

  Wie Jezus' kelk wil drinken

  zijn doop wil ondergaan,

  zal in de dood verzinken

  en uit die dood opstaan.

8

  Hij zal zijn leven geven,

  Hij maakt zichzelf tot brood

  Hij sterft en anderen leven,

  Hij overleeft de dood.

---

*348

#7

1

  Wij dragen onze gaven,

  het werk van onze hand,

  het werk van onze dagen,

  de garven van het land,

  van wind en zon en regen

  tot eer van U, o God en Heer,

  halleluja!

2

  De dagen alle zeven

  die staan in Mozes' wet,

  maar een staat er geschreven,

  die wordt op zij gezet

  ter wille van uw liefde

  tot eer van U, o God en Heer,

  halleluja!

3

  De vogels en de dieven

  die leven van de wind,

  maar wie er niet kan vliegen

  en wie de schoven bindt

  moet werken en geloven

  tot eer van U, o God en Heer,

  halleluja!

4

  Wij wijden U de schoven,

  wij wijden U het brood,

  want brood komt uit den hoge

  van bij de Here God,

  voor wie de halmen buigen

  tot eer van U, o God en Heer,

  halleluja!

5

  Wij brengen U de druiven,

  wij plengen U de wijn,

  die zal van U getuigen,

  die zal U eigen zijn,

  geheel en al U eigen

  tot eer van U, o God en Heer,

  halleluja!

6

  Het is en moet zo blijven

  de gave van uw hand,

  al wat wij van U krijgen,

  de vruchten in de mand,

  de broden op de tafel

  tot eer van U, o God en Heer,

  halleluja!

7

  Gij hebt U zelf gegeven

  als zaad, voor ons ontkiemd,

  uw hart en ziel en zegen,

  Gij zijt het, die ons dient

  met vlees en bloed en leven

  o God en Heer, groot is uw eer,

  halleluja!

---

*349

#2

1

  O Vader, trek het lot U aan

  van allen die door U bestaan.

  Gij die geen stenen geeft voor brood,

  wees met uw kinderen in nood;

  en stil, God die rechtvaardig zijt,

  de honger naar gerechtigheid.

2

  O Vader, trek het leed U aan

  van allen die met ons bestaan.

  Gij hebt gezegd: geef gij hun brood,

  doe ons hun broeders zijn in nood,

  opdat zij weten, wie Gij zijt:

  de God van hun gerechtigheid.

---

*350

#4

1

  God, die leven

  hebt gegeven

  in der aarde schoot,

  alle vrucht der velden

  moeten we U vergelden,

  dank voor 't daag'lijks brood.

2

  Niet voor schuren,

  die niet duren,

  gaaft Gij vruchtbaarheid,

  maar opdat op aarde,

  in uw goede gaarde,

  niemand honger lijdt.

3

  Maar wij rijken,

  ach, wij blijken

  hard en onverstoord.

  Open onze oren,

  Heer, opdat wij horen

  't roepen aan de poort.

4

  Wil dan geven,

  dat ons leven

  zelf ook vruchtbaar zij.

  Laat in goede daden

  't woord van uw genade

  opgaan, sterk en vrij.

---

*351

#4

1

  Zie ons heden

  voor U treden,

  God die goedheid zijt,

  die ons hebt gegeven

  Christus, 't eeuwig leven,

  eens en voor altijd.

2

  God van zegen,

  onzentwege

  hebt Ge uw Zoon gezaaid;

  en het zaad werd wakker:

  op de wereldakker

  wordt met vreugd gemaaid.

3

  Ach, wij smeken:

  in dit teken,

  Heer, maak ons gewis,

  dat Gij ons zult schenken

  boven alle denken

  wat ons nodig is.

4

  Laat wie zaaien

  straks ook maaien

  naar uw goede wet.

  Zegen onze landen;

  't werk van onze handen,

  God, bevestig het!

---

*352

#6

1

  U, verborgen Christus, bid 'k eerbiedig aan:

  doe ons in deez' teek'nen 't heilgeheim verstaan!

  U geeft zich mijn harte over gans en al,

  schoon het uwe grootheid nimmer vatten zal.

2

  Ogen, mond en handen raken U niet aan,

  door 't gehoor slechts wordt Gij in 't geloof verstaan.

  Wat Gij, Heer, gezegd hebt, neem 'k als waarheid aan;

  nooit kan hoger waarheid naast dit woord bestaan.

3

  Aan het kruis verborg zich slechts uw god'lijkheid,

  hier verbergt zich tevens uwe mens'lijkheid.

  Maar nochtans geloof ik en belijd het klaar:

  schenk mij dan genade als de moordenaar!

4

  Niet als Thomas zie ik op uw wonden neer,

  maar met hem belijd ik U als God en Heer.

  Maak, dat ik steeds vaster U geloven mag,

  immer op U hopen en U minnen mag.

5

  Heilige gedacht'nis van des Heren dood!

  Leven schenkt Ge ons mensen, Heiland, levens Brood.

  Geef mijn geest te leven uit uw overvloed,

  schenk ons van uw rijkdom, kennis, klaar en zoet!

6

  Jezus, wiens gedacht'nis ik nu vieren mag,

  voer mij door de scheem'ring naar die volle dag,

  dat mijn oog uw aanzicht zonder iets dat scheidt

  ongesluierd schouwe in Gods heerlijkheid!

---

*353

#6

1

  Het hoogste woord daalt uit het licht

  en blijft toch voor Gods aangezicht.

  Het geeft zich over aan de nacht,

  zo wordt zijn grote werk volbracht. 

2

  Een van zijn jongeren verraadt

  Hem aan de vijand die Hem haat.

  Maar aan het maal des levens geeft

  Hij zich aan hen als brood dat leeft.

3

  In twee gedaanten, vlees en bloed,

  is Hij hun aller overvloed,

  brood wordt gebroken, wijn gestort,

  zodat de mens verzadigd wordt.

4

  Hij komt tot ons als lotgenoot,

  Hij deelt zich aan ons uit als brood,

  als losgeld geeft Hij zich aan 't kruis

  en als ons loon in 't vaderhuis.

5

  O zalig Lam dat voor ons boet,

  de deur des hemels opendoet,

  de vijand staat hier om ons heen,

  Gij kunt ons helpen, Gij alleen.

6

  De enige, drie-eenge Heer,

  zij eeuwig alle lof en eer,

  die in het vaderland ons geeft

  het leven dat geen einde heeft.

---

*354a

#3

1

  God zij gezegend! Laat ons dank bewijzen

  Hem die met zijn drank en spijze,

  ja, met zijn lichaam ons verkwikken wilde,

  onze dorst en honger stilde.

  Kyrieleison!

  Door uw heilig lichaam, Zoon van God,

  ons geboren uit Maria 's schoot,

  en uw heilige bloed

  helpt ons, Heer, en wees ons goed.

  Kyrieleison!

2

  Zijn heilig lichaam, in de dood gegeven,

  is het brood waardoor wij leven.

  Geen groter gave kon Hij aan ons schenken,

  laat ons daarom Hem gedenken!

  Kyrieleison!

  Heer, die ons zo grote wondren doet,

  niets dan liefde dwong U, dat Ge uw bloed

  in de dood voor ons gaf,

  zo lost Ge onze schulden af.

  Kyrieleison!

3

  God geve ons allen zijn genade en zegen,

  dat wij wand'len op zijn wegen,

  broederlijk een in liefde en in trouwe,

  dat de spijze ons niet berouwe.

  Kyrieleison!

  Heer, uw Geest zij met ons voor altijd;

  leer ons rechte mate en matigheid,

  dat uw volk eensgezind

  vrede zoekt en vrede vindt.

  Kyrieleison!

---

*354b

#3

1

  God zij gezegend! Laat ons dank bewijzen

  Hem die met zijn drank en spijze,

  ja, met zijn lichaam ons verkwikken wilde,

  onze dorst en honger stilde.

  Kyrieleison!

  Door uw heilig lichaam, Zoon van God,

  ons geboren uit Maria 's schoot,

  en uw heilige bloed

  helpt ons, Heer, en wees ons goed.

  Kyrieleison!

2

  Zijn heilig lichaam, in de dood gegeven,

  is het brood waardoor wij leven.

  Geen groter gave kon Hij aan ons schenken,

  laat ons daarom Hem gedenken!

  Kyrieleison!

  Heer, die ons zo grote wondren doet,

  niets dan liefde dwong U, dat Ge uw bloed

  in de dood voor ons gaf,

  zo lost Ge onze schulden af.

  Kyrieleison!

3

  God geve ons allen zijn genade en zegen,

  dat wij wand'len op zijn wegen,

  broederlijk een in liefde en in trouwe,

  dat de spijze ons niet berouwe.

  Kyrieleison!

  Heer, uw Geest zij met ons voor altijd;

  leer ons rechte mate en matigheid,

  dat uw volk eensgezind

  vrede zoekt en vrede vindt.

  Kyrieleison!

---

*355

#7

1

  Ziel, mijn ziel, aanvaard uw luister,

  treed te voorschijn uit het duister

  om u met het licht te sieren

  en uw zaligheid te vieren.

  God wil in zijn welbehagen

  u als gast aan tafel vragen,

  God, wien hemelen niet binden,

  in uw hart een herberg vinden.

2

  Ach ik honger naar uw goedheid,

  Zoon des mensen, naar uw zoetheid.

  Tranen schrei ik van verlangen

  om uw spijze te ontvangen,

  dorstende in al mijn denken

  naar de drank die Gij zult schenken,

  totdat brood en wijn mij geven

  deel, o Christus, aan uw leven.

3

  Diepe vrees en zoet verlangen

  houden nu mijn hart gevangen.

  Het geheim van deze spijze

  't wonder dat Gij wilt bewijzen

  aan uw kind, het doet mij beven.

  Gij zijt groot, Gij zijt verheven.

  Wordt er ooit een mens gevonden

  die uw almacht kan doorgronden?

4

  Geen verstand kan dit verklaren,

  niets dit wonder evenaren,

  dat in 't brood dat wij hier eten

  wij met God zijn aangezeten,

  in de wijn die wordt gedronken,

  Christus' bloed ons wordt geschonken.

  O geheim dat wij aanschouwen

  God, als wij uw Geest vertrouwen.

5

  Jezus, oorsprong van mijn leven,

  zon van vreugde, hoog verheven,

  Jezus, hart van mijn beminnen,

  levensbron en licht der zinnen,

  zie ik val hier voor uw voeten,

  laat mij waardig U ontmoeten,

  mij genieten van uw spijze,

  bij U zijn om U te prijzen.

6

  Heer, wien liefde heeft bewogen

  neer te dalen uit den hoge,

  die gewillig hebt uw leven

  in de dood voor ons gegeven,

  en uw kostbaar bloed doen vloeien,

  dat wij daaruit zouden bloeien,

  en uw lieflijke geschenken

  altijd liefelijk gedenken.

7

  Jezus, ware levensspijze,

  laat mij op de rechte wijze

  eten 't brood van uw genade

  tot genezing, niet tot schade,

  Laat mijn ziel uw liefde ervaren,

  die Gij eens zult openbaren,

  als ik zal zijn aangezeten

  en het brood met U zal eten.

---

*356

#3

1

  O leid mijn blindheid bij de hand,

  leid mij naar het vertrouwde feest.

  Ik ben een vreemde in dit land,

  Gij leidt mij door uw woord en Geest.

  Gij geeft aan mij, o liefde groot

  Uzelf in dit gebroken brood.

2

  Wij die hier zitten bij elkaar

  in een aanbidding, licht en stil,

  maak ons uw zoetheid openbaar,

  ons een van hart en een van wil,

  als ranken naar omhoog geleid,

  o wijnstok van de eeuwigheid.

3

  Verzadigd met een brood zijn wij,

  een lichaam en Gij zijt het hoofd.

  Een lied van lof en eer maakt Gij

  het leven dat in U gelooft.

  O liefde die ontbloeit uit pijn

  wij zijn van U in brood en wijn.

---

*357

#6

1

  Breek ons, Heer, het brood,

  als bij die getrouwen,

  die Gij na uw dood

  leven deedt aanschouwen

  dat we U kennen mogen.

  Open uit den hoge

  ons de ogen.

2

  Geen kan waardig zijn,

  hoe hij ook verlange,

  om in brood en wijn

  U, Heer te ontvangen.

  Ondoorgrond'lijk wonder:

  Gij hebt uit de zonden

  ons ontbonden.

3

  God en mens, die gaf

  aan het kruis uw leven,

  roep ons uit het graf,

  dat wij met U leven.

  Laat ter bruiloft komen,

  door U aangenomen,

  al uw vromen.

4

  Water werd tot wijn

  waar Gij hebt gesproken.

  Laat geschonken zijn,

  met het brood gebroken,

  meer dan wijn: uw wezen,

  brood dat ons van vrezen

  doet genezen.

5

  Eind en oerbegin,

  bron die ons wil drenken,

  wijnstok, plant ons in

  als uw groene ranken;

  Lam en Herder tevens,

  Waarheid, Weg en Leven,

  ons gegeven.

6

  Eerstgeboren stem,

  spreek de taal der dingen,

  leer ons het geheim

  van uw heil bezingen.

  Noem met nieuwe namen

  wie hier tot U kwamen.

  Eeuwig amen.

---

*358

#6

1

  Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet,

  wil mij vergeven wat ik U misdeed;

  verwerp mij niet, die op uw vrijspraak wacht,

  maar troost mij met uw woord: het is volbracht.

2

  Gij hebt mij, Heer, geroepen aan uw dis,

  het heilig feest van uw gedachtenis;

  schenk mij uw Geest, opdat ik U ontmoet

  in 't teken van uw lichaam en uw bloed.

3

  Gij, die voor armen rijkdom hebt bereid,

  voor onrechtvaardigen gerechtigheid,

  zie, hoe naar U zich mijn verlangen wendt

  en leid mij zelf, Heer, tot uw sacrament.

4

  Wie geeft het brood, dat hongerigen voedt,

  waar is de bron waaruit ik drinken moet?

  Gij, Heer, alleen kunt mijn genezing zijn;

  voed mij en drenk mij met uw brood en wijn.

5

  Nu ik mijn hand strek naar 't gebroken brood

  en neem de beker, die Gij zelf mij boodt,

  hoe komt Gij met uw goedheid mij nabij;

  berg me in uw liefde, Heer, en zegen mij.

6

  U wil ik danken, grote Levensvorst;

  Gij hebt gestild mijn honger en mijn dorst.

  Uw kracht, uw leven daalde in mij neer;

  in uw gemeenschap wil ik blijven, Heer.

---

*359

#6

1

  Midden in de dood

  zijn wij in het leven,

  want Een breekt het brood

  om met ons te leven

  midden in de dood.

2

  Dood is in ons bloed,

  dood voor onze ogen,

  maar Hij geeft ons moed,

  dat wij leven mogen

  met de dood in 't bloed.

3

  Dat wij uit de dood

  opstaan om te leven,

  etend van het brood

  dat Hij heeft gegeven

  midden in de dood.

4

  Lamp voor onze voet,

  licht voor onze ogen,

  geef ons levensmoed

  met de dood voor ogen,

  met de dood in 't bloed.

5

  Jezus, uit de dood

  opgestaan tot leven,

  wees voor ons het brood,

  dat wij in U leven

  midden in de dood.

6

  Wees voor ons de wijn,

  dat wij van U drinken.

  Wees voor ons de pijn,

  dat wij in U zinken,

  dat wij in U zijn.

---

*360

#3

1

  Heer, wij komen vol verlangen,

  op uw roepstem naar uw dis,

  want door schuld met schrik bevangen

  zoekt ons hart vergiffenis:

  slechts in U bestaat ons leven,

  die uw bloed voor ons woudt geven;

  laat ons dan in brood en wijn

  met Uzelf gespijzigd zijn.

2

  Sterk ons wankelend vertrouwen,

  geef ons zelf wat Gij geboodt:

  dat wij met oprecht berouwen

  enkel rusten in uw dood;

  ja, vervul ons met uw krachten,

  opdat wij uw wet betrachten,

  zegen zo uw sacrament,

  dat ons hart U steeds meer kent.

3

  Leer ons, Heer, vrijmoedig spreken

  over uw verlossend werk;

  geef dat niet die woorden breken

  op de daden van uw kerk,

  maar dat wij geheiligd leven

  op de plaats door U gegeven,

  en U volgen onder 't kruis

  op de smalle weg naar huis.

---

*361

#2

1

  De Heer zegt woorden van leven,

  het woord geeft Hij ons in de mond.

  Hij geeft het om verder te geven.

  Het woord gaat van mond tot mond.

2

  Wij brengen het brood naar de schare,

  de Heer geeft het ons in de hand.

  Het is er niet om te bewaren.

  Het brood gaat van hand tot hand.

---

*362

#2

1

  De eerste uit de doden

  die sterft en eeuwig leeft,

  die met een handvol broden

  zijn volk verzadigd heeft,

  die is het brood dat heden

  voor ons gebroken wordt,

  die is de vrucht vertreden,

  het kostbaar bloed gestort.

2

  De eerste uit de doden

  die water maakt tot wijn,

  is onder zijn genoden

  een levende fontein,

  zoals er staat geschreven:

  springende wijd en zijd

  tot in het eeuwig leven,

  een zee van zaligheid.

---

*363

#1

1

  O God die stierf onschuldig,

  geoogst als wijn en brood,

  Gij hebt vermenigvuldigd

  ons leven met uw dood.

  Op wonderbare wijze

  zegent Gij ons bestaan.

  Gij spijst, Gij zijt de spijze,

  wij zitten met U aan.

---

*364

#3

1

  Laat ons Jezus' jong'ren nooit vergeten:

  die drinken uit een kelk, van een brood eten,

  die zijn in Hem, gereinigd van hun zonden,

  tot een verbonden.

2

  Als wij als broeders met elkander leven,

  ons voor de armen en de zwakken geven,

  vervullen wij de laatste wil des Heren,

  zijn naam ter ere.

3

  Moge zijn liefde liefde in ons wekken,

  dat eensgezind wij door de wereld trekken.

  Leid als een kudde op uw weg ons verder,

  o goede Herder.

---

*365

#2

1

  De zonden zijn vergeven!

  Dit is een woord ten leven,

  bevrijdend van de schuld.

  Wat God ons ooit beloofde,

  wordt nu voor wie geloofde

  in Jezus' naam geheel vervuld.

2

  't Is ook voor mij geschreven:

  ook ik mag uit Hem leven

  die ons genezen heeft.

  Zijn liefde tot de zijnen

  brengt ons met Hem in 't reine,

  wij weten dat Hij ons vergeeft.

---

*366

#6

1

  Gij zijt mijn goed,

  mijn overvloed,

  Gij zijt mijn brood, mijn beker,

  door uw dorst en door uw dood:

  al mijn levensteken!

2

  Gij die het land

  van Kana?n

  doorkruist hebt allerwege:

  waarom wordt Gij niet verstaan

  als Gij spreekt van zegen?

3

  Gij zegt ons: ziet

  het woongebied

  dat gij met Mij zult erven!

  Maar mijn hart bewaart het niet,

  ik verzuim uw sterven.

4

  Gij zegt: wordt vrij

  en komt tot Mij,

  mijn juk is licht te dragen!

  Maar ik ga uw woord voorbij

  en ik pluk de dagen.

5

  Ik zwerf en dwaal

  totdat ik daal

  in 't graf van mijn begeren,

  zal ik ooit uw kruis zien staan

  en mijn leven leren?

6

  Keer mij tot U

  opdat ik zie

  uw land van melk en honing:

  waar uw Vaders wil geschiedt

  is mijn spijs, mijn woning!

---

*367

#2

1

  Wij bidden u Gods zegen toe.

  Neemt die eerbiedig aan

  hoe ook uw weg mag gaan.

  Nog kent geen mens het wat en hoe,

  gij moogt vertrouwend lopen:

  God doet de toekomst open.

2

  Gij hebt elkander trouw beloofd;

  een mens'lijk feilbaar woord

  werd hier door ons gehoord.

  Dit woord behoudt het in geloof.

  Meer hebt gij niet van node:

  God houdt uw ja omsloten.

---

*368

#4

1

  Als God ons huis zijn gunst onthoudt,

  dan is het tevergeefs gebouwd,

  laat daarom, Heer, ons niet alleen

  met ons bestek, met hout en steen.

2

  Ga niet voorbij aan ons domein,

  laat het uw huis, uw tempel zijn,

  waarvan Gij 't grondplan hebt bepaald,

  opdat uw Geest, Heer, daarin daalt.

3

  En reinig met uw vuur het vuur

  van onze haard en maak het puur:

  uw gloed, bij mensen ingekeerd,

  die onze brandstof niet verteert.

4

  Laat ons elkander, bij het licht

  dat Gij ontstak, van aangezicht

  tot aangezicht uw lieflijkheid

  spiegelen, God die liefde zijt.

---

*369

#3

1

  God die in het begin

  uit aarde, naar zijn beeld,

  de mensen voor elkaars

  geluk geschapen heeft,

  Hij doet u samen zijn,

  Hij maakt u man en vrouw,

  elkanders brood en wijn,

  elkanders woord van trouw.

2

  Zoals van meet af aan

  een mens geen antwoord vindt,

  als hij niet door een mens

  ten diepste wordt bemind,

  zo zult gij nu voortaan

  in liefde en in leed

  elkanders antwoord zijn,

  een lichaam en een geest.

3

  Zoals ten einde toe

  de mensen twee aan twee

  hun lange wegen gaan,

  en God gaat met hen mee,

  zo zal Hij met u zijn

  in leven en in dood,

  Hij wordt uw brood en wijn

  en dit geheim is groot.

---

*370

#6

1

  O eeuw'ge Schepper van het al

  die dag en nacht in hun getal,

  tijd en getijde in hun kring

  ons geeft in milde wisseling.

2

  Hoor de heraut der dageraad,

  die waakt terwijl de nacht vergaat,

  hen die op reis zijn begeleidt,

  en nacht van nacht met roepen scheidt.

3

  Hij roept, de drager van het licht

  verrijst en al het duister zwicht.

  Hij roept, de boze geestenschaar,

  die 's nachts ons kwelt, vlucht uit elkaar.

4

  Hij roept, de zeeman vat weer moed,

  stil wordt de wilde watervloed.

  Hij roept, de rots der kerk bevrijdt

  zich van zijn schuld doordat hij schreit.

5

  O Jezus, zie hoe zwak wij zijn,

  maak Gij ons door uw blik weer rein.

  Het kwaad dat ons verstikken wou

  breekt los in tranen van berouw.

6

  O licht, verlicht ons binnenin

  verdrijf de slaap uit ziel en zin,

  ons eerste lied zij U gewijd,

  en onze trouw en dankbaarheid.

---

*371

#13

1

  De haan kraait dat de dag begint,

  het licht het duister overwint.

  Christus spreekt in het hart ons aan

  om tot het leven op te staan.

2

  Sta op uit slaap en nacht, roept Hij,

  bedwelmend is hun heerschappij.

  Treed kruis en zuiver aan het licht,

  en waak: Ik nader ten gericht.

3

  De haan kraait en het vogelheer

  onder het dak gaat luid te keer

  vlak voor de dageraad aanbreekt;

  zo komt de stem die oordeel spreekt.

4

  Ons die het diepe duister dekt,

  een dek van traagheid neerwaarts trekt,

  ons wekt hij op om op te staan:

  ontwaak, ontwaak, de dag breekt aan.

5

  O dat de lichte stralengloed,

  die heel de hemel blinken doet,

  ook ons, gebukt in druk en pijn,

  weer uitzicht geeft op zonneschijn.

6

  Wel is het slapen in de tijd

  beeld van de slaap in eeuwigheid,

  waarin de zware zondenacht

  ons neerdwingt door zijn overmacht,

7

  maar van de hoge klinkt de stem,

  verkondigend de komst van Hem

  die opgaat als een dageraad,

  opdat geen duister meer bestaat.

8

  Als ons het kwaad gevangen houdt

  weerklinkt de stem van de heraut

  die met zijn licht ons hart vervult,

  een einde maakt aan zonde en schuld.

9

  De mens die God verloochend heeft

  krijgt diep berouw en weent en beeft.

  De haan die zijn geweten wekt,

  die heeft hem aan zichzelf ontdekt.

10

   Ja dit is onze zekerheid,

   dat Christus deze stille tijd

   bij 't luide kraaien van de haan

   uit 't rijk des doods is opgestaan.

11

   Zo is de macht des doods gestuit,

   de haan roept luid het leven uit,

   zo breekt de helse overmacht,

   de dag is sterker dan de nacht.

12

   Hoe ijdel is en vals en dwaas

   de wereld en haar trots geraas,

   niets dan een slaap, een droom, een waan.

   O waak en neem de waarheid aan.

13

   Goud en genot en voorspoed is

   en eer en macht slechts duisternis,

   die in het morgenlicht verdwijnt.

   O waak totdat de Heer verschijnt.

---

*372

#5

1

  O diepe nacht die ons omringt,

  de wereld in uw duister dwingt,

  het licht van Christus kleurt de lucht,

  Hij komt, Hij jaagt u op de vlucht.

2

  De aarde die in 't donker lag,

  komt in zijn zonlicht aan de dag.

  Alles krijgt kleur en glans en licht

  in 't stralen van zijn aangezicht.

3

  U Christus kennen wij alleen,

  U zoekt ons zingen, ons geween.

  Zie ons in eenvoud voor U staan,

  o Heer, neem onze harten aan.

4

  Zoveel is zwart van kwaad en pijn.

  Maak door uw licht de wereld rein.

  O ster die in de hemel staat,

  verlicht ons met uw licht gelaat.

5

  Aan God de Vader in zijn troon,

  en aan zijn eengeboren Zoon,

  zij met de Geest wiens troost ons leidt,

  de lof en eer in eeuwigheid.

---

*373

#4

1

  Nu wordt het licht, de dag breekt aan,

  de Heer wekt ons om op te staan.

  God zij geloofd, dat Hij vannacht

  ons heeft bewaard voor satans macht.

2

  Oefen, Heer Christus, deze dag

  over ons leven uw gezag.

  Laten uw eng'len sterk en rein

  met al uw goedheid om ons zijn,

3

  opdat ons hart gehoorzaam zij

  aan uw geprezen heerschappij

  en al wat onze hand verricht

  een spiegelglans zij van uw licht.

4

  Doe Gij ons werk gelukken, Heer,

  en laat het strekken tot uw eer.

  Gij licht der wereld, ja doorschijn

  geheel ons doen, geheel ons zijn.

---

*374

#7

1

  De zon gaat op in gouden schijn,

  laat ons de hemel dankbaar zijn

  want God is met ons, God is goed.

  Hij heeft ons deze nacht behoed.

2

  De dag staat weer aan het begin,

  laat ons God zingen een van zin

  en bidden dat Hij met ons gaat,

  en ons bewaart voor alle kwaad.

3

  Wij danken U die eeuwig zijt,

  Gij hield door uw barmhartigheid

  met al uw engelen de wacht

  rondom ons heen in deze nacht.

4

  Gij staat ons in uw Zoon terzij,

  wees ook vandaag ons weer nabij,

  weer van ons, trouwe toeverlaat,

  al wat ons naar het leven staat.

5

  O Here God, sla op ons acht,

  houd Gij op onze weg de wacht,

  wees onze koning, onze held

  die voor ons uit gaat op het veld.

6

  Neem Gij het hart dat voor U slaat,

  verlicht ons woord en onze daad,

  dan gaan wij voort vol goede moed

  en doen ons werk getrouw en goed.

7

  Al wat wij doen zij U gewijd,

  Gij die in Christus met ons zijt,

  en wij ontvangen U ter eer

  de gaven van uw hand, o Heer.

---

*375

#7

1

  De trouw en goedheid van de Heer

  verschijnt ons elke morgen weer

  en blinkt en blijft als dauw zo fris,

  zolang het dag op aarde is.

2

  Maar gij die zegt in overmoed:

  Als God zo trouw is en zo goed,

  dan doe ik wat mijn hart behaagt,

  weet, dat Hij rekenschap u vraagt.

3

  Hij siert zijn hemel niet om niet

  met sterren, maar opdat gij ziet,

  hoe vol van orde, schoon en stil

  Hij heel zijn schepping hebben wil.

4

  Daartoe gaf God uw ogen 't licht,

  opdat ge u naar die orde richt

  en blij in al zijn werk herkent,

  dat u zijn liefde is toegewend.

5

  O Christus, schone morgenster,

  wees met uw gunst ons hart niet ver;

  steek al uw lichten in ons aan,    

  dan kan uw heil ons niet ontgaan.

6

  Drijf uit, o licht, wat duister is,

  behoed ons hart voor ergernis,

  voor blindheid en voor schande en schuld;

  houd niet uw glans voor ons verhuld,

7

  opdat wij wand'len als bij dag

  en, kome wat er komen mag,

  staan vast in het geloof, o Heer,

  van U verlaten nimmermeer.

---

*376

#5

1

  In 't oosten klaar laat blozen

  de dageraad

  de liefelijke rozen

  van haar gelaat.

2

  O helle morgensterre,

  Gods eeuwig Zoon,

  schiet op ons hart van verre

  uw stralen schoon!

3

  Vermeer tot uwen love

  het kranke licht

  van onze klein gelove

  en toeverzicht.

4

  Maak wakker onze leden

  en traag gemoed 

  om vlijtig te betreden

  uw paden goed.

5

  Totdat wij eens in waarheid

  verheven hoog.

  aanschouwen uwe klaarheid

  van oog tot oog!

---

*377

#7

1

  De gouden zonne / heeft overwonnen

  en toont haar zege / nu allerwege,

  zendt haar verkwikkend en liefelijk licht.

  Met moede leden / zo lag ik terneder,

  maar nu herrijs ik, / nu zegen en prijs ik,

  hemel, uw schoonheid met stralend gezicht.

2

  Hoog in den hoge / schouwen mijn ogen

  wat God de Here / te zijner ere

  heerlijk gebouwd heeft, een kunstwerk zeer groot:

  't huis waar zijn vromen / eenmaal zullen komen,

  als in Gods vrede / zij opstaan beneden,

  uit dezer aarde vergank'lijke schoot.

3

  Laat ons de Here / danken en eren;

  wat wij ontvingen / aan zegeningen,

  't worde Hem alles ten offer gewijd.

  Maar beter gave / dan huis en dan have

  is Hem te minnen / met harten en zinnen,

  daar is geen offer, dat meer Hem verblijdt.

4

  Geef Gij ons heden / voorspoed en vrede;

  al onze zorgen, / avond of morgen,

  zijn in uw vaderlijk veilige hand.

  Wat er ook woede / des nachts, in uw hoede

  kan 't ons niet raken, / en als wij ontwaken,

  dan is uw zonlicht daar weer, triumfant.

5

  Heel mijn begeren / heb ik, o Here,

  tot U verheven: / hier is mijn leven,

  zegen dan wat ik begin, o mijn God.

  Ben ik in zonde / door satan gebonden,

  slaak Gij die banden; / ik stel me in uw handen,

  sterk mij, bevestig mij in uw gebod.

6

  Staan mij te wachten / tranen en klachten,

  wilt Gij mij wijzen / bittere spijzen,

  Vader, Gij weet wat uw schepsel behoeft.

  Neem in genade / weg wat mij zou schaden,

  neem het en zend mij / wat Gij wilt, Gij kent mij;

  nooit hebt te zeer Gij uw kindren beproefd.

7

  Nacht mag het wezen, / ik zal niet vrezen:

  na storm en duister / in al haar luister

  toont, Heer, uw zon weer haar stralend gelaat.

  Zalige vreugden / en stille geneugten

  heb ik te wachten; / ik richt mijn gedachten

  slechts op die morgen, op uw dageraad.

---

*378

#8

1

  Het licht dat weer opnieuw begon,

  de dag, de pas ontwaakte zon,

  verhogen Hem die boven is 

  en die alleen te loven is.

2

  Heft op uw hart en uw gelaat

  gelijk het licht dat opengaat,

  weest als de engelen bereid,

  wijdt God uw ganse levenstijd!

3

  Laat uw geweten zuiver zijn,

  helder als dag en zonneschijn,

  want God ziet alles van omhoog

  klaar als de dag met helder oog.

4

  En laat uw licht als hemellicht

  schijnen voor ieders aangezicht,

  zodat het ieder helder is

  dat God uw licht, uw helper is.

5

  De hemel immers is nabij!

  Mijn licht, mijn dag, mijn zon zijt Gij

  en door de stralen van uw gloed

  wordt alles wat er leeft gevoed.

6

  Dit is uw dag want Gij zijt daar,

  dit is een dag als duizend jaar.

  Verdrijf mijn zonde als de dauw,

  o God wien ik mij  toevertrouw!

7

  Nu dan het licht verrezen is,

  looft Hem die 't eeuwig wezen is

  en houdt u voor de dag bereid

  dat Hij verschijnt in heerlijkheid.

8

  Lof zij de Vader, eeuwig licht,

  de Zoon, zijn enig aangezicht,

  lof zij de Geest, der liefde vuur,

  looft God vandaag van uur tot uur!

---

*379

#5

1

  O mijn ziele, looft den Here,

  die het aangename licht

  over ons doet wederkeren

  en zijn wondren voor 't gezicht.

  Wondren die met een accoord

  van hun oorsprong ons doen horen,

  zijnde 't albevattend woord,

  Jezus, 's hemels eerstgeboren.

2

  Jezus, morgenster in 't dagen,

  zon des levens, eeuwig licht,

  glans van 's Vaders welbehagen,

  zaligmakend aangezicht,

  weest Gij onzer zielen dag

  in het oog der vaste hope,

  dat zij in 't gelove mag

  dezen levensdag doorlopen.

3

  Hoop op 't wezen aller goeden,

  hoe verheldert gij den dag

  tot een lafenis en voeden,

  waar de mens van leven mag.

  Want gelijk men steeds bevond,

  hoe het duister werd verdreven

  door de lichte morgenstond,

  zo verwacht men 't eeuwig leven.

4

  't Eeuwig leven, zonder ende,

  daar men nacht noch schemering,

  wolk noch schaduw ooit en kende,

  daar de zon nooit onderging.

  Alleraangenaamste hoop

  op dien oorsprong aller dagen,

  hoe versterkt gij onzen loop,

  wijl wij zulk een kroon bejagen.

5

  Gij dan, Vader aller lichten,

  die ons weder 't licht vergunt,

  trek ons innerlijk gezichte,

  tot der lichten middelpunt.

  Dit is Jezus, 't harte Gods,

  steeds van eeuwigheid geboren.

  Dit zij ook het deel mijns lots

  als des Vaders uitverkoren.

6

  Weest Gij daag'lijks onze spijze,

  God in Jezus eeuwig goed,

  dat wij toch met alle wijze

  eten van uw vlees en bloed,

  en ons harte zo gelooft,

  dat wij eeuwig niet en sterven,

  schoon de dood dit leven rooft,

  maar een beter leven erven.

---

*380

#7

1

  Ontwaak, o mens, de dag breekt aan,

  die u Gods liefde doet verstaan

  als nieuw, nu gij door slaap en nacht

  weer 't leven vindt, verstand en kracht.

2

  Rondom wie bidden dag aan dag

  zijn wondren, die geen oog ooit zag,

  een nieuw geloof, een nieuwe hoop,

  een nieuwe kracht door 's Geestes doop.

3

  Al wat geliefd is en vertrouwd,

  het wordt voor wie Gods licht aanschouwt

  met glans en heerlijkheid verguld,

  want het bestaat in Gods geduld.

4

  Wie van zich afziet naar God toe,

  loopt in het licht en wordt niet moe.

  Het schijnsel van de hemel gaat

  over de dag van vroeg tot laat.

5

  Houd dan de hemel in het oog,

  maar hef uw hart niet al te hoog;

  op aarde hier, op aarde thans

  ziet gij een bovenaardse glans.

6

  De kalme gang, de kleine taak,

  zijn ruim genoeg voor Godes zaak.

  Onszelf verliezen in 't gebod

  brengt daag'lijks nader ons tot God.

7

  Maak in uw liefd' ons, Heer, bereid

  voor licht en vreed' in eeuwigheid!

  En dat ons leven ied're dag

  als ons gebed U loven mag.

---

*381

#5

1

  Het nieuwe daglicht staat ons borg

  voor Gods genade en Vaderzorg,

  die ook in nacht en duisternis

  ons zonneklaar gebleken is.

2

  Zodra ons oog het licht ontmoet

  en ons gebed de Heer begroet,

  weten wij zijn barmhartigheid

  over ons leven nieuw gespreid.

3

  Hij die in ied're levenskring

  zijn volk oproept tot heiliging,

  zal tot het offer dat Hij vraagt

  ons schenken al wat Hem behaagt.

4

  Wij mogen leven door zijn kracht,

  de taak door Hem ons toegedacht

  volbrengend als een heerlijk blijk

  van Christus' komend koninkrijk.

5

  O Heer, die ons uw liefde geeft

  waardoor 't geloof dit uitzicht heeft,

  sta Gij ons bij en help ons dan

  meer dan ons lied U vragen kan.

---

*382

#8

1

  God die het al geschapen heeft,

  het al regeert, met licht omgeeft

  als met een kleed de dageraad,

  die 's nachts ons vredig slapen laat,

2

  de leden languit uitgestrekt

  tot hen gesterkt het daglicht wekt,

  de geest in vrede en bevrijd

  van alle angst en bitterheid,

3

  U zij voor deze dag gebracht

  de dank en eer, weer valt de nacht;

  U lof verschuldigd zingen wij

  de avondhymne, sta ons bij.

4

  U prijz' des harten diepste grond,

  U loov' het loflied van de mond,

  een zuiv're liefde min' U zeer,

  een nucht're geest geev' U de eer,

5

  opdat wanneer het daglicht is

  omsluierd door de duisternis,

  't geloof niet in het duister zwicht

  maar door zijn glans de nacht verlicht.

6

  Geef dat geen slaap de geest omhult,

  dat enkel slape vrees en schuld,

  dat ons een rein geloof behoudt

  voor wat des nachts de ziel benauwt.

7

  Los van het kwade groeie nu

  diep in ons hart de droom van U.

  Vrees voor des vijands haat en list

  verstore niet meer onze rust.

8

  Tot Christus en de Vader gaat,

  tot beider Geest des avonds laat

  ons bidden dat in almacht Hij,

  drievoudig een, ons sta ter zij.

---

*383

#7

1

  O Christus die de zonne zijt

  der hemelse gerechtigheid,

  begroet ons met uw dageraad,

  nu hier het daglicht ondergaat.

2

  Behoed ons Heer in deze nacht,

  houd over ons getrouw de wacht,

  bewaar ons voor verdriet en pijn,

  wil altijd onze Vader zijn.

3

  Wanneer de slaap ons weerloos maakt,

  houd Gij ons lichaam wel bewaakt,

  dek met uw vleug'len al wat leeft,

  o Geest, die boven de afgrond zweeft.

4

  Wij liggen met de ogen dicht,

  maar in de harten blijft het licht.

  God houdt ons vast, zijn hand behoedt

  het stil geheim van ziel en bloed.

5

  Beschermer van de christenheid,

  Gij weet wie om uws naams wil lijdt,

  maak hen die ons vervolgen stil

  dat ieder rust vindt in uw wil.

6

  Zie Heer hoe wij gevangen zijn,

  in onze moeiten, onze pijn,

  sta in het duister ons terzij,

  troost onze ziel en maak ons vrij.

7

  O Vader, dat uw liefd' ons blijk',

  o Zoon, maak ons uw beeld gelijk,

  o Geest, zend uwe troost ons neer,

  Drie?nig God, U zij al de eer!

---

*384

#4

1

  Verzonken is het licht der zon,

  het duister breekt zich baan alom.

  Heer, wees ons licht waar wij ook gaan,

  laat in het duister ons niet staan.

2

  Heb dank, Heer, dat Gij onze voet

  vandaag voor letsel hebt behoed;

  steeds stond uw engel ons terzij,

  door uw genade leven wij.

3

  Vergeet het kwaad dat in ons is,

  schenk onze ziel vergiffenis,

  reken ons onze schuld niet aan,

  zodat wij vredig slapen gaan.

4

  Bescherm ons met uw eng'lenschaar,

  behoed ons leven voor gevaar,

  voor angst en schrik en overmacht,

  wees ons nabij ook deze nacht.

---

*385

#4

1

  Gij die mijn liefste kleinood zijt,

  Gij allerschoonste kostbaarheid

  die voor mijn hart ooit telde,

  o dat Gij mijn

  geluk wilt zijn,

  hoe zal ik 't U vergelden?

2

  Rijk ben ik in uw liefde en trouw;

  o Here Jezus, zie ik bouw

  op niets dan uw genade, 

  en nooit in tijd

  of eeuwigheid

  wordt mij die schat tot schade.

3

  Uw woord is waarheid, Gij berooft

  mij nooit van wat het heeft beloofd:

  uw trouw in dood en leven.

  O Heer, omdat

  Gij zijt mijn schat,

  moet ik mijn hart U geven.

4

  Nu valt de nacht. O mijn kleinood,

  verspreid uw glans nog in de dood,

  parel van grote waarde.

  Blijf, Jezus, Gij,

  het licht voor mij,

  nu 't donker wordt op aarde.

---

*386

#5

1

  De nacht, de moeder van de rust,

  des hemels grote fakkel blust.

  Van arbeid zijn de leden moe,

  de sluimer drukt de ogen toe.

2

  O Hoeder groot van Isra?l,

  wees ons een trouwe nachtgezel,

  en wakker om ons henen ziet,

  zo vrezen wij de vijand niet.

3

  Gij hebt al wat op aarden is

  begraven in de duisternis,

  begraaf ook onze zonde boos

  in uw genade grondeloos.

4

  Wanneer het lichaam slapen gaat,

  de ziele toch niet slapen laat,

  maar waken tot U alletijd,

  die aller zielen Vader zijt.

5

  Totdat het aardse wederom

  in zoete slaap ter aarden kom,

  de geest in volle zaligheid

  daar hem de rust is toegezeid.

---

*387

#7

1

  O Heer mijn God, ook deze nacht

  zij lof en eer U toegebracht

  omdat Gij dag en duister schept

  en ons het licht gegeven hebt.

2

  Om Christus' wil doe mij niet aan

  het kwaad dat ik U heb gedaan,

  veeleer vergeef mij, Heer, en geef

  dat ik voortaan in vrede leef.

3

  Neem mij de last van doodsangst af,

  dat ik te ruste ga in 't graf.

  Leer mij te sterven dat ik mag

  vrolijk verrijzen op uw dag.

4

  Is deze arbeidsdag voorbij,

  dat mij de slaap een balsem zij.

  Dan zal ik zijn in 't nieuwe licht

  als een die graag zijn dienst verricht.

5

  Wanneer mij slapeloosheid kwelt,

  geef dat uw Geest mij vergezelt.

  Laat mij niet raken in de macht

  der boze geesten van de nacht.

6

  De dromen gaan hun eigen weg,

  neem Gij hun duister dreigen weg.

  Verjaag de wolven van uw schaap,

  want ik ben weerloos als ik slaap.

7

  Looft God de Heer die eeuwig leeft,

  alles uit niets geschapen heeft,

  die ons tot aan zijn dag behoedt

  en onze ogen opendoet!

---

*388

#10

1

  De avond komt, de zon daalt in het westen

  en alles legt zich neer om uit te rusten.

  Mijn ziel, waar zult gij om te rusten heen?

  In God. Hij is de rust en anders geen.

2

  De zwerver heeft zijn weg ten eind gelopen.

  De vogel is al naar zijn nest gevlogen.

  De schapen zijn al naar hun kooi gekeerd.

  Laat mij nu thuiskomen bij U, o Heer.

3

  Ach, richt toch zelf mijn weifelende krachten,

  mijn wank'le geest, mijn zwervende gedachten.

  Open uw deur, o woning van mijn heil,

  dat ik al 't and're laat en tot U ijl.

4

  Door heel de dag bleef mij uw hand geleiden.

  Ik was een kind dat liep aan Vaders zijde.

  Gij zijt zo goed voor mij, ik ben 't niet waard.

  Laat mij U dankbaar zijn met heel mijn hart.

5

  Vergeef het mij dat ik toch weer gedwaald heb,

  van alles mij weer op de hals gehaald heb.

  Het spijt mij, Heer, ik heb verkeerd gedaan.

  Neem mij bij U, dan zal het beter gaan.

6

  Nu 't lichaam klaar is met zijn werk te maken,

  verlangt de geest ook aan het werk te raken:

  U te aanbidden, God, met innigheid,

  U te aanschouwen in de stilligheid.

7

  De duisternis doet alle dingen zwijgen.

  O Majesteit, ik moet mij voor U buigen.

  In 't donker keer ik tot uw heiligdom

  en zeg: spreek, Heer, en maak mijn lippen stom.

8

  Ik geef mijn hart U tot een avondoffer.

  Ik geef mijn wil volkomen aan U over.

  Verlangen, lust, wees stil. Wat lust mij meer

  dan moe van drift te rusten in de Heer?

9

  O laat toch niet het lichaam rust verwerven,

  terwijl de geest onrustig om moet zwerven.

  Voer mij in U, Getrouwe die mij leidt,

  want in U, met U is de zaligheid.

10

   Als 't donker wordt, doe mij uw zonlicht schijnen,

   mijn zaligheid, mijn kracht bij kruis en pijnen,

   verberg mij in uw hut voor ongeval,

   tot ik uw rust voor eeuwig smaken zal.

---

*389

#4

1

  Nu is de dag ten einde,

  nu wil mijn hart zich wenden

  tot U, zo groot en goed.

  Wil naar uw kind, o Here,

  uw licht gelaat toekeren,

  verlicht mij, zet mijn ziel in gloed.

2

  Ik bid U, o Algoede,

  vannacht mij te behoeden,

  ik schuil weer aan uw hart.

  Bezweer de boze machten

  en alle duist're krachten;

  weer van mij wat mijn ziel verwart.

3

  O dat Gij heel mijn leven

  met liefde blijft omgeven,

  dat Gij mij binnennoodt,

  dat het U nooit te vroeg is,

  geef dat het mij genoeg is;

  Heer, uw nabijheid is mijn brood.

4

  Aan 't eind der pelgrimsreize

  zal voor mijn oog verrijzen

  uw grote eeuwigheid.

  O eeuwigheid, gij schone,

  mijn hart wil in u wonen,

  het vindt geen thuis in deze tijd.

---

*390

#3

1

  'k Wil U, o God, mijn dank betalen,

  U prijzen in mijn avond lied.

  Het zonlicht moge nederdalen,

  maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet.

  Gij woudt mij met uw gunst omringen,

  meer dan een vader zorgdet Gij,

  Gij, milde bron van zegeningen:

  zulk een ontfermer waart Gij mij.

2

  U trouwe zorg wou mij bewaren,

  uw hand heeft mij gevoed, geleid;

  Gij waart nabij in mijn bezwaren,

  nabij in elke moeilijkheid.

  Deez' avond roept mij na mijn zorgen

  tot rust voor lichaam en voor geest.

  Heb dank, reeds van de vroege morgen

  zijt Gij mijn heil en hulp geweest.

3

  Ik weet, aan wie ik mij vertrouwe,

  al wisselen ook dag en nacht.

  Ik ken de rots waarop ik bouwe:

  hij feilt niet, die uw heil verwacht.

  Eens aan de avond van mijn leven

  breng ik, van zorg en strijden moe,

  voor elke dag, mij hier gegeven,

  U hoger, reiner loflied toe.

---

*391

#7

1

  De maan is opgekomen.

  De aarde ligt in dromen.

  De nacht is stil en klaar.

  De donk're bossen zwijgen

  en van de beemden stijgen

  de nevels wit en wonderbaar.

2

  De wereld die verstilde

  en zich in schemer hulde,

  wordt inniger vertrouwd

  en houdt u zo geborgen,

  dat gij verdriet en zorgen

  van heel de dag vergeten zoudt.

3

  Ziet gij de maan? De schone

  wilt zich maar half vertonen,

  toch is hij er geheel.

  Zo zijn er grote zaken

  waar wij geen ernst mee maken:

  ons oog ziet enkel maar een deel.

4

  Wij mensen, arm en zondig,

  onmachtig en onmondig,

  wat denken wij dan wel?

  Of wij ons al vermeten

  te menen iets te weten,

  't is maar een droom, een schaduwspel.

5

  Doe ons uw heil aanschouwen,

  niet op ons oog vertrouwen,

  niet blij zijn met de schijn.

  Doe ons de eenvoud vinden,

  en, God, voor U als kindren

  op aarde vroom en vrolijk zijn.

6

  Geef dat wij zonder lijden

  uit deze wereld scheiden,

  geef ons een zachte dood.

  Hebt Gij ons weggenomen,

  doe ons dan tot U komen,

  o onze Heer en onze God!

7

  Laten wij amen zeggen

  en ons te slapen leggen.

  Kil wordt de avondwind.

  God, weer van ons het kwade

  en wees in uw genade

  met ieder eenzaam mensenkind.

---

*392

#5

1

  Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt.

  De nacht valt in, waarin geen licht meer straalt.

  Andere helpers, Heer, ontvallen mij.

  Der hulpelozen hulp, wees mij nabij.

2

  Wees bij mij, nu de dag ten einde spoedt.

  Alles verdoft wat glans bezat en gloed.

  Alles vervalt in 't wisselend getij,

  maar Gij die eeuwig zijt, blijf mij nabij.

3

  U heb ik nodig, uw genade is

  mijn enig licht in nacht en duisternis.

  Wie anders zal mijn leidsman zijn dan Gij?

  In nacht en ontij, Heer, blijf mij nabij.

4

  Ik vrees geen kwaad, want bij mij is de Heer.

  Tranen en leed zijn nu niet bitter meer.

  Waar is uw prikkel, dood, wat dreigt ge mij?

  Ik triomfeer, mij is de Heer nabij.

5

  Houd, Heer, uw kruis hoog voor mijn brekend oog,

  licht in het duister, wijs de weg omhoog.

  Uw dag breekt aan, de schaduw gaat voorbij.

  In dood en leven, Heer, wees Gij nabij.

---

*393

#4

1

  De dag, door uwe gunst ontvangen,

  is weer voorbij, de nacht genaakt;

  en dankbaar klinken onze zangen

  tot U, die 't licht en 't duister maakt.

2

  Die dan, als onze beden zwijgen,

  als hier het daglicht onderduikt,

  weer nieuwe zangen op doet stijgen,

  ginds waar de nieuwe dag ontluikt.

3

  Zodat de dank, U toegezonden,

  op aard nooit onderbroken wordt,

  maar steeds opnieuw door mensenmonden

  gezongen en gesproken wordt.

4

  Voorwaar, de aarde zal getuigen

  van U, die thans en eeuwig zijt,

  tot al uw schepselen zich buigen

  voor uwe liefd' en majesteit.

---

*394

#7

1

  Gij hebt het daglicht weggenomen,

  en over onze levenstijd

  begint erbarmend uit te stromen

  de rust die Gij uw volk bereidt.

2

  Er is gearbeid en gezondigd

  met recht verstand en dwaas beleid.

  God, die aan allen vre? verkondigt,

  wij hopen op barmhartigheid.

3

  Uw Zoon, die voor ons lange nachten

  bij U gepleit heeft in gebed,

  heeft onze daden en gedachten

  gereinigd en de rust gered.

4

  Hij wil, dat ons de slaap zal sterken

  tot louter leven, stervensmoed,

  en rekent al zijn zuiv're werken

  ons toe in 't stromen van zijn bloed.

5

  Dies kunnen wij een ruste vinden

  als aan het vaderhart een kind.

  God geeft de slaap aan zijn beminden,

  en Christus broed'ren zijn bemind.

6

  Heer, schik Gij zelf dan onze leden

  tot korte of lange slapenstijd.

  Wij zijn voor heden afgestreden,

  en morgen kome uw zaligheid.

7

  Op uwe morgen zult Ge ons halen.

  We ontstijgen aan dit aards bestaan,

  en gaan uw hoge vensters stralen

  recht op uw open huisdeur aan.

---

*395

#4

1

  O Heer, verberg U niet voor mij,

  wanneer ik mij verberg voor U.

  Gij weet het, ik ben bang voor U,

  ontwijk U en verlang naar U.

  O ga niet aan mijn hart voorbij.

2

  En wees niet toornig over mij,

  wanneer ik U geen liefde bied.

  Ik noem U, maar ik ken U niet,

  ik buig mij, maar ik ben het niet

  en mijn gebed is tegen mij.

3

  Spreek zelf in mij het rechte woord.

  Zo vaak ik woorden voor U vond,

  heb ik mij in mijn woord vermomd.

  Nu wacht ik tot Gij zelve komt

  en spreekt, zodat uw knecht het hoort.

4

  Heer, roep mij als uw dwalend schaap,

  dat U niet zoekt en U niet vindt.

  Geef mij, als een die Gij bemint,

  geef, dat ik als uw eigen kind

  uw stem mag horen in mijn slaap.

---

*396

#6

1

  Het oude jaar is nu voorbij.

  Wij danken U, o Heer, dat Gij

  ons in zo menig groot gevaar

  genadig hebt beschermd dit jaar.

2

  Wij bidden U, Gij eeuw'ge Zoon,

  die zetelt op de hoge troon,

  dat Gij uw arme christenheid

  behoeden wilt te allen tijd.

3

  Onthoud uw heilig woord ons niet,

  dat onze troost is en ons lied;

  o Geest, houd onze harten vrij

  van dwaling en afgoderij.

4

  Help ons de zonde te weerstaan

  en op de smalle weg te gaan;

  gedenk niet onze oude schuld,

  heb ook dit jaar met ons geduld.

5

  Laat ons als christ'nen tot uw eer

  leven en vredig sterven, Heer,

  en opstaan op de jongste dag

  en schouwen wat geen oog ooit zag,

6

  opdat wij U, die liefde zijt,

  loven in alle eeuwigheid.

  Sterk tot uw eigen roem en eer

  ons klein en zwak geloof, o Heer.

---

*397

#6

1

  O God, die droeg ons voorgeslacht,

  in nacht en stormgebruis,

  bewijs ook ons uw trouw en macht,

  wees eeuwig ons tehuis!

2

  De schaduw van uw troon omsloot

  uw heiligen weleer,

  bij U beveiligd is ons lot

  en zeker ons verweer.

3

  Gij zijt, van voor Gij zee en aard'

  hebt door uw woord bereid,

  altijd dezelfde, die Gij waart,

  de God der eeuwigheid!

4

  En duizend jaar gaan als de dag

  van gist'ren voor U heen,

  een schaduw, een gedachte vaag,

  een nachtwaak, die verdween.

5

  De tijd draagt alle mensen voort

  op zijn gestage stroom;

  ze zijn als gras, door zon verdord,

  vervluchtigd als een droom.

6

  O God, die droeg ons voorgeslacht

  in tegenspoed en kruis,

  wees ons een gids in storm en nacht

  en eeuwig ons tehuis!

---

*398

#7

1

  Door goede machten trouw en stil omgeven,

  behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar,

  zo wil ik graag met u, mijn liefsten, leven,

  en met u ingaan in het nieuwe jaar.

2

  Wil nog de oude pijn ons hart vernielen,

  drukt nog de last van 't leed dat ons beklemt,

  o Heer, geef onze opgejaagde zielen

  het heil waarvoor Gij zelf ons hebt bestemd.

3

  En wilt Gij ons de bitt're beker geven

  met gal gevuld tot aan de hoogste rand,

  dan nemen wij hem dankbaar zonder beven

  aan uit uw goede, uw geliefde hand.

4

  Maar wilt Gij ons nog eenmaal vreugde schenken

  om deze wereld en haar zonneschijn,

  leer ons wat is geleden dan herdenken,

  geheel van U zal dan ons leven zijn.

5

  Laat warm en stil de kaarsen branden heden,

  die Gij hier in ons duister hebt gebracht,

  breng als het kan ons samen, geef ons vrede.

  Wij weten het, uw licht schijnt in de nacht.

6

  Valt om ons heen steeds meer het diepe zwijgen,

  de eenzaamheid, die nergens uitkomst ziet,

  laat ons dan allerwege horen stijgen

  tot lof van U het wereldwijde lied.

7

  In goede machten liefderijk geborgen

  verwachten wij getroost wat komen mag.

  God is met ons des avonds en des morgens,

  is zeker met ons elke nieuwe dag.

---

*399

#6

1

  Wij loven U, o God, belijden U als Heer.

  Eeuwige Vader, U geeft heel de wereld eer.

  U zingen alle heem'len, serafs, machten, tronen,

  onafgebroken rijst hun lied op hoge tonen:

  Gij, driemaal heilig zijt Gij, God der legerscharen,

  wiens grootheid aard' en hemel heerlijk openbaren!

2

  U looft de apostelschaar in heerlijkheid, o Heer,

  profeten, martelaars vermelden daar uw eer.

  Door heel uw kerk wordt steeds, daar boven, hier beneden,

  in strijd en zegepraal, uw grote naam beleden.

  Zij looft, o Vader, U, oneindig in vermogen,

  onpeilbaar in verstand, onmeetbaar in meedogen!

3

  U, Vader, U zij lof op een verhoogde troon!

  Lof en aanbidding zij uw eengeboren Zoon.

  Lof zij uw Geest, die ons ten Trooster is gegeven,

  ons in de waarheid leidt, de weg van eeuwig leven.

  U looft uw kerk alom, waar Gij die ook vergaarde;

  U looft wat loven kan, in hemel en op aarde!

4

  U, Christus, onze Heer, bekleed met majesteit,

  des Vaders eenge Zoon, zij lof in eeuwigheid!

  De mensheid lag in schuld en vloek voor God verloren:

  Gij hebt, de mens tot heil, de schoot der maagd verkoren.

  Gij hebt aan 't kruis voor ons de dood zijn macht ontnomen

  en ons de weg gebaand om tot Gods rijk te komen.

5

  Gij zit in heerlijkheid aan 's Vaders rechterhand,

  tot Gij als Rechter eens de laatste vierschaar spant.

  Laat nimmer in de nood uw bijstand ons ontberen,

  Gij kocht ons met uw bloed, blijf, Heiland, ons regeren,

  wil door uw koningsmacht uw erfdeel trouw bewaren,

  en met uw heilig volk ons voor uw troon vergaren.

6

  Wij zegenen, o Heer, uw goedheid al den dag!

  Geef dat eeuw in eeuw uit, ons lied U loven mag,

  geef, dat wij bij uw komst onstraf'lijk wezen mogen:

  ontferm, ontferm U, Heer, toon ons uw mededogen!

  Op U steunt onze hoop, o God van ons vertrouwen:

  zij worden nooit beschaamd, die op uw goedheid bouwen.

---

*400

#12

1

  Almachtige, verheven Heer, halleluja,

  aan U behoort de lof en eer, halleluja.

  Wie kan U loven als Gij zijt, halleluja,

  wij zegenen uw heerlijkheid, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja.

2

  Geloofd om gans uw creatuur, halleluja!

  Ten eerste om dat blinkend vuur, halleluja,

  die warme schitterende bron, halleluja,

  de heer des hemels, broeder zon, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja.

3

  Hij is zo heerlijk in zijn pracht, halleluja,

  verdrijft zo stralende de nacht, halleluja,

  en geeft ons dag aan dag zijn licht, halleluja,

  als afglans van uw aangezicht, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja.

4

  Lof zij U Heer om zuster maan, halleluja,

  om al de sterren die er staan, halleluja.

  Zij tintelen in klare pracht, halleluja,

  als edelstenen in de nacht, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja.

5

  Geloofd zijt Gij om broeder wind, halleluja,

  om lucht en wolken welgezind, halleluja,

  daar Gij met alle wind en weer, halleluja,

  uw scheps'len onderhoudt o Heer, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja.

6

  Voor zuster water danken wij, halleluja.

  Hoe nederig en trouw is zij, halleluja,

  als zij ons dient hoe kuis en goed, halleluja,

  hoe kostbaar in haar overvloed, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja.

7

  Lof zij U Heer om broeder vuur, halleluja,

  die ons verlicht in 't nacht'lijk uur, halleluja,

  die zo robuust en vrolijk is, halleluja,

  zo dapper in de duisternis, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja.

8

  Geloofd om moeder aarde, Heer, halleluja,

  ons leven staat in haar beheer, halleluja,

  zij geeft ons vruchten zonder tal, halleluja,

  en bonte bloemen overal, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja.

9

  Geloofd om elk die U bemint, halleluja,

  en tot vergeven is gezind, halleluja,

  in vrede pijn en moeite lijdt, halleluja,

  eens kroont Gij hem met heerlijkheid, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja.

10

   Lof zij U Heer om zuster dood, halleluja,

   zij is op aarde sterk en groot, halleluja,

   zij heerst alom, er is geen man, halleluja,

   die aan haar macht ontsnappen kan, halleluja.

   Halleluja, halleluja, halleluja.

11

   Wee hun die sterven in de staat, halleluja,

   van doodzonde en eeuwig kwaad, halleluja.

   Zalig wie doet wat Gij gebiedt, halleluja,

   de tweede dood verslindt hem niet, halleluja.

   Halleluja, halleluja, halleluja.

12

   Geloofd, gezegend zijt Gij Heer, halleluja,

   wij brengen U de lof en eer, halleluja.

   Wij willen nederig en klein, halleluja,

   de dienaars van uw grootheid zijn, halleluja.

   Halleluja, halleluja, halleluja.

---

*401

#4

1

  Een vaste burcht is onze God,

  een wal die 't kwaad zal keren;

  zijn sterke arm houdt buiten schot

  wie zich niet kan verweren.

  De vorst van het kwaad,

  de aartsvijand staat

  geharnast in 't veld;

  in list en in geweld

  kan geen hem evenaren.

2

  Al onze macht is ijdelheid:

  wij gaan terstond verloren,

  wanneer de held niet voor ons strijdt,

  die God heeft uitverkoren.

  Zo gij 't nog niet wist;

  Jezus Christus is 't,

  de Heer van 't heelal,

  die overwinnen zal,

  God zelf staat ons terzijde.

3

  Al wordt de wereld ook een hel

  en 't leven niets dan lijden,

  wij vrezen niet, Immanu?l

  zal stellig ons bevrijden.

  Hoe satan ook woedt

  en wat hij ook doet,

  't is macht'loos geweld,

  zijn vonnis is geveld.

  Een woord, en hij moet vallen.

4

  Gods heilig woord alleen houdt stand,

  Gods waarheid zal ons staven.

  Hij leidt ons en met milde hand

  schenkt Hij zijn geestesgaven.

  Al rooft de tyran

  ons wat hij maar kan,

  ons goed en ons bloed,

  laat hem zijn overmoed!

  Gods rijk blijft ons behouden.

---

*402

#10

1

  Verheugt u, christenen, tesaam!

  Laat ons van vreugde springen

  en zegenen Gods grote naam;

  laat ons de Heer bezingen,

  die ons zo machtig heeft bevrijd,

  die voor der mensen zaligheid

  de hoogste prijs betaalde.

2

  De duivel had mij in zijn macht,

  de dood stond mij voor ogen;

  de schulden hebben dag en nacht

  zwaar op mijn ziel gewogen.

  Steeds dieper zonk ik in 't moeras,

  omdat ik niets dan zonde was,

  in ijdelheid geboren.

3

  Mijn werken brachten mij geen baat,

  hun grond was boos begeren;

  mijn vrije wil was niets dan haat

  tegen de wil des Heren.

  Zo raakte ik in angst en nood,

  in wanhoop erger dan de dood,

  ter helle moest ik varen.

4

  Toen zag God in de eeuwigheid

  mijn mateloze ellende

  en haastte zich, te rechter tijd

  mij, arme, hulp te zenden.

  Mijn Vader, want Hij wendde mij

  zijn hart vol liefde toe, ja Hij

  liet het zich 't liefste kosten.

5

  Hij sprak tot zijn geliefde Zoon:

  Ik kan 't niet langer lijden;

  nu is het tijd, verlaat mijn troon

  en stel U aan zijn zijde;

  sta voor hem in als bondgenoot,

  verdelg de zonde en de dood

  en laat hem met U leven'.

6

  De Zoon deed naar zijn Vaders wens;

  en uit een aardse moeder

  geboren, zoals ieder mens,

  werd Hij mij tot een broeder.

  Zo nam Hij mijn gedaante aan

  om satans eigenwaan te slaan,

  hem in de val te lokken.

7

  Hij sprak tot mij: Zie, het is nu

  de kentering der tijden.

  Ik heb mijn leven veil voor u,

  Ik zelf zal voor u strijden.

  Want Ik ben de uwe, gij zijt mijn,

  en waar Ik ben, daar zult gij zijn,

  geen vijand zal ons scheiden.

8

  De vijand zal Mij 't hartebloed,

  het leven zelfs ontroven,

  't is u ten goede, en daar moet

  gij rotsvast in geloven.

  Mijn leven overwint de dood,

  mijn onschuld delgt uw schulden groot,

  en zo zijt gij behouden.

9

  En keer  Ik tot mijn Vader weer

  en laat u in dit leven,

  Ik ben uw God, Ik ben uw Heer,

  Ik zal mijn Geest u geven,

  de Geest die u zal troosten en

  u openbaren wie Ik ben,

  u in de waarheid leiden.

10

   Wat Ik gedaan heb en geleerd,

   zult gij ook doen en leren,

   opdat mijn Vader wordt ge?erd,

   zijn rijk zal triomferen;

   en loop niet 's werelds wijsheid na,

   dat niet uw schat verloren ga,

   laat u door Mij gezeggen.

---

*403

#4

1

  Wat mijn God wil, geschied' altijd,

  zijn wil is steeds de beste.

  Hij is altijd tot hulp bereid,

  Hij blijft mijn sterke veste.

  Hij helpt uit nood,

  de trouwe God,

  Hij troost mij bovenmate.

  Wie God vertrouwt,

  vast op Hem bouwt,

  die zal Hij nooit verlaten.

2

  God is mijn troost en toeverlaat,

  Hij is mijn hoop, mijn leven.

  Al wat Hij wil, hoe het ook gaat,

  ik zal het niet weerstreven.

  Die mij altijd

  vertroost en leidt

  die elke haar geteld heeft.

  Die van nabij

  zolang reeds mij

  in liefde vergezeld heeft.

3

  Wanneer ik zondaar sterven moet,

  en heengaan uit dit leven,

  vertrouw ik Hem, Hij maakt het goed,

  ik kan het overgeven.

  Ja ik beveel

  mij Hem geheel

  die met mij is begonnen.

  Die mij geleidt

  door dood en strijd,

  Hij heeft al overwonnen.

4

  Nog een ding wil ik vragen Heer,

  ik vraag het vol vertrouwen:

  wanneer de boze gaat te keer,

  laat mij uw hulp aanschouwen,

  dat ik niet val

  maar leven zal.

  Gij zult mij niet beschamen.

  Dat is uw eer

  o trouwe Heer.

  Dus zeg ik vrolijk: Amen.

---

*404

#3

1

  U Here Jezus roep ik aan,

  U bid ik, hoor mijn klagen.

  O God als Gij mij bij wilt staan

  dan zal ik niet versagen.

  Leer mij geloven recht en rein,

  ik bid U, wil mij geven

  zo te leven,

  met mensen mens te zijn,

  uw woord in 't hart geschreven.

2

  Geef mij dat ik van harte zeer

  mijn vijand mag vergeven,

  zoals Gij mij vergeeft, o Heer,

  en geeft aan mij het leven.

  Uw woord zij onderweg mijn spijs,

  om zo mijn ziel te voeden,

  mij te hoeden

  op weg naar 't paradijs.

  Geleidt Gij mij ten goede.

3

  Laat Heer van U geen lust, geen pijn

  mij in de wereld scheiden

  dat ik in 't einde sterk mag zijn,

  mij door uw hand laat leiden

  en gaan met U het leven in,

  dat ik door U zal erven

  en verwerven.

  Het einde is begin.

  Gij redt ons van het sterven.

---

*405

#8

1

  Mijn God, waar zal ik henengaan?

  Wil mij op uwe wegen sturen.

  Steeds komt de vijand om mij staan

  en wil mijn ziel geheel verscheuren.

  O Heer, laat mij uw Geest ontva?n,

  dat ik blijf op uw wegen staan,

  uit 't boek des levens niet word weggedaan.

2

  Toen ik nog in Egypte was,

  ging ik het ruime pad betreden.

  Ik was gezien, een waarde gast

  en met de wereld wel in vrede.

  Toen zat ik vast in 's duivels strik,

  mijn leven was afgrijselijk,

  de duivel diende ik zeer vlijtelijk.

3

  Toen ik mij tot den Heer begaf

  en van de wereld mij ging keren,

  mij helpen liet uit 't boos geslacht,

  verzaakte Antichristus' leren,

  werd ik bespot en zeer versmaad,

  daar ik verachtte Babels raad.

  Steeds worden de gerechtigen gehaat.

4

  Veel liever kies ik ongemak

  als met Gods kinderen te lijden,

  dan ik van Pharao zijn schat

  ontvang en mij met hem verblijde.

  Pharao 's rijk is tijdelijk,

  maar Christus' rijk duurt eeuwelijk

  en Hij ontvangt zijn kindren blijdelijk.

5

  Ontvangt gij in de wereld smaad,

  wilt u daarinne dan verblijden,

  want Christus die werd ook gehaat

  om ons tot leven te bevrijden.

  Hij heeft het handschrift weggedaan

  hetwelk de vijand had ontva?n.

  Wilt gij, gij moogt het leven binnengaan.

6

  Als gij door 't vuur wordt onderzocht,

  het smalle pad begint te treden,

  verbreidt alsdan des Heren lof,

  volgt Hem, blijft vaste op zijn reden.

  Is 't zaak dat gij volstandig zijt

  en voor de mensen Hem belijdt.

  Hij geeft aan u de kroon zeer blijdelijk.

7

  Kom hier, mijn bruid, ontvang uw kroon,

  ontvang een halsband rood van goude!

  Trek aan het kleed zeer wit en schoon,

  uw jaren zullen niet verouden.

  Door dood ten leven ingegaan

  zal u geen leed meer komen aan.

  De tranen worden van uw oog gedaan.

8

  Sion, gij staat zeer wit en schoon,

  de kroon van goud is u gegeven.

  Van God en 't nieuw Jeruzalem

  heb Ik op u de naam geschreven.

  Gij waart mismaakt en zeer ontdaan,

  nu hebt ge 't blinkend kleed ontva?n

  en zijt tot mijne ruste ingegaan.

---

*406

#5

1

  U heb ik lief, mijn God en Heer,

  niet omdat ik mijn heil begeer,

  niet om daarmee gered te zijn

  van eeuwig vuur en hellepijn.

2

  Gij hebt mij gans en al omvat,

  terwijl men U gekruisigd had;

  Gij hebt verdragen smaad en hoon

  van nagels, speer en doornenkroon.

3

  O Heer welk niet te schatten leed

  van pijn en angst en bloedig zweet

  hebt Gij doorstaan tot in de dood,

  en dat voor mij, een zondaar groot!

4

  Zou ik U niet beminnen, Heer?

  Mij blijft geen and're keuze meer.

  Om hemelvreugd noch hellesmart,

  slechts om Uzelf kiest U mijn hart.

5

  Ik wil U steeds beminnen, God,

  zoals Gij mij hebt liefgehad,

  zo blijve ik U toegewijd,

  daar Gij mijn hoop, mijn alles zijt!

---

*407

#4

1

  Christus mijn Heer, op U alleen

  stel ik al mijn vertrouwen.

  Buiten U immers is er geen

  grond waar ik op kan bouwen.

  Wat is de wereld ongewis:

  van al wat werd geschapen is

  niemand en niets met mij begaan.

  Ik roep U aan,

  enige, die mij bij kan staan.

2

  Om al mijn schuld, mijn zonden groot

  ben ik bezwaard van harte.

  Draag Gij die last mee in de dood,

  o Christus, Man van smarte.

  Sta bij uw Vader voor mij in,

  bid voor mij om een nieuw begin,

  opdat, van alle last bevrijd,

  ik mij verblijd

  in 't leven van de eeuwigheid.

3

  O Gij die nooit een mens bedroog,

  Christus, sterk mijn vertrouwen!

  Geef, dat ik hier met eigen oog

  uw goedheid mag aanschouwen

  en U bemin en hen die Gij,

  o Heer, als naasten gaf aan mij.

  Dreigt dan de boze op het laatst,

  o kom met haast

  en red mij, wees mij 't aller naast.

4

  Ere zij God in 's hemels troon,

  de Vader van al 't goede.

  Ere zij Christus, God de Zoon,

  die ons heeft in zijn hoede.

  Ere zij God de Heil'ge Geest,

  die ons doet wand'len onbevreesd

  en maakt aan Christus toegewijd

  hier in de tijd

  en eenmaal in de eeuwigheid.

---

*408

#6

1

  Nu laat ons God de Here

  dankzeggen en Hem eren,

  want goed zijn alle dingen

  die wij van Hem ontvingen.

2

  Want lijf en ziel en leven

  heeft ons de Heer gegeven.

  Hij zal ze ook bewaren

  in allerlei gevaren.

3

  Een arts is ons gegeven

  die zelve is het leven:

  Christus, voor ons gestorven,

  heeft ons het heil verworven.

4

  Hij heeft aan ons vergeven

  de schuld en schenkt ons leven.

  Bij U, o God, bezitten

  wij schatten ongeweten.

5

  Wij bidden U, Algoede:

  wil altijd ons behoeden;

  de kleinen en de groten,

  houd ze in uw hart besloten.

6

  Bewaar ons in uw waarheid,

  geef ons op aarde vrijheid,

  met alle mensen samen

  uw rijk, Heer, te beamen.

---

*409

#5

1

  Laat ons de Heer lofzingen,

  juicht, al wie bij Hem hoort!

  Hij zal met trouw omringen

  wie steunen op zij woord.

  Al moet ge hier ook dragen

  veel duisternis en dood,

  gij hoeft niet te versagen,

  Hij redt uit alle nood.

2

  God heeft u uitverkoren

  en uw geloof gebouwd,

  Hij heeft een eed gezworen

  aan elk die Hem vertrouwt:

  dat Hij hen zal omgeven

  met sterkte als een wal,

  dat Hij wie met Hem leven

  de zege schenken zal.

3

  Zou ooit een vrouw vergeten

  't kind dat zij in zich droeg,

  er niet van willen weten,

  wanneer het naar haar vroeg?

  Al zou u ook begeven

  uw moeder vroeg of laat,

  de Heer zweert bij zijn leven,

  dat Hij u niet verlaat.

4

  Daarom dan niet versagen,

  maar moedig verder gaan!

  De Heer doet redding dagen,

  Hij trok uw lot zich aan.

  Wie lijdt, God zal het merken,

  't is alles Hem bekend;

  Hij zal zijn kindren sterken

  met woord en sacrament.

5

  Daarom lof zij de Here,

  in wie ons heil bestaat,

  Hem die ons toe wou keren

  zijn liefelijk gelaat.

  Hij moge ons behoeden,

  elkander toegewijd,

  en schenke ons al 't goede

  nu en in eeuwigheid.

---

*410

#2

1

  Zingen wij van harte zeer,

  loven, danken wij de Heer,

  die zijn goedheid ons bewijst,

  die ons alle dagen spijst.

  God die ook de vogels voedt,

  die het leven leven doet,

  God is voor de mensen goed.

2

  Bidden wij de Geest om licht,

  om het innerlijk gezicht,

  dat wij het toch recht verstaan

  en Gods woorden nemen aan,

  dat wij nu en immermeer

  Christus prijzen, onze Heer.

  Amen. Hem zij dank en eer.

---

*411

#15

1

  Wilhelmus van Nassouwe

  ben ik van duitsen bloed,

  den vaderland getrouwe

  blijf ik tot in den dood.

  Een prinse van Oranje

  ben ik vrij onverveerd,

  den koning van Hispanje

  heb ik altijd ge?erd.

2

  In Godes vrees te leven

  heb ik altijd betracht,

  daarom ben ik verdreven,

  om land, om luid' gebracht.

  Maar God zal mij regeren

  als een goed instrument,

  dat ik zal wederkeren

  in mijnen regiment.

3

  Lijdt u, mijn onderzaten

  die oprecht zijt van aard,

  God zal u niet verlaten,

  al zijt gij nu bezwaard.

  Die vroom begeert te leven,

  bidt God nacht en de dag,

  dat Hij mij kracht wil geven,

  dat ik u helpen mag.

4

  Lijf en goed altezamen

  heb ik u niet verschoond;

  mijn broeders, hoog van namen,

  hebben 't u ook vertoond:

  Graaf Adolf is gebleven

  in Friesland in den slag;

  zijn ziel in 't eeuwig leven

  verwacht den jongsten dag.

5

  Edel en hoog geboren

  een keizerlijken stam,

  een vorst des rijks verkoren

  als een vroom christenman,

  voor Godes woord geprezen

  heb ik vrij onversaagd

  als een held zonder vrezen

  mijn edel bloed gewaagd.

6

  Mijn schild ende betrouwen

  zijt Gij, o God, mijn Heer!

  Op U zo wil ik bouwen,

  verlaat mij nimmermeer!

  Dat ik toch vroom mag blijven,

  uw dienaar te aller stond,

  de tirannie verdrijven

  die mij mijn hart doorwondt.

7

  Van al die mij bezwaren

  en mijn vervolgers zijn,

  mijn God, wil toch bewaren

  den trouwen dienaars dijn;

  dat zij mij verrassen

  in hunnen bozen moed,

  hun handen niet en wassen

  in mijn onschuldig bloed!

8

  Als David moeste vluchten

  voor Saul den tiran,

  zo heb ik moeten zuchten

  met menig edelman.

  Maar God heeft hem verheven,

  verlost uit alle nood,

  een koninkrijk gegeven

  in Isra?l zeer groot.

9

  Na 't zuur zal ik ontvangen

  van God mijn Heer het zoet;

  daarnaar zo doet verlangen

  mijn vorstelijk gemoed:

  dat is, dat ik mag sterven

  met eren in het veld,

  een eeuwig rijk verwerven

  als een getrouwe held.

10

   Niets doet mij meer erbarmen

   in mijnen wederspoed,

   dan dat men ziet verarmen

   des konings landen goet;

   dat u de Spanjaards krenken,

   o edel Ne?rland zoet,

   als ik daaraan gedenke,

   mijn edel hart dat bloedt.

11

   Als een prins opgezeten

   met mijner heireskracht,

   van den tiran vermeten

   heb ik den slag verwacht.

   Die, bij Maastricht begraven,

   bevreesde mijn geweld;

   mijn ruiters zag men draven

   zeer moedig door het veld.

12

   Zo het de wil des Heren

   op dien tijd had geweest,

   had ik geern willen keren

   van u dit zwaar tempeest.

   Maar de Heer van hierboven

   die alle ding regeert,

   die men altijd moet loven,

   en heeft het niet begeerd.

13

   Zeer prins'lijk was gedreven

   mijn prinselijk gemoed,

   standvastig is gebleven

   mijn hart in tegenspoed.

   Den Heer heb ik gebeden

   van mijnes harten grond,

   dat Hij mijn zaak wil reden,

   mijn onschuld doen oorkond.

14

   Oorlof, mijn arme schapen

   die zijt in grote nood,

   uw herder zal niet slapen,

   al zijt gij nu verstrooid!

   Tot God wilt u begeven!

   Zijn heilzaam woord neemt aan!

   Als vrome christen leven,

   't zal hier haast zijn gedaan!

15

   Voor God wil ik belijden

   en zijne grote macht,

   dat ik te genen tijden

   den koning heb veracht,

   dan dat ik God den Here,

   de hoogste Majesteit,

   heb moeten obedi?ren

   in der gerechtigheid.

---

*412

#2

1

  O Heer, die daar des hemels tente spreidt

  en wat op aard is hebt alleen bereid,

  het schuimig, woedig meer kondt maken stille

  en alles doet naar uwen lieven wille,

  wij slaan het oog

  tot U omhoog,

  die ons in angst en nood

  verlossen kondt

  tot aller stond,

  ja zelfs ook van de dood.

2

  Als gij, o vrome, dikwijls hebt gesmaakt,

  vermaakt u nu vrij, dat 't uw harte raakt!

  Looft God den Heer met zingen ende spelen

  en roept vrij uit tezaam met luider kelen:

  Had ons de Heer

  Hem zij de eer

  alzo niet bijgestaan,

  wij waren lang

  ons was zo bang

  al in den druk vergaan!

---

*413

#2

1

  De Heer in zijnen troon, zeer schoon,

  is groot in hoogheid en in majesteit,

  en wonderlijk in macht en kracht

  en sierlijk toegerust met heerlijkheid,

  bedekt en toegereed

  met licht als met een kleed.

  Hij heeft de hemel uitgerekt

  als een gordijn

  zo wijd die zijn

  mag uitgestrekt.

2

  Die zijner zalen boog omhoog

  met water welft; en als een wagen ment

  de wolken, en de wind gezwind

  bestuurt, en vluchtig op haar vleugels rent,

  de waat'ren altemaal

  gezet heeft ene paal,

  waarover zij niet mogen gaan,

  en daarop de aard,

  zeer vast bewaard,

  doet grondig staan.

---

*414

#3

1

  Wilt heden nu treden voor God, den Here,

  Hem boven al loven van harte zeer,

  en maken groot zijns lieven namens ere,

  die daar nu onze vijand slaat terneer.

2

  Ter eren ons Heren wilt al uw dagen

  dit wonder bijzonder gedenken toch.

  Maakt u, o mens, voor God steeds wel te dragen,

  doet ieder recht en wacht u voor bedrog.

 

3

  Bidt, waket en maket dat ge in bekoring

  en 't kwade met schade toch niet en valt.

  Uw vroomheid brengt de vijand tot verstoring,

  al waar' zijn rijk nog eens zo sterk bewald.

---

*415

#3

1

  Komt nu met zang van zoete tonen

  en u met snarenspel verblijdt!

  Zingt op en wilt alom betonen,

  dat gij van  harte vrolijk zijt.

  Juicht God ter eer,

  zijn lof vermeer',

  die zulken groten werk

  gedaan heeft voor zijn kerk!

2

  In Isra?l was dat een wijze,

  valt met hen ook de Heer te voet:

  dat elk nu toch God roem' en prijze,

  die ons zoveel weldaden doet.

  Roept overal

  met groot geschal:

  Lof, prijs  en dank alleen

  zij God en anders geen!

3

  De Heer heeft eertijds zijnen volke

  geholpen uit veel angst en pijn.

  Hij geeft ja wel een duist're wolke,

  maar weer daarna schoon zonneschijn.

  Lof zij die Heer,

  die ons ook weer

  geeft, na veel smart en druk,

  veel zegen en geluk.

---

*416

#2

1

  Gelukkig is het land,

  dat God de Heer beschermt.

  Als daar met moord en brand

  de vijand rondom zwermt,

  en dat men meent: hij zal

  't schier overwinnen al,

  dat dan, dat dan, dat dan

  hij zelf komt tot den val.

2

  Gedankt moet zijn de Heer,

  de God, die eeuwig leeft,

  dat Hij ons 't zijner eer

  dees overwinning geeft.

  Wat wonder heeft de kracht

  des Heren al gewracht!

  O Heer, o Heer, o Heer,

  hoe groot is uwe macht!

---

*417

#2

1

  Hoe groot, o Heer, en hoe vervaarlijk

  staat nu ons leven vol verdriet!

  Ons haters pogen t' saam eenpaar'lijk

  te dempen al, gelijk men ziet,

  het volk tezaam,

  dat uwe naam,

  het volk tezaam, dat uwe naam belijdt.

  O Heer, in deze nood ons toch bevrijd!

2

  Gij zijt ons schild en hebt uw oge,

  Heer, tot uws naams eer, prijs en lof

  op uwe schapen, die Ge omhoge

  nog zult verheffen uit het stof.

  Daarom wil ik

  vrij zonder schrik,

  daarom wil ik op U steeds mijne zorg

  vastzetten, o mijn heil, mijn sterkt', mijn borg!

---

*418

#3

1

  Here, kere van ons af

  uw vertorend aangezicht,

  en door dees verdiende straf

  ons verblind verstand verlicht!

  Dat uw vriendelijk gelaat

  lichtend over ons mag staan,

  en uw uitverkoren zaad

  eens toch mag met vrede gaan.

2

  Toom en breidel 's vijands macht,

  die 't dus al in roeren stelt.

  Heer, verschijn eens zo met kracht,

  dat hij ruimen mag het veld,

  en uw volk na zulk een werk

  veilig eenmaal opgaan mag

  in uw lieve, heil'ge kerk,

  U te loven nacht en dag.

3

  Doch zo 't U believen zal

  dat Gij ons nog langer zult

  laten in dit ongeval,

  geef ons, Here, toch geduld,

  en laat uwen wil geschi?n,

  want Gij zeker en gewis

  best kunt weten en voorzien

  wat ons meest van node is.

---

*419

#5

1

  O God die de gedachten

  der mensen ziet en leest,

  Gij weet wat zij betrachten

  in 't midden van hun geest,

  waar zij zich toe begeven,

  het zij tot goed of kwaad,

  in dit ellendig leven

  dat als een wind vergaat.

2

  Ik heb door mijn misdaden

  en gruw'len onbepaald

  in plaats van uw genade

  uw straf op mij gehaald.

  Och, ik en kan niet rusten

  van eigen wil verwoed,

  want, laas, mijn kwade lusten

  die drijven mij van 't goed.

3

  Och, had ik kunnen horen

  uw inspraak eer ik viel!

  Zo zoud' ik nu uw toren

  niet dragen op mijn ziel,

  zo zoud ik nu niet dulden

  de heimelijke smart

  van mijn bekende schulden,

  geloospand op mijn hart.

4

  O Heer, ik ben verwonnen,

  ik ken 't in mijn gemoed.

  Maak van mijn ogen bronnen

  van water en van bloed,

  die tot de hemel springen

  tot voor uw majesteit,

  op dat zij U bedwingen

  tot uw barmhartigheid.

5

  Doe toch zo grote dingen

  aan mij, benauwde man,

  dat daar uw eng'len zingen

  in eeuwigheden van.

  Uw goedheid en het wonder

  dat niet kan zijn voleerd,

  dat is dat Gij een zonder

  zo zalig hebt bekeert.

---

*420

#2

1

  Ik hoor trompetten klinken,

  de vijand is nabij.

  Ik zie harnassen blinken

  en niemand is met mij.

  Het hart klopt door 't benauwen,

  dies laat ik diep beschroomd

  't gezicht 't gebergt aanschouwen

  of daar geen hulp van koomt.

2

  Daar is geen hulp voorhanden,

  voorhanden dan van God,

  van God, die 's werelds landen

  heeft onder zijn gebod,

  van God, die 's hemels lichten

  heeft onder zijn gebied,

  en die 't weleer al stichtte

  dat 's mensen oge ziet.

---

*421

#2

1

  Zolang als ik op aarde leven zal

  mijn koning groot ik ere geven zal,

  met woord, met daad, met juichen en gezang.

  Hij heeft mij uitgetogen van de val,

  geschreven in zijn uitverkoren tal,

  dies mijne ziel Hem spelet lof en dank.

  Zijn bitter lijden

  doet mij verblijden.

  Zijn hart is mijn,

  het mijn is zijn.

  treurigheid wijke,

  vrolijkheid blijke,

  want Jezus wil,

  want Jezus wil mijn Heiland zijn.

2

  Als mijn gemoed Hem biddet met aandacht,

  als mijn tong Hem prijzet dag en nacht,

  als ik Hem dien als zijn gehoorzaam kind,

  de wereld boos mijn spottet en belacht,

  maar wederom ik harer niet en acht,

  al hare trots die schrijf ik in de wind.

  Hoe Hij het voeget,

  mij wel genoeget.

  Hij maket al

  na zijn geval.

  Hij is de beste,

  de eerst' en de leste,

  die ik bemin ,

  die ik bemin en minnen zal.

---

*422

#1

1

  Wie is het, die zo hoog gezeten,

  zo diep in 't grondeloze licht,

  van tijd noch eeuwigheid gemeten,

  bestaan kan zonder tegen wicht?

  Wie is het enig middelpunt

  en de oorsprong van zo vele goeden,

  de ziel van alles, wat gij kunt

  bevro?n of nimmermeer bevroeden?

  Dat 's God! Oneindig, eeuwig wezen

  van alle ding dat wezen heeft,

  vergeef het ons, als tong en teken

  en als verbeelding ons begeeft,

  want ieder draagt zijn eigen naam

  behalve Gij. Wie kan U noemen?

  Onz' uitspraak, zwak en onbekwaam,

  kan zonder schennis U niet roemen.

  U zelf bekend en niemand nader

  zijt Gij alleen dan die Gij zijt:

  der eeuwigheden glans en ader,

  der glanzen glans in eeuwigheid.

  Het zien van U zou perk en peil

  van ons vermogen overschrijden;

  Laat ons voor 't ondoorgrond'lijk heil,

  met de eng'len U den lofzang wijden.

  Heilig, heilig, nog eens heilig,

  driemaal heilig: eer zij God.

  Buiten God is 't nergens veilig.

  Heilig is het groot gebod.

  Zijn geheimenis zij bondig.

  Men aanbidde zijn bevel.

  Dat men 't overal verkondig'!

  Al wat God behaagt, is wel.

---

*423

#4

1

  Ach, blijf met uw genade,

  Heer Jezus, ons nabij,

  opdat ons nimmer schade

  des bozen heerschappij!

2

  Licht Gij ons met uw stralen,

  o, licht der wereld, voor,

  opdat wij niet verdwalen

  of struik'len op ons spoor!

3

  Vervul dan met uw zegen

  onze armoe, rijke Heer,

  en zend op onze wegen

  uw kracht en goedheid neer!

4

  Neem Gij ons in uw hoede,

  onoverwonnen held;

  beteugel satans woede

  en 's werelds boos geweld!

---

*424

#2

1

  Looft overal, looft al wat adem heeft,

  looft God die leeft.

  De aard' is niet zo wijd,

  of God wordt lof bereid,

  zo hoog de hemel niet

  of daarheen reikt het lied.

  Looft overal, looft al wat adem heeft,

  looft God die leeft.

2

  Looft overal, looft al wat adem heeft,

  looft God die leeft.

  De kerk zingt schoon en luid

  het lied dat niemand stuit,

  het hart is 't bovenal,

  dat eeuwig zingen zal.

  Looft overal, looft al wat adem heeft,

  looft God die leeft.

---

*425

#7

1

  Ga uit, o mens, zoek uw vreugd,

  nu in de lente zich verheugt

  al wat er leeft op aarde!

  De gaarden zijn op 't schoonst gesierd,

  opdat gij 't lieve leven viert,

  dat God u openbaarde.

2

  De bomen staan in blad gezet,

  de aarde dekt haar naaktheid met

  een lichte groene wade;

  een tulp en narcis evenzo:

  veel heerlijker dan Salomo

  bekleedt ze Gods genade.

3

  En vogels, waar men hoort of ziet,

  de leeuw'rik zingt het hoogste lied,

  de zwaluw voedt haar jongen.

  De bronnen ruisen overal,

  loof Hem, in wie u eens voor al

  het leven is ontsprongen.

4

  De akker wordt een gouden woud,

  daarin verblijdt zich jong en oud.

  Roem dan de gunst en goedheid

  van Hem die geeft in overvloed,

  Hem, die het menselijk gemoed

  verzadigt met zijn zoetheid.

5

  God heeft zijn schepping goedgedaan,

  hoe zou ik zelf dan buiten staan?

  Hij heeft de dood verdreven.

  En ik zing mee, nu alles zingt,

  het lied dat overal weerklinkt,

  de lofzang om het leven.

6

  Want is het, Heer, reeds hier zo schoon

  en geeft Ge ons al zo heerlijk loon

  op deze arme aarde,

  wat heerlijkheid moet dan eenmaal

  ons wachten in uw hemelzaal,

  Gij Onge?venaarde!

7

  Ja, welk een lentelijk festijn

  zal het in Jezus' lusthof zijn,

  hoe moet het daar wel klinken,

  waar duizend serafijnen Hem

  lofprijzen met hun gouden stem

  en als de sterren blinken!

---

*426

#5

1

  Zou ik niet van harte zingen

  Hem die zozeer mij verblijdt?

  Want ik zie in alle dingen

  niets dan zijn genegenheid.

  Is de hartslag van het leven

  niet de liefde van de Heer?

  Liefde draagt hen meer en meer,

  die in dienst van Hem zich geven.

  Alle dingen hebben tijd,

  maar Gods liefde eeuwigheid.

2

  Als een vogel, die zijn tere

  jongen met de vleugels dekt,

  zo houdt over mij de Here

  zijn beschuttende arm gestrekt.

  Alles wendt Hij mij ten goede,

  Hij is bij mij nacht en dag,

  ja, van voor ik 't licht nog zag,

  ben ik veilig in zijn hoede.

  Alle dingen hebben tijd,

  maar Gods liefde eeuwigheid.

3

  In het duister van de tijden

  ben ik nooit alleen geweest,

  want God gaf mij ten geleide

  op mijn wegen woord en Geest.

  Ja, de Heer doet mij geloven,

  Hij ontstak in mij het licht

  van het innerlijk gezicht,

  dat zal dood noch duivel doven.

  Alle dingen hebben tijd,

  maar Gods liefde eeuwigheid.

4

  Wat mijn ogen ooit ontwaarden

  droeg het merk van Gods beleid;

  Hij heeft hemel, zee en aarde

  om mijn bestwil toebereid.

  Dieren, kruiden uitgelezen,

  alle vrucht aan struik en boom,

  bronnen, vissen in de stroom,

  overal is 't goed te wezen.

  Alle dingen hebben tijd,

  maar Gods liefde eeuwigheid.

5

  Omdat Gij mijn hart doet branden,

  omdat Gij mij zo bemint,

  hef ik, Heer, tot U mijn handen:

  Vader, zie ik ben uw kind.

  Wil mij de genade geven,

  U te dienen, hier en nu;

  God die liefde zijt, aan U

  vast te houden, heel mijn leven,

  tot ik U na deze tijd

  liefheb in der eeuwigheid.

---

*427

#8

1

  Beveel gerust uw wegen,

  Al wat u 't harte deert,

  der trouwe hoed' en zegen

  van Hem, die 't al regeert.

  Die wolken, lucht en winden

  wijst spoor en loop en baan,

  zal ook wel wegen vinden

  waarlangs uw voet kan gaan.

2

  De Heer moet gij vertrouwen,

  begeert gij de uitkomst goed,

  op Hem uw hope bouwen,

  zal slagen wat gij doet.

  Door geen bekommeringen,

  geen klagen en geen pijn

  laat God zich iets ontwringen:

  Hij wil gebeden zijn.

3

  Uw trouw en uw genade,

  o Vader, weet zo goed

  wat voor de mens tot schade

  of winste worden moet.

  Wat Gij hebt uitgelezen,

  dat werkt Gij, sterke held,

  en brengt in stand en wezen,

  wat Ge U hebt voorgesteld.

4

  Een weg hebt Ge allerwegen,

  geen middel, dat U faalt.

  Uw doen is louter zegen,

  uw gang met licht omstraald.

  Niets kan uw werk verhind'ren,

  uw plannen zijn gewis.

  Gij doet voor al uw kindren

  wat hun het heilzaamst is.

5

  Laat Hem besturen, waken,

  't is wijsheid wat Hij doet!

  Zo zal Hij alles maken,

  dat ge u verwond'ren moet,

  als Hij, die alle macht heeft,

  met wonderbaar beleid

  geheel het werk volbracht heeft,

  waarom gij thans nog schreit.

6

  Wel kan zijn hulp vertragen,

  en 't schijnt soms in de nacht,

  alsof geen licht zal dagen,

  alsof geen troost u wacht,

  als u de angst doet beven

  dat God u niet meer kent,

  dat Hij zich van uw leven

  voorgoed heeft afgewend.

7

  Maar blijft gij met vertrouwen

  naar God zien in de nacht;

  dan doet Hij u aanschouwen

  wat gij het minst verwacht.

  Eens zal Hij u bevrijden

  ook van de zwaarste last,

  houd moedig bij het strijden

  aan zijn beloften vast.

8

  Hoor onze smeekgebeden;

  Heer, red uit alle nood!

  Sterk onze wank'le schreden

  en leer ons tot de dood

  vertrouwen op uw zegen

  en vaderlijk beleid,

  dan voeren onze wegen

  naar 't rijk der heerlijkheid.

---

*428

#4

1

  Jezus, mijn verblijden,

  voor mijn hart de weide,

  waar het vrede vindt,

  't hart dat in verlangen

  naar U is bevangen,

  dat U zo bemint.

  Lam, o kom, mijn Bruidegom.

  Buiten U is niets op aarde

  zo beminnenswaardig.

2

  Als Gij mij wilt hoeden,

  ben ik voor het woeden

  van de vijand vrij.

  Laat de satan tieren

  en zijn zege vieren,

  Jezus staat mij bij.

  Lijkt het wel of dood en hel

  over mij schijnt los te breken,

  Jezus is mijn vrede.

3

  Wat gij ook aan schatten,

  wereld, moogt bevatten,

  Jezus is mijn lust.

  Ach, wat zou ik wensen

  eer en hoop der mensen,

  elders is mijn rust.

  Smaad en nood en kruis en dood

  zal mij, wat ik ook moet lijden,

  niet van Jezus scheiden.

4

  Wat zou ik nog treuren,

  als de Heer der vreugde,

  Jezus binnenschrijdt!

  Zij die God beminnen

  zullen vreugde winnen

  ook uit bitterheid.

  Of mij 't kwaad naar 't leven staat,

  toch zijt Gij ook in mijn lijden,

  Jezus, mijn verblijden.

---

*429

#3

1

  Wie maar de goede God laat zorgen

  en op Hem hoopt in 't bangst gevaar,

  is bij Hem veilig en geborgen,

  die redt Hij godlijk, wonderbaar:

  wie op de hoge God vertrouwt,

  heeft zeker op geen zand gebouwd.

2

  Blijf dan eerbiedig God verbeiden

  en zwijg de Heer ootmoedig stil;

  Hij zal ons naar zijn raad geleiden,

  't is goed en heilig wat Hij wil.

  God die ons uitverkoren heeft,

  kent alle zorg die in ons leeft.

3

  Treed vrolijk voort op 's Heren wegen,

  neemt zijn gebod getrouw in acht.

  't Wordt eind'lijk alles u ten zegen,

  wanneer gij daarop biddend wacht.

  En wie gelovig op Hem ziet,

  weet zeker, Hij verlaat ons niet.

---

*430

#7

1

  Ik heb U lief, o mijn beminde,

  die al mijn vreugd en sterkte zijt.

  Ik heb U lief, o welgezinde,

  wiens komst ik dag en nacht verbeid.

  Ik heb U lief, o schoonste licht,

  glans van Gods aangezicht.

2

  Ik heb U lief, o Gij mijn leven,

  vriend die mij trouw zijt tot het eind.

  Ik wil aan U mij overgeven,

  mijn zon, zolang Gij mij beschijnt.

  Ik heb U lief, o kom dan, kom,

  Christus, mijn Bruidegom!

3

  Ach, dat ik U zo laat herkende,

  Gij die de schoonheid zelve zijt,

  dat ik niet eer mij tot U wendde,

  mijn zielerust, mijn zaligheid!

  Ach, dat ik U, mijn heil, mijn schat,

  zo laat heb liefgehad.

4

  Ik ging verdwaald langs vele wegen,

  ik zocht U wel, maar vond U niet,

  ik ging verblind het duister tegen,

  ik minde wat de wereld biedt.

  Nu hebt Gij zo mijn hart gewend,

  dat ik U heb herkend.

5

  Hoe moet ik, hemelzon, U danken

  voor 't licht dat Gij mij hebt gebracht?

  Gij hebt mijn ziel, die arme, kranke,

  voorgoed genezen van de nacht.

  Gij kuste met uw gouden mond,

  o zon, mijn ziel gezond.

6

  Blijf, Heer, mij met uw gunst genegen,

  dat ik niet weer verdwalen zal;

  houd Gij mijn voeten op uw wegen,

  dan brengen zij mij niet ten val.

  O licht, dat op mijn leven viel,

  verlicht mij lijf en ziel.

7

  Ik heb U lief, o wonderschone,

  ik heb U lief, Gij zijt mijn God.

  Ik vraag niet, dat Gij mij zult lonen;

  ik heb U lief, ook in de nood.

  Ik heb U lief, o schoonste licht,

  gezegend Aangezicht!

---

*431

#7

1

  Lof zij de Heer, ons hoogste goed,

  oorsprong van al het goede,

  de God die louter wondren doet.

  Wij leven in zijn hoede,

  die onze vrede is, onze vreugd,

  in wie zich heel ons hart verheugt.

2

  De hemelmachten met ons mee

  willen U eer betonen.

  Al wat op aarde, in lucht of zee

  mag in uw schaduw wonen,'

  het prijst U, die de Schepper zijt,

  die 't al zo schoon hebt toebereid.

  Geef onze God de ere!

3

  Wat onze God in de aanvang schiep,

  dat wil Hij ook bewaren;

  wat onze God tot aanzijn riep

  doet Hij zijn trouw ervaren.

  De Heer regeert, en het is goed

  waar Hij de mensen wonen doet.

  Geeft onze God de ere!

4

  Ik riep de Heer aan in de nood:

  O God, hoor naar mijn klagen!

  Toen redde Hij mij van de dood.

  Zijn goedheid blijft ons dragen.

  Daarom, o Here, dank ik U,

  o dankt Hem met mij, dankt Hem nu!

  Geeft onze God de ere!

5

  Wie alle troost ontberen moet

  en wien geen mens kan helpen,

  houdt moed, God zal met overvloed

  van heil u overstelpen.

  Hij buigt zich over het bestaan

  van hen die door de diepte gaan.

  Geeft onze God de ere!

6

  Ik wil U, Heer, mijn leven lang

  van ganser harte prijzen

  en in mijn lied, mijn lofgezang

  mijn dank aan U bewijzen.

  Mijn hart, verheug u in de Heer,

  lichaam en ziel, verblijdt u zeer!

  Geef onze God de ere!

7

  Gij allen die van Christus zijt,

  geeft onze God de ere!

  Die 't merk draagt van zijn majesteit,

  geeft onze God de ere!

  Roept, al wie goden zijn ten spot:

  De Heer is God, de Heer is God!

  Geeft onze God de ere!

---

*432

#3

1

  Wat God doet, dat is welgedaan,

  zijn wil is wijs en heilig.

  'k Zal aan zijn hand vertrouwend gaan,

  die hand geleidt mij veilig.

  In nood is mij

  zijn trouw nabij.

  Ja Hij, de Heer der heren,

  blijft eeuwig wijs regeren.

2

  Wat God doet, dat is welgedaan.

  Hij is mijn licht en leven.

  Ik wil mijzelf van nu voortaan

  blijmoedig aan Hem geven,

  omdat ik weet

  in vreugd en leed:

  zijn vaderlijke ontferming

  blijft eeuwig mijn bescherming.

3

  Wat God doet, dat is welgedaan,

  daar laat ik het bij blijven.

  Al moet ik door de engten gaan

  waar mij de dood zal drijven

  als God mij leidt

  kan ik de tijd

  van duisternis verdragen:

  ik zal zijn licht zien dagen.

---

*433

#4

1

  Al ruisen alle wouden,

  al bruist het wilde meer,

  al beeft het al van donder,

  al straalt de bliksem neer,

  mijn hart blijft zonder vrezen

  in zijn wezen.

2

  Het kan ons niet verschrikken,

  al wat van buiten woelt,

  wanneer men maar van binnen

  de schoonste ruste voelt:

  die schoonste rust van binnen

  kan 't verwinnen.

3

  Als Jezus zich in 't harte

  te ruste heeft gezet,

  laat eens een onweer komen,

  dat deze rust belet:

  al 't kwaad versmelt in vrezen

  voor zijn wezen.

4

  O mensen, woudt gij leren,

  waarin uw heil bestaat?

  't Is hierin, dat gij weelde

  en aardse rijkdom haat,

  en dat gij tracht te winnen

  rust van binnen.

---

*434

#5

1

  Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere.

  Laat ons naar hartelust zingen en blij musiceren.

  Komt allen saam,

  psalmzingt de heilige naam,

  looft al wat ademt de Here.

2

  Lof zij de Heer, Hij omringt met zijn liefde uw leven;

  heeft u in 't licht als op adelaarsvleug'len geheven.

  Hij die u leidt,

  zodat uw hart zich verblijdt,

  Hij heeft zijn woord u gegeven.

3

  Lof zij de Heer die uw lichaam zo schoon heeft geweven,

  dagelijks heeft Hij u kracht en gezondheid gegeven.

  Hij heeft u lief,

  die tot zijn kind u verhief,

  ja, Hij beschikt u ten leven.

4

  Lof zij de Heer die uw huis en uw haard heeft gezegend,

  lof zij de hemelse liefde die over ons regent.

  Denk elke dag

  aan wat zijn almacht vermag,

  die u met liefde bejegent.

5

  Lof zij de Heer met de heerlijkste naam van zijn namen,

  christenen looft Hem met Abrahams kinderen samen.

  Hart wees gerust,

  Hij is uw licht en uw lust.

  Alles wat ademt zegt: Amen.

---

*435

#5

1

  O verbreker aller banden,

  Gij die ons vertrouwen zijt,

  bij wie schade zelfs en schande

  hemel wordt en heerlijkheid,

  tuchtig Adams trotse zonen

  in hun eigenzinnigheid,

  tot Ge uw aangezicht zult tonen

  en hen uit de kerker leidt.

2

  Heer, ons lot is in uw handen,

  en het is uw hartewens,

  naar uw beeld ons te verand'ren,

  Jezus Christus, nieuwe mens.

  O Gij zijt ons zeer genegen,

  ook al doet uw liefde pijn

  en al smaalt men allerwegen,

  dat wij uw gevang'nen zijn.

3

  Zie ons lijden, Heer, tezamen

  met de ganse creatuur;

  zie toch, hoe uw erfgenamen

  zuchtend uitzien naar het uur,

  dat zij 't juk af mogen schudden,

  het vernederende juk

  der vergeefsheid, ach wij bidden:

  breek het stuk, Heer, breek het stuk!

4

  Kom toch om de macht te breken

  van de vorst der duisternis;

  geef in ons bestaan een teken,

  dat de zege zeker is;

  hef ons op uit onze zonden,

  werp de duiv'len bij ons uit,

  want de vrijheid moet gevonden,

  Heer, vervul Gods raadsbesluit!

5

  Duur hebt Gij uw volk verworven

  en alleen van U zijn wij.

  Heer, zowaar Gij zijt gestorven,

  maak ons nu ook waarlijk vrij.

  O, uw heil zal spoedig komen,

  Gij laat ons niet ledig staan:

  schoner dan de schoonste dromen

  breekt de dag der vrijheid aan.

---

*436

#7

1

  Jezus neemt de zondaars aan

  roept dit troostwoord toe aan allen,

  die verdwaald van Hem vandaan

  in het donker struik'len, vallen.

  Hij leert hun zijn wegen gaan,

  Jezus neemt de zondaars aan.

2

  Hoopt op Hem, heft op uw hoofd,

  want Hij houdt, dat staat geschreven

  wat Hij aan ons heeft beloofd.

  Hij zal ons het leven geven,

  't paradijs doen binnengaan,

  Jezus neemt de zondaars aan.

3

  Als een schaapje is verdwaald,

  zal de goede herder komen,

  die het vindt en die het haalt.

  Zo heeft Hij ons aangenomen,

  laat ons niet verloren gaan.

  Jezus neemt de zondaars aan.

4

  Komt gij allen, komt tot Hem.

  Weest niet meer bedroefd, verslagen.

  Jezus roept u, hoort zijn stem,

  kindren van zijn welbehagen,

  allen moogt gij tot Hem gaan,

  Jezus neemt de zondaars aan.

5

  Dit vertroost mij, geeft mij moed,

  zijn mijn zonden als scharlaken,

  Hij zal door zijn kostbaar bloed

  wit als sneeuw mijn leven maken.

  Hij zal mij terzijde staan,

  Jezus neemt de zondaars aan.

6

  Hoe 't geweten spreekt in mij,

  hoe de wet mij aan wil klagen,

  Die mij oordeelt, spreekt mij vrij,

  Hij heeft zelf mijn schuld gedragen,

  en mijn zonden weggedaan,

  Jezus neemt de zondaar aan.

7

  Jezus neemt de zondaars aan,

  mij ook heeft Hij aangenomen,

  doet de hemel opengaan.

  Tot mijn Heiland mag ik komen,

  die mij troost en bij zal staan.

  Jezus neemt de zondaars aan.

---

*437

#3

1

  Vernieuw Gij mij, o eeuwig Licht!

  God, laat mij voor uw aangezicht,

  geheel van U vervuld en rein,

  naar lijf en ziel herboren zijn.

2

  Schep, God, een nieuwe geest in mij,

  een geest van licht, zo klaar als Gij;

  dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt

  en ga de weg die U behaagt.

3

  Wees Gij de zon van mijn bestaan,

  dan kan ik veilig verder gaan,

  tot ik U zie, o eeuwig Licht,

  van aangezicht tot aangezicht.

---

*438

#5

1

  Heer geef mij vleugels dat ik reis

  tot door de sluier heen,

  en zie in 't stralend paradijs

  uw heil'gen om U heen.

2

  Die leden in hun aardse tijd

  aan twijfel, zonde en vrees,

  die mensen met verdriet en strijd,

  als wij zijn, zijn geweest.

3

  Ik vraag hen hoe het hiertoe kwam:

  een zegepraal zo groot.

  Wij danken, zeggen zij, het lam,

  wij leven uit zijn dood.

4

  Wij zijn zijn voetstap nagegaan,

  zijn liefde leidde ons voort.

  Wij kwamen in de hemel aan

  bij God, ons levend woord.

5

  Hem die als gids ons voorging prijst

  ons lied, Hij leidt ons nog.

  De wolk van de getuigen wijst

  dezelfde weg omhoog.

---

*439

#7

1

  Hoe glanst bij Gods kindren het innerlijk leven,

  al zijn zij door zonlicht en regen verweerd.

  Wat hun door de Koning des lichts is gegeven,

  dat houden zij teder naar binnen gekeerd.

  Het hart van hun werken,

  dat niemand kan merken,

  verlicht hen met liefde in leven en sterven

  en doet hen de hemelse zaligheid erven.

2

  Wel schijnen zij enkel geringen van buiten,

  voor engelen donker, voor mensen een spot,

  maar innerlijk zijn zij als lieflijke bruiden,

  het sieraad, de kroon en de glorie van God,

  zij die zich bereiden

  op 't einde der tijden.

  De koning zal onder de lelien weiden,

  in stralend gewaad zullen zij Hem geleiden.

3

  Uit Adams geslacht zijn zij allen geboren

  en hebben het aardse verlangen geproefd,

  zijn zondaren die aan het lichaam behoren,

  en eten en drinken naar dat het behoeft.

  In daag'lijkse zaken,

  in slapen en waken,

  zijn zij voor het aanzien niet anders dan and'ren,

  behalve dat zij in het licht willen wand'len.

4

  Want die in hun hart van het hemelse stammen,

  geboren uit God door zijn scheppende woord,

  van binnen zijn zij als de sierlijke vlammen

  van 't heilige vuur dat hun leven behoort.

  Het lied dat zij zingen

  met engelenkringen,

  dat zal, waar de eeuwige hemelen blinken,

  zo zoet en zo zuiver, zo innig weerklinken.

5

  Zij wand'len op aarde, zij zijn in de hemel,

  hun zwakheid bewaart deze wereld voor God.

  Zij smaken de vrede in 't aardse gewemel,

  zijn arm en zij hebben het hoogste genot.

  Zij hebben in lijden

  bestendig verblijden

  en liefelijk leven zij zuiver van zinnen.

  Zij hebben een blinkende wereld van binnen.

6

  Als Christus, hun leven, zich zal openbaren,

  wanneer Hij zal zijn, die Hij eind'lijk zal zijn,

  dan zullen zij met Hem als vorsten der aarde

  in glorie verschijnen, volkomen en rein.

  Zij zullen regeren,

  met Hem triomferen,

  als stralende lichten de hemelen sieren,

  het feest van de vreugde in eeuwigheid vieren.

7

  O Jezus, o schat die in 't hart is geborgen,

  o heimelijk sieraad dat glanst in de ziel,

  laat ons met U meegaan op weg naar de morgen,

  of 't kruis met zijn schaduw ook over ons viel.

  Hier leven terzijde

  in smaadheid en lijden,

  hier omgaan met Christus in stilte van binnen,

  daar eenmaal, zoals wij bemind zijn, beminnen.

---

*440

#4

1

  Ik heb de vaste grond gevonden,

  waarin mijn anker eeuwig hecht:

  de dood van Christus voor de zonden,

  van eeuwigheid als grond gelegd.

  Die grond zal onverwrikt bestaan,

  als aarde en hemel ondergaan.

2

  Het is het eeuwige erbarmen,

  dat mijn besef te boven gaat,

  het zijn de liefdevolle armen,

  het is zijn hart, dat openstaat.

  Hij noodt de zondaar, Hij vergeeft

  die Hem het hart gebroken heeft.

3

  O afgrond, waarin alle zonden

  verzinken en niet meer bestaan!

  O diep geheim van Christus' wonden,

  het oordeel is te niet gedaan!

  O Heer, uw bloed roept voor altijd:

  barmhartigheid, barmhartigheid!

4

  Daarop wil ik gelovig bouwen,

  getroost, wat mij ook wedervaart;

  mij aan Gods vaderhart vertrouwen,

  wanneer mijn zonde mij bezwaart.

  Steeds vind ik daar opnieuw bereid

  oneindige barmhartigheid.

---

*441

#12

1

  Komt, kinderen, niet dralen,

  want de avond is nabij! 

  Wij zouden licht verdwalen

  in deze woestenij.

  Komt, vatten wij dan moed

  naar de eeuwigheid te streven,

  van kracht tot kracht te leven.

  In 't eind is alles goed.

2

  Het zal ons niet berouwen

  de smalle weg te gaan.

  Hij riep ons, de Getrouwe,

  en Hij ging zelf vooraan.

  Komt en vertrouwt op Hem

  die u is voorgetogen

  en richt uw hart en ogen

  vast op Jeruzalem.

3

  Maar reist gij op uw wijze,

  dan reist gij nog niet goed.

  De rechte pelgrimsreize

  is tegen vlees en bloed.

  Hoe zoudt gij zonder pijn

  uw oude mens verlaten?

  Geen medicijn kan baten:

  er moet gestorven zijn.

4

  Wie eens ten hemel schouwde,

  van de aarde losgekocht,

  zijn hebben en zijn houden

  bezwaren slechts zijn tocht.

  Niets dan het daag'lijks brood

  is voor een pelgrim nodig.

  O draagt niets overbodig:

  gij draagt uzelve dood!

5

  Uw ziel moet gij stofferen,

  maar niet uw aardse stee.

  Als gij gaat pelgrimeren,

  wat neemt gij met u mee?

  Gemak wordt u tot last.

  Een pelgrim moet zich voegen,

  met alles vergenoegen,

  want hij is slechts te gast.

6

  Kunt gij het soms niet harden

  en wordt uw weg een kruis,

  als dorens u verwarden,

  't is toch de weg naar huis!

  't Is toch uw weg alleen!

  Welaan dan, gaan wij verder

  met onze trouwe Herder

  door alle diepten heen.

7

 Wij gaan als ingekeerden

  stil door een vreemd gebied,

  verachten voor de wereld,

  die men niet hoort of ziet.

  Maar geeft men op ons acht,

  dan hoort men hoe wij zingen

  van onze grote dingen:

  wij weten wat ons wacht!

8

  Komt, laat ons voortgaan, kindren!

  De Vader staat ons bij.

  Zou soms de last ons hind'ren,

  Hij gaat aan onze zij.

  Ja, Hij bemoedigt ons

  en zendt in de verschrikking

  zijn zon tot een verkwikking:

  Hij maakt het goed met ons!

9

  Komt, kindren tot elkander

  en wandelt hand in hand!

  Verblijdt u in elkander

  in dit onzalig land!

  Komt, kinderen, weest wijs!

  Gaat onderweg niet strijden!

  De eng'len zelf geleiden

  als broeders onze reis.

10

   Wordt een die zwak is, moede,

   een sterker grijp' zijn hand.

   De broeder steun' de broeder,

   zo blijft de liefd' in stand.

   Sluit vaster u aaneen!

   Weest voor een elk de minste,

   maar ook weer graag de meeste

   in liefdedienst alleen!

11

   Het zal niet lang meer duren,

   houdt nog maar even vol!

   Het zal niet lang meer duren,

   dan zijn wij bij ons doel!

   Daar wacht ons lafenis,

   als wij met alle vromen

   voor eeuwig mogen wonen

   waar onze Vader is.

12

   Wij moesten het maar wagen

   't is wel het wagen waard

   om niets meer mee te dragen

   dat onze ziel bezwaart.

   De wereld is te klein!

   Komt, gaat met Jezus mede

   in alle eeuwigheden!

   Het moet toch Jezus zijn!

---

*442

#4

1

  Jezus, ga ons voor

  deze wereld door,

  en U volgend op uw schreden

  gaan wij moedig met U mede.

  Leid ons aan uw hand

  naar het vaderland.

2

  Valt de weg ons lang,

  zijn wij klein en bang,

  sterk ons, Heer, om zonder klagen

  achter U ons kruis te dragen.

  Waar Gij voor ons tradt,

  is het rechte pad.

3

  Krimpt ons angstig hart

  onder eigen smart,

  moet het met de ander lijden,

  Jezus, geef ons kracht tot beide.

  Wees Gij zelf het licht

  dat ons troost en richt.

4

  In de woestenij,

  Heer, blijf ons nabij

  met uw troost en met uw zegen

  tot aan 't eind van onze wegen.

  Leid ons op uw tijd

  in uw heerlijkheid.

---

*443

#3

1

  Liefde Gods die elk beminnen

  hemelhoog te boven gaat,

  kom in onze harten binnen

  met uw milde overdaad.

  Jezus, een en al ontferming,

  daal van uit den hoge neer

  met uw heerlijke bescherming

  in ons bevend hart, o Heer.

2

  God almachtig boven mate,

  die zo nederig verscheen,

  keer opeens terug en laat ons

  nooit meer, nooit meer hier alleen.

  Laat ons in de kerk U prijzen

  met uw heiligen omhoog

  tot in 's hemels paradijzen

  wij U zien van oog tot oog.

3

  Wat Gij eenmaal zijt begonnen

  o voltooi het: maak ons rein,

  tot de wereld is gewonnen

  en in U hersteld zal zijn,

  tot wij eeuwig bij U wonen,

  schrijdende van licht tot licht,

  leggend onze gouden kronen

  zingend voor uw aangezicht.

--

*444

#3

1

  Grote God, wij loven U,

  Heer, o sterkste aller sterken!

  Heel de wereld buigt voor U

  en bewondert Uwe werken.

  Die Gij waart te allen tijd,

  blijft Gij ook in eeuwigheid.

2

  Alles wat U prijzen kan,

  U, de Eeuw'ge, Ongeziene,

  looft uw liefd' en zingt ervan.

  Alle eng'len, die U dienen,

  roepen U nooit lovensmoe:

  Heilig, heilig, heilig toe!

3

  Heer, ontferm U over ons,

  open uwe Vaderarmen,

  stort uw zegen over ons,

  neem ons op in uw erbarmen.

  Eeuwig blijft uw trouw bestaan

  laat ons niet verloren gaan.

---

*445

#3

1

  God heeft mij zijn Zoon gegeven,

  door 't geloof nam ik Hem aan;

  ja, ik weet het, ik zal leven,

  en door Hem ten hemel gaan.

  Zelfs eer ik nog was geboren,

  heeft mij God in Hem verkoren,

  eer zijn woord met scheppersmacht

  dit heelal tot aanzijn bracht.

2

  Jezus Christus is gestorven,

  is verrezen, ook voor mij,

  heeft de zegepraal verworven

  en het leven, ook voor mij.

  Aan Gods rechterhand gezeten,

  zal Hij nimmer mij vergeten,

  maar, uit deernis met mijn lot,

  treedt Hij voor mij in bij God.

3

  Ruwe stormen mogen woeden,

  alles om mij heen zij nacht,

  God, mijn God zal mij behoeden,

  God houdt voor mijn heil de wacht.

  Moet ik lang zijn hulp verbeiden,

  zijne liefde blijft mij leiden:

  door een nacht, hoe zwart, doe dicht,

  voert Hij mij in 't eeuwig licht.

---

*446

#7

1

  O Jezus, hoe vertrouwd en goed

  klinkt mij uw naam in 't oor,

  uw naam die mij geloven doet:

  Gij gaat mij reddend voor;

2

  uw naam die onze wonden heelt

  en ons met manna spijst,

  die onze dood en zonde deelt

  en onze vrees verdrijft.

3

  Mijn herder en mijn held, mijn vriend,

  mijn koning en profeet,

  mijn priester die mijn schuld ontbindt,

  mijn weg waarop ik treed;

4

  al wat ik doe, al wat ik wil,

  het is te zwak, te koud,

  maar sterk en vurig wordt de ziel

  wanneer zij U aanschouwt.

5

  Zolang Gij nog onzichtbaar zijt,

  een zon diep in de nacht,

  roep ik uw nadering reeds uit

  omdat ik U verwacht.

6

  O Jezus, hoe vertrouwd en goed

  klinkt mij uw naam in 't oor,

  als ik van alles scheiden moet

  gaat nog die naam mij voor.

7

  O naam, eeuwige ademtocht,

  een sterveling ben ik,

  als eens mijn eigen adem stokt

  dan draagt mij uw muziek.

---

*447

#6

1

  God gaat zijn ongekende gang

  vol donk're majesteit,

  die in de zee zijn voetstap plant

  en op de wolken rijdt.

2

  Uit grondeloze diepten put

  Hij licht, en vreugde uit pijn.

  Hij voert volmaakt zijn plannen uit,

  zijn wil is souverein.

3

  Geliefden Gods, schept nieuwe moed,

  de wolken die gij vreest,

  zijn zwaar van regen overvloed

  van zegen die geneest.

4

  Zoudt gij verstaan, waar Hij u leidt?

  Vertrouw Hem waar Hij gaat.

  Zijn duistere voorzienigheid

  verhult zijn mild gelaat.

5

  Wat Hij bedoelt dat rijpt tot zin,

  wordt klaar van uur tot uur.

  De knop is bitter, is begin,

  de bloem wordt licht en puur.

6

  Hoe blind vanuit zichzelve is

  het menselijk gezicht.

  Godzelf vertaalt de duisternis

  in eind'lijk eeuwig licht.

---

*448

#4

1

  Soms groet een licht van vreugde

  de christen als hij zingt:

  de Heer is 't die met vleugels

  van liefde hem omringt.

  Loopt alles ons ook tegen,

  Hij zal ons 't goede doen,

  Hij geeft na donk're regen

  een mild en klaar seizoen.

2

  Goddank, wij overdenken

  't geheim van onze Heer,

  het heil dat Hij wil schenken,

  dat nieuw is altijd weer.

  Bevrijd van onze zorgen

  begroeten wij de dag

  en vrezen niet de morgen,

  wat hij ook brengen mag.

3

  Hij die met heerlijkheden

  de lelien bekleedt,

  zal ook zijn kindren kleden,

  Hij kent ons lief en leed.

  Geen schepsel wordt vergeten,

  Hij houdt het al in stand,

  die vogels geeft te eten,

  Hij voedt ons uit zijn hand.

4

  Al zal geen wijnstok dragen,

  geen vijgeboom zijn vrucht,

  al ligt het veld te klagen

  onder een lege lucht,

  God doet zijn hand toch open,

  zijn lof krijgt stem in mij.

  Daar ik op Hem mag hopen,

  ben ik alleen maar blij.

---

*449

#4

1

  God enkel licht,

  wiens aangezicht

  zo blinkend is van luister,

  ziet ons onrein,

  ziet hoe wij zijn

  vervallen aan het duister.

2

  Der sterren pracht

  is voor Hem nacht,

  hoe hel zij schitt'ren mogen;

  en wij, bevlekt,

  met schuld bedekt,

  wat zijn wij in zijn ogen?

3

  Heer, waar dan heen?

  Tot U alleen!

  Gij zult ons niet verstoten.

  Uw eigen Zoon

  heeft tot uw troon

  de weg ons weer ontsloten.

4

  Ja, amen, ja,

  op Golgotha

  stierf Hij voor onze zonde. 

  Zijn schuld'loos bloed

  maakt alles goed

  en reinigt ons van zonde.

5

  God onze Heer,

  wil tot uw eer

  ons klein geloof versterken.

  Dan zullen wij

  Hem, waarlijk vrij,

  volgen in goede werken.

---

*450

#2

1

  Mijn ziel waartoe dit angstig vrezen

  geen wanhoop komt u ooit te sta.

  Gij zult hier steeds een zondaar wezen

  en moet hier leven van gena.

  O zalig hij, die uit zijn noden

  tot Jezus en zijn heil gevloden,

  van Hem alleen de hulp verbeidt!

  Op 't woord des Vaders te vertrouwen,

  en door 't geloof de Zoon te aanschouwen,

  dat is de weg tot heiligheid.

2

  O Gij die onze schuld woudt boeten

  door uwe nameloze pijn,

  o Heiland, leer mij aan uw voeten

  in eigen oog een zondaar zijn.

  Bij al mijn deugd, bij al mijn zonden

  vind ik geen troost, dan in uw wonden,

  geen hoop, dan als ik U aanschouw.

  Op uw genade zal ik leven,

  aan uw gena mij overgeven,

  Gij blijft de rots waarop ik bouw.

---

*451

#3

1

  Alle roem is uitgesloten

  onverdiende zalighe?n

  heb ik van mijn God genoten,

  'k roem in vrije gunst alleen!

  Ja, eer ik nog was geboren,

  eer Gods hand, die alles schiep,

  iets uit niet tot aanzijn riep,

  heeft zijn liefde mij verkoren:

  God is liefd', o englenstem,

  mensentong verheerlijkt Hem!

2

  Alzo lief had God de wereld,

  dat Hij zijn geliefde Zoon

  voor de afgevallen wereld

  overgaf aan smaad en hoon.

  Ja, toen wij nog zondaars waren,

  schonk de Vader ons gena,

  leed de Zoon op Golgotha,

  stierf voor ons, die zondaars waren:

  God is liefd', o englenstem,

  mensentong verheerlijkt Hem!

3

  Dat heet weergalooz' ontferming,

  dat genade, rijk en vrij!

  God schenkt redding en bescherming,

  aan verloornen, ook aan mij.

  Ja, wanneer mijn onvermogen,

  en mijn diep bederf mij smart,

  toont mij 't godlijk Vaderhart

  zijn verlossend mededogen:

  God is liefd', o englenstem,

  mensentong, verheerlijkt Hem!

---

*452

#3

1

  Verlosser, Vriend, o hoop, o lust

  van die U kennen, neem het lied,

  dat U in 't stof een sterv'ling biedt,

  een zondaar, die uw voeten kust.

  Een zondaar, een verlost', o Heer,

  en nu geen zondaar meer.

  O, neem het aan!

  Gij laat geen bidder staan,

  Gij hoort in hemelingen

  verloste zondaars zingen.

  O, neem het aan!

2

  Bedreigt mij leed, ontmoet mij smart,

  ik vrees geen kwaad, maar klaag het Hem.

  Hoe groot in eer, Hij hoort mijn stem,

  hoe ver van de aard, Hij kent mijn hart.

  Gods zoon vergeet de broeder niet

  die Hij op aarde liet.

  Hij is mijn hoop.

  Hij wies mij met zijn doop,

  Hij geeft mij brood en beker,

  'k ben van zijn liefde zeker.

  Hij is mijn hoop!

3

  Waar is een vreugd, een kalmt', een heil,

  zo zalig, als dit hoogst genot?

  Het vloeit uit God en keert tot God,

  het heeft noch maat, noch perk, noch peil.

  In Jezus is mijn zalig lot

  verborgen bij mijn God.

  Hij is mijn lust,

  ook als mijn stof een rust.

  O, prijst Hem, mijn gezangen!

  Ik blijf zijn komst verlangen.

  Hij is mijn lust!

---

*453

#4

1

  Ik weet waar mijn geloven

  onwrikbaar vast in staat,

  als alles wordt verstoven,

  tot zand en stof vergaat,

  ik weet wat nooit zal falen,

  wat blijft in eeuwigheid,

  wanneer de wijzen dwalen

  door eigen waan misleid.

2

  Ik weet wat eeuwig duren

  en staan zal in zijn stand,

  want God heeft Sions muren

  gebouwd met eigen hand.

  En in het hart der zijnen

  legt Hij de zekerheid

  dat zij voor Hem verschijnen

  in eeuwige zaligheid.

3

  Rotsvast staat ons vertrouwen,

  de hoeksteen is gelegd.

  Wij zullen Hem aanschouwen

  Hij heeft het zelf gezegd.

  Ons hart blijft op Hem hopen

  die ons heeft liefgehad.

  Straks gaan de poorten open

  der grote gouden stad.

4

  Ik weet waar mijn geloven

  onwrikbaar vast in staat,

  als alles wordt verstoven.

  Ik weet wat niet vergaat.

  Wat stand houdt als tot scherven

  de wereld zal vergaan

  wat glans houdt in het sterven

  en eeuwig zal bestaan.

---

*454

#4

1

  Wat zou ik zonder U geweest zijn,

  hoe zou ik zonder U bestaan?

  Ik zou ten prooi aan angst en vrees zijn

  en eenzaam door de wereld gaan.

  Mijn liefde tastte in den blinde.

  Een afgrond lag in het verschiet.

  En waar zou ik een trooster vinden

  die werk'lijk wist van mijn verdriet?

2

  Een diepe nacht zou mij omvangen

  waarna geen blijde morgen daagt.

  Ik werd verteerd door wild verlangen,

  door 's levens maalstroom weggevaagd.

  Ik zou alleen zijn, van het heden

  en van de toekomst ongewis.

  Wie kan er aarden hier beneden

  als er geen open hemel is?

3

  Maar Christus gaf mij taal en teken

  en ik ben zeker van zijn stem.

  De nacht is voor het licht geweken,

  het grond'loos lot krijgt zin door Hem.

  Nu word ik mens, herkrijg mijn vrijheid

  bij water, woord en brood en wijn,

  omdat ik weet van zijn nabijheid

  waar twee of drie vergaderd zijn.

4

  Gaat uit in wegen en in velden

  en breng verdwaalden bij ons thuis.

  Reikt hun de broederhand en meldt hun:

  De Koning noodt u in zijn huis'.

  Door het geloof zien wij het ware:

  de eeuwigheid vervult de tijd.

  En iedereen mag dat ervaren

  die Christus' naam met ons belijdt.

---

*455

#3

1

  Als Hij maar van mij is

  en ik ben van Hem,

  als ik, tot de dood nabij is,

  luister naar zijn trouwe stem,

  heb ik niets te lijden,

  leef ik in een vroom en stil verblijden.

2

  Als Hij maar van mij is

  laat ik alles staan,

  wil ik enkel zijn waar Hij is,

  volg ik Hem waar Hij zal gaan.

  Mij is om het even

  heel het lichte, luide, aardse leven.

3

  Waar Hij maar van mij is

  is mijn vaderland.

  Zie hoe Hij alom nabij is

  met de gaven van zijn hand.

  Broeders lang verloren

  vind ik weer in wie aan Hem behoren.

---

*456

#3

1

  Zegen ons Algoede,

  neem ons in uw hoede

  en verhef uw aangezicht

  over ons en geef ons licht.

2

  Stort, op onze bede,

  in ons hart uw vrede,

  en vervul ons met de kracht

  van uw Geest bij dag en nacht.

3

  Amen, amen, amen!

  Dat wij niet beschamen

  Jezus Christus onze Heer,

  amen, God, uw naam ter eer!

---

*457

#4

1

  Heilig, heilig, heilig! Heer, God almachtig,

  vroeg in de morgen word' U ons lied gewijd.

  Heilig, heilig, heilig! Liefdevol en machtig,

  Drievuldig God, die een in wezen zijt.

2

  Heilig, heilig, heilig! Heiligen aanbidden,

  werpen aan de glazen zee hun gouden kronen neer.

  Eeuwig zij U ere, waar Gij troont te midden

  al uwe eng'len, onvolprezen Heer.

3

  Heilig, heilig, heilig! Gij gehuld in duister,

  geen oog op aarde ziet U zoals Gij zijt.

  Gij alleen zijt heilig, enig in uw luister,

  een en al vuur en liefde en majesteit.

4

  Heilig, heilig, heilig! Heer, God almachtig

  hemel, zee en aarde verhoogt uw heerlijkheid.

  Heilig, heilig, heilig! Liefdevol en machtig,

  Drievuldig God, die een in wezen zijt.

---

*458

#6

1

  Tot U is het, Heer, dat ik vlucht,

  want mij is de vijand te machtig.

  Die zegt: Gij zijt boven de lucht

  uw dienaren niet meer gedachtig,

  Gij kent ons niet meer,

  Gij zult ons niet meer

  bevrijden van angsten en pijnen.

2

  Toch staat mij niets vaster dan dit:

  Gij kunt u niet verre bevinden,

  want steeds als het hart tot U bidt,

  vertroost Gij ons als uw beminden.

  Dit staat voor ons vast:

  in U, onze kracht,

  bewegen en leven en zijn wij.

3

  Gij gaaft ons in hart en in mond

  Uzelf, als de stem aan de vogels.

  Gij sloot door uw woord een verbond

  en in onze liederen woont Gij.

  Zomin als uw woord

  vergaat, zal het koor

  van die uw lofzingen teloorgaan.

4

  Hoe zwak Gij ook voor ons bestaat,

  hoe krachteloos wij U verwachten,

  Gods Zoon zijt Gij toch metterdaad,

  omringd door de hemelse machten.

  Wat klagen wij dan?

  Gods reddende hand

  redt ook met een wenk van zijn vinger!

5

  Uw naam heeft het hoogste gezag.

  Hoe hoog zich de golven verheffen,

  zij vallen terug voor uw macht,

  zij moeten zich laten gezeggen.

  Laat allen tezaam

  het zien: in uw naam

  staan engelen klaar om te dienen.

6

  Ja Heer, wij beseffen het weer

  hoe Gij ons vertroostend nabij zijt

  en met u het engelenheer

  ons stemt tot de hemelse blijheid.

  Geen plaats voor de smart.

  Schep vreugde, mijn hart!

  Geen tijd is het meer om te treuren.

---

*459

#8

1

  Door de nacht van strijd en zorgen

  schrijdt de stoet der pelgrims voort,

  vol verlangen naar de morgen,

  waar de hemel hen verhoort.

2

  Lied'ren zingend vol vertrouwen

  tot in het voltooide licht

  broeder broeder zal aanschouwen

  staande voor Gods aangezicht.

3

  Door de nacht leidt ons ten leven

  licht dat weerlicht overal,

  dat ons blinkend zal omgeven,

  als ons God ontvangen zal.

4

  In ons hart is dit de luister,

  dit de liefde die ons leidt

  op de kruistocht door het duister

  naar de lichte eeuwigheid.

5

  Met een lied uit duizend monden

  gaan wij zingend door de nacht,

  door een Geest tesaam verbonden,

  naar de kust waar God ons wacht.

6

  Een van hart en een van zinnen,

  een in onze aardse strijd,

  in ons hemels overwinnen,

  een in tijd en eeuwigheid.

7

  Zo gaan wij hier met elkander

  door de nacht op weg naar huis,

  pelgrims die uit alle landen

  samenkomen om het kruis.

8

  Die aan kruis en graf ontheven

  zullen zingen lof en prijs

  aan den Heer van dood en leven

  in zijn zalig paradijs.

---

*460

#5

1

  Loof de Koning, heel mijn wezen,

  gij bestaat in zijn geduld,

  want uw leven is genezen

  en vergeven is uw schuld.

  Loof de Koning, loof de Koning,

  tot gij Hem ontmoeten zult.

2

  Looft Hem als uw vaadren deden,

  eigent u zijn liefde toe,

  want Hij bergt u in zijn vrede,

  zegenend wordt Hij niet moe.

  Looft uw Vader, looft uw Vader,

  tot uw laatste adem toe.

3

  Ja, Hij spaart ons en Hij redt ons,

  Hij kent onze broze kracht.

  Hij bewaart ons, Hij ontzet ons

  van de boze en zijn macht.

  Looft uw Heiland, looft uw Heiland,

  die het licht is in de nacht.

4

  Snel vergaan de mensenkind'ren

  als de bloemen op het veld.

  God alleen is onverminderd

  steeds dezelfde sterke held!

  Looft de Heer van dood en leven,

  Hem die onze dagen telt.

5

  Engelen, zingt ja en amen

  met de Koning oog in oog!

  Zon en maan, buigt u tezamen

  en gij sterren hemelhoog!

  Looft uw Schepper, looft uw Schepper,

  looft Hem, die het al bewoog!

---

*461

#7

1

  O hoogt' en diepte, looft nu God

  aanbidt zijn heiligheid!

  Zijn woord werd nimmer nog gepeild,

  zijn weg is majesteit.

2

  O wondre liefd', o wijsheid Gods,

  toen zond' ons 't licht benam,

  hebt Gij 't verlossend pad gebaand:

  een tweede Adam kwam.

3

  De liefde is zo wijs en goed:

  wat eens in Adam viel,

  ons menselijke vlees en bloed,

  wordt leven weer en ziel.

4

  Ja, meer dan ziel en leven zijn

  gegund aan bloed en vlees:

  God-zelf zal in ons wezen zijn,

  zijn ademende Geest!

5

  Hij die voor ons gestreden heeft

  alleen, man tegen man,

  als God en mens geleden heeft

  wat niemand lijden kan,

6

  in het verborg'ne van de hof,

  aan 't kruis in stervensnood,

  heeft Hij aan ons de weg geleerd

  door lijden en door dood.

7

  O hoogt' en diepte, looft nu God,

  aanbidt zijn heiligheid!

  Zijn woord werd nimmer nog gepeild,

  zijn weg is veiligheid.

---

*462

#4

1

  Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de do"n,

  en Christus zal over u lichten!

  Zo wekt u, zo dringt u als broeder Gods Zoon,

  eer Hij u als rechter komt richten.

  Ontwaak en sta op, het gevaar is zo groot!

  Wie kiest, o verdwaasde, voor 't leven de dood?

2

  Ontwaak, gij die slaapt in de zonde, met spoed,

  de nacht is zo lang reeds verdwenen!

  Het licht der genade, met blijdschap begroet,

  heeft de aarde reeds eeuwen beschenen.

  En groots is uw roeping en heilig uw taak,

  en de uren zijn weinig, ontwaak dan, ontwaak!

3

  Sta op uit de doden, o zondaar en leef,

  dat Christus ook over u lichte!

  Sta op uit de doden, o zondaar, of beef

  voor God en het jongste gerichte!

  Nog wekt u de Heiland en nog is er raad,

  sta op uit de doden, 't is spoedig te laat!

4

  Welzalig de vrome, die wandelt in 't licht,

  door Christus de doodslaap ontrezen.

  Hoe vaak hier de dag voor de duisternis zwicht,

  't zal nimmermeer nacht voor hem wezen.

  Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de do?n!

  Zo spreekt van de hemel uw Heiland, Gods Zoon.

---

*463

#5

1

  O Heer die onze Vader zijt,

  vergeef ons onze schuld.

  Wijs ons de weg der zaligheid,

  en laat ons hart, door U geleid,

  met liefde zijn vervuld.

2

  Geef dat uw roepstem wordt gehoord,

  als eenmaal bij de zee.

  Geef dat ook wij uw nodend woord

  vertrouwen, volgen ongestoord,

  op weg gaan met U mee.

3

  O vrede van Tiberias,

  o heuvels in het rond,

  waar Jezus in het zachte gras

  de mensen liefhad en genas,

  en in hun midden stond.

4

  Leg Heer uw stille dauw van rust

  op onze duisternis.

  Neem van ons hart de vrees, de lust,

  en maak ons innerlijk bewust

  hoe schoon uw vrede is.

5

  Dat ons geen drift en pijn verblindt,

  geen hartstocht ons verwart.

  Maak Gij ons rein en welgezind,

  en spreek tot ons in vuur en wind,

  o stille stem in 't hart.

---

*464

#2

1

  Alle volken, looft de Here,

  aarde, zing een vrolijk lied!

  Juicht nu allen, geeft Hem ere:

  Hij vergeet de zijnen niet!

  In het beurtgezang der sferen,

  in des afgronds bange kreet

  ruist de lof, de lof des Heren,

  die de zijnen niet vergeet.

2

  Uit Hem vloeien alle krachten,

  tot Hem stijg' der aarde lied!

  Zalig, wie de Heer verwachten:

  Hij vergeet de zijnen niet!

  Smelt dan samen, Hem ter ere,

  diept' en hoogheid, lust en leed,

  in het loflied aan de Here,

  die de zijnen niet vergeet!

---

*465

#5

1

  Van U zijn alle dingen,

  van U, o God en Heer,

  van U de zegeningen

  die 'k biddende begeer.

  Gij wilt mijn weg omringen

  met liefde wijs en teer.

  Wat wij ooit goeds ontvingen,

  het is van U, o Heer.

2

  Nog voor wij U iets vragen,

  voorkomt Gij ons gebed.

  Gij hebt aleer wij klagen,

  op onze nood gelet.

  Gij helpt de last ons dragen,

  Gij steunt bij elke tred,

  zelfs bij de zwaarste plagen

  zijt Gij de God die redt.

3

  Hoe kent Gij al mijn noden,

  waarin Gij trouw voorziet.

  Gij geeft geen steen voor broden,

  een slang voor vissen niet!

  Wie komt tot U gevloden,

  wien Gij geen redding biedt?

  Gij laat de zondaar noden,

  nog eer hij tot U vliedt.

4

  O mocht ik U beminnen

  gelijk Gij mij bemint,

  laat heil'ge vrees van binnen

  mij leiden als uw kind!

  Mocht ik die rijkdom winnen,

  die roest noch mot verslindt,

  en werden nooit mijn zinnen

  door ijd'le glans verblind!

5

  U zal ik eeuwig eren,

  die eeuw'ge goedheid zijt!

  U blijve, Heer der heren,

  geheel mijn hart gewijd.

  Wat kan ik niet ontberen

  wanneer uw hand mij leidt,

  wat vuriger begeren

  dan uwe heerlijkheid!

---

*466

#3

1

  Als God, mijn God, maar voor mij is,

  wie is er dan mij tegen?

  Dan werken druk en droefenis

  mij nochtans tot een zegen;

  dan waakt alom een eng'lenwacht,

  dan zie ik sterren in de nacht

  en bloemen op mijn wegen.

2

  En wat er dreig', of wie er woed',

  mijn Herder blijft mij leiden.

  Geen donker dal van tegenspoed

  kan van zijn staf mij scheiden.

  Hij blijft mij overal nabij,

  naar stille waat'ren voert Hij mij

  en liefelijke weiden.

3

  Ik heb mijn God, dat is genoeg,

  ik wens mij niets daarneven.

  Veel meer dan 't meeste, dat ik vroeg,

  is mij in Hem gegeven:

  mijn hoogste goed, mijn troost in smart,

  het enig rustpunt van mijn hart,

  mijn eeuwig licht en leven.

---

*467

#4

1

  O eeuw'ge Vader, sterk in macht,

  wiens arm betoomt der baren kracht,

  die wijst de grond'looz' oceaan

  de hem gestelde perken aan,

  o wil verhoren onze bee

  voor hen die zijn in nood op zee!

2

  O Christus, wiens bestraffend woord

  door wind en water werd gehoord,

  die onder 't stormen rustig sliep

  en wandeld' over 't schuimend diep,

  o wil verhoren onze bee

  voor hen, die zijn in nood op zee!

3

  O Geest, die op de grote vloed

  gelijk een vogel hebt gebroed,

  breng Gij 't geweld der zee tot staan

  en laat de mens met vrede gaan.

  O wil verhoren onze bee

  voor hen, die zijn in nood op zee!

4

  O God, die ons behoeden wilt,

  bescherm de broeders, wees hun schild

  in storm en strijd, ga met ze mee

  en red ze van 't geweld der zee,

  dat land en water wijd en zijd

  lofzingen uw barmhartigheid.

---

*468

#1

1

  Heer, mijn hert is boos en schuldig,

  maar Gij zijt barmhartig, en

  duizend malen meer verduldig

  als dat ik boosaardig ben.

  Geef mij dan, o Heer, ik vrage 't

  geef mij hulp en sta mij bij;

  'k heb gezondigd, ik beklage 't,

  help mij God, vergeef het mij!

---

*469

#3

1

  Het leven is: een krijgsbanier,

  door goed' en kwade dagen

  gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,

  kloekmoedig voorwaarts dragen!

2

  Men tuimelt wel en wonden krijgt

  men dikwijls, dicht' en diepe;

  't en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,

  of hem de dood beliepe!

3

  Het leven is: geen vreed' alhier,

  geen wapenstilstand vragen.

  Het leven is: de kruisbanier

  tot in Gods handen dragen.

---

*470

#4

1

  Wat vlied' of bezwijk', getrouw is mij God,

  Hij blijft aan mijn zij in 't wisselend lot;

  moog 't hart soms ook beven in 't heetst van de strijd,

  zijn liefd' en ontferming vertroosten altijd.

2

  Verleid door het kwaad dat steeds mij belaagt,

  gevallen in schuld, door wroeging geplaagd,

  vertrouw ik slechts Hem, die mij leidt door zijn Geest,

  mijn zonden vergeeft en mijn smarten geneest.

3

  Als God mij vertroost, is 't kruis niet te zwaar,

  dan ken ik geen vrees in 't bangste gevaar,

  dan win ik al strijdend vertrouwen en kracht

  en zing ik mijn psalmen in duistere nacht.

4

  Ik roem in mijn God, ik juich in zijn trouw,

  de rots mijner ziel, waar 'k eeuwig op bouw.

  Ik zal Hem nog prijzen in 't uur van mijn dood,

  dan rijst nog mijn loflied: zijn goedheid is groot!

---

*471

#3

1

  Ik heb gejaagd, wel jaren lang,

  om goed en vroom te leven,

  maar 't werd mijn ziele toch te bang,

  mijn werken kon niets geven.

  Ik had mijn hart er toe gezet,

  om alles te beproeven,

  mijn zonden hebben 't mij belet,

  dit doet mij zeer bedroeven.

2

  Ik ben verdoold op deze jacht

  en werd door waan bedrogen.

  'k Had van mijn deugden veel verwacht,

  't heeft alles mij belogen.

  Ik had mijzelve slechts bemind

  en ijdelheid verkoren.

  Dit jagen heeft mij zo verblind,

  dat alles is verloren.

3

  O Jesu, Heer, ik bid tot U

  uit al mijns harten gronde:

  verlos mij van mijn zonden nu

  en voortaan te aller stonde,

  opdat ik met een zuiver oog

  in uw genade schouwe,

  en dat uw Geest mij leren moog'

  hoe ik U dien' met trouwe.

---

*472

#6

1

  Door uwe donk're sluier heen

  zoekt U mijn hart met zijn gebe?n,

  o eeuw'ge bron van al wat is,

  o groot, o diep geheimenis.

2

  Gelijk de bloem naar zonnegloed

  zo neigt mijn ziel naar 't hoogste goed;

  z' is voor altijd aan U geboeid,

  o liefde, die het al doorgloeit!

3

  Wie is er, die me aan U ontrukt?

  Uw merk, mijn ziele ingedrukt,

  uw zegel in de edelsteen,

  wijst altijd naar haar oorsprong heen.

4

  Gelijk aan 't verre, vreemde strand

  gedachten gaan naar 't vaderland,

  zo midden in dit aards gewoel

  vraagt mijne ziel naar 't eeuwig doel.

5

  De draad, die in de donkerheid

  mij door des doolhofs gangen leidt,

  brengt mij tot U, Gij trekt, Gij spant:

  want 't einde is in uwe hand.

6

  In 's levens droom en schemerschijn

  laat mij in U geborgen zijn,

  wees in de schaduw van de tijd

  mijn licht, o liefdes werk'lijkheid!

---

*473

#10

1

  Neem mijn leven, laat het, Heer,

  toegewijd zijn aan uw eer.

  Maak mijn uren en mijn tijd

  tot uw lof en dienst bereid.

2

  Neem mijn handen, maak ze sterk,

  trouw en vaardig tot uw werk.

  Maak dat ik mijn voeten zet

  op de wegen van uw wet.

3

  Neem mijn stem, opdat mijn lied

  U, mijn Koning, hulde biedt.

  Maak, o Heer, mijn lippen rein,

  dat zij uw getuigen zijn.

4

  Neem mijn zilver en mijn goud,

  dat ik niets aan U onthoud.

  Maak mijn kracht en mijn verstand

  tot een werktuig in uw hand.

5

  Neem mijn wil en maak hem vrij,

  dat hij U geheiligd zij.

  Maak mijn hart tot uwe troon,

  dat uw Heil'ge Geest er woon'.

6

  Neem mijn zonden en mijn schuld

  in 't beleid van uw geduld.

  Maak dat ik, opstandig kind,

  steeds de weg tot U hervind.

7

  Neem, o Trooster, mijn verdriet,

  Gij veracht mijn tranen niet.

  Maak dat ook in mij uw kracht

  steeds in zwakheid wordt volbracht.

8

  Neem en weeg mijn staat en stand

  in de weegschaal van uw hand.

  Maak dat ik in deemoed leer

  knecht te zijn, als Gij, o Heer.

9

  Neem en zegen alle vreugd,

  al 't geluk dat mij verheugt.

  Maak dat ik mij nimmer schaam

  mens te wezen in uw naam.

10

   Neem ook mijne liefde, Heer,

   'k leg voor U haar schatten neer.

   Neem mijzelf en voor altijd

   ben ik aan U toegewijd.

---

*474

#3

1

  God roept ons, broeders, tot de daad;

  zijn werk wacht, treedt dan aan

  en weest gereed om elke weg,

  die Hij u wijst, te gaan.

  Wij weten dat, wat komen mag,

  toch hij slechts wint die waagt,

  en wie zich zelve geven wil

  door 't donker vlammen draagt.

2

  God roept, en in Hem is de kracht,

  die onze zwakheid staalt.

  Dit is de vreugd, dat Hij het doel

  en onze vaart bepaalt.

  Dat Hij ons over grenzen heen

  laat zien het groot gezicht

  van aller mensen broederschap

  in 't ene, godlijk licht.

3

  God roept, en wat de mensen scheidt

  dat zij geen scheiding meer;

  zijn liefde houde ons allen saam

  en samen met de Heer.

  Want wat er in de wereld woed',

  toch is het God die wint

  en in een elk die Hem behoort

  het nieuwe rijk begint.

---

*475

#3

1

  Geef mij, Heer, mij los te zingen

  van de wereld en haar strijd;

  laat uw vrede mij doordringen

  die van alle vrees bevrijdt;

  en mij blijde doet belijden

  dat Gij mij gemeenzaam zijt;

  toeft Ge ook lang, 'k blijf U verbeiden:

  red mij uit mijn eenzaamheid.

2

  Zij mijn zingen: doortocht geven

  aan uw overzijdse stem,

  onweerstandelijk gedreven

  tot de jubel: 'k ben van Hem;

  in uw zacht geweld wil 'k wezen

  onvoorwaardelijk uw knecht

  en van de eigen wil genezen;

  Heer, ik dien U nog zo slecht.

3

  Als geen zonde, onbeleden,

  als ons niets en niemand scheidt,

  vloeit mijn ziel vol van een vrede

  die me ontvoert aan tijd en strijd.

  Heer, Gij weet mijn diepst begeren:

  met van vreugd gespannen stem

  hier te mogen preluderen

  't lied van 't nieuw Jeruzalem.

---

*476

#5

1

  Eeuwig Woord, U willen wij bezingen,

  God uit God en Licht uit Licht;

  Wijsheid, voor de aanvang aller dingen

  spelend voor Gods aangezicht;

  engel Gods uit Isrels oude dagen,

  Zoon van 's Vaders eeuwig welbehagen,

  dienaar van Gods hoog bevel,

  kind der maagd, Immanu?l!

2

  Lam van God, in eeuwigheid te prijzen,

  die voor 's werelds zonden boet,

  uw gekruisigd vlees is waarlijk spijze,

  waarlijk drank uw heilig bloed.

  Uit een duister, vrees'lijk boven mate

  riept Gij tot Hem die U had verlaten,

  maar uw stem breekt door de nacht:

  Vader, wereld, 't is volbracht.

3

  Meester, Heer, uw graf kon U niet houden:

  heerlijk zijt Gij opgestaan.

  Die U als verrezene aanschouwden

  baden U verwonderd aan.

  Op de berg hebt Gij bevel gegeven,

  en van de aarde zegenend verheven

  zondt Gij op het Pinksterfeest

  als in storm en vuur uw Geest.

4

  Mensenzoon tussen de kandelaren,

  Wortel Davids, Morgenster,

  blijf uw kerk vergaderen, bewaren,

  roep haar van nabij en ver.

  Laat de luchters branden van uw klaarheid,

  maak uw kerk tot pijlers van uw waarheid,

  schuilplaats in de wildernis,

  huis waarin uw vrede is.

5

  Levensvorst, U loven de geslachten,

  en tot uw verborgen tijd

  blijft de bruid uw wederkomst verwachten,

  't einde van haar bange strijd.

  Houd haar waakzaam; doe haar, 't hoofd geheven,

  uit die hoge heilsverwachting leven,

  tot zij op de jongste dag,

  met U triumferen mag.

---

*477

#2

1

  Geest van hierboven,

  leer ons geloven,

  hopen, liefhebben door uw kracht!

  Hemelse Vrede,

  deel U nu mede

  aan een wereld die U verwacht!

  Wij mogen zingen

  van grote dingen,

  als wij ontvangen

  al ons verlangen,

  met Christus opgestaan. Halleluja!

  Eeuwigheidsleven

  zal Hij ons geven,

  als wij herboren

  Hem toebehoren,

  die ons is voorgegaan. Halleluja!

2

  Wat kan ons schaden,

  wat van U scheiden,

  Liefde die ons hebt liefgehad?

  Niets is ten kwade,

  wat wij ook lijden,

  Gij houdt ons bij de hand gevat.

  Gij hebt de zege

  voor ons verkregen,

  Gij zult op aarde

  de macht aanvaarden

  en onze koning zijn. Halleluja!

  Gij, onze Here,

  doet triomferen

  die naar U heten

  en in U weten,

  dat wij Gods zonen zijn. Halleluja!

---

*478

#7

1

  Prijst des Heren machtig woord.

  Aarde en hemel bracht het voort,

  aan de mens deelt het zich mede.

  Door zijn wetten leven wij,

  voor zijn oordeel beven wij,

  maar zijn vrijspraak geeft ons vrede.

2

  God beveelt. Het niets krimpt saam.

  Op het roepen van hun naam

  worden dag en nacht gescheiden.

  Sterren, sprank'lend hemelstof,

  seinen, schijnen licht en lof

  en bepalen de getijden.

3

  't Zinsverband van Gods verbond

  legt het woord in Adams mond,

  brengt hem met de vrouw tezamen.

  Waar de mens de mens ontmoet,

  als zijn eigen vlees en bloed,

  spreekt de taal het ja en amen.

4

  God gebiedt. In vuur en wolk

  toont Hij aan zijn sidd'rend volk

  dood en leven, vloek en zegen.

  En wie luistert wordt gezet,

  in de vreugde van de wet,

  op de welgebaande wegen.

5

  God klaagt aan. Geen sterveling

  kan bestaan in dat geding.

  Allen zijn in schuld verloren.

  Bergen, werpt u op ons neer,

  roepen zij, laat ons niet meer

  van dit vrees'lijk spreken horen!

6

  God vergeeft. Wie weerloos zwicht

  voor het opperste gericht,

  die ontdekt met vrees en beven

  dat de eiser voor hen pleit,

  dat de rechter met hem lijdt,

  dat het vonnis luidt: het leven.

7

  Prijst des Heren machtig woord.

  Aarde en hemel bracht het voort,

  aan de mens deelt het zich mede.

  Innigheid, in 't hart gegrond,

  wordt tot lofzang in de mond,

  spreekt in heel Gods rijk van vrede.

---

*479

#4

1

  Aan U behoort, o Heer der heren,

  de aarde met haar wel en wee,

  de steile bergen, koele meren,

  het vaste land, de onzeek're zee.

  Van U getuigen dag en nacht.

  Gij hebt ze heerlijk voortgebracht.

2

  Gij roept het jonge leven wakker,

  een tuin bloeit rond het open graf.

  Er ruisen halmen op de akker

  waar zich het zaad verloren gaf.

  En vele korrels vormen saam

  een kostbaar brood in uwe naam.

3

  Gij hebt de bloemen op de velden

  met koninklijke pracht bekleed.

  De zorgeloze vogels melden

  dat Gij uw schepping niet vergeet.

  't Is alles een gelijkenis

  van meer dan aards geheimenis.

4

  Laat dan mijn hart U toebehoren

  en laat mij door de wereld gaan

  met open ogen, open oren

  om al uw tekens te verstaan.

  Dan is het aardse leven goed,

  omdat de hemel mij begroet.

---

*480

#5

1

  Gij hebt, o Vader van het leven,

  de aarde aan de mens gegeven,

  het land, de zee is zijn domein.

  Gij hebt hem aan het woord doen komen

  om tussen werk'lijkheid en dromen

  getuige van uw Geest te zijn.

2

  Uw wijsheid en uw welbehagen

  bepalen 's mensen levensdagen

  en wijzen hem zijn woonplaats aan.

  Hij is ten prooi aan duizend vrezen,

  toch mag hij vrij en veilig wezen

  en heersen over het bestaan.

3

  Hij overmant de wilde dieren,

  vaart uit op zee?n en rivieren,

  doorzoekt der aarde donk're schoot.

  Ja, hij snelt voort op hoge winden

  om de allerlaatste grens te vinden.

  Zo vindt hij onverhoeds de dood.

4

  Door een geheimenis omsloten,

  door alle dingen uitgestoten,

  gaat hij op alle dingen in.

  Alleen uw woord geeft aan zijn falen,

  zijn rust'loos zoeken en verdwalen

  een onuitsprekelijke zin.

5

  O God, wij bouwen als ontheemden,

  wij wonen en wij blijven vreemden,

  bestemd voor hoger burgerrecht.

  Wil ons, o Koning der getijden,

  een woning in de stad bereiden

  waar Gij het fundament van legt.

---

*481

#4

1

  O grote God die liefde zijt,

  o Vader van ons leven,

  vervul ons hart, dat wij altijd

  ons aan uw liefde geven.

  Laat ons het zout der aarde zijn,

  het licht der wereld, klaar en rein.

  Laat ons uw woord bewaren,

  uw waarheid openbaren.

2

  Maak ons volbrengers van dat woord,

  getuigen van uw vrede,

  dan gaat wie aarzelt met ons voort,

  wie afdwaalt met ons mede.

  Laat ons getrouw de weg begaan

  tot allen die ons verre staan

  en laat ons zonder vrezen

  de minste willen wezen.

3

  Leer ons het goddelijk beleid

  der liefde te beamen,

  opdat wij niet door onze strijd

  uw goede trouw beschamen.

  Leg ons de woorden in de mond

  die weer herstellen uw verbond.

  Spreek zelf door onze daden

  van vrede en genade.

4

  Wij danken U, o liefde groot,

  dat Christus is gekomen.

  Wij hebben in zijn stervensnood

  uw diepste woord vernomen.

  Nog klinkt dat woord; het spreekt met macht

  en het wordt overal volbracht

  waar liefde wordt gegeven,

  wij uit uw liefde leven.

---

*482

#8

1

  De eersten zijn de laatsten,

  wie nakomt gaat voorop,

  zij moeten zich niet haasten,

  die leven van de hoop.

2

  God moge ons behoeden,

  wij zien elkander aan,

  de broeder kent de broeder

  als een die voor moet gaan.

3

  Zo staat het voorgeschreven,

  zo is het steeds voorzegd,

  wie achter is gebleven

  krijgt eerstgeboorterecht.

4

  Het onderste komt boven,

  de torens vallen om,

  het woord is aan de doven,

  de waarheid aan de droom.

5

  Wie later is geboren

  komt eerder aan de tijd,

  wie lager thuisbehoren

  gaan hogerop vrijuit.

6

  Zo hoog zijn Gods gedachten,

  zij gaan de tijden door,

  wie voor was blijft ten achter,

  wie achterbleef gaat voor.

7

  Veracht dan niet de kleinen

  en die verloren zijn,

  want God noemt hen de zijnen

  die laatgeboren zijn.

8

  De eersten zijn de laatsten,

  wie nakomt gaat voorop!

  Kiest dan de goede plaatsen

  en geeft uw hart aan God.

---

*483

#4

1

  Gij die alle sterren houdt

  in uw hand gevangen,

  Here God, hoe duizendvoud

  wekt Gij ons verlangen!

  Ach, ons hart

  is verward,

  leer het op uw lichte

  hoge rijk zich richten.

2

  Want de lichten die wij zelf

  aan de hemel stelden,

  glinst'rend in het zwart gewelf,

  sterren, ongetelde,

  al hun glans

  dooft nochtans,

  dan is heel ons leven

  door de nacht omgeven.

3

  God, is dan wat U verliet

  uit uw hand gevallen?

  Mist Gij onze wereld niet

  bij uw duizendtallen?

  Blijf niet ver,

  doe een ster

  in de nacht ons gloren,

  of wij zijn verloren!

4

  Christus, stille vaste ster,

  o Gij licht der lichten,

  waarnaar wij van her en der

  onze schreden richten,

  geef ons moed;

  't is ons goed

  U te zien, Getrouwe,

  uw hoog rijk te aanschouwen.

---

*484

#4

1

  Waarom moest ik uw stem verstaan?

  Waarom, Heer moet ik tot U gaan

  zo ongewende paden?

  Waarom bracht Gij

  die onrust mij

  in 't bloed is dat genade?

2

  Gij maakt mij steeds meer vreemdeling.

  Ontvreemdt Ge mij dan, ding voor ding,

  al 't oude en vertrouwde?

  O blinde schrik,

  mijn God, mag ik

  niet eens mijzelf behouden?

3

  Want ik zie voor mij kruis na kruis

  mijn weg langs en geen enkel huis

  waar ik nog rust zou vinden.

  Kom ik zo echt

  bij U terecht,

  ben ik wel uw beminde?

4

  Spreek Gij dan in mijn hart en zeg,

  dat het zo goed is, dat die weg

  ook door uw Zoon gegaan is,

  en dat uw land

  naar alle kant

  niet ver bij mij vandaan is.

---

*485

#3

1

  O Christus, wees geprezen!

  Gij hebt ons vrij gemaakt

  om nooit meer slaaf te wezen,

  weerloos en zwak en naakt.

  Gij hebt ons uitverkoren

  om, aan Uzelf gelijk,

  als koningen herboren

  te heersen in uw rijk.

  Dat wordt nog niet geweten,

  dat is sinds lang vergeten,

  dat houdt voor ons verborgen

  de Mensenmoordenaar;

  maar eenmaal, op uw morgen,

  dan wordt het openbaar.

2

  Gij enige bevrijde,

  die, toen Gij werd verzocht,

  uw ziel en zaligheid aan

  de duivel niet verkocht,

  Gij hebt hem wedersproken,

  Gij hebt Gods woord volbracht,

  en zo hebt Gij verbroken

  de bankring van zijn macht.

  Nu zijn in uw nabijheid,

  o Christus, wij de vrijheid,

  de vrijheid van Gods kindren,

  het leven ingegaan,

  geen macht kan meer verhind'ren,

  dat wij voor God staan.

3

  Geef dat wij als bevrijden

  nu zonder vrees of blaam

  met deze vijand strijden,

  o Christus, in uw naam,

  ontmaskerend de machten

  waarin hij zich vermomt,

  terwille van wie smachten

  of niet de vrijheid komt.

  Laat al wie zijn gebonden,

  vervolgd, verdrukt, geschonden

  bij ons zich veilig weten.

  Maak ons aan U gelijk,

  Christus naar wie wij heten,

  voorboden van uw rijk.

---

*486

#4

1

  Wij rijken, zeer door U bemind,

  die eeuwenlang uw woord bezaten,

  hebt Gij ons, Here, doof en blind

  met wat Gij gaaft alleen gelaten?

2

  Wij kennen nog uw woorden wel,

  wij raden zelfs naar uw gedachten;

  maar wat, als Gij ons in ons spel

  verrast, Heer die wij niet verwachten?

3

  Wat, als Gij ons dan vragen zult

  naar wat wij deden met uw gaven,

  en al uw werk blijkt onvervuld,

  uw rijkdom in ons hart begraven?

4

  Gij, wie de rijke jongeling

  vol droefenis de rug toekeerde,

  de weg liep dood, waarlangs hij ging.

  Dwing Gij ons, U te volgen, Here!

---

*487

#3

1

  De Heer heeft mij gezien en onverwacht

  ben ik opnieuw geboren en getogen.

  Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht,

  gaf mij een levend hart en nieuwe ogen.

  Zo komt Hij steeds met stille overmacht

  en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.

2

  Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit.

  Heeft in zijn handen onze naam geschreven.

  De Heer wil ons bewonen als zijn huis,

  plant als een boom in ons zijn eigen leven,

  wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid

  en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.

3

  Gij geeft het uw beminden in de slaap,

  Gij zaait uw naam in onze diepste dromen.

  Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt

  zoals de regen neerdaalt in de bomen,

  zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat,

  zo zult Gij uw beminden overkomen.

---

*488a

#5

1

  Zolang er mensen zijn op aarde,

  zolang de aarde vruchten geeft,

  zolang zijt Gij ons aller Vader,

  wij danken U voor al wat leeft.

2

  Zolang de mensen woorden spreken,

  zolang wij voor elkaar bestaan,

  zolang zult Gij ons niet ontbreken,

  wij danken U in Jezus' naam.

3

  Gij voedt de vogels in de bomen,

  Gij kleedt de bloemen op het veld,

  o Heer, Gij zijt mijn onderkomen

  en al mijn dagen zijn geteld.

4

  Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven,

  Gij redt de wereld van de dood.

  Gij hebt uw Zoon aan ons gegeven,

  zijn lichaam is het levend brood.

5

  Daarom moet alles U aanbidden,

  uw liefde heeft het voortgebracht,

  Vader, Gijzelf zijt in ons midden,

  o Heer, wij zijn van uw geslacht.

---

*488b

#5

1

  Zolang er mensen zijn op aarde,

  zolang de aarde vruchten geeft,

  zolang zijt Gij ons aller Vader,

  wij danken U voor al wat leeft.

2

  Zolang de mensen woorden spreken,

  zolang wij voor elkaar bestaan,

  zolang zult Gij ons niet ontbreken,

  wij danken U in Jezus' naam.

3

  Gij voedt de vogels in de bomen,

  Gij kleedt de bloemen op het veld,

  o Heer, Gij zijt mijn onderkomen

  en al mijn dagen zijn geteld.

4

  Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven,

  Gij redt de wereld van de dood.

  Gij hebt uw Zoon aan ons gegeven,

  zijn lichaam is het levend brood.

5

  Daarom moet alles U aanbidden,

  uw liefde heeft het voortgebracht,

  Vader, Gijzelf zijt in ons midden,

  o Heer, wij zijn van uw geslacht.

---

*489

#6

1

  Een mens te zijn op aarde,

  is eens voorgoed geboren zijn,

  is levenslang geboortepijn.

  Een mens te zijn op aarde

  is leven van de wind.

2

  De bomen hebben wortels

  de bomen mogen stevig staan

  maar mensen moeten verder gaan.

  De bomen hebben wortels

  maar mensen gaan voorbij.

3

  De vossen hebben holen

  de mensen weten heg noch steg

  zijn altijd naar hun huis op weg.

  De vossen hebben holen

  maar wie is onze weg?

4

  De mensen hebben zorgen

  het brood is duur, het lichaam zwaar

  en wij verslijten aan elkaar.

  Wie kent de dag van morgen?

  De dood komt lang verwacht.

5

  Een mens te zijn op aarde

  is pijnlijk begenadigd zijn

  en zoeken, nooit verzadigd zijn,

  is rusten in de aarde

  als alles is volbracht.

6

  Hoe zullen wij volbrengen

  wat door de eeuwen duren moet

  een mens te zijn die sterven moet?

  Wij branden van verlangen

  tot alles is voltooid.

---

*490

#10

1

  Hier is een stad gebouwd

  overal om ons heen,

  huizen en bomen en

  mensen van licht en steen.

2

  Huizen van vrede voor

  mensen van vlees en bloed.

  Veilig onveilig, zo

  leven zij bitterzoet.

3

  Overal haast en ver-

  keer dat geen richting heeft,

  wolken lawaai als een

  vuur dat geen warmte geeft.

4

  Woorden gaan over en

  weer, waar de mensen zijn.

  Woorden zijn lief en leed,

  rouw en geboortepijn.

5

  Iedereen wil wel een

  ander, maar weet niet hoe.

  Iedereen gaat zo zijn

  weg, wie weet waar naar toe.

6

  Mensen gaan twee aan twee,

  overvloed en woestijn,

  zoeken een woning en

  willen geborgen zijn.

7

  Een stad is man en vrouw,

  opstaan en slapen gaan,

  mensen die dagelijks

  doodgaan en voortbestaan.

8

  Leven is liefde doen,

  gaan in het oude spoor:

  mensen zijn vader en

  zoon, en dat gaat maar door.

9

  Leven is overal

  tussen fabrieken en flat

  bloemen en kinderspel,

  licht op muziek gezet.

10

   Is er een stad zonder

   dood zonder duisternis,

   komt er een stad waar de

   zon niet meer nodig is?

---

*491

#3

1

  Gij zijt voorbij gegaan,

  een steekvlam in de nacht.

  De vonken van uw naam

  zijn ogen in ons hart.

  In flarden hangt uw woord

  om onze wereld heen,

  wij leven in U voort,

  wij zijn met U bekleed.

2

  Gij zijt voorbijgegaan,

  een voetspoor in de zee.

  Gij zijt te ver gegaan,

  Gij zijt een mens te veel.

  Gij zijt voorgoed, Gij zijt

  verborgen in uw God.

  Geen stilte spreekt U uit,

  ondenkbaar is uw dood.

3

  Gij zijt voorbijgegaan,

  een vreemd bekend gezicht,

  een stuk van ons bestaan,

  een vriend, een spoor van licht.

  Uw licht is in mijn bloed,

  mijn lichaam is uw dag,

  ik hoop U tegemoet

  zolang ik leven mag.