---
Gezangen voor de liturgie
Liederen 1 - 371
Liederen 401 - 573
---
*1
#1
1
Refrein:
Gelukkig de man die voorgoed
op de Heer zijn vertrouwen gegrond heeft.
Gelukkig de man die niet treedt
in het overleg van de bozen,
op de weg van de schenders geen voet zet,
niet zit in de kring van de spotters;
die veeleer in de wet van de Heer zich vermeit,
zijn wet overpeinst dag en nacht.
Als een boom is hij, wortelend waar water stroomt,
die vrucht draagt in het seizoen;
zijn gebladerte zal niet verdorren.
Tot ontplooiing komt al wat hij doet.
Hoe anders de bozen! Zij zijn
als het kaf: de wind blaast het weg.
Zie, geen boze bestaat het gericht,
geen schender de raad der rechtvaardigen.
Want de Heer kent de weg der rechtvaardigen,
doch het pad van de bozen breekt af.
Eer zij de heerlijkheid Gods:
Vader, Zoon en Heilige Geest.
Zo was het in den beginne,
zo zij het thans en voor immer,
tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*4
#5
1
Refrein:
Als ik U aanroep
geef mij toch antwoord.
Gij zijt mijn waarheid,
Gij die mij ruimte geeft.
Wees mij genadig. Refrein
2
Mensen hoe lang nog
lopen wij leugens na,
vinden wij niets. Refrein
3
Menigeen vraagt:
wie maakt ons gelukkig -
geef mij toch antwoord.
4
U hebt toch ogen.
Met het licht van uw ogen
zegen mij.
5
Geef mij ruimte.
Doe mij wonen in U alleen.
---
*8
#7
1
Versie I:
Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam
allerwegen op aarde.
2
Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam
allerwegen op aarde.
3
Gij die uw majesteit toont aan de hemel,
Gij opent de mond van weerloze kinderen.
4
Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd,
5
wat is dan de mens dat Gij aan Hem denkt,
de zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat.
6
Toch hebt gij hem bijna een god gemaakt
en hem met glorie en luister gekroond.
7
Gij doet hem het werk van uw handen beheren
en alles hebt Gij aan zijn voeten neergelegd.
Versie II:
1
Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam
allerwegen op aarde.
2
Gij die uw majesteit toont aan de hemel,
Gij opent de mond van weerloze kinderen,
en dan klinkt een lied dat uw vijand beschaamt
en brengt Gij uw tegenstanders tot zwijgen.
3
Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam
allerwegen op aarde.
4
Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd,
wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt,
de Zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat.
5
Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam
allerwegen op aarde.
6
Toch hebt Gij hem bijna een god gemaakt
en hem met glorie en luister gekroond.
Gij doet hem het werk van uw handen beheren
en alles hebt Gij aan zijn voeten neergelegd.
7
Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam
allerwegen op aarde.
8
schapen en runderen, alles en alles,
en ook de dieren in het vrije veld
de vogels van de hemel, de vissen van de zee
al wat er wandelt op de paden van het water.
9
Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam
allerwegen op aarde.
---
*13
#4
1
Refrein:
Zelf kan ik slechts op uw genade vertrouwen
tot mijn hart de vreugde hervindt om uw heil.
Hoe lang, Heer, zult gij mij blijven vergeten,
hoe lang nog verbergen uw aanschijn voor mij? Refrein.
2
Zie mij, geef mij uw antwoord,
Heer, gij zijt toch mijn God. Refrein.
3
Wil gij verlichten mijn ogen,
dat ik niet inslaap ten dode. Refrein.
4
Eer zij de heerlijkheid Gods:
Vader, Zoon en heilige Geest. Refrein.
---
*16
#4
1
Versie I:
Antifoon:
God bewaar mij
als ik mijn toevlucht
bij U zoek.
Refrein:
'Die ik mijn Heer noem
staat mij voor ogen,
ik wankel niet,
zijn hand houdt mij vast.'
Voorzang:
Ik zeg tot de Heer:
Gij bent mijn Heer.
Gij gaat mij te boven,
ik kan er niet bij
maar kies voor degenen
die hier op aarde
zijn zoals Gij.
Refrein
2
Niets wil ik weten
van hen die betalen
met bloed en offer
aan hun idool.
U zal ik erven,
U mag ik drinken,
Gij zijt mijn lot,
vruchtbare grond.
Antifoon
Refrein
3
U zal ik loven,
Gij die mij raad schaft,
stem in mijn binnenste,
licht in mijn nacht.
Ik kom tot mijzelf
en zonder angst
leg ik mij neer:
Gij laat niet toe
dat ik val in het niets.
4
Gij zult mij leren
te overleven.
Onder uw ogen
leef ik op.
Koesteren zult Gij
mij in uw hand.
Versie II:
Refrein 1:
O Heer, Gij mijn erve, mijn beker,
Gij handhaaft mijn erfgoed voor mij.
Refrein 2:
Leer ons, o Heer, wat de weg is ten leven.
Refrein 3:
Halleluja, halleluja.
1
Hoed mij, God, bij u zoek ik toevlucht;
tot de Heer spreek ik: "Gij zijt mijn Heer,
O Heer, Gij mijn erve, mijn beker,
Gij handhaaft mijn erfgoed voor mij. Refrein.
2
Ik zegen de Heer om zijn leiding:
zelfs des nachts vermaant Hij mijn geweten.
Ik blijf op de Heer zien, bestendig;
staat Hij naast mij, ik kom niet ten val. Refrein.
3
Wel mag mijn hart zich verheugen,
wel mag mijn geest zich verblijden:
mij komt het niet te na - ik ben veilig.
Want gij geeft mij niet prijs aan de dood,
geen graf geeft gij uw vrome voor ogen. Refrein.
4
Gij leert mij wat de weg is ten leven,
de volheid der vreugde waar gij zijt:
heerlijkheid, in uw schutse, voor immer. Refrein.
5
Eer zij de heerlijkheid Gods:
Vader, Zoon en heilige Geest.
Zo was het in den beginne,
zo is het thans en voor immer,
tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*17
#5
1
Refrein 1:
Laat mij, zo ik leef naar uw wil,
uw aanschijn mogen aanschouwen.
Refrein 2:
Ik roep U: Gij, God, weet het antwoord;
luister naar mij, verhoor wat ik vraag.
Hoor, o Heer, naar wat staat in de waarheid,
luister gij naar mijn bittere klacht;
wees ontvankelijk voor mijn gebed:
het komt van een mond zonder leugen. Refrein.
2
Laat van U mijn beoordeling uitgaan,
uw oog ziet wat onkreukbaarheid is.
Die mijn hart toetst, het peilt in de nacht,
mij hebt uitgezuiverd met vuur. Refrein.
3
Mijn treden hielden uw spoor,
mijn schreden wankelden niet.
Ik roep u: Gij, God, weet het antwoord;
luister naar mij, verhoor wat ik vraag. Refrein.
4
Toon de wonderen van uw genade;
gij redt immers wie tot u vluchten,
van hun aanvallers vrij door uw hand!
Bewaar als uw oogappel mij,
verberg mij, door uw vleugelen beschaduwd.
Refrein:
Laat mij, zo ik leef naar uw wil,
uw aanschijn mogen aanschouwen.
5
Laat mij, zo ik leef naar uw wil,
uw aanschijn mogen aanschouwen,
aan uw beeltenis mij mogen laven
wanneer ik ontwaak.
Eer zij de heerlijkheid Gods:
Vader, Zoon en heilige Geest.
Zo was het in den beginne,
zo is het thans en voor immer,
tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*19
#3
1
Versie I:
Refrein:
Hemelen, dauwt uit den hoge,
wolken, laat stromen het heil.
De hemel verkondigt de majesteit Gods,
het zwerk meldt het werk zijner handen. Refrein.
2
Hij verschijnt als een bruidegom
die zijn bruidsvertrek uitkomt getreden.
Refrein.
3
Eer zij de heerlijkheid Gods:
Vader, Zoon en heilige Geest.
Refrein.
Versie II:
1
Voorzang: Het woord des Heren is volmaakt, bron van leven,
2
Allen: Gods getuigenis betrouwbaar, onverstand wordt wijs.
3
Voorzang: Helder water is zijn wet, hartverkwikkend.
4
Allen: Zij geboden: recht en reden, licht voor onze ogen.
5
Voorzang: Wat Hij belooft is louter waarheid, enkel vrede.
6
Allen: Wat Hij doet is welgedaan, tot in eeuwigheid.
7
Voorzang: Even kostelijk als honing, nee, nog meer,
8
Allen: kostbaarder dan zuiver goud is het woord des Heren.
---
*22
#7
1
Versie I:
Koor: God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten.
Allen: God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten.
2
voorzang: Mijn God, roep ik overdag en Gij zwijgt,
ik roep het 's nachts en Gij laat mij maar roepen.
3
Onze vaderen hadden vertrouwen in U,
vertrouwen, en Gij zijt hun redding geweest.
4
Zij riepen om U en Gij waart hun uitkomst
en nooit hebt Gij dat vertrouwen beschaamd.
5
Ik ben geen mens meer, ik ben een worm
gehoond door de mensen, veracht door de buurt.
6
Ik ben bespottelijk in aller ogen,
iedereen lacht me hoofdschuddend uit:
7
"hij zocht het bij God, laat die hem dan redden,
laat God hem bevrijden, die houdt toch van hem".
Versie II:
Refrein:
Gij zijt God van de moederschoot af.
1
Hebt Gij mij niet getrokken uit de schoot,
mij niet doen rusten aan de borst van mijn moeder?
Refrein
2
Ik werd bij mijn geboorte in uw handen gelegd,
Gij zijt mijn God van de moederschoot af.
Refrein
3
Eer aan de Vader, de Zoon en de Geest,
nu en alle dagen en tot in eeuwigheid.
Refrein
---
*23
#5
Versie II:
REFR: Mijn herder is de Heer,
het zal mij nooit aan iets ontbreken.
1
Hij brengt mij in een oase van groen,
daar strek ik mij uit aan de rand van het water,
daar is het goed rusten. REFR:
2
Ik kom weer tot leven,
dan trekken wij verder, vertrouwde wegen
Hij voor mij uit, want God is zijn naam.REFR:
3
Al moet ik het duister in van de dood
ik ben niet angstig, U bent toch bij me,
onder uw hoede durf ik het aan.
4
Gij nodigt mij aan uw eigen tafel,
en allen die tegen mij zijn, moeten het aanzien:
dat Gij mij bedient,
dat Gij mij zalft, mijn huid en mijn haren,
dat Gij mijn beker vult tot de rand.REFR:
5
Overal komen geluk en genade
mij tegemoet mijn leven lang,
en altijd kom ik terug in het huis van de Heer,
tot in lengte van dagen. REFR:
Versie III:
Refrein:
Want mij herder is de Heer:
nooit zal er mij iets ontbreken.
1
Mijn herder is de Heer:
het ontbreekt mij aan niets.
Hij legt mij in grazige weiden,
Hij geeft rust aan mijn ziel,
Hij leidt mij naar rustige waat'ren
om mijn ziel te verkwikken.
2
Hij leidt mij in het rechte spoor
omwille van zijn Naam.
Al moet ik door donkere dalen
ik vrees geen kwaad.
Uw staf en uw stok zijn mijn troost,
Gij zijt steeds bij mij.
3
Gij bereidt voor mij een tafel
voor het oog van mijn vijand.
Gij zalft met olie mijn hoofd
en mijn beker vloeit over.
4
Mij volgen uw heil en uw mildheid
al de dagen van mijn leven.
In het huis van mijn Heer wil ik wonen
tot in lengte van dagen.
5
Glorie aan de Vader en de Zoon
en de heilige Geest,
die is en die was en die komt,
in de eeuwen der eeuwen.
Antifoon 2:
In zijn grazige weiden
geeft Hij rust aan mijn ziel.
---
*24
#8
1
Koor:
Van God is de aarde, van Hem deze wereld
en die haar bewonen. Hij heeft haar zelf
op de stromen gebouwd en stevig verankerd.
2
Allen:
Wie mag beklimmen de hoogte van God,
wie gaan en staan in zijn heilige stad?
Mensen met onschuldige handen.
3
Koor:
Mensen met een gelouterd hart,
die niet op schijn hun leven bouwen,
geen leugens smeden tegen een ander.
4
Allen:
Zij vinden heil en zegen bij Hem,
zij zijn het slag dat zoekt naar God,
dat Hem wil zien met eigen ogen.
5
Koor:
Poorten, heft uw hoofden omhoog,
maakt u groter, eeuwige deuren,
hier komt de koning der glorie.
6
Allen:
Wie is de koning der glorie?
Het is de Heer, de machtige sterke,
het is de Heer, de sterke in de strijd.
7
Koor:
Poorten, heft uw hoofden omhoog,
maakt u groter, eeuwige deuren,
hier komt de koning der glorie.
8
Allen:
Wie is Hij, de koning der glorie?
Onze God, de Heer van de machten,
Hij is de koning der glorie.
---
*25
#4
1
Versie I:
Koor: Naar U gaat mijn verlangen, Heer,
Heer, mijn God, ik ben zeker van U.
Allen: Heer, mijn God ik ben zeker van U.
2
Zoudt Gij ooit mij te schande maken,
neen, voor allen die op U wachten
zijt Gij een goede en betrouwbare God.
3
Maak mij, Heer, met uw wegen vertrouwd,
zet mij op het spoor van uw waarheid.
Zend mij uw licht en uw trouw tegemoet.
4
Steeds weer zoeken mijn ogen naar U, hoe
is uw naam, waar zijt Gij te vinden,
eeuwige God, wij willen U zien.
Versie II:
1
Naar U gaat mijn verlangen, Heer.
Naar U gaat mijn verlangen, Heer.
2
Richt mij, Gij zijt de God die mij redt
en op U wacht ik een leven lang.
3
Herinner U, hoe Gij barmhartig zijt geweest,
hoe een en al liefde van meet af aan.
4
Goede en betrouwbare God,
wie afgedwaald is, wijst Hij de weg.
5
Arme en ootmoedige mensen
spoort Hij aan zijn weg te houden.
6
Alle wegen van God zijn liefde en trouw
voor wie bewaren het woord van zijn verbond.
Versie III:
1
K. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
A. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
K. Omdat Gij zijt zoals Gij zijt
zie naar mij om en wees mij genadig
want op U wacht ik een leven lang.
A. Steeds weer zoeken mijn ogen naar u.
K. Zij Gij het Heer, die komen zal
of moeten wij een ander verwachten
Heer, mijn God, ik ben zeker van U.
A. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
K. Geeft Gij uw woord aan deze wereld,
Gij zijt mijn lied, de God van mijn vreugde,
naar U gaat mijn verlangen Heer.
A. Steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
Houd mij in leven wees Gij mijn redding
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
---
*30
#10
1
Koor:
Van U wil ik spreken, God,
Gij hebt mij omhoog getrokken,
de avond komt met droefheid,
met vreugde de nieuwe dag.
2
Allen:
de avond komt met droefheid,
met vreugde de nieuwe dag.
3
Voorzang:
Ik riep tot U: help mij, God -
toen hebt Gij mij genezen;
Gij hebt mij teruggehaald
diep uit de afgrond, ik werd
al bij de doden gerekend,
Gij hebt mij weer levend gemaakt.
4
Allen:
de avond komt met droefheid,
met vreugde de nieuwe dag.
5
Voorzang:
Ik heb U geroepen, God,
U om genade gesmeekt:
Wat hebt U eraan, als ik dood ga
en in het graf word gelegd?
Kan het stof U soms loven,
een dode uw trouw bezingen?
6
Allen:
de avond komt met droefheid,
met vreugde de nieuwe dag.
7
Voorzang
Toen hebt Gij mijn droefheid veranderd
in blijdschap, ik ging in rouw
en Gij hebt mij gekleed in vreugde.
8
Allen:
de avond komt met droefheid,
met vreugde de nieuwe dag.
9
Voorzang
Van U wil ik spreken, God,
en iedereen mag het horen:
Gij hebt mij omhoog getrokken.
10
Allen:
de avond komt met droefheid,
met vreugde de nieuwe dag.
---
*42
#4
1
Refrein:
Zoals een hert reikhalst naar levend water,
zo wil ik, God, met heel mijn wezen naar U toe.
Ik dorst naar God, de levende God.
Allen:
Ik dorst naar God, de levende God.
2
Wanneer sta ik eindelijk oog in oog met mijn God,
Ik heb geen brood dan tranen dag en nacht,
en altijd weer hoor ik ze zeggen:
'Waar blijft nu je God?'
3
God geef mij vandaag en iedere dag
een teken van liefde, dan zal ik voor U
zingen tot diep in de nacht, zo lang ik besta,
een lied voor de God van mijn leven.
4
Maar waarom zo moedeloos, waarom opstandig?
Ik zal wachten op God, en eens zal ik Hem danken:
Gij zijt mijn lijfsbehoud, Gij zijt mijn God.
---
*51
#6
1
Vergeving, Heer, want onze schuld is groot.
2
GeNAde, HEER, want Gij zijt GOED
Uw ontFERming delg' mijn MISdaad UIT.
Was mij REIN van AL mijn SCHULD
en ZUIver MIJ van mijn KWAAD.
3
Want ik BEN me mijn SCHULD beWUST,
Mijn ZONde staat mij STEEDS voor de GEEST.
Tegen U, U alLEEN heb ik misDAAN
En geDAAN wat KWAAD is in Uw OOG.
4
In waarACHtigheid SCHEPT Gij beHAgen;
Spreek Uw WIJSheid in 't DIEPST van mijn HART!
BeSPRENkel mij: IK word REIN.
En WAS mij: 'k word WITter dan SNEEUW.
5
Schep mij GOD, een ZUIver HART:
Wek een NIEUwe standVAStige GEEST.
VerSTOOT mij NIET van Uw geZICHT,
Neem Uw HEIlige GEEST niet van mij WEG.
6
In OFfers SCHEPT Gij geen VREUGD
En BRANDoffers WENST Gij NIET.
Een verSLAgen GEEST is mijn OFfer;
Gij aanVAARDT een verBRIJzeld HART.
---
*65
#6
1
De stilte zingt U toe, o Here,
in uw verheven oord.
Wij zullen ons naar Sion keren
waar Gij ons bidden hoort.
Daar zal men, Heer, tot u zich wenden,
tot U komt al wat leeft,
tot U, o redder uit ellende,
die alle schuld vergeeft.
2
Zalig wie door U uitverkoren
mag wonen in uw hof,
hoezeer hij door zijn schuld verloren
terneerlag in het stof.
Wij worden door U begenadigd
die heilig zijt en goed.
Gij die ons in uw huis verzadigt
met alle overvloed.
3
Gij antwoordt met geduchte daden,
Gij treedt voor ons in 't krijt.
God van ons heil, Gij gaat te rade
met uw gerechtigheid.
O Gij vertrouwen aller landen
die ver gelegen zijn,
Gij houdt het oordeel in uw handen,
de aard' is uw domein.
4
Gij plant de bergen vast in d' aarde,
omgord met heldenmoed.
Gij, die de heidentrots bedaarde,
stilt ook de watervloed.
De volkeren van verre vrezen
de tekens van uw macht,
U prijzend komt het licht gerezen,
het juicht tot in de nacht.
5
Gij komt het dorre land doorschrijden
met water uit uw beek
en tot een rijke oogst bereiden,
uw voetstap maakt het week.
Gij druipt uw zegen in de voren,
Gij roept het kiemend graan;
zo wordt het brood voor ons geboren
waar Gij zijt voorgegaan.
6
Gij kroont het jaar van uw genade.
Waar Gij getreden zijt
tooit de woestijn zich met een wade,
de heuvels zijn verblijd.
De weidegrond is wit van schapen,
het dal van koren blond.
Dit is het land door U geschapen,
uw lof schalt in het rond.
---
*67
#4
1
Antifoon:
Heel de aarde jubelt en juicht voor de Heer,
alleluia, alleluia!
Ja, heel de aarde moet god wel prijzen,
loven zijn machtig beleid,
omdat Hij steeds op wondere wijze
alles bestuurt in gerechtigheid. Antifoon
2
Ja, God is goed, schenkt ons zijn zegen;
toont ons zijn aanschijn van licht,
Hij gaat ons voor op alle wegen,
heeft uit de zonde ons opgericht. Antifoon
3
Hij is de God, die ons verblijdde,
die onze nood heeft verstaan;
die ons een hemels Paasmaal bereidde
en zonder vrees door de wereld laat gaan. Antifoon
4
Laat alle volken uw almacht vrezen,
aller lof zij U gewijd,
laat Heer, uw Naam bezongen wezen,
in aller eeuwen eeuwigheid. Antifoon
---
*72
#7
1
Versie I:
Geef, Heer, de koning uwe rechten
en uw gerechtigheid
aan 's konings zoon, om uwe knechten
te richten met beleid.
Dan ruist op alle bergen vrede,
heil op der heuvlen top.
Hij zal geweldenaars vertreden,
maar armen richt hij op.
2
Zolang de zon des daags zal rijzen,
de maan schrijdt door de nacht,
moet al het volk hem eer bewijzen,
hem loven elk geslacht.
Hij moge mild zijn als de regen,
het land tot lafenis.
Vrede zal bloeien aller wegen,
totdat geen maan meer is.
3
Heerse van zee tot zee zijn vrede,
van land tot land zijn lof,
de volken zullen tot hem treden,
zijn vijand likt het stof.
Tarsis en Scheba's verre stranden,
brengt hem uw overvloed.
Gij koningen van alle landen,
valt deze heer te voet.
4
Hij zal de redder zijn der armen,
hij hoort hun hulpgeschrei.
Hij is met koninklijk erbarmen
hun eenzaamheid nabij.
Hij helpt, met hun bestaan bewogen,
die zijn in vrees verward.
Hun bloed is kostbaar in zijn ogen.
Hij draagt hen in zijn hart.
5
Leve de koning in ons midden,
geef hem Arabisch goud.
Laten wij daaglijks voor hem bidden,
nu hij de scepter houdt.
Het veld zal blinken van het koren.
Men zal het als een woud
zelfs op de bergen ruisen horen,
het ganse land is goud.
6
Bloeie zijn naam in alle streken,
zolang de zon verrijst.
Zijn koningschap zij ons een teken
dat naar Gods toekomst wijst.
Dat opgetogen allerwegen
de volken komen saam,
elkander groetend met de zegen
van zijn doorluchte naam.
7
Laat ons de grote naam bezingen
van Hem die Isrel leidt,
want Hij alleen doet grote dingen,
zijn roem vervull' de tijd.
Looft God de Heer, Hij openbaarde
zijn wonderen, zijn eer.
Zijn heerlijkheid vervult de aarde.
Ja, amen, looft de Heer.
Versie II:
1
Voor kleine mensen is hij bereikbaar,
Hij geeft hoop aan rechtelozen,
hun bloed is kostbaar in zijn ogen,
Hij koopt hen vrij uit het slavenhuis.
2
Hij zal opkomen voor de misdeelden,
Hij zal de machten die ons dwingen
breken en binden, hij zal leven,
onvergankelijk, als de zon. (refrein)
3
Zoals de dauw die de aarde drenkt,
zo zal hij komen en in die dagen
zullen trouw en waarachtigheid bloeien,
zal er vrede in overvloed zijn. (geen refrein)
4
Dan dragen de bergen schoven van vrede
en de heuvels een oogst van gerechtigheid,
een vloed van koren, golvende velden,
een stad rijst op uit een zee van groen.(refrein)
5
Zijn naam is tot in eeuwigheid,
zolang de zon staat aan de hemel.
Zijn naam gaat rond over de aarde,
een woord van vrede, van mens tot mens. (refrein)
---
*90
#3
1
Refrein a:
Gij doet de mens tot stof vergaan.
Refrein B:
Gij zegt: Voorbij, ach mensenkinderen van Adam.
Gij zijt voor ons van geslacht op geslacht,
o Heer, een veilige woonplaats geweest.
Sinds mensenheugenis zijt Gij God. Refrein B.
2
In uw ogen zijn duizend jaren
als de dag van gisteren, weg.
Gij vaagt ons uit als een droom in de morgen.
Refrein A en B.
3
Een mensenleven duurt zeventig jaar
of, als wij sterk zijn, tachtig.
Het meeste daarvan is moeite en verdriet,
en opeens is het uit en vliegen wij heen.
Refrein B, A en B.
---
*91
#10
1
Koor:
Wie woont onder de hoede van de allerhoogste God.
Wie overnacht in de schaduw van God almachtig,
hij zegt tot de Heer: mijn toevlucht zijt Gij,
mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.
2
Koor en allen:
Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.
3
Koor:
Hij zal u dekken, met zijn vleugels,
onder zijn wieken vindt Gij uw veiligheid.
4
Koor en allen:
Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.
5
Koor:
Bij nacht en ontij zult gij niet bang zijn,
en vrees overdag geen aanval in de rug.
6
Koor en allen:
Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.
7
Koor:
Klamp je maar vast aan Hem, Hij zal ons redden.
Wij zullen leven tot in lengte van dagen.
8
Koor en allen:
Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.
9
Koor:
Wie woont onder de hoede van de allerhoogste God.
hij zegt tot de Heer: mijn toevlucht zijt Gij,
10
Koor en allen:
Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.
---
*93
#10
1
Koor:
Koning is onze God,
zijn kleed is majesteit,
kracht heeft Hij aangetrokken.
2
Allen:
Kracht heeft Hij aangetrokken.
3
Koor:
Onwankelbaar is de aarde,
onwankelbaar vast staat uw troon.
Gij zijt van eeuwigheid.
4
Allen:
Gij zijt van eeuwigheid.
5
Koor:
De zeeen verheffen, o Heer,
de zeeen verheffen hun stem,
hun vloed van beukende golven.
6
Allen:
Hun vloed van beukende golven.
7
Koor:
Machtiger dan de stem van dat water,
machtiger dan de branding van de zee,
zijt Gij, de God van de hemel.
8
Allen:
Zijt Gij, de God van de hemel.
9
Koor:
Uw woord is onfeilbaar en trouw,
geheiligd worde uw huis,
Heer God, tot in lengte van dagen.
10
Allen:
Heer God, tot in lengte van dagen.
---
*97
#4
1
Refrein 1:
God is Hij alleen
vuur gaat voor Hem uit
weerlicht over de aarde.
De aarde heeft het gezien.
De aarde kronkelde en steunde
als een barende vrouw.
Refrein 1
2
Bergen smelten als was,
doden leven, goden
vluchten waar Hij verschijnt.
3
Dood valt op een mens
die voor beelden buigt.
God is Hij alleen.
Refrein 2:
God is Hij alleen
vuur gaat voor Hem uit,
nieuw licht over de aarde.
4
Al wie onrecht haat
is door Hem gekend:
Hij bewaart uw hart.
Refrein 2
---
*100
#5
1
Antifoon 1:
Treedt aan! Zegent den Heer!
Dankt Hem met liederen van vreugde!
Antifoon 2:
Glorie aan God, onzen Heer!
Alleluja.
JUICHT den HEER, heel de AARde,
DIENT den HEER in VREUGde,
treedt JUIchend VOOR zijn AANschijn.
2
BeDENKT: de HEER alleen is GOD:
Hij MAAKte ons, wij HOren Hem TOE,
zijn VOLK, de KUDde die Hij WEIDT.
3
Treedt JUIchend zijn POORten BINnen,
zijn VOORhof met een FEEStelijk LIED,
beLIJDT Hem en ZEgent zijn NAAM.
4
JA, de HEER is GOED.
Ja, EEUwig DUURT zijn geNAde:
Van geSLACHT op geSLACHT zijn TROUW.
5
GLOrie aan den VAder alMACHtig,
aan zijn ZOON Jezus CHRIStus, den HEER,
aan den GEEST, die WOONT in ons HART.
---
*103
#7
1
Versie I:
Koor:
Onze hulp is de naam van de Heer,
die hemel en aarde gemaakt heeft,
Hij is voor ons een barmhartige Vader
en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.
2
Allen:
Onze hulp is de naam van de Heer,
en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.
3
Voorzang:
Hij roept mijn leven weg uit het graf,
Hij maakt mijn dagen vol van geluk
en als een arend herleeft mijn jeugd.
4
Deze God beschuldigt ons niet en
nooit zal Hij kwaad met kwaad vergelden,
groter dan onze zonden is Hij.
5
Zoals een man voor zijn zonen barmhartig is,
zo is Hij voor ons een barmhartige Vader.
Hij kent ons toch, Hij heeft ons gemaakt.
6
Koor:
Onze hulp is de naam van de Heer,
en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.
7
Allen:
Onze hulp is de naam van de Heer,
en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.
Versie II:
1
K. Barmhartige Heer, genadige God,
A. REFR: Barmhartige Heer, genadige God.
2
Ja wat de hemel is voor de aarde,
dat is zijn liefde voor hen die geloven.
REFR
3
Zover als het oosten van het westen vandaan is,
zover van ons af werpt Hij al onze zonden.
REFR:
4
Hij kent ons toch.
Hij is niet vergeten dat wij gemaakt zijn uit
het stof van de aarde.
REFR:
5
Mensen, hun dagen zijn als het gras,
zij bloeien als bloemen in het open veld.
Dan waait de wind en zij zijn verdwenen.
REFR:
6
Maar duren zal de liefde van God
voor allen die zijn verbond bewaren,
zijn woord behartigen en het volbrengen.
REFR:
Versie III
1
Koor: Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden, eeuwige God,
wij willen U zien. Geef ons vandaag een teken van liefde.
2
Allen: Eeuwige God, wij willen U zien. Geef ons vandaag een
teken van liefde.
3
Koor: Want wat de hemel is voor de aarde, dat is uw liefde
voor hen die geloven.
4
Allen: Geef ons een teken van liefde.
5
Koor: Gij, de vergeving van alle zonden, recht en
gerechtigheid voor deze wereld.
6
Allen: Gij, de vergeving van alle zonden, geef ons vandaag een
teken van liefde.
7
Koor: Gij ken ons toch, Gij zult niet vergeten, dat wij uw
mensen zijn, Gij, onze God.
8
Allen: Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden, eeuwige God,
wij willen U zien. Geef ons vandaag een teken van liefde.
---
*104
#12
1
Koor:
Zegen ons met het licht van uw ogen,
Heer onze God.
2
Allen:
Zegen ons met het licht van uw ogen.
3
Koor:
Mijn Heer en mijn God, Gij zijt groot en geweldig,
bekleed met luister en majesteit.
4
Allen:
Zegen ons met het licht van uw ogen.
5
Koor:
Gij hebt de aarde vast gegrond
en tot in eeuwigheid wankelt zij niet.
6
Allen:
Zegen ons met het licht van uw ogen.
7
Koor:
Gij zijt de schepper van maan en tijd,
van zon en van zonsondergang.
8
Allen:
Zegen ons met het licht van uw ogen.
9
Koor:
Uit zoveel dingen spreekt uw wijsheid,
uw scheppingskracht vervult onze aarde.
10
Allen:
Zegen ons met het licht van uw ogen.
11
Koor:
Alles wacht op U vol hoop,
alle levenden vragen U om voedsel,
Heer, onze God.
12
Allen:
Zegen ons met het licht van uw ogen,
Heer, onze God.
---
*117
#1
1
Looft, alle volken, looft den Heer,
roemt, alle naties, roemt zijn eer.
Want over ons is groot en wijd
zijn gunst en goedertierenheid,
voor eeuwig blijft zijn trouw bestaan.
Heft met ons Halleluja aan!
---
*118
#5
1
Versie II:
Laat ieder 's Heren goedheid prijzen,
zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Laat, Israel, uw lofzang rijzen:
zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Dit zij het lied der priesterkoren:
zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Gij die den Heer vreest, laat het horen:
zijn liefde duurt in eeuwigheid.
2
De Heer is mij tot hulp en sterkte,
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.
Hij is het, die mijn heil bewerkte.
Ik loof den Heer mijn leven lang.
Hoort in hun kamp Gods knechten zingen
nu Hij de zege heeft gebracht:
Gods rechterhand doet grote dingen,
Gods rechterhand heeft grote kracht!
3
Des Heren hand is hoog verheven,
des Heren rechterhand is sterk.
Ik zal niet sterven, ik zal leven
en zingen van des Heren werk.
De Heer heeft mij wel zwaar geslagen,
maar niet verlaten in mijn nood,
en zijn genadig welbehagen
gaf mij niet over aan de dood.
4
Dit is de dag, die God deed rijzen,
juicht nu met ons en weest verblijd.
0 God, geef thans uw gunstbewijzen,
geef thans het heil door ons verbeid.
Gezegend zij de grote koning
die tot ons komt in 's Heren Naam.
Wij zeeg'nen u uit 's Heren woning,
wij zegenen u altezaam.
5
De Heer is God, zijn gunst verheugde
ons oog en hart met vrolijk licht.
Nu wordt het offer onzer vreugde
op zijn altaren aangericht.
Gij zijt mijn God, U zal ik prijzen
0 God, U roemen, wijd en zijd.
Laat aller lof ten hemel rijzen:
Gods liefde duurt in eeuwigheid.
Versie III:
1
K:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
mijn God, U in de hoogte steken.
Ik spreek U uit, ik noem uw Naam,
zowaar als ik leef.
2
A:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
zowaar als ik leef.
3
K:
Ik was gevangen en riep: God.
En Hij heeft mij geantwoord.
Hij heeft mij de ruimte gegeven,
Hij komt voor mij op als een vriend.
4
A:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
zowaar als ik leef.
5
K:
Beter te schuilen bij God
dan te vertrouwen op mensen.
Beter te schuilen bij God
dan te vertrouwen op macht.
6
A:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
zowaar als ik leef.
7
K:
Ik was geslagen, maar God
heeft mij overeind geholpen.
Ik zal niet sterven, ik zal
leven, Hij tilt mij op.
8
K:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
mijn God, U in de hoogte steken.
Ik spreek U uit, ik noem uw Naam,
zowaar als ik leef.
9
A:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
zowaar als ik leef.
---
*119
#3
1
Versie II:
Een smekeling, zo kom ik tot uw troon:
Leg met uw Woord beslag op mijn gedachten.
Opdat ik in het licht der waarheid woon.
Laat niet vergeefs mij op uw bijstand wachten.
Leer mij uw wet, die goed is, waar en schoon,
Dan loof ik U bij dagen en bij nachten.
2
Al uw geboden zijn gerechtigheid,
Ik prijs uw Woord met juichende gezangen.
Uw rechterhand geleide mij altijd;
Naar uw geboden richt ik al mijn gangen.
Het is uw wet, waarin ik mij verblijd,
Het is uw heil, waarnaar ik blijf verlangen.
3
Geef leven aan mijn ziel, wees Gij mijn lied,
Geef dat ik eeuwig U mag toebehoren.
Onthoudt mij uw getuigenissen niet.
Ik was een schaap, en had de weg verloren.
Zoek, Heer, uw knecht. Ik hoor wat Gij gebiedt.
Gij hebt mij immers tot uw dienst verkoren.
---
*121
#8
1
Versie II:
Koor:
Ik sla mijn ogen op naar de bergen:
Zou iemand mij komen helpen?
2
Allen:
Ja, mijn God komt mij helpen,
de schepper van hemel en aarde.
3
Hij zal niet toelaten dat je struikelt,
Hij zal niet slapen, Hij waakt over jou,
4
Nee, slapen en sluimeren zal Hij niet,
Hij waakt over heel zijn volk.
5
Onze God houdt de wacht
als een schaduw over je heen,
6
Overdag zal de zon je niet steken
en 's nachts zal de maan je geen kwaad doen.
7
Hij houdt alle kwaad van je af,
Hij neemt je onder zijn hoede,
8
en waar je ook gaat of staat,
God zal je behouden voor eeuwig.
---
*126
#6
1
K. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,
dat zal een droom zijn.
Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,
dat zal een droom zijn.
2
A. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,
dat zal een droom zijn.
Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,
dat zal een droom zijn.
3
K. Wij zullen zingen, lachen, gelukkig zijn.
Dan zegt de wereld: Hun God doet wonderen,
Ja Hij doet wonderen,
God in ons midden, Gij onze vreugde.
4
A. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,
dat zal een droom zijn.(2x).
5
K. Breng ons dan thuis, keer ons tot leven
zoals rivieren in de woestijn die,
als de regen valt, opnieuw gaan stromen.
Wie zaait in droefheid zal oogsten in vreugde.
Een mens gaat zijn weg en zaait onder tranen.
Zingende keert Hij terug met zijn schoven.
6
A. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,
dat zal een droom zijn.(2x).
---
*130
#6
1
Ik roep uit de diepten tot U, Heer
Want bij U Heer is erbarming.
2
Uit de diepten, o Her, roep ik tot U,
Heer, hoor naar mijn stem.
Laat uw oor aandachtig luisteren.
Naar de stem van mijn smeken.
3
Als Gij zonden gedenkt, o Heer
Heer, wie zal het bestaan?
Maar bij U is vergeving.
Opdat in vreze Gij gediend wordt.
4
In vertrouwen verwacht ik den Heer,
Ik vertrouw op zijn woord.
Mijn ziel ziet uit naar den Her
Meer dan wachters naar de morgen.
5
Want bij de Heer is erbarming.
En de weelde der verlossing.
En Hij zal Israel verlossen.
Van al zijne zonden.
6
Glorie aan den Vader en den Zoon
en den Heiligen Geest.
Die is en was en die komt.
In de eeuwen der eeuwen.
---
*139
#13
1
Voorzang: Mijn God, Gij peilt mijn hart en Gij kent mij.
Allen: Mijn God, Gij peilt mijn hart en Gij kent mij.
2
Voorzang: In mij is niets voor Uw ogen verborgen
en wat ik ook doe, Gij zijt er mee vertrouwd.
3
Allen: Gij zijt er mee vertrouwd.
4
Voorzang: Hoe zou ik ooit ontkomen aan uw Geest©
en waar heen zou ik vluchten, Gij ziet mij overal.
5
Allen: Gij ziet mij overal.
6
Voorzang: Beklim ik de hemel, Gij zijt in de hemel,
daal ik af in de aarde, daar vind ik U ook.
7
Allen: Daar vind ik U ook.
8
Voorzang: En vlieg ik me met het morgenrood
tot aan het uiterste strand van de zee,
ook daar zal Uw hand mij verder helpen.
9
Allen: Ook daar zal Uw hand mij verder helpen.
10
Voorzang: Hoe moeilijk zijn Uw gedachten voor mij.
Mijn God, wat een machtig geheel.
11
Allen: Mijn God, wat een machtig geheel.
12
Voorzang: Ga ik ze tellen, ze zijn zo talrijk
als het zand aan de zee, en dan nog
dan weet ik altijd nog niets van U.
13
Allen: Dan weet ik altijd nog niets van U.
---
*150
#2
1
Versie I:
Looft God, looft Hem overal.
Looft de Koning van 't heelal
om zijn wonderbare macht,
om de heerlijkheid en kracht
van zijn naam en eeuwig wezen.
Looft de daden, groot en goed,
die Hij triomferend doet.
Hem zij eer, Hij zij geprezen.
2
Hef, bazuin, uw gouden stem,
harp en fluit, verheerlijkt Hem!
Cither, cimbel, tamboerijn,
laat uw maat de maatslag zijn
van Gods ongemeten wezen,
opdat zinge al wat leeft,
juiche al wat adem heeft
tot Gods eer. Hij zij geprezen.
Versie III:
1
Looft God in zijn heiligdom.
2
Alleluia, alleluia, alleluia!
3
Looft God in Zijn heiligdom,
looft Hem heel Zijn hemel om.
Looft Hem om Zijn grote macht,
looft Hem naar Zijn grote kracht.
Alleluia, alleluia, alleluia!
4
Looft Hem met bazuingeschal,
looft de Heer van het heelal.
Looft Hem, laat de harpen slaan.
Looft Hem, grijpt de citers aan.
Alleluia, alleluia, alleluia!
5
Looft Hem dansend, groot en klein
looft Hem rinkend met de tamboerijn.
Looft Hem fluitend met de fluit,
looft Hem op cymbaal en luit.
Alleluia, alleluia, alleluia!
6
Spant uw snaren Hem ter eer.
Alleluia, looft de Heer.
Looft Hem zingend al wat leeft,
looft Hem al wat adem heeft.
Alleluia, alleluia, alleluia!
---
*151
#5
1
Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag;
het komt aan de dag.
Zijn hand is verheven, zijn hand die bevrijd,
zijn hand die zijn volk heeft geleid.
De God onzer vaadren wordt heerlijk bekend.
Wij prijzen zijn naam in zijn heilige tent.
Hij heeft ons verlost en Hij ging met ons mee
en wie ons vervolgden wierp Hij in de zee
met vliegende vaandels en blinkende zwaarden,
met wagens en paarden.
2
De Heer is een krijgsman, Hij trekt voor ons uit
en machtig verluidt
de roemrijke klank van zijn naam over ons:
de Here, de God des verbonds!
Hij heeft ons bevrijd, uit het diensthuis vandaan,
Hij heeft ons geleid op een veilige baan.
De wateren weken en stonden gedwee,
de vijand verzonk als een steen in de zee
met vliegende vaandels en blinkende zwaarden,
met wagens en paarden.
3
Wie is er, o Here ter wereld als Gij?
Wie komt U nabij
in heilige luister, in reddende macht
die wonderen tot stand heeft gebracht?
Wij moeten U loven met hart en met mond,
want Gij zult ons brengen naar heilige grond.
Uw liefde bereidt ons een veilig gebied.
Uw dreigende vinger verwijst naar het niet
de vliegende vaandels en blinkende zwaarden,
de wagens en paarden.
4
De volken der aarde gaan eindlijk verstaan
wat Gij hebt gedaan.
Hun leiders die bouwen op list en geweld
verstommen en zwijgen ontsteld.
Totdat Gij uw volk dat Gij zelve formeert,
totdat Gij het volk dat tot U zich bekeert
het land van belofte hebt binnengebracht,
vergaan door het diepe geheim van de macht
de vliegende vaandels en blinkende zwaarden,
de wagens en paarden.
5
Ik zing voor de Heer. Hij is koning voor goed
en dwars door de vloed
geleidt Hij de zijnen. Zijn goddelijk spoor
gaat zelfs in de zee niet teloor:
de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt,
het water en bloed dat de zonden uitdelgt.
Zo gaat het van doodszee naar levensjordaan,
en zingende moeten het water in gaan
met slaafse ellende en vorstlijke waarde
de mensen der aarde.
---
*153
#14
1
Voorzang:
Geprezen zijt Gij, Heer, de God van onze vaderen,
Refrein:
Lofwaardig en roemrijk voor eeuwig.
2
En geprezen moet worden uw glorierijke Naam,
die heilig is. Refrein.
3
Geprezen zijt Gij in het heiligdom van uw heerlijkheid.
Refrein.
4
Geprezen zijt Gij, gezeten op de heilige troon van uw rijk.
Refrein.
5
Geprezen zijt Gij om de macht van uw Godheid.
Refrein.
6
Geprezen zijt Gij die tronend op cherubs
de diepten doorschouwt. Refrein.
7
Geprezen zijt Gij die wandelt op de wieken van de wind
en op de golven van de zee.
Refrein.
8
Dat al uw engelen en heiligen U prijzen.
9
Allen:
dat zij U loven en verheerlijken in eeuwigheid.
10
Voorzang:
Dat hemel en aarde en zee U prijzen,
en al wat zij bevatten.
11
Allen:
dat zij U loven en verheerlijken in eeuwigheid.
12
Eer aan God de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Refrein.
13
Zoals het was in het begin en nu en altijd,
en in de eeuwen der eeuwen. Amen. Refrein.
14
Geprezen zijt Gij, Heer, de God van onze vaderen.
Refrein.
---
*154
#12
1
Antifoon:
Iedere tijd opnieuw gaat zijn genade naar allen
die eerbiedig met Hem leven, want geweldig is mijn God.
2
Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God en Redder.
3
Want Hij had oog voor mij, zijn dienares,
maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.
4
Nu mag ik mij voortaan gelukkig prijzen,
dat Hij zo grote dingen aan mij deed.
5
En alle eeuwen stemmen met mij in,
de Heer is machtig en zijn Naam is heilig.
6
Iedere tijd opnieuw gaat zijn genade
naar allen die eerbiedig met Hem leven.
7
Genade is zijn kracht, maar alle hoogmoed,
al onze eigenwaan ontmaskert Hij.
8
Alle machthebbers stoot Hij van hun tronen,
arme en kleine mensen maakt Hij groot.
9
Wie honger hebben geeft Hij overvloed,
de rijken stuurt Hij heen met lege handen.
10
Altijd is Hij zijn woord nog getrouw gebleven,
aan Abraham en aan zijn volk voorgoed.
11
Zo had Hij het beloofd aan onze Vaderen,
aan Abraham en aan zijn volk voorgoed.
12
Eer aan de Vader, aan de Zoon en aan de Geest,
nu en altijd, door al de eeuwen. Amen!
---
*155
#4
1
Refrein:
Mijn vreugde zing ik uit: God is mijn Redder.
Van deze dag af zullen eeuw na eeuw
de mensen mij gelukkig prijzen. Refrein.
2
Hij heeft met mij gehandeld naar zijn grootheid,
de Machtige, geheiligd zij zijn Naam. Refrein.
3
En zijn barmhartigheid wordt steeds ervaren
wanneer de mens eerbiedig naam Hem opziet. Refrein.
4
Eer zij de heerlijkheid Gods:
Vader, Zoon en heilige Geest. Refrein.
---
*156
#3
1
God zij geloofd uit alle macht,
Hij komt zijn volk bevrijden
en heeft aan Israel gebracht
verlossing in zijn lijden.
Hij heeft zijn teken opgericht:
verheffing van het aangezicht
voor heel het huis van David,
zoals voorlang geschreven stond
heeft Hij gedacht aan zijn verbond,
zo doet Hij ons herleven.
2
Bevrijding uit de vijandschap
de hand van die ons haten,
gelijk Hij eens gezworen had
Abraham onze vader,
opdat wij in rechtvaardigheid
de Here God zijn toegewijd
ons leven lang op aarde.
Zo zult gij voor de Heer uitgaan,
een stem die Hem de toegang baant:
bereidt Hem alle wegen!
3
Gij zijt de stem der profetie
sprekend van mededogen,
want eens zal ieders oog Hem zien:
de Opgang uit den hoge.
Gezegend zij de dageraad
het licht dat weldra schijnen gaat
voor wie in duister kwijnen.
Hij zal de schaduw van de dood
beschamen met zijn morgenrood.
Op aarde daalt de vrede!
---
*157
#2
1
Nu is het Woord gezegd
waarmee, o Heer, uw knecht
wordt vrijgekocht in vrede,
mijn ogen zijn vervuld
van 't heil dat Gij onthult
en dat Gij doet geschieden.
2
Gij hebt het opgericht
voor aller aangezicht,
een schouwspel voor de tijden,
een licht is opgegaan,
het zal de nacht verslaan
en Israel verblijden.
---
*158
#2
1
Refrein:
Christus, de gestalte van God,
beeld en gelijkenis van zijn heerlijkheid.
Hij heeft zichzelf ontledigd,
Hij is niet meer dan een dienstknecht geweest,
in alles gelijk geworden aan de mensen. Refrein.
2
Hij is gehoorzaam geworden tot de dood,
tot de dood op het kruis.
Christus, de gestalte van God. Refrein.
---
*159
#6
1
Die rechtens God gelijk
komt van de Vader voort,
de Koning van zijn Rijk,
Gods beeld en scheppend woord.
2
Hij heeft zichzelf ontdaan
van alle heerschappij,
Hij kwam in ons bestaan,
Hij werd een mens als wij.
3
Hij werd ons aller knecht,
zijn deemoed was zo groot.
Hij stond voor ons terecbt,
gehoorzaam totterdood.
4
Maar God heeft Hem gesteld
hoog aan zijn rechterhand.
God heeft zijn naam gemeld
aan hemel"zee en land@
5
opdat zijn macht verstaan
al wie Hij 't aanzijn geeft,
opdat in Jezus' naam
zich buige al wat leeft, -
6
opdat wij met elkaar
God geven alle eer,
belijdend voor elkaar
dat Jezus is de Heer!
---
*160
#3
1
Refrein:
Halleluja! Heil, eer en macht aan onze God,
wiens oordelen waar zijn en recht.
Looft onze God, zijn knechten, allen,
Godvrezenden, kleinen en groten.
Aanvaard heeft Hij zijn koningschap,
de Heerser van het al. Refrein.
2
Laat ons dan blij zijn, juicht Hem toe,
brengen wij Hem de eer.
Gekomen is de bruiloft van het Lam,
en zijn bruid heeft zich getooid. Refrein.
3
Glorie aan de Vader almachtig,
aan zijn Zoon Jezus Christus, de Heer,
aan de Geest die ons bijstaat en helpt
in de eeuwen der eeuwen. Amen. Refrein.
---
*201
#2
1
Versie A:
Voorzang:
In de Naam van de Vader en de Zoon
en de heilige Geest.
Allen: Amen.
2
Voorzang:
De genade van de Heer Jezus Christus,
de liefde van God
en de gemeenschap van de heilige Geest
zij met u allen.
Allen:
En met uw geest.
Versie B:
1
Voorzang:
In de Naam van de Vader en de Zoon
en de heilige Geest.
Allen: Amen.
2
Voorzang:
De genade van de Heer Jezus Christus,
de liefde van God
en de gemeenschap van de heilige Geest
zij met u allen.
Allen:
En met uw geest.
---
*211
#3
1
Voorzang:
Bidden wij met geloof in ons hart
tot de Vader van hemel en aarde,
dat Hij de wereld bewaart
als het werk van zijn handen:
Refrein:
Luister, Heer, ontferm U over ons.
2
Bidden wij met geloof in ons hart
tot zijn Zoon, Jezus Christus, de heiland,
dat Hij allen die hongeren voedt
als het brood van de hemel: Refrein.
3
Bidden wij met geloof in ons hart
tot de heilige Geest de helper,
dat alles zal worden herschapen
in het licht van Gods aanschijn: Refrein.
---
*212
#3
1
Voorzang:
Laten wij roepen tot God onze Heer,
dat Hij van kracht is en ons doet zingen,
Hij is de God die ons zal redden:
Refrein:
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.
2
Laten wij roepen in zijn poorten,
dat Hij zijn huis van genade opent;
Hij doet gebroken mensen weer opstaan: Refrein
3
Laten wij roepen voor zijn aanschijn,
dat over ons zijn heil mag komen
op deze dag die Hij heeft gemaakt. Refrein
---
*213
#3
1
Voorzang:
God, keer U tot ons en richt ons weer op
wij zijn ten dode, wij zijn verslagen.
Gij alleen kunt ons leven redden.
Refrein:
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.
2
God, houd uw hand omhoog geheven,
opdat ik zal leven en niet sterven
en ik zal zingen van uw goedheid: Refrein
3
Hier is de poort die gaat naar U toe
alle rechtvaardigen laat Gij er binnen
open uw poort en zij zullen leven: Refrein
---
*214
#3
1
Voorzang:
God, wij roepen uit de diepte:
kom met uw woorden van troost en van vrede.
Refrein:
Heer, ontferm U over ons.
2
God, vergeef ons onze schulden,
roep ons tot leven en wil ons verlossen. Refrein
3
God, naar U zien wij uit als wachters,
wees voor ons als het licht in de morgen. Refrein
---
*215
#5
1
Voorzang:
God van genade, wees ons genadig,
neem weg onze zonden opdat wij leven.
Refrein:
Heer, ontferm U over ons.
2
Laat ons weer horen van vreugde,
en die gebroken zijn zullen weer opstaan: Refrein
3
God, schep een hart in ons dat zuiver is
en laat uw geest ons vernieuwen: Refrein
4
Open uw mond en wij zullen spreken
en onze woorden zullen U prijzen: Refrein
5
God, neem van ons aan wat wij geven:
ons hart dat klein is en gebroken: Refrein
---
*216
#4
1
Voorzang:
Bidden wij tot de levende God,
Vader van onze Heer Jezus Christus
in kracht van de heilige Geest:
Refrein:
Luister, Heer, ontferm U over ons.
2
Over de stad van God op aarde,
voor het volk dat hier bijeen is,
bidden wij om licht en verlossing: Refrein
3
Over de wereld waarin wij leven,
over hen die worden verdrukt
bidden wij om geloof en toekomst: Refrein
4
Over allen die zoeken naar waarheid
en het evangelie willen verstaan
bidden wij om geduld en om aandacht: Refrein
---
*217
#7
1
Voorzang:
Heer Jezus, koning en gezalfde Gods,
2
Refrein:
Heer, onze Heer, ontferm U over ons.
3
Heer Jezus, hogepriester, knecht van God.
4
Heer Jezus, woord en evenbeeld van God.
5
Heer Jezus, licht en aangezicht van God.
6
Heer Jezus, zoon van Adam, zoon van God.
7
Heer Jezus, onze broeder, onze God.
---
*218
#7
1
Voorzang:
Heer Jezus, koning en gezalfde Gods,
2
Refrein:
Heer, onze Heer, ontferm U over ons.
3
Heer Jezus, hogepriester, knecht van God.
4
Heer Jezus, woord en evenbeeld van God.
5
Heer Jezus, licht en aangezicht van God.
6
Heer Jezus, zoon van Adam, zoon van God.
7
Heer Jezus, onze broeder, onze God.
---
*221
#1
1
Heer, ontferm U.
Christus ontferm U.
Heer ontferm U.
---
*222
#1
1
Heer, ontferm U.
Christus ontferm U.
Heer ontferm U.
---
*223
#1
1
Heer, ontferm U over ons.
Christus ontferm U over ons..
Heer ontferm U over ons.
---
*224
#1
1
Voorzang: Heer, ontferm U.
Allen: Heer, ontferm U. Heer, ontferm U.
Voorzang: Christus ontferm U.
Allen: Christus ontferm U. Christus ontferm U.
Voorzang: Heer ontferm U.
Allen: Heer, ontferm U. Heer, ontferm U.
---
*225
#1
1
Heer, ontferm U.
Christus ontferm U.
Heer ontferm U.
---
*226
#8
1
Voorzang:
Broeders en zusters,
belijden wij onze zonden,
bekeren wij ons tot God
om de heilige eucharistie goed te kunnen vieren.
Heer, die de rouwmoedigen troost,
ontferm U over ons.
2
Allen:
Heer, ontferm U over ons.
3
Voorzang:
Christus, die gekomen zijt voor de zondaars,
ontferm U over ons.
4
Allen:
Christus, ontferm U over ons.
5
Voorzang:
Heer, die onze voorspreker zijt
aan de rechterhand van de Vader,
ontferm U over ons.
6
Allen:
Heer, ontferm U over ons.
7
Voorzang:
Moge de almachtige God zich over ons ontfermen,
onze zonden vergeven,
en ons geleiden tot het eeuwig leven.
8
Allen:
Amen.
---
*227
#8
1
Voorzang:
Broeders en zusters,
belijden wij onze zonden,
bekeren wij ons tot God
om de heilige eucharistie goed te kunnen vieren.
Heer, die de rouwmoedigen troost,
ontferm U over ons.
2
Allen:
Heer, ontferm U over ons.
3
Voorzang:
Christus, die gekomen zijt voor de zondaars,
ontferm U over ons.
4
Allen:
Christus, ontferm U over ons.
5
Voorzang:
Heer, die onze voorspreker zijt
aan de rechterhand van de Vader,
ontferm U over ons.
6
Allen:
Heer, ontferm U over ons.
7
Voorzang:
Moge de almachtige God zich over ons ontfermen,
onze zonden vergeven,
en ons geleiden tot het eeuwig leven.
8
Allen:
Amen.
---
*228
#6
1
Voorzang:
Broeders en zusters,
belijden wij onze zonden,
bekeren wij ons tot God
om de heilige eucharistie goed te kunnen vieren.
Heer, die de gestorvenen rust en verlichting schenkt
ontferm U over ons.
2
Allen:
Heer, ontferm U over ons.
3
Voorzang:
Christus, die de rechtvaardigen binnenleidt in het eeuwig
leven,
ontferm U over ons.
4
Allen:
Christus, ontferm U over ons.
5
Voorzang:
Heer, die ons allen aan uw tafel nodigt,
ontferm U over ons.
6
Allen:
Heer, ontferm U over ons.
---
*231
#14
1
Priester of koor:
Eer aan God in den hoge,
2
Koor:
en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.
3
Allen:
Wij prijzen en aanbidden U.
4
Allen:
Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote
heerlijkheid.
5
Koor:
Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;
6
Allen:
Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;
7
Koor:
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;
8
Allen:
Gij die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons;
9
Koor:
Gij die wegneemt de zonden der wereld, aanvaard ons gebed;
10
Allen:
Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm u over ons.
11
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige.
12
Allen:
Gij alleen de Heer,
13
Koor:
Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,
14
Allen:
Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.
---
*232
#15
1
Celebrant:
Eer aan God in den hoge,
2
Koor:
en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.
3
Allen:
Wij loven U.
4
Koor:
Wij prijzen en aanbidden U.
5
Allen:
Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote
heerlijkheid.
6
Koor:
Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;
7
Allen:
Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;
8
Koor:
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;
9
Allen:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
ontferm U over ons;
10
Koor:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
aanvaard ons gebed;
11
Allen:
Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm u over ons.
12
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige.
13
Allen:
Gij alleen de Heer,
14
Koor:
Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,
15
Koor en Allen:
Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.
---
*233
#15
1
Priester:
Eer aan God in den hoge,
2
Voorzang of Koor:
en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.
3
Allen:
Wij loven U.
4
Voorzang:
Wij prijzen en aanbidden U.
5
Allen:
Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote
heerlijkheid.
6
Voorzang:
Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;
7
Allen:
Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;
8
Voorzang:
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;
9
Allen:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
ontferm U over ons;
10
Voorzang:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
aanvaard ons gebed;
11
Allen:
Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm u over ons.
12
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige.
13
Allen:
Gij alleen de Heer,
14
Voorzang:
Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,
15
Allen:
Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.
---
*234
#18
1
Priester:
Eer aan God in den hoge,
2
Koor:
en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.
3
Allen:
Wij loven U. Wij prijzen en aanbidden U.
4
Koor:
Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote
heerlijkheid.
5
Allen:
Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;
6
Koor:
Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;
7
Allen:
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;
8
Koor:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
9
Allen:
ontferm U over ons;
10
Koor:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
11
Allen:
aanvaard ons gebed;
12
Koor:
Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,
13
Allen:
ontferm u over ons.
14
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige.
15
Allen:
Gij alleen de Heer,
16
Koor:
Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,
17
Koor en allen:
Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.
18
Koor:
Amen.
---
*235
#16
1
Priester:
Eer aan God in den hoge,
2
Koor:
en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.
3
Allen:
Wij loven U.
4
Koor:
Wij prijzen en aanbidden U.
5
Allen:
Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote
heerlijkheid.
6
Koor:
Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;
7
Allen:
Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;
8
Koor:
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;
9
Allen:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
ontferm U over ons;
10
Koor:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
aanvaard ons gebed;
11
Allen:
Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm u over ons.
12
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige.
13
Allen:
Gij alleen de Heer,
14
Koor:
Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,
15
Allen:
Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.
16
Koor:
Amen.
---
*241
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja.
Voorzang:
Als iemand Mij liefheeft,
zal hij mijn Woord onderhouden;
en Wij zullen tot hem komen.
---
*242
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja.
Voorzang:
Bereidt de weg van de Heer,
maakt zijn paden recht,
en heel de mensheid zal Gods redding aanschouwen.
---
*243
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja.
Voorzang:
Brandde ons hart niet in ons,
terwijl Hij onderweg met ons sprak
en ons de Schriften ontsloot.
---
*244
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja.
Voorzang:
Geprezen zijt Gij, Vader van hemel en aarde,
omdat Gij de geheimen van het koninkrijk
aan kind'ren openbaart.
---
*245
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja.
Voorzang:
Heer Jezus, ontsluit voor ons de Schriften;
doe ons hart branden, terwijl Gij tot ons spreekt.
---
*246
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja.
Voorzang:
Heer Jezus, ontsluit voor ons de Schriften,
doe ons hart brandden terwijl Gij tot ons spreekt.
---
*247
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja.
Voorzang:
Ik ben de goede Herder.
Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij.
---
*248
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja!
Voorzang:
Ik ben de Verrijzenis en het Leven:
wie in Mij gelooft zal leven in eeuwigheid.
---
*249
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja, halleluja!
Voorzang:
Ik ben de weg, de waarheid en het leven;
Niemand komt tot de Vader, tenzij door Mij.
---
*250
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja, halleluja!
Voorzang:
Ik ben het levend Brood. dat uit de hemel is neergedaald.
Wie van dit Brood eer, zal leven in eeuwigheid.
---
*251
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja!
Voorzang:
Ik verkondig u een tijding van vreugde:
heden is U een Redder geboren,
Christus, de Heer.
---
*252
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja!
Voorzang:
Kom, o Geest, vervul ons hart met licht,
ontsteek in ons het vuur van uw liefde.
---
*253
#2
1
Voorzang:
Met Christus is zij verheerlijkt
in eeuwigheid, halleluja.
2
Allen: halleluja.
Voorzang: halleluja.
Allen: Halleluja, halleluja!
---
*254
#1
1
Refrein:
Halleluja, halleluja!
Voorzang:
Niet van brood alleen leeft de mens,
maar van ieder woord dat komt uit de mond van God.
---
*255
#1
1
Refrein: Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja!
Voorzang: Uw woorden, Heer, zijn geest en leven.
Allen: Halleluja, halleluja!
Voorzang: Gij hebt woorden van eeuwig leven.
Allen: Halleluja, halleluja!
---
*261
#1
1
Aan onze God en Vader zij de eer
in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*262
#1
1
God heeft Hem hoog verheven
en Hem de Naam verleend
die boven alle namen is:
Jezus Christus is de Heer!
---
*263
#1
1
Refrein: Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja!
Voorzang: U komt de lof toe, U het gezang,
U alle glorie, Vader, Zoon, heilige Geest
in alle eeuwen der eeuwen.
---
*264
#1
1
Lof en heerlijkheid, wijsheid en dank,
eer, macht en sterkte aan onze God,
vandaag en alle dagen tot in eeuwigheid.
---
*265
#1
1
U komt de lof toe, U het gezang,
U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest
in alle eeuwen der eeuwen.
---
*266
#1
1
U komt de lof toe, U het gezang,
U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest
in alle eeuwen der eeuwen.
---
*267
#1
1
U komt de lof toe, U het gezang,
U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest
in alle eeuwen der eeuwen.
---
*268
#1
1
U komt de lof toe, U het gezang,
U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest
in alle eeuwen der eeuwen.
---
*269
#1
1
Waardig zijt Gij, onze Heer en onze God,
te ontvangen de heerlijkheid
en de eer en de macht.
---
*271
#1
1
Pr of K. Ik geloof in God de almachtige Vader,
K. Schepper van hemel en aarde.
A. En in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer,
K. die ontvangen is van de heilige Geest, geboren uit de Maagd
Maria,
A. die geleden heeft onder Pontius Pilatus,is gekruisigd,
gestorven en begraven,
K. die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de
doden,
A. die opgestegen is ten hemel,zit aan de rechterhand van God
de almachtige Vader,
K. Vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.
A. Ik geloof in de heilige Geest; de heilige katholieke Kerk,
K. de gemeenschap van de heiligen; de vergeving van de zonden;
A. de verrijzenis van het lichaam; en het eeuwig leven. Amen.
---
*272
#1
1
Pr of K. Ik geloof in God de almachtige Vader,
K. Schepper van hemel en aarde.
A. En in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer,
K. die ontvangen is van de heilige Geest, geboren uit de Maagd
Maria,
A. die geleden heeft onder Pontius Pilatus,is gekruisigd,
gestorven en begraven,
K. die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de
doden,
A. die opgestegen is ten hemel,zit aan de rechterhand van God
de almachtige Vader,
K. Vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.
A. Ik geloof in de heilige Geest; de heilige katholieke Kerk,
K. de gemeenschap van de heiligen; de vergeving van de zonden;
A. de verrijzenis van het lichaam; en het eeuwig leven. Amen.
---
*281
#1
1
Voorzang: De Heer zij met u.
Allen: En met uw geest.
2
Voorzang: De Heer zal bij u zijn.
Allen: De Heer zal u bewaren.
3
Voorzang: Verheft uw hart.
Allen: Wij zijn met ons hart bij de Heer.
Voorzang: Brengen wij dank aan de Heer onze God.
Allen: Hij is onze dankbaarheid waardig.
---
*291
#1
1
Heilig, heilig, heilig,
de Heer, de God der hemelse machten!
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den Hoge.
---
*292
#1
1
Heilig, heilig, heilig,
de Heer, de God der hemelse machten!
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
---
*293
#1
1
Heilig, heilig, heilig,
de Heer, de God der hemelse machten!
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
---
*294
#1
1
Heilig, heilig, heilig,
de Heer, de God der hemelse machten!
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
---
*295
#1
1
Heilig, heilig, heilig,
de Heer, de God der hemelse machten!
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
---
*296
#1
1
Heilig, heilig, heilig is de Heer.
Aan Hem de glorie,
die hemel en aarde vervult van zijn Naam
in alle eeuwen, in alle eeuwen.
---
*297
#1
1
Heilig, heilig, heilig is de Heer.
Aan Hem de glorie,
die hemel en aarde vervult van zijn Naam
in alle eeuwen der eeuwen.
---
*301
#1
1
Uw Naam, Heer, zij geprezen,
tot in eeuwigheid duurt uw trouw.
In de kracht van de Heilige Geest
brengen wij hulde aan uw Naam.
---
*302
#1
1
Heer Jezus, wij verkondigen uw dood
en wij belijden tot Gij wederkeert,
dat Gij verrezen zijt.
---
*303
#1
1
Als wij dan eten van dit brood
en drinken uit deze beker,
verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt.
---
*304
#1
1
Als wij dan eten van dit brood
en drinken uit deze beker,
verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt.
---
*305
#2
1
Voorzang:
Dit is het sacrament van het geloof.
2
Allen:
Heer Jezus, wij verkondigen uw dood
en wij belijden tot Gij wederkeert,
dat Gij verrezen zijt.
---
*306
#1
1
Heer Jezus, wij verkondigen uw dood
en wij belijden tot Gij wederkeert,
dat Gij verrezen zijt.
---
*307
#1
1
Redder van de wereld, bevrijd ons,
Gij die ons hebt verlost door uw kruis en verrijzenis.
---
*308
#1
1
Van U wil ik spreken God,
uw Naam bezingen:
eeuwig duurt uw trouw.
---
*311
#1
1
Door Hem en met hem en in Hem
zal uw Naam geprezen zijn,
Heer onze God, almachtige Vader,
in de eenheid van de heilige Geest
hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen.
---
*312
#1
1
Door Hem en met hem en in Hem
zal uw Naam geprezen zijn,
Heer onze God, almachtige Vader,
in de eenheid van de heilige Geest
hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen.
---
*313
#1
1
Door Hem en met hem en in Hem
zal uw Naam geprezen zijn,
Heer onze God, almachtige Vader,
in de eenheid van de heilige Geest
hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen.
---
*321
#2
1
Voorzang:
Laten wij bidden tot God, onze Vader,
met de woorden die Jezus ons gegeven heeft:
2
Allen:
Onze Vader, die in de hemel zijt;
uw Naam worde geheiligd;
uw rijk komen;
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schuld,
zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in bekoring;
maar verlos ons van het kwade.
Want van U is het koninkrijk en de kracht
en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
---
*322
#2
1
Voorzang:
Laten wij bidden tot God, onze Vader,
met de woorden die Jezus ons gegeven heeft:
2
Allen:
Onze Vader, die in de hemel zijt;
uw Naam worde geheiligd;
uw rijk komen;
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schuld,
zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in bekoring;
maar verlos ons van het kwade.
Want van U is het koninkrijk en de kracht
en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
---
*323
#2
1
Voorzang:
Laten wij bidden tot God, onze Vader,
met de woorden die Jezus ons gegeven heeft:
2
Allen:
Onze Vader, die in de hemel zijt;
uw Naam worde geheiligd;
uw rijk komen;
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schuld,
zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in bekoring;
maar verlos ons van het kwade.
Want van U is het koninkrijk en de kracht
en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
---
*324
#2
1
Voorzang:
Laten wij bidden tot God, onze Vader,
met de woorden die Jezus ons gegeven heeft:
2
Allen:
Onze Vader, die in de hemel zijt;
uw Naam worde geheiligd;
uw rijk komen;
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schuld,
zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in bekoring;
maar verlos ons van het kwade.
Want van U is het koninkrijk en de kracht
en de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
---
*331
#1
1
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
geef ons de vrede.
---
*332
#1
1
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
geef ons de vrede.
---
*333
#1
1
Voorzang: Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
Allen: ontferm U over ons.
Voorzang: Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
Allen: ontferm U over ons.
Voorzang: Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
Allen: geef ons de vrede.
---
*334
#1
1
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
geef ons de vrede.
---
*335
#1
1
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
geef ons de vrede.
---
*336
#1
1
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
geef ons uw vrede.
---
*337
#1
1
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
ontferm U over ons.
Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,
geef ons uw vrede.
---
*341
#1
1
Voorzang: De Heer zij met U.
Allen: En met uw geest.
Voorzang: Zegene u de almachtige God,
Vader, Zoon en heilige Geest.
Allen: Amen, amen.
Voorzang: Gaat nu allen heen in vrede.
Allen: Wij danken God.
---
*342
#1
1
Voorzang: De Heer zal bij u zijn.
Allen: De Heer zal u bewaren.
Voorzang: Zegene u de almachtige God,
Vader, Zoon en heilige Geest.
Allen: Amen, amen.
---
*343
#1
1
Voorzang: De Heer zij met u.
Allen: En met uw geest.
Voorzang: Buigt uw hoofd voor de zegen.
Moge de almachtige God u op dit Paasfeest zegenen
en u beschermen tegen alle gevaren van de zonde.
Allen: Amen.
Voorzang: Moge Hij die door de verrijzenis van zijn Zoon
u tot het eeuwig leven roept,
u het geluk van de onsterfelijkheid schenken.
Allen: Amen.
Voorzang: Moogt gij die na de dagen van Christus' lijden
met blijdschap het paasfeest viert,
met zijn hulp opgaan tot het feest van de eeuwige vreugde.
Allen: Amen.
Voorzang: Zegene u de almachtige God,
Vader, Zoon en heilig Geest.
Allen: Amen, amen.
Voorzang: Gaat in vrede heen, alleluia, alleluia.
Allen: God zij dank gebracht, alleluia, alleluia.
---
*351
#1
1
Voorzang: God, kom mij te hulp.
Allen: Heer, haast U mij te helpen.
Eer aan de Vader en de Zoon
en de heilige Geest,
zoals het was in het begin
en nu en altijd,
en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*352
#1
1
Voorzang: Heerlijk is het te loven de Heer,
Allen: te bezingen uw naam, Allerhoogste.
Voorzang: Met de dageraad uw goedheid te roemen,
in de nachten uw trouw.
Allen: Te bezingen uw naam, Allerhoogste.
Voorzang: Eer zij de heerlijkheid Gods:
Vader, Zoon en heilige Geest.
Allen: Heerlijk is het te loven de Heer,
te bezingen uw naam, Allerhoogste.
---
*353
#1
1
Voorzang: Heer onze God, kom en zegen
de werken van uw handen.
Allen: Heer onze God, kom en zegen
de werken van uw handen.
Voorzang: Eer aan de Vader, de ZOon en de Geest,
vandaag en alle dagen.
Allen: Amen.
---
*354
#2
1
Refrein:
Ik wacht op de Heer, ik wacht Hem,
ik hoop op zijn belofte.
Stil verbeid ik de Heer,
meer dan wachters op de morgen,
want bij de Heer is genade.
2
Eer zij de heerlijkheid Gods;
Vader, Zoon en heilige Geest.
---
*355
#1
1
Voorzang:
Onze hulp is in de naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.
Die trouw blijft tot in eeuwigheid,
en nooit laat varen het werk van zijn handen.
Allen:
Ik ben uw maaksel, het werk van uw handen,
eenzaam ben ik en zonder toekomst.
PAUZE
Voorzang:
Wees mij genadig, Gij die genadig zijt.
Tegen U heb ik gezondigd.
Gij die onze levensdagen kent,
hun vreugde en hun leegte en hun lange duur.
Allen:
Gij die geen naam vergeet, geen mensenkind veracht,
Gij die de oorsprong zijt van al het goede dat gedaan wordt.
PAUZE
Voorzang:
Doe lichten over ons uw aangezicht
en geef ons vrede.
Allen:
Dat wij uw woord herkennen, bron van leven.
Dat ons het licht opgaat, dat wij herleven.
---
*361
#1
1
Heer, onze God, wij bidden U, verhoor ons.
---
*362
#1
1
Heer, onze Heer, wij bidden U, verhoor ons.
---
*363
#1
1
Heer, ontferm U over ons.
---
*371
#1
1
Voorzang, daarna allen:
Heer, ontferm U over ons.
Voorzang, daarna allen:
Christus, ontferm U over ons.
Voorzang, daarna allen:
Heer, ontferm U over ons.
Voorzang:
Heilige Maria, moeder van God,
Allen na iedere aanroeping:
Wees onze voorspraak.
Heilige Michael
Alle heilige engelen van God
Heilige Johannes de doper
Heilige Jozef
Heilige Petrus en Paulus
Heilige Andreas
Heilige Johannes
Heilige Maria Magdalena
Heilige Stefanus
Heilige Ignatius van Antiochie
Heilige Laurentius
Heilige Perpetua en Felicitas
Heilige Agnes
Heilige Gregorius
Heilige Augustinus
Heilige Athanasius
Heilige Basilius
Heilige Martinus
Heilige Benedictus
Heilige Franciscus en Dominicus
Heilige Franciscus Xaverius
Heilige pastoor van Ars
Heilige Catharina van Siena
Heilige Theresia van Avila
Heilige Martelaren van Gorkum
Heilige Willibrordus
Heilige Petrus Canisius
Heilige Lidwina
Alle Heiligen van God
Voorzang:
Wees genadig
Allen na iedere aanroeping:
Verlos ons Heer.
Van alle kwaad
van alle zonde
van de eeuwige dood
door uw menswording
door uw dood en verrijzenis
door de komst van de heilige Geest
Voorzang:
Wij zondaars
Allen na iedere aanroeping:
Wij bidden U, verhoor ons.
Dat Gij deze uitverkorenen door de genade
van het doopsel tot nieuw leven wilt wekken.
Dat gij deze doopvont, waarin uw kinderen
tot nieuw leven komen,
door uw genade wilt heiligen.
Jezus, Zoon van de levende God.
---
*401
#2
1
Aanbidt en dankt uw Vader, God,
die leeft van eeuwigheid;
Aan Hem behoort het koningschap
en alle heerlijkheid.
Verkondigt Hem en looft zijn Naam,
bezingt zijn wondermacht;
dan zal op aarde vrede zijn
voor wie zijn hulp verwacht.
2
Aanbidt en dankt de koningszoon,
die in de wereld kwam,
en al de zonden van zijn volk
gehoorzaam op zich nam.
Nu nodigt Hij zijn broeders uit
op 't grote koningsfeest.
En waar Hij leeft aan Vaders hand,
daar heerst een goede geest.
---
*402
#2
1
Voorzang:
Aanschouwt dit kostbaar kruis,
waaraan de Redder heeft gehangen.
2
Allen:
Komt, laten wij aanbidden.
Komt, laten wij aanbidden.
---
*403
#2
1
Al heeft hij ons verlaten,
hij laat ons nooit alleen.
Wat wij in Hem bezaten
is altijd om ons heen.
als zonlicht om de bloemen,
een moeder om haar kind,
te veel om op te noemen
zijn wij door Hem bemind.
2
Als is Hij opgenomen,
houd in herinnering,
dat Hij terug zal komen
zoals Hij van ons ging.
Wij leven en vertrouwen,
tot wij zijn majesteit
van oog tot oog aanschouwen
in alle eeuwigheid.
---
*404
#5
1
Alleen wie het gegeven is
hij kan het woord verstaan.
Er zijn er die onvruchtbaar zijn
omwille van mijn naam.
2
Wie oren heeft, hij luistere!
Ik geef u goede raad:
verkoop wat gij bezit en kom,
volg mij met woord en daad.
3
Alleen te zijn, geloven dat
zo leven vruchtbaar is:
een dwaasheid als de Heer ons niet
tot levend voorbeeld is.
4
Alwie zich zo verliezen durft
zal delen in zijn dood
en als een bron van vreugde zijn
voor anderen in nood.
5
Dankt God die alle leven schept,
de Bron van vruchtbaarheid,
die mensen door zijn Geest bezielt
en op zijn wegen leidt.
---
*405
#11
1
Refrein:
Alleluia, alleluia, alleluia!
Looft God den Heer, 't is welgedaan,
zijn Woord is door de dood gegaan,
het Licht is waarlijk opgestaan, alleluia!
2
De steen die op de wereld lag,
het zwaar gebod dat aanstoot gaf
is weggewenteld van het graf, alleluia.
3
Het loos gerucht dat mensen kwelt
de boze is terechtgesteld,
de vrienden hebben het ons gemeld, alleluia.
4
De vijand leidt Hij om de tuin,
daar zal geen list meer en venijn
doch enkel lust en leven zijn, alleluia.
5
De boom des levens staat geplant,
het water stroomt ter rechterkant
want Jezus kreeg de overhand, alleluia.
6
Zijn Woord is melk en honing goed,
en meer dan welke koning doet
geeft Hij een land van overvloed, alleluia.
7
Hij is de Zoon van Abraham,
die omzag naar het offerlam,
en Melkisedek tegenkwam, alleluia.
8
O, Eersteling, gebonden schoof,
verlaagd als Josef om zijn droom,
wij strekken U ten hemel hoog, alleluia.
9
Een wingerd zijt Gij aan de muur,
die uitgroeit boven lot en duur,
voorzegd in Jakobs stervensuur, alleluia.
10
Nu troont Gij in uw heerlijkheid,
het loon draagt Gij reeds voor U uit,
uw Brood en Wijn versnelt de tijd, alleluia.
11
0 Heer, die eeuwig koning zijt
en die een woning ons bereidt,
zend ons uw vuur en vrolijkheid, alleluia.
---
*406
#3
1
Alleluia, wij heffen 't aan:
de Heer is waarlijk op gestaan.
En waar ik ben of waar ik ga,
mijn ziele zingt: Alleluia!
2
Dit is de grote blijde dag,
die David in zijn geest voorzag.
Zingt nu met vreugd' zo zing ik na,
het blijde lied: alleluia.
3
Lof zij het Lam, dat door zijn bloed
voor onze zonden heeft geboet.
Zijn bitt're dood schonk ons gena',
zo zingen wij: alleluia.
---
*407
#5
1
Alles wat over ons geschreven is
gaat Gij volbrengen deze laatste dagen,
alle geboden worden thans voldragen,
alle beproeving van de wildernis.
2
Gods schepping die voor ons gesloten bleef
ontsluit Gij weer, Gij opent onze harten,
die Zoon van David zijt en Man van Smarte,
Koning der Joden die de dood verdreef.
3
Jezus, de haard van uw aanwezigheid
zal in ons hart een vreugdevuur ontsteken.
Gij gaat vooraan, Gij zult ons niet ontbreken,
Gij Hogepriester in der eeuwigheid.
4
Gij onderhoudt de vlam van ons bestaan,
aan U, o Heer, ontleent het brood zijn leven,
ons is een lofzang in de mond gegeven,
sinds Gij de weg van 't offer zijt gegaan.
5
Dit is uw opgang naar Jeruzalem
waar Gij uw vrede stelt voor onze ogen,
vrede aan allen die uw naam verhogen:
heden hosanna, morgen kruisigt Hem!
---
*408
#5
1
Beeld en gelijkenis van Hem die leeft,
Een mensenzoon -
heeft hij geen macht begeerd,
geen aanzien als een God
en heeft zich niet
aan de gestalte dezer wereld onderworpen.
2
Heeft niet roofzuchtig, voor zichzelf geleefd
maar zich ontdaan van zijn bezit,
en is de weg gegaan
die langs de zelfkant voert, het duister in
en is niet halverwege omgekeerd
maar heel de weg gegaan.
3
Is op de slavenmarkt gaan staan,
om als de minste mens verkocht te worden
en werd zo een van hen die mensonwaardig zijn,
werd niemand met wie niemand zijn.
En wie hem zien
keren zich van hem af.
4
En trok het lijden aan
en droeg het als een lam
en stond stom
voor zijn scheerders
en werd gehangen als een slaaf.
5
Zo is hij mens geworden,
een gerechte,
beeld en gelijkenis van Hem
die leeft en liefde is.
Hem noemen wij:
Heer, mensenzoon van God,
leidsman en lotgenoot,
Jezus Messias.
---
*409
#1
1
Blijf niet staren op wat vroeger was.
Sta niet stil in het verleden.
Ik, zegt Hij, ga iets nieuws beginnen.
Het is al begonnen, merk je niet niet?
---
*410
#4
1
Refrein:
Brandde ons hart niet toe Hij tot ons sprak.
Uw woord hechte zich vast in ons.
Doe ons ontvlammen, dat wij mogen zeggen:
2
Doe ons ontvlammen, doe ons lichterlaaie leven.
Doe sterven alle treurigheid die in ons is.
3
Blaas in ons aan de geest van uw profeten.
Maak ons tot een gemeente
met de eerste volgelingen van uw woord.
4
God onze vrede, heilig ons door en door,
dat wij van hart en ziel onbedorven
voor U bewaard blijven tot op de dag
dat komen zal Jezus Messias.
---
*411
#3
1
Christus die verrezen is, doet ons samenkomen.
't Maal van zijn gedachtenis wordt hier blij hernomen.
Refrein:
Broeders, vrij en opgericht, alleluja, heft uw ogen,
alleluja, naar den hoge, heft uw ogen naar het licht.
2
Christus brak de slavernij, brak de donkere dagen.
Rijzend uit zijn graf heeft Hij Adams dood verslagen.
Refrein:
3
Christus die verrezen is, straalt van eeuwig leven.
't Maal van zijn gedachtenis zal dat ons ook geven.
Refrein:
---
*412
#4
1
Christus, Gij Heer van alle dingen,
en Maker van wat adem heeft,
wij willen uwe bruid bezingen,
de Kerk die ons het leven geeft.
2
Waar wij als kind'ren zijn geboren
een-zelfde stam, een moedertaal,
omdat Gij ons hebt uitverkoren
te delen in uw bruiloftsmaal.
3
Waarnaar wij altijd wederkeren
o veilig huis, o moedergrond,
waar wij van U de liefde leren,
waar wij bestaan totdat Gij komt.
4
Dan zult Gij in het eind verschijnen,
uw Kerk ziet wachtend naar U uit,
Christus de herder roept de zijnen
de bruidegom begroet zijn bruid.
---
*413
#7
1
Christus heeft voor ons geleden
als een beeld van ons bestaan,
dat wij zover zouden gaan;
in zijn voetstappen te treden.
2
Die geen zonde heeft bedreven,
uit wiens mond niet is gehoord
enig onvertogen woord
maar de adem van het leven.
3
Die wanneer Hij werd geslagen
zelfs zijn mond niet open deed,
die niet dreigde als Hij leed
maar het zwijgend heeft verdragen.
4
Die de zonden heeft gekorven
in zijn lichaam op het hout,
dat gij Gode leven zoudt,
aan de zonde afgestorven.
5
Door wiens striemen gij genezen,
door wiens dood gij levend zijt,
levend in rechtvaardigheid,.
taal en teken van Gods wezen,
6
als eertijds verdoolde schapen,
thans den Herder toegewijd,
die u in de waarheid weidt.
Uw bewaarder zal niet slapen.
7
Ja, de Heer zal u bewaren,
Hij de Herder, Hij het Lam,
die voor u ter aarde kwam
die voor ons is opgevaren!
---
*414
#5
1
Christus is opgestaan,
leeg is het graf, Hij leeft voortaan.
In dat bittere tweegevecht
Sloeg hij de dood, wij zijn terecht
Hallelujah.
2
Christus komt uit de nacht,
licht en vrede ons toegebracht.
Maar nog is oorlog om ons heen,
liet Hij ons toch weer dood alleen?
Hallelujah.
3
Heer, ons geloof bezwijkt
als Gij ooit uit ons midden wijkt.
"Zie, Ik ben, en Ik blijf met U."
heilige geestkracht geef Ik u."
Hallelujah.
4
Leg ons de schriften uit.
Toon ons toch aan dat Gij het zijt!
Voer ons binnen het groot geheim
dat Gij een lijdende mens moest zijn.
Hallelujah.
5
Mijn Heer, mijn God zijt Gij.
Daarom, Christus, gedenken wij
uw verrijzenis uit de dood,
hier in dit breken van het brood.
Hallelujah.
---
*415
#3
1
Dankt, dankt nu allen God
met hart en mond en handen,
die grote dingen doet
hier en in alle landen,
die ons van kindsbeen aan,
ja, van de moederschoot,
zijn vaderlijke hand
en trouwe liefde bood.
2
Die eeuwig rijke God
moge ons reeds in dit leven
een vrij en vrolijk hart
en milde vrede geven.
Die uit genade ons
behoudt te allen tijd,
is hier en overal
een helper die bevrijdt.
3
Lof, eer en prijs zij God
die troont in 't licht daarboven.
Hem, Vader, Zoon en Geest
moet heel de schepping loven.
Van Hem, de ene Heer,
gaf het verleden blijk,
het heden zingt zijn eer,
de toekomst is zijn rijk.
---
*416
#1
1
Dat wij vol stromen met levensadem
en schreeuwen eindelijk geboren,
en lachen eindelijk geboren,
en weten eindelijk geboren.
---
*417
#7
1
De aarde is vervuld
van goedertierenheid,
van goddelijk geduld
en goddelijk beleid.
2
Gods goedheid is te groot
voor het geluk alleen,
zij gaat in alle nood
door heel het leven heen.
3
Zij daalt als vruchtbaar zaad
tot in de groeve af
omdat zij niet verlaat
wie toeven in het graf.
4
Omdat zij niet vergeet
wie godverlaten zijn:
de wereld hemelsbreed
zal goede aarde zijn.
5
De sterren hemelhoog
zijn door dit zaad bereid
als dienaars tot de oogst
der goedertierenheid.
6
Het zaad der goedheid Gods,
het hoge woord, de Heer,
valt in de voor des doods,
valt in de aarde neer.
7
Al gij die God bemint
en op zijn goedheid wacht,
de oogst ruist in de wind
als psalmen in de nacht.
---
*418
#8
1
De eersten zijn de laatsten,
wie nakomt gaat voorop,
zij moeten zich niet haasten,
die leven van de hoop.
2
God moge ons behoeden,
wij zien elkander aan,
de broeder kent de broeder
als een die voor moet gaan.
3
Zo staat het voorgeschreven,
zo is het steeds voorzegd,
wie achter is gebleven
krijgt eerstgeboorterecht.
4
Het onderste komt boven,
de torens vallen om,
het woord is aan de doven,
de waarheid aan de droom.
5
Wie later is geboren
komt eerder aan de tijd,
wie lager thuisbehoren
gaan hogerop vrijuit.
6
Zo hoog zijn Gods gedachten,
zij gaan de tijden door,
wie voor was blijft ten achter,
wie achterbleef gaat voor.
7
Veracht dan niet de kleinen
en die verloren zijn,
want God noemt hen de zijnen
die laatgeboren zijn.
8
De eersten zijn de laatsten,
wie nakomt gaat voorop!
Kiest dan de goede plaatsen
en geeft uw hart aan God.
---
*419
#3
1
De Geest des Heren heeft
een nieuw begin gemaakt,
in al wat groeit en leeft
zijn adem uitgezaaid.
De Geest van God bezielt
wie koud zijn en versteend,
herbouwt wat is vernield,
maakt een wat is verdeeld.
2
Wij zijn in Hem gedoopt
Hij zalft ons met zijn vuur.
Hij is een bron van hoop
in alle dorst en duur.
Wie weet vanwaar Hij komt
wie wordt zijn licht gewaar?
Hij opent ons de mond
en schenkt ons aan elkaar.
3
De geest die ons bewoont
verzucht en smeekt naar God
dat Hij ons in de Zoon
doet opstaan uit de dood.
Opdat ons leven nooit
in weer en wind bezwijkt,
kom Scheper Geest, voltooi
wat Gij begonnen zijt.
---
*420
#6
1
De Heer die heeft geleid en hoedt
zijn volk op aarde, o herder goed,
o mensenzoon met ons begaan,
getrouwe heiland is uw naam.
2
Als schapen doolden allen rond
geen die nog weide en water vond.
Toen zijt Gij zelf ons voorgegaan,
getrouwe herder is uw Naam.
3
Geen die zijn leven voor ons gaf,
alwie kwam voor U, was vreemd en laf.
Geen huurling weidt ons meer voortaan,
Heer God, betrouwbaar is uw Naam.
4
Die als een lam draagt onze dood,
die breekt zijn lichaam als levend brood,
die om zijn kudde zich liet slaan -
getrouwe herder is zijn Naam.
5
Die maakt dat allen op zijn woord
komen te samen, Hij is de poort;
gij moet door Hem het rijk ingaan,
hoort, want Hij roept u bij uw naam.
6
In dood en leven, Heer, zult Gij
zijn die Gij zijt: uw klein volk nabij.
Gij zult met ons uw wegen gaan,
getrouwe herder is uw Naam.
---
*421
#3
1
De Heer heeft mij gezien en onverwacht
ben ik opnieuw geboren en getogen.
Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht
gaf mij een levend hart en nieuwe ogen,
zo komt Hij steeds met stille overmacht
en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.
2
Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit.
Hij heeft in zijn handen onze naam geschreven.
De Heer wil ons bewonen als zijn huis,
plant als een boom in ons zijn eigen leven,
wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid
en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.
3
Gij geeft het uw beminden in de slaap,
Gij zaait uw Naam in onze diepste dromen.
Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt
zoals de regen neerdaalt in de bomen,
zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat,
zo zult Gij uw beminden overkomen.
---
*422
#4
1
De herdertjes lagen bij nachte,
zij lagen bij nacht in het veld.
Zij hielden vol trouwe de wachte,
zij hadden hun schaapjes geteld.
Daar hoorden zij d' engelen zingen
hun liederen vloeiend en klaar
de herders naar Bethlehem gingen,
't liep tegen het nieuwe jaar.
2
Toen zij er te Bethlehem kwamen,
daar schoten drie stralen dooreen;
een straal van omhoog zij vernamen,
een straal uit het kribje beneen;
toen vlamd' er een straal uit hun ogen
en viel op het kindeke teer;
zij stonden tot schreiens bewogen,
en knielden bij Jezus neer.
3
Maria die bloosde van weelde,
van ootmoed en lieflijke vreugd';
De goede Sint Jozef, hij streelde
het Kindje der mensen geneugt' ;
de herders bevalen te weiden
hun schaapkens aan d' engelenschaar
wij kunnen van 't kribje niet scheiden,
wij wachten het nieuwe jaar.
4
Och Kindje, och Kindje dat heden
in 't nederige stalletje kwaamt,
ach laat ons uw paden betreden,
want Gij hebt de wereld beschaamd.
Gij kwaamt om de wereld te winnen,
de machtigste vijand te slaan;
de kracht uwer liefde van binnen
kan wereld noch hel weerstaan.
---
*423
#1
1
De kind'ren van Jeruzalem
loven de Heer met blijde stem
en zingen juichend keer op keer:
Geloofd zij onze God en Heer!
---
*424
#3
1
De Heer is waarlijk opgestaan, alleluia,
nu breekt de nieuwe lente aan, alleluia.
Want Jezus, onze Koning groot, alleluia.
Verrees in Glorie van de dood, alleluia.
Alleluia, alleluia, alleluia.
2
Gij die de Vorst van vrede zijt, alleluia.
De schepping is om U verblijd, alleluia.
De morgen van de eerste dag, alleluia.
Zijt Gij verrezen uit uw graf, alleluia. (4x)
3
De Heer herwon zijn heerschappij, alleluia.
Hij maakt' ons in zijn liefde vrij, alleluia.
Hij roept ons naar zijn paradijs, alleluia.
Zijn Woord en Brood zijn onze spijs, alleluia. (4x)
---
*425
#5
1
De koning van de vrede komt in de hoofdstad aan,
de mensen zijn gezegend, Hij komt in Godes naam.
Doet open nu de poorten, de koning moet er door,
och Here, geef nu voorspoed, zo roepen zij in koor.
2
Maar zullen zij geloven en nemen zij Hem aan
of zullen zij Hem doden en Gode wederstaan?
Ik zie de koning komen die op een ezel rijdt,
de palmen van de bomen zijn voor zijn voet gespreid.
3
Maar morgen is het anders, dan wordt Hij zelf verhoogd,
en aan de boom gehangen en als een vrucht geoogst.
Gij hogepriester Anna, wat roept Jeruzalem?
Het roept vandaag, "Hosanna" en morgen "weg met Hem"
4
En machtige Pilatus, wat riep men voor uw huis?
Vandaag "de Zoon van David" en morgen "aan het kruis"
En vorst van Galilea, Herodes, wat hoort gij?
Vandaag is 't "Halleluja" en morgen al voorbij.
5
En grote hogepriester, wat hoort gij Kajafas?
Vandaag is het "Messias" en morgen "Barabbas"
Wat hoort men in de straten van deze tempelstad?
't Is heden "Maranatha" en straks de stem der haat.
---
*426
#2
1
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
Wie mij ontmaskert zal mij vinden.
Ik heb gezichten, meer dan twee,
ogen die tasten in den blinde,
harten aan angst voor angst ten prooi.
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
2
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
Wie wordt ontmaskerd wordt gevonden
en zal zichzelf opnieuw verstaan
en leven bloot en onomwonden,
aan niets en niemand meer ten prooi.
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
---
*427
#6
1
ref.: De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij
Het volk dat woont in duisternis
zal weten wie zijn heiland is.
Onverwacht komt van heide en ver
de mensenzoon, de morgen ster.
2
Tekens aan sterren, zon en maan,
hoe zal de aarde dat bestaan?
Zo spreekt de Heer: verheft u vrij
want uw verlosser is nabij. Refrein.
3
Wanneer de zee bespringt uw land
en slaat u 't leven uit de hand,
weet in uw angst en stervenspijn:
uw dood zal niet voor eeuwig zijn. Refrein.
4
Ziet naar de boom, die leeg en naakt
in weer en wind te schudden staat;
de lente komt, een twijg ontspruit,
zijn oude takken lopen uit. Refrein:
5
Een twijgje, weerloos en ontdaan,
- zonder gestalte, zonder naam.
Maar wie gelooft verstaat het wel.
Dat twijgje heet: Emmanuel. Refrein:
6
Die naam zal ons ten leven zijn.
Een zoon zal ons gegeven zijn.
Opent uw poorten metterdaad
dat uw Verlosser binnengaat. Refrein.
---
*428
#3
1
De wijze woorden en het groot vertoon,
de goede sier van goede werken,
de ijdelheden op hun pauwentroon,
de luchtkastelen van de sterken:
al wat hoog staat aangeschreven
zal gods woord niet overleven;
hij wiens kracht in onze zwakheid woont
beschaamt de ogen van de sterken.
2
Zijn woord wil deze wereld omgekeerd:
dat lachen zullen wij die wenen,
dat wonen zal wie hier geen woonplaats heeft,
dat dorst en honger zijn geleden.
Die onvruchtbaar bleef, zal vruchtbaar zijn,
die geen vader was, zal vader zijn;
mensen zullen and're mensen zijn,
de bierkaai wordt een stad van vrede.
3
Wie denken durft, dat deze droom het houdt,
een vlam die kwijnt maar niet zal doven,
wie zich aan deze dwaasheid toevertrouwt,
al komt de onderste steen boven:
die zal kreunen onder zorgen,
die zal vechten in 't verborgen,
die zal waken tot de morgen dauwt
Hij zal zijn ogen niet geloven.
---
*429
#3
1
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt en gegeven.
Laat ons Hem loven en danken, verheugd dat wij leven.
Diep in de nacht heeft Hij verlossing gebracht
heeft Hij ons licht aangeheven.
2
Waren wij dood door de zonde verminkt en verloren,
doven van harte, verhard om zijn woord niet te horen,
Hij is zo groot, Hij overmande de dood.
Wij zijn in Jezus herboren.
3
Nu zend uw Geest, als een vuur, als een stem in ons midden
Dat wij van harte elkander verstaan en beminnen.
En zo voortaan eren Gods heilige Naam.
En Hem in waarheid aanbidden.
---
*430
#10
1
Dit lied gaat over Jezus,
die man van lang geleden,
het dorp waar hij vandaan komt,
is klein, heet Nazareth.
Zijn naam is alle eeuwen
tot hier toe doorverteld.
2
Hij was een zoon der mensen
geboren en getogen
uit arme Joodse ouders
een twijg uit Davids stam
een kind van de belofte
een zoon van Abraham.
3
Hij was een jaar of dertig
toen hij van zich deed horen
de mensen schoolden samen
als vissen om hem heen.
Zijn moeder en zijn broeders
begrepen niets van hem.
4
De tijd is vol, bekeert u
en weest het zout der aarde
weest voor elkaar barmhartig
zoals mijn vader is
op zoek in deze wereld
naar wat verloren is.
5
Ben jij niet voor je kind'ren
zo goed als je maar zijn kunt
geeft jij een ander stenen
wanneer hij vraagt om brood?
Als wij gewone mensen -
hoeveel te meer dan God.
6
Met tollenaars en zondaars
dronk hij dezelfde beker
hij kwam een dode tegen
en nam hem bij de hand.
De naam van God herleefde
in heel het Joodse land.
7
De goden van het duister
de geest van kwaad tot erger
die mensen houdt gevangen,
heeft hij teniet gedaan.
Hij heeft hun macht ervaren
maar als een man weerstaan.
8
Zo doende wat hij doen kon
ten dienste van de mensen
viel hij in mensenhanden
vond veel te jong de dood.
Er zijn er nog die zeggen:
Hij is de zoon van God.
9
Wij gaan met dichte ogen
als vreemdelingen verder
waarom is hij gekruisigd -
wij hadden zo gehoopt
Wie zal de schrift verklaren
wie breekt voor ons het brood.
10
Er is nog meer te zeggen
te veel om te bewaren
de wereld zal te klein zijn
als alles helder wordt
Als wij het moesten zingen,
wij kwamen stem te kort.
---
*431
#6
1
Door de wereld gaat een woord
en het drijft de mensen voort:
"Breek uw tent op, ga op reis
naar het land dat Ik u wijs."
refrein:
Here God, wij zijn vervreemden
door te luist'ren naar uw stem.
Breng ons saam met uw ontheemden
naar het nieuw Jeruzalem.
2
Door de wereld gaat een stoet
die de ban brak van het bloed.
Die bij wat op aarde leeft
nu geen burgerrecht meer heeft.
3
Menigeen ging zelf op pad
daar hij thuis geen vrede had.
Eeuwig heimwee spoort hem aan
laat ook hem het woord verstaan.
4
Door de wereld klinkt een lied
tegen angsten en verdriet,
tegen onrecht, tegen dwang
richten pelgrims hun gezang.
5
Velen, die de moed begaf,
blijven staan, of dwalen af.
Hunk'rend naar hun oude land.
Reisgenoten, grijp hun hand.
6
Door de wereld gaat een woord
en het drijft de mensen voort:
"Breek uw tent op, ga op reis
naar het land dat Ik u wijs."
---
*432
#4
1
Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd
is leven van genade buiten de eeuwigheid,
is leven van de woorden die opgeschreven staan
en net als Jezus worden die 't ons heeft voorgedaan.
2
Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd,
is komen uit het water en staan in de woestijn,
gen God onder de goden, geen engel en geen dier,
een levende, een dode, een mens in wind en vuur.
3
Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd
dat is de dood aanvaarden, de vrede en de strijd,
de dagen en de nachten, de honger en de dorst,
de vragen en de angsten, de kommer en de koorts.
4
Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd
dat is de Geest aanvaarden die naar het leven leidt,
de mensen niet verlaten, Gods woord zijn toegedaan,
dat is op deze aarde de duivel wederstaan.
---
*433
#6
1
Een mens te zijn op aarde,
in eens voorgoed geboren zijn,
is levenslang geboortepijn.
Een mens te zijn op aarde
is leven van de wind.
2
De bomen hebben wortels
de bomen mogen stevig staan
maar mensen moeten verder gaan
de bomen hebben wortels
maar mensen gaan voorbij.
3
De vossen hebben holen
de mensen weten heg noch steg
zijn altijd naar hun huis op weg
de vossen hebben holen
maar wie is onze weg?
4
De mensen hebben zorgen
het brood is duur, het lichaam zwaar
en wij verslijten aan elkaar.
Wie kent de dag van morgen?
De dood komt lang verwacht.
5
Een mens te zijn op aarde
is pijnlijk begenadigd zijn
en zoeken, nooit verzadigd zijn,
is rusten in de aarde
als alles is volbracht
6
Hoe zullen wij volbrengen
wat door de eeuwen duren moet
een mens te zijn die sterven moet?
Wij branden van verlangen
tot alles is voltooid.
---
*434
#4
1
Versie A:
Eens als de bazuinen klinken
uit de hoogte links en rechts
duizend stemmen ons omringen
Ja en Amen wordt gezegd,
rest er niets meer dan te zingen,
Heer, dan is uw pleit beslecht.
2
Scheurt het voorhang van de wolken,
wordt uw aangezicht onthuld,
vaart de tijding door de volken
dat Gij alles richten zult:
Heer, dan is de dood verzwolgen,
want de Schriften zijn vervuld.
3
Mensen, komt uw lot te boven,
wacht na dit een ander uur;
gij moet op een wonder hopen
dat gij oplaait als een vuur,
want de Geest zal ons bestoken:
nieuw wordt alle creatuur.
4
Van die dag kan niemand weten,
maar het woord drijft aan tot spoed.
Zouden wij niet haastig eten,
gaandeweg Hem tegemoet?
Jezus Christus, gisteren heden,
komt voor eens en komt voorgoed.
Versie B:
1
Eens als de bazuinen klinken
uit de hoogte links en rechts
duizend stemmen ons omringen
Ja en Amen wordt gezegd,
rest er niets meer dan te zingen,
Heer, dan is uw pleit beslecht.
2
Scheurt het voorhang van de wolken,
wordt uw aangezicht onthuld,
vaart de tijding door de volken
dat Gij alles richten zult:
Heer, dan is de dood verzwolgen,
want de Schriften zijn vervuld.
3
Mensen, komt uw lot te boven,
wacht na dit een ander uur;
gij moet op een wonder hopen
dat gij oplaait als een vuur,
want de Geest zal ons bestoken:
nieuw wordt alle creatuur.
4
Van die dag kan niemand weten,
maar het woord drijft aan tot spoed.
Zouden wij niet haastig eten,
gaandeweg Hem tegemoet?
Jezus Christus, gisteren heden,
komt voor eens en komt voorgoed.
---
*435
#6
1
Een zaaier ging uit om te zaaien,
hij zaaide zo wijd als de wind,
zo wijd als de winden waaien
waar niemand een spoor van vindt.
2
Een deel van het zaad ging verloren,
een deel van het zaad werd brood,
maar niemand weet van te voren
de weg van het zaad in de schoot.
3
Het wordt op de wegen vertreden,
het valt in een vruchteloos graf,
het sterft aan de doornen beneden,
de vogels van boven af.
4
De lage, de hoge gevaren
bedreigen het kiemende graan,
maar soms kan het openbaren
de zin van het aardse bestaan.
5
Er is geen verwachting van leven,
tenzij in de dood van het zaad,
wij moeten de aarde vergeven
dat zij ons sterven laat.
6
O Zaaier, ga uit om te zaaien
de kiem waaruit leven ontstond,
zo wijd als de winden waaien
en maak ons tot moedergrond!
---
*436
#3
1
Eer zij God in deze dagen,
eer zij God in deze tijd,
mensen van het welbehagen,
roept op aarde vrede uit,
Gloria in excelsis Deo.
2
Eer zij God die onze Vader
en die onze koning is,
Eer zij God die op de aarde
naar ons toegekomen is,
Gloria in excelsis Deo.
3
Lam van God, Gij hebt gedragen
alle schuld tot elke prijs,
geef in onze levensdagen
peis en vree, kyrieleis,
Gloria in excelsis Deo.
---
*437
#5
1
En zolang de hemel bestaat
zal hij niet ontwaken
en uit zijn slaap
wordt hij niet gewekt.
2
Ach, voor een boom, als hij wordt
omgehakt is er nog hoop.
Maar sterft een mens, hij ligt
machteloos neer,
waar is hij gebleven? - Refrein
3
Water dat wegvloeit uit een
bergmeer,
een rivier die leegloopt en opdroogt,
zo is een mens: ,
hij gaat liggen en staat niet meer op. -
Refrein
4
Ach stelde Gij maar een tijdstip vast
waarop Gij mij weer zoudt
gedenken.
Als een mens gestorven is,
zal hij ooit weer leven?
5
Maar zolang de hemel bestaat
zal hij niet ontwaken en uit zijn
slaap wordt hij niet gewekt.
---
*438
#8
1
Ergens komt een kind vandaan,
van ver, van buiten zonder naam;
het is nog niemand, spreekt geen woord
heeft van de dood nog niet gehoord,
het huilt nog van geboortepijn
en weet niet wie het ooit zal zijn.
2
Dan roepen mensen jij jij jij,
woon hier bij ons, woon hier bij mij,
de wereld wordt een huis voor jou
en liefde maakt een mens van jou.
Dan geven wij elkaar een naam:
iemand niemand,
kind van mensen ben jij voortaan.
3
Ergens moet een mens toch heen,
hij gaat zijn eigen weg alleen,
en zoekt of in de wildernis
een bron van levend water is,
en luistert of een woord bestaat
waarin zijn toekomst opengaat.
4
Dan roepen mensen jij jij jij,
woon hier bij ons, woon hier bij mij,
het water is een bron voor jou,
de toekomst heeft een woord voor jou.
Dan vindt een mens zijn eigen naam:
iemand niemand, dorst en water,
kind van mensen ben jij voortaan.
5
Niemand weet waartoe hij leeft,
waarom hij hart en handen heeft;
er is geen daarom, eens voorgoed,
maar enkel adem, vlees en bloed.
Zo leeft een mens tot in de dood
onooglijk klein, onzichtbaar groot.
6
Dan roepen mensen jij jij jij
wees hart en hand en mens voor mij,
wees waarom daarom groot of klein
de mens die jij alleen moet zijn.
Zo leeft een mens van naam tot naam:
iemand niemand,
dorst en water, vriend en vreemde,
kind van mensen ben jij voortaan.
7
Niemand weet wat leven is,
alleen dat het gegeven is,
van vuilnisbelt tot gouden troon,
aan vluchteling en koningszoon.
Wie leeft die maakt zijn eigen lied
en wie niet leeft verstaat het niet.
8
Laat ze maar roepen jij jij jij,
wie leven wil die zingt zich vrij,
wie leeft die maakt zijn eigen lied
en wie niet leeft verstaat het niet
Zo zingen wij elkanders naam:
Iemand niemand, dorst en water,
vriend en vreemde, dood en leven,
mensen, mensen zijn wij voortaan.
---
*439
#4
1
Er is een Kindeke geboren op d' aard;
Er is een Kindeke geboren op d' aard;
't Kwam op de aarde voor ons allemaal;
't Kwam op de aarde voor ons allemaal.
2
't Kwam op de aarde en 't had er geen huis;
't Kwam op de aarde en 't had er geen huis;
't Kwam op de aarde en 't droeg al zijn kruis;
't kwam op de aarde en 't droeg al zijn kruis
3
Er is een Kindeke geboren in 't strooi;
Er is een Kindeke geboren in 't strooi;
't Lag in een kribbe, gedekt met wat hooi,
't Lag in een kribbe, gedekt met wat hooi.
4
't Kwam op de aarde voor ons allemaal;
't Kwam op de aarde voor ons allemaal;
En 't wenst ons allen een zalig nieuw jaar;
En 't wenst ons allen een zalig nieuw jaar.
---
*440
#3
1
Er is een roos ontsprongen.
uit ene wortelstam;
die, lijk ons d' ouden zongen,
uit Jesse 't leven nam;
nu heeft zij bloem gebracht,
in 't midden van de winter,
in 't midden van de nacht.
2
O rozenstruik, Maria,
o alderpuurste Maagd:
van u zingt Isaias,
van 't bloemken, dat gij bracht;
want eeuwig in Gods raad
lag, dat gij 't Kind zoudt baren
tot alder wereld baat.
3
Wij bidden u van harte
om 't Kind dat op u loech, (= lachte)
om deez' lief bloemkes smarten,
die het voor ons verdroeg:
wil ons toch hulpe zijn,
dat wij U mogen maken
een woning fraai en fijn.
---
*441
#4
1
Gedenken wij dankbaar de daden des Heren,
zijn leven, zijn dood en verrijzenis,
en dat wij oprecht tot Jezus ons bekeren
die onze God en leidsman ten leven is.
2
Hoe hadden wij onze bestemming vernomen,
was Jezus de weg niet ten einde gegaan.
Wie zouden wij zijn, als Hij niet was gekomen
om in zijn lichaam onze dood te doorstaan.
3
Hoe zouden wij ooit voor elkaar kunnen leven,
had Hij ons de liefde niet voorgeleefd,
die tot de dood zich prijs heeft willen geven,
die, Zoon van God, ons aller slaaf is geweest.
4
Gij eerste der mensen, die weerloos en eenzaam,
als graan in de aarde gestorven zijt,
Gij wordt ons brood, maak ons met U gemeenzaam,
van harte maak tot wederdienst ons bereid.
---
*442
#3
1
Geest, die vuur en liefde zijt,
Geest die leeft van eeuwigheid,
voortkomt van de Zoon en Vader,
leid, o Heer, ons altijd nader
door uw liefde, door uw licht,
tot uw heilig aangezicht.
2
Geest van wijsheid, Geest van raad,
aller dingen zuiv're maat,
Trooster, die met wond're krachten
bijstaat wie in leed versmachten;
wees ons op de levenszee:
vaste baak en veil'ge ree.
3
Geest, die waakzaam zijt en sterk,
hoed het schip van Christus' Kerk.
Stuur het tot aan 't zalig ende,
tot der tijden loop zich wende
van deez' onbestendigheid,
in uw stralend' eeuwigheid.
---
*443
#3
1
God die in het begin
uit aarde, naar zijn beeld,
de mensen voor elkaars
geluk geschapen heeft,
Hij doet u samen zijn,
Hij maakt u man en vrouw,
elkanders brood en wijn,
elkanders woord van trouw.
2
Zoals van meet af aan
een mens geen antwoord vindt,
als hij niet door een mens,
ten diepste wordt bemind,
zo zult gij nu voortaan
in liefde en in leed
elkanders antwoord zijn,
een lichaam en een geest.
3
Zoals ten einde toe
de mensen twee aan twee
hun lange wegen gaan
en God gaat met hen mee,
zo zal Hij met u zijn
in leven en in dood,
Hij wordt uw brood en wijn,
en dit geheim is groot.
---
*444
#3
1
God die ons heeft voorzien
en kent bij onze naam,
die ons ten leven riep
en houdt in het bestaan.
Hij heeft ons voorbestemd
te lijken op zijn Zoon
die mens is zoals wij
en in ons midden woont.
2
Hij heeft zijn eigen Zoon
geen enkel leed bespaard.
Hij heeft ten einde toe
zijn geest geopenbaard.
Als God zo voor ons is
wie zal dan tegen zijn?
Al wat ons overkomt
zal hoop en zegen zijn.
3
Wie zal ons scheiden ooit
van God ons goed en bloed.
Geen toekomst en geen dood
bedreigt ons meer voorgoed.
Genadig en getrouw
wil Hij mijn vrede zijn.
Geen mens die Hem weerhoudt
om onze God te zijn.
---
*445
#3
1
God groet u, zuiv're bloeme,
Maria, maged fijn.
Gedoog dat ik u roeme:
lof moet u altijd zijn!
Als gij niet waart geboren,
o reine Maged vrij,
Wij waren allen verloren;
aan u beveel ik mij!
2
Maria, lelie reine,
gij zijt mijn toeverlaat,
Zoals een klaar fonteine,
die nimmer stille staat,
Zo geeft gij ons genade
en staat uw dienaars bij:
Och sta mij toch te stade;
aan u beveel ik mij!
3
O roosken zonder doren,
o violette zoet.
O bloemken blauw in 't koren,
weest mij, uw kinde, goed!
Vol liefde en gestadig,
ootmoedig zo zijt gij:
Och, weest mij toch genadig;
aan u beveel ik mij!
---
*446
#4
1
God heeft het eerste woord.
Hij heeft in den beginne
het licht doen overwinnen,
Hij spreekt nog altijd voort.
2
God heeft het eerste woord.
Voor wij ter wereld kwamen,
riep Hij ons reeds bij name,
zijn roep wordt nog gehoord.
3
God heeft het laatste woord.
Wat Hij van oudsher zeide,
wordt aan het eind der tijden
in heel zijn rijk gehoord.
4
God staat aan het begin
en Hij komt aan het einde.
Zijn woord is van het zijnde
oorsprong en doel en zin.
---
*447
#3
1
God wil een tempel bouwen
om ons nabij te zijn,
en boven alle vrouwen
zal zij gezegend zijn
die Hij zich heeft verkoren:
Maria is haar naam,
een roos die zonder doornen
in bloei zal komen staan.
2
De bloem gaat zich ontvouwen,
het zonlicht wekt haar zacht-,
verwacht in stil vertrouwen
het wijken van de nacht:
zo heeft zij willen wachten,
de hoop in zich gevoed;
zo schijnt na vele nachten
ons levenslicht voorgoed.
3
Zijn warmte zal verlichten
de armen in het land,
op aarde vrede stichten:
kom, reik elkaar de hand.
God zal zijn tempel bouwen:
een wereldwijd tehuis;
mensen die Hem vertrouwen
worden er kind aan huis.
---
*448
#13
1
Voorzang:
Gij die geroepen hebt 'licht' en het licht werd geboren,
en het was goed, het werd avond en morgen,
tot op vandaag.
2
Koor:
Gij die geroepen hebt 'o mens'
en wij werden geboren,
Gij die mijn leven zo geleid hebt tot hiertoe
dat ik nog leef.
Refrein:
Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart,
die mij hebt gezien eer ik werd geboren.
3
Koor:
Gij die liefde zijt, diep in de zee,
flitsend als weerlicht, sterker dan de dood,
laat niet verloren gaan een mensenkind.
Gij die geen naam vergeet, geen mens veracht -
laat niet de dood die alles scheidt en leeg maakt,
laat niet de tweede dood over ons komen. Refrein.
4
Voorzang:
Voor allen die gekruisigd worden,
wees niet niemand,
wees hun toekomst ongezien.
5
Koor:
Voor alle mensen die van u verlaten zijn,
voor allen die hun lot niet kunnen dragen,
voor hen die weerloos zijn
in de handen van de mensen.
6
Voorzang:
Voor uw naamgenoten in ons midden:
vluchtelingen, vreemden, wees niet niemand.
7
Koor:
Voor hen die kracht uitstralen,
liefde geven, recht doen,
dat zij staande blijven in ons midden. Refrein.
8
Voorzang:
Gij die, tegen alle schijnbaar noodlot in,
ons vasthoudt,
9
Koor:
Gij die vreugde schept in mensen,
Gij die het woord tot ons gesproken hebt
dat onze ziel vervult,
10
Voorzang:
laat ons niet leeg en verloren
en zonder uitzicht,
11
Koor:
doe ons open gaan voor het visioen van vrede,
dat sinds mensenheugenis ons roept. Refrein.
12
Koor:
Verhaast de dag van uw gerechtigheid.
zie het niet langer aan
dat her en der in deze wereld
mensen gemarteld worden, kinderen gedood;
dat wij de aarde schenden
en elkaar het licht ontroven.
Zoals een hert reikhalst naar levend water,
doe ons zo verlangen naar de dag dat wij,
nu nog verdeelde mensen,
in uw stad verzameld zijn,
in U verenigd en voltooid,
in U vereeuwigd.
13
Voorzang:
Gedenk uw mensen,
dat zij niet vergeefs geboren zijn. Refrein.
---
*449
#5
1
Gij zijt een mensenzoon, Gij komt van ver,
bloed van ons bloed, uit ons zijt Gij genomen.
2
Gij hebt mijn lief en leed, mijn dag gedeeld;
Gij zijt voor mij geen vreemde God gebleven.
3
Toen ik nog nergens was, maar levend dood,
hebt Gij en Gij alleen mijn licht ontstoken.
4
Licht van uw licht zijn wij, van uw geslacht,
mensen van licht maar duister onze wegen.
5
Mensen van vlees en steen, van hoop en vrees,
breng ons toch thuis, in godsnaam geef ons vrede.
---
*450
#3
1
Gij zijt in glans verschenen,
verschenen voor altijd.
Hoe ook in dood verdwenen,
ons straalt uw heerlijkheid.
Hoe bitter ook de pijnen
door ons aan U gedaan,
Gij blijft in glans verschijnen,
ziet ons in glorie aan.
2
Uw marteling, uw lijden,
in aller wereldnood,
uw kruisgang door de tijden,
uw dagelijkse dood,
het straalt voor onze ogen,
het glanst uit alle pijn,
aan haat en hoon onttogen,
blijft Gij onz' glorie zijn.
3
Gij zijt in glans verschenen,
verschenen voor altijd.
Gij wilt uw kruis ons lenen,
als licht van eeuwigheid.
Geen ondergang kan dreigen,
of heerlijk rijst uw beeld,
en doet ons mee ontstijgen
in glans die alles heelt.
---
*451
#3
1
Gij zijt voorbijgegaan,
een steekvlam in de nacht.
De vonken van uw naam
zijn ogen in ons hart.
In flarden hangt uw woord
om onze wereld heen,
wij leven in U voort,
wij zijn_met U bekleed.
2
Gij zijt voorbijgegaan,
een voetspoor in de zee.
Gij zijt te ver gegaan,
Gij zijt een mens te veel.
Gij zijt voorgoed, Gij zijt
verborgen in uw God.
Geen stilte spreekt U uit,
ondenkbaar is uw dood.
3
Gij zijt voorbijgegaan,
een vreemd bekend gezicht,
een stuk van ons bestaan,
een vriend, een spoor van licht.
Uw licht is in mijn bloed,
mijn lichaam is uw dag,
ik hoop U tegemoet
zolang ik leven mag.
---
*452
#9
1
Koor:
Heden zult gij zijn glorie aanschouwen, hier is uw God.
2
Allen:
Heden is onze Heiland geboren, Christus de Heer.
3
God heeft gesproken: Gij zijt mijn zoon.
Ik heb u heden voortgebracht.
Koning zijt Gij op de dag van uw geboorte.
4
Allen:
Heden zult gij het licht aanschouwen, hier is uw God.
Heden is onze Heiland geboren, Christus, de Heer.
5
Licht van licht, uit mensen genomen.
Kind voor ons geboren, zoon ons gegeven,
Hij zal genoemd worden: vrede op aarde.
6
Allen:
Vrede op aarde voor alle mensen, ere zij God.
Heden is onze Heiland geboren, Christus, de Heer.
7
Zoals de zeebodem bedekt is met water,
zo zal de aarde met vrede bedekt zijn.
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt.
8
Allen:
Wij verkondigen u vol vreugde: Hier is uw God.
Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.
Kyrieleis.
9
Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.
Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.
---
*453
#4
1
Heer, herinner U de namen
van hen, die gestorven zijn,
en vergeet niet, dat zij kwamen
langs de straten van de pijn,
langs de wegen van het lijden,
door het woud der eenzaamheid,
naar het dag en nacht verbeide
Vaderhuis, hun toebereid.
2
Heer, herinner u hun luist'rend
wakker liggen in de nacht
en hun roepen in het duister,
de armzaalgheid van hun kracht,
en wil zeer aandachtig lezen
in de rimpels van hun huid
de verscheurdheid van hun wezen,
en wis hunne zonden uit.
3
Die Maria hebt vergeven
en de rover aan het kruis,
laat de doden eeuwig leven
met U in het paradijs.
Heer, herinner U hun namen,
oordeel hen en spreek hen vrij,
en bedek hun schuld en laat hen
zitten aan uw rechterzij.
4
Waarheen zal de mens zich keren,
die, staand voor uw aangezicht,
uwe liefde moet ontberen
bij het eindelijk gericht?
Heer, zo Gij niet wordt bewogen
door het breken van zijn stem,
door de droefheid in zijn ogen,
is bij niemand heil voor hem.
---
*454
#5
1
Heer Jesus mens van vlees en bloed,
zijt Gij de heiland die komen moet,
of zullen wij zonder vaste grond,
maar hopen dat een ander komt.
2
Heer Jezus, die gekomen zijt,
Die onze weg ten leven zijt,
Uw geest voltooit ons meer en meer,
Wij vinden in hem elkander weer.
3
De bozen geesten binden in,
Want Jezus stelt een nieuw begin
De doden treden uit hun nacht,
Aan armen wordt het Rijk gebracht.
4
Uw rijk is vrede, brood en wijn,
De laatsten zullen de eersten zijn.
Gelukkig wie in vreugde beleeft
Dat God zichzelf aan zondaars geeft
5
Gelukkig al wie hoort en ziet,
Hoe hier op aarde uw heil geschiedt.
Heer Jezus, mens van vlees en bloed,
Zijt Gij de Heiland die komen moet.
---
*455
#4
1
Heer, komt in deze tijd
uw heerschappij,
het einde van de strijd,
de stad waar vrij,
uit boze droom ontwaakt,
de mensen wonen,
tot een gezin gemaakt,
Gods dochters en Gods zonen?
2
Heer, gaat Gij van ons heen,
in deze tijd?
Vermaakt Gij ons alleen
uw dienstbaarheid?
Laat Gij ons dan voorgoed
in hoop en vrezen
en mag uw vredegroet
het laatste woord niet wezen?
3
Uit uw verborgenheid
hebt Gij vervuld
het perk van deze tijd
met Gods geduld.
Uw woord doet telkens weer
de harten branden.
Gij blijft nabij, o Heer,
met zegenende handen.
4
Gedreven door de Geest
gaan wij getroost
de weg van alle vlees,
die onverpoosd
de Zoon des mensen gaat,
te allen tijde,
tot Hij weer voor ons staat,
zoals Hij van ons scheidde.
---
*456
#5
1
Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
en hoe onzegbaar ons nabij.
Gij zijt gestadig met ons bezig
onder uw vleugels rusten wij.
2
Gij zijt niet ver van wie U aanbidden
niet hoog en breed van ons vandaan.
Gij zijt zo mens'lijk in ons midden
dat Gij dit lied wel zult verstaan.
3
Gij zijt onzichtbaar voor onze ogen
en niemand heeft U ooit gezien.
Maar wij vermoeden en geloven
dat Gij ons draagt, dat Gij ons dient.
4
Gij zijt in alles diep verscholen
in al wat leeft en zich ontvouwt.
Maar in de mensen wilt Gij wonen
met hart en ziel aan ons getrouwd.
5
Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
waar ook ter wereld mensen zijn.
Blijf zo genadig met ons bezig,
tot wij in U volkomen zijn.
---
*457
#7
1
Het brood in de aarde gevonden
het brood door handen gemaakt,
het brood van tranen en zorgen,
dat brood dat naar mensen smaakt.
2
Het brood van oorlog en vrede,
dat dagelijks eendere brood,
het vreemde brood van de liefde,
het stenen brood van de dood.
3
Het brood dat wij duur verdienen,
ons lichaam, ons geld, ons goed,
het brood van ons samen leven,
die schamele overvloed.
4
Een oogst uit kostbare gaarden,
de wijn die het hart verblijdt,
de vrucht van hemel en aarde,
een voorsmaak van eeuwigheid.
5
De wijn die de geest betekent
van een nieuw mensenverbond,
de beker die ons zegent -
de Naam van mond tot mond.
6
Dat brood dat wij moeten eten
om niet verloren te gaan.
Wij delen het met elkander
ons hele mensenbestaan.
7
Gij deelt het met ons, zo deelt Gij
U zelf aan ons uit voorgoed,
een mens om nooit te vergeten,
een God van vlees en bloed.
---
*458
#6
1
Het was een maged uitverkoren,
daar Jezus af wou zijn geboren.
Refrein:
Dies ben ik vro, o, o, o, o,
Benedicamus Domino.
2
Te Nazareth al in die stede,
daar was een maged rein van zeden. Refrein
3
Om haar Gods wil te gaan verkonden
Werd de engel Gabriel gezonden. Refrein
4
"Wees niet bevreesd, gij maagd vol ere,
de moeder zult gij zijn des Heren." Refrein
5
"De Heil'ge Geest zal tot u komen,
gelijk de dauw valt op de bloemen." Refrein
6
Maria viel op hare knieen:
"Dat 's Heren wil aan mij geschiede." Refrein
---
*459
#9
1
Het volk dat wandelt in het duister
zal een groot licht zien, een groot licht.
Hef naar de hemel uw gezicht,
met opgeheven hoofden, luister,
2
gij die hier woont in 't dal der tranen
en van de schaduwen des doods,
gij hoort zijn stap, gij ziet hoe groots
Hij zich zijn witte weg zal banen.
3
Hij komt met vrede; en geen rampen
geen oorlog en geen bitterheid
zal er meer zijn, geen kind dat schreit,
geen laarzen die in 't duister stampen.
4
Geen liefde gaat er meer verloren,
de onderdrukking is voorbij,
de dood is dood, nu juichen wij,
er is een Kind voor ons geboren.
5
Er is een Zoon voor ons gegeven,
de Zoon van God die Koning is,
die 't licht is in de duisternis,
de weg, de waarheid en het leven.
6
En alle andre vreemde namen:
die Wonderlijke Raadsman heet,
omdat Hij de geheimen weet
van hemel en van aarde samen.
7
En Sterke God, die de gebeden
verhoren zal, die overwint.
Eeuwige Vader heet dat Kind,
en Vorst van eindeloze vrede.
8
Dan zal de aarde voor ons allen
het land van melk en honing zijn,
het Kind van God zal Koning zijn,
nooit zal de troon van David vallen.
9
En alle, alle mensen samen,
die zullen voor zijn aangezicht
staan zingen in het grote licht.
En Hij kent allen bij hun namen.
---
*460
#1
1
Het woord dat ik jou geef
is niet te zwaar
is niet te hoog
jij kunt het volbrengen.
---
*461
#1
1
Het woord dat Ik u heden geef
is niet te zwaar voor u
het ligt niet buiten uw bereik.
Het is niet in de hemel, zeg dus niet:
wie haalt het voor ons uit de hemel.
Het is niet overzee, zeg dus niet:
wie haalt het voor ons van overzee.
Het woord is dichtbij
in uw mond in uw hart
gij kunt het volbrengen.
---
*462
#4
1
Het woord dat u ten leven riep
is niet te hoog, is niet te diep
voor mensen die 't zo traag beamen.
Het is een teken in uw hand,
een licht dat in uw ogen brandt.
Het roept u dag aan dag bij name.
2
Het is niet aan de overzij.
Wat zegt gij dan: wie zal voor mij
de wijde oceaan bevaren,
wie brengt van de overkant der zee
de schat der diepe wijsheid mee,
die 's levens raadsel kan verklaren?
3
Het is ook in de hemel niet,
hoe vaak gij ook naar boven ziet
en droomt van bovenaardse streken.
Wat gij ook in de sterren leest,
alleen de Geest beroert de geest,
alleen het woord kan 't hart toespreken.
4
Het woord van liefde, vrede en recht
is in uw eigen mond gelegd,
is in uw eigen hart geschreven.
Rondom u klinkt de stem van God:
vrijspraak, vertroosting en gebod,
vlak voor u ligt de weg ten leven.
---
*463
#3
1
Het zal zijn in het laatste der tijden
dat de berg van de tempel verheerlijkt zal staan,
dat de wegen er heen zullen leiden
en de volken der aarde op weg zullen gaan
om de rechten des Heren te leren,
zich tot God en elkaar te bekeren.
2
Als Jeruzalems tinnen gaan blinken
en beschamen der bergen en heuvelen trots,
zal van Sion uit blijde weerklinken
het bevrijdende woord van het koninkrijk Gods.
Tot bescherming van allen die leven
staat de wet van Gods heil er geschreven.
3
En een smidse van 't huis onzes Heren
maakt het zwaard tot een ploegschaar, de speer tot een zicht.
Niemand zal meer een wapen hanteren;
maar zij groeten elkaar in het heldere licht
van de waarheid die eindlijk zal dagen
over mensen van zijn welbehagen.
---
*464
#10
1
Hierheen, Adem, steek mij aan,
stuur mij uit jouw verste verte
golven licht.
2
Welkom armeluisvader,
welkom opperschenker,
welkom hartenjager.
3
Beste tranendroger
lieve zielsbewoner
mijn vriend, mijn schaduw.
4
Even rusten voor tobbers
en zwoegers, voor krampachtigen
een verademing, ben je.
5
Onmogelijk mooi licht,
overstroom de afgrond van mijn hart,
jou zo vertrouwd.
6
God ben jij, zonder jou
is alles nacht en ontij,
wreedheid, schuld,
7
maar jij maakt schoon.
Verflenst mijn bloem
geef water zalf mijn wonden.
8
Stijf sta ik, toegang verboden,
ijzig ontdooi mij, koester mij.
Vreemd ga ik, zoek mij.
9
Ik zeg ja jij, doe nee.
Vergeld mijn twijfel met vriendschap
zeven maal duizend maal.
10
Niets ben ik zonder jou.
Dood wil ik naar jou toe.
Dan zal ik lachen.
---
*465
#10
1
Hier is een stad gebouwd
overal om ons heen,
huizen en bomen en
mensen van licht en steen.
2
Huizen van vrede voor
mensen van vlees en bloed.
Veilig onveilig, zo
leven zij bitterzoet.
3
Overal haast en ver-
keer dat geen richting heeft,
wolken lawaai als een
vuur dat geen warmte geeft.
4
Woorden gaan over en
weer, waar de mensen zijn.
Woorden zijn lief en leed,
rouw en geboortepijn.
5
Iedereen wil wel een
ander, maar weet niet hoe.
Iedereen gaat zo zijn
weg, wie weet waar naar toe.
6
Mensen gaan twee aan twee,
overvloed en woestijn,
zoeken een woning en
willen geborgen zijn.
7
Een stad is man en vrouw,
opstaan en slapen gaan,
mensen die dagelijks
doodgaan en voortbestaan.
8
Leven is liefde doen,
gaan in het oude spoor:
mensen zijn vader en
zoon, en dat gaat maar door.
9
Leven is overal
tussen fabrieken en flat
bloemen en kinderspel,
licht op muziek gezet.
10
Is er een stad zonder
dood zonder duisternis,
komt er een stad waar de
zon niet meer nodig is?
---
*466
#7
1
Koor:
Hoe ver te gaan? En of er wegen zijn?
Nooit meer gebaande.
Hoeveel paar voeten zijn zij? Twee, drieduizend.
2
Koor:
Nog bijna slaven, vreemden voor elkaar.
Kreupelen, blinden.
Maar met iets in hun hoofd dat stroomt en licht geeft.
3
Allen:
De zon zal hen niet steken overdag.
Bij nacht de maan niet.
Zij stoten zich aan stenen. Niemand draagt hen.
4
Koor:
Omdat zij willen leven als nog nooit,
angstig te moede
zijn zij gegaan met grote hinkstapsprongen.
5
Allen:
Niet hier hun vaderland, en schaamteloos
wagen zij alles.
Soms wordt woestijn oase waar zij komen.
6
Koor:
Vrijheid ontkiemt in hen, gloeit aan, dooft uit,
zal weer ontvlammen.
Zij blijven kinderen, zij worden groter.
7
Allen:
Hun stoet is zonder einde en getal.
Tel maar de sterren.
Zij weten van de Stad met fundamenten.
---
*467
#1
1
Hoever is de nacht, hoever, hoever,
wachter, hoever is de nacht, de nacht?
De morgen komt, zegt de wachter,
maar nog is het nacht.
---
*468
#1
1
Hosanna, Zoon van David:
gezegend die komt in de Naam des Heren.
Hij is de Koning van Israel.
Hosanna in den hoge!
---
*469
#4
1
Hij ging van stad tot stad, hij sprak:
"tot u ben ik gezonden"
Voor zieken en gewonden
had hij een woord, een onderdak.
Refr.
Alles heeft hij welgedaan.
Tot wie zou ik anders gaan.
2
Hij gaf aan blinden het gezicht,
De nacht heeft Hij verdreven,
Gaf doden weer het leven,
Waar Hij voorbijging werd het licht.
Refr.
3
Daags voordat Hij gestorven is
heeft Hij het brood genomen:
"Hiertoe ben ik gekomen,
doet dit tot mijn gedachtenis,"
REFR.
4
En alwie Jezus' naam belijdt
zal wonderen verrichten
en als een lamp verlichten
de lange gang van onze tijd.
---
*470
#14
1
Celebrant:
Ik geloof in de levende God.
2
Allen:
Ik geloof in de levende God
Vader van onze Heer Jezus Christus
onze God, onze Vader almachtig.
3
Koor:
Alle dingen heeft Hij geschapen
in zijn enige geliefde Zoon,
beeld en gelijkenis van zijn heerlijkheid.
4
Allen:
Jezus licht van het eeuwige licht,
woord van God getrouw en waarachtig,
Jezus onze genade en waarheid.
5
Koor:
Om deze wereld van dienst te zijn,
om ons menselijk lot te delen
is Hij vlees van ons vlees geworden.
6
Allen:
Uit de wil van de Heilige Geest
en uit de maagd Maria geboren
is Hij een mens geworden als wij.
7
Koor:
Om onze zonden werd Hij gebroken,
ja gehoorzaam ten dode toe
heeft Hij zich op het kruis gegeven.
8
Allen:
Daarom heeft Hij de naam ontvangen:
eerstgeborene uit de doden,
Zoon van God en Heer van allen.
9
Koor:
Hij zal komen, God weet wanneer,
om recht te doen aan levenden en doden.
Hij is de mens op wie ik gelijken zal.
10
Allen:
Ik geloof in de kracht van de Geest,
in de liefde van de Vader en Zoon,
in het verbond tussen God met de mensen;
11
Koor:
in de kerk, het lichaam des Heren,
samengeroepen en uitgezonden
om te doen wat Hij heeft gedaan:
12
Allen:
om te dienen en te verlichten,
om te dragen de zonden der wereld
en te stichten vrede op aarde.
13
Koor:
Ik geloof dat wij zullen verrijzen
met een nieuw en onsterfelijk lichaam,
want Hij is een God van levenden.
14
Allen:
Amen. Kom, Heer jezus, kom.
---
*471
#4
1
Ik groet u vol genade,
sprak d' engel Gabriel,
De bron van uw genade
is God, Emmanuel.
2
Want onder alle vrouwen
zijt gij gebenedijd;
gelukkig die aanschouwen
in dank uw heerlijkheid.
3
En meer nog zij gezegend
de vrucht van uwe schoot;
door Hem zijn wij genezen
van een volkomen dood.
4
Gods Moeder, wil ons horen:
bid dat wij zondaars groot
voor God niet gaan verloren
in 't uur van onze dood.
---
*472
#2
1
Ik heb mijn hart tot U geheven,
Heer, al mijn hoop zijt Gij.
Ik weet: Gij zult mij niet begeven:
mijn Heiland is nabij.
Al ligt de wereld diep verduisterd,
al drukt de grauwe tijd,
mijn hart heeft met geloof geluisterd,
mijn hart heeft zekerheid.
2
Mijn hart weet, dat ons oud verlangen
Weldra vervulling vindt.
Het eeuwig licht is reeds ontvangen,
de Maagd verwacht haar Kind.
Vergeef Heer, al mijn slechte daden,
zet recht mijn dwarse voet,
en leer mij lopen langs uw paden
mijn Heiland tegemoet.
---
*473
#3
1
Ik sta voor U in leegte en gemis.
Vreemd is uw naam, onvindbaar zijn uw wegen.
Zijt Gij mijn God, sinds mensenheugenis,
dood is mijn lot, hebt Gij and're zegen?
Zijt Gij de God bij wie mijn toekomst is?
Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen?
2
Mijn dagen zijn door twijfel overmand,
ik ben gevangen in mijn onvermogen.
Hebt Gij mijn naam geschreven in Uw hand,
zult Gij mij bergen in uw mededogen?
Mag ik nog levend wonen in uw land,
mag ik nog eenmaal zien met nieuwe ogen?
3
Spreekt Gij het woord dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.
Open die wereld die geen einde heeft,
wil alle liefde aan Uw Zoon besteden.
Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.
---
*474
#4
1
Ik zal in mijn huis niet wonen,
ik zal op mijn bed niet slapen,
ik zal mijn ogen niet dicht doen,
ik zal niet rusten, geen ogenblik,
voordat ik heb gevonden
een plek waar Hij wonen kan,
een plaats om te rusten voor Hem
die God is, de enige ware.
2
Een plek waar Hij wonen kan,
een plaats om te rusten voor Hem
die God is, de enige ware.
3
Ik zal in mijn huis niet wonen,
ik zal mijn ogen niet dicht doen,
ik zal niet rusten, geen ogenblik,
ik mag versmachten van dorst,
tot ik gevonden heb
een plek waar de doden leven,
de plaats waar recht wordt gedaan
aan de verworpenen der aarde.
4
Een plek waar de doden leven,
de plaats waar recht wordt gedaan
aan de verworpenen der aarde.
---
*475
#5
1
In den beginne was het Woord,
God, die van eeuwigheid bestond,
stond op en opende Zijn mond;
Zijn stem wordt tot vandaag gehoord.
2
In den beginne was het Woord,
dat alles wat op aarde leeft
met sterke hand geschapen heeft,
waar alle ding aan toebehoort.
3
In den beginne was het Woord.
Het liep uit het volmaakte Licht
dat glansde om Gods aangezicht,
het heeft de duisternis doorboord.
4
In den beginne was het Woord,
dat voor de mensen leven is,
dat nimmer door de duisternis
verstaan kan worden of verstoord.
5
Het Woord, dat vlees geworden is
het groot en goddelijk begin,
dat loopt tussen de mensen in,
dat overwint de duisternis.
---
*476
#5
1
In diepe nacht ben ik gegaan.
Ik zocht in alle straten.
Mijn vriend is van mij heengegaan,
mijn God heeft mij verlaten.
2
Ik zocht hem en ik vond hem niet
och wachters op uw ronde,
o aarde, hebt gij uw God gezien?
Toen heeft hij mij gevonden.
3
Ik bracht hem in mijn moeders huis
en waar ik ben geboren.
Ik zal mijn naam vernemen daar.
Ik ga in hem verloren.
4
- Liefde is droever dan de dood,
o lichaam, goedertieren,
geen taal verstaat haar wonder groot
verblindend zijn uw vuren.
5
Wek niet de liefde voor haar tijd,
die dorst zal u verteren,
geen water blust de liefde uit,
haar roep is niet te keren.
---
*477
#4
1
In het begin was het woord
en het woord van bij God
en het woord was God.
Dit was in het begin bij God.
Alles is door Hem geworden,
niets is ontstaan zonder Hem.
Refrein:
In Hem was leven en dat leven was het licht,
het licht van de mensen.
Het schijnt in ons donker sindsdien.
Hij heeft in ons midden verbleven,
wij hebben zijn glans gezien.
2
Het ware licht dat ieder mens verlicht
kwam in de wereld.
De wereld was door Hem ontstaan,
toch erkende de wereld Hem niet.
Refrein.
3
Licht schijnt in de duisternis,
maar de duisternis nam het niet aan.
Hij kwam in het zijne
en de zijnen wilden hem niet.
Maar wie hem wel aanvaardt
gaf Hij de macht om te worden
kinderen van God.
Refrein
4
Niemand heeft God ooit gezien,
maar zijn enige Zoon is van hem vandaan.
Hij staat recht gericht op God.
Hij heeft ons op God gewezen
en ons geleerd wie Hij is.
Refrein.
---
*478
#3
1
Jezus die langs het water liep
en Simon en Andreas riep,
om zomaar zonder praten
hun netten te verlaten,
Hij komt misschien vandaag voorbij
en roept ook ons, roept u en mij,
om alles op te geven
en trouw Hem na te leven.
2
Jezus die langs de straten kwam
en tollenaars terzijde nam:
'k Wil in uw woning wezen
voor nu en voor nadezen,
Hij komt misschien vandaag voorbij
en neemt ook u terzij of mij
en vraagt ons, Hem te geven
de rijkdom van ons leven.
3
Christus die door de wereld gaat
verheft zijn stem niet op de straat,
Hij spreekt ons hart aan, heden,
en wenkt ons met zich mede.
En lokt ook nog zoveel ons aan,
tot wie zouden wij anders gaan?
Hij heeft en zal ons geven
alles, het eeuwig leven.
---
*479
#4
1
Juicht voor den koning van de Joden,
buigt voor geen dove wereldmacht,
knielt voor den knecht die Gods geboden
beluisterd heeft en wel geacht.
Drie vreemden zochten Hem van verre -
Herodes hebben zij bespot,
met goud, met wierook en met mirre
aanbaden zij de Zoon van God.
2
Hij daalt ootmoedig in het water,
de vogel Geest komt aangesneld,
God heeft in Hem zijn welbehagen
en alle zaligheid gesteld:
tegen de stroom staat Hij ten teken,
hier wordt des levens loop gewend,
het blinde lot gestuwd tot zegen,
wij zijn tot in de dood gekend.
3
In Kana was de gloed geweken,
het vuur bedolven onder as;
toen zei de vlam in ied're beker
wie er de ware wijnstok was;
laat het nu uit de kruiken stromen,
de vreugde ga van mond tot mond,
omdat Hij, in zijn uur gekomen,
de aarde aan zijn zijde vond!
4
Juicht voor den koning van de volken,
buigt voor zijn opperheerschappij,
zingt Halleluja! Uit de wolken
komt ons zijn heerlijkheid nabij.
Bouwt dan ootmoedig aan de aarde,
legt vrede in elkanders hand:
Hij die de beste wijn bewaarde
roept ons ter bruiloft in zijn land!
---
*480
#3
1
Jij bent de god die mij gegeven is,
de beker die voor mij ingeschonken staat.
Mijn levenslot rust in jouw hand,
goed land is mij ten deel gevallen.
2
Jij bent het lot dat mij beschoren is,
mijn schaduw, de engel die mij troost mij kwelt -
laat deze kelk aan mij voorbijgaan, gauw,
ik kan geen mensen drinken.
3
Wie ben je, jij die mij te drinken vraagt?
Je aarzelt nog aan mijn deur, je klopt en wacht
een dorstig hert - en ik een lege bron
dorstend naar stromen regen.
---
*481
#3
1
Jij die voor alle namen wijkt
geen weg die in jouw verte reikt
geen woord kan jou aanbidden.
Jij die niet hoog verheven troont
licht dat in nacht en wolken woont
een dode in ons midden.
Jij komt, wij weten dag noch uur
jij gaat voorbij, een dovend vuur
een stilte in de bomen.
Roepend van ver, stem van dichtbij
niet overal niet hier ben jij
niet god die wij ons dromen.
2
Geen veilig pad om langs te gaan
geen plek geen been om op te staan
geen rots om op te bouwen.
Geen bron die uit de rotsen breekt
geen bloed dat stuwt geen hart dat spreekt
geen ziel om in te schouwen.
Geen gulden regel, rond getal,
geen laatst gericht in dit heelal
onwrikbaar onbewogen.
Maar mensen die verminkt en klein
ontheemd ontkend toch mensen zijn
roepend om mededogen.
3
Roepende stilte, verre stem,
als jij bestaat, besta in hen,
in mensen in ons midden.
Wees onbestaanbaar ongehoord,
besta in mij, onvindbaar woord
niet god die wij aanbidden.
Jij die mij kent, jij die mij boeit
ik die jou jij noem onvermoeid,
en nog niet kan vergeten,
zouden wij ik-en-niemand zijn
ontheemd ontkend ontroostbaar zijn
en van elkaar niet weten?
---
*482
#5
1
Kom o Geest des Heren kom
uit het hemels heiligdom,
waar Gij staat voor Gods gezicht.
Kom der armen troost, daal neer,
kom en schenk uw gaven, Heer,
kom wees in de harten licht.
2
Kom o Trooster, Heilge Geest,
zachtheid die de ziel geneest,
kom verkwikking zoet en mild.
Kom o vrede in de strijd,
lafenis voor 't hart dat lijdt,
rust die alle onrust stilt.
3
Licht dat vol van zegen is,
schijn in onze duisternis,
neem de harten voor U in.
Zonder uw geheime gloed
is er in de mens geen goed,
is de ziel niet rein van zin.
4
Was wat vuil is en onrein,
overstroom ons dor domein,
heel de ziel die is gewond,
maak weer zacht wat is verstard,
koester het verkilde hart,
leid wie zelf de weg niet vond.
5
Geef uw gaven zevenvoud,
ieder die op U vertrouwt,
zich geheel op U verlaat.
sta ons met uw liefde bij,
dat ons einde zalig zij,
geef ons vreugd die niet vergaat.
---
*483
#6
1
Kom, Schepper, Geest, daal tot ons neer,
houd Gij bij ons Uw intocht, Heer;
Vervul het hart dat U verbeidt
met hemelse barmhartigheid.
2
Gij zijt de gave Gods, Gij zijt
de grote Trooster in de tijd,
de bron waar uit het leven springt,
het liefdevuur dat ons doordringt.
3
Gij schenkt uw gaven zevenvoud,
o hand die God ten zegen houdt,
o taal waarin wij God verstaan,
wij heffen onze lofzang aan.
4
Verlicht ons duistere verstand,
geef dat ons hart van liefde brandt,
en dat ons zwakke lichaam leeft
vanuit de kracht die Gij het geeft.
5
Verlos ons als de vijand woedt,
geef, Heer, de vrede ons voorgoed.
Leid Gij ons voort, opdat geen kwaad,
geen ongeval ons leven schaadt.
6
Doe ons de Vader en de Zoon
aanschouwen in den hogen troon
o Geest van beiden uitgegaan
wij bidden U gelovig aan.
---
*484
#3
1
Komen ooit voeten gevleugeld mij melden de vrede,
daalt over smeulende aarde de dauw van de vrede,
wordt ooit gehoord
uit mensenmonden dat woord:
wij zullen rusten in vrede.
2
Dan zal ik huilen en lachen en drinken en slapen;
dromen van vluchten en doden en huivrend ontwaken
Maar niemand vlucht
nergens alarm in de lucht
overal vrede geschapen.
3
Dan zal ik zwaaien naar vreemden, zij zullen mij groeten.
Wie was mijn vijand? Ik zal hem in vrede ontmoeten.
Dan zal ik gaan
waar nog geen wegen bestaan -
vrede de weg voor mijn voeten.
---
*485
#5
1
Komt tot ons, de wereld wacht,
Heiland, kom in onze nacht.
Licht dat in de nacht begint,
kind van God, Maria's kind.
2
Kind dat uit uw kamer klein,
als des hemels zonneschijn
op de aarde wordt gesteld,
gaat uw weg zoals een held.
3
Gij daalt van de Vader neer
tot de Vader keert Gij weer,
die de hel zijt doorgegaan
en hemelwaarts opgestaan.
4
Uw kribbe blinkt in de nacht
met een ongekende pracht.
Het geloof leeft in dat licht
waarvoor al het duister zwicht.
5
Lof zij God in 't hemelrijk,
Vader, Zoon en Geest gelijk,
nu en overal altijd,
nu en tot in eeuwigheid.
---
*486
#3
1
Komt ons in diepe nacht ter ore:
de morgenster is opgegaan,
een mensenkind voor ons geboren
God zal ons redden, is zijn Naam.
Opent uw hart, gelooft uw ogen,
vertrouwt u toe aan wat gij ziet:
hoe 't woord van God van alzo hoge
hier menselijk aan ons geschiedt.
2
Geen ander teken ons gegeven
geen licht is onze duisternis
dan deze mens om mee te leven
een God die onze broeder is.
Zingt voor uw God, Hij openbaarde
in Jezus zijn menslievendheid.
Zo wordt de wereld nieuwe aarde
en alle vlees aanschouwt het heil.
3
Zoals de zon komt met zijn zegen
Een bruidegom van licht en vuur,
zo komt de koning van de vrede -
voorgoed gekomen is zijn uur.
Hij huwt de mensen aan elkander
zijn liefde gaat van mond tot mond.
Hij geeft zijn lichaam ons in handen.
Zo leven wij zijn nieuw verbond.
---
*487
#8
1
Kwam van Godswege
een man in ons bestaan,
een stem om te getuigen,
Johannes was zijn naam.
Man van Godswege,
Johannes was zijn naam.
2
Zo staat geschreven:
de heuvel moet geslecht,
geen kwaad mag zijn bedreven,
maak alle paden recht
Zo staat geschreven:
maak alle paden recht
3
Doper, wat liep je
in kemelharen pij,
als een profeet, wat riep je
daar in die woestenij?
Doper, wat riep je
daar in die woestenij?
4
'Dat wij omkeren,
verlaten ons domein,
beleven 't woord des Heren
en niet weerbarstig zijn.'
Dat wij omkeren
en niet weerbarstig zijn.
5
Doper, wat moeten
wij doen totdat Hij komt?
'In hoop en vrees doet boete,
gelooft in zijn verbond.'
Doper, wat moeten
wij doen totdat Hij komt?
6
'Deelt met elkander
het brood van alledag,
opdat in u de ander
Gods heil aanschouwen mag.'
Deelt met elkander
het brood van deze dag.
7
Volk uitentreure
gezeten in de nacht;
Gods woord zal u gebeuren
zolang gij Hem verwacht
Sta te gebeuren,
kom, woord, in onze nacht.
8
Volk uitverkoren
om in het licht te gaan:
een kind wordt u geboren
Messias is zijn naam.
Kind ons geboren
jouw licht zal met ons gaan.
---
*488
#1
1
Laat juichen heel het koor van Gods gemeente,
laat juichen om zo'n grote Koning,
juichen om de Overwinning!
Laat de trompetten klinken in het rond!
---
*489
#3
1
Licht dat ons aanstoot in de morgen,
voortijdig licht waarin wij staan
koud, een voor een, en ongeborgen,
licht overdek mij, vuur mij aan.
Dat ik niet uitval, dat wij allen
zo zwaar en droevig als wij zijn
niet uit elkaars genade vallen
en doelloos en onvindbaar zijn.
2
Licht, van mijn stad de stedehouder,
aanhoudend licht dat overwint.
Vaderlijk licht, steevaste schouder,
draag mij, ik ben jouw kijkend kind.
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen
of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen
en elk zijn naam in vrede draagt.
3
Alles zal zwichten en verwaaien
wat op het licht niet is geijkt.
Taal zal alleen verwoesting zaaien
en van ons doen geen daad beklijft.
Veelstemmig licht, om aan te horen
zolang ons hart nog slagen geeft.
Liefste der mensen, eerstgeboren,
licht, laatste woord van Hem die leeft.
---
*490
#1
1
Lieve boetseerder, trek me uit de klei.
Lieve boetseerder, trek me uit de klei.
---
*491
#4
1
Looft de Heer, al wat gemaakt is, prijst zijn Naam.
Verheft Hem voor eeuwig, dankt voor uw bestaan.
Looft Hem die gezeten is op tronen van gezang.
Zingt als rivieren mee voor God: Hij leve lang.
2
Storm en aarde, bomen, stromen, zon en vuur
gij wolken en dromen, nachten, dag en duur,
licht en donker, dood en leven, wereld, mensenzaad
weest mondig en volmaakt, looft Hem met woord en daad.
3
Dauw en regen, vorst en koude, ijs en sneeuw,
de slang en de vis, de vogels en de leeuw,
geesten in de hemel en gij mensen met uw stem:
gelooft Hem op zijn woord, dat gij bestaat in Hem.
4
Looft Hem, ook wie zondigt, looft Hem kwaad en goed.
Looft Hem, die zijn Woord in u mens worden doet.
Looft uw God en Vader, die zijn Geest geschonken heeft.
Looft Hem omdat gij zijt, ja looft Hem, want Hij leeft.
---
*492
#4
1
Looft de Heer met koop'ren trompetten!
Aan uw lof sta paal noch perk;
laat ons zijn glorie in grootheid zetten;
bij zijn tempel in zijn Kerk!
2
Refrein:
Alleluia. Alleluia.
Alleluia. Alleluia.
3
Looft de Heer met pauk en bazuinen
om zijn stralend firmament.
Looft Hem wat ademt in bossen en tuinen,
al wat groeit, al wie Hem kent. Refrein
4
Looft Hem met harpen, met gouden cimbalen,
al wie leeft in eeuw en tijd.
Looft Hem met duizend tongen en talen,
looft zijn Naam, zijn Majesteit. Refrein
---
*493
#5
1
Maria die zoude naar Bethlehem gaan,
kerstavond voor de noene;
Sint-Joseph zoud' al met haar gaan
om haar gezelschap te hoeden.
2
Het hageld' en 't sneeuwde en 't was er
de rijm lag op de daken;
Sint-Joseph tot Maria sprak:
"Maria, wat zullen wij maken?"
3
Maria die zeide: "Ik bender zo moe,
laat ons een weinig rusten."
"Laat ons een weinig verder gaan,
aan een huizeken zullen wij rusten!"
4
Zij waren een weinig verder gegaan
tot aan een boereschure;
't is daar waar Heer Jezus geboren was;
daar sloten noch vensters noch deuren!
5
't Klene Kind weende, Maria zong;
Gods engels uit de tronen,
zij kwamen tezamen nedergedaald,
zij kwamen Maria kronen.
---
*494
#4
1
Mensen, wij zijn geroepen om te leven!
Hoog is de hemel boven ons verstand
en onder onze voeten hier beneden
de goede grond, het groene moederland.
2
God onze toekomst, God is onze Vader,
Hij is het licht voor onze dagen uit.
De hele wereld leeft van zijn genade,
Hij gaf de aarde en Hij geeft de tijd.
3
Abraham heeft Hij eerst zijn Woord gegeven,
dat als een zaad ontkiemde in zijn zaad,
om zo de toekomst tegemoet te leven
wanneer de grote oogst te velde staat.
4
Ja, wij zijn allen mensen der belofte,
kinderen van de dag die komen zal,
als Hij, de Zoon, de Zon, daalt uit de hoogte,
roepend van recht en vrede overal!
---
*495
#7
1
Met de boom des levens
wegend op zijn rug
droeg de Here Jezus
Gode goede vrucht.
2
Refrein:
Kyrie eleison
wees met ons begaan;
doe ons weer verrijzen
uit de dood vandaan.
3
Laten wij dan bidden
in dit aardse dal,
dat de lieve vrede
ons bewaren zal. Refrein:
4
Want de aarde vraagt ons
om het zaad des doods,
maar de hemel draagt ons
op de adem Gods. Refrein:
5
Laten wij God loven
leven van het licht,
onze val te boven
in een evenwicht. Refrein:
6
Want de aarde jaagt ons
naar de diepte toe,
maar de hemel draagt ons,
liefde wordt niet moe. Refrein:
7
Met de boom des levens
doodzwaar op zijn rug
droeg de Here Jezus
Gode goede vrucht. Refrein:
---
*496
#6
1
Midden in de dood
zijn wij in het leven,
want Een breekt het brood
om met ons te leven,
midden in de dood.
2
Dood is in ons bloed,
dood voor onze ogen,
maar Hij geeft ons moed,
dat wij leven mogen,
met de dood in 't bloed.
3
Dat wij uit de dood
opstaan om te leven,
etend van het brood
dat Hij heeft gegeven
midden in de dood.
4
Lamp voor onze voet,
licht voor onze ogen,
geef ons levensmoed
met de dood voor ogen
met de dood in 't bloed.
5
Jezus, uit de dood
opgestaan tot leven,
wees voor ons het brood,
dat wij in U leven,
midden in de dood.
6
Wees voor ons de wijn,
dat wij van U drinken.
Wees voor ons de pijn,
dat wij in U zinken,
dat wij in U zijn.
---
*497
#4
1
Midden in de winternacht
ging de hemel open.
Die ons heil ter wereld bracht,
antwoord op ons hopen.
Elke vogel zingt zijn lied,
herders waarom zingt gij niet?
Laat de cithers slaan;
blaast uw fluiten aan;
laat de bel, laat de trom,
laat de bel-trom horen:
Christus is geboren.
2
Vrede was het overal:
wilde dieren kwamen
bij de schapen in de stal
en zij speelden samen.
Elke vogel zingt zijn lied,
herders waarom speelt gij niet?
Laat de cithers slaan;
blaast uw fluiten aan;
laat de bel, laat de trom,
laat de bel-trom horen:
Christus is geboren!
3
Ondanks winter, sneeuw en ijs
bloeien alle bomen,
want het aardse paradijs
is vannacht gekomen.
Elke vogel zingt zijn lied,
herders waarom danst gij niet?
Laat de cithers slaan;
blaast uw fluiten aan;
laat de bel, laat de trom,
laat de bel-trom horen:
Christus is geboren!
4
Ziet, reeds staat de morgenster
stralend in het duister,
want de dag is niet meer ver,
bode van de luister
die ons weldra op zal gaan.
Herders blaast uw fluiten aan
laat de bel, bim-bam,
laat de trom, rom-rom,
keere om, keere om,
laat de beltrom horen:
Christus is geboren!
---
*498
#3
1
Refrein:
Mogen allen een zijn, Vader,
zoals Gij in mij zijt, en ik in U ben;
mogen zij ook een zijn in ons,
opdat de wereld gelove in Mij.
Heilige Vader, bewaar steeds mijn vrienden
voor het een geloof in uw naam,
de naam, die Gij aan Mij verleent
opdat hij door hen bemind moge zijn. Refrein.
2
Heilige Vader, tot U kom ik weder;
doch wijl ik nog bij hen verblijf,
spreek Ik tot hen uw vreugdewoord,
opdat heel mijn vreugd' in hen moge zijn. Refrein
3
Heilige Vader, ik bid ook voor allen,
die ooit zullen luist'ren naar hen
en blij geloven in uw Woord:
ook zij wezen een, en een zoals Wij. Refrein.
---
*499
#7
1
Refrein a:
Mijn volk, wat heb Ik u gedaan
of waarmee heb Ik u bedroefd. Antwoord Mij.
Voorzang:
Ik heb u uit Egypte weggeroepen.
Gij hebt geroepen: Aan het kruis met Hem.
2
Koor:
Hagios o Theos, Sanctus Deo, Heilige God.
Refrein b:
Heilige onsterfelijke God,
ontferm U over ons.
3
Voorzang:
Ik heb voor u het water uit de rots doen stromen.
Gij hebt Mij gal en azijn te drinken gegeven. Refrein b.
4
Ik heb om uwentwil uw vijanden geslagen,
maar gij hebt Mij gegeseld en gehoond. Refrein a en b.
5
Ik heb u groot gemaakt, met heerlijkheid gekroond.
Maar gij hebt voor Mij een doornenkroon gevlochten.
6
Koor:
Hagios o Theos, Sanctus Deo, Heilige God. Refrein b.
7
Voorzang:
Wat had Ik nog meer voor u moeten doen.
Ik heb u binnengevoerd in mijn land, in mijn vrede.
Maar gij, gij hebt uw Redder aan het kruis geslagen.
Refrein b en a.
---
*500
#3
1
Naam van Jezus, nu verheven
boven alle namen uit,
om een leidsman ons te geven
die in alle waarheid leidt,
wees verborgen in ons midden,
leer ons bidden,
geef uw zegen wijd en zijd.
2
Wanneer zult Gij weer verschijnen?
Komt het vragen nog te vroeg?
Kent de herder nog de zijnen
sinds Hij eens de wolven sloeg?
Leid ons in de ware vrijheid,
uw nabijheid,
wolk en vuur zijn niet genoeg.
3
Overal wordt U gebeden
om het Rijk dat komen gaat.
Laat het zichtbaar zijn beneden,
geef een nieuwe dageraad.
Woord van God, maak deze aarde
tot een gaarde
waar de boom des levens staat.
---
*501
#1
1
Niemand leeft voor zichzelf
niemand sterft voor zichzelf.
Wij leven en sterven voor God onze Heer
aan Hem behoren wij toe!
---
*502
#5
1
Allen:
Neemt Gods woord met hart en mond,
eet en drinkt zijn nieuw verbond,
gedenkt uw Heer tot dat Hij wederkomt.
Koor:
Gij hebt ons toegesproken tot in de diepste nood.
Uw lichaam werd gebroken, uw vlees is waarlijk brood.
2
Waar velen zijn gestorven
hebt Gij ons honderdvoud
een nieuw bestaan verworven
Gij zijt ons lijfsbehoud.
3
Gij roept ons uit de zonde,
Gij maakt ons brood en wijn,
om met elkaar verbonden
opnieuw uw volk te zijn. (refrein)
4
O lichaam ons gegeven
o Heer van ons bestaan
geef dat wij van U leven
en niet verloren gaan.
5
Heer, God hier in ons midden,
maak uw belofte waar.
Nu laat uw woord geschieden
en schenk ons aan elkaar. (refrein)
---
*503
#7
1
Niet als een storm, als een vloed,
niet als een bijl aan de wortel
komen de woorden van God,
niet als een schot in het hart.
2
Maar als een glimp van de zon,
een groene twijg in de winter,
dorstig en hard deze grond-
zo is het koninkrijk Gods.
3
Stem die de stilte niet breekt,
woord als een knecht in de wereld,
naam zonder klank zonder macht,
vreemdeling zonder geslacht.
4
Kinderen, armen van geest,
mensen gelouterd tot vrede,
horen de naam in hun hart,
dragen het woord in hun vlees.
5
Blinden herkennen de hand,
dovemansoren verstaan Hem.
Zalig de man die gelooft,
zalig de vrouw aan de bron.
6
Niet in het graf van voorbij,
niet in en tempel van dromen,
hier in ons midden is Hij,
hier in de schaduw der hoop.
7
Hier in dit stervend bestaan
wordt Hij voor ons geloofwaardig,
worden wij mensen van God,
liefde op leven en dood.
---
*504
#4
1
NIet tot de dienst der wraak
maar tot elkaars verzoening
heb ik u aangeraakt
heeft u mijn woord geroepen.
2
Niet in het woordgeweld
waarmee de mensen dreigen
heb ik mijn eer gesteld
maar in wie durven zwijgen.
3
Niet in het groot vertoon
worden mijn woorden waarheid
maar in een mensenzoon
wordt duisternis tot klaarheid.
4
Niet tot een mens vol kracht
die heerst over zijn broeders
maar tot de volle maat
van Christus zult gij groeien.
---
*505
#5
1
Nu daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal;
Hij komt de volken troosten,
die eeuwig heersen zal.
2
De duisternis gaat wijken
van d' eeuwenlange nacht.
Een nieuwe dag gaat prijken
met ongekende pracht.
3
Zij, zie gebonden zaten
in schaduw van de dood,
van God en mens verlaten
begroeten 't morgenrood.
4
De zonne, voor wier stralen
het nacht'lijk duister zwicht,
en die zal zegepralen,
is Christus, 't eeuwig licht!
5
Reeds daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal:
Hij komt de volken troosten,
die eeuwig heersen zal.
---
*506
#7
1
Nu moet gij allen vrolijk zijn.
De bomen zingen in de tuin,
het lege graf verzwijgt het niet,
de mond geopend voor het lied,
halleluja!
2
De loze worden zijn verstomd,
de wereld die op adem komt
zingt met de vogels in de lucht
dat nu de nacht is weggevlucht,
halleluja!
3
Geen vlammend zwaard verspert de weg,
de engel die het voerde zegt,
dat alle leed geleden is
omdat de Heer verrezen is,
halleluja!
4
Hij heeft het zegel weggedaan,
nu kunnen wij zijn woord verstaan,
zijn graf is als een open boek,
de windsels liggen in de hoek,
halleluja!
5
O dood, die Hem ontkomen liet,
Hij neemt bezit van uw gebied,
zijn heerschappij gaat in en uit
door al de deuren die men sluit,
halleluja!
6
Wij willen zingen dat Hij leeft,
Hij leeft die God gehoorzaamd heeft,
zijn graf staat ledig in de tijd,
het is een mond vol zaligheid,
halleluja!
7
O goede engel bij het graf,
de lente lost de winter af,
bewaak het jonge groen en wijs
de ingang van het paradijs,
halleluja!
---
*507
#2
1
Nu nog met halve woorden, hier en daar,
kijkend in donk're spiegels, bijna waar,
blijven wij vreemden die zien en weer vergeten,
doen in den blinde wat moet, maar ongeweten.
Dan, eenmaal, wordt, wat niet bestaat:
wij zullen open gaan,
en zien en horen, oog in oog,
van mens tot mens verstaan.
2
Weten voorbij aan alle angst en schijn,
en liefde, liefde zal geen woord meer zijn.
Lichaam en zwijgen genoeg, en onze namen
rusten in licht als leeuw en lam tesamen.
Nu nog verslaafd, dan waar en vrij,
ontketend, onverbloemd.
Nu nog in tranen, dan getroost
en met mijzelf verzoend.
---
*508
#4
1
Nu zijt wellekome, Jezu, Lieve Heer;
Gij komt van alzo hoge, van al zo veer.
Nu zijt wellekome van de hoge hemel neer;
hier al in dit aardrijk zijt Gij gezien nooit meer:
Kyrieleis.
2
Christe Kyrieleison, laat ons zingen blij,
daarmeed' ook onze leisen beginnen vrij.
Jezus is geboren op de heilige kerstnacht
van een Maged reine, die hoog moet zijn geacht:
Kyrieleis.
3
D' herders op de velden hoorden een nieuw lied
(dat Jezus was geboren, zij wisten 't niet).
Gaat aan geender straten, en gij zult Hem vinden klaar;
Bet'lem is de stede, waar 't is geschied voorwaar:
Kyrieleis.
4
D' heilige drie Koon'gen uit zo verre land,
zij zochten onze Here met offerhand.
Z' offerden ootmoediglijk myr, wierook ende goud
t' ere van den Kinde, dat alle ding behoudt:
Kyrieleis.
---
*509
#3
1
Versie A:
O Christus, woord der eeuwigheid,
dat naar ons uitging in de tijd
en daad werd, mens van hoofd tot voeten,
wij danken U, God die Gij zijt,
dat Gij ons menslijk wilt ontmoeten.
2
Hoe hadden wij U ooit verstaan,
waart Gij niet tot ons uitgegaan,
o levenswoord van den beginne?
Spreek, woord van vlees en bloed, ons aan,
o Christus, treed ons leven binnen.
3
Gij werd een mens, maar zonder eer,
die in de wereld geen verweer,
niets heerlijks had voor mensenogen.
Gij woord dat antwoord vraagt, o Heer,
geef dat wij U herkennen mogen.
Versie B:
1
O Christus, Woord der eeuwigheid,
dat naar ons uitging in den tijd
en daad werd, mens van hoofd tot voeten,
wij danken U, God die Gij zijt,
dat Gij ons mens'lijk wilt ontmoeten.
2
Hoe hadden wij U ooit verstaan,
waart Gij niet tot ons uitgegaan,
o levenswoord van den beginne?
Spreek, Woord van vlees en bloed, ons aan,
o Christus, treed ons leven binnen!
3
Gij werd een mens, maar zonder eer,
die in de wereld geen verweer,
niets heerlijks had voor mensenogen.
Gij Woord, dat antwoord vraagt, - o Heer,
geef, dat wij U herkennen mogen.
---
*510
#3
1
O Heiland, open wijd de poort
en daal omlaag, Gods eeuwig Woord,
die aller mensen redder zijt,
zo lang voorzegd, zo lang verbeid.
2
Besproei ons hart, zo dor en droog,
met dauw en regen van omhoog.
Gij zijt het zacht, ootmoedig Lam,
Gij zijt de Leeuw uit Juda's stam.
3
O Morgenstond, zo lang verbeid,
o Zon van algerechtigheid,
de dag breekt aan, de nacht is om:
wij wachten, kom, Heer Jezus, kom.
---
*511
#4
1
O Hoofd, vol bloed en wonden,
met smaad gedekt en hoon,
o godd'lijk Hoofd omwonden
met scherpe doornenkroon!
O Gij, die and're kronen
en glorie waardig zijt;
Ik wil mijn hart U tonen,
dat met U medelijdt.
2
Mijn God, die zonder klagen
het zwaarste hebt doorstaan:
al wat Gij hadt te dragen,
wie heeft het U gedaan!
Wee mij, die voor de zonden
het hoogste goed verliet!
O, om uw bloed en wonden,
verstoot mij, zondaar, niet!
3
O Hoofd, vol bloed en wonden,
o Gods onschuldig Lam,
dat voor der mensen zonden
de schulden op Zich nam!
Wat zal ik U dan geven
voor zoveel smaad en smart?
Heer, neem mijn korte leven,
Heer, neem mijn schamel hart!
4
En als ik eens moet strijden
mijn allerlaatste strijd,
wil ik nog eens belijden,
dat Gij mijn Heiland zijt.
O Hoofd, vol bloed en wonden,
o Hoofd, vol smart en smaad!
Wees in die laatste stonden
mijn hoogste toeverlaat.
---
*512
#5
1
O kom, o kom, Immanuel,
verlos uw volk, uw Israel,
herstel het van ellende weer,
zodat het looft uw naam, o Heer!
Weest blij, weest blij, o Israel!
Hij is nabij, Immanuel!
2
O kom, Gij wortel Isai,
verlos ons van de tyrannie,
van alle goden dezer eeuw,
o Herder, sla de boze leeuw.
Weest blij, weest blij, o Israel!
Hij is nabij, Immanuel!
3
O kom, o kom, Gij Orient,
en maak uw licht alom bekend;
verjaag de nacht van nood en dood,
wij groeten reeds uw morgenrood.
Wees blij, weest blij, o Israel!
Hij is nabij, Immanuel!
4
O kom, Gij sleutel Davids, kom
en open ons het heiligdom;
dat wij betreden uwe poort,
Jeruzalem, o vredesoord!
Weest blij, weest blij, o Israel!
Hij is nabij, Immanuel!
5
O kom, die onze Heerser zijt,
in wolk en vuur en majesteit.
O Adonai die spreekt met macht,
verbreek het duister van de nacht.
Weest blij, weest blij, o Israel!
Hij is nabij, Immanuel!
---
*513
#5
1
Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen.
Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
Refrein
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
2
Overal nabij is Hij mens'lijk allerwegen.
Maar geen mens herkent Hem, Hij wordt gewoon verzwegen.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
3
God van God en licht van licht aller dingen hoeder
heeft een menselijk gezicht aller mensen broeder.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
4
Wilt daarom elkander doen alle goeds geduldig.
Weest elkaar om zijnentwil niets dan liefde schuldig.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
5
Weest verheugd, van zorgen vrij: God die wij aanbidden
is ons rakelings nabij, wonend in ons midden.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
---
*514
#4
1
Ons hart verheft zich tot U, Heer,
zie vol ontferming op ons neer.
Betoon ons uw barmhartigheid,
schenk ons uw Heil in eeuwigheid.
2
Toon ons uw wegen, geef ons kracht.
Heer, red uw volk, dat U verwacht.
Leid Gij ons in uw waarheid voort,
totdat uw roepstem wordt gehoord.
3
Vergeef ons onze zonden groot.
Wij zijn in eenzaamheid en nood.
Verlaat u op de Heer altijd,
totdat zijn komst uw hart verblijdt.
4
De nacht is om, de dag nabij.
Staat op! Ons Heil verwachten wij
Trekt aan de wapens van het licht,
wilt u bekleden met de Heer!
---
*515
#3
1
Overal zijt Gij onzichtbaar gegeven,
sprekend nabij, de stilte verwacht U,
mensen bestaan U, zien en beleven U.
2
Mensen van vlees, van licht en gesteente,
hard en van bloed, een vloed niet te stelpen,
mensen uw volk, uw stad hier op aarde.
3
Aarde is al wat wij zijn, wat wij maken,
adem ons open, maar ons uw aarde,
uw nieuwe hemel, vrede op aarde.
---
*516
#3
1
O waarlijk hoogste majesteit
der godd'lijke drievuldigheid,
U zij de lof en roem gebracht
de eer, de zegepraal, de kracht.
2
U roepen wij uit 's harten grond,
U loven wij als uit een mond,
en knielen neer en smeken luid
en strekken onze handen uit.
3
Aan God de Vader in zijn troon
zij lof aan zijn enige Zoon
en aan de Geest die troost ons geeft
zij lof die nimmer einde heeft.
---
*517
#8
1
K: mel a:
Roept God een mens tot leven,
wie weet waarom en hoe,
Hij moet zichzelf prijsgeven,
hij leeft ten dode toe.
2
A: mel a:
Gods woord roept door de tijden
zijn volk en grijpt het aan
Hij doet het uitgeleide
het moet de zee ingaan
3
K: mel b:
Geroepen en verzameld
uit dood en slavernij,
gedoopt in woord en water
dat volk van God zijn wij.
4
A: mel a:
Wij werden nieuw geboren
toen de mens Jezus kwam,
die als een slaaf de zonde
der wereld op zich nam.
5
K: mel b:
Met Hem in geest en water
tot zoon van God gewijd,
zijn wij met Hem begraven,
verrezen voor altijd.
6
A: mel a:
Gestorven voor de zonde
in Jezus' bloed vereend,
en met elkaar verbonden
levend voor God alleen.
7
K: mel b:
Wie Jezus' kelk wil drinken,
zijn doop wil ondergaan,
zal in de dood verzinken
en uit die dood opstaan.
8
A: mel a:
Hij zal zijn leven geven
hij maakt zichzelf tot brood,
hij sterft en and'ren leven,
hij overleeft de dood.
---
*518
#4
1
Sta op! Een morgen ongedacht,
Gods dag is aangebroken,
er is in een bewogen nacht
een nieuwe lente ontloken.
Het leven brak door aarde en steen,
uit alle wondren om u heen
spreekt, dat God heeft gesproken.
2
Hij heeft gezegd: Gij mens, kom uit,
open uw dode oren;
kom uit het graf dat u omsluit,
kom uit en word geboren!
Toen heeft zich in het vroegste licht
de nieuwe Adam opgericht,
ons allen lang tevoren.
3
Al wat ten dode was gedoemd
mag nu de hoop herwinnen;
bloemen en vogels, alles roemt
Hem als in den beginne.
Keerde de Heer der schepping weer,
dan is het tevergeefs niet meer
te bloeien en te minnen.
4
Sta op! Hij gaat al voor ons uit,
de schoot van 't graf ontkomen.
De morgen is vol nieuw geluid,
werp af uw boze dromen.
Waar Hij, ons Hoofd, is voorgegaan,
is voor het lichaam nu vrij baan
naar een bestaan volkomen.
---
*519
#3
1
Stem als een zee van mensen
om mij, door mij heen.
Stem van die drenkeling,
van dat stuk wrakhout
dat een mens blijkt
als hij mij aankijkt.
2
Stem die mij roept: wie ben je,
mens waar is je broer?
Stem die mijn vliezen breekt
en mij bevrijdt, die
vuur uit steen slaat,
jij die mij ik maakt
3
Stem die geen naam heeft nog niet,
mensen zonder stem.
Stem als een specht die klopt
aan mijn gehoorbeen.
Woord dat aanhoudt.
God die mij vasthoudt.
---
*520
#4
1
Te Bethlehem geboren
is ons een kindje klein;
dat heb ik mij verkoren,
zijn dienaar wil ik zijn:
Eia, eia, zijn dienaar wil ik zijn.
2
Heer Jezus werd mijn broeder,
geboren in Kerstnacht.
Maria was de Moeder
die Hem ter wereld bracht.
Eia, eia, die Hem ter wereld bracht.
3
Hoe hebben zij geleden,
die Moeder en dat kind.
De weg zijn zij getreden,
waar 'k almaar lijden vind.
Eia, eia, waar 'k almaar lijden vind.
4
Nu zet ik niet mijn zinnen,
op aardse dingen meer.
Maria wil ik minnen
en Jezus lieve Heer.
Eia, eia, en Jezus lieve Heer.
---
*521
#6
1
Ten hemel opgevaren is, halleluja,
Christus die Heer en Koning is, halleluja.
2
Nu zit Hij aan Gods rechterhand, halleluja,
heerst over hemel, zee en land, halleluja.
3
Zie nu hoe in vervulling gaat, halleluja,
wat in de psalm geschreven staat, halleluja.
4
De Heer verleent zijn majesteit, halleluja,
aan Davids Zoon in eeuwigheid, halleluja.
5
Nu stijgt ons loflied op en eert, halleluja,
de Here Christus die regeert, halleluja.
6
De heilige Drievuldigheid, halleluja,
zij lof en prijs in eeuwigheid, halleluja.
---
*522
#1
1
Ten paradijze geleiden u de engelen.
Dat bij uw aankomst u begroeten mogen de martelaren.
Zij begeleiden u tot in de hemelse stad, Jeruzalem.
Moge 't koor der engelen u met vreugde ontvangen.
En als Lazarus, de arme van weleer,
zult gij voor eeuwig in het land van vrede zijn.
---
*523
#5
1
Terwijl het morgenlicht ontwaakt,
wij schouwen op naar Gods gelaat:
dat Hij ons werk van deze dag
voor tegenspoed behouden mag.
2
Hij zij een teugel voor de tong
die vaak een twistgesprek begon.
Hij zij een lichtscherm voor het oog
dat zich aan ijdelheid bedroog.
3
Vooral de diepte van ons hart
beware Hij voor haat en smart,
Hij lere ons opstandig vlees
zich onderwerpen aan de geest.
4
Wanneer ook deze dag vergaat,
en weer een nacht te wachten staat,
laat ons, van zonden even rein,
de zangers van zijn glorie zijn.
5
Aan God de Vader op zijn troon
zij lof, en aan zijn enige Zoon,
en aan de Geest die ons verblijdt
van heden tot in eeuwigheid!
---
*524
#5
1
Toen Jezus in zijn uur gekomen was
om deze wereld te verlaten,
heeft Hij ten einde toe ons liefgehad.
De veel geliefde zoon van God de Vader
wordt een slaaf die onze voeten wast,
Allen: wordt een slaaf die onze voeten wast,
2
Toen Jezus met zijn vrienden maaltijd hield,
nam Hij het brood, nam Hij de beker.
Hij heeft zijn leven aan ons uitgedeeld,
zijn bloed voor deze wereld prijsgegeven,
teken van de geest, die Hem bezielt.
Allen: Teken van de geest, die Hem bezielt.
3
Ik ben de wijnstok heeft Hij toen gezegd,
gij zijt voorgoed met Mij verbonden.
Ik ben uw waarheid en Ik ben uw weg,
Ik ben die ben, vergeving van uw zonden;
Vrede geef Ik u, heeft Hij gezegd.
Allen: Vrede geef Ik u, heeft Hij gezegd.
4
Toen Jezus naar zijn Vader toe zou gaan
heeft Hij gebeden voor zijn vrienden.
Vader, bad Hij, bewaar hen in uw Naam,
mogen zij allen een zijn in de liefde,
dat zij doen, wat Ik hun heb gedaan.
Allen: Dat zij doen, wat Ik hun heb gedaan.
5
Toen Jezus in de hof gekomen was
heeft Hij in grote angst gebeden,
maar niemand was er, die Hem antwoord ga
Een vriend heeft Hem verkocht en uitgeleverd
toen Hij in zijn uur gekomen was.
Allen: Toen Hij in zijn uur gekomen was.
---
*525
#5
1
Toen Jezus naar zijn stede ging
zes dagen voor zijn lijden,
toen naderde een lange stoet
die hem een welkom wijdde:
REFREIN: Wij zingen hosanna de koning ter eer;
gezegend die komt in de naam van de Heer.
2
Zij hebben kleren uitgespreid,
Hem toegezwaaid met palmen;
Zij lieten heel Jeruzalem
Van hun nieuw lied weergalmen. REFR.
3
De kinderen der Joden mee,
Zij wilden Jezus prijzen;
Zij zongen met hun hoge stem
Op nooit gezongen wijzen. REFR.
4
Wij voeren naar Jeruzalem
De Koning met ons mede;
Wij trekken uit het Oud Verbond
Om 't Nieuwe te betreden. REFR.
5
Jeruzalem, o hemelstad,
Hier komt uw Koning binnen;
De vijandschappen gaan voorbij
De liefde mag beginnen. REFR.
---
*526
#5
1
Toen Jezus was gekomen
ten doop bij de Jordaan,
heeft Hij een stem vernomen
hoog uit de wolk vandaan.
Een duif boven het water,
een man diep in de stroom.
De stem roept Hem bij name:
mijn welbeminde Zoon.
2
Een naam uit oude tijden:
Lam Gods en Jahwe's knecht -
de last van een groot lijden,
de dood Hem toegezegd.
De Geest kwam Hem opjagen
tot in de doodswoestijn.
Daar moest Hij veertig dagen
bij wilde beesten zijn.
3
Het Lam van God de Vader,
dat welbeminde Woord
besprongen door de satan.
Hij werd als wij bekoord.
Want wie zich prijs durft geven
tot heil van iedereen,
vindt waar hij wordt gedreven
de duivel om zich heen.
4
De Heer die ongezien en
in deemoed tot ons kwam,
die om ons vlees te dienen
de zonde op zich nam.
Hij werd bekoord om koning
in plaats van knecht te zijn,
Jeruzalem zijn woning,
een aardse heerschappij.
5
Toen is Hij trouw gebleven
de weg is Hij gegaan.
Hij gaf als brood zijn leven,
Hij heeft de dood doorstaan.
Verlos ons van de kwade,
o Heer, en maak het waar
dat wij met U gedoopt zijn
ten dienste van elkaar.
---
*527
#3
1
Tijd van vloek en tijd van zegen,
tijd van droogte tijd van regen
dag van oogst en tijd van nood
tijd van stenen tijd van brood.
Tijd van liefde nacht van waken
uur der waarheid dag der dagen
toekomst die gekomen is
woord dat vol van stilte is.
2
Tijd van troosten tijd van tranen
tijd van mooi zijn tijd van schamen
tijd van jagen nu of nooit
tijd van hopen dat nog ooit.
Tijd van zwijgen zin vergeten
nergens blijven nergens weten
tijd van kruipen tijd van angst
zee van tijd en eenzaamheid.
3
Wie aan dit bestaan verloren
nieuw begin heeft afgezworen
wie het houdt bij wat hij heeft
sterven zal hij ongeleefd.
Tijd van leven om met velen
brood en ademtocht te delen
wie niet geeft om zelfbehoud,
leven vindt hij honderdvoud.
---
*528
#3
1
Refrein:
Ubi caritas et amor, Deus ibi est.
Christus liefde heeft ons tot eenheid gebracht
laat ons juichen en blij zijn in Hem.
Laat ons oprecht beminnen de God die leeft,
en van harte goed zijn met elkaar. Refrein.
2
Laar ons dus, nu wij hier tezamen zijn
zorgen dat er geen verdeeldheid heerst!
Geen wrok meer, geen onenigheid,
moge Christus in ons midden zijn! Refrein
3
O Christus, God, toon ons uw heerlijkheid
met uw heiligen die bij U zijn!
Die vreugde zal zuiver zijn en zonder maat,
en duren tot in eeuwigheid! Refrein.
---
*529
#3
1
Uit angst en nood stijgt mijn gebed.
O Heer, wil naar mij horen!
Wanneer Gij op ons falen let,
zijn wij, o God verloren.
Maar in uw eindeloos geduld
delgt Gij de menselijke schuld
en zegent die U vrezen.
2
Ik hoop op God de Heer en wacht
het woord dat Hij zal spreken.
Al loopt het naar de middernacht,
ik volg zijn heilig teken.
Mijn hart is in d donkerheid
een wachter die het licht verbeidt,
een wachter op de morgen.
3
Hoop, Israel, op God de Heer
die rijk is aan genade.
Want Hij verlaat u nimmermeer,
al kiest gij ook ten kwade.
Hij leidt u door de woestenij
en maakt gans Israel eens vrij
van ongerechtigheden.
---
*530
#5
1
Uit uw hemel zonder grenzen
komt Gijn tastend aan het licht
met een naam en een gezicht
even weerloos als wij mensen.
2
Als een kind zijt Gij gekomen,
als een schaduw die verblindt,
onnaspeurbaar als de wind
die voorbijgaat in de bomen.
3
Als een vuur zijt Gij verschenen,
als een ster gaat Gij ons voor,
in den vreemde wijst uw spoor,
in de dood zijt Gij verdwenen.
4
Als een bron zijt Gij begraven,
als een mens in de woestijn.
Zal er ooit een ander zijn,
ooit nog vrede hier op aarde?
5
Als een woord zijt Gij gegeven,
als een nacht van hoop en vrees,
als een pijn die ons geneest,
als een nieuw begin van leven.
---
*531
#3
1
Uit vuur en ijzer, zuur en zout,
zo wijd als licht, zo eeuwen oud,
uit alles wordt een mens gebouwd
en steeds opnieuw geboren.
Om ijzer in vuur te zijn,
om zout en zoet en zuur te zijn,
om mens voor een mens te zijn
wordt alleman geboren.
2
Om water voor de zee te zijn,
om anderman een woord te zijn,
om niemand weet hoe groot en klein,
(- gezocht, gekend, verloren -)
om vanavond en morgenland,
om hier te zijn en overkant,
om hand in een andre hand,
om niet te zijn verloren.
3
Om oud en wijs als licht te zijn,
om lippen, water, dorst te zijn,
om alles en om niets te zijn,
gaat iemand tot een ander.
Naar verte die niemand weet,
door vuur dat mensen samensmeedt,
om leven in lief en leed
gaan mensen tot elkander.
---
*532
#3
1
U zij de glorie, opgestane Heer,
U zij de victorie nu en immer meer.
Uit een blinkend stromen daalde d' engel af,
heeft de steen genomen van 't verwonnen graf.
U zij de glorie, opgestane Heer,
U zij de victorie, nu en immer meer.
2
Zie Hem verschijnen, Jezus, onze Heer,
Hij brengt al de zijnen in zijn armen weer.
Weest dan volk des Heren blijde en welgezind
en zegt telkenkere: "Christus overwint."
U zij de glorie, opgestane Heer,
U zij de victorie, nu en immermeer.
3
Zou ik nog vrezen, nu Hij eeuwig leeft,
die mij heeft genezen, die mij vrede geeft?
In zijn goddelijk wezen is mijn glorie groot;
niets heb ik te vrezen in leven en in dood.
U zij de glorie, opgestane Heer,
U zij de victorie, nu en immermeer.
---
*533
#3
1
Vanwaar zijt Gij gekomen,
wij wisten niets van U.
In onze stoutste dromen
was God nooit hier en nu.
Een nieuwe God zijt Gij
die onder ons wilt wonen,
zo ver weg, zo dichtbij.
2
Gij zijt ons doorgegeven
een naam, een oud verbaal
uw woorden uitgeschreven
in ied're mensentaal.
Ons eigen levenslot
met uw geluk verweven,
zo zijt Gij onze God.
3
Gij zijt in ons verloren
wij durven u niet aan,
uw stem in onze oren,
uw komst in ons bestaan.
Een woord van vlees en bloed
een kind voor ons geboren.
een mens die sterven moet.
---
*534
#3
1
Verblijdt u in de Heer te allen tijd!
Dat zeg ik u, dat zeg ik u: verblijdt u!
Verblijdt u, want de Heer is zeer nabij,
de Heer is zeer nabij en Hij bevrijdt u.
2
Weest niet bezorgd, maar bidt en smeekt de Heer,
weest niet bezorgd, maar mild en toegenegen,
want Hij brengt in uw ballingschap een keer;
zijn land, zijn erf, zijn stad heeft Hij gezegend.
3
Daarom, dankt God! De vrede die Hij geeft
gaat alle redelijk verstand te boven.
Hij die uw harten in zijn hoede heeft,
is goed, is God. Gij moet in Hem geloven.
---
*535
#3
1
Verdoofd en schamper van gemis
herkomst en doel verloren
dit leven dat geen leven is
nog dood nog ongeboren.
Doe open Gij die woont in licht
dat niet ter dood gedoemd zijn
wij die naar U genoemd zijn.
2
Uw nu ons eertijds aangezegd
volhardt in onze oren
opdat wij doen het volste recht
en zijn uit U geboren
'de minste mens een naaste zijn'-
dat woord heeft zin gegeven
ons angstbeladen leven.
3
Die gaan de wegen van uw woord
geen lot is hen beschoren
dan Gij, Gij plant hun adem voort
uw land zal hen behoren.
Woestijnen gaan in dauw gedrenkt
geluk zal wedervaren
aan wie verworpen waren.
---
*536
#2
1
Vergeet niet dat woord van oudsher:
dat leeggeschud zullen worden
de plunderaars, uitgedreven
de stichters van tyrannie.
Maar de doodgetrapte zal leven,
de arme zal opstaan en nemen
het land dat hem toebehoort.
2
Vergeet niet dat woord van oudsher:
dat uitgeroeid zullen worden
de moordenaars, uitgedreven
de stichters van tyrannie.
Maar de doodgetrapte zal leven,
kinderen zullen opstaan en grijpen
het recht dat hun toebehoort.
---
*537
#4
1
Verheft uw hart, weest welgemoed.
Verhoopt de dag die daagt voorgoed.
Gedenkt uw Heer en zijn verbond
in woord en brood, totdat Hij komt.
2
Heer God, die immer komen zult
in dood en mensennood gehuld,
geef dat wij U vandaag verstaan,
troostend elkander in uw naam.
3
Zult Gij wel komen, zal uw licht,
verklaren al wat duister is?
Zoon Gods, de schepping toegezegd,
voltooi uw aarde, doe haar recht.
4
Jezus, maak uw belofte waar,
bekeer de mensen tot elkaar.
Gij die der mensen broeder zijt,
Kome uw Rijk in heerlijkheid.
---
*538
#3
1
Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht!
God, laat mij voor uw aangezicht,
geheel van U vervuld en rein,
naar lijf en ziel herboren zijn.
2
Schep, God, een nieuwe geest in mij,
een geest van licht, zo klaar als Gij,
dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt
en ga de weg, die U behaagt.
3
Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig licht,
van aangezicht tot aangezicht!
---
*539
#10
1
Voor alle heilgen in de heerlijkheid
die U beleden in hun aardse strijd,
zij uw naam lof, o Jezus, te allen tijd!
Halleluja, halleluja!
2
Gij waart hun rots, hun burg en al hun macht;
Gij, Heer, hun loods en licht in storm en nacht;
Gij hebt uw pelgrims veilig thuisgebracht.
Halleluja, halleluja!
3
Maak al uw strijders in dit aards gevecht
moedig als hen wier pleit reeds werd beslecht
tot aan de tijd die Gij hebt toegezegd.
Halleluja, halleluja!
4
Hun is de prijs, de lauwerkrans, de kroon,
toch zijn wij een, zij zingend voor de troon,
wij in de wereld, wachtend op Gods Zoon.
Halleluja, halleluja!
5
Lang valt de tijd en zwaar is ons geding,
bang is de strijd en vol vertwijfeling,
dat ons de zege bijna nog ontging.
Halleluja, halleluja!
6
Ten einde raad ontzinkt ons haast de moed
maar in de verte klinkt ons tegemoet
trompetgeschal dat Gij weerklinken doet!
Halleluja, halleluja!
7
Rood is de avond als het zonlicht daalt;
ook in de dood hebt Gij hun lot bepaald,
God die de moede strijders binnenhaalt.
Halleluja, halleluja!
8
Maar een oneindig glorierijker dag
staat nog te wachten als op uw gezag
heel 't heir der heilgen tot U naadren mag.
Halleluja, halleluja!
9
Daar is de Koning als een jonge held!
Hem komen allen tegemoet gesneld
van vreugde stralend, scharen ongeteld.
Halleluja, halleluja!
10
Van alle einders, van de verste kust
zullen zij vinden vrede, feest en rust,
U lovend, Vader, Zoon, Heilige Geest!
Halleluja, halleluja!
---
*540
#5
1
Wachters van de tijd, licht zal in uw ogen wonen,
wilt aan alle mensen tonen van uw vrolijkheid.
Sion, zing, daar is licht.
2
Groet de dageraad, heden zal de Zon u vinden
die genezing voor de blinden in haar wieken draagt.
Nachten, zingt, God is licht.
3
Met gerechtigheid zal Hij 't huis van David stutten
en Hij zal zijn schouders bukken onder wet en tijd,
onze loot, wijn en brood.
4
Midden onder u heeft Hij zijn verblijf geslagen
om uw zonden weg te dragen, wacht het wonder nu
van de Zoon die hier woont.
5
Maak de tafel klaar want de Bruidegom komt spoedig
met zijn vreugde overvloedig, onze Heer is daar,
breekt het brood van zijn dood.
---
*541
#3
1
Wat altijd is geweest,
het waaien van de geest
gebeurt aan ons vandaag.
Dat vuur van het begin
wij ademen het in,
Gods woord dat antwoord vraagt.
Die in de stilte sprak,
het noodlot onderbrak
en nieuwe wegen baande,
Hij is nog niet verstomd
Hij zwaait ons toe en komt
en zegt Ik ben uw Vader.
2
Het meeste gaat voorbij
maar meer en meer wordt Hij
de toekomst die ons wacht.
Bij hem is geen verraad
Hij zelf heeft ons gemaakt,
zijn oog is in ons hart.
Wij leven zijn bestaan,
zijn ongekende naam
aanschouwen wij van verre.
Zijn zwijgen is van goud
zijn woord is ons behoud
in leven en in sterven.
3
Als alles is volbracht
zal Hij voor ons een stad
van brood en spelen zijn.
De stok die ons regeert,
de dood zal zijn gekeerd,
wij zullen mensen zijn.
Hij geeft een nieuw gezicht
aan duisternis en licht
aan alles wat wij deden.
Hij maakt zijn woorden waar,
wij spreken met elkaar
een taal van hoop en vrede.
---
*542
#1
1
Wat is de mens, wat zijn de dagen
die aan de mens gegeven zijn:
wankel geluk, winnen en wagen,nieuwe geluiden, oude pijn,
gras, dat vergaat, niet minder niet meer,
bedacht zijn op de dood in keer en tegenkeer.
God, geef de mens woorden van waarde.
Niet van het brood alleen leeft hij,
God, geef de mens leven op aarde,
spreek hem van dode wetten vrij.
Kyrie eleison.
---
*543
#5
1
Wat zijt gij uitgegaan?
wat wilt te gaan aanschouwen:
een rots om op te bouwen,
een man Gods te vertrouwen,
het manna der woestijn?
2
Een riet dat in de wind
wordt heen en weer bewogen?
een windstoot uit den hoge,
een koning voor uw ogen,
een koning of een kind?
3
Die gaan om praal en pracht,
die weten wel te huizen
in weelde van paleizen,
zij willen zich bewijzen
en leven van de macht.
4
Maar gij zijt uitgegaan
om het geluid te horen
dat opgaat in uw oren,
het Woord van lang te voren,
de tale Kanaans.
5
De wind waait in het riet:
gij gaat niet in den blinde,
maar om het spoor te vinden
van God en zijn beminde,
de Stad in het verschiet.
---
*544
#1
1
Wees gegroet, o, Koninginne,
Moeder van barmhartigheid,
ons leven, onze vreugde,
onze hoop, wees gegroet.
Tot U roepen wij, kinderen van Eva;
tot U smeken wij, zuchtend en wenend
in het dal van tranen.
Daarom dan, onze Voorspreekster,
sla op ons uw barmhartige ogen
en toon ons na deze ballingschap Jezus,
de gezegende vrucht van uw schoot.
O, goedertierene, o liefdevolle,
o zoete Maagd Maria.
---
*545
#6
1
Weest niet verbaasd als u de wereld haat;
gij moet integendeel uw liefde geven:
dat is de overgang van dood naar leven!
Wie niet bemint leeft in gestorven staat.
2
Al wie zijn broeder haat begaat een moord.
God heeft ons niet geroepen om te doden,
samen te leven heeft Hij ons geboden.
Alleen de liefde plant zijn schepping voort.
3
Maar wie de dood diep in zijn wezen draagt,
kan die het leven in zich hebben wonen?
Broeder en broeder zijn tezamen zonen
van God die liefde geeft en liefde vraagt.
4
Zo hebben wij de liefde Gods herkend:
dat Hij zijn leven voor ons heeft gegeven.
Er staat in alle woorden Gods geschreven
dat wie de mensen haat zijn schepping schendt.
5
Wie al het goed van deze wereld heeft
en die zijn broeder dan gebrek ziet lijden,
hoe zou Gods liefde levend in hem blijven?
Levend alleen is wat nieuw leven geeft.
6
Niet slechts met woord en tong maar metterdaad
en in-der-waarheid moeten wij beminnen.
Zo immers leven wij het leven binnen.
Wie niet bemint leeft in gestorven staat.
---
*546
#5
1
V. Wie als een god wil leven hier op aarde
A. Wie als een god wil leven hier op aarde
V. Hij moet de weg van alle zaad
En zo vindt hij genade
A. En zo vindt hij genade.
2
Hij gaat de weg van alle aardse dingen
Hij heeft het lot met hart en ziel
van alle stervelingen
3
Hij wordt aan zon en regen prijsgegeven
het kleinste zaad in weer en wind
moet sterven om te leven.
4
De mensen moeten sterven voor elkander
het kleinste zaad wordt levend brood
zo voedt de een de ander.
5
En zo heeft onze God zich ook gedragen
en zo is Hij het leven zelf
voor iedereen op aarde.
---
*547
#7
1
Wie heeft zijn geld verloren,
het goed waarvan hij leeft
en zoekt niet uit en treure
tot hij gevonden heeft.
2
Wie heeft een kind verloren
en zoekt niet overal
met handen, ogen, oren
en tranen zonder tal.
3
Wie heeft zijn God verloren
en zoekt niet her en der
op aarde, in de hemel,
geen verte gaat te ver.
4
Als zo de mensen leven
en zoeken is hun lot
en vinden is hun zegen:
hoeveel te meer dan God.
5
Hij ziet ons al van verre
omdat Hij ons bemint
en liever dan de sterren
is Hem een mensenkind.
6
En voordat wij Hem zoeken
zijn wij gezocht door Hem
en nu wij om Hem roepen
geeft Hij ons deze stem.
7
En wie het wordt gegeven,
bespeurt Hem overal
in woorden allerwegen,
in mensen zonder tal
---
*548
#2
1
Wie zijn leven niet wil geven,
niet wil delen met zovelen,
met een ander,
gaat verloren.
2
wie wil geven wat hij heeft,
die zal leven,
op gegeven,
die zal weten dat hij leeft.
---
*549
#2
1
Wilhelmus van Nassouwe
ben ik van duitsen bloed,
den vaderland getrouwe
blijf ik tot in den dood.
Een prinse van Oranje
ben ik vrij onverveerd,
den koning van Hispanje
heb ik altijd geeerd.
2
Mijn schild ende betrouwen
zijt Gij, o God, mijn Heer!
Op U zo wil ik bouwen,
verlaat mij nimmermeer!
Dat ik toch vroom mag blijven,
uw dienaar t' aller stond,
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.
---
*550
#3
1
Wilt heden nu treden voor God, den Here,
Hem bovenal loven van harte zeer,
en maken groot zijns lieven namens ere,
die daar nu onze vijand slaat terneer.
2
Ter eren ons Heren wilt al uw dagen
dit wonder bijzonder gedenken toch.
Maakt u, o mens, voor God steeds wel te dragen,
door ieder recht en wacht u voor bedrog.
3
Bidt, waket en maket dat ge in bekoring
en 't kwade met schade toch niet en valt.
Uw vroomheid brengt de vijand tot verstoring,
al waar' zijn rijk nog eens zo sterk bewald.
---
*551
#3
1
Wonen overal nergens thuis,
aarde, mijn aarde, mijn moeders huis.
Vallende sterren, de schim van de maan,
mensen die opstaan en leven gaan,
mensen veel geluk.
2
Wonen overal even thuis
handel en wandel en huis na huis
loven en bieden op waarheid en waan
wagen en winnen en verder gaan
mensen veel geluk.
3
Wonen overal bijna thuis
aarde mijn hemel mijn vadershuis
stijgende sterren de lach van de maan
mensen die dromend een stem verstaan
mensen veel geluk.
---
*552
#2
1
Wij bidden u Gods zegen toe.
Neemt die eerbiedig aan
hoe ook uw weg mag gaan.
Nog kent geen mens het wat en hoe,
gij moogt vertrouwend lopen:
God doet de toekomst open.
2
Gij hebt elkander trouw beloofd;
een menslijk feilbaar woord
werd hier door ons gehoord.
Dit woord behoudt het in geloof.
Meer hebt gij niet van node:
God houdt uw ja omsloten.
---
*553
#3
1
Wij die met eigen ogen
de aarde zien verscheurd,
maar blind en onmeedogend
ontkennen wat gebeurt :
dat oorlog is geboden
en vrede niet mag zijn,
dat mensen mensen doden,
dat wij die mensen zijn.
2
Wij die nog mogen leven
van hoop en vrees vervuld,
aan machten prijs gegeven
aan meer dan eigen schuld,
wij die, God weet hoe verder,
tot hier toe zijn gespaard:
dat wij toch nooit erkennen
het recht van vuur en zwaard.
3
Dat wij toch niet vergeten
waartoe wij zijn gemaakt,
dat diep in ons geweten
opnieuw het licht ontwaakt.
Dat in ons wordt herschapen
de geest die overleeft.
Dat onze lieve aarde
nog kans op redding heeft.
---
*554
#6
1
Wij eten weer het bitter brood
om te gedenken aan de dagen
dat Gij Egypte hebt geslagen
met de verschrikking van de dood.
2
Engel des doods, ga ons voorbij.
Zie op het bloed dat als teken
aan onze deurpost is gestreken.
Engel, ga onze deur voorbij.
3
Wij eten haastig in de nacht
kruiden en ongezuurde broden.
Wij doen wat Gij ons hebt geboden,
wij eten 't lam door ons geslacht.
4
Wij staan reisvaardig tot de tocht
naar 't goede land van Jacobs kinderen.
Geen Rode Zee kan meer verhinderen
die van de dood zijn vrijgekocht.
5
Doe Gij ons door het water gaan
en laat uw wolkkolom ons richten,
uw vuurkolom ons 's nachts verlichten!
Maak onze voet een vaste baan!
6
Neem onze reisstaf in uw hand
en wijs ons weer, als in de dagen
dat Gij Egypte hebt geslagen,
de weg naar het beloofde land.
---
*555
#4
1
Wij groeten u, o Koningin,
o Maria:
u Moeder vol van teed're min,
o Maria:
refr:
Groet haar, o Cherubijn;
prijs haar, o Serafijn,
prijst met ons uw Koningin:
salve, salve salve Regina.
2
O Moeder van barmhartigheid,
o Maria:
en troost in alle bitterheid,
o Maria:
refr
3
Ons leven, zoetheid, hoop en vreugd,
o Maria:
leid gij ons op de weg der deugd,
o Maria:
refr
4
Toon ons in 't uur van onze dood,
o Maria:
de zoete vrucht van uwe schoot,
o Maria
refr
---
*556
#3
1
Wij komen tezamen
Onder 't sterre-blinken
Een lied moet weerklinken
Voor Bethlehem:
Christus geboren
Zingen d' engelenkoren.
REFR.: Kom laten wij aanbidden. (3x)
Onze Heer.
2
Drie wijzen met wierook
Kwamen er van verre,
Zij volgden zijn sterre
Naar Bethlehem.
Herders en wijzen
Komen Jezus prijzen. REFR.
3
Ook wij uitverkoren
Mogen U begroeten
En kussen uw voeten,
Emmanuel.
Wij willen geven
Hart en geest en leven. REFR.
---
*557
#2
1
Allen:
Wij roemen in 't Kruis van de Heer Jezus Christus.
In hem is ons heil, ons leven en verrijzenis,
door wie wij verlost en bevrijd zijn.
2
Koor:
God zij genadig en zegene ons,
en dat zijn aanschijn over ons moge lichten.
---
*558
#4
1
Wij treden biddend in uw licht,
op U is onze hoop gericht,
die alles wat op aarde leeft
te allen tijd uw liefde geeft.
2
God, Vader, die van eeuwigheid,
het heil der mensen hebt bereid,
geef dat uw alverlossend woord,
in groot vertrouwen wordt aanhoord.
3
God, Zoon, die door uw offerdood
de deur naar 't leven weer ontsloot,
wij vragen dringend altijd weer:
bewaar ons in uw liefde, Heer.
4
God, goede Geest van heiligheid,
die ieder mens in liefde leidt,
brengt allen samen en bewerk
de eenheid van de christenkerk.
---
*559
#6
1
Zeven maal, zeven maal,
zeven maal opnieuw geboren,
klein gekregen, uitgeworpen
wordt een mens om mens te worden
2
Zeventig maal zeven bomen
zullen bloeien waar wij wonen
licht zal op het water stromen.
licht zal op het water stromen.
3
Zeven maal, zeven maal,
zeven maal opnieuw geboren,
klein gekregen, uitgeworpen
wordt een mens om mens te worden
4
Zeven maal, zeven maal,
zeven maal opnieuw geboren,
klein gekregen, uitgeworpen
wordt een mens om mens te worden
5
Zeventig maal zeven bomen
zullen bloeien waar wij wonen
licht zal op het water stromen.
licht zal op het water stromen.
6
Zeven maal, zeven maal,
zeven maal opnieuw geboren,
klein gekregen, uitgeworpen
wordt een mens om mens te worden
---
*560
#5
1
Zeven was voldoende,
vijf en twee,
zeven was voldoende
voor vijfduizend
op de heuvels langs de zee.
2
Zeven is voldoende,
brood en vis,
Jezus is voldoende
voor ons allen
als de kring gesloten is.
3
Zeven is voldoende
toen en nu,
zeven is voldoende
alle dagen
van ons leven, dank zij U.
4
Voed ons met uw leven,
vis en brood,
alle zeven dagen,
Gij verzadigt
allen met uw offerdood.
5
Want Gij zijt de eerste
rond alom,
ja, Gij zijt de eerste
en de laatste,
kom, o Here Jezus kom!
---
*561
#4
1
refrein:
Zingt een nieuw lied, alle landen.
Zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.
Zingt een nieuw lied voor de Heer, alle landen.
Zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.
Treedt in zijn tempel met uw offeranden,
kondigt zijn roem bij de heidenen aan. refr.:
2
Groot is de Heer, die wij vrezen en prijzen.
Aarde en lucht komen vers uit zijn hand,
schoonheid en kracht vergezellen Hem beide:
wild is de zee en tevreden het land. refr.:
3
Roept tot de volkeren: God is de Koning,
Hij houdt de weegschaal der wereld loodrecht,
Hij is rechtvaardig, bij Hem is het oordeel,
alles wordt Hem aan zijn voeten gelegd. refr.:
4
Juicht wat in zee leeft, of leeft op de velden:
ziet, uw Verlosser gaat komen, weest blij!
Wuift alle bomen der wouden, verwelkomt
juichend uw Koning, want Hij is nabij! refr.:
---
*562
#4
1
Zingt God de Heer,
de almachtige Koning ter ere,
Hij zal zijn Volk
in liefde regeren,
laat ons tezaam prijzen Zijn heilige Naam
nooit zal de vijand ons deren.
2
Looft God de Heer, die barmhartig
ons leidt alle dagen,
die ons op adelaarswieken
ten hemel zal dragen,
en die behoudt ieder, die op Hem vertrouwt,
in alle tijden en plagen.
3
Dank aan de Herder, die zorgzaam
en wijs ons wil leiden,
die ons gezondheid geeft, vriendschap
en gunstige tijden
in alle nood biedt Hij ons daag'lijks zijn Brood
en schenkt ons kracht om te strijden.
4
Voor U, Drieene God, zingen
wij dankbaar tezamen
heel het heelal brenge eer aan
uw heilige Name,
engelen Gods, buigt u voor Hem, onze rots,
die ons standvastig maakt. Amen.
---
*563
#4
1
Zingt Jubilate voor de Heer,
hemel en aarde, looft uw Vader,
heiligen, eng'len, mens en dier,
sterren en stenen, Jubilate!
2
Zingt Jubilate dat is goed,
vogels en vissen, licht en water,
bloemen en bomen, vlees en bloed,
lichaam en ziel, zingt Jubilate!
3
Zingt Jubilate voor de Zoon,
dat Hij de hemel heeft verlaten,
dat Hij de zonden heeft verzoend,
Jezus Messias Jubilate!
4
Zingt Jubilate voor de Geest,
offert de vogel Geest uw adem,
dat Hij uw hart met vuur geneest,
weest God indachtig, Jubilate!
---
*564
#5
1
Zingt voor de Heer een nieuw gezang, alleluja.
Hij laaft u heel uw leven lang, alleluja.
Met water uit de harde steen, alleluja.
Het is vol wond`ren om u heen, alleluja.
Alleluja,alleluja, alleluja.
2
Hij gaat u voor in wolk en vuur, alleluja.
gunt aan uw leven rust noch duur, alleluja,
en geeft het zin en samenhang, alleluja,
zingt dan de Heer een nieuw gezang, alleluja.
Alleluja, alleluja, alleluja.
3
Een lied van uw verwondering, alleluja,
dat nog uw naam niet onderging, alleluja.
maar weer opnieuw geboren is, alleluja,
uit water en uit duisternis, alleluja.
Alleluja, alleluja, alleluja.
4
De hand van God doet in de tijd, alleluja,
tekenen van gerechtigheid, alleluja,
de Geest des Heren vuurt ons aan, alleluja,
de heil`ge tekens te verstaan, alleluja.
Alleluja, alleluja, alleluja.
5
Wij zullen, naar zijn land geleid, alleluja,
doorleven tot in eeuwigheid, alleluja,
en zingen bij zijn wederkeer, alleluja,
een nieuw gezang voor God de Heer, alleluja.
Alleluja, alleluja, alleluja.
---
*565
#4
1
Zingt voor de Heer van liefde en trouw,
die onder ons verblijven wou.
Zingt als het gras dat dankt voor dauw:
Alleluia, alleluia.
2
Zingt voor het heilig hemels brood,
dat ons versterkt in alle nood,
dat ons doet leven na de dood;
Alleluia, alleluia.
3
Zingt voor de liefde die ons bindt,
die in ons hoofd haar woning vindt,
die in ons hart haar rijk begint;
Alleluia, alleluia.
4
Zingt voor het heil dat komen gaat;
zingt voor de deur die open staat
zingt voor de God die zingen laat;
Alleluia, alleluia.
---
*566
#4
1
Zoals de mensen leven
doen vogels niet.
Die schuilen in de bomen
en vluchten in hun lied.
Die zaaien niet maar dromen
en de dood is hun verschiet.
2
Zoals het water stroomt, zo
doen de mensen niet.
Het water stroomt maar verder
en dorsten doet het niet.
Zo vluchtig en zo wijd als water
zijn de mensen niet.
3
Zo oud en wijs als mensen
zijn de muren niet.
Die kraken in hun voegen
maar hebben geen verdriet.
De mensen moeten zwoegen
en dat doen de stenen niet.
4
Zoals de bomen vallen
vallen mensen niet.
De mensen dragen woorden,
herleven in hun lied.
De bomen zullen sterven
maar zo sterven mensen niet.
---
*567
#5
1
Zolang er mensen zijn op aarde,
zolang de aarde vruchten geeft,
zolang zijt Gij ons aller Vader,
wij danken U voor al wat leeft.
2
Zolang de mensen woorden spreken,
zolang wij voor elkaar bestaan,
zolang zult Gij ons niet ontbreken,
wij danken U in Jezus' naam.
3
Gij voedt de vogels in de bomen,
Gij kleedt de bloemen op het veld,
o Heer, Gij zijt mijn onderkomen
en al mijn dagen zijn geteld.
4
Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven,
Gij redt de wereld van de dood.
Gij hebt uw Zoon aan ons gegeven,
zijn lichaam is het levend brood.
5
Daarom moet alles U aanbidden,
uw liefde heeft het voortgebracht,
Vader, Gijzelf zijt in ons midden,
o Heer, wij zijn van uw geslacht.
---
*568
#3
1
Zomaar een dak boven wat hoofden
deur die naar stilte open staat.
Muren van huid, ramen als ogen
speurend naar hoop en dageraad.
Huis dat een levend lichaam wordt
als wij er binnen gaan
om recht voor God te staan.
2
Woorden van ver, vallende sterren
vonken verleden hier gezaaid.
Namen voor Hem, dromen, signalen
diep uit de wereld aangewaaid.
Monden van aarde horen en zien,
onthouden, spreken voort
Gods vrij en lichtend woord.
3
Tafel van Een, brood om te weten
dat wij elkaar gegeven zijn.
Wonder van God, mensen in vrede,
oud en vergeten nieuw geheim.
Breken en delen, zijn wat niet kan
doen wat ondenkbaar is,
dood en verrijzenis.
---
*569
#4
1
Zo spreekt de Heer die ons geschapen heeft:
Wat durft dat volk mij nog te vragen.
Dat volk dat vast, maar toch in tweedracht leeft
Wat durft dat volk mij nog te vragen.
Die in zak en as gezeten
twistend mijn gebod vergeten,
denkt gij, dat ik om dat vasten geef?
Mijn volk, wat durft gij mij te vragen.
2
Zo spreekt de God die alles weet en ziet:
Ik durf uw vasten niet vertrouwen.
Als gij de zwervers niet uw woning biedt
durf Ik uw vasten niet vertrouwen.
Schenk uw brood aan de geboeiden
schenk uw troost aan de vermoeiden.
Anders hoor Ik naar uw smeken niet,
en durf uw vasten niet vertrouwen.
3
En Jezus sprak: Bemint uw vijand ook;
Heer God, wij staan voor U verlegen.
Vergeeft het kwaad, zo doet mijn Vader
Heer God, wij staan voor U verlegen.
Want Gij zijt ook zelf geschonden
door een menigte van zonden,
en mijn Vader, Hij vergeeft u ook.
Heer God, wij staan voor U verlegen.
4
En Jezus zegt: mensen, verdraagt elkaar,
en Jezus' woord zal ons bevrijden.
Vergeet u zelf en dient elkander maar
- en Jezus' woord zal ons bevrijden.
Aan elkander prijsgegeven
vindt gij honderdvoudig leven.
Jezus zegt: mensen, bemint elkaar.
En Jezus' woord zal ons bevrijden.
---
*570
#3
1
Zo vriendelijk en veilig als het licht
zoals een mantel om mij heen geslagen
zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht
ik roep zijn naam, bestorm hem met mijn vragen,
dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.
Wil mij behoeden en op handen dragen.
2
Want waar ben ik, als Gij niet wijd en zijd
waakt over mij en over al mijn gangen
Wie zou ik worden, waart Gij niet bereid om,
als ik val, mij telkens op te vangen.
Ik leef niet echt, als Gij niet met mij zijt.
Ik moet in lief en leed naar U verlangen.
3
Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.
Ontsteek die vreugde die geen einde heeft,
wil alle liefde aan uw Mens besteden.
Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft.
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.
---
*571
#3
1
Zijn alsof niet, hart blind geboren.
oor dat geen woord verstaat.
hand die niet doet. mond dichtgevroren.
ik dat niet opengaat.
de dood gezocht. de nacht verwensen
waarin wij zijn ontwaakt.
zijn alsof nooit. alsof niet mensen
voor mensen zijn gemaakt.
2
Zijn alsof toch, op hoop van zegen:
een hand die handen groet.
Alsof een mens mag overleven,
wel sterft maar niet voorgoed.
Ooit even waar te zijn, ontkomen
aan klacht en troost en schijn:
ontwaken, licht geraakt genomen,
gekend zoals wij zijn.
3
Zijn - en dat niets mij ooit kan scheiden
van God die in mij leeft.
Onschendbaar zijn, onnoembaar lijden,
en niets dat reden geeft
en niemand die mijn hoop rechtvaardigt,
en niemand weet van mij
dan Gij alleen die in mij ademt.
Mijn levensdag ben Jij.
---
*572
#5
1
Zij zullen de wereld bewonen,
zij namen het wonder ter hand,
de mensen van nacht en nevel
brengt Hij naar het heilige land.
2
Er zal geen verzengende hitte,
geen dorst en geen honger meer zijn
want Hij zal ze weiden aan water
dat vloeit uit het hart der woestijn.
3
En Hij maakt de hoogte begaanbaar
en Hij baant een weg door de zee,
van alle vier einden der aarde
brengt Hij zich een volk bijeen.
4
De hemel roept uit Halleluja,
de aarde brengt leven tot stand,
de bergen bezwijken van vreugde,
de wereld wordt vaderland.
5
Ten dage der grote genade
als God de gebeden beloont,
dan zullen de volkeren weten
dat Hij bij de mensen woont.
---
*573
#3
1
Zij die stom zijn, ver heen, koud, steen in steen,
zij die in doodswoestijn onvindbaar zijn:
Wie weet hun naam, wat heeft men hen gedaan
die genoemd wordt Gij, onvoorstelbaar Gij,
die 't verloren kind schreiend zoekt en vindt,
die het leven zelf uit de dood opdelft.
2
Hoe in duisternis dit bestaan ook is,
hoe zwart mijn verdriet, wanhoop wordt het niet,
omdat Gij God zijt die mijn leven leidt,
Gij volstaat voor mij, zijt mijn zekerheid.
Van uw aangezicht straalt mijn ogenlicht
Komen zal de dag dat ik rusten mag.
3
Die rampzalig zijn, zullen zalig zijn.
Die verworpen zijn, zullen in U zijn.
Die zich keerden van U, zij vinden U.
Onbeminden, om niet bemind door U.
Lachen wordt gehoord als uw laatste woord
dit verscheurd heelal prachtig maken zal.