---
Geroepen om te zingen
---
*1
#4
1
(a)
Geroepen zijn wij om te zingen,
te zingen tot Gods eer.
In woord en wijs Gods liefde vieren:
Daarom zijn wij weer hier.
2
(v)
Bijeengekomen om te bidden,
met stem en instrument:
Zo willen wij weer samen zoeken
naar Hem die ons al kent.
3
(m)
Bijeengekomen om te horen
het woord voor groot en klein;
bijeengekomen om te leren
weer kind van God te zijn.
4
(a)
Bijeengekomen om te delen,
te delen brood en wijn:
Gods goede toekomst uit te spelen,
waar ieder mens mag zijn.
---
*2
#3
1
De zondag is de lach van God,
de voorjaarsbloem die opengaat.
De zondag brengt de fleur in ons bestaan:
De Heer is immers opgestaan!
2
De zondag is 't palet van God,
het gloren van de dageraad.
De zondag brengt de kleur in ons bestaan:
De Heer is immers opgestaan!
3
De zondag is het lied van God,
Hij brengt ons leven in de maat.
De zondag brengt de dans in ons bestaan:
De Heer is waarlijk opgestaan!
---
*3
#3
1
Klap in de handen van blijdschap,
dit is de dag, die God ons geeft.
Dit is de dag van je leven.
Dit is het feest dat Jezus leeft!
refrein
Jezus is opgestaan en Hij leeft,
halleluja!
2
Klop op de deur bij de mensen:
Dit is de dag die God ons geeft.
Kom uit de donkere huizen,
kom naar het feest, dat Jezus leeft!
refrein
Jezus is opgestaan en Hij leeft,
halleluja!
3
Zing op de straten en pleinen:
Dit is de dag die God ons geeft.
Zing van het licht en het leven,
zing van het feest dat Jezus leeft!
refrein
Jezus is opgestaan en hij leeft,
halleluja!
---
*4
#3
1
Ochtend ontluikt weer
zoals de eerste roodborstje
zingt weer als was hij er pas.
Lof voor de ochtend,
lof voor het zingen:
Dag komt tot leven,
nog steeds verrast.
2
Dauw op de bloemen
fonkelt in zonlicht,
als eens de regen gloednieuw gras.
Lof voor de geuren van landerijen,
waar lang van tevoren
zijn voetstap was.
3
aan ons gegeven
is deze ochtend
heerlijk ontsprongen
uit Edens pracht.
Lof met verheffing
voor deze morgen:
Gods nieuwe scheppen
van deze dag.
---
*5
#1
1
Dit is de dag, dit is de dag
die de Heer ons geeft,
die de Heer ons geeft.
Wees daarom blij, wees daarom blij
en zing verheugd en zing verheugd.
Dit is de dag die de Heer ons geeft.
Wees daarom blij en zing verheugd.
Dit is de dag, dit is de dag
die de Heer ons geeft.
---
*6
#2
1
Hoor de klonken luiden blij:
Bim bam bom voor jou en voor mij.
Kom je zingen kom je bidden
kindren horen in het midden.
Blijf daarom niet buiten staan:
Bim bam bom de kerk gaat aan!
2
Hier is iedereen in tal,
bim bam bom, dat weet je wel.
Niemand meer en niemand minder -
wij zijn allemaal toch Gods kinderen.
Blij daarom niet buiten staan:
Bim bam bom, de kerk gaat aan!
---
*7
#2
1
En dat het nu weer zondag is
vind ik zo fijn, zo fijn.
Ik ga dan naar het huis van God
om dicht bij Hem te zijn.
2
We zijn nu in het huis van God
en zingen ook nu weer:
Wij danken U voor al uw zorg,
wij danken U o Heer!
---
*8
#9
1
Wij allen met elkaar,
wij komen samen zingen,
wij komen met elkaar,
wij zingen met elkaar.
2
Wij allen met elkaar,
wij komen samen bidden,
wij komen met elkaar,
wij bidden met elkaar.
3
Wij allen met elkaar,
wij komen samen luistren
wij komen met elkaar,
wij luistren met elkaar.
4
Wij allen met elkaar,
wij komen samen nemen,
wij komen met elkaar,
wij nemen met elkaar.
5
Wij allen met elkaar,
wij komen samen eten,
wij komen met elkaar,
wij eten met elkaar.
6
Wij allen met elkaar,
wij komen samen drinken,
wij komen met elkaar,
wij drinken met elkaar.
7
Wij allen met elkaar,
wij komen samen delen,
wij komen met elkaar,
wij delen met elkaar.
8
Wij allen met elkaar,
wij komen samen danken,
wij komen met elkaar,
wij danken met elkaar.
9
Wij allen met elkaar,
wij komen samen houden
van U en van elkaar,
van U en van elkaar.
---
*9
#4
1
(m)
Uit honderd huizen hier gekomen
uit eigen zorgen opgestaan
(v)
is ieder met zijn eigen dromen
tot hier zijn eigen weg gegaan;
(a)
tot hier zijn eigen weg gegaan;
hier hopen wij elkaar te vinden
hier tellen de verschillen niet
hier zingen vreemden zich tot vrienden
op hoop van zegen: zing een lied
2
(m)
Wij willen bij elkander schuilen
verdriet alleen is vaak te groot
(v)
een schouder om op uit te huilen
een hand die droeve tranen droogt;
(a)
een hand die droeve tranen droogt;
zo leren wij elkaar weer zingen
getroost met wat het leven biedt
kom laat ons maar opnieuw beginnen
op hoop van zegen: zing een lied
3
(m)
Want hier en alom in den lande
gaan mensen vaak en fel tekeer
(v)
ze maken vuisten van hun handen
en nodeloos doen wij ons zeer;
(a)
en nodeloos doen wij ons zeer;
baan liever wegen uit dit heden
geloof in wat je nog niet ziet
en sluit je aan bij onze beden
op hoop van zegen zing een lied
4
(m)
Door onze wereld snijden grenzen
staan muren en loopt prikkeldraad
(v)
aan beide kanten wonen mensen
verknipt door aangeleerde haat
(a)
verknipt door aangeleerde haat
en op het scherpe van de snede
daar leven wij eigenlijk niet
ons bidden blijft een roep vrede
op hoop van zegen zing een lied
---
*10
#3
1
Overal vandaan uit lanen
en uit steden komen wij elkaar
komen wij Jou tegen.
2
Overal vandaan uit zonneschijn
of regen komen wij elkaar
komen wij Jou tegen.
3
Overal vandaan komen wij Jou tegen
komen tot elkaar
vragen om Jouw zegen.
---
*11
#3
1
Wees welkom allemaal,
wees welkom eenmaal andermaal,
we hebben hier een uurtje feest
met mensen een van hart en geest,
dat maakt het leven fijn
voor groot en voor klein.
2
Wees welkom allemaal
en luister naar een mooi verhaal
van Jezus die de mensen kent,
hoe groot of ook hoe klein je bent
Hij wil er altijd zijn
voor groot en voor klein.
3
Wees welkom allemaal
een beetje stil en geen kabaal
maar zingen mag je allemaal,
met zingen bid je wel tweemaal
dus zing maar met ons mee
en bid zo voor twee.
---
*12
#4
1
(a)
Hier wordt een huis voor God gebouwd
waar mensen samen komen
en waar Hij zelf aanwezig is
om onder ons te wonen.
2
(v)
Hier wordt een boek open gelegd
en klinken goede woorden
van God die van de mensen houdt
en die naar ons wil horen.
3
(m)
Hier wordt een tafel aangericht
om Jezus te gedenken
die voor ons leven en geluk
zich weg heeft willen schenken.
4
(a)
Hier delen wij het levensbrood
en worden nieuwe mensen:
De aarde wordt een vredeshuis
vervuld van oude wensen.
---
*13
#3
1
Vervul dit huis met hart en geest
met aandacht voor de kleinen.
Dat al wie hier naar binnen gaat
hen noemen zal de zijnen.
2
Wees hier opnieuw verbeeldingskracht,
geef taal en toon aan dromen,
geef stem aan wat verborgen bleef,
laat hier Jouw rijk maar komen.
3
Wees kracht en troost voor jong en oud,
dat niemand hoeft te vrezen,
als hij zich inzet voor Jouw rijk,
want dood heet daar ' verrezen '.
---
*14
#3
1
Zomaar een dak boven wat hoofden
deur die naar stilte openstaat.
Muren van huid, ramen als ogen
speurend naar hoop en dageraad.
Huis dat een levend lichaam wordt
als wij er binnen gaan
om recht voor God te staan.
2
woorden van ver, vallende sterren,
vonken verleden hier gezaaid.
Namen voor Hem, dromen, signalen
diep uit de wereld aangewaaid.
Monden van aarde horen en zien
onthouden, spreken voort
Gods vrij en lichend woord.
3
Tafel van Een, brood om te weten
dat wij elkaar gegeven zijn.
Wonder van God, mensen in vrede,
oud en vergeten nieuw geheim.
Breken en delen, zijn wat niet kan,
Doen wat ondenkbaar is,
dood en verrijzenis.
---
*15
#3
1
Vrede voor jou, hier heen gekomen,
zoekend met ons om mens te zijn.
Jij maar alleen, jij met je vrienden,
jij met je last, verborgen pijn.
Vrede, genade, God om je heen,
vergeving, nieuwe moed voor jou
en iedereen.
2
Niemand komt hier vrij van het kwade,
niemand gaat hier straks weer vrijuit.
Niemand te veel, niemand te weinig,
niemand te groot, geen een te klein,
dit wordt verbeeld in woord en gebaar,
tot ooit en overal wij leven van elkaar.
3
Jij die ons kent, Jij die ons aanvoelt,
Jij die de hele wereld draagt:
Kom naar ons toe, leer ons te leven,
help ons te zien wat ieder vraagt,
tijd om te leven, kans om te zijn;
een plek om nu en ooit gezien,
aanvaard te zijn.
---
*16
#3
1
(s)
Ergens moet het hoge woord
toch krachtig kunnen klinken,
ergens moet je ongestoord
tocht samen kunnen zingen.
(a) refrein
Leve de kerk,
een huis om te hopen,
leve de kerk,
het huis waar wij wonen.
2
(v)
Ergens moet je brood en wijn
in liefde kunnen delen,
ergens moet je in het klein
de toekomst kunnen spelen.
(a) refrein
Leve de kerk,
een huis om te hopen,
leve de kerk,
het huis waar wij wonen.
3
(m)
Ergens moet het visioen
van vrede kunnen aarde,
ergens moet je kunnen doen
wat God ons openbaarde.
(a) refrein
Leve de kerk,
een huis om te hopen,
leve de kerk,
het huis waar wij wonen.
---
*17
#5
1
(v)
Heer, onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
en hoe onzigbaar ons nabij.
Gij zijt nog altijd met ons bezig,
onder Uw vleugels rusten wij.
2
(m)
Gij zijt niet ver van wie U aanbidden,
niet hoog en breed van ons vandaan.
Gij zijt zo mens'lijk in ons midden
dat Gij dit lied wel zult verstaan.
3
(v)
Gij zijt onzichtbaar voor onze ogen
en niemand heeft U ooit gezien.
Maar wij vermoeden en geloven
dat Gij ons draagt, dat Gij ons dient.
4
(m)
Gij zijt in alles diep verscholen
in al wat leeft en zich ontvouwt.
Maar in de mensen wilt Gij wonen
met hart en ziel aan ons getrouwd.
5
(a)
Heer, onze Heer hoe zijt Gij aanwezig
waar ook ter wereld mensen zijt.
Blijf zo genodig met ons bezig,
tot wij in U volkomen zijn.
---
*18
#2
1
Bijeengeroepen uit onze huizen,
elk met zijn eigen levenslied,
zijn wij gekomen om weer te dromen
van wat God in ons mensen ziet.
Wij willen zingen van alle dingen,
roepen uit donker, om licht
om Gods woorden te zien.
God zal ons horen,
Hij schenkt het leven.
Hij zal ons vragen antwoord te geven,
samen te leven in zijn gloria.
2
Bijeengekomen, woord in ons midden,
samen zijn wij hier in Gods huis.
Kleine en groten, niemand verstoten:
Voor wie God zoekt is hier een thuis.
bidden en danken, stilte en klanken,
met elkaar delen, een zijn met velen
en zingen keer op keer: Jezus is Heer!
Jong en oud samen zingen nu "amen".
God in ons midden, verhoor ons bidden.
Heel uw gemeente zingt:
Halleluja!
---
*19
#5
1
(a)
Wees welkom in 't weeshuis
voor dwalende schapen,
een welkom aan hem
die geen zekerheid kent.
Een welkom aan hen
die van angst niet meer slapen,
en welkom aan hen
die geen God zijn gewend.
2
(v)
Wees welkom in 't huis
van onzegbare regels,
wees welkom, sta open,
wees eerlijk en naakt,
wees welkom mislukten,
verdwaalden en vlegels,
wees welkom en bloei hier
en wordt weer geraakt.
3
(m)
Wees welkom in 't weeshuis
voor zwervende zielen,
wees welkom, kom luistren
en zoek naar je lot,
wees welkom, en kom binnen,
een ieder mag knielen
voor een en dezelfde:
Een Allemans God!!!
4
(v)
Want Gij zijt een eenheid,
Gij zijt niet gespleten,
steeds wilt Gij voor mensen
dezelfde bron zijn,
eenzelfde geheim en
eenzelfde geweten,
oneindig in grootheid,
onnoemelijk klein.
5
(a)
Wees welkom in 't huis
zonder naam, zonder stempel,
en wees daar jezelf,
zoals 't ooit was bedoeld,
een welkom in 't allemans huis
zonder drempels,
wees welkom in 't huis
waar de menselijkheid stoelt.
---
*20
#1
1
Kom in de ring wij komen samen
om voor elkaar een huis te zijn.
God is het huis wij wonen samen
om voor elkaar een thuis te zijn.
---
*21
#4
1
(v)
Er zijn nog altijd blinden,
ze trekken door 'n nacht
waar geen verlossing wacht
en geen wonderen ooit zijn
te vinden
(m) refrein
Als er twee of drie in mijn naam
bijeen zijn ben Ik in hun midden,
want Ik doe altijd mee,
met drie desnoods met twee
wil Ik altijd opnieuw beginnen.
2
(v)
Er zijn nog altijd doven,
ze horen nooit 'n klank
vanuit 't andre land,
't geluid uit betoverde hoven.
(m) refrein
Als er twee of drie in mijn naam
bijeen zijn ben Ik in hun midden,
want Ik doe altijd mee,
met drie desnoods met twee
wil Ik altijd opnieuw beginnen.
3
(v)
Er zijn nog altijd lammen,
ze liggen langs de tijd
daar is hun bed gespreid
met hun hebben en houden behangen.
(a) refrein
Als er twee of drie in mijn naam
bijeen zijn ben ik in hun midden,
want Ik doe altijd mee,
met drie desnoods met twee
wil Ik altijd opnieuw beginnen.
4
(m)
Er staan nog hoge torens
rondom elk land gebouwd;
elk land is star en oud,
even oud en verstard e bewoners.
(a) refrein
Als er twee of drie in mijn naam
bijeen zijn ben ik in hun midden
want Ik doe altijd mee,
met drie desnoods met twee
wil ik altijd opnieuw beginnen.
---
*22
#2
1
I
Wij zijn hier bijeen in de naam van
de Heer,
II
die hemel en aarde gemaakt heeft
III
Hij zal ons helpen.
2
Groet
Voorganger (gezongen of gesproken):
Genade en vrede van God, onze Heer
en ook van zijn Zoon, Jezus Christus.
Zo wil God groeten.
---
*23
#4
1
(a)
Kaars dat mag branden in ons midden,
branden bij zingen en bij bidden:
God is hier.
2
(v)
Gods licht weerkaatst in onze ogen
en zegt:
De tranen zullen drogen,
een voorgoed.
3
(m)
Gods woord ligt open, ons ten leven.
Gods hart staat open: Ons gegeven,
in zijn Zoon.
4
(a)
Eer aan de Vader, die ons maakte.
Eer aan de Zoon, die ons hart raakte.
Eer de geest.
---
*24
#3
1
(v)
Kaars, jij mag branden:
je geeft aan ons je licht.
Jij bent een teken:
God houdt ons in het zicht.
2
(m)
Boek jij mag open:
Jij bent Gods blij verhaal.
Woord, dat doet hopen.
God spreekt in mensentaal.
3
(a)
Eer aan de Vader,
de Zoon en aan de Geest:
God, die er zijn zal,
en altijd is geweest.
---
*25
#3
1
Gegroet jij, jij, die om liefde
komt en licht. Gegroet!
2
Gegroet jij, jij, die om leven
komt en licht. Gegroet!
3
Gegroet jij, jij, die om vrede
komt en licht. Gegroet!
---
*26
#1
1
Wij groeten elkaar en samen
groeten wij Gods Geest die
nader komt.
---
*27
#3
1
Gezegend, gezegend, gezegend
de mens die komt in Gods naam.
2
Gezegend, gezegend, gezegend
jij als jij komt in Gods naam.
3
Gezegend, gezegend, gezegend
wij als wij komen in Gods naam.
---
*28
#5
1
Wij vieren en beleven
Gods jaarkring wereldwijd.
De vaste kleuren geven schakering
aan de tijd.
Zo zien we alle weken een
kleur in ander licht
en wordt door taal en teken
ons oog op God gericht.
2
Het paars wil inkeer geven
in passie en advent.
Wij hebben in ons leven
ons van God afgewend.
Het paars is ons een teken
van ootmoed en van rouw
tot wij na deze weken
het wit zien van Gods trouw.
3
Het wit spreek van Gods daden
die Hij verricht met macht,
Gods lichtende genade
verdrinkt de zwarte nacht.
Blij willen wij gewagen
van alles wat Hij deed.
Dus gaan zijn hoogtijdagen
in stralend wit gekleed.
4
Het rood doet mensen spreken.
God schenkt aan ons zijn Geest.
Een vuur, een tong, een teken,
de kleur van pinksterfeest.
Niets kan de vonk meer doven;
een vuur dat niemand stuit
daalt neer op wie geloven,
de vlammen slaan eruit.
5
Het groen doet ons bezingen
de hoop die in ons leeft,
dat God aan alle dingen
een nieuwe toekomst geeft.
Want eens zal het gebeuren,
dan zal het zomer zijn
met ongedachte kleuren
in eeuwig zonneschijn.
---
*29
#7
1
Naar het huis gaan van Vader God
gaan er vele mensen.
Mensen groot en mensen klein,
vinden 't fijn om daar te zijn,
refrein
in het huis van Vader God.
2
In het huis van Vader God
bidden vele mensen.
Mensen groot en mensen klein,
vinden 't fijn om hier te zijn.
refrein
In het huis van Vader God.
3
In het huis van Vader God
luistren vele mensen.
Mensen groot en mensen klein,
vinden 't fijn om heir te zijn.
refrein
In het huis van Vader God.
4
In het huis van Vader God
kijken vele mensen.
Mensen groot en mensen klein,
zien de tafel, brood en wijn.
refrein
In het huis van Vader God.
5
In het huis van Vader God
eten vele mensen.
Mensen groot en mensen klein,
eten brood en drinken wijn.
refrein
In het huis van Vader God
6
In het huis van Vader God
zingen vele mensen.
Mensen groot en mensen klein
vinden 't fijn om hier te zijn.
refrein
In het huis van Vader God.
7
In het huis van Vader God
danken vele mensen.
Mensen groot en mensen klein,
danken God om hier te zijn.
refrein
In het huis van Vader God.
---
*30
#4
1
Hier gaan we zingend de wereld buiten
't hoge woord mag hier eruit:
Spelenderwijs de hemel op aarde
'n tijd lang een vrijheid die kan.
2
Hier worden mensen tot vrede genodigd,
muren bidden we omver:
Spelenderwijs de hemel op aarde,
'n tijd lang vrede die kan.
3
Hier is reeds waar wat we buiten nog hopen,
voorproef van wat komen zal:
spelenderwijs de hemel op aarde,
'n tijd lang vreugde die kan.
4
Hier vieren wij onze armoe te boven,
vrijheid, vrede, vreugde kan!
Spelenderwijs de hemel op aarde,
'n tijd lang meer dan er kan.
---
*31
#4
1
(s)
Hier in uw tempel,
staan wij op de drempel.
Wij zijn er, maar toch nog niet:
U kent ons verdriet.
2
(v)
Doe ons opleven
en wil ons vergeven.
Maak ons kind bij U aan huis:
Ja, breng ons weer thuis.
3
(m)
Wil naar ons horen,
wij zijn hier geboren,
uw tempel drukt op ons hoofd:
Uw trouw is beloofd.
4
(a)
U onze Here,
U willen wij eren.
Want U komt de lof steeds toe:
U wordt ons nooit moe.
---
*32
#3
1
Wij komen hier ter ere van uw naam
rond de verhalen die geschreven staan,
wij schuilen weg als vogels in het riet
zoekend naar warmte, naar een ander lied.
2
Ontferm U God, kyrie eleison,
wees ons nabij,
kijk speurend naar ons om,
kom met uw vrede, uw barmhartigheid
zonder U raken wij de liefde kwijt.
3
wij zingen samen van uw gloria
dank voor het leven,
dank U voor elkaar,
geef ons uw geestdrift,
vuur ons leven aan.
leg zo uw glimlach over ons bestaan.
---
*33
#4
1
(a)
Voor we beginnen willen we zingen
en tot U zeggen: U zij eer.
Wij willen vragen:
Wees alle dagen met heel uw kerk
en met uw wereld, Heer.
2
(v)
Wil voor hen zorgen, die deze morgen
niet kunnen zingen van verdriet.
Mensen die huilen, niet kunnen schuilen,
o God, vergeet uw lieve mensheid niet.
3
(m)
Denk in erbarmen aan alle armen,
mensen die schreeuwen om wat brood.
Mensen die strijden en onrecht lijden:
o God, uw wereld is in grote nood.
4
(a)
Leer ons te leven, liefde te geven,
zo U te dienen allermeest.
U, onze Here, zij lof en ere,
U God de Vader, Zoon en heil'ge Geest.
---
*34
#5
1
(v)
Waarom, waarom? Waarom, o God waarom?
Ik roep naar U bij dag en nacht
terwijl ik op Uw antwoord wacht.
U luistert niet, Uw stem blijft stom.
Waarom?
2
(m)
Waarom, waarom? Waarom, o God waarom?
Ik schreeuw het uit: geweld, geweld.
De mensen sterven ongeteld.
Ze buigen wat nog recht was krom.
Waarom?
3
(a)
Waarom, waarom? waarom, o God waarom?
Zie wat ons hier wordt aangedaan.
Hoe lang moet dat nog verder gaan?
Wij komen in het onrecht om.
Waarom?
4
(v)
Ik zal van U dromen,
dan ben ik niet bang.
Het antwoord zal komen,
al duurt het ook lang.
5
(a)
Ik blijf op U wachten.
Ik hoop op uw woord.
Ik weet in gedachten
dat U naar mij hoort.
---
*35
#2
1
Eer zij de God van de hemel,
de Heer van de geschiedenis.
Eer zij de Koning der volken.
Gloria in excelsis.
Eer zij de Vader almachtig.
De God die hoog verheven is
wil onder mensen verkeren.
Gloria in excelsis!
2
Vrede bij mensen op aarde
Waar Hij al mee begonnen is.
Vrede bij kleinen en groten.
Gloria in excelsis.
Licht van de zon in de opgang
verdrijft de grote duisternis.
Vrede bij mensen op aarde.
Gloria in excelsis!
---
*36
#2
1
Wat al eeuwen is verteld,
waarvan wij ook dromen,
wat door velen is voorspeld,
gaat dat nog eens komen?
Wanneer eindigt toch de nacht,
komt de tijd door ons verwacht,
breekt het licht zich baan,
vangt de vrede aan?
God, wanneer, ja wanneer
gaan de tijden keren
en zult U regeren?
2
Wanneer komt de dood niet meer
telkens tussenbeide,
liggen leeuw en bokje neer
aan elkanders zijde,
spelen kindren met een slang,
is geen mens en dier meer bang,
wordt het leven waar
voor en met elkaar?
God, wanneer, ja wanneer
gaan de tijden keren
en zult U regeren?
---
*37
#1
1
Heer, ontferm U, smeken wij,
over heel Uw aarde.
Keer de dood en maak ons vrij,
schep een ploeg van zwaarden.
Dan komt vrede in het zicht,
wordt Uw schepping opgericht!
Daarom zingen wij - dwars door
tranen - blij van uw trouw,
ja, Uw trouw en uw eer en glorie.
Eens komt uw victorie!
---
*38
#5
1
(s)
Om uw wereld, mensen, dieren,
heel uw schepping, alle nood,
om het lijden en de dood roepen wij:
Kyrieleison!
2
(v)
Om de barst door heel het leven,
om de pijn in ieders hart,
om de zorg die ons verwart:
Laat uw hart voor allen open staan!
3
(a)
Om de honger in de wereld,
om de dood in ons bestaan,
kloppen wij steeds bij U aan:
Heer ontferm U, Heer ontferm U.
4
(m)
Om de tranen, om de wonden,
om de pijn en het verdriet,
om het leed dat niemand ziet
roepen wij: Kyrieleison!
5
(a)
Om de kleinen en de groten,
elk die hier op aarde leeft,
maar geen echte vrede heeft:
Heer ontferm U over allen.
---
*39
#4
1
(a)
Eer aan God de Vader,
Heer van alle tijden.
Eer aan de Schepper van hemel,
zee en aard.
Uw naam moet geprezen,
U wilt steeds bevrijden.
Daarom bent U ons loflied
altijd waard.
2
(v)
Eer aan God almachtig,
boven elk verheven:
U alleen schept leven,
en licht na elke nacht.
Groter dan wij mensen,
groter dan ons leven,
sterker dan dood:
De liefde is uw kracht.
3
(m)
Liefde kwam op aarde,
Uw naam moet geprezen!
In Hem stond te lezen
hoe groot uw liefde is!
Mens onder de mensen,
Lam van God onschuldig,
draagt onze schuld
omdat Hij Jezus is.
4
(v)
Jezus, onze broeder,
laat Uw Geest ons leiden
(m)
en de wereld wijden
tot ruimte voor uw feest.
(a)
Eer aan God de Vader,
eer aan Jezus Christus,
eer aan de Geest,
nu en in eeuwigheid!
---
*40
#4
1
(s)
Vervul ons verlangen
naar vrede op aarde,
zend ons uw Adem
en wil ons bewaren.
2
(v)
Vervul ons verlangen
Uw mensen te worden,
roep ons bij name,
verzoen onze zonden.
3
(m)
Vervul ons verlangen
naar liefde en leven,
bekeer onze harten
om haat te vergeven.
4
(a)
Vervul ons verlangen
naar vriendschap en vrijheid:
De oorlog ten einde,
verdwenen de broodnijd.
---
*41
#3
1
(s)
Eer aan God de Vader,
eer aan Jezus onze Heer,
eer aan de Geest.
2
(v)
Eer aan God de Vader,
eer aan Jezus onze Heer,
eer aan de Geest.
3
(m)
Eer aan God de Vader,
eer aan Jezus onze Heer,
eer aan de Geest.
---
*42
#3
1
Lieve Here Jezus, laat ons leven
in de holte van uw hand,
door Uw vrede als een muur omgeven,
als een vaderhand.
2
Zie wij leven tussen hoop en vrezen,
angst en twijfel is ons deel,
en het kwaad van rondom opgerezen
staat ons naar de keel.
3
Laat ons, trouwe Heiland,
niet vertrouwen op de menselijke macht,
laat ons uw vertrouwend licht
aanschouwen in de diepste nacht.
---
*43
#1
1
Ere zij god in de hoge,
en vrede op aarde,
in mensen een welbehagen.
---
*44
#3
1
(s)
Wij horen van onrecht,
maar wij blijven leven
en zoals wij leven,
gaat het zeker niet slecht.
Een ander kent onrecht
en kan nauw'lijks leven,
zoals die moet leven,
is het leven enkel slecht.
(a) refrein (2 maal)
Kyrie, kyrie eleison,
Heer, onze God, ontferm U toch!
2
(v)
Wij horen van honger,
maar wij blijven leven,
en zoals wij leven,
gaat het zeker niet slecht.
Een ander kent honger
en kan nauw'lijks leven,
zoals die moet leven,
is het leven enkel slecht.
(a) refrein (2 maal)
Kyrie, kyrie eleison,
Heer, onze God, ontferm U toch!
3
(m)
Wij horen van oorlog,
maar wij blijven leven
en zoals wij leven,
gaat het zeker niet slecht.
Een ander kent oorlog
en kan nauw'lijks leven,
zoals die moet leven,
is het leven enkel slecht.
(a) refrein (2 maal)
Kyrie, kyrie eleison,
Heer, onze God, ontferm U toch!
---
*45
#3
1
Ere zij God in de hoge,
waar niemand een ander trapt,
waar mensen liefde geven.
Ere zij God op de aarde.
(v) Halleluja, (m) halleluja,
halleluja, halleluja.
2
Ere zij God in de hoge,
waar niemand een ader slaat,
waar mensen vrede zoeken.
Ere zij God op de aarde.
Halleluja, halleluja.
3
Ere zij God in de hoge,
waar niemand zichzelf vergeet,
waar mensen brood verdelen.
Ere zij God op de aarde.
Halleluja, halleluja.
---
*46
#1
1
I Kyrieeleison, kyrieeleison.
II Kyrieeleison, kyrieeleison.
III Kyrieeleison, kyrieeleison.
---
*47
#1
1
I Gloria, gloria,
II in excelsis Deo
III Gloria, gloria,
halleluja, halleluja!
---
*48
#3
1
(v)
Uit onze duisternis
roepen wij kyrie
2
(m)
Uit onze duisternis
roepen wij kyrie
3
(a)
Uit onze duisternis
roepen wij kyrie
---
*49
#1
1
I Ere zij aan God onze Vader,
II Ere zij aan Jezus zijn Zoon
III Ere zij de Heilige Geest.
IV Nu en voor immer. Amen!
---
*50
#10
1
(s)
Laat ons bidden uit gemis
tot de God die liefde is
en Hem om ontferming smeken,
want het lijden is zo groot
en Hem vragen recht te spreken,
want de wereld is in nood.
2
(v)
Laat ons bidden voor het kind
dat zijn leven pas begint;
voor de kindren alle landen
van wie God de namen weet,
dat hun toekomst niet zal stranden
op de klip die oorlog heet.
3
(m)
Voor de zieke man of vrouw
die verlangt naar onze trouw;
voor wie eenzaam is gebleven
of zie eenzaam is gemaakt,
dat zij met de kus des vredes
heden worden aangeraakt.
4
(s)
Voor de mensen die in nood
zoeken naar de goede dood,
die door iedereen verlaten,
heel alleen met hun verdriet,
niet meer hopen, niet meer praten,
Heer, vergeet ook dezen niet.
5
(v)
Voor wie doodsangst overmant,
dat zij vallen in uw hand.
Laat een engel hen geleiden
uit het duister naar het licht;
toon hen als voorgoed
bevrijden uw genadig aangezicht.
6
(m)
Voor de zwakken die ontdaan
macht'loos door de wereld gaan;
voor de doven en de blinden,
voor de mensen zonder stem,
dat zij eigen wegen vinden
naar het nieuw Jeruzalem.
7
(s)
Voor wie angstig en beducht
voor zijn leven is gevlucht,
en een vreemdeling moet wezen,
tegen haat en nijd bestand,
dat het heimwee zal genezen
naar zijn lief geboorteland.
8
(v)
Voor al wie geworpen is
diep in de gevangenis,
dat hun naam niet wordt vergeten,
als voor ons de zon opgaat.
Geef de wereld een geweten,
en verlos ons van het kwaad.
9
(m)
Voor het volk dat wordt gekweld
door de nacht van bruut geweld,
dat met al de droefenissen
van het heilloos onrecht leeft
en in plaats van brood en vissen
tranen tot zijn spijze heeft.
10
(a)
Here, sluit Uw ogen niet
voor dit kleine mensenlied.
Gij kent al die duizendtallen
die het zingen wordt belet.
Heer, erbarm U over allen.
Heer, verhoor ons smeekgebed.
---
*51
#1
1
I De lof en de heerlijkheid
en de wijsheid en de dank
II en de eer en de macht
en de sterkte zij onze God,
III tot in alle eeuwigheden.
Amen.
---
*52
#10
1
(s)
Om de mensen, om hun leven,
(a) refrein
Wees aanwezig, Heer ontferm U Heer.
2
(s)
Om hun leven, hun zoeken, hun vinden,
(a) refrein
Wees aanwezig, Heer ontferm U Heer.
3
(s)
Om hun vinden, om hun falen
(a) refrein
Wees aanwezig, Heer ontferm U Heer.
4
(s)
Om hun falen, hun vallen, hun opstaan,
(a) refrein
Wees aanwezig, Heer ontferm U Heer.
5
(s)
Om de mensen, hun kinderen, hun
toekomst,
(a) refrein
Wees aanwezig, Heer ontferm U Heer.
6
(s)
Om hun toekomst, hun rust en hun onrust,
(a) refrein
Wees aanwezig, Heer ontferm U Heer.
7
(s)
Om hun onrust, hun eeuwig verlangen,
(a) refrein
Wees aanwezig, heer ontferm U Heer.
8
(s)
Om hun verlangen, hun hartstocht,
hun jeugd,
(a) refrein
Wees aanwezig, Heer ontferm U Heer.
9
(s)
Om hun jeugd hun sterkte,
hun zwakte,
(a) refrein
Wees aanwezig, Heer ontferm U Heer.
10
(s)
Om hun namen, hun leven, en sterven.
(a) refrein
Wees aanwezig, Heer ontferm U Heer.
11
(s)
Om Uw Zoon, de eerste, de laatste.
(a) refrein
Wees aanwezig, Heer ontferm U Heer.
---
*53
#3
1
Zingt van de Vader die in den beginne
de mensen schiep, de dieren en de dingen,
hemel en aarde, wilt zijn naam bezingen:
Houdt Hem in ere!
2
Zingt van de Zoon, licht voor onze ogen,
bron van geluk voor wie Hem wil geloven,
luistert naar Hem, het woord van alzo hoge:
Houdt Hem in ere!
3
Zingt van de Geest, adem van het leven,
duurzame kracht die mensen wordt gegeven,
waar wij ook gaan, wij hebben niets te vrezen:
Houdt Hem in ere!
---
*54
#4
1
(s)
Waarom leven wij met woest geweld,
trouwe bomen liggen neergeveld,
hoge bergen zuchten,
trotse tijgers vluchten,
diepe zeeen sidderen ontsteld.
2
(v)
Waarom doen wij onze God verdriet,
vissen stikken, vogels zingen niet,
al het lieve leven,
waar is het gebleven,
heel de aarde is bedreigd gebied.
3
(s)
Heeft God tevergeefs op ons gebouwd,
Hij heeft ons zijn schepping toevertrouwd
om haar te behouden,
heil voor haar te zoeken,
wie zet zich nog in voor haar behoud?
4
(a)
Nog legt God zijn schepping voor ons neer,
alles stelt Hij onder ons beheer,
bloemen, planten, dieren, beken en rivieren.
Heer, ontferm U, nu en telkens weer!
---
*55
#3
1
(s)
Leve de aarde, de aarde mag er zijn,
leve de aarde zij is Gods kroondomein.
Leve de bomen, de bomen van de Heer,
leve de bomen, God schiep ze tot
zijn eer.
2
(v)
Leve de dieren, de dieren zijn in tel,
leve de dieren, God is hun metgezel.
Leve de mensen, de mensen die God riep,
leve de mensen, de Heer heeft hen
zo lief.
3
(a)
Leve de schepper, de schepper van wat
leeft
Leve de schepper, Hem looft wat adem
heeft.
---
*56
#4
1
(s)
Wij deden niet wat goed was,
Heer, vergeef ons telkens weer.
Als U ons niet vergeven zult,
dan leven wij met onze schuld:
Dat is geen leven, Heer,
dat is geen leven, Heer.
2
(m)
Vergeef ons nu en help ons Heer,
vergeven telkens weer.
Want als U ons vergeven zult,
wie staat bij ons dan in de schuld?
Er is toch maar een Heer?
er is toch maar een Heer!
3
(v)
Vergeef uw wereld alles, Heer.
Breng in haar lot een keer.
Ontferm U over iedereen,
ontferm U Heer, vergeet niet een.
U bent toch onze Heer?
U bent toch onze Heer!
4
(a)
Wij zingen van uw gloria,
want U zegt telkens ja:
Ja tegen ieder mensenkind,
omdat Uw liefde steeds weer wint.
Uw naam zij gloria!
Uw naam zij gloria!
---
*57
#3
1
(v)
Wanneer zal komen waarvan wij dromen,
vrede en geluk voor iedereen?
Zingen en spelen, feestelijk leven,
al wat adem heeft weer verzoend bijeen.
2
(m)
Oorlog en honger, ziekte en kommer,
is er dan geen God die ons bevrijdt?
Overal tranen, zuchten en klagen,
heel de schepping roept om gerechtigheid.
3
(a)
Wat ons ook teistert, wat ons verbijstert,
deze wereld is niet uitzichtloos.
We blijven hopen, alles bloeit open,
God is trouw, Hij doet wat hij heeft belooft.
---
*58
#1
1
I We blijven in het licht geloven,
II zingen psalmen, schreeuwen psalmen,
III fluiten psalmen in het donker.
---
*59
#1
1
Uw naam bevuild, uw koninkrijk
weersproken,
uw wil gevloekt, uw vaderschap
verloochend
wij zijn niet waard uw kinderen te
heten,
Hoogmoedig leven wij ons eigen leven.
O God breng ons weer thuis,
spreek ons in liefde uit,
wij smeken om genade,
help ons uw beeld te zijn,
leer ons gerechtigheid ,
betoon U onze Vader.
---
*60
#3
1
(m)
Wie van ons doet de ander recht,
is er een die de waarheid zegt,
wij spreken kwaad, wij spreken kwaad,
wij zwijgen dood,
welk woord verdient er nog geloof?
2
(v)
Mensen verstommen voor elkaar,
maken de goede trouw niet waar,
woorden zijn leeg en harteloos,
stenen geeft men elkaar voor
brood.
3
(a)
O God, uw Woord is metterdaad,
Gij spreekt ons vrij van alle kwaad,
uw Zoon staat voor uw waarheid in,
het Woord dat vlees geworden is.
---
*61
#3
1
(v)
God vol vergeven, wees ons genadig:
Zie hoe wij leven ver van uw licht.
God vol meedogen, zie hoe wij dwalen
houd onze ogen op U gericht.
2
(m)
Wij zijn vergeten op wie wij lijken,
naar wie wij heten sinds onze doop.
Wij zijn verloren wat zij bezaten
sinds wij herboren leefden van hoop.
3
(a)
U, onze morgen, houd U niet langer
voor ons verborgen: keer bij ons weer.
Wees in ons midden met uw genade,
leer ons weer bidden tot U als Heer.
---
*62
#6
1
(m)
Onder de gesloten hemel
van een zwijgend lots bestel
leven mensen kort en fel,
in het wervlend aards gewemel
naamloos - en dit lijkt de hel.
2
(m)
En zij vragen naar een teken
dat hun leven leven is
en zij sterven van gemis;
als met handen die ontbreken
schrijven zij geschiedenis.
3
(a)
God, hoe hebt Gij U verborgen!
Waarom in dit hol heelal
zwijgt Gij, zwijgt Gij overal?
Zie, de mensen met hun zorgen
zoeken troost in loos geschal.
4
(v)
Spreken toch! Hoor de ingebeelde
woordenkramers, wichelaars,
alwie werven met iets waars,
zie toch, Heer, hoe zij in weelde
leven, want uw woord is schaars!
5
(v)
Zegt men: 't Lot staat in de sterren,
waarheid staat daar niet geboekt.
Ach, versta eer Gij vervloekt,
dat een mens, houdt Gij U verre,
leven bij de doden zoekt!
6
(a)
Hoor, Heer, uw gemeente bidden
voor wij haast in roes en waan,
in zinloosheid ondergaan.
Wel uw zegsman in ons midden!
Of is Hij al opgestaan?
---
*63
#1
1
(s) Heer, ontferm U over ons
(a) Heer, ontferm U over ons
(s) Christus ontferm U over ons
(a) Christus ontferm U over ons
(s) Heer, ontferm U over ons
(a) Heer, ontferm U over ons
Heer, ontferm U, Heer ontferm U,
Heer, ontferm U.
---
*64
#1
1
A
Kyrie, kyrie, kyrie eleison.
B
Kyrie, kyrie, kyrie eleison.
---
*65
#1
1
Christus, geef ons uw vrede.
(herhalen zo vaak men wil.)
---
*66
#1
1
Schenk uw wereld vrede, Here God.
(herhalen zo vaak men wil.)
---
*67
#3
1
Tussen schaduw, tussen licht,
is een woord verborgen,
toekomst dromen zijn in zicht,
ergens wacht een morgen.
Rakelings is God nabij
als een schaduw aan je zij
en je mag geloven
tranen zullen drogen.
2
Samen horen, samen doen,
de sjalom uitdragen,
zoeken naar een goed fatsoen
hier in onze dagen.
Door het brood en door de wijn
weet je dat je er mag zijn,
nauw met God verboden
in dit zichtbaar wonder.
3
Wolken dragen dromen aan,
dromen vol verlangen,
dat het donker weg zal gaan
ons niet houdt gevangen.
Kyrie eleison, God ontferm U,
keer U om, laat uw vrede komen
altijd bij ons wonen.
---
*68
#5
1
(s)
Ik zoek een land waar vrede is,
waar haat en nijd verdwenen is
en waar de mensen hand in hand
tesamen leven in dat land.
2
(v)
ik zoek een stad waar vrede is,
waar eenzaamheid te dragen is
en waar de mensen zorgen dat
er niemand dood loopt in die stad.
3
(s)
Ik zie een huis waar vrede is,
waar liefde ons tot woning is
en waar de mensen last en kruis
tesamen dragen in dat huis.
4
(m)
Ik zoek een mens die vrede is
die ons een weg tot leven is
en die de mensen op doet staan,
de handen aan de ploeg laat slaan.
5
(a)
Ik zoek een land dat niet bestaat,
een droom die haast verloren gaat:
Een stad, een huis (een luchtkasteel?),
o, God, vraag ik misschien te veel?
---
*69
#5
1
(m)
Hoelang zal het duren,
dat macht en geweld,
het recht van de sterkste
alleen nog maar telt?
De morgen telt oorlog,
de avond brengt pijn:
de hel moet beslist
hier op aarde zijn.
2
(v)
Hoelang zal het duren
dat mensen in nood
vergetelheid hebben
als dagelijks brood?
De morgen meldt oorlog,
de avond brengt pijn:
Hoe kan er nog hoop
in de mensen zijn?
3
(m)
Hoelang zal het duren
dat ieder goed woord
verkeerd wordt begrepen,
niet eens wordt aanhoord?
De morgen brengt oorlog,
de avond brengt pijn:
zou vrede alleen maar
een droombeeld zijn?
4
(v)
Moet het zolang duren,
tot goedheid het wint
van moordende wapens
en vrede begint,
tot honger verandert
in welvaart alom
en haat gaat verdwijnen
als sneeuw voor de zon?
5
(a)
Moet het zolang duren,
zijn wij dan te groot
ons schuldig te weten
aan oorlog en dood?
Hoe zou het toch worden
als wij, in Gods naam,
onszelf gaan vergeten,
elkaar weer verstaan?
---
*70
#4
1
(a)
Heer, leer ons zien, want soms lijkt dit bestaan,
zinloos en vaag, in nevels op te gaan,
voelen wij ons verloren en alleen,
dwalen wij zomaar rond en nergens heen.
2
(v)
Heer, leer ons zien, de zin en het verband:
U ons begin, en U ons vaderland.
Wees weer de God die ons heeft uitgedacht,
wees weer de vader, die ons thuis verwacht.
3
(m)
Heer, onze God, U maakt ons duister licht;
in onze mist schept U een vergezicht,
ieder van ons, hoe nietig hij ook is,
heeft in de samenhang betekenis.
4
(a)
U bent de kracht, die ons tot leven riep,
U bent de hoop van allen die U schiep.
U bent de band die heel de mensheid bindt.
U het geluk dat zij tenslotte vindt.
---
*71
#4
1
Ik heb je bij je naam geroepen,
je bent van mij, heeft God gezegd.
Ik wil voor jou als Vader zorgen.
Ik heb mijn hand op jou gelegd.
2
Ik wil jou zaligmaker wezen,
heeft Jezus bij je doop beloofd;
de Heilge Geest ook aan je geven,
die zorgt dat je mijn woord gelooft.
3
Ik wil je van de zonde wassen,
van al het kwaad dat je steeds doet,
je leven helemaal vernieuwen,
zodat je mijn geboden doet.
4
In alles wil Ik je steeds leiden,
opdat je met mijn Geest vervuld
leert tegen alle zonden te strijden
en je mij altijd volgen zult.
---
*72
#4
1
Geboren ben je om te leven:
een ander zien en God soms even,
geboren voor het licht.
2
Een mens ben jij om lief te hebben,
een heel lief kind om lief te hebben:
Een mens met een gezicht.
3
( bij het doopvont )
God spreekt je aan, je mag gaan heten
naar Hem, dat moet je nooit vergeten:
Jij krijgt een nieuwe naam.
4
( als de doopkaars aangestoken wordt )
Je bent gedoopt om echt te leven,
het licht van God weer door te geven:
Jij mag je weg nu gaan!
---
*73
#3
1
Waterdruppels op je hoofd,
zijn zo weer weg.
Maar wat God jou nu belooft,
blijft altijd echt.
2
Ook al ben je nog heel klein,
jij hoort erbij.
God wil ook jouw Vader zijn,
net als van mij.
3
( na de doop )
Waterdruppels op je hoofd
zijn zo weer weg.
Maar wat God jou heeft beloofd,
blijft altijd echt.
---
*74
#3
1
Jij kindje, schrik maar niet,
pijn doet het water niet,
het water is een helder bad,
jij wordt een hele lieve schat,
jij hoort er nu echt bij,
dit water maakt jou blij.
2
Jij kindje let maar op,
jij hebt een goede God.
Hij draagt jou in zijn arme mee,
zo golft het water van de zee,
jij hoort er nu echt bij,
dit water maakt jou blij.
3
Jij kindje wees niet bang,
God helpt jou levenslang,
Hij noemt jou met een lieve naam,
... en jij ... mag met ons verder gaan
jij hoort er nu echt bij,
dit water maakt jou blij.
---
*75
#2
1
Je naam staat geschreven in Gods hand.
2
Je naam staat geschreven in Gods hand.
---
*76
#4
1
(a)
Mensenkind, waar kom jij vandaan
amper geboren, nog geen naam,
totdat twee mensen,
een man en een vrouw, zeggen:
wat houden wij veel van jou;
n.n. is je naam.
2
(v)
Mensenkind, kijk de mensen nou
zij willen niet meer zonder jou,
worden je vrienden, en geven een hand,
nemen je mee naar het mensenland.
3
(m)
Mensenkind, jij bent niet alleen,
ook al moet jij door water heen
wij gaan met jou en we gaan tegelijk,
totdat wij zijn in het koninkrijk:
n.n. is je naam.
4
(a)
Iedereen is zo'n mensenkind
vragend totdat hij wordt bemind,
gaande en staande in weer en wind
totdat een ander het antwoord vindt:
Menslief is je naam.
(n.n. hier wordt de naam van het
kind gezongen.)
----
*77
#4
1
Jij hebt een naam, jij hebt een naam,
daar kom je zelf in voor,
een naam die met jou mee zal gaan
je hele leven door.
2
Jij hebt een naam waarin je woont,
waarin je veilig bent,
een naam die heel jouw leven kroont
op jou is afgestemd.
3
Jij bent een naam voor iedereen
die dicht bij jou wilt staan,
en samen ben je niet alleen
zo kun je verder gaan.
4
Jij hebt een naam met een verhaal
dat uitgeschreven wordt
al gaandeweg in mensentaal
dicht bij de naam van God.
---
*78
#5
1
(a)
Water, water van de doop,
taal en teken van de hoop:
zie wij komen bij u staan,
wijs ons Gods beloften aan.
2
(v)
Water, water van de vloed
die de ark wel dragen moet,
hoog staat daar de regenboog:
God maakt hij de aarde droog!
3
(a)
Water, water van de Nijl,
draagt het scheepje van het heil
biezen maandje in het riet
God vergeet de zijnen niet!
4
(v)
Water, water der Jordaan,
alle schuld is weggegaan,
onze zonden draagt de Heer,
zie: De duif daalt op Hem neer!
5
(a)
Water, water van de doop,
uit uw bron ontspringt de hoop:
God bevrijdt en Hij geneest
lof zij Vader, Zoon en Geest!
---
*79
#4
1
(a)
Verbonden met vader en moeder,
natuurlijk het meest met die twee,
maar ook met de andere mensen vier
jij hier dit feest met ons mee.
refrein
Je hebt al een naam,
maar je krijgt er een bij op dit feest
want jij wordt gedoopt in
de naam van de Vader, de Zoon
en de Heilige Geest.
2
(v)
Je bent al een tijdje bij de mensen,
je naam is bij ons al vertrouwd
en dus is het tijd om te vieren,
dat God die je kent van je houdt.
(a) refrein
Je hebt al een naam,
maar je krijgt er een bij op dit feest
want jij wordt gedoopt in
de naam van de Vader, de Zoon
en de heilige Geest.
3
(a)
Je bent een begrip aan het worden;
steeds meer mensen noemen je naam;
ook God begint jouw naam te roepen
en dus zijn wij hier nu tesaam.
(a) refrein
Je hebt al een naam,
maar je krijgt er een bij op dit feest
want jij wordt gedoopt in
de naan van de Vader, de Zoon
en de Heilige Geest.
4
(a)
Nu mag je gaan leven met mensen
verbonden in liefde en trouw
omdat zij vandaag bij dit dopen
Gods Naam legden naast die van jou.
(a) refrein
Je hebt al een naam,
maar je krijgt er een bij op dit feest
want jij wordt gedoopt in
de naam van de Vader, de Zoon
en de Heilige Geest.
---
*80
#4
1
Kind, wij dragen je op handen
naar het water van de bron.
Want jouw leven mag niet stranden,
niet vergaan in het waarom.
refrein
Door het water vroeg of later
kom je dicht bij het geheim.
In de hoge hemel staat er
dat je kind van 't licht mag zijn.
2
Als jouw naam wordt uitgesproken
over duister water heen,
is jouw eenzaamheid doorbroken,
ben je hier niet meer alleen.
refrein
Door het water vroeg of later
kom je dicht bij het geheim.
In de hoge hemel staat er
dat je kind van 't licht mag zijn.
3
Water, water laat het stromen,
teken en herinnering,
van een eeuwig heimwee dromen,
van een altijd nieuw begin.
refrein
Door het water vroeg of later
kom je dicht bij het geheim.
in de hoge hemel staat er
dat je kind van 't licht mag zijn.
4
Opgenomen en verbonden met de Naam
die vrede is,
gaat jouw leven niet ten onder
en het wordt niet uitgewist.
refrein
Door het water vroeg of later
kom je dicht bij het geheim.
In de hoge hemel staat er
dat je kind van 't licht mag zijn.
---
*81
#4
1
(a)
Laat nu de jongste binnen komen,
met handen graaiend naar het licht,
met grote ogen vol van dromen,
een nieuw en toch bekend gezicht.
2
(v)
Het moet van God de Geest nog krijgen
om mens voor mens te kunnen zijn,
om van de waarheid niet te zwijgen,
om wars te zijn van schone schijn.
3
(m)
Wij dopen nu uit zorg voor later,
alleen om wille van de hoop,
dat God hem (haar) uit het diepste water
zal roepen tot vernieuwd geloof.
4
(a)
En wij hier worden aangesproken,
als kring van vriendschap om hem (haar) heen,
dat wij in nieuw geloof ontstoken
hem (haar) niet doen gaan zijn (haar) weg alleen.
---
*82
#4
1
Voor mensen kunnen spreken
heb Ik hen al gehoord,
voor zij mijn hulp inroepen
geef Ik hun al mijn woord.
2
Voor zij geboren worden
heb Ik hen al gewild,
voor zij het licht aanschouwen
noem Ik hen al mijn kind.
3
Voor zij in zonde vallen
heb ik hun hart doorgrond,
voor zij ten dode vallen
geef ik hun vaste grond.
4
Voor mensen kunnen spreken
weerklinkt mijn woord
voor trouw om voor altijd
te weten wie hen in leven houdt.
---
*83
#3
1
(v)
Nog maar nauwlijks uitgeslapen,
nog niet aan bestaan gewend,
werd je zichtbaar, zie: Je bent
naar Gods eigen beeld geschapen.
2
(m)
Kwetsbaar aan het licht gekomen
deel je tastbaar ons bestaan,
onze liefde. Wij verstaan
in ons hart je diepste dromen.
3
(a)
Onze harten kloppen samen
leven uit geloof, uit hoop,
in het teken van de doop,
teken der gemeenschap. Amen.
---
*84
#3
1
(Als de doopkaars wordt aangestoken.)
Licht van de Heer wil zich verspreiden.
op alle plaatsen, alle tijden:
God is licht.
2
(Als de doopkaars is aangestoken.)
Wij mogen ook een lichtje wezen,
aan ons mag ieder af gaan lezen:
God is licht.
3
Doopkaars, jij bent daarvan het teken:
God wil in ons het duister breken.
Het wordt licht.
---
*85
#3
1
Jezus zegt, dat Hij hier van ons verwacht,
dat wij zijn als kaarsjes,
brandend in de nacht.
En Hij wenst, dat ieder tot zijn ere schijn,
jij in jouw klein hoekje en ik in 't mijn!
2
Jezus zegt, dat Hij ieders kaarsje ziet,
of het herder licht geeft,
of ook bijna niet.
Hij ziet uit de hemel of wij lichtjes zijn,
jij in jouw klein hoekje en ik in 't mijn!
3
Jezus zegt ons ook, dat 't zo donker is,
overal op aarde
zonde en droefenis.
Laat ons dan in 't duister heldre lichtjes zijn,
jij in jouw klein hoekje en ik in 't mijn!
---
*86
#3
1
Mijn lieve kleine kindje,
vandaag zijn wij zo blij.
Je kunt het niet begrijpen,
maar toch hoor jij er bij!
2
Je bent gedoopt met water
en daarom is het feest!
Wij hopen dat je later
gedoopt wordt met Gods Geest.
3
Dat je de weg zult wandlen,
die Jezus zelf ons wees:
In liefde voor de ander
en vrij van alle vrees.
---
*87
#1
1
Geef alle ruimte aan het goede leven
I Geef alle ruimte aan het goede leven.
II Wie niet meer hoopt
III sterft voor zijn tijd.
---
*88
#1
1
Van God is de aarde en al wat zij draagt,
de wereld en wie haar bewonen.
---
*89
#1
1
't Grootste gebod door God ons gegeven is:
altijd houden van elkaar.
De tien geboden om naar te leven,
probeer dat maar.
---
*90
#10
1
(a)
Tien woorden, tien woorden
die wij van Mozes hoorden,
betekenen nu nog altijd:
't Is Jahweh die bevrijdt!
2
(v)
De mens die wil leven
hoeft niet van angst te beven
voor elke god van hout of steen:
Jahweh bevrijdt alleen!
3
(m)
Zijn naam mag je weten,
maar laat ons niet vergeten:
voor wie alleen die Naam maar hoort,
is het gewoon een woord.
4
(a)
Een dag is gegeven
om vrij te leren leven.
Zes dagen werk? 't Is mooi geweest!
Op sabbath is het feest!
5
(v)
Al vroeg zul je leren
om ouderen te eren,
te luisteren naar goede raad
die waarschuwt voor het kwaad.
6
(m)
Het is je verboden
een medemens te doden.
Want zelf sterf je voordat je 't weet,
als jij dat woord vergeet.
7
(a)
Wat trouw is moet blijken.
Niet naar een ander kijken.
Wie zich niet houden kan bij een
blijft dikwijls zelf alleen ...
8
(v)
Wij zullen niet stelen,
maar liever samen delen.
Er is genoeg voor iedereen.
't Is niet voor ons alleen!
9
(m)
Wie kwaad wil vertellen,
aan die is te voorspellen:
als het niet waar is wat hij zegt,
komt hij voor het gerecht.
10
(a)
Als iemand een huis bouwt,
of met een lieve vrouw trouwt;
wees niet jaloers op wat je ziet.
't bespaart je veel verdriet.
---
*91
#10
1
(a)
Wij kiezen voor de vrijheid
die God ons heeft beloofd:
Hij heeft de boze goden
van al hun macht beroofd.
2
(m)
Weg met de stomme beelden,
die maken God te klein:
Hij zal ons zelf vertellen
wie Hij voor ons wil zijn.
3
(v)
En Hij heeft ook gegeven
dat je Hem noemen mag:
Maak jezelf dan niet groter
met Gods naam als je vlag.
4
(m)
En neem voluit de vrijheid,
een dag van feestelijkheid,
om opgewekt te vieren
dat God ons heeft bevrijd.
5
(v)
Hoor ook naar de verhalen
van wie zijn voorgegaan:
Want God, de God van gisteren
is met ons doorgegaan.
6
(m)
Geef ruimte aan je naaste,
geschapen naar Gods beeld:
want alle mensen heeft Hij
zijn leven meegedeeld.
7
(v)
Blijf met elkaar verbonden
als mens, als man of vrouw:
Zo is tot in de diepte
ook God zijn liefde trouw.
8
(m)
Wil zo ruimhartig delen
dat niemand stelen moet:
God liet ons samen wonen
in 't land van overvloed.
9
(v)
En breek niet met de woorden
een anders leven stuk:
want God sprak tot ons allen
het woord van ons geluk.
10
(a)
Gun dan elkaar het goede,
zo is het ons gegund:
Je leven is pas leven
als je ook vergeven kunt.
---
*92
#4
1
Is wat je zegt wel echt?
is wat je doet wel goed?
laat wat je zegt en doet,
echt zijn en goed!
2
Hij die wel "ja Heer" zegt,
maar daarna "nee Heer" doet,
die handelt toch wel
echt niet zo het moet.
3
En hij die "nee Heer" zegt,
maar daarna "ja Heer" doet,
die handelt niet zo slecht,
die doet wel goed.
4
Maar hij die "ja Heer" zegt,
en dan ook "ja Heer" doet,
die spreekt en handelt goed,
die is oprecht.
---
*93
#3
1
Wees goed voor de dieren,
ook zij willen hier
hun leven graag leven
met heel veel plezier.
2
Wees goed voor de mensen,
want ieder die hier
een ander doet leven,
doet God veel plezier.
3
Want Hij wil dat ieder,
de mens en het dier,
hun leven hier leven
met 't meeste plezier.
---
*94
#5
1
(a)
Handen heb je om te geven
van je eigen overvloed,
en een hart om te vergeven
wat een ander jou misdoet.
refrein
Open uw oren om te horen
open uw hart voor alleman.
2
(v)
Ogen heb je om te zoeken
naar wat mensen nog ontbreekt
en een hart om uit te zeggen
wat een ander moed inspreekt.
(m) refrein
Open uw oren om te horen
open uw hart voor alleman.
3
(a)
Schouders heb je om te dragen
zorg en pijn van alleman
en een hart om te aanvaarden
wat een ander beter kan.
refrein
Open uw oren om te horen
open uw hart voor alleman.
4
(m)
Voeten heb je om te lopen
naar de mens die eenzaam is
en een hart om waar te maken
dat geen mens een eiland is.
(v) refrein
Open uw oren om te horen
open uw hart voor alleman.
5
(a)
Oren heb je om te horen
naar de mens die vrede is
en een hart om te geloven
in zijn God die liefde is.
refrein
Open uw oren om te horen
open uw hart voor alleman.
---
*95
#3
1
Dit is mijn hand en dit is mijn voet.
'k Heb ze allebei nodig.
Waar moet ik heen als een het niet doet?
Niets is er overbodig.
'k Heb mijn voeten nodig om te lopen.
En mijn handen om mijn schoenen vast te knopen.
Hand, voet knie, oog, oor, neus, keel.
Alles is nodig, niets te veel.
Alles is nodig, niets te veel.
2
Mijn hand kan niet zeggen tegen mijn voet:
Ik heb jou niet nodig.
Stel je 's voor dan ging het niet goed.
Niets is er overbodig.
Want al kan ik met mijn handen ballen,
zonder mijn voeten zou ik op mijn snufferd vallen.
Hand, voet, knie, oog, oor, neus, haar,
alles is nodig, voor elkaar.
Alles is nodig, voor elkaar.
3
Ik ben de hand en jij de voet.
wij zijn allebei nodig.
Wat ik niet kan, kan jij juist goed.
Niemand is overbodig.
Jij bent gemaakt om mee te spelen,
te lachen en te huilen en alles mee te delen.
Niemand is minder, niemand is meer,
ieder is nodig, bij de Heer.
Ieder is nodig, bij de Heer.
---
*96
#3
1
Mensen wordt wakker voor dat het te laat is!
Mensen vooruit, wrijf je ogen eens uit.
Zoals het nu gaat zo kan het niet blijven,
kom in beweging, neem nu een besluit.
refrein
Wil je niet opstaan,
dan blijf je maar liggen,
moet je maar weten wat er van komt.
2
Zeg niet: Ach ja, het zijn donkere tijden.
Zeg niet: Nu ja, 't is misschien wel God's wil.
Zeg niet: Altijd was er onrecht en lijden.
Nu zijn er andere tijden op til.
refrein
Wil je niet opstaan,
dan blijf je maar liggen,
moet je maar weten wat er van komt.
3
Hij die er aan komt zal 't licht weer doen dagen.
Kom overeind, want de nacht is voorbij.
Weg nu met dat wat geen licht kan verdragen;
Maak door de puinhoop een weg voor Hem vrij.
refrein
Wil je niet opstaan,
dan blijf je maar liggen,
moet je maar weten wat er van komt.
---
*97
#2
1
Ze zullen altijd tegen je zeggen:
"Voor wat hoort wat, want dat hoort".
Ze zullen altijd uit willen leggen:
Sta op je rechten, dan kom je nooit tekort.
Doe daar niet aan mee, doe het andersom:
geef de mensen meer dan ze durfden te verwachten.
Dus in plaats van steeds op je strepen staan
langer met ze meegaan dan zij wel wel van je dachten.
We hebben mensen nodig met een nieuwe fantasie,
mensen nodig met een nieuwe fantasie.
We hebben mensen nodig met een nieuwe fantasie,
mensen nodig met een nieuwe fantasie.
2
Ze zullen altijd tegen je zeggen:
"Oog om oog en tand om tand."
Ze zullen altijd uit willen leggen:
Sla van je af en gebruik toch je vertand.
Doe daar niet aan mee, doe het andersom:
Ga op mensen af die van jou af willen komen.
Ook als ze je wegslaan, blijf in de buurt,
want zij hebben nodig waar zij zelf niet toe komen.
Ze hebben mensen nodig met een nieuwe fantasie,
mensen nodig met een nieuwe fantasie.
Ze hebben mensen nodig met een nieuwe fantasie,
mensen nodig met een nieuwe fantasie.
---
*98
#5
1
(s)
De dag waarop ik werd geboren
werd feest gevierd in ons gezin!
Ik mocht er ook bij gaan behoren
en nam mijn eigen plaatsje in.
2
(v)
Zo gaat het leven dan beginnen,
vol dingen die je nog niet weet.
waar mensen haten en beminnen,
een leven, vol van lief en leed.
3
(a)
Elk op zijn beurt mag weer proberen
te doen, wat ons is voorgedaan.
Want Jezus wil ons leven leren,
Hij wijst de goede weg ons aan.
4
(m)
Die weg gaat echt niet over rozen,
wie Jezus volgt, ontmoet veel haat.
toch weet je: Je hebt goed gekozen:
Zijn liefde overwint het kwaad.
5
(s)
En als mijn beurt dan is gekomen
om uit dit leven heen te gaan,
dan zal de toekomst van mijn dromen
in Jezus blijven voortbestaan.
---
*99
#4
1
Wij leven hier ons leven
steeds weer van dag tot dag.
Meer is ons niet gegeven,
dan leven bij de dag.
2
De dagen maken samen
de weken met elkaar;
die weken samen maanden
en maanden weer het jaar.
3
Geef, Heer, dat ik mijn jaren
altijd zo leven mag,
dat anderen U ervaren
in mij, van dag tot dag.
4
Want dan worden de dagen
voor iedereen een feest,
omdat ze 't teken dragen
van leven in Uw Geest.
---
*100
#6
1
(a)
De mensen om ons heen
zijn ons door God gegeven
om samen mee te leven,
want niemand leeft alleen.
2
(m)
Maar hoe? Dat is de vraag
die wij zo dikwijls stellen.
Wie kan ons dat vertellen?
Wat is Gods wil vandaag?
3
(v)
In 't kort is dit de wet:
Heb God lief en je naaste.
De eerste en de laatste
zijn naast elkaar gezet.
4
(a)
Die naaste hoort erbij.
Als God ons in dit leven
de schulden wil vergeven,
vergeven dan ook wij?
5
(v)
Het leed jou aangedaan:
kun je dat niet vergeven?
dan blijft, zo zul je weten
ook jou schuld voortbestaan.
6
(a)
Vergeving die je vraagt
eerst aan een ander geven.
Dan zal ook God vergeven
de schuld die jij nu draagt.
---
*101
#1
1
Niemand leeft voor zichzelf
niemand leeft voor zichzelf.
Wij leven en sterven voor God onze Heer:
Aan Hem behoren wij toe.
---
*102
#1
1
I Blijf niet staren op wat vroeger was.
II Sta niet stil in het verleden.
III Ik, Zegt Hij, ga iets nieuws beginnen,
IV Het is al begonnen, merk je het niet?
---
*103
#1
1
I Het woord dat ik jou geef
II is niet te zwaar is niet te hoog,
jij kunt het volbrengen.
---
*104
#1
1
Wie een leven lang in Hem gedoopt wil zijn,
leeft zijn leven, kent zijn pijn.
Wie een mens wil zijn van trouw en medeleven,
zal al doende leren geven.
---
*105
#3
1
Zoek eerst het koninkrijk van God
en zijn gerechtigheid.
En al het andere krijg je bovendien.
Halleluja, halleluja.
refrein
Halleluja, halleluja, halleluja,
halleluja.
2
Jij zult niet leven van brood alleen,
maar van ieder woord
dat door de Heer gesproken wordt,
halleluja, halleluja.
refrein
Halleluja, halleluja, halleluja,
halleluja.
3
Bid en jou zal gegeven zijn,
zoek en jij zult het vinden.
Klop en de deur zal voor je opengaan,
halleluja, halleluja.
refrein
Halleluja, halleluja, halleluja
halleluja.
---
*106
#3
1
De mens leeft niet alleen op aarde,
ook dieren zijn door God geschapen,
de muis, de vis, de leeuw, het paard
God schiep hen allen naar hun aard.
De dieren hebben recht op leven,
God heeft hen met zijn Geest gezegend,
Hij houdt zijn oog op hen gericht,
zij spelen voor zijn aangezicht.
2
Wie zal hen liefdevol beschermen,
zich aan hen geven als een herder,
God gunt de mens de hoge eer
om uit te blinken als hun heer.
Hij zal het beeld zijn van zijn schepper
wanneer hij hart voor hen zal hebben,
de mens is Gods gelijkenis
als hem Gods schepping heilig is.
3
O God wees ons toch goedertieren,
wij zijn geen herders voor de dieren,
zij zuchten onder ons geweld,
verslagen ruimen zij het veld.
Heilloos verlopen onze wegen.
de aarde wordt weer woest en ledig,
ontferm U over alles wat leeft,
herschep ons mensen naar uw beeld.
---
*107
#3
1
Wees goed voor deze aarde,
het dier, de boom, de plant,
want alles heeft zijn waarde,
is Schepping van Gods hand.
Wees goed voor al het leven,
het heeft een eigen recht.
de Heer gaf het zijn zegen,
Hij is er aangehecht.
2
Wees goed voor deze aarde,
zij is Gods eigendom,
God houdt zo van de paarden,
de meren en de zon.
Wees goed voor al het leven,
Gods hart klopt er in mee,
Hij heeft zijn Geest gegeven
aan berg en dal en zee.
3
Wees goed voor deze aarde,
vertrap en plunder niet,
bewerk haar en bewaar haar
zoals de Heer gebiedt.
Wees goed voor al het leven,
bezorg de Heer geen smart,
wie doodt, hij werkt God tegen,
hij trapt Hem op het hart.
---
*108
#2
1
Land van God gegeven,
aarde is uw naam
land om van te leven,
uit de zee vandaan.
Dat wij u bebouwen,
als een volk dat dient,
in het vast vertrouwen:
Eens de oogst te zien.
In het vast vertrouwen:
Eens de oogst te zien.
2
Land onder de wolken,
achter de woestijn,
land waarheen de volken
gaan om brood en wijn.
Dat wij u bewaren
totdat God verschijnt,
en op deze aarde
alles nieuw zal zijn.
En op deze aarde
alles nieuw zal zijn.
---
*109
#5
1
(s)
Houden van mensen is rijk zijn in nood,
elkander geven het dagelijks brood.
2
(v)
Houden van mensen: Bevrijdend geheim,
om voor een ander een woonplaats te zijn.
3
(s)
Houden van mensen is warmte en licht:
elkander tonen je ware gezicht.
4
(m)
Houden van mensen is spelenderwijs
aarde herscheppen tot nieuw paradijs.
5
(a)
Houden van mensen zoals Hij het deed
die met ons deelde ons lief en ons leed.
---
*110
#4
1
(a)
Liefde is het meeste,
liefde breekt niet stuk,
liefde is het meeste,
eindeloos geluk.
refrein
Gelukkig die liefheeft,
zijn weg is begaanbaar,
gelukkig die liefheeft,
hij leeft onweerstaanbaar.
2
(v)
Niemand kan er zonder,
liefde weert bederf,
niemand kan er zonder,
wie niet liefheeft sterft
(a) refrein
Gelukkig die liefheeft,
zijn weg is begaanbaar,
gelukkig die liefheeft,
hij leeft onweerstaanbaar.
3
(v)
Liefde maakt de mensen,
liefde doet ons recht,
liefde maakt de mensen,
liefde maakt ons echt.
(a) refrein
Gelukkig die liefheeft,
zijn weg is begaanbaar,
gelukkig die liefheeft,
hij leeft onweerstaanbaar.
4
(a)
Liefde is genade,
gave van Gods Geest,
liefde is genade,
vuur dat God ontsteekt.
refrein
Gelukkig die liefheeft,
zijn weg is begaanbaar,
gelukkig die liefheeft,
hij leeft onweerstaanbaar.
---
*111
#5
1
(s)
Wie een open mens wil worden,
wil groeien uit bevangenheid:
moet leven kunnen voelen
in warme aarde, mens en tijd.
(a) refrein
Laat vuur je leven raken,
Zijn Geest kan krachtig maken.
Laat vuur je leven raken.
2
(s)
Wie in overvloed wil leven,
en daarom zoekend tastend ziet,
zal groeiend openkomen
voor alles wat Gods stroming biedt.
(a) refrein
Laat vuur je leven raken,
Zijn Geest kan krachtig maken,
Laat vuur je leven raken.
3
(s)
Wie niet bang, verkrampt, berekend,
maar wel diep verbonden leeft,
ontdekt wellicht zijn adem:
Die Heer is en het leven geeft.
(a) refrein
Laat vuur je leven raken,
Zijn Geest kan krachtig maken,
Laat vuur je leven raken.
4
(s)
Wie tot dienstbaarheid mag rijpen,
dwars door onzekerheid en pijn,
leeft toegewijd aan mensen;
van kracht zal hij doordrongen zijn.
(a) refrein
Laat vuur je leven raken,
Zijn Geest kan krachtig maken,
Laat vuur je leven raken.
5
(s)
Waar de mensen wegen banen,
samen durfden op uittocht gaan,
wordt zijn Geest sterk ervaren;
Hij openbaart vervuld bestaan.
(a) refrein
Laat vuur je leven raken,
Zijn Geest kan krachtig maken.
Laat vuur je leven raken.
---
*112
#4
1
(a)
Zeg nooit: "Onze wereld is gebroken
en de mens tot weinig goeds in staat."
Zeg nooit: "Niemand kan op vrede hopen,
alles gaat nu eenmaal als het gaat."
(a) refrein
Want een land, een land om van te dromen,
stuwt de mensen uit hun slavernij
tot zij juichen, met tranen in hun ogen:
"Lieve God, we zijn er, eindlijk vrij!"
2
(v)
Zeg nooit dat de zeeen veel te hoog zijn,
dat een mens niet zonder bedding kan.
zeg nooit dat woestijnen veel te droog zijn,
dat een volk daar eenmaal weer verzandt.
(a) refrein
Want een land, een land om van te dromen,
stuwt de mensen uit hun slavernij
tot zij juichen, met tranen in hun ogen:
"Lieve God, we zijn er, eindlijk vrij!"
3
(m)
Zeg nooit: "God is zijn verbond vergeten,
er is niemand hier, die ons bevrijdt."
Zeg nooit: "Van een droom kan ik niet eten."
Zeg nooit: "Wie niet werkt, verknoeit zijn tijd."
(a) refrein
Want een land, een land om van te dromen,
stuwt de mensen uit hun slavernij
tot zij juichen, met tranen in hun ogen:
"Lieve God, we zijn er, eindlijk vrij!"
4
(v)
Zeg nooit dat het godvergeten lijden
toch het noodlot is van ons bestaan.
Zeg nooit: "Stil maar, wacht op beetre tijden."
Zeg noot: "Niemand kan de dood weerstaan."
(a) refrein
Want een land, een land om van te dromen,
stuwt de mensen uit hun slavernij
tot zij juichen, met tranen in hun ogen:
"Lieve God, we zijn er, eindlijk vrij!"
---
*113
#7
1
(v)
Opgeroepen tot de vrijheid
uit het land van man en macht
weten wij elkaar gegeven
en tot samenklank gebracht.
(m)
Nieuw verbonden: Vrouwen, mannen,
die van vriendschap zijn gediend,
samenspel van de verbeelding
waarin God zichzelf laat zijn.
refrein
(v)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(m)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(v)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot!
(m)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot!
2
(v)
Wie voor 't vullen van zijn schuren
armen weer tot slaven maakt,
wie van mildheid niet wil weten,
heeft God in het hart geraakt.
(m)
Tot de grenzen van de aarde,
is Gods goedheid uitgebreid.
zullen wij niet laten delen
in die gaven, wereldwijd?
refrein
(v)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(m)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(v)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot!
(m)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot!
3
(v)
In de schepping zijn de kleuren
van het goddelijk paleis,
als de regenboog van morgen,
voor het leven ingezet:
(m)
Al wat ademt op de aarde,
levend van dezelfde zon,
bondgenoten van de hemel,
drinkend uit dezelfde bron.
Refrein
(v)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(m)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(v)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot!
(m)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot!
4
(v)
Goed en bloed zijn nooit de heersers
in het land van Gods geslacht.
alle mensen is in Christus
recht en vrijheid toegedacht.
(m)
Zoals duizend kleuren breken
uit het ene stralend licht,
zijn de rassen en de volken
vonken van Gods aangezicht.
refrein
(v)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(m)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(v)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot.
(m)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot.
5
(v)
Waar de zelfkant van de welvaart
ongeweten kan bestaan,
leert de hemel ons dat onrecht
door ons allen is begaan.
(m)
Aangestoken door de hoge
wordt het wonder weer een feit,
waar een mens begint met delen
zaait hij de gerechtigheid.
refrein
(v)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(m)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(v)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot.
(m)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot.
6
(v)
Toegezegde lieve vrede,
aangewezen weg van recht,
laat je vinden, wil ons binden
op de toekomst aangelegd.
(m)
Alle muren zullen smelten
die uit angst zijn opgebouwd,
als de warmte van verzoening
nieuwe ruimte heeft ontvouwd.
refrein
(v)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(m)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(v)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot.
(m)
En verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot.
7
(v)
Volk van God, draag deze namen:
vindplaats van waarachtig recht,
samenscholing voor de vrede,
toekomst die is aangezegd!
(m)
Een in geven en vergeven,
niet meer machteloos verdeeld,
aangewezen om te leven,
door de Geesteswind gestreeld.
refrein
(v)
Naam, die op ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(m)
Naam, die ons is geschreven,
roep ons weg uit onze dood.
(v)
en verbind ons voor het leven,
van uw liefde deelgenoot.
---
*114
#6
1
(a)
Gelukkig de mens die arm is van geest
en rijk aan barmhartigheid wonden geneest.
2
(v)
Gelukkig de mens die droefheid ontmoet
en door zijn blijmoedigheid wonderen doet.
3
(m)
Gelukkig de mens die zuiver van hart,
gewapend met eerlijkheid eigenwaan tart.
4
(v)
Gelukkig de mens die niet eerder zwicht
tot hij in gerechtigheid vrede hier sticht.
5
(m)
Gelukkig de mens die dit heeft volbracht
en ons in de duisternis licht heeft gebracht.
6
(a)
Gelukkig de mens die Hem kan verstaan
die ons in die menslijkheid voor is gegaan.
---
*115
#3
1
Zalig de mens die in eenvoud leeft,
zalig de mens die zijn liefde geeft.
refrein
Zalig de mens die het lijden ziet,
zalig de mens die zijn handen biedt.
2
Zalig de mens die zijn lasten draagt,
zalig de mens die het goede waagt.
refrein
Zalig de mens die het lijden ziet,
zalig de mens die zijn handen biedt.
3
Zalig de mens die voor vrede staat,
zalig de mens die het onrecht haat.
refrein
Zalig de mens die het lijden ziet,
zalig de mens die zijn handen biedt.
---
*116
#2
1
Geef alle ruimte aan de liefde;
in haar leeft God zich naar ons toe.
Vergeef het kwaad van wie griefde;
de liefde wordt een mens niet moe.
Zij zal de dood nog overleven,
geen water blust haar vuren uit,
Zij blijft ons tot elkander keren
tot alle angst is uitgeluid.
Zij blijft ons tot elkander keren
tot alle angst is uitgeluid.
2
Hoe zal een mens ooit overleven?
Wat moet hij aan met eeuwigheid?
Door liefde wordt het ons gegeven
voorbij te zien aan dood en tijd.
Want wie vandaag weet te beminnen,
zeurt niet: "Hoe zal het morgen zijn?"
Het wordt een eeuwig herbeginnen
tot wij voorgoed geboren zijn.
Het wordt een eeuwig herbeginnen
tot wij voorgoed geboren zijn.
---
*117
#6
1
(a)
Zolang er mensen zijn
is er nog tijd genoeg
om hem de hand te reiken
die ons vergeving vroeg.
2
(v)
Zolang er mensen zijn
is het nog niet te laat
om hem de weg te wijzen
die haast verloren gaat.
3
(m)
Zolang er mensen zijn
weet al wie eenzaam is:
Er kan een morgen komen
na nachten vol gemis.
4
(v)
Zolang er mensen zijn
is niemand ooit te groot
om anderen te redden
uit hopeloze nood.
5
(m)
Zolang er mensen zijn
hebben wij goede moed
een wereld op te bouwen
waar liefde leven doet.
6
(a)
God, die het leven schiep,
laat het zo altijd zijn
en wees herscheppend bij ons
zolang er mensen zijn.
---
*118
#5
1
(s)
Hier wordt het land gezocht
waar wij gelijken zijn,
niemand apart en geen
kleuren die minder zijn.
2
(v)
Hier wordt de tijd verhaast
dat wij elkaar verstaan,
handen die wenken en
ogen die opengaan.
3
(a)
Hier wordt de stem gehoord
die nog niet klinken mag:
mensen die hopen op
ooit hun bevrijdingsdag.
4
(v)
Hier staat een tafel waar
aan ons wordt voorgedaan,
hoe wij genezen van
heersen en misverstaan.
5
(s)
Hier is het woord van Hem
die ons geschapen heeft:
"waar is je broeder, de
mens die jou nodig heeft?"
---
*119
#3
1
Wij zijn bij U gekomen
om kind aan huis te zijn,
wij openen onze harten,
Heer, voor uw groot geheim.
2
O lieve God, wij vragen,
kom heel dicht bij ons staan,
wij leven door uw liefde
wij leven door uw Naam.
3
Wij zijn bij U gekomen
want Jezus ging ons voor.
Zijn messiaanse liefde
wees ons het goede spoor.
---
*120
#3
1
Moet je horen, moet je horen,
luister nu eens goed.
Luister met je beide oren,
luister goed.
2
Moet je kijken, moet je kijken,
kijk nu toch eens goed.
Kijk met allebei je ogen,
kijk heel goed!
3
Horen, kijken, kijken, horen
moet je beide goed,
om te zien en om te horen,
wat God doet.
---
*121
#4
1
(s)
't Boek van de Heer zal opengaan
en wij proberen te verstaan
wat God vandaag wil zeggen
en aan ons uit wil leggen.
2
(v)
Ja, jong of oud en groot of klein
Hij wil voor elk een helper zijn
om tot zijn eer te leven:
Gods liefde door te geven.
3
(m)
Straks in de kindernevendienst
en in de kerk, de grote dienst:
't Gaat om dezelfde woorden
die wij van jongsaf hoorden.
4
(a)
Nu bidden wij, in Jezus' naam,
geef dat uw woorden opengaan
en wij weer kunnen leven:
Elkaar uw liefde geven.
---
*122
#3
1
U spreekt tot ons in mensentaal
U hebt ons lief, ons allemaal.
Uw troostend woord verlicht ons juk
en wijst de weg naar ons geluk.
2
U spreekt tot ons, de eeuwen door.
U hebt het beste met ons voor.
U vult de stilte en 't gemis
met taal die enkel liefde is.
3
U spreekt tot ons, van God tot mens.
U kent de diepste hartewens.
U leert ons vrede in de tijd
en honger naar de eeuwigheid.
---
*123
#3
1
(s)
Gods boek gaat open in ons midden.
Daarom willen wij Hem nu bidden:
Geef ons licht.
2
(v)
Help ons te zien wat U wilt zeggen.
Help ons de woorden uit te leggen:
Uw verhaal.
3
(m)
Wij willen van die woorden leven.
Geef dat zij ons weer richting geven,
door uw Geest.
---
*124
#2
1
Geef ons uw liefde Heer,
geef ons uw licht.
Vergeef ons telkens weer,
houd ons in zicht.
Ga niet bij ons vandaan,
Laat ons niet eenzaam staan,
maar help ons verder nu,
bidden wij U.
2
Wij wachten stil op U,
spreek slechts een woord,
dat wij gaan leven nu,
nieuw, ongehoord.
En op uw wegen gaan,
nooit weer bij U vandaan.
Richting: Uw Koninkrijk,
uw Zoon gelijk.
---
*125
#3
1
(a)
Om licht te zien zijn wij gekomen,
een krans van mensen wereldwijd
die waakzaam van de vrede dromen
en werken aan gerechtigheid.
(v)
Ontsteek het vuur opdat wij horen
het lied dat zingt in alleman
tot nieuwe mensen zijn geboren:
Vrienden met vrede hand in hand.
2
(a)
Om licht te zijn voor alle landen,
een gloed die warmte geeft en hoop,
een bron van brood in alle handen:
de hemel houden wij ten doop.
(v)
Kom aan het licht, kom weer tot wereld,
neem wanhoop weg en duisternis,
laat zonder last van leugens leven
het mensenkind dat toekomst is.
3
(a)
Om licht van licht te zijn op aarde,
aanhoudend licht van het begin,
opdat geen mens meer zou verdwalen
zet God zijn eigen bloed nu in.
Opent uw hart, groen licht voor ogen
de hoop groeit waar geen wegen gaan
en wie op pad gaat, ongelogen,
vindt ooit de hemel open staan.
---
*126
#4
1
(a)
Gods woord, zo dikwijls afgeschreven,
bestaat niet louter op papier,
maar komt in vlees en bloed tot leven:
De speelplaats van het heil is hier.
Verborgen vuur, een sterk vermoeden,
verwaaide flarden van een lied;
voldoende om de hoop te voeden op
't rijk waarin God zelf voorziet.
2
(m)
Als wij in machteloze woede
vertwijfeld vragen waar God blijft,
komen soms mensen als geroepen
om stem of hand van God te zijn.
De Geest wil in de harten wonen,
van jong tot oud, van laag tot hoog,
wij spelen in op wat gaat komen
als vredespijlen op Gods boog.
3
(v)
Wij mogen sprekend op God lijken.
Hij brengt ons samen in een kring,
waar wij elkaar de handen reiken:
De laatste wordt steeds eersteling.
De rollen zijn ons voorgeschreven:
De koning komt als een die dient
om machtigen de les te lezen,
de armen delen in de winst.
4
(a)
Wij scholen samen rond de schriften.
De weg wordt voor ons uitgelegd.
Woorden doorbreken onze driften;
mens Gods, uit duister opgedregd.
Vermenigvuldig dan de vreugde
waarmee Gij rijk gezegend zijt
om in de wereld te getuigen
van liefde en goedgunstigheid.
Vermenigvuldig dan de vreugde
waarmee gij rij gezegend zijt
om in de wereld te getuigen
van liefde en goedgunstigheid.
---
*127
#3
1
(v)
Licht dat ons aanstoot in de morgen,
voortijdig licht waarin wij staan
koud, een voor een, en ongeborgen,
licht overdek mij, vuur mij aan.
Dat ik niet uitval, dat wij allen
zo zwaar en droevig als wij zijn
niet uit elkaars genade vallen
en doelloos en onvindbaar zijn.
2
(m)
Licht, van mijn stad de stedehouder,
aanhoudend licht dat overwint.
Vaderlijk licht, steevaste schouder,
draag mij, ik ben jouw kijkend kind.
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen
of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen
en elk zijn naam in vrede draagt.
3
(a)
Alles zal zwichten en verwaaien
wat op het licht niet is geijkt.
Taal zal alleen verwoesting zaaien
en van ons doen geen daad beklijft.
Veelstemmig licht, om aan te horen
zolang ons hart nog slagen geeft.
Liefste der mensen, eerstgeboren,
licht, laatste woord van Hem die leeft.
---
*128
#3
1
(a)
Woord dat ons oproept om te leven,
woord van de Heer, dat leven geeft.
(v)
Licht dat aan ieder is gegeven
die in het spoor van Jezus leeft.
(a)
Dat woord wil licht zijn op de wegen
die mensen gaan hun leven lang.
Dat woord komt telkens ons weer tegen,
houdt ons geloven aan de gang.
2
(s)
Woord van de Heer, wij willen horen
met oren die gehoorzaam zijn.
(v)
Laat niets en niemand ons bekoren:
Weest U ons brood en onze wijn.
(a)
Zodat wij verder kunnen leven
het leven zoals U het vraagt:
Geen leven van om niemand geven,
maar leven dat een ander draagt.
3
(s)
Woord dat ons oproept echt te leven,
woord van de Heer, dat leven is.
(v)
Veelkleurig licht, wil ons omgeven,
dan krijgt ons leven beter zicht.
(a)
Veelstemmig woord, wij willen horen
wat U ons nu te zeggen heeft.
Laat ons opnieuw worden geboren,
opdat een ieder van ons leeft.
---
*129
#4
1
(v)
Wees bij ons, Heer,
wees bij ons, Heer,
wees bij ons met uw Geest.
2
(m)
Wees bij ons, Heer,
wees bij ons, Heer,
zodat ons hart U leest.
3
(v)
Wees bij ons, Heer,
wees bij ons, Heer,
opdat ons hart geneest.
4
(a)
Wees bij ons, Heer,
wees bij ons, Heer,
wees bij ons met uw Geest.
---
*130
#3
1
Heer, voor uw adem vreesd,
knielen en bidden wij,
maak ons tot geest van uw geest,
ja, maak ons waarlijk vrij,
ja, maak ons waarlijk vrij.
2
Blaas nu op vlees en bloed,
wentel de vrees opzij,
waai ons uw woord tegemoet,
dat maakt ons waarlijk vrij.
Dat maakt ons waarlijk vrij.
3
Adem uw liefde ons in,
Heer, dan herleven wij,
kinderen van uw gezin,
zingend en waarlijk vrij.
Zingend en waarlijk vrij.
---
*131
#2
1
De bijbel gaat weer open:
Verhalen eeuwenoud,
van kleingeloof en hopen,
van God die ons vertrouwt.
Zijn woord spoort mensen aan
om echt te willen leven,
elkaar de ruimte geven:
De smalle weg te gaan.
2
Wij vragen, spreek ons aan, Heer,
en zet ons op uw weg.
Schenk ons uw licht en zicht weer,
breng oud en jong terecht.
daar waar uw toekomst is,
de waarheid en het leven,
het licht aan ons gegeven:
Uw Zoon die redding is.
---
*132
#4
1
(a)
Hoe God deze wereld bemint,
hoe Hij haar zijn hart heeft gegeven
hoe God zich aan mensen verbindt,
het staat in de bijbel geschreven.
(v) refrein
Neem dan het boek, God gaf zijn woord,
neem dan het boek, zalig wie hoort.
2
(a)
Hoe God zijn volk Israel leidt,
hoe Hij haar beschermer wil wezen,
hoe God haar weer telkens bevrijdt,
het staat in de bijbel geschreven.
(m) refrein
Neem dan het boek, God gaf zijn woord,
neem dan het boek, zalig wie hoort.
3
(a)
Hoe God ons verlost van het kwaad,
hoe Hij onze schuld wil vergeven,
hoe God onze vijand verslaat,
het staat in de bijbel geschreven.
(v) refrein
Neem dan het boek, God gaf zijn woord,
neem dan het boek, zalig wie hoort.
4
(a)
Hoe God ons verrast met zijn Zoon,
hoe Hij ons in Hem doet herleven,
hoe God Hem weer riep uit de dood,
het staat in de bijbel geschreven.
refrein
Neem dan het boek, God gaf zijn woord,
neem dan het boek, zalig wie hoort.
---
*133
#1
1
I Licht en wijsheid,
II vuur en sterkte,
III kom, o kom Gij
IV Heilige Geest.
---
*134
#4
1
A (canon)
Halleluja, halleluja, amen, amen!
2
B (canon)
Halleluja,13 maal
3
C (tweestemmig)
Halleluja, amen, amen,
halleluja, amen, amen,
halleluja, amen, amen,
halleluja, halleluja, amen,
halleluja, halleluja, amen.
4
D (driestemmig)
Halleluja.12 maal
---
*135
#2
1
A (canon)
Lof aan Jezus Christus, amen, amen.
2
B (2-stemmig)
Blijde boodschap van Jezus Christus,
lof aan de Heer!
Blijde boodschap van Jezus Christus,
lof aan de Heer!
---
*136
#1
1
I Gelukkig wie niet op wil geven
II woorden vindt van eeuwen her
III woorden die ons doen herleven
IV Jij God, Jij bent niet zo ver.
---
*137
#1
1
(1 keer vrouwen -1 keer allen.)
Woorden van oudsher gegeven
zingen van geluk en pijn
blijven spreken over leven
"ga" en Ik zal met je zijn.
---
*138
#1
1
Door de zegen van uw woord,
Here, God, bestaan wij voort
Want U redt ons door dit brood,
elke dag weer van de dood. Amen.
---
*139
#1
1
Uw woord is een lamp voor mijn voet
en een licht op mijn pad.
Uw woord is een lamp voor mijn voet
en een licht op mijn pad.
Uw woord is een lamp,
Uw woord is een licht.
Uw woord is een lamp voor mijn voet
en een licht op mijn pad.
---
*140
#1
1
Woord van het begin
dat de chaos weeft tot zin
dat ons het leven geeft
tot licht wordt op ons pad,
dat wij nu door gaan geven,
dat wij nu door gaan geven.
---
*141
#2
1
Het woord van God,
tot hiertoe doorverteld,
is niet te hoog of veel te ver gegrepen.
Het is niet door een vreemde opgesteld,
die ons met wet en orde af wil schepen.
Het komt van iemand die ons kent en telt,
een God die ons uit nood en dood wil slepen.
Het komt van iemand die ons kent en telt,
een God die ons uit nood en dood wil slepen.
2
Hij wil dat wij elkaar tot leven zijn,
de aarde maken tot het land van allen.
Hij roept ons weg uit elke doodswoestijn,
daar waar uit haat en hebzucht lijken vallen.
Hij hoopt dat wij toch ooit zijn schepping
zijn en niet zijn vreugde om de mens vergallen.
Hij hoopt dat wij toch ooit zijn schepping
zijn en niet zijn vreugde om de mens vergallen.
---
*142
#1
1
Loof en prijs de Heer, want Hij is goed!
Loof en prijs de Heer, want Hij is goed!
Loof en prijs de Heer, want Hij is goed!
En Zijn goedheid duurt altijd.
---
*143
#3
1
Zing alle dagen een lied voor de Heer.
Zing alle dagen een lied tot zijn eer.
Zing alle dagen zing alle dagen een lied,
zing een lied voor de Heer.
2
Zing op de zondag een lied voor de Heer.
Zing op de zondag een lied tot zijn eer.
Zing op de zondag, zing alle dagen een lied,
zing een lied voor de Heer.
3
Zing alle dagen een lied voor de Heer.
Zing alle dagen een lied tot zijn eer.
Zing alle dagen zing alle dagen een lied,
zing een lied voor de Heer.
---
*144
#1
1
I Zing met ons de Heer.
II Alle dag weer is Hij ons nabij.
III Daarom zingen wij. Daarom!
---
*145
#1
1
I Zing nu de Heer, zing nu de Heer,
II want Hij heeft grote dingen gedaan.
III Zing nu de Heer, zing nu de Heer,
zing nu de Heer!
---
*146
#1
1
(1 x vrouwen,1 x mannen1 x tweestemmig)
Wij loven U, Heer,
Wij danken U, Heer!
---
*147
#5
1
(s)
Dat er nog dieren zijn,
nog herten en nog tijgers,
nog robben en nog reigers,
het moet een wonder zijn.
(a) refrein
Loof God die alles schiep,
Hij houdt zijn werk in stand,
Hij heeft zijn aarde lief,
wij leven in zijn hand.
2
(v)
Dat er nog bergen zijn,
nog zeeen en nog stranden,
nog bomen en nog planten,
het moet een wonder zijn.
(a) refrein
Loof God die alles schiep,
Hij houdt zijn werk in stand,
Hij heeft zijn aarde lief,
wij leven in zijn hand.
3
(m)
Dat er nog lentes zijn
en zomers en nog winters,
nog regens, en nog winden,
het moet een wonder zijn.
(a) refrein
Loof God die alles schiep,
Hij houdt zijn werk in stand,
Hij heeft zijn aarde lief,
wij leven in zijn hand.
4
(s)
Dat er nog mensen zijn,
nog vaders nog moeders,
nog zusters en nog broeders,
het moet een wonder zijn.
(a) refrein
Loof God die alles schiep,
Hij houdt zijn werk in stand,
Hij heeft zijn aarde lief,
wij leven in zijn hand.
5
Dat er nog mensen zijn,
nog dromen en nog woorden,
nog liefde en geboorte,
het moet een wonder zijn.
(a) refrein
Loof God die alles schiep,
Hij houdt zijn werk in stand,
Hij heeft zijn aarde lief,
wij leven in zijn hand.
---
*148
#1
1
Prijs de Heer, mijn ziel,
en prijs zijn heilge naam.
Prijs de Heer, mijn ziel;
Hij redt mij van de dood.
---
*149
#1
1
I Met hart en ziel loof ik de Heer
II Hij heeft zijn liefde over allen uitgestrekt.
III Met hart en ziel loof ik de Heer.
IV Hij draagt ons leven door de tijden.
---
*150
#2
1
Een is de trommel en twee de bas.
Drie de piano, die komt goed van pas.
Vier de triangel en vijf de fluit.
Zes maakt het orgel een vrolijk geluid.
Alles wat klinkt, alles wat zingt
en adem heeft, love de Heer,
de Heer die leeft!
2
Zeven, acht, negen, wat wil je zijn.
Banjo, gitaar of de tamboerijn?
Tien doen wij samen,
we maken een koor.
Wie wil er mee doen,
we tellen wel door...
---
*151
#7
1
(s)
Zing de Heer, gebruik je stem.
Zing maar mee tot eer van Hem.
Spring en dans in blijde rij.
Instrumenten kom erbij.
2
(v)
Mandoline, en gitaar,
clavecimbel tokkel maar.
Banjo, balalaika, luit,
voer dit lied vol vreugde uit.
3
(a)
Hoorn, trombone en trompet,
fluit, hobo en klarinet.
Leden van het blazerskoor
geef op hoge toon gehoor.
4
(v)
Orgel en pianoklank
doe maar mee in lof en dank.
Harp, speel nu een lofakkoord
zoals nimmer is gehoord.
5
(s)
Cello, altviool strijk mee
met violen een en twee.
Speel maar met een blijde toon,
pauk, fagot en saxofoon.
6
(v)
Piccolo, jij lichte fluit
blaas maar boven alles uit.
Contrabas, jij donkre klank,
ondersteun maar onze dank.
7
(a)
Welk geluid is er nog meer?
Klink maar mee voor God de Heer!
Zing en speel maar, groot en klein,
want God moet geprezen zijn!
---
*152
#1
1
I Laten wij nu samen, laten wij nu samen,
zingen, prijzen, loven de Heer.
II Laten wij dan samen doen:
Zingen, prijzen, loven de Heer.
III Zingen, prijzen, loven de Heer,
zingen, prijzen, loven de Heer.
IV Zingen, prijzen, loven de Heer,
zingen, prijzen, loven de Heer.
---
*153
#1
1
I
Loof de Here, alle gij volken,
prijst Hem, alle gij natien;
want zijn goedertierenheid
is machtig over ons
en des Heren trouw is tot
in eeuwigheid.
II
Halleluja........
---
*154
#1
1
Verblijdt u, alle volken,
verblijdt u, in de Heer.
Verblijdt u alle volken
en looft Hem immer meer.
---
*155
#3
1
I Vader, ik aanbid U.
II 'k Leg mijn leven voor U.
III Halleluja.
2
Jezus, ik aanbid U.
'k Leg mijn leven voor U.
Halleluja.
3
Heilge Geest ik aanbid U.
'k leg mijn leven voor U.
Halleluja.
---
156
#3
1
Als ik heel erg blij ben,
zing ik toch zo graag:
Dank U, God voor alles,
heerlijk is 't vandaag!
2
Nu ik weer naar huis ga,
zing ik toch zo graag:
Dank U, God, voor alles,
heerlijk was 't vandaag!
3
Nu 't vandaag een feest is,
zing ik toch zo graag:
Dank U, God, voor alles,
heerlijk was 't vandaag.
---
*157
#3
1
O lieve Heer, ik ben zo blij,
want elke dag zorgt U voor mij.
U houdt van ieder, groot en klein;
ik wil graag heel dicht bij U zijn.
2
Dank U, Heer, voor de nieuwe dag,
dat ik met ieder spelen mag
onder uw ogen, in uw tuin:
Uw lieve handen op mijn kruin.
3
Onder uw zegen leef ik blij:
U bent niet ver, U bent dichtbij.
Dank U daarvoor, Heer, elke dag
die ik van U weer leven mag.
---
*158
#4
1
Dank, Vader God, voor deze dag,
waarop de zon weer schijnen mag.
Dank, Vader God, voor deze dag,
waarop de zon weer schijnen mag.
2
Waarop de regen weer vallen mag.
3
Dat ik weer zingen en bidden mag.
4
Dat ik weer breken en delen mag.
---
*159
#8
1
(a)
Vader God, wij danken U,
dat wij mogen leven.
refrein
Vader God, Vader God, wij danken U.
2
(v)
Vader God, wij danken U,
dat wij mogen spreken.
refrein
Vader God, Vader God, wij danken U.
3
(m)
Vader God, wij danken U,
dat wij mogen bidden.
refrein
Vader God, Vader God, wij danken U.
4
(v)
Vader God, wij danken U,
dat wij mogen drinken.
refrein
Vader God, Vader God, wij danken U.
5
(m)
Vader God, wij danken U,
dat wij mogen eten.
refrein
Vader God, Vader God, wij danken U.
6
(v)
Vader God, wij danken U,
dat wij mogen zingen.
refrein
Vader God, Vader God, wij danken U.
7
(m)
Vader God, wij danken U,
dat wij mogen leren.
refrein
Vader God, Vader God, wij danken U.
8
(v)
Vader God, Wij danken U,
dat wij mogen leren.
refrein
Vader God, Vader God, wij danken U
---
*160
#4
1
Wie houdt van ons?
Wie houdt van ons?
De Here Jezus houdt van ons.
2
Je bent van mij, je bent van mij,
dat zegt de Here, je bent van mij.
3
Ik zorg voor jou, Ik zorg voor jou,
voor allemaal en ook voor jou.
4
Heer, dank U wel, Heer, dank U wel,
wij zingen blij: Heer, dank U wel.
---
*161
#3
1
I Dank U voor uw
II liefde Heer,
III elke dag bent
IV U er weer.
2
Dank U, dat U bij mij bent,
en ook alles van mij kent.
3
Dank U, dat ik deze dag,
samen met U leven mag.
---
*162
#3
1
God die alles maakte,
de lucht en 't zonlicht blij,
de hemel, zee en aarde,
zorgt ook voor mij.
2
God die 't gras gemaakt heeft,
de bloempjes in de wei,
de bomen, vruchten, vogels,
zorgt ook voor mij.
3
God die alles maakte,
de maan, de sterrenrij,
als duistre wolken komen
zorgt steeds voor mij.
---
*163
#7
1
(s)
Dank U voor deze nieuwe morgen,
dank U voor deze nieuwe dag.
dank U dat ik met al mijn zorgen
bij U komen mag.
2
(v)
Dank U voor alle goede vrienden,
dank U, o God voor al wat leeft,
dank U voor wat ik niet verdiende:
dat U mij vergeeft.
3
(m)
Dank U voor alle bloemengeuren,
dank U voor ieder klein geluk,
dank U voor alle heldre kleuren,
dank U voor muziek.
4
(s)
Dank U dat U in moeilijkheden,
dank U dat U in pijn en strijd,
dank U dat U in alle tijden
toch steeds bij ons zijt.
5
(v)
Dank U dat U hebt willen spreken,
dank U, U hoort in ieders taal.
Dank U dat U het brood wilt breken
met ons allemaal.
6
(m)
Dank U dat ons uw woord bewaarde,
dank U dat U uw Geest ons geeft.
Dank U dat ieder mens op aard
van uw liefde leeft.
7
(a)
Dank U uw liefde kent geen grenzen,
dank U dat ik nu weet waarvan.
Dank U, o God ik wil U danken
dat ik danken kan.
---
*164
#8
1
(v)
Voor alle mensen,
Vader God, wij danken U.
2
(m)
Voor alle vrienden,
Vader God, wij danken U.
(a) refrein
Wij zijn mensen groot en klein,
wij zijn mensen groot en klein.
Wij gaan bidden, wij gaan zingen,
waar wij samen blij mee zijn.
3
(v)
Voor alle dieren,
Vader God, wij danken U.
4
(m)
Voor alle vogels,
Vader God, wij danken U.
(a) refrein
Wij zijn mensen groot en klein,
wij zijn mensen groot en klein.
Wij gaan bidden, wij gaan zingen
waar wij samen blij mee zijn.
5
(v)
Voor alle vissen,
Vader God, wij danken U.
6
(m)
Voor alle bomen,
Vader God, wij danken U.
(a) refrein
Wij zijn mensen groot en klein,
wij zijn mensen groot en klein.
Wij gaan bidden, wij gaan zingen
waar wij samen blij mee zijn.
7
(v)
Voor alle bloemen,
Vader God, wij danken U.
8
(m)
Voor alle planten,
Vader God, wij danken U.
(a) refrein
Wij zijn mensen groot en klein,
wij zijn mensen groot en klein.
Wij gaan bidden, wij gaan zingen
waar wij samen blij mee zijn.
---
*165
#4
1
Laten wij gaan zingen
van de gewone dingen,
de vogels in de lucht.
De pitten in een vrucht.
2
Laten wij gaan zingen
van de gewone dingen:
Het waaien van een vlag,
zomaar een zomerdag.
3
Laten wij gaan zingen
van de gewone dingen:
De wolken wit en hoog,
de mooie regenboog.
4
Laten wij gaan zingen
want de gewone dingen
zijn geen gewone dingen
het zijn Gods zegeningen.
---
*166
#3
1
(s) refrein
Zing met mij halleluja,
dank de Here met je stem,
want in 't danken ligt een zegen
en met zingen loof je Hem
1 (a)
Voor verkwikking in de nacht,
voor de zon die naar ons lacht,
voor de lucht die ons adem geeft.
2
(v)
Voor de vrienden aan mijn zij,
voor de liefde hier bij mij,
voor de tekens van een komend heil.
(a) refrein
Zing met mij halleluja,
dank de Here met je stem,
want in 't danken ligt een zegen
en met zingen loof je Hem.
3
(m)
Voor het wonder dat begint,
als de Heer de mens bemint,
zich in Jezus aan de mensen geeft.
(a) refrein
Zing met mij halleluja,
dank de Heer met je stem,
want in 't danken ligt een zegen
en met zingen loof je Hem.
---
*167
#5
1
(s)
De bloemen met hun geuren,
de vogels in de lucht,
en al die mooie kleuren
en vleugels voor hun vlucht.
(a) refrein
Al wat mooi is om ons heen,
al wat op aarde leeft,
danken wij aan God alleen,
die 't ons gegeven heeft.
2
(v)
De bergen en de dalen,
de heuvels en het duin,
waarin wij mogen dwalen
als kindren in een tuin.
(a) refrein
Al wat mooi is om ons heen,
al wat op aarde leeft,
danken wij aan God alleen,
die 't ons gegeven heeft.
3
(s)
Het bos en alle bomen,
die in de parken staan;
rivieren, beken stromen,
strand, zee en oceaan.
(a) refrein
Al wat mooi is om ons heen,
al wat op aarde leeft,
danken wij aan God alleen,
die 't ons gegeven heeft.
4
(v)
De lichte lenteluchten,
de mooie zomertijd,
de herfst vol goede vruchten
en winter's sneeuwtapijt.
(a) refrein
Al wat mooi is om ons heen,
al wat op aarde leeft,
danken wij aan God alleen,
die 't ons gegeven heeft.
5
(s)
Van Hem heb ik mijn ogen.
Hij gaf mij ook mijn stem.
Ik wil zijn naam verhogen
en zing tot eer van Hem.
(a) refrein
Al wat mooi is om ons heen,
al wat op aarde leeft,
danken wij aan God alleen,
die 't ons gegeven heeft.
---
*168
#1
1
I Dank nu, dank allen de Heer.
II Hij is goedertieren,
III en zijn trouw en liefde
IV zijn in eeuwigheid.
---
*169
#3
1
Bidden is: spreken,
spreken met God,
die je niet overlaat aan je lot.
2
Bidden is spreken,
zeggen aan Hem,
Hoe erg verdrietig of blij je bent.
3
Ook ik mag bidden,
vragen steeds weer:
Mag ik uw kind zijn? Zorg voor mij Heer!
---
*170
#3
1
Ik wil wat met U praten, Heer
al kan ik U niet zien;
al antwoordt U heel anders
dan de mensen bovendien.
ik wil wat met U praten, Heer
en weet U: 't Is zo fijn:
U kan ik alles zeggen
en U zult er altijd zijn.
2
Er zijn zo van die dingen, Heer
die zeg je niet zo gauw.
Je wilt het wel, maar kunt het niet,
ze zijn alleen voor jou
en soms heeft iemand ook geen tijd
en weet U: 't Is zo fijn:
U kan ik alles zeggen
en U zult er altijd zijn.
3
Ik wil wat met U praten, Heer
en wat ik zeggen wil
zeg ik soms met veel woorden
of ik ben alleen maar stil.
U bent niet ver, U bent dichtbij
en weet U: 't Is zo fijn:
U kan ik alles zeggen
en U zult er altijd zijn.
---
*171
#6
1
(v)
Geef, Heer, ons moed te horen
al geeft uw Woord ons pijn.
Wij danken U dat U
ons licht wil zijn.
2
(m)
Geef, Heer, ons moed te leven
als wij het niet verstaan.
Wij danken U dat U
met ons wilt zijn.
3
(a)
Geef, Heer, ons moed te werken
of werkeloos te zijn.
Wij danken U dat wij
uw handen zijn.
4
(m)
Geef, Heer, ons moed te dienen
al kost het onze tijd.
Wij danken U dat U
ons heeft bevrijd.
5
(v)
Geef, Heer, ons moed te bidden
al knaagt de zinloosheid.
Wij danken U dat U
uw komst bereidt.
6
(a)
Geef, Heer, ons moed te hopen:
Wij zien U tegemoet.
Wij danken U dat U
ons leven doet.
---
*172
#4
1
(s)
Voor wie op de aarde wonen
wilt Gij U een Vader tonen:
Laat uw koninkrijk komen,
Heer, verhoor ons gebed.
2
(v)
Voor wie in het donker tasten
nam uw Zoon hun lasten:
Laat geen mens vergeefs U wachten,
Heer, verhoor ons gebed.
3
(m)
Voor wie op uw toekomst hopen
zendt Gij ons uw Geest van boven:
Laat ons in zijn kracht geloven
Heer, verhoor ons gebed.
4
(a)
Wij, die hier als mens geboren
naar uw woorden willen horen:
Maak ons nieuw als nooit tevoren,
Heer, verhoor ons gebed.
---
*173
#3
1
(a)
Om te leven met zovelen,
mens voor mens en land voor land,
is uw woord aan ons gegeven
en uw Geest weeft het verband.
(v)
Leer ons uit onszelf te treden,
haal ons uit die eenmanstent,
om te gaan met vaste schreden
naar wie nog geen leven kent.
2
(m)
Dat wij niet verloren raken
in de binnenlandse strijd,
opgetast met eigen zaken,
voor zo veel zo weinig tijd.
(a)
Dat wij niet onszelf begraven,
niet vergaan in eigenbaat,
maar verrijzen bij het leven,
tot vernieuwing weer in staat.
3
(m)
Gij die weigert aan te nemen
dat uw liefde zal vergaan,
Gij die leeft van hoop op mensen,
dat zij ooit elkaar verstaan:
(v)
Blijf hier leven in ons midden,
stuw ons naar elkander toe;
blijf in armen om ons bidden
en word uw gebed niet moe.
---
*174
#1
1
Vader, die in de hemel zijt,
verhaast in ons uw koninkrijk,
dat recht en vrede komen!
Maak ons vandaag nog bondgenoot
tot vriend van hen die zijn in nood,
wie alles is ontnomen.
Verlos ons heden van het kwaad,
van oorlog die voor brood doorgaat
dat wij ons voor U schamen
en nieuwe wegen leren
die leiden tot een nieuw bestaan
van recht en vrede,
amen!
---
*175
#5
1
(a)
Onze Vader, onze Vader,
ging Jouw Naam maar in het rond
als een lopend vuur van liefde,
morgenlicht en warmtebron.
2
(v)
Werd Jouw Rijk van recht en vrede
door de mensen maar aanvaard,
dan werd zelfs de wreedste natie
tot een hemel hier op aard.
3
(m)
Laat niet af van onze wereld;
geef het brood van alledag,
dat wij delen met elkander
zonder baat of winstbejag.
4
(v)
Wees genadig en vergevend,
zoals wij dat willen zijn.
Maar vernietig al wat kwaad is.
Onze Vader, maak ons vrij.
5
(a)
Want door wie bestaat de aarde
en de hoop op haar behoud?
Door wie anders onze Vader,
door wie anders dan door Jou.
---
*176
#3
1
Heer, verhoor ons,
Heer, verhoor ons,
Heer, verhoor ons.
2
God, onze Vader, wil naar ons horen,
luister toch, nu wij bidden tot U!
3
(m)
Heer, verlos ons, Heer, bevrijd ons,
hoor ons aan.
Heer, verlos ons, Heer, bevrijd ons,
hoor ons aan.
(v)
Heer, verlos ons, Heer, bevrijd ons,
hoor ons aan.
Heer, verlos ons, Heer, bevrijd ons,
Hoor ons aan.
---
*177
#3
1
(s)
Zolang er honger is en dorst,
zolang de oorlog woedt,
zolang er pijn geleden wordt,
zolang men onrecht doet,
(a) refrein
zijn wij onderweg,
leven wij onrustig,
hunkerend naar recht,
zijn wij pas gelukkig
wanneer al wat leeft
eindelijk vrede heeft.
2
(s)
Zolang nog iemand eenzaam is,
zolang nog iemand zucht,
zolang nog iemand liefde mist,
zolang nog iemand vlucht,
(a) refrein
zijn wij onderweg,
leven wij onrustig,
hunkerend naar recht,
zijn wij pas gelukkig
wanneer al wat leeft
eindelijk vrede heeft.
3
(s)
Zolang de aarde wordt besmeurd,
zolang een boom nog kwijnt,
zolang een vuile zee nog treurt,
zolang het dier verdwijnt,
(a) refrein
zijn wij onderweg,
leven wij onrustig,
hunkerend naar recht,
zijn wij pas gelukkig
wanneer al wat leeft
eindelijk vrede heeft.
---
*178
#4
1
(s)
God wil geen honger en geen dorst,
Hij wil geen oorlog, ziekte, pijn,
God wil dat het weer vrede wordt,
Hij wil dat wij gelukkig zijn.
2
(a)
God heeft het goede met ons voor,
Hij kan geen kwaad, geen onrecht zien,
Hij haat wat ons geluk verstoort,
Wat ons verdriet doet Hem verdriet.
3
(s)
God lijdt aan wat ons zo benauwt,
niet zijn maar onze wil geschiedt,
Hij had zijn hoop op ons gebouwd
maar wij gehoorzaamden Hem niet.
4
(a)
In God is licht, geen duisternis,
Hij redt ons uit de diepste nacht,
Hij vindt ons waar geen uitzicht is,
wij komen stralend voor de dag.
---
*179
#2
1
Wij geloven dat het leven goed wordt,
waar het kwaad ook overwint,
wij geloven in de grote toekomst,
tegen beter weten in.
God is trouw aan wat Hij heeft geschapen,
onvermoeibaar zegent Hij de aarde,
lijkt dit leven te vergeefs,
niet te keren is zijn feest!
2
Wij geloven in een duurzaam leven,
onaantastbaar voor de dood,
Wij geloven in de Here Jezus,
die voorgoed het graf ontsloot.
Hij geeft ons een plaats op deze aarde,
alles heeft een ongekende waarde,
vreugde krijgt de overhand,
Jezus staat aan onze kant!
---
*180
#4
1
(v)
Hij zoekt geen nacht, geen roem, geen eer,
Hij staat niet op zijn recht,
een vreemdeling is onze Heer,
hoe eenzaam is zijn weg.
(a) refrein
Zo sticht Hij zijn Koninkrijk,
het Rijk van grote vrede,
zo brengt Hij gerechtigheid,
Hij wil de minste zijn.
2
(m)
Hij bidt voor wie Hem plaagt en grieft,
vergeldt geen kwaad met kwaad,
zijn ergste vijand heeft Hij lief,
Hij zegent wie Hem haat.
(a) refrein
Zo sticht Hij zijn Koninkrijk,
het Rijk van grote vrede,
zo brengt Hij gerechtigheid,
Hij wil de minste zijn.
3
(v)
Dat kan niet goed gaan, Hij moet dood,
Hij wordt niet meer geduld,
Hij komt aan 't kruis, Hij buigt zijn hoofd,
Hij heeft de wet vervuld.
(a) refrein
Zo sticht Hij zijn Koninkrijk,
het Rijk van grote vrede,
zo brengt Hij gerechtigheid,
Hij wil de minste zijn.
4
(a)
Zijn weg loopt dood, zijn weg loopt dood,
zijn liefde triomfeert,
Hij leeft ons Gods bedoeling voor,
wij volgen onze Heer.
(a) refrein
Zo sticht Hij zijn Koninkrijk,
het Rijk van grote vrede,
zo brengt Hij gerechtigheid,
Hij wil de minste zijn.
---
*181
#5
1
(v)
Licht in onze ogen,
dagelijkse zon,
uitzicht veel belovend,
glimlach om Gods mond.
2
(m)
Vrijheid van beweging,
richting die wij gaan,
ruimte om te leven,
zin van ons bestaan.
3
(v)
Brood op onze tafel,
herder die ons hoedt,
bron van levend water,
land van overvloed.
4
Hart van deze aarde,
dak boven ons hoofd,
blijk van Gods genade,
broeder, huisgenoot.
5
(a)
Vrede allerwegen,
kracht die ons vervult,
hand van God die zegent,
Jezus ons geluk.
---
*182
#6
1
(s)
Wie is de God die eeuwig leeft
en al wat is geschapen heeft,
die oerbegin en einde is,
de zin van de geschiedenis?
2
(v)
De Vader die de wereld schiep,
de stem die ons tot leven riep:
Dat is mijn God, Ik roep Hem aan
en zeg Hem dank voor mijn bestaan.
3
(s)
Wie is dat ene mensenkind
dat anderen zozeer bemint
dat Hij zich aan een kruis liet slaan,
ons nog doet vragen naar zijn naam.
4
(m)
De Zoon die ons geboren is,
het licht in onze duisternis,
voor kleine mensen, diep in nood,
een hoopvol woord tot in de dood.
5
(s)
Wie zingt in ons dat ene lied:
het leven doet de dood teniet?
Verlangen dat maar niet verslijt,
een ademtocht van eeuwigheid.
6
(s)
De Geest die ons de ruimte geeft,
de levenskracht die ons beweegt,
de liefde krijgt de overhand
en aarde wordt tot vruchtbaar land.
---
*183
#4
1
(s)
Is God een woord, een vreemd verhaal,
in onverstaanbaar vreemde taal?
(a)
God is het woord van het begin,
het blaast de mensen leven in.
2
(s)
Is God de vrucht van fantasie:
ik zie, ik zie wat jij niet ziet?
(v)
God is de oorsprong van het licht,
Hij geeft de mensen het gezicht.
3
(s)
is God de vrucht voor eenzaamheid,
een wankel baken in de tijd?
(m)
God is een groot en stil geheim
zolang wij broze mensen zijn.
4
(s)
Is God een vraag, die niet verstomt
in ieders hart, in ieders mond?
(a)
God is voor ons levende stem:
een mensenzoon, luister naar Hem.
---
*184
#6
1
(v)
Geen God van donder en geweld,
geen God die vreemde eisen stelt,
geen God om voor te beven.
(m)
Een God is Hij voor jou en mij,
zo vriendelijk de mens nabij,
een God om mee te leven.
2
(v)
Geen God van vroeger eens geweest,
geen God die 't huidig heden vreest,
geen God van oude vragen.
(m)
Een God is Hij voor jou en mij,
zo hier en nu de mens nabij,
een God voor onze dagen.
3
(m)
Geen God van achter zon en maan,
geen God hier mijlenver vandaan,
geen God uit verre streken.
(v)
Een God is Hij voor jou en mij,
zo van dichtbij de mens nabij,
een God om mee te spreken.
4
(m)
Geen God van een of ander lied,
geen God-met-ons, van jullie niet,
geen God van ja-en-amen.
(v)
Een God is Hij voor jou en mij,
zo ongekend de mens nabij,
een God met vele namen.
5
(m)
Geen God die je uit boeken leert,
Geen God zoals men beweert,
Geen God van goed onthouden!
(a)
Een God is Hij voor jou en mij,
zo liefelijk de mens nabij,
een God om van te houden.
6
(v)
Geen God van 'k moet-het-eerst-nog-zien,
geen God van is-'t-waar-misschien?
Geen God van wie-zal-'t-weten?
(a)
Een God is Hij voor jou en mij,
zo menselijk de mens nabij,
een God die mens wil heten.
---
*185
#4
1
(s)
Alles wat God geschapen heeft,
het land, de dieren en de dingen,
al wat Hij eigen handig geeft:
het is een Boek dat Hij ons schreef,
het is een teken van zijn vinger.
2
(v)
En Hij schreef ook met vaste hand
al zijn geboden en zijn rechten
voor die gaan wonen in het land,
zijn vinger wijst de overkant,
want onze Heer bevrijdt zijn knechten.
3
Ja, Hij verdraagt hun boze list,
de oorlog die wij Hem verklaarden,
het doodsbevel de broedertwist:
Hij heeft het handschrift uitgewist,
zo wijst zijn bloed de weg op aarde.
4
(a)
En worden wij door hogerhand
als schuldenaars voor Hem vergaderd,
Houdt ons geding voor niemand stand,
dan schrijft zijn vinger in het zand
nog eenmaal woorden van genade.
---
*186
#3
1
God die ons heeft voorzien
en kent bij onze naam,
die ons ten leve riep
en houdt in het bestaan,
Hij heeft ons voorbestemd
te lijken op zijn Zoon
die mens is zoals wij
en in ons midden woont.
2
Hij heeft zijn eigen Zoon
geen enkel leed bespaard.
Hij heeft ten einde toe
zijn Geest geopenbaard.
Als God zo voor ons is,
wie zal dan tegen zijn?
Al wat ons overkomt
zal hoop en zegen zijn.
3
Wie zal ons scheiden ooit
van God ons goed en bloed.
Geen toekomst en geen dood
bedreigt ons meer voorgoed.
Genadig en getrouw
wil Hij mijn vrede zijn.
Geen mens die Hem weerhoudt
om onze God te zijn.
---
*187
#2
1
I
'k Stel mijn vertrou-
wen op de Heer mijn God.
Want in zijn hand
ligt heel mijn levenslot.
2
Hem heb ik lief,
zijn vrede woont in mij.
'k Zie naar Hem op en weet:
Hij is mij steeds nabij.
---
*188
#3
1
(a)
Ik geloof in God de Vader,
groot in wijsheid en in macht
(v)
die de hemel en de aarde
door zijn woord heeft voortgebracht
(m)
die de mens als kroon van de schepping
naar zijn beeld geschapen heeft
(a)
en nog in zijn grote liefde
alles draagt en aanzien geeft.
2
(a)
Ik geloof in Jezus Christus
's Vaders eengeboren Zoon,
(v)
mens geworden om ons mensen,
lijdend onze smaad en hoon;
(m)
die gestorven aan de zonde
opstond ter rechtvaardiging
(a)
en ten hemel is gevaren
waar Hij alle macht ontving.
3
(a)
Ik loof de Heilige Geest,
die God als Gids gegeven heeft
(v)
en een kerk die in alle tijden
enkel op zijn adem leeft.
(m)
Ik geloof de schuldvergeving
en ook de herrijzenis.
(a)
Ik geloof een eeuwig leven,
dat in God geborgen is.
---
*189
#4
1
(a)
Ik geloof in de God die het begin
en de laatste zin van de dingen is:
Een God zonder wie er geen mensen bestaan,
ons leven maar schijn is, een schim zonder naam.
2
(m)
Ik geloof in de God die Abraham
uit zijn land op weg riep naar Kanaan:
Een God van belofte die mensen bevrijdt,
ons leven ten dode met toekomst verrijkt.
3
(v)
Ik geloof in de God die mateloos
in een medemens onze zijde koos:
Een God die een Vader voor mensen wil zijn,
ons leven ten einde toe hoopvol laat zijn.
4
(a)
Ik geloof in de God die ons getrouw
door zijn Woord en Geest in het leven houdt:
Een God die geen mensen verloren laat gaan,
ons leven ten volle vervult van zijn naam.
---
*190
#4
1
(s)
Godsnaam die veelbelovend is,
weerlicht in de geschiedenis:
Uw woord klinkt uit de hoogte.
En toch is daar uw woning niet
de sterren en het diep verschiet
zijn niet wat Gij beoogd.
refrein
Het ongehoorde krijgt zijn stem,
wie niet gezien is hoort bij Hem
mag sprekend op Hem lijken!
2
(v)
Gij zijt een vreemd en ver gezicht,
de toekomst in een ander licht
van hogerhand gegeven.
Wees weduwe en vreemdeling
als streep door onze rekening,
Gij tekent voor hun leven.
(a) refrein
Het ongehoorde krijgt zijn stem,
wie niet gezien is hoort bij Hem
mag sprekend op Hem lijken!
3
(m)
Een mens, een kus van vrede en recht,
die wereld is ons toegezegd,
maar viel ons uit de handen.
Een toch houdt Gij uw armen vrij
het heil is rakelings nabij,
't ligt op een steenworp afstand.
(a) refrein
Het ongehoorde krijgt zijn stem,
wie niet gezien is hoort bij Hem
mag sprekend op Hem lijken!
4
(a)
Gij staat te boek als ons tegoed,
waar het niet gaan kan, kruipt uw bloed,
wij zijn met pijn geboren,
niets om het lijf dan God alleen,
aan tafel komen wij bij-Een,
daar gaat de toekomst gloren.
refrein
Het ongehoorde krijgt zijn stem,
wie niet gezien is hoort bij Hem
mag sprekend op Hem lijken!
---
*191
#4
1
(a)
Wij leggen onze gaven
bij die van andren neer.
Alleen wanneer wij delen
kan ieder leven, Heer.
2
(v)
Allen wanneer wij leven
krijgt elk zijn part en deel,
en heeft op aarde niemand
te weinig of te veel.
3
(m)
Door ons bezit te delen
geschiedt gerechtigheid.
en wie niet wenst te delen
is zijn bestaansrecht kwijt.
4
(a)
Wij leggen onze gaven
bij alle andren neer,
opdat in deze wereld
uw vrede wone, Heer.
---
*192
#3
1
Kun je sparen, kun je sparen,
iets van wat je krijgt bewaren?
Ook al is het niet zo veel:
Als je 't opspaart wordt het veel!
2
Kun je sparen, kun je sparen,
voor een ander iets bewaren?
Iemand die te weinig heeft
is heel blij met wat jij geeft.
3
Spaar het leven. Spaar het leven
Daarom is het ons gegeven.
Door te delen met elkaar
maken we ons leven waar!
---
*193
#1
1
Wij hebben geld gekregen
om het weer door te geven,
opdat wij samen leven
een vreugdevol bestaan,
een vreugdevol bestaan.
---
*194
#5
1
(v)
Vraagt iemand brood,
geef hem te eten,
is ergens nood,
wees tot een zegen,
2
(m)
Lijdt iemand kou,
haal hem naar binnen,
roept iemand jou,
laat je dan vinden.
3
(v)
Is iemand ziek,
ga hem bezoeken,
is er verdriet,
toon je een broeder.
4
(m)
Leef voor de Heer,
vriend van de armen,
Hij zoekt zijn eer
in ons erbarmen.
5
(a)
Leef voor de Heer,
kies voor de armen,
leef voor de Heer,
wees hartverwarmend.
---
*195
#2
1
Elke dag kijken ogen mij van verre aan,
ogen sprekend van bittere nood.
Waarom heb je zoveel
en ikzelf bijna niets,
ogen vragend om dagelijks brood.
2
Maar wij kijken zo gauw naar een andere kant,
denken slechts aan ons eigen bestaan.
Leer ons delen met mensen
die vragen om brood,
in het spoor van uw liefde te gaan.
---
*196
#4
1
Wie weet zich uitverkoren?
Eist voor zichzelf de eer
al tot Gods volk te horen,
gemeente van de Heer?
2
Wie zwervers niet wil laven,
niet voor de armen strijdt,
deelt ook niet in Gods gaven
en zijn geborgenheid.
3
Maar voor wie in zijn wegen
wandelen in zijn hand,
verkeert Hij vloekt in zegen,
woestijn in vruchtbaar land.
4
Zij loven dan zijn daden,
zingend met luider stem,
stijgend langs lichte paden,
op naar Jeruzalem.
---
*197
#3
1
Wij willen gaven delen
met mensen wereldwijd.
Want delen wordt tot helen
wanneer de ander lijdt.
De heer heeft zich gegeven
en deelde onze nood.
Zo heelde Hij ons leven,
Hij is het levend brood.
2
Ver waren wij gaan dwalen,
de wijde wereld rond.
Maar 't was slechts om te halen
en hebzucht was de grond.
Het rijk dat wij zo bouwden
hield in de tijd geen stand.
Wat wij als groots beschouwden
sloeg men ons uit de hand.
3
Meer dan wij konden dromen
geschiedt in onze tijd.
Er is een weg gekomen
van wederkerigheid.
Nu leren wij ontvangen;
zij geven van hun kant.
Geen strijd meer om belangen
zo komt Gods rijk tot stand.
---
*198
#2
1
Leef met elkaar, sprak de Heer, en ga niet stelen,
leef met elkaar als een wereldwijd gezin,
eerlijk moeten jullie alles verdelen,
kijk om je heen en maak maar een begin.
Wees barmhartig, lenig nood,
vecht voor elkaar, geef de ander brood.
2
Wees niet tevreden zolang nog een verkommert,
Wees niet tevreden zolang nog iemand lijdt,
gezegend wie naar gerechtigheid hongert,
gelukkig hij wie zijn naaste bevrijdt.
leef niet voor jezelf alleen,
samen met anderen ben je een.
---
*199
#4
1
Ik zal er zijn voor jou
zo heeft de Heer gezegd.
Ik zal er zijn voor jou
met vrede en met recht.
2
Ik zal er zijn voor jou
met wijn, een stukje brood.
Ik zal er zijn voor jou
mijn liefde is zo groot.
3
Ik zal er zijn voor jou
een schaduw aan je zij.
Ik zal er zijn voor jou
Ik ben er altijd bij.
4
Ik zal er zijn voor jou
Ik laat je niet alleen.
Ik zal er zijn voor jou
mijn licht straalt om je heen.
---
*200
#1
1
Wij zijn hier bijeen
om gemeenschap te voeden,
er staat voor ons allen
een maaltijd klaar.
Wij danken van harte
voor al het goede
en reiken de beker,
de schaal naar elkaar.
---
*201
#4
1
(s)
De tafel van samen, de tafel is gedekt.
Wij mogen komen eten en niemand wordt vergeten.
De tafel van samen, de tafel is gedekt.
't Geheim van het leven wordt zomaar verstrekt.
2
(v)
Wij delen, wij delen gewoon het daaglijks brood.
Dit brood houdt ons in leven door God is het gegeven.
Wij delen, wij delen gewoon het daaglijks brood,
en denken aan Jezus, zijn lijden zijn dood.
3
(s)
De tafel van samen, de tafel van het goed,
daar wordt de wijn geschonken en mondjesmaat gedronken.
De tafel van samen, de tafel van het goed,
daar vinden wij vrede, in overvloed.
4
(a)
Wij vieren de maaltijd, wij vieren samen feest.
Hier durven wij te dromen dat alles goed zal komen.
Wij vieren de maaltijd, wij vieren samen feest
in de naam van de Vader, de Zoon en de Geest.
---
*202
#5
1
(a)
Wij worden genodigd aan de tafel te gaan,
te vieren met brood en met wijn
het feest, zoals Jezus het ook heeft gedaan:
Wij willen zijn leerlingen zijn.
2
(s)
Waarom is het feest in de kerk hier vandaag?
Waarom toch die wijn en dat brood?
(a)
Het antwoord is evenals toen op die vraag:
Wij werden bevrijd van de dood.
3
(m)
Eens waren wij slaaf, maar God maakte ons vrij
en leidde ons door de woestijn
naar het land van belofte. Daar mogen ook wij
weer leren Gods kindren te zijn.
4
(v)
Wie leert ons dat beter dan Jezus, de Heer!
Hij zelf heeft het ons voorgedaan.
Al is het vaak moeilijk, toch zullen wij weer
Hem volgen, waar Hij is gegaan.
5
(a)
Totdat eens de dag komt, dat ieder het weet.
Dan zingen de mensen verblijd:
Hij is onze koning, voorbij is het leed,
Hij heeft van de dood ons bevrijd!
---
*203
#3
1
Een lied rond de tafel
met wijn in overvloed.
Een lied rond de tafel
met brood dat leven doet.
Daarvan wil ik zingen
een liedje keer op keer
want ik deel er de dingen
en alles smaakt naar meer.
2
Een lied rond de tafel
van Jezus in de zaal.
Een lied rond de tafel
van 't laatste avondmaal.
Daarvan wil ik zingen
een liedje o zo graag
want ik deel er de dingen
en dat heeft Hij gevraag.
3
Een lied rond de tafel
van onze wereld groot.
Een lied rond de tafel van:
iedereen wil brood.
Daarvan wil ik zingen
een liedje keer op keer
want ik deel er de dingen
en daar is Jezus weer.
---
*204
#1
1
Heilig, heilig, heilig is de Heer
onze God.
Heilig, heilig, heilig is de Heer
onze God.
De aarde is vol van zijn glorie,
de aarde is vol van zijn glorie,
heilig is de Heer.
---
*205
#1
1
Gezegend Hij die komt,
die komt in de Naam des Heren.
Gezegend Hij die komt,
die komt in de Naam van God.
Hosanna, de Zoon van David.
Hosanna, de Zoon van David.
Gezegend Hij die komt.
---
*206
#2
1
Eten en drinken gaan wij bij de Heer.
Hij is gestorven, maar eens komt Hij weer.
2
Wij willen denken aan Hem, dat Hij stierf
en dat Hij opstond: ons leven verwierf.
---
*207
#2
1
Kom Here Jezus, kom toch,
ja kom Heer!
Maranatha, zo roepen wij!
2
I Morgenlicht breng ons vrede.
II Morgenlicht breng ons vrede.
III Wij zingen voor uw komst,
o Heer.
IV Wij zingen voor uw komst,
o Heer.
---
*208
#1
1
Onze Vader die in de hemelen zijt,
uw naam worde geheiligd;
uw koninkrijk kome.
Uw wil geschiede,
gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden,
gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking,
maar verlos ons van de boze.
Want van U is het koninkrijk
en de kracht en de heerlijkheid,
tot in eeuwigheid.
Amen.
---
*209
#2
1
Lam van God,
U draagt de zonden van ons weg,
van heel de wereld weg.
Ontferm U over ons.
Ontferm U Heer!
2
Lam van God,
U draagt de zonden van ons weg,
van heel de wereld weg.
Geef ons uw vrede, Heer.
geef vrede, Heer!
---
*210
#3
1
Eet en drinkt van brood en wijn
tot mijn gedachtenis
en weet dat er in angst en pijn
een weg naar vrede is.
2
Deel het leven met elkaar
tot mijn gedachtenis
en schenkt elkaar
voor alle haat alleen vergiffenis.
3
Leef in liefde met elkaar
tot mijn gedachtenis
en maakt zo in uw daden
waar dat leven geven is.
---
*211
#5
1
(v)
Gij hebt ons toegesproken
tot in de diepste nood.
Uw lichaam werd gebroken,
uw vlees is waarlijk brood.
(a) refrein
Neem Gods woord met hart en mond,
eet en drinkt zijn nieuw verbond,
gedenk uw Heer totdat Hij wederkomt.
2
(m)
Waar velen zijn gestorven
hebt Gij ons honderdvoud
een nieuw bestaan verworven
Gij zijt ons lijfsbehoud.
(geen refrein)
3
(v)
Gij roept ons uit de zonde,
Gij maakt ons brood en wijn,
om met elkaar verbonden
opnieuw uw volk te zijn.
(a) refrein
Neem Gods woord met hart en mond,
eet en drinkt zijn nieuw verbond,
gedenk uw Heer totdat Hij wederkomt.
4
(m)
O lichaam ons gegeven
o Heer van ons bestaan,
geef dat wij van U leven
en niet verloren gaan.
(geen refrein)
5
(a)
Heer God, hier in ons midden,
maak uw belofte waar.
Nu laat uw woord geschieden
en schenk ons aan elkaar.
(a) refrein
Neem Gods woord met hart en mond,
eet en drinkt zijn nieuw verbond,
gedenk uw Heer totdat Hij wederkomt.
---
*212
#4
1
Vrede, vrede aan de mensen,
vrede mag je altijd wensen.
Vrede is een heilig woord,
elk mens heeft dat woord gehoord.
2
God geeft vrede aan de mensen,
'k mag voor jou ook vrede wensen.
Met elkaar in vrede gaan,
Jezus heeft het voor gedaan.
3
Vrede voor jou, vrede voor jou,
open je handen, vrede voor jou,
Vrede, vrede, vrede voor jou,
vrede voor jou,
geef me je handen,
vrede voor jou.
4
Nu groeten wij elkaar
van aangezicht tot aangezicht
en wensen elkaar vrede toe en licht.
---
*213
#3
1
Dit is het brood voor onderweg
dat honger stilt door breken.
Wie gaat de lange levensweg
die zal geen wijn ontbreken.
Het is de Heer die voor ons ging,
een maaltijd van herinnering.
Hij at en dronk met vrienden.
2
Hetzelfde brood in onze hand,
het brood dat breekt door delen.
Dezelfde wijn als onderpand
die lest de dorst van velen.
Dezelfde Heer die in ons leeft
dezelfde Geest die adem geeft:
er is weer hoop voor mensen.
3
Bij ons is ooit een opgestaan
uit diepe moedeloosheid;
bij ons heeft een ooit goed gedaan:
Hij overwon de boosheid.
Hij schonk de wijn en gaf zijn bloed;
Hij brak het brood tot overvloed;
de beste wijn voor 't laatste.
---
*214
#2
1
Onderweg door woestijnen,
water en brood.
onderweg door woestijnen,
hitte en nood.
onderweg door de nacht,
blijf ons nabij:
Heer, wij zouden vergaan.
refrein
Wij hebben God gevonden,
want Hij heeft ons gewekt.
Wij hebben God gevonden,
wij hebben Hem ontdekt.
Een nieuw verbond,
een nieuwe dronk,
een stukje brood tegen de dood.
Een nieuw verbond,
een nieuwe dronk,
een stukje brood tegen de dood.
2
Onderweg door de tijden,
onmacht en sleur.
Onderweg over kruisen,
angst en terreur.
Onderweg door de dood,
blijf ons nabij:
Heer, laat ons niet vergaan.
refrein
Wij hebben God gevonden,
wij hebben Hem ontdekt.
Een nieuw verbond,
een nieuwe dronk,
een stukje brood tegen de dood.
Een nieuw verbond,
een nieuwe dronk,
een stukje brood tegen de dood.
---
*215
#3
1
(s)
Hij brak het brood
en nam zijn dood
in eigen hand.
Hij gaf de wijn,
zijn stervenspijn,
ons in de hand.
2
(v)
Nu gaat zijn dood
als levensbrood
van hand tot hand:
zijn stervenspijn
wordt vreugdewijn
in ieders hand.
3
Leven en dood
zijn wijn en brood
in onze hand:
Zo zal voortaan
de dood een gaan
ten leven zijn.
---
*216
#5
1
(s)
Als wij weer het brood gaan breken
dat Gij, Heer, ons geeft,
leer ons dan met hem te delen
die geen deel van leven heeft.
2
(v)
Als wij van de feestwijn drinken
die Gij, Heer, ons geeft,
leer ons dan om te gedenken,
wie een lege beker heeft.
3
(a)
Als wij samen in de kring staan
om wat Gij ons geeft,
leer ons dan om vast te houden
wie geen hand in handen heeft.
4
(m)
Als wij weer de lofzang zingen
om wat Gij ons geeft,
leer ons dan voor hem te roepen
die geen stem meer over heeft.
5
(a)
Als wij zo de toekomst vieren
die Gij, Heer, ons geeft,
leer ons dan vandaag te zorgen
voor wie zelfs geen morgen heeft.
---
*217
#3
1
Kom uit de dood, je bent gewekt,
de tafel staat voor jou gedekt.
Kom eet het brood, wees een met mij.
Kom drink de wijn om een te zijn.
2
Kom uit de dood, je bent gewekt,
de tafel staat voor jou gedekt.
Ga en verdeel, deel uit van mij,
wees zelf het brood, wees zelf de wijn.
3
Kom uit de dood, je bent gewekt,
de tafel staat voor jou gedekt.
Laat het nu gaan van mond tot mond,
sluit overal het nieuw verbond.
---
*218
#3
1
De Here is mijn herder,
mij ontbreekt niets.
Hij doet mij nederliggen
in grazige weiden.
Hij voert mij aan rustige waatren;
Hij verkwikt mijn ziel.
Hij leidt mij in rechte sporen
om zijns naams wil.
2
Zelfs ga ik door een dal
van diepe duisternis,
ik vrees geen kwaad,
want Gij zijt bij mij;
uw stok en uw staf,
die vertroosten mij.
Gij richt voor mij een dis aan
voor de ogen van wie mij benauwen.
3
Gij zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
Ja heil en goedertierenheid
zullen mij volgen al de dagen
van mijn leven;
Ik zal in het huis des Heren verblijven
tot in lengte van jaren.
---
*219
#6
1
(a)
Wie kent er niet het oud verhaal
van Jezus' laatste avondmaal,
daar in die stille bovenzaal?
2
(a)
In stille eerbied horen wij hoe,
met de twaalf verzameld,
Hij hun voeten wast' en daarbij zei:
3
(s)
"Dit doe Ik als een teken u,
dat Ik het minste werk niet schuw;
wast dan elkanders voeten nu!"
4
(a)
Toen nam de Meester zelf het brood,
brak het ten teken van zijn dood,
waarna Hij het hun allen bood.
5
(a)
Vervolgens ook de beker wijn;
die zou voortaan het teken zijn
van 't nieuw verbond, door nood en pijn.
6
(s)
"Doet dit tot mijn gedachtenis"
zo sprak Hij. En nog altijd is
zijn kerk bijeen om deze dis.
---
*220
#6
1
(s)
Er is een land van dromen
waar niemand in kan komen.
De dromen gaan hun eigen gang,
soms ben ik blij, soms bang,
2
(v)
De dromen zijn bij mensen
vaak onvervulde wensen.
Maar elke droom vergeet ik toch
want dromen zijn bedrog.
3
(m)
Toch wilde God door dromen
ook tot de mensen komen
en in een droom of nachtgezicht
gaf hij de mensen licht.
4
(v)
Aan ons heeft God gegeven
een droom van eeuwig leven.
Met open oog, bij helder licht,
zien wij een vergezicht.
5
(m)
Eens zal er toch iets komen
wat meer is dan mijn dromen.
Het ongedroomde wordt dan waar:
Het nieuwe rijk is daar.
6
(s)
Ik droom met ogen open
en blijf verwachten, hopen.
Het rijk van God, dat komt er toch,
die droom is geen bedrog.
---
*221
#4
1
(a)
Van de vrede blijf je dromen,
van een wereld in het groen,
waar verdriet niet meer kan komen,
waar geen mens je kwaad zal doen.
Niemand bang meer en alleen,
zon en warmte om je heen.
Niemand bang meer en alleen,
zon en warmte om je heen.
2
(v)
Same zullen wij weer leren
van de vrede, hoe dat moet,
hoe je onrecht om kunt keren
tot iets heels en tot iets goeds.
Zodat alles anders wordt,
dichterbij de droom van God.
Zodat alles anders wordt,
dichterbij de droom van God.
3
(m)
Van raketten en van zwaarden
maken wij gewoon een ploeg
en wij zaaien op de aarde
graan voor allen, brood genoeg.
Liefde huist in elke straat,
niemand wordt er meer soldaat.
Liefde huist in elke straat
niemand wordt er meer soldaat.
4
Van de vrede blijf je dromen,
jij zult zien, soms, hier en daar,
hoe er steeds meer mensen komen
die niet vechten met elkaar.
Die de wegen gaan van God
tot de aarde hemel wordt.
Die de wegen gaan van God
tot de aarde hemel wordt.
---
*222
#6
1
(s)
Wij mensen blijven dromen,
dromen en vergezichten zien,
een nieuwe aarde die gaat komen,
te vinden al misschien.
2
(v)
Wij dromen van de mensenrechten
die ieder mens dan heeft,
niet langer tegen onrecht vechten,
daar 't recht van liefde leeft.
3
(a)
Verdwenen zijn de diktaturen,
gevangenschap en pijn,
verbanning en verdriet verduren,
God zelf zal bij ons zijn.
4
(s)
Wie in die dromen durft geloven
voelt zelf verandering,
vertwijfeling en wanhoop
doven in blijde aarzeling.
5
(v)
En licht en sterk, vol zachte krachten
die onverzettelijk zijn,
bevechten wij de kwade machten
die niet te tellen zijn.
6
(a)
Waar mensen putten uit de bronnen
van droom als werklijkheid,
Daar is Gods toekomst al begonnen
in onze levenstijd.
---
*223
#3
1
Wij dromen onze droom,
ook als de meesten honen,
wij dromen onze droom
dat alles anders wordt.
Dat er geen bloem van plastic is,
de wapenhandel doodgebloed,
dat dan de lach geen masker is,
zo wordt het leven goed.
2
Wij dromen onze droom,
ook als de meesten tergen,
wij dromen onze droom
dat alles anders wordt.
Dat er geen held meer voorrang heeft,
dat afkomst nergens meer toe doet,
dat waarheid dan weer kiemkans heeft:
Zo wordt het leven goed.
3
Wij dromen onze droom,
wekken haar tot het leven,
wij dromen onze droom
en toekomst wordt een taak.
Dat niemand boven andren staat,
dat Christus ons in 't vlees begroet,
dat dan de dood niet meer bestaat:
Zo wordt het leven goed.
---
*224
#3
1
Wie moet zwijgen zal gaan spreken,
boventoon zal ondergaan,
armen zullen breeduit lachen,
rijken leeg en schuldig staan.
Tronen, banken, macht en statie,
grof geschut dwingelandij,
winst uit nood, eer over lijken,
al die dingen gaan voorbij.
2
Blinden zien en doven horen,
stommen spreken, lammen gaan,
mens voor mens komt God ons tegen
en hij mag voorgoed bestaan.
Niemand ziet zijn levenseinde
als bedreiging van het lot,
ieder weet zich dood of levend
onaantastbaar kind van God.
3
Wie zich met zijn eigen leven
overgeeft aan deze droom,
die zal mensen tegenkomen,
last en lijden, tegenstroom.
Die zal leven, klein, verborgen,
solidair en zonder grens.
Die zal, weerloos, ooit nog worden
mensenbrood en toekomstmens.
---
*225
#2
1
Leve het leven:
Meer dan slaafs bestaan;
in het licht geheven,
uit de dood vandaan,
vieren wij de dromen
aan ons doorverteld
dat de dag zal komen
van verstoord geweld.
Leve het leven:
't Uur van vrijheid slaat.
Leve het lieve leven
dat de dood weerstaat.
2
Leve wie treuren,
arm en klein van geest.
't staat nu te gebeuren
dat de pijn geneest
van wie werd geslagen,
vervolgd en onderdrukt.
Na de nacht zal 't dagen:
opstanding gelukt!
Lang zal hij leven
die verrijznis vindt.
Leve lang het leven,
dat vandaag begint
---
*226
#4
1
(s)
Hij zal opkomen voor de misdeelden,
Hij zal de machten die ons dwingen
breken en binden, Hij zal leven,
onvergankelijk, als de zon.
(a) refrein
Voor kleine mensen is Hij bereikbaar,
Hij geeft hoop aan rechtelozen,
hun bloed is kostbaar in zijn ogen,
Hij koopt hen vrij uit het slavenhuis.
2
(v)
Zoals de dauw die de aarde drenkt,
zo zal Hij komen en in die dagen
zullen trouw en waarachtigheid bloeien,
zal er vrede in overvloed zijn.
(geen refrein)
3
(m)
Dan dragen de bergen schoven van vrede
en de heuvels een oogst van gerechtigheid,
een vloed van koren, golvende velden,
een stad rijst op uit een zee van groen.
(a) refrein
Voor kleine mensen is Hij bereikbaar,
Hij geeft hoop aan rechtelozen,
hun bloed is kostbaar in zijn ogen,
Hij koopt hen vrij uit het slavenhuis.
4
(s)
Zijn naam is tot in eeuwigheid,
zolang de zon staat aan de hemel.
Zijn naam gaat rond over de aarde,
een woord van vrede, van mens tot mens.
(a) refrein
Voor kleine mensen is Hij bereikbaar,
Hij geeft hoop aan rechtelozen,
hun bloed is kostbaar in zijn ogen,
Hij koopt hen vrij uit het slavenhuis.
---
*227
#6
1
(s)
Straten vol met groene bomen
ik zie bloemen door het asfalt komen.
Mensen niet meer weggeplukt,
haren niet meer uitgerukt.
2
(v)
Vogels-schone veren-vliegen,
ik zie schoonheid die niet kan bedriegen.
Mensen niet meer uitgeteld,
vleugellam of neergeveld.
(a) refrein
Voor wat ik wel kan dromen
weet ik niet op of in te staan ...
Geef mij een opmerkzaam hart,
waar door Gij in en uit kunt gaan.
3
(s)
Zeeen blauw, vol frisse vissen,
ik zie monden die iets moois beslissen.
Mensen niet meer opgebracht,
niet als honden afgeslacht.
4
(v)
Hemel, ozon zonder gaten,
'k zie de walvis weer met rust gelaten.
Mensen niet meer blind en wreed,
aarde niet meer uitgekleed.
(a) refrein
Voor wat ik wel kan dromen
weet ik niet op of in te staan ...
Geef mij een opmerkzaam hart,
waar door Gij in en uit kunt gaan.
5
(s)
Uitgelezen levenskansen,
ik zie koningen die daarvoor dansen.
Mensen van een God vervuld,
die hun majesteit onthult.
6
(v)
Onvervalste profetieen;
'k zie een herderszoon, een knecht op knieen.
menslief, clown of koningskind,
God geeft dat je vrede vindt.
(a) refrein
Voor wat ik wel kan dromen,
weet ik niet op of in te staan...
Geef mij een opmerkzaam hart.
waar door Gij in en uit kunt gaan.
---
*228
#3
1
(m)
De wijze woorden en het groot vertoon
(a)
de goed sier van goede werken
(m)
de ijdelheden op hun pauwentroon
(a)
de luchtkastelen van de sterken
(m)
al wat hoog staat aangeschreven
zal Gods woord niet overleven
hij wiens kracht in onze zwakheid woont
(a)
beschaam de ogen van de sterken.
2
(v)
Zijn woord wil deze wereld omkeren:
(a)
dat lachen zullen zij die wenen
(v)
dat wonen zal wie hier geen woonplaats heeft
(a)
Dat dorst en honger zijn verdreven -
(v)
de onvruchtbare zal vruchtbaar zijn
die geen vader was zal vader zijn
mensen zullen andere mensen zijn
(a)
de bierkaai wordt een stad van vrede.
3
(a)
Wie denken durft dat deze droom het houdt
een vlam die kwijnt maar niet zal doven
wie zich aan deze dwaasheid toevertrouwt
al komt de onderste steen boven:
Die zal kreunen onder zorgen
die zal vechten in 't verborgen
(zacht) die zal waken tot de morgen dauwt
hij zal zijn ogen niet geloven.
---
*229
#5
1
(v)
Van Jouw toekomst wil ik spreken,
wat geen mens gelooft, gebeurt:
Miljonairs gaan straten vegen,
Kaapstad zal zijn ingekleurd.
(a) refrein
Zingt, speelt, zodat het kan gebeuren,
dat wij verlost van schijn
met elkaar in vrede zijn.
2
(m)
Generaals en officieren zien geen
brood meer in de strijd,
want voorbij zijn hebben, houden,
"ik voor mij" is uit de tijd.
(a) refrein
Zingt, speelt, zodat het kan gebeuren,
dat wij verlost van schijn
met elkaar in vrede zijn,
3
(v)
De woestijn begint te bloeien,
achterbuurt zal centrum zijn.
Wie zijn stem niet mocht verheffen
vindt gehoor op ruim terrein.
(a) refrein
Zingt, speelt, zodat het kan gebeuren,
dat wij verlost van schijn
met elkaar in vrede zijn.
4
(m)
Schijn en leugens zijn verdwenen,
waarheid zal de voertaal zijn.
En de dood wordt niet verzwegen,
sterven doet niet langer pijn.
(a) refrein
Zingt, speelt, zodat het kan gebeuren,
dat wij verlost van schijn
met elkaar in vrede zijn.
5
(a)
Met de opkomst van de armen
dringt God tot zijn wereld door.
Hij begint opnieuw te scheppen,
vindt bij mensen nieuw gehoor.
refrein
Zingt, speelt, zodat het kan gebeuren,
dat wij verlost van schijn
met elkaar in vrede zijn.
---
*230
#3
1
De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan
vanaf de dagen der schepping,
staan vol water, maar dicht,
de rotsen gaan open.
Het water zal stromen,
het water zal tintelen, stralen,
dorstigen komen en drinken,
de steppe zal drinken.
De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.
2
De ballingen keren.
Zij keren met blinkende schoven.
Die gingen in rouw
tot aan de einden der aarde,
een voor een, en voorgoed,
die keren in stoeten.
Als beken vol water,
als beken vol toesnellend water,
schietend omlaag van de bergen,
als lachen en juichen.
Die zaaiden in tranen,
die keren met lachen en juichen.
3
De dode zal leven.
De dode zal horen: Nu leven.
Ten einde gegaan
en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op,
het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
een stem zal ons roepen:
Ik open hemel en aarde en afgrond
en wij zullen opstaan en lachen
en juichen en leven.
---
*231
#4
1
(v)
Wanneer een mens
geen sterke schouders vindt
om op te mogen leunen;
geen deur die open gaat;
geen vriend die naast hem staat;
dan wordt de mens een zwerver,
een zwerver zonder thuis;
een schipper zonder wal;
een woning zonder buurt.
(a) refrein
Wij dromen van een buurt,
waar mensen kunnen leven,
geboren bij elkaar;
waar kindren mogen spelen
met bloemen in het haar,
met bloemen in het haar.
2
(m)
Wanneer een mens
niet meer verbonden leeft
met aarde en seizoenen,
geen wonder meer ontdekt,
dan wordt de mens een wezen,
een wezen zielig leeg,
een robot zonder hart,
een park zonder boom!
(a) refrein
Wij dromen van een buurt,
waar mensen kunnen leven,
geboren bij elkaar;
waar kindren mogen spelen
met bloemen in het haar,
met bloemen in het haar.
3
(v)
Wanneer een mens
ten alle prijze toch
het hoogste wil behalen,
en alles heeft vergaard,
maar niemand heeft gespaard,
dan wordt de mens een "hebber",
een "hebber" met een vuist,
een veelvraat zonder maat,
een toren zonder plein.
(a) refrein
Wij dromen van een buurt,
waar mensen kunnen wonen
bereikbaar voor elkaar;
waar kindren mogen groeien
op 't ritme van het jaar!
4
(m)
Wanneer een mens
door 't vele overspoeld
zo onverschillig wordt,
en nergens zich meer vindt,
en drukte hem verblindt,
dan wordt een mens een dwaze,
een dwaas die alles slikt,
een wekker zonder veer,
een buurt zonder sfeer.
(a)
Wij dromen van een buurt,
waar mensen kunnen wonen
bereikbaar voor elkaar;
waar kindren mogen groeien
op 't ritme van het jaar!
---
*232
#4
1
(a)
Tussen nacht en dageraad
loopt de weg van dromen.
Wie de weg van dromen gaat,
zal bij morgen komen.
2
(v)
In het komen van de dag
ligt de droom verborgen.
wat nu niet geschieden mag,
zal geschieden morgen.
3
(m)
Want de droom heeft ons onthuld
dat wie zo gaat leven
dat sjalom zijn dagen vult,
toekomst is gegeven.
4
(a)
Tussen nacht en dageraad
loopt de weg van dromen.
Wie de weg van dromen gaat,
zal bij morgen komen.
---
*233
#5
1
(s)
Aan het einde van de dag
weet ik dat ik vragen mag:
Here houd ook deze nacht
over ons getrouw de wacht.
2
(v)
Heer, U houdt zoveel van mij,
dat maakt mij altijd weer blij.
Maak dat ik, zolang ik leef,
steeds die liefde verder geef.
3
(m)
Lieve Heer, laat niet alleen
alle mensen om mij heen.
laat ze allen, groot en klein,
steeds bij U geborgen zijn.
4
(m)
Help de armen in hun nood,
leer ons delen van ons brood.
Heer, er is zoveel verdriet:
Droog de tranen die U ziet.
5
(a)
Dank U, lieve Heer,
Ik weet dat U ons echt nooit vergeet.
Vrede wordt het overal,
als U bij ons wonen zal.
---
*234
#3
1
Je hoeft niet bang te zijn
al gaat de storm tekeer.
Leg maar gewoon je hand in
die van onze Heer.
2
Je hoeft niet bang te zijn
als oorlog komt of pijn.
De Heer zal als een muur
rondom je leven zijn.
3
Je hoeft niet bang te zijn,
al gaan de lichten uit.
God is er en Hij blijft,
als jij je ogen sluit.
---
*235
#5
1
(s) Het feest is weer gevierd
(a) Gods wereld is ontsloten
(s) de kaarsen zullen doven
(a) Hij schenkt aan ons zijn licht
(s) de bijbel gaat weer dicht
(a) Zijn schepping bloeit weer open
(s) ik kan het niet geloven
(a) Gods glimlach komt in zicht.
2
(1 regel (s),1 regel (a) als boven)
De uitleg was weer vaag;
zijn woorden kun je horen
ik wist het van tevoren
een onverwachte stem
Zijn wereld blijft een vraag
toch gaat geen woord verloren
ik kan er niets in horen
in 't minste hoor je Hem.
3
(1 regel (s),1 regel (a) als boven)
De liedren snap ik niet
God laat de klanken stralen
ze kunnen me niet raken
Hij vult zijn huis met gloed
ongrijpbaar, vreemd gebied
zijn psalmen zijn verhalen
ik kan er niets van maken
Zijn adem en zijn bloed.
4
(1 regel (s),1 regel (a) als boven)
Ik heb U nooit gezien
Ik ben er voor de blinden
geen mens kan U ontdekken
toch ben Ik je nabij
ik zoek uw heerschappij
je zult je vrijheid vinden
zal ik vandaag vertrekken?
maak dan de reis met Mij.
5
(1 regel (s),1 regel (a) als boven)
Maar 'k heb U nooit gehoord
Ik ben er voor de doven
geen mens kan U doorgronden
een kind kan Mij verstaan
'k ben bang als kind te gaan
je komt je angst te boven
wat kunt U mij beloven?
Dat niets je zal ontgaan.
---
*236
#6
1
(s)
God heeft zijn naam gezegd
- Ik zal er zijn voor jou -
Hij gaat met je op weg,
Hij blijft je eeuwig trouw.
2
(v)
Geloof Hem op zijn woord,
Hij spant zich voor je in,
Hij trekt je in zijn spoor,
bemint je als zijn kind.
3
(a)
God heeft zijn naam gezegd,
wij weten wie Hij is,
je komt weer tot je recht,
Hij maakt geschiedenis.
4
(s)
Een bondgenoot is God
voor wie geen leven heeft,
Hij zal er zijn voor ons
als deernis ons beweegt.
5
(m)
De schepping is in nood,
God brengt ons aan het licht,
Hij stelt op ons zijn hoop,
zalig wie vrede sticht.
6
(a)
God heeft zijn naam gezegd,
wij nemen Hem ter hand,
wij gaan met God op weg.
Hij staat aan onze kant.
---
*237
#1
1
't Woord heeft weer geklonken,
God, verborg zich niet,
er is weer gezongen,
God troont op ons lied.
God is ons genegen,
Hij heeft ons bevrijd,
nu geeft Hij zijn zegen,
Hij blijft ons nabij.
---
*238
#3
1
(a)
Mensen, door 't leven klein gekregen
die 't lachen is vergaan,
doodgepraat of doodgezwegen
heel alleen zijn komen staan,
blijven zoeken, kopen, bidden
en ze hunkren in de kou
naar wat warmte uit ons midden;
ergens wacht zo'n mens op jou!
(a) refrein
Door Zijn woorden aangestoken
trekken wij hier thans vandaan;
onze tent moet opgebroken
wat gezegd is dient gedaan;
wat gevierd werd moet gebeuren
in het leven heel dichtbij;
even buiten deze deuren
wordt gewacht op jou en mij;
ite missa est...
2
(v)
Mensen, door de oorlog zwaar gehavend
en verminkt door blinde haat,
van wie bruut en zwaar bewapend
aangevreten zijn door 't kwaad,
dromen in hun angst en beven
- nu gedompeld nog in rouw -
dat ze ooit in vrede leven;
ergens wacht zo'n mens op jou!
(a) refrein
Door Zijn woorden aangestoken
trekken wij hier thans vandaan;
onze tent moet opgebroken
wat gezegt is dient gedaan;
wat gevierd werd moet gebeuren
is het leven heel dichtbij;
even buiten deze deuren
wordt gewacht op jou en mij;
ite missa est...
3
Mensen, van de armoe niet te eten
die, geen been om op te staan,
zich geen raad en toekomst weten
al zo lang tekort gedaan,
maken ons terecht te schande
tot wij arme volken trouw
brood gaan breken met elkaar;
ergens wacht zo'n mens op jou!
(a) refrein
Door zijn woorden aangestoken
trekken wij hier thans vandaan;
onze tent moet opgebroken
wat gezegt is dient gedaan;
wat gevierd werd moet gebeuren
is het leven heel dichtbij;
even buiten deze deuren
wordt gewacht op jou en mij;
ite missa est...
---
*239
#4
1
(a)
Hartgrondig mogen wij op aarde leven,
volmondig geluk en liefde spreken,
God zegent ons, bevestigt ons bestaan,
geeft ons ruim baan.
2
(v)
In bloei gezet door Gods barmhartigheden
dromen wij van een wereldwijde vrede,
een nieuwe aarde waar God bij ons woont
is onze hoop.
3
(m)
Als vreemdelingen leven wij op aarde
zolang zij zich vervreemdt van Gods genade,
wij aarde niet waar men zich niet bekeert,
waar onrecht heerst.
4
(a)
Wij mogen werken aan de grote vrede,
biddend en zingend, dienend en hoopgevend,
wij vieren Gods beloften en wij doen
wat Hij bedoelt.
---
*240
#4
1
(a)
Zegen onze oren, Heer,
dat wij het roepen horen
van allen die tot eenzaamheid
ten dode zijn geboren.
2
(v)
Zegen onze handen, Heer,
dat wij de stad gaan bouwen
waar allen die geboren zijn
bestaan in goed vertrouwen.
3
(m)
Zegen onze ogen, Heer,
dat wij elkaar vergeven
en liefde en barmhartigheid
hoop schenken om te leven.
4
(a)
Zegen onze voeten, Heer,
dat wij op onze wegen de vrede
brengen van uw Zoon
elkander zijn tot zegen.
---
*241
#3
1
(v)
Ga mee met ons,
trek lichtend ons vooruit
naar tijd en land
door U ooit aangeduid.
Leef op in ons,
de mens die leven moet,
een die de toekomst heeft
die leeft voorgoed.
2
(m)
Ga mee met ons,
verberg U niet altijd,
gun ons een flits,
een teken in de tijd,
dat U nog leeft,
nog steeds om mensen geeft
en zonder wanhoop voor
de vrede leeft.
3
(a)
Ga met ons mee.
Wie zijn wij zonder U?
Een mens gaat dood
aan enkel toen en nu.
Licht op in ons,
wees vuur en vlam van hoop,
houd steeds in ons de toekomst
mens ten doop.
---
*242
#3
1
(v)
Blijf mij nabij, wanneer het avond is,
wanneer het licht vergaat in duisternis.
Wanneer geen mens mijn hulpeloosheid ziet,
bid ik tot U, o Heer, verlaat mijn niet.
2
(m)
Reik mij uw hand en spreek uw reddend woord,
wijs mij de weg en leidt mij veilig voort.
Blij mij nabij in vreugde en verdriet.
Ik heb U lief, o Heer, verlaat mij niet.
3
(a)
Wanneer uw licht mij voorgaat in de nacht,
wanneer ik hoor dat U mij thuis verwacht,
dan weet ik, Heer, .................
dan zeg ik dank, want U verlaat mij niet.
---
*243
#3
1
Woon overal nergens thuis,
aarde, mijn aarde, mijn moeders huis.
Vallende sterren, de schim van de maan,
mensen die opstaan en leven gaan,
mensen, veel geluk.
2
Wonen overal even thuis,
handel en wandel en huis na huis.
Loven en bieden op waarheid en waan,
wagen en winnen en verder gaan,
mensen, veel geluk.
3
Wonen overal bijna thuis,
aarde mijn hemel mijn vaders huis.
Stijgende sterren de lach van de maan,
mensen die dromend een stem verstaan,
mensen, veel geluk.
---
*244
#1
1
I De hemel daagt over ieder mens,
II daagt over ieder, over ieder mens.
III De hemel daagt, over ieder mens,
IV daagt over ieder, over ieder mens.
---
*245
#4
1
Vrede zij u, vrede zij u,
gelijk Mij de Vader zond,
zend Ik ook u.
Vrede zij u, vrede zij u,
gelijk Mij de Vader zond,
zend Ik ook u.
2
Blijf in mijn vrede, blijf in Mij.
Mijn woord moet in u zijn,
dat maakt u vrij.
Blijf in mijn vrede, blijf in Mij.
Mijn woord moet in u zijn,
dat maakt u vrij.
3
Ontvang mijn Geest, Heilige Geest.
Hij zal u leiden,
weest niet bevreesd.
Ontvang mijn Geest, Heilige Geest.
Hij zal u leiden,
weest niet bevreesd.
4
Vrede zij u, vrede zij u,
gelijk Mij de Vader zond,
zend Ik ook u.
Vrede zij u, vrede zij u,
gelijk Mij de Vader zond,
zend Ik ook u.
---
*246
#1
1
Blijf met uw genade bij ons,
Heer onze God.
Ja, blijf met uw genade bij ons,
op onze wegen.
---
*247
#5
1
(s)
Wij gaan weer verder, vol van hoop,
de ongebaande wegen,
met onze droom op hinderloop,
de meeste feiten tegen.
2
(v)
De onrust houdt ons op de been
en doet ons verder reizen,
een stem die klinkt door alles heen,
- een God niet weg te prijzen.
3
(s)
Zijn woord houdt aan in ons gemis,
dat alles kan verkeren,
dat vrede hier bestaanbaar is
en onrecht om te keren.
4
(m)
Hij doet ons kiezen voor de mens,
bedreigd, verarmd, vergeten;
Hij voert ons naar de laatste grens
om van elkaar te weten.
5
(a)
Sjaloom, geluk, op deze reis.
Het duurt misschien nog eeuwen,
maar twijfel niet meer aan de wijs:
"Het lam huist bij de leeuwen!"
---
*248
#6
1
(a)
Door de wereld gaat een woord
en het drijft de mensen voort:
"Breek uw ten op, ga op reis
naar het land dat Ik u wijs."
(a) refrein
Here God wij zijn vervreemden
door te luistren naar uw stem.
Breng ons saam met uw ontheemden
naar het nieuw Jeruzalem.
2
(v)
Door de wereld gaat een stoet
die de ban brak van het bloed.
Die bij wat op aarde leeft
nu geen burgerrecht meer heeft.
(a) refrein
Here God wij zijn vervreemden
door te luistren naar uw stem.
Breng ons saam met uw ontheemden
naar het nieuw Jeruzalem.
3
(m)
Menigeen ging zelf op pad
daar hij thuis geen vrede had.
Eeuwig heimwee spoort hem aan
laat ook hem het woord verstaan,
(a) refrein
Here God wij zijn vervreemden
door te luistren naar uw stem.
Breng ons saam met uw ontheemden
naar het nieuw Jeruzalem.
4
(v)
Door de wereld klinkt een lied
tegen angsten en verdriet,
tegen onrecht, tegen dwang
richten pelgrims hun gezang.
(a) refrein
Here God wij zijn vervreemden
door te luistren naar uw stem.
Breng ons saam met uw ontheemden
naar het nieuw Jeruzalem.
5
(m)
Velen, die de moed begaf.
blijven staan of dwalen af.
Hunkrend naar hun oude land.
Reisgenoten, grijp hun hand.
(a) refrein
Here God wij zijn vervreemden
door te luistren naar uw stem.
Breng ons saam met uw ontheemden
naar het nieuw Jeruzalem.
6
(a)
Door de wereld gaat een woord
en het drijft de mensen voort:
"Breek uw tent op, ga op reis
naar het land dat Ik u wijs."
(a) refrein
Here God wij zijn vervreemden
door te luistren naar uw stem.
Breng ons saam met uw ontheemden
naar het nieuw Jeruzalem.
---
*249
#3
1
(s)
Hij schenkt je vrede,
huizen van vrede.
Hij zegt de mensen:
genoeg nu geleden.
(a) refrein
Beste allemaal,
ga terug naar je woning,
beste allemaal,
ga terug naar je huis;
vrede voor jou
en voor hen die bij je wonen.
God zal je lonen,
de Heer blijft je trouw.
2
(s)
Hij schenkt je vrede,
- straten vol vrede.
Hij zegt de mensen:
voorbij het verleden.
(a) refrein
Beste allemaal,
ga terug naar je woning,
beste allemaal,
ga terug naar je huis;
vrede voor jou
en voor hen die bij je wonen.
God zal je lonen,
de Heer blijft je trouw.
3
(s)
Hij schenkt je vrede
- land vol vrede.
hij zegt de mensen:
Ik hoor je gebeden.
(a) refrein
Beste allemaal,
ga terug naar je woning,
beste allemaal,
ga terug naar je huis;
vrede voor jou
en voor hen die bij je wonen.
God zal je lonen,
de Heer blijft je trouw.
---
*250
#1
1
De Here zegene en behoede ons.
De Here doe zijn aanschijn
over ons lichten en geve ons vrede.
De Heer zal onze uitgang bewaren,
van nu aan tot in alle eeuwigheid.
---
*251
#1
1
De genade van God en de liefde
van de Here en de Geest binnen in jou,
zij met jou op de weg.
---
*252
#1
1
Groot is de wereld
en lang duurt de tijd,
maar klein zijn de voeten
die gaan waar geen wegen gaan,
overal heen.
---
*253
#1
1
Houd woord,
houd moed waar jij maar gaat.
---
*254
#1
1
Ga: tot de einde der aarde,
tot het uiterste,
daar zal liefde zijn: Ga.
---
*255
#1
1
I Amen, amen, amen.
II Amen, amen, amen.
III Amen, amen, amen.
---
*256
#2
1
U zij de glorie,
Christus onze Heer,
onze Redder, Meester.
Twijfel nu niet meer.
Zing van heind' en verre,
dat het feest begon.
Zing het zonder einde:
Christus overwon!
U zij de glorie,
o verrezen Heer.
U zij de victorie,
zonder einde meer!
2
Wat nog te vrezen,
Hij leeft eeuwig voort,
die mijn heil wil wezen,
vrede ongestoord.
Hij is mijn victorie
en mijn hulp in nood.
En Hij is mijn glorie,
ik vrees nu geen dood!
U zij de glorie,
o verrezen Heer.
U zij de victorie,
zonder einde meer!
---
*257
#4
1
Daar juicht een toon, daar klinkt een stem,
die galmt door gans Jeruzalem;
een heerlijk morgenlicht breekt aan:
De Zoon van God is opgestaan!
2
Geen graf hield Davids Zoon omkneld,
Hij overwon, die sterke held.
Hij steeg uit 't graf door eigen kracht,
want Hij is God, bekleed met macht.
3
Nu jaagt de dood geen angst meer aan,
want alles, alles is voldaan;
wie in geloof op Jezus ziet,
die vreest voor dood en duivel niet.
4
Want nu de Heer is opgestaan,
nu vangt het nieuwe leven aan,
een leven door zijn dood bereid,
een leven in zijn heerlijkheid.
---
*258
#4
1
(a)
Vaste rots van mijn behoud,
als de zonde mij benauwt,
laat mij steunen op uw trouw,
laat mij rusten in uw schauw,
waar het bloed, door U gestort,
mij de bron des levens wordt.
2
(v)
Jezus, niet mijn eigen kracht,
niet het werk, door mij volbracht,
niet het offer, dat ik breng,
niet de tranen, die ik pleng,
hoe ik om mijn zonden ween,
U kunt redden, U alleen.
3
(m)
Zie, ik breng voor mijn behoud,
U geen wierook, mirr' of goud;
moede kom ik, arm en naakt,
tot de God, die zalig maakt,
die de armen kleedt en voedt,
die de zondaar leven doet!
4
Eenmaal, als de stonde slaat,
dat dit lichaam sterven gaat,
als mijn ziel uit d' aardse
woon opklimt tot des rechters troon,
rots der eeuwen, in uw schoot
berg mijn ziel dan voor de dood.
---
*259
#2
1
Als g' in nood gezeten,
geen uitkomst ziet,
wil dan nooit vergeten:
God verlaat u niet.
Vrees toch geen nood!
's Heren trouw is groot,
en op 't nachtlijk duister
volt het morgenrood.
Als stormen woeden,
ducht toch geen kwaad;
God zal u behoeden,
uw toeverlaat.
2
God blijft voor u zorgen,
goed is de Heer,
en met elke morgen
keert zijn goedheid weer.
Wie in 't verdriet
nergens uitkomst ziet:
Groter dan de Helper
is de nood toch niet.
Wat ons ontviele,
Redder in nood,
red slechts onze ziele
uit zonde en dood.
---
*260
#3
1
Welk een vriend is onze Jezus,
die in onze plaats wil staan.
welk een voorrecht,
dat ik door Hem altijd vrij tot
God mag gaan.
Dikwijls derven wij veel vrede,
dikwijls drukt ons zonde neer,
juist omdat wij 't al niet brengen
in 't gebed tot onze Heer.
2
Leidt de weg soms door verzoeking,
dat ons hart in 't strijduur beeft,
gaan wij dan met al ons strijden,
tot Hem, die verlossing geeft.
Kan een vriend ooit trouwer wezen,
dan Hij, die ons lijden draagt!
Jezus biedt ons aan genezing;
Hij alleen is 't die ons schraagt.
3
Zijn wij zwak, belast, beladen,
en ter neer gedrukt door zorg,
dierbre Heiland!
Onze Toevlucht!
gij zijt onze Hulp en Borg.
Als soms vrienden ons verlaten,
gaan wij biddend tot de Heer;
in zijn armen zijn wij veilig.
Hij verlaat ons nimmermeer.
---
*261
#1
1
Schep in mij, o God, een rein hart,
en geef mij weer een nieuwe,
vaste geest.
Verwerp mij niet,
verwerp mij niet
van voor uw aangezicht,
van voor uw aangezicht
en neem uw Heilige Geest niet van mij.
---
*262
#1
1
(v)
Eens brachten de moeders
hun kinderen tot Jezus,
toen spraken de discipelen:
(m)
"Ga weg van de Heer!"
(v)
Maar Jezus zag hen heden aan
en sprak hen o zo vriendlijk aan:
(a)
"laat de kindren komen tot mij!"
---
*263
#5
1
(a)
Zalig hij, die 't hoogste goed
in zijn Heiland heeft gevonden;
die, verzoend door Jezus' bloed,
zich verlost weet van zijn zonden.
Hoger blijdschap is er niet;
halleluja, heel zijn leven wordt een lied.
2
(v)
Zalig hij, die daaglijks vraagt:
Leer mij naar uw wil te handlen;
die slechts doet wat God behaagt,
in zijn spreken, denken, wandlen.
Hoger blijdschap is er niet;
halleluja, Hem te volgen wordt een lied.
3
(a)
Zalig hij, die Hem belijdt,
die van Jezus durft getuigen;
aan Zijn dienst zijn leven wijdt,
andren ook voor Hem leert buigen.
Hoger blijdschap is er niet;
halleluja, Hem te dienen wordt een lied.
4
(v)
Zalig, die tot Jezus vlood;
hij heeft in de grootste smarte,
zelfs bij 't naadren van de dood
rust en blijdschap voor zijn harte.
Hoger blijdschap is er niet;
halleluja, zelfs het sterven wordt een lied.
5
(a)
Zalig hij, die Hem verwacht,
Wacht, om Gods kindren thuis te halen.
Die zijn Bruid, uit d' aardse nacht,
brengt in 't licht der bruiloftszalen.
Hoger blijdschap is er niet,
maranatha! Jezus komt, zo klinke ons lied.
---
*264
#3
1
Leer mij uw weg, o Heer;
Leer mij uw weg.
Schenk van uw kracht mij meer,
leer mij uw weg.
Houdt mij in evenwicht,
dat 'k voor uw aangezicht wandel
in 't volle licht.
Leer mij uw weg.
2
Als vrees soms 't hart benauwt,
leer mij uw weg.
Als zorg mijn dank verflauwt,
leer mij uw weg.
Help mij in vreugde en pijn,
noodweer of zonneschijn
steeds blij in U te zijn,
leer mij uw weg.
3
Hoe ook mijn toestand wordt,
leer mij uw weg.
't Leven zij lang of kort,
leer mij uw weg.
Is dan mijn loop volbracht,
vrees ik geen nood of macht,
daar mijn ziel U verwacht,
leer mij uw weg.
---
*265
#2
1
Duizend lichten, duizend kleuren
zijn de weerglans van uw pracht;
daarmee wilt Gij mensen beuren
uit hun zorgen, uit hun nacht.
Op een zee van licht en zangen
voert Gij ons tot U omhoog.
Gij, Heer, zijt ons hoogst verlangen;
doof niet voor uw licht ons oog!
2
Open nu ook onze ogen
voor het ware vreugdelicht,
opdat wij uw naam verhogen,
juichend voor uw aangezicht.
Want in Christus komt Gij nader
hem, die onder zonden zucht.
Ieder wilt Gij zijn een Vader,
die in Jezus tot U vlucht.
---
*266
#5
1
(v)
Prijs de Heer, met blijde galmen,
gij mijn ziel, hebt rijke stof.
'k Zal zolang ik leef, mijn psalmen
vrolijk wijden aan zijn lof.
'k Zal zolang ik 't licht geniet,
Hem verhogen in mijn lied.
Hem verhogen in mijn lied.
2
Zalig hij, die in dit leven,
Jacobs God ter hulpe heeft;
hij, die door de nood gedreven,
zich tot Hem tot troost begeeft,
die zijn hoop in 't hachlijkst lot
vestigt op de Heer zijn God.
3
't Is de Heer, wiens alvermogen,
't groot heelal heeft voortgebracht.
Die, genadig, uit de hoge,
ziet, wie op zijn bijstand wacht,
en aan elk, die Hem verbeidt,
trouwe houdt in eeuwigheid.
4
't Is de Heer, wiens mededogen,
blinden schenkt het lieflijk licht.
Wie in 't stof lag neergebogen,
wordt door Hem weer opgericht.
God, die lust in waarheid heeft,
mint hem, die rechtvaardig leeft.
5
't Is de Heer, van alle heren,
Sions God, geducht in macht,
die voor eeuwig zal regeren,
van geslachte tot geslacht.
Sion, zing uw God ter eer,
prijs zijn grootheid, loof de Heer!
---
*267
#3
1
(a)
Geprezen zij de Heer, die eeuwig leeft.
die vol ontferming ieder troost
en alle schuld vergeeft.
Die heel het aards gebeuren
vast in handen heeft.
(v) refrein
Hem zij de glorie, want Hij die overwon,
zal nooit verlaten wat zijn hand begon.
(a)
Halleluja, geprezen zij het Lam dat de
schuld der wereld op zich nam.
2
Verdreven is de schaduw van de nacht.
En wie Hem wil aanvaarden
wordt eens veilig thuisgebracht.
Voor hem geldt ook dit wonder:
Alles is volbracht!
(v) refrein
Hem zij de glorie, want Hij die overwon,
zal nooit verlaten wat zijn hand begon.
(a)
Halleluja, geprezen zij het Lam dat de
schuld der wereld op zich nam.
3
Hij doet ons dankbaar schouwen in het licht
dat uitstraalt van het kruis
dat eens voor ons werd opgericht.
En voor ons oog verrijst
een heerlijk vergezicht.
(v) refrein
Hem zij de glorie, want Hij die overwon,
zal nooit verlaten wat zijn hand begon.
(a)
Halleluja, geprezen zij het Lam dat de
schuld der wereld op zich nam.
---
*268
#3
1
Daar ruist langs de wolken een lieflijke Naam,
die hemel en aarde verenigt tezaam.
Geen naam is er zoeter en beter voor 't hart,
hij balsemt de wonden en heelt alle smart.
Kent gij, kent gij die Naam nog niet?
Die Naam draagt mijn Heiland,
mijn lust en mijn lied.
2
Die Naam is naar waarheid, mijn Jezus ook waard,
want Hij kwam op om zalig te maken op aard;
zo lief had Hij zondaars, dat Hij voor hen stierf,
genade bij God, door zijn zoenbloed verwierf.
Kent gij, kent gij die Jezus niet,
die om ons te redden, de hemel verliet?
3
Eens buigt zich ook alles voor Jezus in 't stof,
en d' engelen zingen voordurend zijn lof.
O, mochten w' om Jezus verheerlijkt eens staan,
dan hieven wij juichtend de juibeltoon aan:
Jezus, Jezus, uw Naam zij d' eer,
want Gij zijt der mensen en engelen Heer.
---
*269
#4
1
(s)
Heugelijke tijding,
bron van hart verblijding,
Evangeliewoord.
Woord van God gegeven,
woord van eeuwig leven,
zalig die u hoort.
Zalig zij, wier harten Gij
met een onverwrikt vertrouwen
leert op God te bouwen.
2
(v)
Door zijn vredesboden
doet God zondaars noden
tot het hoogste goed.
God heeft ons vergeven,
God schenkt ons het leven
door des Heilands bloed.
Ja, de Heer wil, Hem ter eer,
boven bidden, boven denken,
alles aan ons schenken.
3
(s)
Zalig die 't geloven!
Hij geeft ons van boven
reeds zijn eeuwig licht.
God, komt in ons wonen,
wil de luister tonen
van uw aangezicht.
Door uw kracht, in ons volbracht,
komen wij gedurig nader
't beeld van U o Vader.
4
(a)
Woord, waarop wij bouwen,
waar wij op vertrouwen,
Evangeliewoord.
Bergen mogen wijken,
gij zult niet bezwijken
want gij zijt Gods woord.
Laat ons, Heer, de troost
daarvan door geen twijfel
ooit ontroven,
sterk ons in 't geloven.
---
*270
#3
1
(v)
Grijp toch de kansen
door God u gegeven.
Kort is uw zijn hier,
de tijd snelt daarheen.
wat toch blijft over,
o zeg, van dit leven?
d' Arbeid der liefde,
gedaan om u heen.
(a) refrein
Niets is hier blijvend.
Niets is hier blijvend,
alles, hoe schoon ook,
zal eenmaal vergaan;
maar wat gedaan werd
uit liefde tot Jezus,
dat houdt zijn waarde
en zal blijven bestaan.
2
(v)
Geef dan uw tijd
niet aan ijdele zorgen.
Help hen, die vielen,
breng troost in hun smart.
O, laat uw licht schijnen,
blij als de morgen.
Wijs op de Heiland,
die rust geerft voor 't hart.
(a) refrein
Niets is hier blijvend.
Niets is hier blijvend,
alles, hoe schoon ook,
zal eenmaal vergaan;
maar wat gedaan werd
uit liefde tot Jezus,
dat houdt zijn waarde
en zal blijven bestaan.
3
Weet, al uw arbeid,
uw lijden voor Jezus,
wordt door Hemzelf
toch geschat naar zijn waard'.
Een eens daarboven,
daar vinden wij weder,
vruchten van 't zaad
dat wij strooiden op aard.
(a) refrein
Niets is hier blijvend.
Niets is hier blijvend,
alles, hoe schoon ook,
zal eenmaal vergaan;
maar wat gedaan werd
uit liefde tot Jezus,
dat houdt zijn waarde
en zal blijven bestaan.
---
*271
#4
1
(a)
Ik wil zingen van mijn Heiland,
van zijn liefde, wondergroot.
Die zichzelve gaf aan 't kruishout.
En mijn redder van de dood.
(a) refrein
Zing, o zing van mijn Verlosser,
met zijn bloed kocht Hij ook mij:
Aan het kruis schonk Hij genade,
droeg mijn schuld en ik was vrij.
2
(m)
'k Wil het wonder gaan verhalen,
hoe Hij op Zich nam mijn straf.
Hoe in liefde en genade
Hij 't rantsoen gewillig gaf.
(v) refrein
Zing, o zing van mijn Verlosser,
met zijn bloed kocht Hij ook mij:
Aan het kruis schonk Hij genade,
droeg mijn schuld en ik was vrij.
3
(m)
'k Wil mijn dierbare Heiland prijzen,
spreken van zijn grote kracht.
Hij kan overwinning geven
over zond' en satans macht.
(a) refrein
Zing, o zing van mijn Verlosser,
met zijn bloed kocht Hij ook mij:
Aan het kruis schonk Hij genade,
droeg mijn schuld en ik was vrij.
4
(v)
Ik wil zingen van mijn Heiland,
hoe Hij smarten leed en pijn,
om mij 't leven weer te geven,
eeuwig eens bij Hem te zijn.
(a) refrein
Zing, o zing van mijn Verlosser,
met zijn bloed kocht Hij ook mij:
Aan het kruis schonk Hij genade,
droeg mijn schuld en ik was vrij.
---
*272
#3
1
(a)
De dorre vlakte der woestijnen
zal zich verblijden eindeloos,
de steppe zal herschapen schijnen,
want bloeien zal zij als een roos.
van heilge vreugde zal zij beven,
doortinteld van een heerlijk leven
dat nimmermeer verwelken zal.
Zij zal de wonderen des Heren
aanschouwen en zijn grootheid eren
met jubelend triomfgeschal.
2
(m)
Versterkt dan nu de slappe handen
en zet weer vast de wankle voet;
zeg tot die zucht in pijn in banden:
(v)
wees sterk, vrees niet, heb goede moet!
Uw Redder nadert ten gerichte:
Van zijn aanbiddlijk aangezichte
straalt waarheid en barmhartigheid.
Hij zal hetgeen u leed vergelden,
de boeien breken, die u knelden,
Hij, die u uit het diensthuis leidt.
3
(m)
Waar eens venijnge slangen kropen,
de draken huisden in 't moeras,
(v)
daar gaan nu purpren rozen open,
daar fluit de leeuwerik tussen 't gras;
(a)
Daar wordt voor 's Heren gunstgenoten
een welgebaande weg ontsloten,
in liefelijke zonneschijn.
Dat pad waar Hij hen voor zal treden,
de zwaksten steunend op hun schreden,
zal Heilge Weg geheten zijn!
---
*273
#3
1
Veilig in Jezus' armen,
veilig in Jezus' hart,
daar in zijn teer erbarmen,
daar rust mijn ziel van smart.
Hoor! 't is het lied der englen,
zingend van liefd' en vree,
ruisend uit 's hemels zalen
over de glazen zee.
refrein
Veilig in Jezus' armen,
veilig in Jezus' hart,
daar in zijn teer erbarmen,
daar rust mijn ziel van smart.
2
Veilig in Jezus' armen,
zal ik, van zorg bevrijd,
vrij van de zondebanden,
rusten na moeite en strijd.
Daar zal ik nimmer vrezen,
twijfel heeft daar geen macht;
nog slechts een weinig lijden,
nog slechts een korte nacht!
refrein
Veilig in Jezus' armen,
veilig in Jezus' hart,
daar in zijn teer erbarmen,
daar rust mijn ziel van smart.
3
Jezus, mijn Kracht, mijn Toevlucht,
tot in de dood getrouw;
dat ik, o Rots der eeuwen,
op U mijn hope bouw.
Leer mij geduldig wachten
tot eens aan gindse kust
voor mij het uur zal dagen
van de beloofde rust.
refrein
Veilig in Jezus' armen,
veilig in Jezus' hart,
daar in zijn teer erbarmen,
daar rust mijn ziel van smart.
---
*274
#4
1
(a)
Als ik maar weet,
dat hier mijn weg
door U Heer, wordt bereid,
en dat die weg,
hoe moeilijk ook,
mij nader tot U leidt.
(a) refrein
Nader tot U, nader tot U,
nader, mijn Heiland, tot U;
als ik maar weet,
dat alles hier
mij nader brengt tot U.
2
(v)
Als ik maar weet,
dat ook voor mij
de Heer aan 't
kruishout stierf
en dat de Heiland
ook voor mij
een levenskroon verwierf.
(a) refrein
Nader tot U, nader tot U,
nader, mijn Heiland, tot U;
als ik maar weet,
dat alles hier
mij nader brengt tot U.
3
(m)
Als ik maar weet,
uw liefde o Heer,
vertroost mij dag aan dag;
dan juich ik voort,
wat ook mijn lot
op aarde wezen mag.
(a) refrein
Nader tot U, nader tot U,
nader, mijn Heiland, tot U;
als ik maar weet,
dat alles hier
mij nader brengt tot U.
4
(a)
Als ik maar weet,
ook als op aard'
mij droefheid wacht of kruis,
dat ieder kruis
mij nader brengt
bij 't eeuwig Vaderhuis
(a) refrein
Nader tot U, nader tot U,
nader, mijn Heiland, tot U;
als ik maar weet,
dat alles hier
mij nader brengt tot U.
---
*275
#3
1
Op bergen en in dalen
en overal is God;
waar ik ook heen zou dwalen,
ja overal is God;
waar mijn gedachten zweven
of stijgen, daar is God;
omlaag en hoog verheven:
Ja, overal is God!
2
Zijn trouwe Vaderogen
zien alles van nabij;
wie steunt op zijn vermogen,
beschermt en zegent Hij.
Hij hoort de jonge raven,
bekleedt met gras het dal;
Hij geeft alom zijn gaven,
Hij draagt het groot heelal.
3
Verlaten mij ook allen,
die bij mij blijft, is God!
En ook als ik zou vallen,
of lijd: dichtbij is God!
Waar trouwe vriendenhanden
niet redden, daar is God!
In dood en doodse banden,
ja overal is God!
---
*276
#1
1
Heer, wees mijn Gids
op heel mijn levenspad.
Wees Gij mijn Gids.
Wijs mij de weg naar
Sions gouden stad.
Wees Gij mijn Gids.
Blijf dicht bij mij,
ga stap voor stap mij voor,
dan ben 'k gerust
en veilig volg 'k uw spoor.