---
Gereformeerd Kerkboek
De Gezangen
Uitgave 1984
---
*1
#9
1
Gedenk, o volk met heilig beven,
hoe God, met majesteit bekleed,
zijn wet op Horeb heeft gegeven
en zijn Tien Woorden horen deed:
2
Ik ben de HEER, die als uw Koning
u uit Egypte heb geleid.
Ik riep u uit uw slavenwoning,
mijn sterke arm heeft u bevrijd.
3
Geef nooit mijn eer aan andre goden.
Leef heilig voor mijn aangezicht.
Vertrouw op Mij in al uw noden,
uw hart alleen op Mij gericht.
4
Voor beeldendienst zult gij u wachten,
Ik duld geen eigenwilligheid.
Ik straf dat kwaad in de geslachten,
maar zegen uw gehoorzaamheid.
5
Gij zult van God niet ijdel spreken,
gebruik zijn naam in heiligheid.
Onheilig zweren zal Hij wreken.
Welzalig wie de HEER belijdt
6
Gedenk bij 't werk, u opgedragen,
de sabbat, aan de HEER gewijd:
God schiep de wereld in zes dagen
en heeft Zich in zijn werk verblijd.
7
Gij zult uw ouders eer betonen,
opdat uw HEER, die eeuwig leeft,
u vele dagen zal doen wonen
in 't land, dat Hij, uw God, u geeft.
8
Gij zult niet doodslaan en niet haten
de mens, die God geschapen heeft.
Nooit mag de liefde u verlaten.
Doe goed aan hem die naast u leeft.
9
Gij zult het huwlijk niet verbreken.
Leef niet onkuis, maar houd u rein.
Wees ingetogen in uw spreken.
Gij zult de HERE heilig zijn.
10
Gij zult bedrog noch diefstal plegen,
mijn is het zilver en het goud.
Beheer 't bezit, door u verkregen,
voor Hem die u dat toevertrouwt.
11
Gij zult geen vals getuignis spreken,
weer van uw naaste smaad en leed.
God zal de lage laster wreken,
zijn toorn treft hem die leugens smeedt.
12
Uw hart zal nimmer iets begeren
van al wat van uw naaste is.
Al Gods geboden zult gij eren
en houden zijn getuigenis.
13
Geef dat wij trouw uw wet betrachten.
Gedenk ons in barmhartigheid.
Schenk ons in Christus nieuwe krachten
tot liefdedienst uit dankbaarheid.
---
*2
#5
1
'k Geloof in God, de Vader, die uit niets
geschapen heeft zijn hemelwoning,
almachtig in het leven riep
de aarde met de mens als koning.
God die met kracht in eeuwigheid
regeert door zijn voorzienigheid,
zal aan zijn vaderhand mij leiden
met trouw in voor- en tegenspoed,
om Christus' wil mij veilig weiden,
zoals een goede herder doet.
2
'k Geloof in God de Zoon, zijn enig kind,
in Jezus, redder van de zonden,
zodat geen kwaad de machtsstrijd wint.
Bevrijder is Hij door zijn wonden,
de Christus, onze sterke Heer,
die ik als Priester-Koning eer,
Profeet en allerhoogste Leraar.
Ontvangen van de Heilge Geest,
geboren uit de maagd Maria,
is Hij als mens bij ons geweest.
3
Gods oordeel heeft Hij moeten ondergaan
als onze Middelaar, de Christus;
Hij heeft als offerlam gestaan
voor rechter Pontius Pilatus.
Hij leed aan 't kruis, door God vervloekt,
schonk leven door zijn kostbaar bloed.
Hij stierf voor ons en werd begraven;
met helse straf heeft Hij betaald.
Nu zal ik zonden steeds meer haten,
zie hoe het eeuwig leven straalt.
4
De derde dag stond Hij, de vorst, weer op:
de sterke dood was overwonnen.
Daarna voer Hij ten hemel op;
Hij pleit voor vrijspraak van de zonden.
Gezeten aan Gods rechterhand
zendt Hij zijn geest als tegenpand;
als Koning geeft Hij zijn geboden,
totdat Hij nog eens komen zal
en oordeelt levenden en doden
na glorieus bazuingeschal.
5
'k Geloof in God, de Heilge Geest, die troost
en hoop aan Christus' kerk wil geven.
'k Geloof een kerk, die wereldwijd
verbonden is in leer en leven;
als bruid van Christus, die haar leidt,
is zij getooid met heiligheid.
'k Belijd vergeving van de zonden.
Ik weet: mijn vlees wordt opgewekt
en zal dan, met mijn ziel verbonden,
weer leven, eeuwig onbevlekt.
---
*3
#1
1
Ik geloof in God de Vader,
de Almachtige, Schepper des hemels
en der aarde.
En in Jezus Christus,
zijnen eniggeboren Zoon, onze Here;
die ontvangen is van de Heilige Geest,
geboren uit de maagd Maria;
die geleden heeft onder Pontius Pilatus,
is gekruisigd, gestorven en begraven,
nedergedaald ter helle;
ten derden dage wederom opgestaan
van de doden;
opgevaren ten hemel,
zittende ter rechterhand Gods,
des almachtigen Vaders,
vanwaar Hij komen zal om te oordelen
de levenden en de doden.
Ik geloof in de Heilige Geest.
Ik geloof ene heilige, algemene,
christelijke kerk,
de gemeenschap der heiligen;
vergeving der zonden;
wederopstanding des vlezes;
en een eeuwig leven.
Amen, amen
Amen.
---
*4
#1
1
Ik geloof in God de Vader, de Almachtige,
Schepper van de hemel en de aarde.
En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon,
onze Here;
die ontvangen is van de Heilige Geest,
geboren uit de maagd Maria;
die geleden heeft onder Pontius Pilatus,
is gekruisigd, gestorven en begraven,
neergedaald in de hel;
op de derde dag opgestaan
uit de doden;
opgevaren naar de hemel,
en zit aan de rechterhand van God,
de almachtige Vader,
vandaar zal Hij komen om te oordelen
de levenden en de doden.
Ik geloof in de Heilige Geest.
Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk,
de gemeenschap der heiligen;
vergeving van de zonden;
opstanding van het vlees;
en een eeuwig leven. Amen.
---
*5
#10
1
O allerhoogste Majesteit,
die in het rijk der heerlijkheid
de heem'len hebt tot Uwen troon,
wij roepen U, in Uwen Zoon,
die voor ons heeft genoeggedaan,
als onzen Vader needrig aan.
2
Geheiligd word' Uw Naam; o geef,
dat elk, waar hij op aarde leev',
die vadernaam erkennen moog',
uw deugden roeme hemelhoog.
Dat elk als kind aan U gelijk'
en in zijn doen Uw beeltnis blijk'.
3
Uw koninkrijk koom' toch, o Heer'
o, werp de troon des satans neer;
regeer ons door uw Geest en Woord;
uw lof word' eens alom gehoord
en d' aarde met uw vrees vervuld,
totdat G' uw rijk volmaken zult.
4
Uw wil geschied', uw wil alleen,
als in de hemel, hier beneˆn;
uw wil is altijd wijs en goed.
't Is majesteit al wat Gij doet,
Dat ieder stil daarin berust'
en uw bevelen doe met lust.
5
Geef heden ons ons daaglijks brood;
betoon uw trouwe zorg in nood.
Gij weet wat elk op aard' behoev',
dat ons dan geen gebrek bedroev'.
Dat nooit uw zegen van ons wijk':
die maakt alleen ons blij en rijk.
6
Vergeef ons onze schulden, Heer,
Wij schonden al te snood uw eer;
De boosheid kleeft ons altijd aan:
wie onzer zou voor U bestaan,
had Jezus niet voor ons geleˆn?
Wij schelden kwijt die ons misdeˆn.
7
Leid ons in geen verzoeking ooit,
verberg voor ons Uw aanschijn nooit.
Gij weet het, onze kracht is klein,
de driften veel, en 't hart onrein.
Wat wordt er van ons in die staat,
o Vader, zo Gij ons verlaat?
8
Verlos ons uit des bozen macht,
bescherm en sterk ons door uw kracht.
Wij zijn toch zwak, zijn sterkt' is groot,
dus zijn w' elk ogenblik in nood.
Hier komt nog vlees en wereld bij.
O, sterk ons dan en maak ons vrij.
9
Want uw is 't koninkrijk, o Heer,
uw is de kracht, uw is al d' eer.
U, die ons helpen wilt en kunt,
die in uw Zoon verhoring gunt,
die door uw Geest ons troost en leidt,
U zij de lof in eeuwigheid.
10
Ja, amen, trouwe Vader, ja,
wij maken staat op uw gena.
Ons hart, o God, die alles ziet,
veroordeelt ons in 't naadren niet;
het zegt, daar G' op ons bidden let,
gelovig "Amen" op 't gebed.
---
*6
#1
1
Hoor, trouwe Vader, ons gebed,
zie op Uw zoon,
want Hij verliet de hemeltroon
om onze straf te dragen.
Wij bidden: schenk ons hier uw Geest
die schijnen doet
uw Woord, een lamp voor onze voet,
het licht voor alle dagen.
Geef aan uw knecht vrijmoedigheid
om naar uw wil te preken
en laat hem, door uw hand geleid,
de volle waarheid spreken,
rust hem zo toe, dat hij ons weidt
en niets ons zal ontbreken.
2
Drie‰nig God, genadig Vorst,
U die ons ziet
en luistert naar gebed en lied,
kom ons verstand verlichten.
Geef ons ook inzicht in uw Woord,
een open oor,
een hart dat graag uw wetten hoort,
om zich ernaar te richten.
Verkondig Hem die overwon
en satan kwam onttronen;
schenk levend water uit uw bron
dat helder toe komt stromen,
laat blinkend als de zomerzon
uw boodschap tot ons komen.
---
*7
#7
1
Mijn ziel verheft Gods eer;
mijn geest mag blij den Heer
mijn Zaligmaker noemen,
die, in haar lage staat,
zijn dienstmaagd niet versmaadt,
maar van zijn gunst doet roemen.
2
Om wat God heeft gedaan
zal elk geslacht voortaan
alom mij zalig spreken;
o groot geheimenis
dat mij geschonken is.
Zijn almacht is gebleken.
3
Hoe heilig is zijn Naam!
Laat volk bij volk te zaam
barmhartigheid verwachten,
nu Hij de zaligheid
voor wie Hem vreest, bereidt
door al de nageslachten.
4
Des Heren kracht is groot;
zijn arm verstrooit, verstoot
die hoog zijn in hun ogen.
Hun tronen zijn niet meer,
maar gunstrijk wil de Heer
eenvoudigen verhogen.
5
De Heer vervult met goed
uit 's hemels overvloed
der hongerigen monden.
Hij ziet geen rijken aan,
maar heeft met al hun waan
hen ledig weggezonden.
6
Hij trok Zich Isrel aan,
Hij laat niet hulploos staan
die Abrams troost verwachten.
Groot en in eeuwigheid
is Gods barmhartigheid
voor duizenden geslachten.
---
*8
#4
1
Lof aan de God van Isra‰l,
de HERE, die zijn volk gedenkt
en in zijn liefderijk bestel,
ons aanziet en verlossing schenkt.
Hij komt tot ons met grote kracht
en wat reeds eeuwen werd verwacht
dat wil Hij nu bewerken:
in 't huis van David, zijn verkoren knecht,
verrijst een hoorn van heil en recht,
zoals het vroeger reeds was toegezegd.
2
Van oudsher deed God ons verstaan
door heilige profetenmond,
dat Hij de vijand neer zou slaan
en naar de trouw aan zijn verbond
ons redden zou van tegenstand,
bevrijden uit de wrede hand
van allen die ons haten,
terwijl Hij steeds weer met beloften kwam,
die eens zijn dienaar Abraham
als eed van God de HERE zelf vernam.
3
Hij gaf ons uitzicht op de tijd
dat ons geen vrees meer kwellen zou,
en dat, van 's vijands juk bevrijd,
ons leven zich dan stellen zou
tot dienst aan God, in heiligheid,
oprecht van hart, Hem toegewijd.
En God de Allerhoogste
roept u, mijn kind, om voor Hem uit te gaan,
bereidend Hem een vlakke baan.
Zo treedt ge als profeet des HEREN aan.
4
Dan hoort Gods volk van zaligheid,
als alle schuld vergeven wordt
en kent het de barmhartigheid
waartoe Gods hart gedreven wordt,
waarmee ons nu bezoeken gaat,
verschijnend als de dageraad,
de Opgang uit de hoogte.
Wie neerzit in de doodse donkerheid
ziet door dit licht zich overspreid,
zijn voet wordt vast op 't vredepad geleid.
---
*9
#2
1
Zo laat Gij, Heer, uw knecht,
naar 't woord hem toegezegd,
thans henengaan in vrede,
nu hij uw zaligheid,
die Gij hebt toebereid,
gezien heeft op zijn bede.
2
Een licht, zo groot, zo schoon,
gedaald van 's hemels troon,
straalt volk bij volk in d' ogen;
terwijl 't het blind gezicht
van 't heidendom verlicht,
en Isrel zal verhogen.
---
*10
#4
1
Hoe zal ik U ontvangen,
hoe wilt Gij zijn ontmoet.
Gij, 's werelds hoogst verlangen,
des stervlings zaligst goed?
Dat ons uw Geest verlichte!
Houd zelf de fakkel bij,
die, Heer, ons onderrichte
wat U behaaglijk zij.
2
'k Lag machteloos gebonden,
Gij komt en maakt mij vrij;
ik was bevlekt met zonden,
Gij komt en reinigt mij.
Het leven was mij sterven,
tot Gij mij op deedt staan;
Gij doet mij schatten erven,
die nimmermeer vergaan.
3
Wat deed uit 's hemels zalen,
o Heer der heerlijkheˆn,
op aard' U nederdalen?
Uw grote liefd' alleen!
Uw eindeloos erbarmen
met onze groten nood,
dat als met zeegnend' armen
en reddend ons omsloot.
4
Nog eenmaal zal Hij komen,
als richter van 't heelal,
die dan het hoofd der vromen
voor eeuwig kronen zal.
Nog is die dag verborgen,
wacht hem gelovig af,
terwijl de grote morgen
reeds schemert boven 't graf.
---
*11
#1
1
Ere zij God, ere zij God in de hoge, in de hoge,
in de hoge. Vrede op aarde, vrede op aarde,
in de mensen een welbehagen. Ere zij God in de
hoge, ere zij God in de hoge. Vrede op aarde,
vrede op aarde, vrede op aarde, vrede op
aarde, in de mensen, in de mensen een welbehagen,
in de mensen een welbehagen, een welbehagen.
Ere zij God, ere zij God in de hoge, in de hoge
in de hoge. Vrede op aarde, vrede op aarde,
in de mensen een welbehagen. Amen, Amen.
---
*12
#8
1
Dit is de dag die God ons schenkt,
waaraan thans ieder christen denkt;
hem viere, wat in 't groot heelal
door Jezus is en wezen zal.
2
Men had Hem eeuwen lang verwacht;
en toen Gods tijdperk was volbracht,
toen zond Hij van zijn hoge troon
het heil der wereld ons, zijn Zoon.
3
O, Gij ons heil, ons hoogste goed,
Gij werd een mens van vlees en bloed,
werd onze broeder, en door U
zijn wij Gods eigen kindren nu.
4
Als ik dit wonder vatten wil,
dan wordt mijn geest van eerbied stil,
aanbidt het, maar doorgrondt het niet,
dat zo de liefde Gods geschiedt.
5
U, die voor ons geboren zijt,
U zij ons hart, ons lied gewijd.
Wij voegen juichend onze stem
bij 't englenheer van Bethlehem.
6
Geloofd die komt in 's Heren naam!
Wij christnen zeegnen U te zaam,
U, vredevorst, der vaadren wens,
U, Zaligmaker, God en mens.
7
Roem, hemel, die geboortedag,
de schoonste die de wereld zag;
juich, aarde, nu g' uw koning ziet,
zing Hem een nooit gezongen lied.
8
Dit is de dag, die God ons schenkt,
waaraan eens heel de wereld denkt;
hem viere, wat in 't groot heelal
door Jezus is en wezen zal.
---
*13
#6
1
Hoe zal ik Hem bezingen
en loven in mijn lied,
die boven alle dingen
troont in zijn rijksgebied?
Gods Geest wil ons verlichten,
de fakkel van het Woord
zal klaar ons onderrichten,
hoe Hem de lof bekoort.
2
Waarom verliet die Koning
zijn troon in heerlijkheid,
koos Hij bij ons zijn woning:
een mens in dienstbaarheid?
De Vader zag bewogen
de wereld in haar nood:
zijn Zoon kwam uit de hoge
tot redding van de dood.
3
Hem spreidde Sion palmen
in geestdrift, gauw gedoofd;
nog zingt de kerk haar psalmen
en looft haar Heer en Hoofd,
gedenkt Hem op zijn paden
tot buiten Salems poort,
waar 't Lam, met vloek beladen,
het lichaam werd doorboord.
4
Mijn hart vol boos begeren
getuigt steeds tegen mij,
het bloed van onze Here
spreekt van het oordeel vrij:
Hij deed ons met Zich sterven
en uit het graf opstaan
en om zijn loon te werven
is Hij ons voorgegaan
5
Blijf z¢ uw Heer gedenken,
o duurgekochte kerk,
dan zal Hij u steeds schenken
om moedig, vroom en sterk,
ja, vrolijk 't kruis te dragen
als Christus' onderdaan
en op de dag der dagen
zijn troonzaal in te gaan.
6
Want Hij zal eens verschijnen
als rechter van 't heelal,
die trotsen doet verdwijnen,
maar kleinen kronen zal.
Nu zingt de kerk haar zangen,
de Geest zegt met de bruid:
Kom Heer, wij zien verlangend
naar uw verschijning uit.
---
*14
#4
1
Jezus, leven van mijn leven,
Jezus, dood van mijnen dood,
die voor mij U hebt gegeven,
in de bangste zielenood,
opdat 'k weten zou in 't sterven,
dat ik 't leven mag be‰rven.
Duizend-, duizendmaal, o Heer,
zij U daarvoor dank en eer.
2
Gij, o Jezus, hebt gedragen
lasteringen, spot en hoon,
zijt gebonden en geslagen,
Gij, des Vaders eigen Zoon,
om van schuld en eeuwig lijden
mij, verloorne, te bevrijden,
Duizend-, duizendmaal, o Heer,
zij U daarvoor dank en eer.
3
Heer, verzoener van mijn zonden,
Heiland, die mij hebt gezocht,
die mijn banden hebt ontbonden
en voor God mij vrijgekocht,
eens onrein in schuld verloren,
ben ik door uw Geest herboren.
Duizend-, duizendmaal, o Heer,
zij U daarvoor dank en eer.
4
Dank, mijn Heiland, voor uw lijden,
voor uw bittre bange nood,
voor uw heilig, biddend strijden,
voor uw trouw tot in de dood.
Voor de wonden, U geslagen,
voor het kruis, door U gedragen,
voor al 't heil aan mij geschied,
prijst U eeuwiglijk mijn lied.
---
*15
#2
1
Ontsluit, o Heer, voor U ons hart,
boud ons aan U verbonden.
Gij schenkt ons vrede door uw smart,
Gij heelt ons door uw wonden.
Wat wondren van barmhartigheid
hebt Gij voor ons ten toon gespreid,
en aan het kruis bewezen.
Uw liefd' en trouw, die 't al volbracht,
hier nooit genoeg door ons herdacht,
zij eeuwiglijk geprezen.
2
Gij sterft, en laat die troost ons na:
de zonden zijn vergeven.
Gij hebt voldaan op Golgotha,
dit geeft ons kracht ten leven.
Uw zoendood lenigt onze smart,
verkwikt, vertroost, versterkt ons hart,
niets heeft zo grote waarde.
Mij sta uw liefde bij in nood,
en zij uw trouw tot in de dood
mijn vaste troost op aarde.
---
*16
#1
1
in het kruis zal 'k eeuwig roemen
en geen wet zal mij verdoemen;
Christus droeg de vloek voor mij,
Christus is voor mij gestorven,
heeft gena voor mij verworven:
'k ben van dood en zonde vrij!
---
*17
#5
1
God, enkel licht,
voor wiens gezicht
niets zuiver wordt bevonden,
ziet ons bevlekt,
met schuld bedekt,
misvormd door duizend zonden.
2
Der sterren pracht
is bij Hem nacht,
hoe hel zij schittren mogen,
en wij, belaƒn
met euveldaƒn,
wat zijn wij in zijn ogen?
3
Heer, waar dan heen?
Tot U alleen!
Gij zult ons niet verstoten;
Uw eigen Zoon
heeft tot uw troon
de weg ons weer ontsloten.
4
Ja, amen, ja,
op Golgotha
stierf Hij voor onze zonden,
en door zijn bloed
wordt ons gemoed
gereinigd van de zonden.
5
Wil, U ter eer,
steeds meer en meer
't geloof in ons versterken.
Dan zullen wij,
gereed en blij,
uit liefde 't goede werken.
---
*18
#1
1
U, heilig Godslam, loven wij,
Gij hebt voor ons aan 't kruis geleden,
Gij doet ons tot den Vader treden
als koningen en priesters, Gij!
Gij, Heiland, kocht ons met uw bloed.
Dies brengen wij U dank en ere
en werpen in aanbidding, Here,
al onze kronen aan uw voet.
Ja, amen, ja,
halleluja
---
*19
#4
1
Halleluja, lof zij het Lam,
die onze zonden op zich nam,
wiens bloed ons heeft geheiligd,
die dood geweest is, en Hij leeft,
die 't volk, dat Hij ontzondigd heeft,
in eeuwigheid beveiligt!
2
De Koning op des Vaders troon,
de eerstgeboren uit de do“n,
de bloed- en heilgetuige,
der vorsten Vorst, der heren Heer,
zij heerschappij en dank en eer.
Dat alle knie zich buige!
3
Lof zij het Lam, Gods metgezel,
uit Davids zaad d' Immanu‰l,
God, in het vlees verschenen.
In Hem, die wederkomen zal,
in Hem aanbidde 't gans heelal
de HERE, de Drie‰ne!
4
Aanbidt de Vader in het Woord.
Aanbidt de Zoon, aan 't kruis doorboord.
Aanbidt de Geest uit beiden.
Van zijn gemeenschap, zijn gena,
zijn liefd' en trouw, halleluja,
zal ons geen schepsel scheiden.
---
*20
#7
1
In het vroege morgenlicht
komt Gods boodschap tot de zijnen.
Englenmond brengt het bericht
dat de droefheid doet verdwijnen.
Wat beloofd werd, is voldaan!
Onze Heer is opgestaan!
2
Uitverkoren kerk van God,
wil voor satans macht niet beven.
Veilig, zeker blijft uw lot,
Christus heeft de dood verdreven.
Ook uw morgenstond breekt aan,
Sions Vorst is opgestaan!
3
Zie Hij leeft en Hij komt weer
ten gerichte op de wolken.
Dan buigt alle knie zich neer,
alle zondaars, alle volken
treden voor de rechter aan.
Ja, de Heer is opgestaan!
4
O, die dag van heil en loon,
dag van jubel, dag van glorie
Wie ontsliepen in Gods Zoon,
zullen opstaan in victorie.
't Eeuwig licht is opgegaan.
Onze Heer is opgestaan!
5
O, die dag van wraak en vuur,
dag van toorn en strafgerichten!
God zal in het laatste uur
ieder mensenhart doorlichten
't Rijk der zonde moet vergaan,
want de Heer is opgestaan!
6
Ja, de Heer is opgestaan!
Gods bazuinen zullen klinken.
d' Eerste dingen zijn vergaan,
nieuwe heemlen zullen blinken.
Nieuwe tijden vangen aan:
God is scheppend opgestaan!
---
*21
#6
1
Nu triomfeert de Zoon van God
Hij is verrezen, dood ten spot,
halleluja, halleluja,
met grote kracht en heerlijkheid.
Hem zij de dank in eeuwigheid.
Halleluja, halleluja.
2
O Jezus Christus, door uw dood
redt Gij de zondaar uit zijn nood.
Halleluja, halleluja.
Leid ons door uw barmhartigheid
met vreugde tot uw heerlijkheid.
Halleluja, halleluja.
3
God, Vader op zijn hoge troon,
met Christus, zijn geliefde Zoon,
halleluja, halleluja,
en ook de Geest zij toegewijd
lof, dank en eer in eeuwigheid.
Halleluja, halleluja.
---
*22
#10
1
Jezus is mijn toeverlaat.
Hij, mijn Heiland, is het leven.
Ik zal aan Gods wijze raad
mij blijmoedig overgeven.
Jaagt de dood nog angsten aan,
Hij, mijn Heiland, heeft voldaan.
2
Groot is 't heil dat Jezus geeft.
'k Zal als Hij, onsterflijk wezen,
zijn, waar Hij, mijn Heiland, leeft.
Waarom zou ik dan nog vrezen?
't Heerlijk Hoofd is opgewekt,
dat zijn leden tot zich trekt.
3
'k Weet mij door de nauwste band
in die hoop aan Hem verbonden.
mijn geloof houdt steeds zijn hand
vast tot in de laatsts stonden.
En geen macht van dood en graf
rukt mij ooit van Jezus af!
4
Als een mens die sterflijk is,
zal 'k tot stof eens wederkeren.
Maar door zijn verrijzenis
sta ik op naar 't woord des Heren.
In het rijk der heerlijkheid
blijft een woning mij bereid.
5
In het stralend, hemels licht,
zullen wij de Heer ontmoeten.
Aangezicht tot aangezicht
mogen wij Hem blij begroeten.
Wij, van alle smet ontdaan,
zullen rein voor Jezus staan.
6
Wat hier ziek is, zucht of kwijnt,
zal daar fris en bloeiend wezen.
Wat als aards in 't graf verdwijnt,
is daar hemels weer herrezen.
Zinkt het sterflijk stofkleed neer,
levend schenkt de Geest het weer.
7
Kerk van God, wees zeer verheugd,
leg op Christus' trouw u neder!
Juich van harte, vol van vreugd!
eenmaal komt Hij tot u weder,
die met luid bazuingeschal
't dodenrijk ontsluiten zal.
---
*23
#6
1
De dag der kroning is gekomen.
O, al gij vorsten, kust de Zoon.
Hij heeft de helburcht ingenomen,
de triumfeerder stijgt ten troon.
Aard' en hemel galmen.
Sion, van uw psalmen
davert het heelal.
God is opgevaren,
met gejuich der scharen,
met bazuingeschal.
2
G' ontsloot u voor de Vorst der ere,
o poorten der gerechtigheid.
G' ontvingt der legerscharen Here
in zijne midd'laarsmajesteit.
Jezus daalde neder,
Jezus keerde weder
in zijn heerlijkheid,
waar Hij voor de zijnen,
tot Hij zal verschijnen,
bidt, en plaats bereidt.
3
De glorie straalt uit die behouder,
die 't bloedig zweet werd uitgedrukt.
De heerschappij rust op die schouder,
die onder 't kruishout ging gebukt.
Die de heidnen hoonden,
en met doornen kroonden,
heerst als aller Heer.
Die de wereld smaadde,
dien de vloek belaadde,
leeft, gekroond met eer.
4
In u verheugt Zich thans die Koning,
o kerk, zijn uitverkoren bruid.
Op u, tot eeuwge trouwbetoning,
strooit Hij de gaven zeegnend uit!
Vier met Hem victorie
op de dag der glorie
van des mensen Zoon,
op de dag der kroning
van de Vredekoning,
Priester, op zijn troon!
5
G' ontvingt die gaven, blijde scharen,
thans geen verlaten wezen meer.
Gij zaagt uw Heer ten hemel varen.
De Heilge Geest daald' op u neer!
D' engelen daarboven,
met de heilgen loven
God, op aard' geweest.
En de kerk beneden,
ziet zijn plaats betreden
door zijn eigen Geest.
6
Laat ons steeds hopen, bidden, waken,
en ons versterken in ons Hoofd.
Ook heden wil Hij vreugde maken
aan al wie dezen Geest gelooft.
Gij werdt opgenomen,
Gij zult wederkomen,
onze Hemelvorst.
Gij stort uit de hoge
stromen op het droge,
laving aan wie dorst.
---
*24
#5
1
De dag van onze Vorst brak aan.
Zie, Gods gezalfde Koning
gaat tot zijn hemelwoning.
Hoe zal Hij in zijn schoonheid staan,
omstraald van morgenlicht,
voor 's Vaders aangezicht.
2
Hij heeft, van dood en graf ontdaan,
het leven weergenomen.
Nu is zijn uur gekomen.
Gods paradijs zal opengaan
en heel de hemel wijd
weerkaatst zijn heerlijkheid.
3
De Vader stelt Hem in de troon
als Christus en als Here,
bekleed met macht en ere.
De heerschappij is aan de Zoon,
wiens goddelijk geweld
de laatste vijand velt.
4
Wie kan zijn hoog en heilig recht
ter wereld ooit verbreken!
Wie zal Hem tegenspreken,
die voor zijn kerk en pleit beslecht
en haar na strijd en kruis
voert in het vaderhuis.
5
O, Heer, die onze Koning zijt,
laat niets uw rijk verhindren,
en open voor uw kindren
de poorten van uw woning wijd.
Laat, met uw feestkleed aan,
ons tot uw bruiloft gaan.
---
*25
#3
1
Wij knielen voor uw zetel neer,
wij, Heer, en al uw leden
en eren U als onze Heer
met liedren en gebeden.
Dat alle macht, hoe hoog, hoe groot,
voor U, o Godsgetuige,
o eerstgeboorne uit de dood
zich diep ootmoedig buige.
2
Die ons, gereinigd door uw bloed,
tot priesters hebt verheven
en ons de hoge rang, de moed
van koningen gegeven,
U zij de roem, U zij de lof,
U d' eerkroon opgedragen.
Geheel de aard' en 't hemelhof
moet van uw eer gewagen.
3
U, die als Heer der heerlijkheid
verrees tot heil der volken,
verwachten wij in majesteit
eens weder op de wolken.
Ja, halleluja, zie Hij komt!
Juicht, mensen, englen samen.
met vreugd, waar alles bij verstomt.
Juicht allen! Amen, amen.
---
*26a
#5
1
Ja, de Trooster is gekomen,
Jezus ging van d' aarde heen.
Jezus, van u opgenomen,
liet, o kerk, u niet alleen.
De beloofde werd gezonden
en de kracht uit God kwam neer.
't Past ons juichend, keer op keer,
zijn verschijning te verkonden.
Heden is het pinksterfeest.
Looft en dankt de Heilge Geest!
2
Looft de Geest, die van de Vader
en de Zoon is uitgegaan.
Zingt Hem psalmen altegader,
roept zijn naam uit, bidt Hem aan.
Hem die, gaaf en gever tevens,
uitzendt en gezonden wordt,
God is, en wordt uitgestort.
Looft, o volk, de Geest des levens,
Hem die schept en wederschept,
die g' in 't hart ontvangen hebt!
3
Looft de Geest, Hij zal niet wijken
van de kerk, met bloed gekocht.
Zijn nabijheid zal steeds blijken,
hoe de vijand woeden mocht.
Vreest niet, o gezochte schapen,
vrees niet weergevonden ziel,
zo de nacht u overviel.
Zou de Geest des Heren slapen?
Waakt Hij, schoon geen oog Hem ziet,
voor de kleine kudde niet?
4
Geest der kennis, Geest der waarheid,
der genade, der gebeˆn,
leer ons wandlen bij uw klaarheid
in de heilverborgenheˆn.
Doe ons Abba, Vader, bidden,
zeggen: Jezus onze Heer,
geven U in alles d' eer.
Zweef in der gemeenten midden,
om te heilgen d' offerand'
van hun hart en mond en hand.
5
Trooster, zalver, Gij zult komen
op 't gebed, door U verwekt.
Van uw regens, van uw stromen
wordt eens d' aarde gans bedekt!
Liefd' en ijver zullen blaken,
waar reeds alles scheen verkwijnd,
als de pinksterzon verschijnt.
Noordenwind, o wil ontwaken.
zuidenwind, doorwaai de hof.
Heilge Geest, U zij de lof!
---
*26b
#5
1
Ja, de Trooster is gekomen,
Jezus ging van d' aarde heen.
Jezus, van u opgenomen,
liet, o kerk, u niet alleen.
De beloofde werd gezonden
en de kracht uit God kwam neer.
't Past ons juichend, keer op keer,
zijn verschijning te verkonden.
Heden is het pinksterfeest.
Looft en dankt de Heilge Geest!
2
Looft de Geest, die van de Vader
en de Zoon is uitgegaan.
Zingt Hem psalmen altegader,
roept zijn naam uit, bidt Hem aan.
Hem die, gaaf en gever tevens,
uitzendt en gezonden wordt,
God is, en wordt uitgestort.
Looft, o volk, de Geest des levens,
Hem die schept en wederschept,
die g' in 't hart ontvangen hebt!
3
Looft de Geest, Hij zal niet wijken
van de kerk, met bloed gekocht.
Zijn nabijheid zal steeds blijken,
hoe de vijand woeden mocht.
Vreest niet, o gezochte schapen,
vrees niet, weergevonden ziel,
zo de nacht u overviel.
Zou de Geest des Heren slapen?
Waakt Hij, schoon geen oog Hem ziet,
voor de kleine kudde niet?
4
Geest der kennis, Geest der waarheid,
der genade, der gebeˆn,
leer ons wandlen bij uw klaarheid
in de heilverborgenheˆn.
Doe ons Abba, Vader, bidden,
zeggen: Jezus onze Heer,
geven U in alles d' eer.
Zweef in der gemeenten midden,
om te heilgen d' offerand'
van hun hart en mond en hand.
5
Trooster, zalver, Gij zult komen
op 't gebed, door U verwekt.
Van uw regens, van uw stromen
wordt eens d' aarde gans bedekt!
Liefd' en ijver zullen blaken,
waar reeds alles scheen verkwijnd,
als de pinksterzon verschijnt.
Noordenwind, o wil ontwaken.
zuidenwind, doorwaai de hof.
Heilge Geest, U zij de lof!
---
*27
#9
1
O, Schepper, Geest, woon in uw kerk,
schenk haar het heil van Christus' werk,
stort hemelgaven in haar uit,
bereid haar toe als reine bruid.
2
Lof zij uw naam, Heilige Geest.
Gij kwaamt met kracht op 't pinksterfeest.
G' ontsluit een volheid van gena,
de vrucht van 't kruis van Golgotha.
3
O Heilge Geest, die eeuwig leeft,
de Trooster, die ons bijstand geeft,
Gij spreekt van heil en zaligheid
van oudsher voor ons toebereid.
4
Uw krachten werken door het woord,
nooit wordt vergeefs uw taal gehoord.
Uw lamp schijnt in het duister hart,
uw licht verblindt wie zich verhardt.
5
Laat U mijn hart een tempel zijn,
maak toch mijn leven nieuw en rein.
Regeer mij door uw levend woord.
Geleid ook als Gods kindren voort.
6
O Geest, die al Gods heil ontvouwt,
schenk ons uw gaven zevenvoud,
ontspring in ons als een fontein
die leven wekt in de woestijn.
7
Wanneer des vijands strijdkreet klinkt,
geeft dat de moed ons niet ontzinkt.
Weersta de satan met uw kracht,
want hij belaagt ons dag en nacht.
8
Geest van de Vader en de Zoon,
terneergedaald van Christus' troon,
die met de Heiland voor ons pleit,
breng al Gods volk tot heerlijkheid.
9
U, Vader, U zij eeuwig eer!
Lof zij U, Christus, onze Heer!
U, Geest, van beiden uitgegaan,
geprezen zij uw grote naam!
---
*28
#4
1
God in den hoog' alleen zij eer
en dank voor zijn genade,
daarom, dat nu en nimmermeer
ons deren nood en schade.
God toont zijn gunst aan ons geslacht.
Hij heeft de vrede weergebracht;
de strijd heeft thans een einde.
2
U, Vader, U aanbidden wij,
wij zingen U ter ere.
Onwrikbaar staat uw heerschappij,
voorgoed zult Gij regeren.
Gij hebt onmetelijke macht,
uw wil wordt onverwijld volbracht.
Die Heer is onze Koning.
3
O Jezus, die de Christus zijt,
des Vaders eengeboren,
Gij hebt ons van de toorn bevrijd
en redt wie was verloren.
Gij, Lam van God, voor ons geslacht,
verhoor ons roepen uit de nacht,
erbarm U over allen.
4
O Heilge Geest, ons hoogste goed,
ten Trooster ons gegeven,
heb dank dat Gij ons delen doet
in Jezus' dood en leven.
Beveilig ons in alle nood,
blijf ons nabij in angst en dood,
op U steunt ons vertrouwen.
---
*29
#4
1
Ere zij aan God, de Vader,
ere zij aan God, de Zoon,
eer de Heilge Geest, de Trooster,
de Drie-eenge in zijn troon.
Halleluja, halleluja,
de Drie-eenge in zijn troon!
2
Ere zij aan Hem, wiens liefde
ons van alle smet bevrijdt,
eer zij Hem die ons gekroond heeft,
koningen in heerlijkheid.
Halleluja, halleluja,
ere zij het Lam gewijd.
3
Ere zij de Heer der englen,
ere zij de Heer der kerk,
ere aan de Heer der volken;
aard' en hemel looft uw werk!
Halleluja, halleluja,
looft de Koning, heel zijn kerk!
4
Halleluja, lof, aanbidding
brengen englen U ter eer,
heerlijkheid en kracht en machten
legt uw schepping voor U neer.
Halleluja, halleluja,
lof zij U, der heren Heer!
---
*30
#6
1
Wij loven U, o God, wij prijzen uwen naam.
U, eeuwig Vader, U verheft al 't schepsel saam.
Zingt serafs, englen, zingt, heft aan, gij machten, tronen,
onafgebroken rijz' uw lied op hoge tonen.
Gij, driemaal heilig zijt G' o God der legerscharen,
dat aard' en hemel steeds uw grootheid openbaren.
2
U looft d' apostelschaar in heerlijkheid, o Heer.
Profeten, martelaars vermelden daar uw eer.
Door heel uw kerk wordt steeds, daarboven, hier beneden,
in strijd en zegepraal, uw grote naam beleden.
Zij looft, o Vader, U, oneindig in vermogen,
onpeilbaar in verstand, onmeetbaar in meedogen.
3
U, Vader, U zij lof op een verhoogde toon.
Lof uwen eigenen, uw eengeboren Zoon.
Lof uwen Geest, die ons ten Trooster is gegeven,
ten Leidsman op den weg naar 't eeuwig zalig leven.
U looft uw kerk alom, waar Gij die ook vergaarde,
U loov', wat loven kan, in hemel en op aarde.
4
U, Christus, onze Heer, bekleed met majesteit,
u, 's Vaders eenge Zoon, zij lof in eeuwigheid.
Het mensdom lag in schuld en vloek voor God verloren.
Gij werdt, de mens tot heil uit ene maagd geboren.
Gij hebt aan 't kruis voor ons de dood zijn macht ontnomen,
zo baandet G' ons de weg, om weer tot God te komen.
5
Gij zit in heerlijkheid aan 's Vaders rechterhand,
totdat G' als Rechter eens de laatste vierschaar spant.
Laat ons in gene nood uw bijstand ooit ontberen.
Gij kocht ons met uw bloed; blijf, Heiland, ons regeren,
blijf ons, uw erfenis, door uwe macht bewaren,
wil met uw heilgen ons voor uwen troon vergaren.
6
Wij zegenen, o Heer, uw goedheid al de dag.
Geef, dat eeuw in eeuw uit, ons lied U loven mag.
Geef, dat wij bij uw komst onstrafflijk wezen mogen.
Ontferm, ontferm U, Heer, toon ons uw mededogen.
Op U steunt onze hoop, o God van ons vertrouwen.
Zij worden nooit beschaamd, die op uw goedheid bouwen.
---
*31
#3
1
God is getrouw, zijn plannen falen niet,
Hij kiest de zijnen uit, Hij roept die allen.
Die 't heden kent, de toekomst overziet,
laat van zijn woorden geen ter aarde vallen,
en 't werk der eeuwen, dat zijn Geest omspant,
volvoert zijn hand.
2
De Heer regeert, zijn koninkrijk staat vast,
zijn heerschappij omvat de loop der tijden.
zijn sterke hand, die nooit heeft misgetast,
blijft met het heilig zwaard des Geestes strijden.
De adem van zijn lippen overmant
de tegenstand.
3
De Heilge Geest, die in de waarheid leidt,
doet aan zijn kerk Gods heilgeheimen weten.
Die nimmer van haar wijkt in eeuwigheid,
heeft zijn bestek met wijsheid uitgemeten.
Zo bouwt Hij Christus' kerk van land tot land
met vaste hand.
---
*32
#5
1
De kerk van alle tijden
kent slechts een vaste grond:
't is Christus die door lijden
zijn volk aan zich verbond.
Om haar als bruid te werven,
kwam Hij ten hemel af.
't Was Hij die door zijn sterven
aan haar het leven gaf.
2
Uit ieder volk verkoren,
toch in haar Heiland ‚‚n,
is zij door Hem herboren,
blijft dit haar kracht alleen:
‚‚n Geest, ‚‚n vast vertrouwen
‚‚n doop, ‚‚n heilge dis,
‚‚n Heer, op wie te bouwen
haar troost en rijkdom is.
3
God houdt zijn kerk in leven,
hoe ook bespot, verdrukt,
door dwalingen omgeven,
verscheurd, uiteengerukt.
Al roepen van de tinnen
de wachters nog: Hoe lang?
Straks gaat de dag beginnen
en 't klagen wordt gezang.
4
In rampspoed, moeit' en zorgen,
in 't heetste van de strijd,
wacht zij de grote morgen,
de vrede voor altijd.
Tot eens haar hunkrend' ogen
aanschouwen, blij ontroerd,
hoe God haar komt verhogen
en tot victorie voert.
5
Nog weet zij zich verbonden
in haar drie‰enge Heer
met wie zijn trouw bevonden,
de strijders van weleer.
Een wolk van Godsgetuigen
omringt ons in de strijd,
tot wij met hen ons buigen,
gekroond met heerlijkheid.
---
*33
#4
1
Een vaste burcht is onze God,
wie aanvalt zal Hij weren.
Bij Hem, het hooggelegen slot,
kan geen gevaar ons deren.
Steeds dreigt nog wraak
Gods vijand, de draak.
Zijn wapentuig is
de tirannie en list:
hij toont zich heer en meester.
2
Geen mensenkind kan hem verslaan;
't was gauw voor ons verloren,
als Hij niet in de bres zou staan,
de Held door God verkoren.
Die Heiland, u weet
dat Hij Christus heet,
de Heer, groot in kracht,
staat boven elke macht:
Gods koninkrijk gaat komen.
3
Als boze geesten in de lucht
ons leven hier belagen,
weest voor hun woede niet beducht:
voor ons komt vrede dagen.
Hoe satan zich weert,
boosaardig regeert,
zijn rijk wordt verstoord:
eens zal een enkel woord
hem in de afgrond storten.
4
Het Woord - dat zal men laten staan
en niets daarbij bedenken.
Die zelf het Woord is, voert ons aan,
zijn Geest zal krachten schenken.
Rooft men eer en goed
ja, vrouw, kind en bloed,
het baat satan niet:
God, die ons offer ziet,
doet ons zijn rijk be‰rven.
---
*34
#4
1
Een vaste burcht is onze God,
een bolwerk in gevaren.
Hij helpt en redt uit alle nood
die wij hier nu ervaren.
De vijand van weleer
gaat tegen ons te keer.
Zijn wapenrusting is
de gruwel van zijn list.
Geen kan hem evenaren.
2
Wij hebben zelf geen tegenweer,
't gevecht was gauw verloren.
Doch voor ons strijdt een sterke Heer,
tot redder uitverkoren.
Vraagt gij zijn naam? Weet dan
dat Christus is die Man,
de HERE Zebaoth,
Hij is de Zoon van God:
slechts Hij kan triomferen.
3
Laat duizend duivels om ons staan,
belust om te verslinden,
geen vrees mag ons terneder slaan,
wij mogen het toch winnen.
De overste der aard',
brutaal en onvervaard,
hij overheerst ons niet,
behoudt geen rijksgebied:
‚‚n woord reeds kan hem binden.
4
Het Woord - zij zullen 't laten staan,
wat zij ook ondernemen.
Hij gaat ons met zijn vooraan,
Hij komt ons kracht verlenen.
Al staat de vijand klaar,
hoe groot ook het gevaar
voor leven, eer, gezin,
hij werft toch geen gewin:
wij erven 't rijk des HEREN.
---
*35
#3
1
Dankt, dankt nu allen God
met hart en mond en handen,
die grote dingen doet
hier en in alle landen,
die ons van kindsbeen aan,
ja, van de moederschoot,
zijn vaderlijke hand
en trouwe liefde bood.
2
Die eeuwig rijke God
moog' ons reeds in dit leven
een vrij en vrolijk hart
en milde vrede geven.
Die uit genade ons
behoudt te allen tijd,
is hier en overal
een helper die bevrijdt.
3
Lof, eer en prijs zij God,
die troont in 't licht daarboven.
Hem, Vader, Zoon en Geest
moet heel de schepping loven.
Van Hem, de ene Heer,
gat het verleden blijk,
het heden zingt zijn eer,
de toekomst is zijn rijk.
---
*36
#3
1
Alle roem is uitgesloten.
Onverdiende zaligheˆn
heb ik van mijn God genoten,
'k roem in vrije gunst alleen.
Ja, eer ik nog was geboren,
eer Gods hand die alles schiep,
iets uit niet tot aanzijn riep,
heeft zijn liefde mij verkoren:
God is liefd' o englenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!
2
Alzo lief had God de wereld,
dat Hij zijnen eigen Zoon
voor die afgevallen wereld
overgaf aan smaad en hoon.
Ja, toen wij nog zondaars waren,
schonk d' ontfermer ons gena,
stierf zijn Zoon op Golgotha,
stierf voor ons, die zondaars waren:
God is liefd' o englenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!
3
Dat heet grondelooz' ontferming,
dat genade, rijk en vrij!
God schenkt redding en bescherming,
schenkt z' aan zondaars, schenkt z' aan mij.
Ja, wanneer mijn onvermogen
en mijn diep bederf mij smart,
toont mij 't goddlijk Vaderhart
zijn verlossend mededogen:
God is liefd', o englenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!
---
*37
#2
1
Nooit kan 't geloof te veel verwachten,
des Heilands woorden zijn gewis.
't Faalt aardse vrienden vaak aan krachten,
maar nooit een vriend als Jezus is.
Wat zou ooit zijne macht beperken?
't Heelal staat onder zijn gebied!
Wat zijne liefde wil bewerken,
ontzegt Hem zijn vermogen niet.
2
Die hoop moet al ons leed verzachten.
Komt, reisgenoten, 't hoofd omhoog!
Voor hen die 't heil des Heren wachten,
zijn bergen vlak en zee‰n droog.
O zaligheid, niet af te meten,
o vreugd, die alle smart verbant!
Daar is de vreemdlingschap vergeten
en wij, wij zijn in 't vaderland!
---
*38
#9
1
Barmhartig Vader op uw troon,
wij bidden tot U door uw Zoon,
wij knielen voor uw aangezicht
dat straalt in heerlijkheid en licht.
2
Terwijl wij sliepen deze nacht
betrokken engelen de wacht;
nu meldt de zon een nieuwe dag,
waarop elk mens U dienen mag.
3
Schenk door uw Geest, die sterke macht,
de krachten voor het werk dat wacht;
geef dat wij vurig keer op keer
bedacht zijn op uw grote eer.
4
Leer ons uw weg te willen gaan,
de fakkel van uw Woord vooraan;
laat stralen voor uw aangezicht
ons nieuwe leven door het Licht.
5
Vernieuw ons zwak en zondig hart,
voor U zo schuldig en zo zwart;
laat schijnen in de duisternis
uw Woord, het licht dat helder is.
6
Sterk zendelingen bij hun werk
en leid de herders van de kerk;
laat ons vrijmoedig met uw Woord
getuigen zijn van U die hoort.
7
Wij bidden voor de overheid:
maak haar bekwaam, tot dienst bereid,
opdat uw volk stil en gerust
U dienen kan met eer en lust.
8
Steun de vervolgden in elk land
en zegen zieken door uw hand,
troost de bedroefden door uw kracht,
toon stervenden uw koningsmacht.
9
Geef dat ons nieuwe leven is
een lichtpunt in de duisternis.
Genadig God, hoor ons gebed
in Jezus Christus, die ons redt.
---
*39
#6
1
O grote Christus, eeuwig licht,
niets is bedekt voor uw gezicht,
die ons bestraalt, waar wij ook gaan,
al schijnt geen zon, al licht geen maan.
2
Toon ons uw goedheid en uw macht
door uw bescherming deze nacht.
Behoed ons tegen ramp en leed
en blijf tot onze hulp gereed.
3
Houd ons gemoed voor U bereid,
opdat het blij Uw komst verbeidt,
daar 't in een stil vertrouwen leeft,
dat Gij ons onze schuld vergeeft.
4
Bescherm ons in den bange tijd
van zielsverzoeking en van strijd.
Laat nooit de boze vijand toe,
dat hij ons enig hinder doe.
5
Behoed het ganse Christendom,
geef het in kruis uw vreugd weerom.
Vertroost het neergebogen hart
en heel in gunst der kranken smart.
6
O Vader, dat uw liefd' ons blijk',
o Zoon, maak ons uw beeld gelijk,
o Geest, zend uwen troost ons neer.
Drie‰nig God, U zij al d' eer.
---
*40
#2
1
'k Wil U, o God, mijn dank betalen,
U prijzen in mijn avondlied.
Het zonlicht moge nederdalen,
maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet.
Gij woudt mij met uw gunst omringen,
meer dan een vader zorgdet Gij.
Gij, milde bron van zegeningen,
zulk een ontfermer waart Gij mij.
2
Ik weet, aan wie ik mij vertrouwe,
al wisselen ook dag en nacht.
Ik ken de rots waarop ik bouwe:
Hij feilt niet, die uw heil verwacht.
Ook aan de avond van mijn leven
breng ik, van zorg en strijden moe,
voor elke dag, mij hier gegeven,
u nog een dankbaar loflied toe.
---
*41
#1
1
Halleluja, eeuwig dank en ere,
lof, aanbidding, wijsheid, kracht
word' op aard' en in de hemel, Here,
voor uw liefd' U toegebracht.
Vader, sla ons steeds in liefde gade,
Zoon des Vaders, schenk ons uw genade,
uw gemeenschap, Geest van God,
amen, zij ons eeuwig lot.