---

Gezangen voor de liturgie

Liederen 1 - 371

Liederen 401 - 573

---

 

*1

#1

1

  Refrein:

  Gelukkig de man die voorgoed

  op de Heer zijn vertrouwen gegrond heeft.

 

  Gelukkig de man die niet treedt

  in het overleg van de bozen,

  op de weg van de schenders geen voet zet,

  niet zit in de kring van de spotters;

  die veeleer in de wet van de Heer zich vermeit,

  zijn wet overpeinst dag en nacht.

  Als een boom is hij, wortelend waar water stroomt,

  die vrucht draagt in het seizoen;

  zijn gebladerte zal niet verdorren.

  Tot ontplooiing komt al wat hij doet.

  Hoe anders de bozen! Zij zijn

  als het kaf: de wind blaast het weg.

  Zie, geen boze bestaat het gericht,

  geen schender de raad der rechtvaardigen.

  Want de Heer kent de weg der rechtvaardigen,

  doch het pad van de bozen breekt af.

 

  Eer zij de heerlijkheid Gods:

  Vader, Zoon en Heilige Geest.

  Zo was het in den beginne,

  zo zij het thans en voor immer,

  tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

---

*4

#5

1

  Refrein:

  Als ik U aanroep

  geef mij toch antwoord.

 

  Gij zijt mijn waarheid,

  Gij die mij ruimte geeft.

  Wees mij genadig. Refrein

2

  Mensen hoe lang nog

  lopen wij leugens na,

  vinden wij niets. Refrein

3

  Menigeen vraagt:

  wie maakt ons gelukkig -

  geef mij toch antwoord.

4

  U hebt toch ogen.

  Met het licht van uw ogen

  zegen mij.

5

  Geef mij ruimte.

  Doe mij wonen in U alleen.

---

*8

#7

1

  Versie I:

 

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam

  allerwegen op aarde.

2

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam

  allerwegen op aarde.

3

  Gij die uw majesteit toont aan de hemel,

  Gij opent de mond van weerloze kinderen.

4

  Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers,

  de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd,

5

  wat is dan de mens dat Gij aan Hem denkt,

  de zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat.

6

  Toch hebt gij hem bijna een god gemaakt

  en hem met glorie en luister gekroond.

7

  Gij doet hem het werk van uw handen beheren

  en alles hebt Gij aan zijn voeten neergelegd.

 

  Versie II:

1

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam

  allerwegen op aarde.

2

  Gij die uw majesteit toont aan de hemel,

  Gij opent de mond van weerloze kinderen,

  en dan klinkt een lied dat uw vijand beschaamt

  en brengt Gij uw tegenstanders tot zwijgen.

3

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam

  allerwegen op aarde.

4

  Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers,

  de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd,

  wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt,

  de Zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat.

5

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam

  allerwegen op aarde.

6

  Toch hebt Gij hem bijna een god gemaakt

  en hem met glorie en luister gekroond.

  Gij doet hem het werk van uw handen beheren

  en alles hebt Gij aan zijn voeten neergelegd.

7

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam

  allerwegen op aarde.

8

  schapen en runderen, alles en alles,

  en ook de dieren in het vrije veld

  de vogels van de hemel, de vissen van de zee

  al wat er wandelt op de paden van het water.

9

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam

  allerwegen op aarde.

---

*13

#4

1

  Refrein:

  Zelf kan ik slechts op uw genade vertrouwen

  tot mijn hart de vreugde hervindt om uw heil.

 

  Hoe lang, Heer, zult gij mij blijven vergeten,

  hoe lang nog verbergen uw aanschijn voor mij? Refrein.

2

  Zie mij, geef mij uw antwoord,

  Heer, gij zijt toch mijn God. Refrein.

3

  Wil gij verlichten mijn ogen,

  dat ik niet inslaap ten dode. Refrein.

4

  Eer zij de heerlijkheid Gods:

  Vader, Zoon en heilige Geest. Refrein.

---

*16

#4

1

  Versie I:

  Antifoon:

  God bewaar mij

  als ik mijn toevlucht

  bij U zoek.

 

  Refrein:

  'Die ik mijn Heer noem

  staat mij voor ogen,

  ik wankel niet,

  zijn hand houdt mij vast.'

 

  Voorzang:

  Ik zeg tot de Heer:

  Gij bent mijn Heer.

  Gij gaat mij te boven,

  ik kan er niet bij

  maar kies voor degenen

  die hier op aarde

  zijn zoals Gij.

  Refrein

2

  Niets wil ik weten

  van hen die betalen

  met bloed en offer

  aan hun idool.

  U zal ik erven,

  U mag ik drinken,

  Gij zijt mijn lot,

  vruchtbare grond.

  Antifoon

  Refrein

3

  U zal ik loven,

  Gij die mij raad schaft,

  stem in mijn binnenste,

  licht in mijn nacht.

  Ik kom tot mijzelf

  en zonder angst

  leg ik mij neer:

  Gij laat niet toe

  dat ik val in het niets.

4

  Gij zult mij leren

  te overleven.

  Onder uw ogen

  leef ik op.

  Koesteren zult Gij

  mij in uw hand.

 

  Versie II:

  Refrein 1:

  O Heer, Gij mijn erve, mijn beker,

  Gij handhaaft mijn erfgoed voor mij.

 

  Refrein 2:

  Leer ons, o Heer, wat de weg is ten leven.

 

  Refrein 3:

  Halleluja, halleluja.

1

  Hoed mij, God, bij u zoek ik toevlucht;

  tot de Heer spreek ik: "Gij zijt mijn Heer,

  O Heer, Gij mijn erve, mijn beker,

  Gij handhaaft mijn erfgoed voor mij. Refrein.

2

  Ik zegen de Heer om zijn leiding:

  zelfs des nachts vermaant Hij mijn geweten.

  Ik blijf op de Heer zien, bestendig;

  staat Hij naast mij, ik kom niet ten val. Refrein.

3

  Wel mag mijn hart zich verheugen,

  wel mag mijn geest zich verblijden:

  mij komt het niet te na - ik ben veilig.

  Want gij geeft mij niet prijs aan de dood,

  geen graf geeft gij uw vrome voor ogen. Refrein.

4

  Gij leert mij wat de weg is ten leven,

  de volheid der vreugde waar gij zijt:

  heerlijkheid, in uw schutse, voor immer. Refrein.

5

  Eer zij de heerlijkheid Gods:

  Vader, Zoon en heilige Geest.

  Zo was het in den beginne,

  zo is het thans en voor immer,

  tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

---

*17

#5

1

  Refrein 1:

  Laat mij, zo ik leef naar uw wil,

  uw aanschijn mogen aanschouwen.

 

  Refrein 2:

  Ik roep U: Gij, God, weet het antwoord;

  luister naar mij, verhoor wat ik vraag.

 

  Hoor, o Heer, naar wat staat in de waarheid,

  luister gij naar mijn bittere klacht;

  wees ontvankelijk voor mijn gebed:

  het komt van een mond zonder leugen. Refrein.

2

  Laat van U mijn beoordeling uitgaan,

  uw oog ziet wat onkreukbaarheid is.

  Die mijn hart toetst, het peilt in de nacht,

  mij hebt uitgezuiverd met vuur. Refrein.

3

  Mijn treden hielden uw spoor,

  mijn schreden wankelden niet.

  Ik roep u: Gij, God, weet het antwoord;

  luister naar mij, verhoor wat ik vraag. Refrein.

4

  Toon de wonderen van uw genade;

  gij redt immers wie tot u vluchten,

  van hun aanvallers vrij door uw hand!

  Bewaar als uw oogappel mij,

  verberg mij, door uw vleugelen beschaduwd.

 

  Refrein:

  Laat mij, zo ik leef naar uw wil,

  uw aanschijn mogen aanschouwen.

5

  Laat mij, zo ik leef naar uw wil,

  uw aanschijn mogen aanschouwen,

  aan uw beeltenis mij mogen laven

  wanneer ik ontwaak.

  Eer zij de heerlijkheid Gods:

  Vader, Zoon en heilige Geest.

  Zo was het in den beginne,

  zo is het thans en voor immer,

  tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

---

*19

#3

1

  Versie I:

  Refrein:

  Hemelen, dauwt uit den hoge,

  wolken, laat stromen het heil.

 

  De hemel verkondigt de majesteit Gods,

  het zwerk meldt het werk zijner handen. Refrein.

2

  Hij verschijnt als een bruidegom

  die zijn bruidsvertrek uitkomt getreden.

  Refrein.

3

  Eer zij de heerlijkheid Gods:

  Vader, Zoon en heilige Geest.

  Refrein.

 

  Versie II:

1

  Voorzang: Het woord des Heren is volmaakt, bron van leven,

2

  Allen:    Gods getuigenis betrouwbaar, onverstand wordt wijs.

3

  Voorzang: Helder water is zijn wet, hartverkwikkend.

4

  Allen:    Zij geboden: recht en reden, licht voor onze ogen.

5

  Voorzang: Wat Hij belooft is louter waarheid, enkel vrede.

6

  Allen:    Wat Hij doet is welgedaan, tot in eeuwigheid.

7

  Voorzang: Even kostelijk als honing, nee, nog meer,

8

  Allen:    kostbaarder dan zuiver goud is het woord des Heren.

---

*22

#7

1

  Versie I:

 

  Koor: God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten.

  Allen: God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten.

2

  voorzang: Mijn God, roep ik overdag en Gij zwijgt,

  ik roep het 's nachts en Gij laat mij maar roepen.

3

  Onze vaderen hadden vertrouwen in U,

  vertrouwen, en Gij zijt hun redding geweest.

4

  Zij riepen om U en Gij waart hun uitkomst

  en nooit hebt Gij dat vertrouwen beschaamd.

5

  Ik ben geen mens meer, ik ben een worm

  gehoond door de mensen, veracht door de buurt.

6

  Ik ben bespottelijk in aller ogen,

  iedereen lacht me hoofdschuddend uit:

7

  "hij zocht het bij God, laat die hem dan redden,

  laat God hem bevrijden, die houdt toch van hem".

 

  Versie II:

  Refrein:

  Gij zijt God van de moederschoot af.

1

  Hebt Gij mij niet getrokken uit de schoot,

  mij niet doen rusten aan de borst van mijn moeder?

  Refrein

2

  Ik werd bij mijn geboorte in uw handen gelegd,

  Gij zijt mijn God van de moederschoot af.

  Refrein

3

  Eer aan de Vader, de Zoon en de Geest,

  nu en alle dagen en tot in eeuwigheid.

  Refrein

---

*23

#5

 

  Versie II:

  REFR: Mijn herder is de Heer,

        het zal mij nooit aan iets ontbreken.

1

  Hij brengt mij in een oase van groen,

  daar strek ik mij uit aan de rand van het water,

  daar is het goed rusten. REFR:

2

  Ik kom weer tot leven,

  dan trekken wij verder, vertrouwde wegen

  Hij voor mij uit, want God is zijn naam.REFR:

3

  Al moet ik het duister in van de dood

  ik ben niet angstig, U bent toch bij me,

  onder uw hoede durf ik het aan.

4

  Gij nodigt mij aan uw eigen tafel,

  en allen die tegen mij zijn, moeten het aanzien:

  dat Gij mij bedient,

  dat Gij mij zalft, mijn huid en mijn haren,

  dat Gij mijn beker vult tot de rand.REFR:

5

  Overal komen geluk en genade

  mij tegemoet mijn leven lang,

  en altijd kom ik terug in het huis van de Heer,

  tot in lengte van dagen. REFR:

 

  Versie III:

  Refrein:

  Want mij herder is de Heer:

  nooit zal er mij iets ontbreken.

1

  Mijn herder is de Heer:

  het ontbreekt mij aan niets.

  Hij legt mij in grazige weiden,

  Hij geeft rust aan mijn ziel,

  Hij leidt mij naar rustige waat'ren

  om mijn ziel te verkwikken.

2

  Hij leidt mij in het rechte spoor

  omwille van zijn Naam.

  Al moet ik door donkere dalen

  ik vrees geen kwaad.

  Uw staf en uw stok zijn mijn troost,

  Gij zijt steeds bij mij.

3

  Gij bereidt voor mij een tafel

  voor het oog van mijn vijand.

  Gij zalft met olie mijn hoofd

  en mijn beker vloeit over.

4

  Mij volgen uw heil en uw mildheid

  al de dagen van mijn leven.

  In het huis van mijn Heer wil ik wonen

  tot in lengte van dagen.

5

  Glorie aan de Vader en de Zoon

  en de heilige Geest,

  die is en die was en die komt,

  in de eeuwen der eeuwen.

 

  Antifoon 2:

  In zijn grazige weiden

  geeft Hij rust aan mijn ziel.

---

*24

#8

1

  Koor:

  Van God is de aarde, van Hem deze wereld

  en die haar bewonen. Hij heeft haar zelf

  op de stromen gebouwd en stevig verankerd.

2

  Allen:

  Wie mag beklimmen de hoogte van God,

  wie gaan en staan in zijn heilige stad?

  Mensen met onschuldige handen.

3

  Koor:

  Mensen met een gelouterd hart,

  die niet op schijn hun leven bouwen,

  geen leugens smeden tegen een ander.

4

  Allen:

  Zij vinden heil en zegen bij Hem,

  zij zijn het slag dat zoekt naar God,

  dat Hem wil zien met eigen ogen.

5

  Koor:

  Poorten, heft uw hoofden omhoog,

  maakt u groter, eeuwige deuren,

  hier komt de koning der glorie.

6

  Allen:

  Wie is de koning der glorie?

  Het is de Heer, de machtige sterke,

  het is de Heer, de sterke in de strijd.

7

  Koor:

  Poorten, heft uw hoofden omhoog,

  maakt u groter, eeuwige deuren,

  hier komt de koning der glorie.

8

  Allen:

  Wie is Hij, de koning der glorie?

  Onze God, de Heer van de machten,

  Hij is de koning der glorie.

---

*25

#4

1

  Versie I:

 

  Koor: Naar U gaat mijn verlangen, Heer,

        Heer, mijn God, ik ben zeker van U.

  Allen: Heer, mijn God ik ben zeker van U.

2

  Zoudt Gij ooit mij te schande maken,

  neen, voor allen die op U wachten

  zijt Gij een goede en betrouwbare God.

3

  Maak mij, Heer, met uw wegen vertrouwd,

  zet mij op het spoor van uw waarheid.

  Zend mij uw licht en uw trouw tegemoet.

4

  Steeds weer zoeken mijn ogen naar U, hoe

  is uw naam, waar zijt Gij te vinden,

  eeuwige God, wij willen U zien.

 

  Versie II:

1

  Naar U gaat mijn verlangen, Heer.

  Naar U gaat mijn verlangen, Heer.

2

  Richt mij, Gij zijt de God die mij redt

  en op U wacht ik een leven lang.

3

  Herinner U, hoe Gij barmhartig zijt geweest,

  hoe een en al liefde van meet af aan.

4

  Goede en betrouwbare God,

  wie afgedwaald is, wijst Hij de weg.

5

  Arme en ootmoedige mensen

  spoort Hij aan zijn weg te houden.

6

  Alle wegen van God zijn liefde en trouw

  voor wie bewaren het woord van zijn verbond.

 

  Versie III:

1

  K. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding

     steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

  A. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding

     steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

  K. Omdat Gij zijt zoals Gij zijt

     zie naar mij om en wees mij genadig

     want op U wacht ik een leven lang.

  A. Steeds weer zoeken mijn ogen naar u.

  K. Zij Gij het Heer, die komen zal

     of moeten wij een ander verwachten

     Heer, mijn God, ik ben zeker van U.

  A. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding

     steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

  K. Geeft Gij uw woord aan deze wereld,

     Gij zijt mijn lied, de God van mijn vreugde,

     naar U gaat mijn verlangen Heer.

  A. Steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

     Houd mij in leven wees Gij mijn redding

     steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

---

*30

#10

1

  Koor:

  Van U wil ik spreken, God,

  Gij hebt mij omhoog getrokken,

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

2

  Allen:

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

3

  Voorzang:

  Ik riep tot U: help mij, God -

  toen hebt Gij mij genezen;

  Gij hebt mij teruggehaald

  diep uit de afgrond, ik werd

  al bij de doden gerekend,

  Gij hebt mij weer levend gemaakt.

4

  Allen:

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

5

  Voorzang:

  Ik heb U geroepen, God,

  U om genade gesmeekt:

  Wat hebt U eraan, als ik dood ga

  en in het graf word gelegd?

  Kan het stof U soms loven,

  een dode uw trouw bezingen?

6

  Allen:

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

7

  Voorzang

  Toen hebt Gij mijn droefheid veranderd

  in blijdschap, ik ging in rouw

  en Gij hebt mij gekleed in vreugde.

8

  Allen:

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

9

  Voorzang

  Van U wil ik spreken, God,

  en iedereen mag het horen:

  Gij hebt mij omhoog getrokken.

10

  Allen:

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

---

*42

#4

1

  Refrein:

  Zoals een hert reikhalst naar levend water,

  zo wil ik, God, met heel mijn wezen naar U toe.

  Ik dorst naar God, de levende God.

 

  Allen:

  Ik dorst naar God, de levende God.

2

  Wanneer sta ik eindelijk oog in oog met mijn God,

  Ik heb geen brood dan tranen dag en nacht,

  en altijd weer hoor ik ze zeggen:

  'Waar blijft nu je God?'

3

  God geef mij vandaag en iedere dag

  een teken van liefde, dan zal ik voor U

  zingen tot diep in de nacht, zo lang ik besta,

  een lied voor de God van mijn leven.

4

  Maar waarom zo moedeloos, waarom opstandig?

  Ik zal wachten op God, en eens zal ik Hem danken:

  Gij zijt mijn lijfsbehoud, Gij zijt mijn God.

---

*51

#6

1

  Vergeving, Heer, want onze schuld is groot.

2

  GeNAde, HEER, want Gij zijt GOED

  Uw ontFERming delg' mijn MISdaad UIT.

  Was mij REIN van AL mijn SCHULD

  en ZUIver MIJ van mijn KWAAD.

3

  Want ik BEN me mijn SCHULD beWUST,

  Mijn ZONde staat mij STEEDS voor de GEEST.

  Tegen U, U alLEEN heb ik misDAAN

  En geDAAN wat KWAAD is in Uw OOG.

4

  In waarACHtigheid SCHEPT Gij beHAgen;

  Spreek Uw WIJSheid in 't DIEPST van mijn HART!

  BeSPRENkel mij: IK word REIN.

  En WAS mij: 'k word WITter dan SNEEUW.

5

  Schep mij GOD, een ZUIver HART:

  Wek een NIEUwe standVAStige GEEST.

  VerSTOOT mij NIET van Uw geZICHT,

  Neem Uw HEIlige GEEST niet van mij WEG.

6

  In OFfers SCHEPT Gij geen VREUGD

  En BRANDoffers WENST Gij NIET.

  Een verSLAgen GEEST is mijn OFfer;

  Gij aanVAARDT een verBRIJzeld HART.

---

*65

#6

1

  De stilte zingt U toe, o Here,

  in uw verheven oord.

  Wij zullen ons naar Sion keren

  waar Gij ons bidden hoort.

  Daar zal men, Heer, tot u zich wenden,

  tot U komt al wat leeft,

  tot U, o redder uit ellende,

  die alle schuld vergeeft.

2

  Zalig wie door U uitverkoren

  mag wonen in uw hof,

  hoezeer hij door zijn schuld verloren

  terneerlag in het stof.

  Wij worden door U begenadigd

  die heilig zijt en goed.

  Gij die ons in uw huis verzadigt

  met alle overvloed.

3

  Gij antwoordt met geduchte daden,

  Gij treedt voor ons in 't krijt.

  God van ons heil, Gij gaat te rade

  met uw gerechtigheid.

  O Gij vertrouwen aller landen

  die ver gelegen zijn,

  Gij houdt het oordeel in uw handen,

  de aard' is uw domein.

4

  Gij plant de bergen vast in d' aarde,

  omgord met heldenmoed.

  Gij, die de heidentrots bedaarde,

  stilt ook de watervloed.

  De volkeren van verre vrezen

  de tekens van uw macht,

  U prijzend komt het licht gerezen,

  het juicht tot in de nacht.

5

  Gij komt het dorre land doorschrijden

  met water uit uw beek

  en tot een rijke oogst bereiden,

  uw voetstap maakt het week.

  Gij druipt uw zegen in de voren,

  Gij roept het kiemend graan;

  zo wordt het brood voor ons geboren

  waar Gij zijt voorgegaan.

6

  Gij kroont het jaar van uw genade.

  Waar Gij getreden zijt

  tooit de woestijn zich met een wade,

  de heuvels zijn verblijd.

  De weidegrond is wit van schapen,

  het dal van koren blond.

  Dit is het land door U geschapen,

  uw lof schalt in het rond.

---

*67

#4

1

  Antifoon:

  Heel de aarde jubelt en juicht voor de Heer,

  alleluia, alleluia!

 

  Ja, heel de aarde moet god wel prijzen,

  loven zijn machtig beleid,

  omdat Hij steeds op wondere wijze

  alles bestuurt in gerechtigheid.            Antifoon

2

  Ja, God is goed, schenkt ons zijn zegen;

  toont ons zijn aanschijn van licht,

  Hij gaat ons voor op alle wegen,

  heeft uit de zonde ons opgericht.           Antifoon

3

  Hij is de God, die ons verblijdde,

  die onze nood heeft verstaan;

  die ons een hemels Paasmaal bereidde

  en zonder vrees door de wereld laat gaan.   Antifoon

4

  Laat alle volken uw almacht vrezen,

  aller lof zij U gewijd,

  laat Heer, uw Naam bezongen wezen,

  in aller eeuwen eeuwigheid.                 Antifoon

---

*72

#7

1

  Versie I:

 

  Geef, Heer, de koning uwe rechten

  en uw gerechtigheid

  aan 's konings zoon, om uwe knechten

  te richten met beleid.

  Dan ruist op alle bergen vrede,

  heil op der heuvlen top.

  Hij zal geweldenaars vertreden,

  maar armen richt hij op.

2

  Zolang de zon des daags zal rijzen,

  de maan schrijdt door de nacht,

  moet al het volk hem eer bewijzen,

  hem loven elk geslacht.

  Hij moge mild zijn als de regen,

  het land tot lafenis.

  Vrede zal bloeien aller wegen,

  totdat geen maan meer is.

3

  Heerse van zee tot zee zijn vrede,

  van land tot land zijn lof,

  de volken zullen tot hem treden,

  zijn vijand likt het stof.

  Tarsis en Scheba's verre stranden,

  brengt hem uw overvloed.

  Gij koningen van alle landen,

  valt deze heer te voet.

4

  Hij zal de redder zijn der armen,

  hij hoort hun hulpgeschrei.

  Hij is met koninklijk erbarmen

  hun eenzaamheid nabij.

  Hij helpt, met hun bestaan bewogen,

  die zijn in vrees verward.

  Hun bloed is kostbaar in zijn ogen.

  Hij draagt hen in zijn hart.

5

  Leve de koning in ons midden,

  geef hem Arabisch goud.

  Laten wij daaglijks voor hem bidden,

  nu hij de scepter houdt.

  Het veld zal blinken van het koren.

  Men zal het als een woud

  zelfs op de bergen ruisen horen,

  het ganse land is goud.

6

  Bloeie zijn naam in alle streken,

  zolang de zon verrijst.

  Zijn koningschap zij ons een teken

  dat naar Gods toekomst wijst.

  Dat opgetogen allerwegen

  de volken komen saam,

  elkander groetend met de zegen

  van zijn doorluchte naam.

7

  Laat ons de grote naam bezingen

  van Hem die Isrel leidt,

  want Hij alleen doet grote dingen,

  zijn roem vervull' de tijd.

  Looft God de Heer, Hij openbaarde

  zijn wonderen, zijn eer.

  Zijn heerlijkheid vervult de aarde.

  Ja, amen, looft de Heer.

 

  Versie II:

1

  Voor kleine mensen is hij bereikbaar,

  Hij geeft hoop aan rechtelozen,

  hun bloed is kostbaar in zijn ogen,

  Hij koopt hen vrij uit het slavenhuis.

2

  Hij zal opkomen voor de misdeelden,

  Hij zal de machten die ons dwingen

  breken en binden, hij zal leven,

  onvergankelijk, als de zon.       (refrein)

3

  Zoals de dauw die de aarde drenkt,

  zo zal hij komen en in die dagen

  zullen trouw en waarachtigheid bloeien,

  zal er vrede in overvloed zijn.    (geen refrein)

4

  Dan dragen de bergen schoven van vrede

  en de heuvels een oogst van gerechtigheid,

  een vloed van koren, golvende velden,

  een stad rijst op uit een zee van groen.(refrein)

5

  Zijn naam is tot in eeuwigheid,

  zolang de zon staat aan de hemel.

  Zijn naam gaat rond over de aarde,

  een woord van vrede, van mens tot mens. (refrein)

---

*90

#3

1

  Refrein a:

  Gij doet de mens tot stof vergaan.

 

  Refrein B:

  Gij zegt: Voorbij, ach mensenkinderen van Adam.

 

  Gij zijt voor ons van geslacht op geslacht,

  o Heer, een veilige woonplaats geweest.

  Sinds mensenheugenis zijt Gij God. Refrein B.

2

  In uw ogen zijn duizend jaren

  als de dag van gisteren, weg.

  Gij vaagt ons uit als een droom in de morgen.

  Refrein A en B.

3

  Een mensenleven duurt zeventig jaar

  of, als wij sterk zijn, tachtig.

  Het meeste daarvan is moeite en verdriet,

  en opeens is het uit en vliegen wij heen.

  Refrein B, A en B.

---

*91

#10

1

  Koor:

  Wie woont onder de hoede van de allerhoogste God.

  Wie overnacht in de schaduw van God almachtig,

  hij zegt tot de Heer: mijn toevlucht zijt Gij,

  mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

2

  Koor en allen:

  Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

3

  Koor:

  Hij zal u dekken, met zijn vleugels,

  onder zijn wieken vindt Gij uw veiligheid.

4

  Koor en allen:

  Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

5

  Koor:

  Bij nacht en ontij zult gij niet bang zijn,

  en vrees overdag geen aanval in de rug.

6

  Koor en allen:

  Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

7

  Koor:

  Klamp je maar vast aan Hem, Hij zal ons redden.

  Wij zullen leven tot in lengte van dagen.

8

  Koor en allen:

  Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

9

  Koor:

  Wie woont onder de hoede van de allerhoogste God.

  hij zegt tot de Heer: mijn toevlucht zijt Gij,

10

  Koor en allen:

  Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

---

*93

#10

1

  Koor:

  Koning is onze God,

  zijn kleed is majesteit,

  kracht heeft Hij aangetrokken.

2

  Allen:

  Kracht heeft Hij aangetrokken.

3

  Koor:

  Onwankelbaar is de aarde,

  onwankelbaar vast staat uw troon.

  Gij zijt van eeuwigheid.

4

  Allen:

  Gij zijt van eeuwigheid.

5

  Koor:

  De zeeen verheffen, o Heer,

  de zeeen verheffen hun stem,

  hun vloed van beukende golven.

6

  Allen:

  Hun vloed van beukende golven.

7

  Koor:

  Machtiger dan de stem van dat water,

  machtiger dan de branding van de zee,

  zijt Gij, de God van de hemel.

8

  Allen:

  Zijt Gij, de God van de hemel.

9

  Koor:

  Uw woord is onfeilbaar en trouw,

  geheiligd worde uw huis,

  Heer God, tot in lengte van dagen.

10

  Allen:

  Heer God, tot in lengte van dagen.

---

*97

#4

1

  Refrein 1:

  God is Hij alleen

  vuur gaat voor Hem uit

  weerlicht over de aarde.

 

  De aarde heeft het gezien.

  De aarde kronkelde en steunde

  als een barende vrouw.

  Refrein 1

2

  Bergen smelten als was,

  doden leven, goden

  vluchten waar Hij verschijnt.

3

  Dood valt op een mens

  die voor beelden buigt.

  God is Hij alleen.

 

  Refrein 2:

  God is Hij alleen

  vuur gaat voor Hem uit,

  nieuw licht over de aarde.

4

  Al wie onrecht haat

  is door Hem gekend:

  Hij bewaart uw hart.

  Refrein 2

---

*100

#5

1

  Antifoon 1:

  Treedt aan! Zegent den Heer!

  Dankt Hem met liederen van vreugde!

 

  Antifoon 2:

  Glorie aan God, onzen Heer!

  Alleluja.

 

  JUICHT den HEER, heel de AARde,

  DIENT den HEER in VREUGde,

  treedt JUIchend VOOR zijn AANschijn.

2

  BeDENKT: de HEER alleen is GOD:

  Hij MAAKte ons, wij HOren Hem TOE,

  zijn VOLK, de KUDde die Hij WEIDT.

3

  Treedt JUIchend zijn POORten BINnen,

  zijn VOORhof met een FEEStelijk LIED,

  beLIJDT Hem en ZEgent zijn NAAM.

4

  JA, de HEER is GOED.

  Ja, EEUwig DUURT zijn geNAde:

  Van geSLACHT op geSLACHT zijn TROUW.

5

  GLOrie aan den VAder alMACHtig,

  aan zijn ZOON Jezus CHRIStus, den HEER,

  aan den GEEST, die WOONT in ons HART.

---

*103

#7

1

  Versie I:

 

  Koor:

  Onze hulp is de naam van de Heer,

  die hemel en aarde gemaakt heeft,

  Hij is voor ons een barmhartige Vader

  en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.

2

  Allen:

  Onze hulp is de naam van de Heer,

  en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.

3

  Voorzang:

  Hij roept mijn leven weg uit het graf,

  Hij maakt mijn dagen vol van geluk

  en als een arend herleeft mijn jeugd.

4

  Deze God beschuldigt ons niet en

  nooit zal Hij kwaad met kwaad vergelden,

  groter dan onze zonden is Hij.

5

  Zoals een man voor zijn zonen barmhartig is,

  zo is Hij voor ons een barmhartige Vader.

  Hij kent ons toch, Hij heeft ons gemaakt.

6

  Koor:

  Onze hulp is de naam van de Heer,

  en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.

7

  Allen:

  Onze hulp is de naam van de Heer,

  en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.

 

Versie II:

1

  K. Barmhartige Heer, genadige God,

  A. REFR: Barmhartige Heer, genadige God.

2

  Ja wat de hemel is voor de aarde,

  dat is zijn liefde voor hen die geloven.

  REFR

3

  Zover als het oosten van het westen vandaan is,

  zover van ons af werpt Hij al onze zonden.

  REFR:

4

  Hij kent ons toch.

  Hij is niet vergeten dat wij gemaakt zijn uit

  het stof van de aarde.

  REFR:

5

  Mensen, hun dagen zijn als het gras,

  zij bloeien als bloemen in het open veld.

  Dan waait de wind en zij zijn verdwenen.

  REFR:

6

  Maar duren zal de liefde van God

  voor allen die zijn verbond bewaren,

  zijn woord behartigen en het volbrengen.

  REFR:

 

  Versie III

1

  Koor: Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden, eeuwige God,

  wij willen U zien. Geef ons vandaag een teken van liefde.

2

  Allen: Eeuwige God, wij willen U zien. Geef ons vandaag een

  teken van liefde.

3

  Koor: Want wat de hemel is voor de aarde, dat is uw liefde

  voor hen die geloven.

4

  Allen: Geef ons een teken van liefde.

5

  Koor: Gij, de vergeving van alle zonden, recht en

  gerechtigheid voor deze wereld.

6

  Allen: Gij, de vergeving van alle zonden, geef ons vandaag een

  teken van liefde.

7

  Koor: Gij ken ons toch, Gij zult niet vergeten, dat wij uw

  mensen zijn, Gij, onze God.

8

  Allen: Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden, eeuwige God,

  wij willen U zien. Geef ons vandaag een teken van liefde.

---

*104

#12

1

  Koor:

  Zegen ons met het licht van uw ogen,

  Heer onze God.

2

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen.

3

  Koor:

  Mijn Heer en mijn God, Gij zijt groot en geweldig,

  bekleed met luister en majesteit.

4

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen.

5

  Koor:

  Gij hebt de aarde vast gegrond

  en tot in eeuwigheid wankelt zij niet.

6

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen.

7

  Koor:

  Gij zijt de schepper van maan en tijd,

  van zon en van zonsondergang.

8

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen.

9

  Koor:

  Uit zoveel dingen spreekt uw wijsheid,

  uw scheppingskracht vervult onze aarde.

10

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen.

11

  Koor:

  Alles wacht op U vol hoop,

  alle levenden vragen U om voedsel,

  Heer, onze God.

12

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen,

  Heer, onze God.

---

*117

#1

1

  Looft, alle volken, looft den Heer,

  roemt, alle naties, roemt zijn eer.

  Want over ons is groot en wijd

  zijn gunst en goedertierenheid,

  voor eeuwig blijft zijn trouw bestaan.

  Heft met ons Halleluja aan!

---

*118

#5

1

  Versie II:

 

  Laat ieder 's Heren goedheid prijzen,

  zijn liefde duurt in eeuwigheid.

  Laat, Israel, uw lofzang rijzen:

  zijn liefde duurt in eeuwigheid.

  Dit zij het lied der priesterkoren:

  zijn liefde duurt in eeuwigheid.

  Gij die den Heer vreest, laat het horen:

  zijn liefde duurt in eeuwigheid.

2

  De Heer is mij tot hulp en sterkte,

  Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.

  Hij is het, die mijn heil bewerkte.

  Ik loof den Heer mijn leven lang.

  Hoort in hun kamp Gods knechten zingen

  nu Hij de zege heeft gebracht:

  Gods rechterhand doet grote dingen,

  Gods rechterhand heeft grote kracht!

3

  Des Heren hand is hoog verheven,

  des Heren rechterhand is sterk.

  Ik zal niet sterven, ik zal leven

  en zingen van des Heren werk.

  De Heer heeft mij wel zwaar geslagen,

  maar niet verlaten in mijn nood,

  en zijn genadig welbehagen

  gaf mij niet over aan de dood.

4

  Dit is de dag, die God deed rijzen,

  juicht nu met ons en weest verblijd.

  0 God, geef thans uw gunstbewijzen,

  geef thans het heil door ons verbeid.

  Gezegend zij de grote koning

  die tot ons komt in 's Heren Naam.

  Wij zeeg'nen u uit 's Heren woning,

  wij zegenen u altezaam.

5

  De Heer is God, zijn gunst verheugde

  ons oog en hart met vrolijk licht.

  Nu wordt het offer onzer vreugde

  op zijn altaren aangericht.

  Gij zijt mijn God, U zal ik prijzen

  0 God, U roemen, wijd en zijd.

  Laat aller lof ten hemel rijzen:

  Gods liefde duurt in eeuwigheid.

 

  Versie III:

1

  K:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  mijn God, U in de hoogte steken.

  Ik spreek U uit, ik noem uw Naam,

  zowaar als ik leef.

2

  A:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  zowaar als ik leef.

3

  K:

  Ik was gevangen en riep: God.

  En Hij heeft mij geantwoord.

  Hij heeft mij de ruimte gegeven,

  Hij komt voor mij op als een vriend.

4

  A:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  zowaar als ik leef.

5

  K:

  Beter te schuilen bij God

  dan te vertrouwen op mensen.

  Beter te schuilen bij God

  dan te vertrouwen op macht.

6

  A:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  zowaar als ik leef.

7

  K:

  Ik was geslagen, maar God

  heeft mij overeind geholpen.

  Ik zal niet sterven, ik zal

  leven, Hij tilt mij op.

8

  K:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  mijn God, U in de hoogte steken.

  Ik spreek U uit, ik noem uw Naam,

  zowaar als ik leef.

9

  A:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  zowaar als ik leef.

---

*119

#3

1

  Versie II:

 

  Een smekeling, zo kom ik tot uw troon:

  Leg met uw Woord beslag op mijn gedachten.

  Opdat ik in het licht der waarheid woon.

  Laat niet vergeefs mij op uw bijstand wachten.

  Leer mij uw wet, die goed is, waar en schoon,

  Dan loof ik U bij dagen en bij nachten.

2

  Al uw geboden zijn gerechtigheid,

  Ik prijs uw Woord met juichende gezangen.

  Uw rechterhand geleide mij altijd;

  Naar uw geboden richt ik al mijn gangen.

  Het is uw wet, waarin ik mij verblijd,

  Het is uw heil, waarnaar ik blijf verlangen.

3

  Geef leven aan mijn ziel, wees Gij mijn lied,

  Geef dat ik eeuwig U mag toebehoren.

  Onthoudt mij uw getuigenissen niet.

  Ik was een schaap, en had de weg verloren.

  Zoek, Heer, uw knecht. Ik hoor wat Gij gebiedt.

  Gij hebt mij immers tot uw dienst verkoren.

---

*121

#8

1

  Versie II:

 

  Koor:

  Ik sla mijn ogen op naar de bergen:

  Zou iemand mij komen helpen?

2

  Allen:

  Ja, mijn God komt mij helpen,

  de schepper van hemel en aarde.

3

  Hij zal niet toelaten dat je struikelt,

  Hij zal niet slapen, Hij waakt over jou,

4

  Nee, slapen en sluimeren zal Hij niet,

  Hij waakt over heel zijn volk.

5

  Onze God houdt de wacht

  als een schaduw over je heen,

6

  Overdag zal de zon je niet steken

  en 's nachts zal de maan je geen kwaad doen.

7

  Hij houdt alle kwaad van je af,

  Hij neemt je onder zijn hoede,

8

  en waar je ook gaat of staat,

  God zal je behouden voor eeuwig.

---

*126

#6

1

  K. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.

     Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.

2

  A. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.

     Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.

3

  K. Wij zullen zingen, lachen, gelukkig zijn.

     Dan zegt de wereld: Hun God doet wonderen,

     Ja Hij doet wonderen,

     God in ons midden, Gij onze vreugde.

4

  A. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.(2x).

5

  K. Breng ons dan thuis, keer ons tot leven

     zoals rivieren in de woestijn die,

     als de regen valt, opnieuw gaan stromen.

     Wie zaait in droefheid zal oogsten in vreugde.

     Een mens gaat zijn weg en zaait onder tranen.

     Zingende keert Hij terug met zijn schoven.

6

  A. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.(2x).

---

*130

#6

1

  Ik roep uit de diepten tot U, Heer

  Want bij U Heer is erbarming.

2

  Uit de diepten, o Her, roep ik tot U,

  Heer, hoor naar mijn stem.

  Laat uw oor aandachtig luisteren.

  Naar de stem van mijn smeken.

3

  Als Gij zonden gedenkt, o Heer

  Heer, wie zal het bestaan?

  Maar bij U is vergeving.

  Opdat in vreze Gij gediend wordt.

4

  In vertrouwen verwacht ik den Heer,

  Ik vertrouw op zijn woord.

  Mijn ziel ziet uit naar den Her

  Meer dan wachters naar de morgen.

5

  Want bij de Heer is erbarming.

  En de weelde der verlossing.

  En Hij zal Israel verlossen.

  Van al zijne zonden.

6

  Glorie aan den Vader en den Zoon

  en den Heiligen Geest.

  Die is en was en die komt.

  In de eeuwen der eeuwen.

---

*139

#13

1

  Voorzang: Mijn God, Gij peilt mijn hart en Gij kent mij.

  Allen:    Mijn God, Gij peilt mijn hart en Gij kent mij.

2

  Voorzang: In mij is niets voor Uw ogen verborgen

            en wat ik ook doe, Gij zijt er mee vertrouwd.

3

  Allen:    Gij zijt er mee vertrouwd.

4

  Voorzang: Hoe zou ik ooit ontkomen aan uw Geest©

            en waar heen zou ik vluchten, Gij ziet mij overal.

5

  Allen:    Gij ziet mij overal.

6

  Voorzang: Beklim ik de hemel, Gij zijt in de hemel,

            daal ik af in de aarde, daar vind ik U ook.

7

  Allen:    Daar vind ik U ook.

8

  Voorzang: En vlieg ik me met het morgenrood

            tot aan het uiterste strand van de zee,

            ook daar zal Uw hand mij verder helpen.

9

  Allen:    Ook daar zal Uw hand mij verder helpen.

10

  Voorzang: Hoe moeilijk zijn Uw gedachten voor mij.

            Mijn God, wat een machtig geheel.

11

  Allen:    Mijn God, wat een machtig geheel.

12

  Voorzang: Ga ik ze tellen, ze zijn zo talrijk

            als het zand aan de zee, en dan nog

            dan weet ik altijd nog niets van U.

13

  Allen:    Dan weet ik altijd nog niets van U.

---

*150

#2

1

  Versie I:

 

  Looft God, looft Hem overal.

  Looft de Koning van 't heelal

  om zijn wonderbare macht,

  om de heerlijkheid en kracht

  van zijn naam en eeuwig wezen.

  Looft de daden, groot en goed,

  die Hij triomferend doet.

  Hem zij eer, Hij zij geprezen.

2

  Hef, bazuin, uw gouden stem,

  harp en fluit, verheerlijkt Hem!

  Cither, cimbel, tamboerijn,

  laat uw maat de maatslag zijn

  van Gods ongemeten wezen,

  opdat zinge al wat leeft,

  juiche al wat adem heeft

  tot Gods eer. Hij zij geprezen.

 

  Versie III:

1

  Looft God in zijn heiligdom.

2

  Alleluia, alleluia, alleluia!

3

  Looft God in Zijn heiligdom,

  looft Hem heel Zijn hemel om.

  Looft Hem om Zijn grote macht,

  looft Hem naar Zijn grote kracht.

  Alleluia, alleluia, alleluia!

4

  Looft Hem met bazuingeschal,

  looft de Heer van het heelal.

  Looft Hem, laat de harpen slaan.

  Looft Hem, grijpt de citers aan.

  Alleluia, alleluia, alleluia!

5

  Looft Hem dansend, groot en klein

  looft Hem rinkend met de tamboerijn.

  Looft Hem fluitend met de fluit,

  looft Hem op cymbaal en luit.

  Alleluia, alleluia, alleluia!

6

  Spant uw snaren Hem ter eer.

  Alleluia, looft de Heer.

  Looft Hem zingend al wat leeft,

  looft Hem al wat adem heeft.

  Alleluia, alleluia, alleluia!

---

*151

#5

1

  Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag;

  het komt aan de dag.

  Zijn hand is verheven, zijn hand die bevrijd,

  zijn hand die zijn volk heeft geleid.

  De God onzer vaadren wordt heerlijk bekend.

  Wij prijzen zijn naam in zijn heilige tent.

  Hij heeft ons verlost en Hij ging met ons mee

  en wie ons vervolgden wierp Hij in de zee

  met vliegende vaandels en blinkende zwaarden,

  met wagens en paarden.

2

  De Heer is een krijgsman, Hij trekt voor ons uit

  en machtig verluidt

  de roemrijke klank van zijn naam over ons:

  de Here, de God des verbonds!

  Hij heeft ons bevrijd, uit het diensthuis vandaan,

  Hij heeft ons geleid op een veilige baan.

  De wateren weken en stonden gedwee,

  de vijand verzonk als een steen in de zee

  met vliegende vaandels en blinkende zwaarden,

  met wagens en paarden.

3

  Wie is er, o Here ter wereld als Gij?

  Wie komt U nabij

  in heilige luister, in reddende macht

  die wonderen tot stand heeft gebracht?

  Wij moeten U loven met hart en met mond,

  want Gij zult ons brengen naar heilige grond.

  Uw liefde bereidt ons een veilig gebied.

  Uw dreigende vinger verwijst naar het niet

  de vliegende vaandels en blinkende zwaarden,

  de wagens en paarden.

4

  De volken der aarde gaan eindlijk verstaan

  wat Gij hebt gedaan.

  Hun leiders die bouwen op list en geweld

  verstommen en zwijgen ontsteld.

  Totdat Gij uw volk dat Gij zelve formeert,

  totdat Gij het volk dat tot U zich bekeert

  het land van belofte hebt binnengebracht,

  vergaan door het diepe geheim van de macht

  de vliegende vaandels en blinkende zwaarden,

  de wagens en paarden.

5

  Ik zing voor de Heer. Hij is koning voor goed

  en dwars door de vloed

  geleidt Hij de zijnen. Zijn goddelijk spoor

  gaat zelfs in de zee niet teloor:

  de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt,

  het water en bloed dat de zonden uitdelgt.

  Zo gaat het van doodszee naar levensjordaan,

  en zingende moeten het water in gaan

  met slaafse ellende en vorstlijke waarde

  de mensen der aarde.

---

*153

#14

1

  Voorzang:

  Geprezen zijt Gij, Heer, de God van onze vaderen,

 

  Refrein:

  Lofwaardig en roemrijk voor eeuwig.

2

  En geprezen moet worden uw glorierijke Naam,

  die heilig is. Refrein.

3

  Geprezen zijt Gij in het heiligdom van uw heerlijkheid.

  Refrein.

4

  Geprezen zijt Gij, gezeten op de heilige troon van uw rijk.

  Refrein.

5

  Geprezen zijt Gij om de macht van uw Godheid.

  Refrein.

6

  Geprezen zijt Gij die tronend op cherubs

  de diepten doorschouwt. Refrein.

7

  Geprezen zijt Gij die wandelt op de wieken van de wind

  en op de golven van de zee.

  Refrein.

8

  Dat al uw engelen en heiligen U prijzen.

9

  Allen:

  dat zij U loven en verheerlijken in eeuwigheid.

10

  Voorzang:

  Dat hemel en aarde en zee U prijzen,

  en al wat zij bevatten.

11

  Allen:

  dat zij U loven en verheerlijken in eeuwigheid.

12

  Eer aan God de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

  Refrein.

13

  Zoals het was in het begin en nu en altijd,

  en in de eeuwen der eeuwen. Amen. Refrein.

14

  Geprezen zijt Gij, Heer, de God van onze vaderen.

  Refrein.

---

*154

#12

1

  Antifoon:

  Iedere tijd opnieuw gaat zijn genade naar allen

  die eerbiedig met Hem leven, want geweldig is mijn God.

2

  Ik zing van ganser harte voor de Heer,

  ben opgetogen om mijn God en Redder.

3

  Want Hij had oog voor mij, zijn dienares,

  maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.

4

  Nu mag ik mij voortaan gelukkig prijzen,

  dat Hij zo grote dingen aan mij deed.

5

  En alle eeuwen stemmen met mij in,

  de Heer is machtig en zijn Naam is heilig.

6

  Iedere tijd opnieuw gaat zijn genade

  naar allen die eerbiedig met Hem leven.

7

  Genade is zijn kracht, maar alle hoogmoed,

  al onze eigenwaan ontmaskert Hij.

8

  Alle machthebbers stoot Hij van hun tronen,

  arme en kleine mensen maakt Hij groot.

9

  Wie honger hebben geeft Hij overvloed,

  de rijken stuurt Hij heen met lege handen.

10

  Altijd is Hij zijn woord nog getrouw gebleven,

  aan Abraham en aan zijn volk voorgoed.

11

  Zo had Hij het beloofd aan onze Vaderen,

  aan Abraham en aan zijn volk voorgoed.

12

  Eer aan de Vader, aan de Zoon en aan de Geest,

  nu en altijd, door al de eeuwen. Amen!

---

*155

#4

1

  Refrein:

  Mijn vreugde zing ik uit: God is mijn Redder.

 

  Van deze dag af zullen eeuw na eeuw

  de mensen mij gelukkig prijzen. Refrein.

2

  Hij heeft met mij gehandeld naar zijn grootheid,

  de Machtige, geheiligd zij zijn Naam. Refrein.

3

  En zijn barmhartigheid wordt steeds ervaren

  wanneer de mens eerbiedig naam Hem opziet. Refrein.

4

  Eer zij de heerlijkheid Gods:

  Vader, Zoon en heilige Geest. Refrein.

---

*156

#3

1

  God zij geloofd uit alle macht,

  Hij komt zijn volk bevrijden

  en heeft aan Israel gebracht

  verlossing in zijn lijden.

  Hij heeft zijn teken opgericht:

  verheffing van het aangezicht

  voor heel het huis van David,

  zoals voorlang geschreven stond

  heeft Hij gedacht aan zijn verbond,

  zo doet Hij ons herleven.

2

  Bevrijding uit de vijandschap

  de hand van die ons haten,

  gelijk Hij eens gezworen had

  Abraham onze vader,

  opdat wij in rechtvaardigheid

  de Here God zijn toegewijd

  ons leven lang op aarde.

  Zo zult gij voor de Heer uitgaan,

  een stem die Hem de toegang baant:

  bereidt Hem alle wegen!

3

  Gij zijt de stem der profetie

  sprekend van mededogen,

  want eens zal ieders oog Hem zien:

  de Opgang uit den hoge.

  Gezegend zij de dageraad

  het licht dat weldra schijnen gaat

  voor wie in duister kwijnen.

  Hij zal de schaduw van de dood

  beschamen met zijn morgenrood.

  Op aarde daalt de vrede!

---

*157

#2

1

  Nu is het Woord gezegd

  waarmee, o Heer, uw knecht

  wordt vrijgekocht in vrede,

  mijn ogen zijn vervuld

  van 't heil dat Gij onthult

  en dat Gij doet geschieden.

2

  Gij hebt het opgericht

  voor aller aangezicht,

  een schouwspel voor de tijden,

  een licht is opgegaan,

  het zal de nacht verslaan

  en Israel verblijden.

---

*158

#2

1

  Refrein:

  Christus, de gestalte van God,

  beeld en gelijkenis van zijn heerlijkheid.

 

  Hij heeft zichzelf ontledigd,

  Hij is niet meer dan een dienstknecht geweest,

  in alles gelijk geworden aan de mensen. Refrein.

2

  Hij is gehoorzaam geworden tot de dood,

  tot de dood op het kruis.

  Christus, de gestalte van God. Refrein.

---

*159

#6

1

  Die rechtens God gelijk

  komt van de Vader voort,

  de Koning van zijn Rijk,

  Gods beeld en scheppend woord.

2

  Hij heeft zichzelf ontdaan

  van alle heerschappij,

  Hij kwam in ons bestaan,

  Hij werd een mens als wij.

3

  Hij werd ons aller knecht,

  zijn deemoed was zo groot.

  Hij stond voor ons terecbt,

  gehoorzaam totterdood.

4

  Maar God heeft Hem gesteld

  hoog aan zijn rechterhand.

  God heeft zijn naam gemeld

  aan hemel"zee en land@

5

  opdat zijn macht verstaan

  al wie Hij 't aanzijn geeft,

  opdat in Jezus' naam

  zich buige al wat leeft, -

6

  opdat wij met elkaar

  God geven alle eer,

  belijdend voor elkaar

  dat Jezus is de Heer!

---

*160

#3

1

  Refrein:

  Halleluja! Heil, eer en macht aan onze God,

  wiens oordelen waar zijn en recht.

 

  Looft onze God, zijn knechten, allen,

  Godvrezenden, kleinen en groten.

  Aanvaard heeft Hij zijn koningschap,

  de Heerser van het al. Refrein.

2

  Laat ons dan blij zijn, juicht Hem toe,

  brengen wij Hem de eer.

  Gekomen is de bruiloft van het Lam,

  en zijn bruid heeft zich getooid. Refrein.

3

  Glorie aan de Vader almachtig,

  aan zijn Zoon Jezus Christus, de Heer,

  aan de Geest die ons bijstaat en helpt

  in de eeuwen der eeuwen. Amen. Refrein.

---

*201

#2

1

  Versie A:

 

  Voorzang:

  In de Naam van de Vader en de Zoon

  en de heilige Geest.

  Allen: Amen.

2

  Voorzang:

  De genade van de Heer Jezus Christus,

  de liefde van God

  en de gemeenschap van de heilige Geest

  zij met u allen.

  Allen:

  En met uw geest.

 

  Versie B:

1

  Voorzang:

  In de Naam van de Vader en de Zoon

  en de heilige Geest.

  Allen: Amen.

2

  Voorzang:

  De genade van de Heer Jezus Christus,

  de liefde van God

  en de gemeenschap van de heilige Geest

  zij met u allen.

  Allen:

  En met uw geest.

---

*211

#3

1

  Voorzang:

  Bidden wij met geloof in ons hart

  tot de Vader van hemel en aarde,

  dat Hij de wereld bewaart

  als het werk van zijn handen:

 

  Refrein:

  Luister, Heer, ontferm U over ons.

2

  Bidden wij met geloof in ons hart

  tot zijn Zoon, Jezus Christus, de heiland,

  dat Hij allen die hongeren voedt

  als het brood van de hemel: Refrein.

3

  Bidden wij met geloof in ons hart

  tot de heilige Geest de helper,

  dat alles zal worden herschapen

  in het licht van Gods aanschijn: Refrein.

---

*212

#3

1

  Voorzang:

  Laten wij roepen tot God onze Heer,

  dat Hij van kracht is en ons doet zingen,

  Hij is de God die ons zal redden:

 

  Refrein:

  Heer, ontferm U over ons.

  Heer, ontferm U over ons.

2

  Laten wij roepen in zijn poorten,

  dat Hij zijn huis van genade opent;

  Hij doet gebroken mensen weer opstaan: Refrein

3

  Laten wij roepen voor zijn aanschijn,

  dat over ons zijn heil mag komen

  op deze dag die Hij heeft gemaakt.  Refrein

---

*213

#3

1

  Voorzang:

  God, keer U tot ons en richt ons weer op

  wij zijn ten dode, wij zijn verslagen.

  Gij alleen kunt ons leven redden.

 

  Refrein:

  Heer, ontferm U over ons.

  Heer, ontferm U over ons.

2

  God, houd uw hand omhoog geheven,

  opdat ik zal leven en niet sterven

  en ik zal zingen van uw goedheid: Refrein

3

  Hier is de poort die gaat naar U toe

  alle rechtvaardigen laat Gij er binnen

  open uw poort en zij zullen leven: Refrein

---

*214

#3

1

  Voorzang:

  God, wij roepen uit de diepte:

  kom met uw woorden van troost en van vrede.

 

  Refrein:

  Heer, ontferm U over ons.

2

  God, vergeef ons onze schulden,

  roep ons tot leven en wil ons verlossen. Refrein

3

  God, naar U zien wij uit als wachters,

  wees voor ons als het licht in de morgen. Refrein

---

*215

#5

1

  Voorzang:

  God van genade, wees ons genadig,

  neem weg onze zonden opdat wij leven.

 

  Refrein:

  Heer, ontferm U over ons.

2

  Laat ons weer horen van vreugde,

  en die gebroken zijn zullen weer opstaan: Refrein

3

  God, schep een hart in ons dat zuiver is

  en laat uw geest ons vernieuwen: Refrein

4

  Open uw mond en wij zullen spreken

  en onze woorden zullen U prijzen: Refrein

5

  God, neem van ons aan wat wij geven:

  ons hart dat klein is en gebroken: Refrein

---

*216

#4

1

  Voorzang:

  Bidden wij tot de levende God,

  Vader van onze Heer Jezus Christus

  in kracht van de heilige Geest:

 

  Refrein:

  Luister, Heer, ontferm U over ons.

2

  Over de stad van God op aarde,

  voor het volk dat hier bijeen is,

  bidden wij om licht en verlossing: Refrein

3

  Over de wereld waarin wij leven,

  over hen die worden verdrukt

  bidden wij om geloof en toekomst: Refrein

4

  Over allen die zoeken naar waarheid

  en het evangelie willen verstaan

  bidden wij om geduld en om aandacht: Refrein

---

*217

#7

1

  Voorzang:

  Heer Jezus, koning en gezalfde Gods,

2

  Refrein:

  Heer, onze Heer, ontferm U over ons.

3

  Heer Jezus, hogepriester, knecht van God.

4

  Heer Jezus, woord en evenbeeld van God.

5

  Heer Jezus, licht en aangezicht van God.

6

  Heer Jezus, zoon van Adam, zoon van God.

7

  Heer Jezus, onze broeder, onze God.

---

*218

#7

1

  Voorzang:

  Heer Jezus, koning en gezalfde Gods,

2

  Refrein:

  Heer, onze Heer, ontferm U over ons.

3

  Heer Jezus, hogepriester, knecht van God.

4

  Heer Jezus, woord en evenbeeld van God.

5

  Heer Jezus, licht en aangezicht van God.

6

  Heer Jezus, zoon van Adam, zoon van God.

7

  Heer Jezus, onze broeder, onze God.

---

*221

#1

1

  Heer, ontferm U.

  Christus ontferm U.

  Heer ontferm U.

---

*222

#1

1

  Heer, ontferm U.

  Christus ontferm U.

  Heer ontferm U.

---

*223

#1

1

  Heer, ontferm U over ons.

  Christus ontferm U over ons..

  Heer ontferm U over ons.

---

*224

#1

1

  Voorzang: Heer, ontferm U.

  Allen: Heer, ontferm U. Heer, ontferm U.

  Voorzang: Christus ontferm U.

  Allen: Christus ontferm U. Christus ontferm U.

  Voorzang: Heer ontferm U.

  Allen: Heer, ontferm U. Heer, ontferm U.

---

*225

#1

1

  Heer, ontferm U.

  Christus ontferm U.

  Heer ontferm U.

---

*226

#8

1

  Voorzang:

  Broeders en zusters,

  belijden wij onze zonden,

  bekeren wij ons tot God

  om de heilige eucharistie goed te kunnen vieren.

  Heer, die de rouwmoedigen troost,

  ontferm U over ons.

2

  Allen:

  Heer, ontferm U over ons.

3

  Voorzang:

  Christus, die gekomen zijt voor de zondaars,

  ontferm U over ons.

4

  Allen:

  Christus, ontferm U over ons.

5

  Voorzang:

  Heer, die onze voorspreker zijt

  aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm U over ons.

6

  Allen:

  Heer, ontferm U over ons.

7

  Voorzang:

  Moge de almachtige God zich over ons ontfermen,

  onze zonden vergeven,

  en ons geleiden tot het eeuwig leven.

8

  Allen:

  Amen.

---

*227

#8

1

  Voorzang:

  Broeders en zusters,

  belijden wij onze zonden,

  bekeren wij ons tot God

  om de heilige eucharistie goed te kunnen vieren.

  Heer, die de rouwmoedigen troost,

  ontferm U over ons.

2

  Allen:

  Heer, ontferm U over ons.

3

  Voorzang:

  Christus, die gekomen zijt voor de zondaars,

  ontferm U over ons.

4

  Allen:

  Christus, ontferm U over ons.

5

  Voorzang:

  Heer, die onze voorspreker zijt

  aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm U over ons.

6

  Allen:

  Heer, ontferm U over ons.

7

  Voorzang:

  Moge de almachtige God zich over ons ontfermen,

  onze zonden vergeven,

  en ons geleiden tot het eeuwig leven.

8

  Allen:

  Amen.

---

*228

#6

1

  Voorzang:

  Broeders en zusters,

  belijden wij onze zonden,

  bekeren wij ons tot God

  om de heilige eucharistie goed te kunnen vieren.

  Heer, die de gestorvenen rust en verlichting schenkt

  ontferm U over ons.

2

  Allen:

  Heer, ontferm U over ons.

3

  Voorzang:

  Christus, die de rechtvaardigen binnenleidt in het eeuwig

  leven,

  ontferm U over ons.

4

  Allen:

  Christus, ontferm U over ons.

5

  Voorzang:

  Heer, die ons allen aan uw tafel nodigt,

  ontferm U over ons.

6

  Allen:

  Heer, ontferm U over ons.

---

*231

#14

1

  Priester of koor:

  Eer aan God in den hoge,

2

  Koor:

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

3

  Allen:

  Wij prijzen en aanbidden U.

4

  Allen:

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

5

  Koor:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

6

  Allen:

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

7

  Koor:

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

8

  Allen:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons;

9

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld, aanvaard ons gebed;

10

  Allen:

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm u over ons.

11

  Koor:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

12

  Allen:

  Gij alleen de Heer,

13

  Koor:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

14

  Allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

---

*232

#15

1

  Celebrant:

  Eer aan God in den hoge,

2

  Koor:

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

3

  Allen:

  Wij loven U.

4

  Koor:

  Wij prijzen en aanbidden U.

5

  Allen:

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

6

  Koor:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

7

  Allen:

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

8

  Koor:

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

9

  Allen:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  ontferm U over ons;

10

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  aanvaard ons gebed;

11

  Allen:

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm u over ons.

12

  Koor:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

13

  Allen:

  Gij alleen de Heer,

14

  Koor:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

15

  Koor en Allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

---

*233

#15

1

  Priester:

  Eer aan God in den hoge,

2

  Voorzang of Koor:

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

3

  Allen:

  Wij loven U.

4

  Voorzang:

  Wij prijzen en aanbidden U.

5

  Allen:

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

6

  Voorzang:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

7

  Allen:

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

8

  Voorzang:

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

9

  Allen:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  ontferm U over ons;

10

  Voorzang:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  aanvaard ons gebed;

11

  Allen:

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm u over ons.

12

  Koor:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

13

  Allen:

  Gij alleen de Heer,

14

  Voorzang:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

15

  Allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

---

*234

#18

1

  Priester:

  Eer aan God in den hoge,

2

  Koor:

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

3

  Allen:

  Wij loven U. Wij prijzen en aanbidden U.

4

  Koor:

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

5

  Allen:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

6

  Koor:

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

7

  Allen:

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

8

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

9

  Allen:

  ontferm U over ons;

10

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

11

  Allen:

  aanvaard ons gebed;

12

  Koor:

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

13

  Allen:

  ontferm u over ons.

14

  Koor:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

15

  Allen:

  Gij alleen de Heer,

16

  Koor:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

17

  Koor en allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

18

  Koor:

  Amen.

---

*235

#16

1

  Priester:

  Eer aan God in den hoge,

2

  Koor:

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

3

  Allen:

  Wij loven U.

4

  Koor:

  Wij prijzen en aanbidden U.

5

  Allen:

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

6

  Koor:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

7

  Allen:

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

8

  Koor:

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

9

  Allen:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  ontferm U over ons;

10

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  aanvaard ons gebed;

11

  Allen:

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm u over ons.

12

  Koor:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

13

  Allen:

  Gij alleen de Heer,

14

  Koor:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

15

  Allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

16

  Koor:

  Amen.

---

*241

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja.

 

  Voorzang:

  Als iemand Mij liefheeft,

  zal hij mijn Woord onderhouden;

  en Wij zullen tot hem komen.

---

*242

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja.

 

  Voorzang:

  Bereidt de weg van de Heer,

  maakt zijn paden recht,

  en heel de mensheid zal Gods redding aanschouwen.

---

*243

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja.

 

  Voorzang:

  Brandde ons hart niet in ons,

  terwijl Hij onderweg met ons sprak

  en ons de Schriften ontsloot.

---

*244

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja.

 

  Voorzang:

  Geprezen zijt Gij, Vader van hemel en aarde,

  omdat Gij de geheimen van het koninkrijk

  aan kind'ren openbaart.

---

*245

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja.

 

  Voorzang:

  Heer Jezus, ontsluit voor ons de Schriften;

  doe ons hart branden, terwijl Gij tot ons spreekt.

---

*246

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja.

 

  Voorzang:

  Heer Jezus, ontsluit voor ons de Schriften,

  doe ons hart brandden terwijl Gij tot ons spreekt.

---

*247

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja.

 

  Voorzang:

  Ik ben de goede Herder.

  Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij.

---

*248

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja!

 

  Voorzang:

  Ik ben de Verrijzenis en het Leven:

  wie in Mij gelooft zal leven in eeuwigheid.

---

*249

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja, halleluja!

 

  Voorzang:

  Ik ben de weg, de waarheid en het leven;

  Niemand komt tot de Vader, tenzij door Mij.

---

*250

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja, halleluja!

 

  Voorzang:

  Ik ben het levend Brood. dat uit de hemel is neergedaald.

  Wie van dit Brood eer, zal leven in eeuwigheid.

---

*251

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja!

 

  Voorzang:

  Ik verkondig u een tijding van vreugde:

  heden is U een Redder geboren,

  Christus, de Heer.

---

*252

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja!

 

  Voorzang:

  Kom, o Geest, vervul ons hart met licht,

  ontsteek in ons het vuur van uw liefde.

---

*253

#2

1

  Voorzang:

  Met Christus is zij verheerlijkt

  in eeuwigheid, halleluja.

2

  Allen: halleluja.

  Voorzang: halleluja.

  Allen:  Halleluja, halleluja!

---

*254

#1

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja!

 

  Voorzang:

  Niet van brood alleen leeft de mens,

  maar van ieder woord dat komt uit de mond van God.

---

*255

#1

1

  Refrein: Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja!

  Voorzang: Uw woorden, Heer, zijn geest en leven.

  Allen: Halleluja, halleluja!

  Voorzang: Gij hebt woorden van eeuwig leven.

  Allen: Halleluja, halleluja!

---

*261

#1

1

  Aan onze God en Vader zij de eer

  in de eeuwen der eeuwen. Amen.

---

*262

#1

1

  God heeft Hem hoog verheven

  en Hem de Naam verleend

  die boven alle namen is:

  Jezus Christus is de Heer!

---

*263

#1

1

  Refrein: Halleluja, halleluja, halleluja, halleluja!

  Voorzang: U komt de lof toe, U het gezang,

  U alle glorie, Vader, Zoon, heilige Geest

  in alle eeuwen der eeuwen.

---

*264

#1

1

  Lof en heerlijkheid, wijsheid en dank,

  eer, macht en sterkte aan onze God,

  vandaag en alle dagen tot in eeuwigheid.

---

*265

#1

1

  U komt de lof toe, U het gezang,

  U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest

  in alle eeuwen der eeuwen.

---

*266

#1

1

  U komt de lof toe, U het gezang,

  U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest

  in alle eeuwen der eeuwen.

---

*267

#1

1

  U komt de lof toe, U het gezang,

  U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest

  in alle eeuwen der eeuwen.

---

*268

#1

1

  U komt de lof toe, U het gezang,

  U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest

  in alle eeuwen der eeuwen.

---

*269

#1

1

  Waardig zijt Gij, onze Heer en onze God,

  te ontvangen de heerlijkheid

  en de eer en de macht.

---

*271

#1

1

  Pr of K. Ik geloof in God de almachtige Vader,

  K. Schepper van hemel en aarde.

  A. En in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer,

  K. die ontvangen is van de heilige Geest, geboren uit de Maagd

  Maria,

  A. die geleden heeft onder Pontius Pilatus,is gekruisigd,

  gestorven en begraven,

  K. die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de

  doden,

  A. die opgestegen is ten hemel,zit aan de rechterhand van God

  de almachtige Vader,

  K. Vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.

  A. Ik geloof in de heilige Geest; de heilige katholieke Kerk,

  K. de gemeenschap van de heiligen; de vergeving van de zonden;

  A. de verrijzenis van het lichaam; en het eeuwig leven. Amen.

---

*272

#1

1

  Pr of K. Ik geloof in God de almachtige Vader,

  K. Schepper van hemel en aarde.

  A. En in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer,

  K. die ontvangen is van de heilige Geest, geboren uit de Maagd

  Maria,

  A. die geleden heeft onder Pontius Pilatus,is gekruisigd,

  gestorven en begraven,

  K. die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de

  doden,

  A. die opgestegen is ten hemel,zit aan de rechterhand van God

  de almachtige Vader,

  K. Vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.

  A. Ik geloof in de heilige Geest; de heilige katholieke Kerk,

  K. de gemeenschap van de heiligen; de vergeving van de zonden;

  A. de verrijzenis van het lichaam; en het eeuwig leven. Amen.

---

*281

#1

1

  Voorzang: De Heer zij met u.

  Allen: En met uw geest.

2

  Voorzang: De Heer zal bij u zijn.

  Allen: De Heer zal u bewaren.

3

  Voorzang: Verheft uw hart.

  Allen: Wij zijn met ons hart bij de Heer.

  Voorzang: Brengen wij dank aan de Heer onze God.

  Allen: Hij is onze dankbaarheid waardig.

---

*291

#1

1

  Heilig, heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten!

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

  Hosanna in den hoge.

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

  Hosanna in den Hoge.

---

*292

#1

1

  Heilig, heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten!

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

  Hosanna in den hoge.

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

  Hosanna in den hoge.

---

*293

#1

1

  Heilig, heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten!

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

  Hosanna in den hoge.

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

  Hosanna in den hoge.

---

*294

#1

1

  Heilig, heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten!

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

  Hosanna in den hoge.

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

  Hosanna in den hoge.

---

*295

#1

1

  Heilig, heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten!

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

  Hosanna in den hoge.

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

  Hosanna in den hoge.

---

*296

#1

1

  Heilig, heilig, heilig is de Heer.

  Aan Hem de glorie,

  die hemel en aarde vervult van zijn Naam

  in alle eeuwen, in alle eeuwen.

---

*297

#1

1

  Heilig, heilig, heilig is de Heer.

  Aan Hem de glorie,

  die hemel en aarde vervult van zijn Naam

  in alle eeuwen der eeuwen.

---

*301

#1

1

  Uw Naam, Heer, zij geprezen,

  tot in eeuwigheid duurt uw trouw.

  In de kracht van de Heilige Geest

  brengen wij hulde aan uw Naam.

---

*302

#1

1

  Heer Jezus, wij verkondigen uw dood

  en wij belijden tot Gij wederkeert,

  dat Gij verrezen zijt.

---

*303

#1

1

  Als wij dan eten van dit brood

  en drinken uit deze beker,

  verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt.

---

*304

#1

1

  Als wij dan eten van dit brood

  en drinken uit deze beker,

  verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt.

---

*305

#2

1

  Voorzang:

  Dit is het sacrament van het geloof.

2

  Allen:

  Heer Jezus, wij verkondigen uw dood

  en wij belijden tot Gij wederkeert,

  dat Gij verrezen zijt.

---

*306

#1

1

  Heer Jezus, wij verkondigen uw dood

  en wij belijden tot Gij wederkeert,

  dat Gij verrezen zijt.

---

*307

#1

1

  Redder van de wereld, bevrijd ons,

  Gij die ons hebt verlost door uw kruis en verrijzenis.

---

*308

#1

1

  Van U wil ik spreken God,

  uw Naam bezingen:

  eeuwig duurt uw trouw.

---

*311

#1

1

  Door Hem en met hem en in Hem

  zal uw Naam geprezen zijn,

  Heer onze God, almachtige Vader,

  in de eenheid van de heilige Geest

  hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen.

---

*312

#1

1

  Door Hem en met hem en in Hem

  zal uw Naam geprezen zijn,

  Heer onze God, almachtige Vader,

  in de eenheid van de heilige Geest

  hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen.

---

*313

#1

1

  Door Hem en met hem en in Hem

  zal uw Naam geprezen zijn,

  Heer onze God, almachtige Vader,

  in de eenheid van de heilige Geest

  hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen.

---

*321

#2

1

  Voorzang:

  Laten wij bidden tot God, onze Vader,

  met de woorden die Jezus ons gegeven heeft:

2

  Allen:

  Onze Vader, die in de hemel zijt;

  uw Naam worde geheiligd;

  uw rijk komen;

  uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.

  Geef ons heden ons dagelijks brood;

  en vergeef ons onze schuld,

  zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;

  en leid ons niet in bekoring;

  maar verlos ons van het kwade.

  Want van U is het koninkrijk en de kracht

  en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.

---

*322

#2

1

  Voorzang:

  Laten wij bidden tot God, onze Vader,

  met de woorden die Jezus ons gegeven heeft:

2

  Allen:

  Onze Vader, die in de hemel zijt;

  uw Naam worde geheiligd;

  uw rijk komen;

  uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.

  Geef ons heden ons dagelijks brood;

  en vergeef ons onze schuld,

  zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;

  en leid ons niet in bekoring;

  maar verlos ons van het kwade.

  Want van U is het koninkrijk en de kracht

  en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.

---

*323

#2

1

  Voorzang:

  Laten wij bidden tot God, onze Vader,

  met de woorden die Jezus ons gegeven heeft:

2

  Allen:

  Onze Vader, die in de hemel zijt;

  uw Naam worde geheiligd;

  uw rijk komen;

  uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.

  Geef ons heden ons dagelijks brood;

  en vergeef ons onze schuld,

  zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;

  en leid ons niet in bekoring;

  maar verlos ons van het kwade.

  Want van U is het koninkrijk en de kracht

  en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.

---

*324

#2

1

  Voorzang:

  Laten wij bidden tot God, onze Vader,

  met de woorden die Jezus ons gegeven heeft:

2

  Allen:

  Onze Vader, die in de hemel zijt;

  uw Naam worde geheiligd;

  uw rijk komen;

  uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.

  Geef ons heden ons dagelijks brood;

  en vergeef ons onze schuld,

  zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;

  en leid ons niet in bekoring;

  maar verlos ons van het kwade.

  Want van U is het koninkrijk en de kracht

  en de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

---

*331

#1

1

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       geef ons de vrede.

---

*332

#1

1

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       geef ons de vrede.

---

*333

#1

1

  Voorzang: Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

  Allen:    ontferm U over ons.

  Voorzang: Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

  Allen:    ontferm U over ons.

  Voorzang: Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

  Allen:    geef ons de vrede.

---

*334

#1

1

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       geef ons de vrede.

---

*335

#1

1

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       geef ons de vrede.

---

*336

#1

1

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       geef ons uw vrede.

---

*337

#1

1

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       ontferm U over ons.

  Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

       geef ons uw vrede.

---

*341

#1

1

  Voorzang: De Heer zij met U.

  Allen: En met uw geest.

  Voorzang: Zegene u de almachtige God,

  Vader, Zoon en heilige Geest.

  Allen: Amen, amen.

  Voorzang: Gaat nu allen heen in vrede.

  Allen: Wij danken God.

---

*342

#1

1

  Voorzang: De Heer zal bij u zijn.

  Allen: De Heer zal u bewaren.

  Voorzang: Zegene u de almachtige God,

  Vader, Zoon en heilige Geest.

  Allen: Amen, amen.

---

*343

#1

1

  Voorzang: De Heer zij met u.

  Allen: En met uw geest.

  Voorzang: Buigt uw hoofd voor de zegen.

  Moge de almachtige God u op dit Paasfeest zegenen

  en u beschermen tegen alle gevaren van de zonde.

  Allen: Amen.

  Voorzang: Moge Hij die door de verrijzenis van zijn Zoon

  u tot het eeuwig leven roept,

  u het geluk van de onsterfelijkheid schenken.

  Allen: Amen.

  Voorzang: Moogt gij die na de dagen van Christus' lijden

  met blijdschap het paasfeest viert,

  met zijn hulp opgaan tot het feest van de eeuwige vreugde.

  Allen: Amen.

  Voorzang: Zegene u de almachtige God,

  Vader, Zoon en heilig Geest.

  Allen: Amen, amen.

  Voorzang: Gaat in vrede heen, alleluia, alleluia.

  Allen: God zij dank gebracht, alleluia, alleluia.

---

*351

#1

1

  Voorzang: God, kom mij te hulp.

  Allen: Heer, haast U mij te helpen.

  Eer aan de Vader en de Zoon

  en de heilige Geest,

  zoals het was in het begin

  en nu en altijd,

  en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

---

*352

#1

1

  Voorzang: Heerlijk is het te loven de Heer,

  Allen: te bezingen uw naam, Allerhoogste.

  Voorzang: Met de dageraad uw goedheid te roemen,

  in de nachten uw trouw.

  Allen: Te bezingen uw naam, Allerhoogste.

  Voorzang: Eer zij de heerlijkheid Gods:

  Vader, Zoon en heilige Geest.

  Allen: Heerlijk is het te loven de Heer,

  te bezingen uw naam, Allerhoogste.

---

*353

#1

1

  Voorzang: Heer onze God, kom en zegen

  de werken van uw handen.

  Allen: Heer onze God, kom en zegen

  de werken van uw handen.

  Voorzang: Eer aan de Vader, de ZOon en de Geest,

  vandaag en alle dagen.

  Allen: Amen.

---

*354

#2

1

  Refrein:

  Ik wacht op de Heer, ik wacht Hem,

  ik hoop op zijn belofte.

 

  Stil verbeid ik de Heer,

  meer dan wachters op de morgen,

  want bij de Heer is genade.

2

  Eer zij de heerlijkheid Gods;

  Vader, Zoon en heilige Geest.

---

*355

#1

1

  Voorzang:

  Onze hulp is in de naam van de Heer

  die hemel en aarde gemaakt heeft.

  Die trouw blijft tot in eeuwigheid,

  en nooit laat varen het werk van zijn handen.

 

  Allen:

  Ik ben uw maaksel, het werk van uw handen,

  eenzaam ben ik en zonder toekomst.

 

  PAUZE

 

  Voorzang:

  Wees mij genadig, Gij die genadig zijt.

  Tegen U heb ik gezondigd.

  Gij die onze levensdagen kent,

  hun vreugde en hun leegte en hun lange duur.

 

  Allen:

  Gij die geen naam vergeet, geen mensenkind veracht,

  Gij die de oorsprong zijt van al het goede dat gedaan wordt.

 

  PAUZE

 

  Voorzang:

  Doe lichten over ons uw aangezicht

  en geef ons vrede.

 

  Allen:

  Dat wij uw woord herkennen, bron van leven.

  Dat ons het licht opgaat, dat wij herleven.

---

*361

#1

1

  Heer, onze God, wij bidden U, verhoor ons.

---

*362

#1

1

  Heer, onze Heer, wij bidden U, verhoor ons.

---

*363

#1

1

  Heer, ontferm U over ons.

---

*371

#1

1

  Voorzang, daarna allen:

  Heer, ontferm U over ons.

 

  Voorzang, daarna allen:

  Christus, ontferm U over ons.

 

  Voorzang, daarna allen:

  Heer, ontferm U over ons.

 

  Voorzang:

  Heilige Maria, moeder van God,

 

  Allen na iedere aanroeping:

  Wees onze voorspraak.

 

  Heilige Michael

  Alle heilige engelen van God

  Heilige Johannes de doper

  Heilige Jozef

  Heilige Petrus en Paulus

  Heilige Andreas

  Heilige Johannes

  Heilige Maria Magdalena

  Heilige Stefanus

  Heilige Ignatius van Antiochie

  Heilige Laurentius

  Heilige Perpetua en Felicitas

  Heilige Agnes

  Heilige Gregorius

  Heilige Augustinus

  Heilige Athanasius

  Heilige Basilius

  Heilige Martinus

  Heilige Benedictus

  Heilige Franciscus en Dominicus

  Heilige Franciscus Xaverius

  Heilige pastoor van Ars

  Heilige Catharina van Siena

  Heilige Theresia van Avila

  Heilige Martelaren van Gorkum

  Heilige Willibrordus

  Heilige Petrus Canisius

  Heilige Lidwina

  Alle Heiligen van God

 

  Voorzang:

  Wees genadig

 

  Allen na iedere aanroeping:

  Verlos ons Heer.

 

  Van alle kwaad

  van alle zonde

  van de eeuwige dood

  door uw menswording

  door uw dood en verrijzenis

  door de komst van de heilige Geest

 

  Voorzang:

  Wij zondaars

 

  Allen na iedere aanroeping:

  Wij bidden U, verhoor ons.

 

  Dat Gij deze uitverkorenen door de genade

  van het doopsel tot nieuw leven wilt wekken.

 

  Dat gij deze doopvont, waarin uw kinderen

  tot nieuw leven komen,

  door uw genade wilt heiligen.

  Jezus, Zoon van de levende God.

---

*401

#2

1

  Aanbidt en dankt uw Vader, God,

  die leeft van eeuwigheid;

  Aan Hem behoort het koningschap

  en alle heerlijkheid.

  Verkondigt Hem en looft zijn Naam,

  bezingt zijn wondermacht;

  dan zal op aarde vrede zijn

  voor wie zijn hulp verwacht.

2

  Aanbidt en dankt de koningszoon,

  die in de wereld kwam,

  en al de zonden van zijn volk

  gehoorzaam op zich nam.

  Nu nodigt Hij zijn broeders uit

  op 't grote koningsfeest.

  En waar Hij leeft aan Vaders hand,

  daar heerst een goede geest.

---

*402

#2

1

  Voorzang:

  Aanschouwt dit kostbaar kruis,

  waaraan de Redder heeft gehangen.

2

  Allen:

  Komt, laten wij aanbidden.

  Komt, laten wij aanbidden.

---

*403

#2

1

  Al heeft hij ons verlaten,

  hij laat ons nooit alleen.

  Wat wij in Hem bezaten

  is altijd om ons heen.

  als zonlicht om de bloemen,

  een moeder om haar kind,

  te veel om op te noemen

  zijn wij door Hem bemind.

2

  Als is Hij opgenomen,

  houd in herinnering,

  dat Hij terug zal komen

  zoals Hij van ons ging.

  Wij leven en vertrouwen,

  tot wij zijn majesteit

  van oog tot oog aanschouwen

  in alle eeuwigheid.

---

*404

#5

1

  Alleen wie het gegeven is

  hij kan het woord verstaan.

  Er zijn er die onvruchtbaar zijn

  omwille van mijn naam.

2

  Wie oren heeft, hij luistere!

  Ik geef u goede raad:

  verkoop wat gij bezit en kom,

  volg mij met woord en daad.

3

  Alleen te zijn, geloven dat

  zo leven vruchtbaar is:

  een dwaasheid als de Heer ons niet

  tot levend voorbeeld is.

4

  Alwie zich zo verliezen durft

  zal delen in zijn dood

  en als een bron van vreugde zijn

  voor anderen in nood.

5

  Dankt God die alle leven schept,

  de Bron van vruchtbaarheid,

  die mensen door zijn Geest bezielt

  en op zijn wegen leidt.

---

*405

#11

1

  Refrein:

  Alleluia, alleluia, alleluia!

 

  Looft God den Heer, 't is welgedaan,

  zijn Woord is door de dood gegaan,

  het Licht is waarlijk opgestaan, alleluia!

2

  De steen die op de wereld lag,

  het zwaar gebod dat aanstoot gaf

  is weggewenteld van het graf, alleluia.

3

  Het loos gerucht dat mensen kwelt

  de boze is terechtgesteld,

  de vrienden hebben het ons gemeld, alleluia.

4

  De vijand leidt Hij om de tuin,

  daar zal geen list meer en venijn

  doch enkel lust en leven zijn, alleluia.

5

  De boom des levens staat geplant,

  het water stroomt ter rechterkant

  want Jezus kreeg de overhand, alleluia.

6

  Zijn Woord is melk en honing goed,

  en meer dan welke koning doet

  geeft Hij een land van overvloed, alleluia.

7

  Hij is de Zoon van Abraham,

  die omzag naar het offerlam,

  en Melkisedek tegenkwam, alleluia.

8

  O, Eersteling, gebonden schoof,

  verlaagd als Josef om zijn droom,

  wij strekken U ten hemel hoog, alleluia.

9

  Een wingerd zijt Gij aan de muur,

  die uitgroeit boven lot en duur,

  voorzegd in Jakobs stervensuur, alleluia.

10

  Nu troont Gij in uw heerlijkheid,

  het loon draagt Gij reeds voor U uit,

  uw Brood en Wijn versnelt de tijd, alleluia.

11

  0 Heer, die eeuwig koning zijt

  en die een woning ons bereidt,

  zend ons uw vuur en vrolijkheid, alleluia.

---

*406

#3

1

  Alleluia, wij heffen 't aan:

  de Heer is waarlijk op gestaan.

  En waar ik ben of waar ik ga,

  mijn ziele zingt: Alleluia!

2

  Dit is de grote blijde dag,

  die David in zijn geest voorzag.

  Zingt nu met vreugd' zo zing ik na,

  het blijde lied: alleluia.

3

  Lof zij het Lam, dat door zijn bloed

  voor onze zonden heeft geboet.

  Zijn bitt're dood schonk ons gena',

  zo zingen wij: alleluia.

---

*407

#5

1

  Alles wat over ons geschreven is

  gaat Gij volbrengen deze laatste dagen,

  alle geboden worden thans voldragen,

  alle beproeving van de wildernis.

2

  Gods schepping die voor ons gesloten bleef

  ontsluit Gij weer, Gij opent onze harten,

  die Zoon van David zijt en Man van Smarte,

  Koning der Joden die de dood verdreef.

3

  Jezus, de haard van uw aanwezigheid

  zal in ons hart een vreugdevuur ontsteken.

  Gij gaat vooraan, Gij zult ons niet ontbreken,

  Gij Hogepriester in der eeuwigheid.

4

  Gij onderhoudt de vlam van ons bestaan,

  aan U, o Heer, ontleent het brood zijn leven,

  ons is een lofzang in de mond gegeven,

  sinds Gij de weg van 't offer zijt gegaan.

5

  Dit is uw opgang naar Jeruzalem

  waar Gij uw vrede stelt voor onze ogen,

  vrede aan allen die uw naam verhogen:

  heden hosanna, morgen kruisigt Hem!

---

*408

#5

1

  Beeld en gelijkenis van Hem die leeft,

  Een mensenzoon -

  heeft hij geen macht begeerd,

  geen aanzien als een God

  en heeft zich niet

  aan de gestalte dezer wereld onderworpen.

2

  Heeft niet roofzuchtig, voor zichzelf geleefd

  maar zich ontdaan van zijn bezit,

  en is de weg gegaan

  die langs de zelfkant voert, het duister in

  en is niet halverwege omgekeerd

  maar heel de weg gegaan.

3

  Is op de slavenmarkt gaan staan,

  om als de minste mens verkocht te worden

  en werd zo een van hen die mensonwaardig zijn,

  werd niemand met wie niemand zijn.

  En wie hem zien

  keren zich van hem af.

4

  En trok het lijden aan

  en droeg het als een lam

  en stond stom

  voor zijn scheerders

  en werd gehangen als een slaaf.

5

  Zo is hij mens geworden,

  een gerechte,

  beeld en gelijkenis van Hem

  die leeft en liefde is.

  Hem noemen wij:

  Heer, mensenzoon van God,

  leidsman en lotgenoot,

  Jezus Messias.

---

*409

#1

1

  Blijf niet staren op wat vroeger was.

  Sta niet stil in het verleden.

  Ik, zegt Hij, ga iets nieuws beginnen.

  Het is al begonnen, merk je niet niet?

---

*410

#4

1

  Refrein:

  Brandde ons hart niet toe Hij tot ons sprak.

 

  Uw woord hechte zich vast in ons.

  Doe ons ontvlammen, dat wij mogen zeggen:

2

  Doe ons ontvlammen, doe ons lichterlaaie leven.

  Doe sterven alle treurigheid die in ons is.

3

  Blaas in ons aan de geest van uw profeten.

  Maak ons tot een gemeente

  met de eerste volgelingen van uw woord.

4

  God onze vrede, heilig ons door en door,

  dat wij van hart en ziel onbedorven

  voor U bewaard blijven tot op de dag

  dat komen zal Jezus Messias.

---

*411

#3

1

  Christus die verrezen is, doet ons samenkomen.

  't Maal van zijn gedachtenis wordt hier blij hernomen.

 

  Refrein:

  Broeders, vrij en opgericht, alleluja, heft uw ogen,

  alleluja, naar den hoge, heft uw ogen naar het licht.

2

  Christus brak de slavernij, brak de donkere dagen.

  Rijzend uit zijn graf heeft Hij Adams dood verslagen.

  Refrein:

3

  Christus die verrezen is, straalt van eeuwig leven.

  't Maal van zijn gedachtenis zal dat ons ook geven.

  Refrein:

---

*412

#4

1

  Christus, Gij Heer van alle dingen,

  en Maker van wat adem heeft,

  wij willen uwe bruid bezingen,

  de Kerk die ons het leven geeft.

2

  Waar wij als kind'ren zijn geboren

  een-zelfde stam, een moedertaal,

  omdat Gij ons hebt uitverkoren

  te delen in uw bruiloftsmaal.

3

  Waarnaar wij altijd wederkeren

  o veilig huis, o moedergrond,

  waar wij van U de liefde leren,

  waar wij bestaan totdat Gij komt.

4

  Dan zult Gij in het eind verschijnen,

  uw Kerk ziet wachtend naar U uit,

  Christus de herder roept de zijnen

  de bruidegom begroet zijn bruid.

---

*413

#7

1

  Christus heeft voor ons geleden

  als een beeld van ons bestaan,

  dat wij zover zouden gaan;

  in zijn voetstappen te treden.

2

  Die geen zonde heeft bedreven,

  uit wiens mond niet is gehoord

  enig onvertogen woord

  maar de adem van het leven.

3

  Die wanneer Hij werd geslagen

  zelfs zijn mond niet open deed,

  die niet dreigde als Hij leed

  maar het zwijgend heeft verdragen.

4

  Die de zonden heeft gekorven

  in zijn lichaam op het hout,

  dat gij Gode leven zoudt,

  aan de zonde afgestorven.

5

  Door wiens striemen gij genezen,

  door wiens dood gij levend zijt,

  levend in rechtvaardigheid,.

  taal en teken van Gods wezen,

6

  als eertijds verdoolde schapen,

  thans den Herder toegewijd,

  die u in de waarheid weidt.

  Uw bewaarder zal niet slapen.

7

  Ja, de Heer zal u bewaren,

  Hij de Herder, Hij het Lam,

  die voor u ter aarde kwam

  die voor ons is opgevaren!

---

*414

#5

1

  Christus is opgestaan,

  leeg is het graf, Hij leeft voortaan.

  In dat bittere tweegevecht

  Sloeg hij de dood, wij zijn terecht

  Hallelujah.

2

  Christus komt uit de nacht,

  licht en vrede ons toegebracht.

  Maar nog is oorlog om ons heen,

  liet Hij ons toch weer dood alleen?

  Hallelujah.

3

  Heer, ons geloof bezwijkt

  als Gij ooit uit ons midden wijkt.

  "Zie, Ik ben, en Ik blijf met U."

  heilige geestkracht geef Ik u."

  Hallelujah.

4

  Leg ons de schriften uit.

  Toon ons toch aan dat Gij het zijt!

  Voer ons binnen het groot geheim

  dat Gij een lijdende mens moest zijn.

  Hallelujah.

5

  Mijn Heer, mijn God zijt Gij.

  Daarom, Christus, gedenken wij

  uw verrijzenis uit de dood,

  hier in dit breken van het brood.

  Hallelujah.

---

*415

#3

1

  Dankt, dankt nu allen God

  met hart en mond en handen,

  die grote dingen doet

  hier en in alle landen,

  die ons van kindsbeen aan,

  ja, van de moederschoot,

  zijn vaderlijke hand

  en trouwe liefde bood.

2

  Die eeuwig rijke God

  moge ons reeds in dit leven

  een vrij en vrolijk hart

  en milde vrede geven.

  Die uit genade ons

  behoudt te allen tijd,

  is hier en overal

  een helper die bevrijdt.

3

  Lof, eer en prijs zij God

  die troont in 't licht daarboven.

  Hem, Vader, Zoon en Geest

  moet heel de schepping loven.

  Van Hem, de ene Heer,

  gaf het verleden blijk,

  het heden zingt zijn eer,

  de toekomst is zijn rijk.

---

*416

#1

1

  Dat wij vol stromen met levensadem

  en schreeuwen eindelijk geboren,

  en lachen eindelijk geboren,

  en weten eindelijk geboren.

---

*417

#7

1

  De aarde is vervuld

  van goedertierenheid,

  van goddelijk geduld

  en goddelijk beleid.

2

  Gods goedheid is te groot

  voor het geluk alleen,

  zij gaat in alle nood

  door heel het leven heen.

3

  Zij daalt als vruchtbaar zaad

  tot in de groeve af

  omdat zij niet verlaat

  wie toeven in het graf.

4

  Omdat zij niet vergeet

  wie godverlaten zijn:

  de wereld hemelsbreed

  zal goede aarde zijn.

5

  De sterren hemelhoog

  zijn door dit zaad bereid

  als dienaars tot de oogst

  der goedertierenheid.

6

  Het zaad der goedheid Gods,

  het hoge woord, de Heer,

  valt in de voor des doods,

  valt in de aarde neer.

7

  Al gij die God bemint

  en op zijn goedheid wacht,

  de oogst ruist in de wind

  als psalmen in de nacht.

---

*418

#8

1

  De eersten zijn de laatsten,

  wie nakomt gaat voorop,

  zij moeten zich niet haasten,

  die leven van de hoop.

2

  God moge ons behoeden,

  wij zien elkander aan,

  de broeder kent de broeder

  als een die voor moet gaan.

3

  Zo staat het voorgeschreven,

  zo is het steeds voorzegd,

  wie achter is gebleven

  krijgt eerstgeboorterecht.

4

  Het onderste komt boven,

  de torens vallen om,

  het woord is aan de doven,

  de waarheid aan de droom.

5

  Wie later is geboren

  komt eerder aan de tijd,

  wie lager thuisbehoren

  gaan hogerop vrijuit.

6

  Zo hoog zijn Gods gedachten,

  zij gaan de tijden door,

  wie voor was blijft ten achter,

  wie achterbleef gaat voor.

7

  Veracht dan niet de kleinen

  en die verloren zijn,

  want God noemt hen de zijnen

  die laatgeboren zijn.

8

  De eersten zijn de laatsten,

  wie nakomt gaat voorop!

  Kiest dan de goede plaatsen

  en geeft uw hart aan God.

---

*419

#3

1

  De Geest des Heren heeft

  een nieuw begin gemaakt,

  in al wat groeit en leeft

  zijn adem uitgezaaid.

  De Geest van God bezielt

  wie koud zijn en versteend,

  herbouwt wat is vernield,

  maakt een wat is verdeeld.

2

  Wij zijn in Hem gedoopt

  Hij zalft ons met zijn vuur.

  Hij is een bron van hoop

  in alle dorst en duur.

  Wie weet vanwaar Hij komt

  wie wordt zijn licht gewaar?

  Hij opent ons de mond

  en schenkt ons aan elkaar.

3

  De geest die ons bewoont

  verzucht en smeekt naar God

  dat Hij ons in de Zoon

  doet opstaan uit de dood.

  Opdat ons leven nooit

  in weer en wind bezwijkt,

  kom Scheper Geest, voltooi

  wat Gij begonnen zijt.

---

*420

#6

1

  De Heer die heeft geleid en hoedt

  zijn volk op aarde, o herder goed,

  o mensenzoon met ons begaan,

  getrouwe heiland is uw naam.

2

  Als schapen doolden allen rond

  geen die nog weide en water vond.

  Toen zijt Gij zelf ons voorgegaan,

  getrouwe herder is uw Naam.

3

  Geen die zijn leven voor ons gaf,

  alwie kwam voor U, was vreemd en laf.

  Geen huurling weidt ons meer voortaan,

  Heer God, betrouwbaar is uw Naam.

4

  Die als een lam draagt onze dood,

  die breekt zijn lichaam als levend brood,

  die om zijn kudde zich liet slaan -

  getrouwe herder is zijn Naam.

5

  Die maakt dat allen op zijn woord

  komen te samen, Hij is de poort;

  gij moet door Hem het rijk ingaan,

  hoort, want Hij roept u bij uw naam.

6

  In dood en leven, Heer, zult Gij

  zijn die Gij zijt: uw klein volk nabij.

  Gij zult met ons uw wegen gaan,

  getrouwe herder is uw Naam.

---

*421

#3

1

  De Heer heeft mij gezien en onverwacht

  ben ik opnieuw geboren en getogen.

  Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht

  gaf mij een levend hart en nieuwe ogen,

  zo komt Hij steeds met stille overmacht

  en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.

2

  Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit.

  Hij heeft in zijn handen onze naam geschreven.

  De Heer wil ons bewonen als zijn huis,

  plant als een boom in ons zijn eigen leven,

  wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid

  en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.

3

  Gij geeft het uw beminden in de slaap,

  Gij zaait uw Naam in onze diepste dromen.

  Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt

  zoals de regen neerdaalt in de bomen,

  zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat,

  zo zult Gij uw beminden overkomen.

---

*422

#4

1

  De herdertjes lagen bij nachte,

  zij lagen bij nacht in het veld.

  Zij hielden vol trouwe de wachte,

  zij hadden hun schaapjes geteld.

  Daar hoorden zij d' engelen zingen

  hun liederen vloeiend en klaar

  de herders naar Bethlehem gingen,

  't liep tegen het nieuwe jaar.

2

  Toen zij er te Bethlehem kwamen,

  daar schoten drie stralen dooreen;

  een straal van omhoog zij vernamen,

  een straal uit het kribje beneen;

  toen vlamd' er een straal uit hun ogen

  en viel op het kindeke teer;

  zij stonden tot schreiens bewogen,

  en knielden bij Jezus neer.

3

  Maria die bloosde van weelde,

  van ootmoed en lieflijke vreugd';

  De goede Sint Jozef, hij streelde

  het Kindje der mensen geneugt' ;

  de herders bevalen te weiden

  hun schaapkens aan d' engelenschaar

  wij kunnen van 't kribje niet scheiden,

  wij wachten het nieuwe jaar.

4

  Och Kindje, och Kindje dat heden

  in 't nederige stalletje kwaamt,

  ach laat ons uw paden betreden,

  want Gij hebt de wereld beschaamd.

  Gij kwaamt om de wereld te winnen,

  de machtigste vijand te slaan;

  de kracht uwer liefde van binnen

  kan wereld noch hel weerstaan.

---

*423

#1

1

  De kind'ren van Jeruzalem

  loven de Heer met blijde stem

  en zingen juichend keer op keer:

  Geloofd zij onze God en Heer!

---

*424

#3

1

  De Heer is waarlijk opgestaan, alleluia,

  nu breekt de nieuwe lente aan, alleluia.

  Want Jezus, onze Koning groot, alleluia.

  Verrees in Glorie van de dood, alleluia.

  Alleluia, alleluia, alleluia.

2

  Gij die de Vorst van vrede zijt, alleluia.

  De schepping is om U verblijd, alleluia.

  De morgen van de eerste dag, alleluia.

  Zijt Gij verrezen uit uw graf, alleluia. (4x)

3

  De Heer herwon zijn heerschappij, alleluia.

  Hij maakt' ons in zijn liefde vrij, alleluia.

  Hij roept ons naar zijn paradijs, alleluia.

  Zijn Woord en Brood zijn onze spijs, alleluia. (4x)

---

*425

#5

1

  De koning van de vrede komt in de hoofdstad aan,

  de mensen zijn gezegend, Hij komt in Godes naam.

  Doet open nu de poorten, de koning moet er door,

  och Here, geef nu voorspoed, zo roepen zij in koor.

2

  Maar zullen zij geloven en nemen zij Hem aan

  of zullen zij Hem doden en Gode wederstaan?

  Ik zie de koning komen die op een ezel rijdt,

  de palmen van de bomen zijn voor zijn voet gespreid.

3

  Maar morgen is het anders, dan wordt Hij zelf verhoogd,

  en aan de boom gehangen en als een vrucht geoogst.

  Gij hogepriester Anna, wat roept Jeruzalem?

  Het roept vandaag, "Hosanna" en morgen "weg met Hem"

4

  En machtige Pilatus, wat riep men voor uw huis?

  Vandaag "de Zoon van David" en morgen "aan het kruis"

  En vorst van Galilea, Herodes, wat hoort gij?

  Vandaag is 't "Halleluja" en morgen al voorbij.

5

  En grote hogepriester, wat hoort gij Kajafas?

  Vandaag is het "Messias" en morgen "Barabbas"

  Wat hoort men in de straten van deze tempelstad?

  't Is heden "Maranatha" en straks de stem der haat.

---

*426

#2

1

  Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

  Wie mij ontmaskert zal mij vinden.

  Ik heb gezichten, meer dan twee,

  ogen die tasten in den blinde,

  harten aan angst voor angst ten prooi.

  Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

2

  Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

  Wie wordt ontmaskerd wordt gevonden

  en zal zichzelf opnieuw verstaan

  en leven bloot en onomwonden,

  aan niets en niemand meer ten prooi.

  Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

---

*427

#6

1

  ref.: De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij

 

  Het volk dat woont in duisternis

  zal weten wie zijn heiland is.

  Onverwacht komt van heide en ver

  de mensenzoon, de morgen ster.

2

  Tekens aan sterren, zon en maan,

  hoe zal de aarde dat bestaan?

  Zo spreekt de Heer: verheft u vrij

  want uw verlosser is nabij. Refrein.

3

  Wanneer de zee bespringt uw land

  en slaat u 't leven uit de hand,

  weet in uw angst en stervenspijn:

  uw dood zal niet voor eeuwig zijn. Refrein.

4

  Ziet naar de boom, die leeg en naakt

  in weer en wind te schudden staat;

  de lente komt, een twijg ontspruit,

  zijn oude takken lopen uit. Refrein:

5

  Een twijgje, weerloos en ontdaan,

  - zonder gestalte, zonder naam.

  Maar wie gelooft verstaat het wel.

  Dat twijgje heet: Emmanuel. Refrein:

6

  Die naam zal ons ten leven zijn.

  Een zoon zal ons gegeven zijn.

  Opent uw poorten metterdaad

  dat uw Verlosser binnengaat. Refrein.

---

*428

#3

1

  De wijze woorden en het  groot vertoon,

  de goede sier van goede werken,

  de ijdelheden op hun pauwentroon,

  de luchtkastelen van de sterken:

  al wat hoog staat aangeschreven

  zal gods woord niet overleven;

  hij wiens kracht in onze zwakheid woont

  beschaamt de ogen van de sterken.

2

  Zijn woord wil deze wereld omgekeerd:

  dat lachen zullen wij die wenen,

  dat wonen zal wie hier geen woonplaats heeft,

  dat dorst en honger zijn geleden.

  Die onvruchtbaar bleef, zal vruchtbaar zijn,

  die geen vader was, zal vader zijn;

  mensen zullen and're mensen zijn,

  de bierkaai wordt een stad van vrede.

3

  Wie denken durft, dat deze droom het houdt,

  een vlam die kwijnt maar niet zal doven,

  wie zich aan deze dwaasheid toevertrouwt,

  al komt de onderste steen boven:

  die zal kreunen onder zorgen,

  die zal vechten in 't verborgen,

  die zal waken tot de morgen dauwt

  Hij zal zijn ogen niet geloven.

---

*429

#3

1

  Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt en gegeven.

  Laat ons Hem loven en danken, verheugd dat wij leven.

  Diep in de nacht heeft Hij verlossing gebracht

  heeft Hij ons licht aangeheven.

2

  Waren wij dood door de zonde verminkt en verloren,

  doven van harte, verhard om zijn woord niet te horen,

  Hij is zo groot, Hij overmande de dood.

  Wij zijn in Jezus herboren.

3

  Nu zend uw Geest, als een vuur, als een stem in ons midden

  Dat wij van harte elkander verstaan en beminnen.

  En zo voortaan eren Gods heilige Naam.

  En Hem in waarheid aanbidden.

---

*430

#10

1

  Dit lied gaat over Jezus,

  die man van lang geleden,

  het dorp waar hij vandaan komt,

  is klein, heet Nazareth.

  Zijn naam is alle eeuwen

  tot hier toe doorverteld.

2

  Hij was een zoon der mensen

  geboren en getogen

  uit arme Joodse ouders

  een twijg uit Davids stam

  een kind van de belofte

  een zoon van Abraham.

3

  Hij was een jaar of dertig

  toen hij van zich deed horen

  de mensen schoolden samen

  als vissen om hem heen.

  Zijn moeder en zijn broeders

  begrepen niets van hem.

4

  De tijd is vol, bekeert u

  en weest het zout der aarde

  weest voor elkaar barmhartig

  zoals mijn vader is

  op zoek in deze wereld

  naar wat verloren is.

5

  Ben jij niet voor je kind'ren

  zo goed als je maar zijn kunt

  geeft jij een ander stenen

  wanneer hij vraagt om brood?

  Als wij gewone mensen -

  hoeveel te meer dan God.

6

  Met tollenaars en zondaars

  dronk hij dezelfde beker

  hij kwam een dode tegen

  en nam hem bij de hand.

  De naam van God herleefde

  in heel het Joodse land.

7

  De goden van het duister

  de geest van kwaad tot erger

  die mensen houdt gevangen,

  heeft hij teniet gedaan.

  Hij heeft hun macht ervaren

  maar als een man weerstaan.

8

  Zo doende wat hij doen kon

  ten dienste van de mensen

  viel hij in mensenhanden

  vond veel te jong de dood.

  Er zijn er nog die zeggen:

  Hij is de zoon van God.

9

  Wij gaan met dichte ogen

  als vreemdelingen verder

  waarom is hij gekruisigd -

  wij hadden zo gehoopt

  Wie zal de schrift verklaren

  wie breekt voor ons het brood.

10

  Er is nog meer te zeggen

  te veel om te bewaren

  de wereld zal te klein zijn

  als alles helder wordt

  Als wij het moesten zingen,

  wij kwamen stem te kort.

---

*431

#6

1

  Door de wereld gaat een woord

  en het drijft de mensen voort:

  "Breek uw tent op, ga op reis

  naar het land dat Ik u wijs."

 

  refrein:

  Here God, wij zijn vervreemden

  door te luist'ren naar uw stem.

  Breng ons saam met uw ontheemden

  naar het nieuw Jeruzalem.

2

  Door de wereld gaat een stoet

  die de ban brak van het bloed.

  Die bij wat op aarde leeft

  nu geen burgerrecht meer heeft.

3

  Menigeen ging zelf op pad

  daar hij thuis geen vrede had.

  Eeuwig heimwee spoort hem aan

  laat ook hem het woord verstaan.

4

  Door de wereld klinkt een lied

  tegen angsten en verdriet,

  tegen onrecht, tegen dwang

  richten pelgrims hun gezang.

5

  Velen, die de moed begaf,

  blijven staan, of dwalen af.

  Hunk'rend naar hun oude land.

  Reisgenoten, grijp hun hand.

6

  Door de wereld gaat een woord

  en het drijft de mensen voort:

  "Breek uw tent op, ga op reis

  naar het land dat Ik u wijs."

---

*432

#4

1

  Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd

  is leven van genade buiten de eeuwigheid,

  is leven van de woorden die opgeschreven staan

  en net als Jezus worden die 't ons heeft voorgedaan.

2

  Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd,

  is komen uit het water en staan in de woestijn,

  gen God onder de goden, geen engel en geen dier,

  een levende, een dode, een mens in wind en vuur.

3

  Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd

  dat is de dood aanvaarden, de vrede en de strijd,

  de dagen en de nachten, de honger en de dorst,

  de vragen en de angsten, de kommer en de koorts.

4

  Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd

  dat is de Geest aanvaarden die naar het leven leidt,

  de mensen niet verlaten, Gods woord zijn toegedaan,

  dat is op deze aarde de duivel wederstaan.

---

*433

#6

1

  Een mens te zijn op aarde,

  in eens voorgoed geboren zijn,

  is levenslang geboortepijn.

  Een mens te zijn op aarde

  is leven van de wind.

2

  De bomen hebben wortels

  de bomen mogen stevig staan

  maar mensen moeten verder gaan

  de bomen hebben wortels

  maar mensen gaan voorbij.

3

  De vossen hebben holen

  de mensen weten heg noch steg

  zijn altijd naar hun huis op weg

  de vossen hebben holen

  maar wie is onze weg?

4

  De mensen hebben zorgen

  het brood is duur, het lichaam zwaar

  en wij verslijten aan elkaar.

  Wie kent de dag van morgen?

  De dood komt lang verwacht.

5

  Een mens te zijn op aarde

  is pijnlijk begenadigd zijn

  en zoeken, nooit verzadigd zijn,

  is rusten in de aarde

  als alles is volbracht

6

  Hoe zullen wij volbrengen

  wat door de eeuwen duren moet

  een mens te zijn die sterven moet?

  Wij branden van verlangen

  tot alles is voltooid.

---

*434

#4

1

  Versie A:

 

  Eens als de bazuinen klinken

  uit de hoogte links en rechts

  duizend stemmen ons omringen

  Ja en Amen wordt gezegd,

  rest er niets meer dan te zingen,

  Heer, dan is uw pleit beslecht.

2

  Scheurt het voorhang van de wolken,

  wordt uw aangezicht onthuld,

  vaart de tijding door de volken

  dat Gij alles richten zult:

  Heer, dan is de dood verzwolgen,

  want de Schriften zijn vervuld.

3

  Mensen, komt uw lot te boven,

  wacht na dit een ander uur;

  gij moet op een wonder hopen

  dat gij oplaait als een vuur,

  want de Geest zal ons bestoken:

  nieuw wordt alle creatuur.

4

  Van die dag kan niemand weten,

  maar het woord drijft aan tot spoed.

  Zouden wij niet haastig eten,

  gaandeweg Hem tegemoet?

  Jezus Christus, gisteren heden,

  komt voor eens en komt voorgoed.

 

  Versie B:

1

  Eens als de bazuinen klinken

  uit de hoogte links en rechts

  duizend stemmen ons omringen

  Ja en Amen wordt gezegd,

  rest er niets meer dan te zingen,

  Heer, dan is uw pleit beslecht.

2

  Scheurt het voorhang van de wolken,

  wordt uw aangezicht onthuld,

  vaart de tijding door de volken

  dat Gij alles richten zult:

  Heer, dan is de dood verzwolgen,

  want de Schriften zijn vervuld.

3

  Mensen, komt uw lot te boven,

  wacht na dit een ander uur;

  gij moet op een wonder hopen

  dat gij oplaait als een vuur,

  want de Geest zal ons bestoken:

  nieuw wordt alle creatuur.

4

  Van die dag kan niemand weten,

  maar het woord drijft aan tot spoed.

  Zouden wij niet haastig eten,

  gaandeweg Hem tegemoet?

  Jezus Christus, gisteren heden,

  komt voor eens en komt voorgoed.

---

*435

#6

1

  Een zaaier ging uit om te zaaien,

  hij zaaide zo wijd als de wind,

  zo wijd als de winden waaien

  waar niemand een spoor van vindt.

2

  Een deel van het zaad ging verloren,

  een deel van het zaad werd brood,

  maar niemand weet van te voren

  de weg van het zaad in de schoot.

3

  Het wordt op de wegen vertreden,

  het valt in een vruchteloos graf,

  het sterft aan de doornen beneden,

  de vogels van boven af.

4

  De lage, de hoge gevaren

  bedreigen het kiemende graan,

  maar soms kan het openbaren

  de zin van het aardse bestaan.

5

  Er is geen verwachting van leven,

  tenzij in de dood van het zaad,

  wij moeten de aarde vergeven

  dat zij ons sterven laat.

6

  O Zaaier, ga uit om te zaaien

  de kiem waaruit leven ontstond,

  zo wijd als de winden waaien

  en maak ons tot moedergrond!

---

*436

#3

1

  Eer zij God in deze dagen,

  eer zij God in deze tijd,

  mensen van het welbehagen,

  roept op aarde vrede uit,

  Gloria in excelsis Deo.

2

  Eer zij God die onze Vader

  en die onze koning is,

  Eer zij God die op de aarde

  naar ons toegekomen is,

  Gloria in excelsis Deo.

3

  Lam van God, Gij hebt gedragen

  alle schuld tot elke prijs,

  geef in onze levensdagen

  peis en vree, kyrieleis,

  Gloria in excelsis Deo.

---

*437

#5

1

  En zolang de hemel bestaat

  zal hij niet ontwaken

  en uit zijn slaap

  wordt hij niet gewekt.

2

  Ach, voor een boom, als hij wordt

  omgehakt is er nog hoop.

  Maar sterft een mens, hij ligt

  machteloos neer,

  waar is hij gebleven? - Refrein

3

  Water dat wegvloeit uit een

  bergmeer,

  een rivier die leegloopt en opdroogt,

  zo is een mens:   ,

  hij gaat liggen en staat niet meer op. -

  Refrein

4

  Ach stelde Gij maar een tijdstip vast

  waarop Gij mij weer zoudt

  gedenken.

  Als een mens gestorven is,

  zal hij ooit weer leven?

5

  Maar zolang de hemel bestaat

  zal hij niet ontwaken en uit zijn

  slaap wordt hij niet gewekt.

---

*438

#8

1

  Ergens komt een kind vandaan,

  van ver, van buiten zonder naam;

  het is nog niemand, spreekt geen woord

  heeft van de dood nog niet gehoord,

  het huilt nog van geboortepijn

  en weet niet wie het ooit zal zijn.

2

  Dan roepen mensen jij jij jij,

  woon hier bij ons, woon hier bij mij,

  de wereld wordt een huis voor jou

  en liefde maakt een mens van jou.

  Dan geven wij elkaar een naam:

  iemand niemand,

  kind van mensen ben jij voortaan.

3

  Ergens moet een mens toch heen,

  hij gaat zijn eigen weg alleen,

  en zoekt of in de wildernis

  een bron van levend water is,

  en luistert of een woord bestaat

  waarin zijn toekomst opengaat.

4

  Dan roepen mensen jij jij jij,

  woon hier bij ons, woon hier bij mij,

  het water is een bron voor jou,

  de toekomst heeft een woord voor jou.

  Dan vindt een mens zijn eigen naam:

  iemand niemand, dorst en water,

  kind van mensen ben jij voortaan.

5

  Niemand weet waartoe hij leeft,

  waarom hij hart en handen heeft;

  er is geen daarom, eens voorgoed,

  maar enkel adem, vlees en bloed.

  Zo leeft een mens tot in de dood

  onooglijk klein, onzichtbaar groot.

6

  Dan roepen mensen jij jij jij

  wees hart en hand en mens voor mij,

  wees waarom daarom groot of klein

  de mens die jij alleen moet zijn.

  Zo leeft een mens van naam tot naam:

  iemand niemand,

  dorst en water, vriend en vreemde,

  kind van mensen ben jij voortaan.

7

  Niemand weet wat leven is,

  alleen dat het gegeven is,

  van vuilnisbelt tot gouden troon,

  aan vluchteling en koningszoon.

  Wie leeft die maakt zijn eigen lied

  en wie niet leeft verstaat het niet.

8

  Laat ze maar roepen jij jij jij,

  wie leven wil die zingt zich vrij,

  wie leeft die maakt zijn eigen lied

  en wie niet leeft verstaat het niet

  Zo zingen wij elkanders naam:

  Iemand niemand, dorst en water,

  vriend en vreemde, dood en leven,

  mensen, mensen zijn wij voortaan.

---

*439

#4

1

  Er is een Kindeke geboren op d' aard;

  Er is een Kindeke geboren op d' aard;

  't Kwam op de aarde voor ons allemaal;

  't Kwam op de aarde voor ons allemaal.

2

  't Kwam op de aarde en 't had er geen huis;

  't Kwam op de aarde en 't had er geen huis;

  't Kwam op de aarde en 't droeg al zijn kruis;

  't kwam op de aarde en 't droeg al zijn kruis

3

  Er is een Kindeke geboren in 't strooi;

  Er is een Kindeke geboren in 't strooi;

  't Lag in een kribbe, gedekt met wat hooi,

  't Lag in een kribbe, gedekt met wat hooi.

4

  't Kwam op de aarde voor ons allemaal;

  't Kwam op de aarde voor ons allemaal;

  En 't wenst ons allen een zalig nieuw jaar;

  En 't wenst ons allen een zalig nieuw jaar.

---

*440

#3

1

  Er is een roos ontsprongen.

  uit ene wortelstam;

  die, lijk ons d' ouden zongen,

  uit Jesse 't leven nam;

  nu heeft zij bloem gebracht,

  in 't midden van de winter,

  in 't midden van de nacht.

2

  O rozenstruik, Maria,

  o alderpuurste Maagd:

  van u zingt Isaias,

  van 't bloemken, dat gij bracht;

  want eeuwig in Gods raad

  lag, dat gij 't Kind zoudt baren

  tot alder wereld baat.

3

  Wij bidden u van harte

  om 't Kind dat op u loech, (= lachte)

  om deez' lief bloemkes smarten,

  die het voor ons verdroeg:

  wil ons toch hulpe zijn,

  dat wij U mogen maken

  een woning fraai en fijn.

---

*441

#4

1

  Gedenken wij dankbaar de daden des Heren,

  zijn leven, zijn dood en verrijzenis,

  en dat wij oprecht tot Jezus ons bekeren

  die onze God en leidsman ten leven is.

2

  Hoe hadden wij onze bestemming vernomen,

  was Jezus de weg niet ten einde gegaan.

  Wie zouden wij zijn, als Hij niet was gekomen

  om in zijn lichaam onze dood te doorstaan.

3

  Hoe zouden wij ooit voor elkaar kunnen leven,

  had Hij ons de liefde niet voorgeleefd,

  die tot de dood zich prijs heeft willen geven,

  die, Zoon van God, ons aller slaaf is geweest.

4

  Gij eerste der mensen, die weerloos en eenzaam,

  als graan in de aarde gestorven zijt,

  Gij wordt ons brood, maak ons met U gemeenzaam,

  van harte maak tot wederdienst ons bereid.

---

*442

#3

1

  Geest, die vuur en liefde zijt,

  Geest die leeft van eeuwigheid,

  voortkomt van de Zoon en Vader,

  leid, o Heer, ons altijd nader

  door uw liefde, door uw licht,

  tot uw heilig aangezicht.

2

  Geest van wijsheid, Geest van raad,

  aller dingen zuiv're maat,

  Trooster, die met wond're krachten

  bijstaat wie in leed versmachten;

  wees ons op de levenszee:

  vaste baak en veil'ge ree.

3

  Geest, die waakzaam zijt en sterk,

  hoed het schip van Christus' Kerk.

  Stuur het tot aan 't zalig ende,

  tot der tijden loop zich wende

  van deez' onbestendigheid,

  in uw stralend' eeuwigheid.

---

*443

#3

1

  God die in het begin

  uit aarde, naar zijn beeld,

  de mensen voor elkaars

  geluk geschapen heeft,

  Hij doet u samen zijn,

  Hij maakt u man en vrouw,

  elkanders brood en wijn,

  elkanders woord van trouw.

2

  Zoals van meet af aan

  een mens geen antwoord vindt,

  als hij niet door een mens,

  ten diepste wordt bemind,

  zo zult gij nu voortaan

  in liefde en in leed

  elkanders antwoord zijn,

  een lichaam en een geest.

3

  Zoals ten einde toe

  de mensen twee aan twee

  hun lange wegen gaan

  en God gaat met hen mee,

  zo zal Hij met u zijn

  in leven en in dood,

  Hij wordt uw brood en wijn,

  en dit geheim is groot.

---

*444

#3

1

  God die ons heeft voorzien

  en kent bij onze naam,

  die ons ten leven riep

  en houdt in het bestaan.

  Hij heeft ons voorbestemd

  te lijken op zijn Zoon

  die mens is zoals wij

  en in ons midden woont.

2

  Hij heeft zijn eigen Zoon

  geen enkel leed bespaard.

  Hij heeft ten einde toe

  zijn geest geopenbaard.

  Als God zo voor ons is

  wie zal dan tegen zijn?

  Al wat ons overkomt

  zal hoop en zegen zijn.

3

  Wie zal ons scheiden ooit

  van God ons goed en bloed.

  Geen toekomst en geen dood

  bedreigt ons meer voorgoed.

  Genadig en getrouw

  wil Hij mijn vrede zijn.

  Geen mens die Hem weerhoudt

  om onze God te zijn.

---

*445

#3

1

  God groet u, zuiv're bloeme,

  Maria, maged fijn.

  Gedoog dat ik u roeme:

  lof moet u altijd zijn!

  Als gij niet waart geboren,

  o reine Maged vrij,

  Wij waren allen verloren;

  aan u beveel ik mij!

2

  Maria, lelie reine,

  gij zijt mijn toeverlaat,

  Zoals een klaar fonteine,

  die nimmer stille staat,

  Zo geeft gij ons genade

  en staat uw dienaars bij:

  Och sta mij toch te stade;

  aan u beveel ik mij!

3

  O roosken zonder doren,

  o violette zoet.

  O bloemken blauw in 't koren,

  weest mij, uw kinde, goed!

  Vol liefde en gestadig,

  ootmoedig zo zijt gij:

  Och, weest mij toch genadig;

  aan u beveel ik mij!

---

*446

#4

1

  God heeft het eerste woord.

  Hij heeft in den beginne

  het licht doen overwinnen,

  Hij spreekt nog altijd voort.

2

  God heeft het eerste woord.

  Voor wij ter wereld kwamen,

  riep Hij ons reeds bij name,

  zijn roep wordt nog gehoord.

3

  God heeft het laatste woord.

  Wat Hij van oudsher zeide,

  wordt aan het eind der tijden

  in heel zijn rijk gehoord.

4

  God staat aan het begin

  en Hij komt aan het einde.

  Zijn woord is van het zijnde

  oorsprong en doel en zin.

---

*447

#3

1

  God wil een tempel bouwen

  om ons nabij te zijn,

  en boven alle vrouwen

  zal zij gezegend zijn

  die Hij zich heeft verkoren:

  Maria is haar naam,

  een roos die zonder doornen

  in bloei zal komen staan.

2

  De bloem gaat zich ontvouwen,

  het zonlicht wekt haar zacht-,

  verwacht in stil vertrouwen

  het wijken van de nacht:

  zo heeft zij willen wachten,

  de hoop in zich gevoed;

  zo schijnt na vele nachten

  ons levenslicht voorgoed.

3

  Zijn warmte zal verlichten

  de armen in het land,

  op aarde vrede stichten:

  kom, reik elkaar de hand.

  God zal zijn tempel bouwen:

  een wereldwijd tehuis;

  mensen die Hem vertrouwen

  worden er kind aan huis.

---

*448

#13

1

  Voorzang:

  Gij die geroepen hebt 'licht' en het licht werd geboren,

  en het was goed, het werd avond en morgen,

  tot op vandaag.

2

  Koor:

  Gij die geroepen hebt 'o mens'

  en wij werden geboren,

  Gij die mijn leven zo geleid hebt tot hiertoe

  dat ik nog leef.

 

  Refrein:

  Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart,

  die mij hebt gezien eer ik werd geboren.

3

  Koor:

  Gij die liefde zijt, diep in de zee,

  flitsend als weerlicht, sterker dan de dood,

  laat niet verloren gaan een mensenkind.

  Gij die geen naam vergeet, geen mens veracht -

  laat niet de dood die alles scheidt en leeg maakt,

  laat niet de tweede dood over ons komen. Refrein.

4

  Voorzang:

  Voor allen die gekruisigd worden,

  wees niet niemand,

  wees hun toekomst ongezien.

5

  Koor:

  Voor alle mensen die van u verlaten zijn,

  voor allen die hun lot niet kunnen dragen,

  voor hen die weerloos zijn

  in de handen van de mensen.

6

  Voorzang:

  Voor uw naamgenoten in ons midden:

  vluchtelingen, vreemden, wees niet niemand.

7

  Koor:

  Voor hen die kracht uitstralen,

  liefde geven, recht doen,

  dat zij staande blijven in ons midden. Refrein.

8

  Voorzang:

  Gij die, tegen alle schijnbaar noodlot in,

  ons vasthoudt,

9

  Koor:

  Gij die vreugde schept in mensen,

  Gij die het woord tot ons gesproken hebt

  dat onze ziel vervult,

10

  Voorzang:

  laat ons niet leeg en verloren

  en zonder uitzicht,

11

  Koor:

  doe ons open gaan voor het visioen van vrede,

  dat sinds mensenheugenis ons roept. Refrein.

12

  Koor:

  Verhaast de dag van uw gerechtigheid.

  zie het niet langer aan

  dat her en der in deze wereld

  mensen gemarteld worden, kinderen gedood;

  dat wij de aarde schenden

  en elkaar het licht ontroven.

  Zoals een hert reikhalst naar levend water,

  doe ons zo verlangen naar de dag dat wij,

  nu nog verdeelde mensen,

  in uw stad verzameld zijn,

  in U verenigd en voltooid,

  in U vereeuwigd.

13

  Voorzang:

  Gedenk uw mensen,

  dat zij niet vergeefs geboren zijn. Refrein.

---

*449

#5

1

  Gij zijt een mensenzoon, Gij komt van ver,

  bloed van ons bloed, uit ons zijt Gij genomen.

2

  Gij hebt mijn lief en leed, mijn dag gedeeld;

  Gij zijt voor mij geen vreemde God gebleven.

3

  Toen ik nog nergens was, maar levend dood,

  hebt Gij en Gij alleen mijn licht ontstoken.

4

  Licht van uw licht zijn wij, van uw geslacht,

  mensen van licht maar duister onze wegen.

5

  Mensen van vlees en steen, van hoop en vrees,

  breng ons toch thuis, in godsnaam geef ons vrede.

---

*450

#3

1

  Gij zijt in glans verschenen,

  verschenen voor altijd.

  Hoe ook in dood verdwenen,

  ons straalt uw heerlijkheid.

  Hoe bitter ook de pijnen

  door ons aan U gedaan,

  Gij blijft in glans verschijnen,

  ziet ons in glorie aan.

2

  Uw marteling, uw lijden,

  in aller wereldnood,

  uw kruisgang door de tijden,

  uw dagelijkse dood,

  het straalt voor onze ogen,

  het glanst uit alle pijn,

  aan haat en hoon onttogen,

  blijft Gij onz' glorie zijn.

3

  Gij zijt in glans verschenen,

  verschenen voor altijd.

  Gij wilt uw kruis ons lenen,

  als licht van eeuwigheid.

  Geen ondergang kan dreigen,

  of heerlijk rijst uw beeld,

  en doet ons mee ontstijgen

  in glans die alles heelt.

---

*451

#3

1

  Gij zijt voorbijgegaan,

  een steekvlam in de nacht.

  De vonken van uw naam

  zijn ogen in ons hart.

  In flarden hangt uw woord

  om onze wereld heen,

  wij leven in U voort,

  wij zijn_met U bekleed.

2

  Gij zijt voorbijgegaan,

  een voetspoor in de zee.

  Gij zijt te ver gegaan,

  Gij zijt een mens te veel.

  Gij zijt voorgoed, Gij zijt

  verborgen in uw God.

  Geen stilte spreekt U uit,

  ondenkbaar is uw dood.

3

  Gij zijt voorbijgegaan,

  een vreemd bekend gezicht,

  een stuk van ons bestaan,

  een vriend, een spoor van licht.

  Uw licht is in mijn bloed,

  mijn lichaam is uw dag,

  ik hoop U tegemoet

  zolang ik leven mag.

---

*452

#9

1

  Koor:

  Heden zult gij zijn glorie aanschouwen, hier is uw God.

2

  Allen:

  Heden is onze Heiland geboren, Christus de Heer.

3

  God heeft gesproken: Gij zijt mijn zoon.

  Ik heb u heden voortgebracht.

  Koning zijt Gij op de dag van uw geboorte.

4

  Allen:

  Heden zult gij het licht aanschouwen, hier is uw God.

  Heden is onze Heiland geboren, Christus, de Heer.

5

  Licht van licht, uit mensen genomen.

  Kind voor ons geboren, zoon ons gegeven,

  Hij zal genoemd worden: vrede op aarde.

6

  Allen:

  Vrede op aarde voor alle mensen, ere zij God.

  Heden is onze Heiland geboren, Christus, de Heer.

7

  Zoals de zeebodem bedekt is met water,

  zo zal de aarde met vrede bedekt zijn.

  Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt.

8

  Allen:

  Wij verkondigen u vol vreugde: Hier is uw God.

  Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.

  Kyrieleis.

9

  Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.

  Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.

---

*453

#4

1

  Heer, herinner U de namen

  van hen, die gestorven zijn,

  en vergeet niet, dat zij kwamen

  langs de straten van de pijn,

  langs de wegen van het lijden,

  door het woud der eenzaamheid,

  naar het dag en nacht verbeide

  Vaderhuis, hun toebereid.

2

  Heer, herinner u hun luist'rend

  wakker liggen in de nacht

  en hun roepen in het duister,

  de armzaalgheid van hun kracht,

  en wil zeer aandachtig lezen

  in de rimpels van hun huid

  de verscheurdheid van hun wezen,

  en wis hunne zonden uit.

3

  Die Maria hebt vergeven

  en de rover aan het kruis,

  laat de doden eeuwig leven

  met U in het paradijs.

  Heer, herinner U hun namen,

  oordeel hen en spreek hen vrij,

  en bedek hun schuld en laat hen

  zitten aan uw rechterzij.

4

  Waarheen zal de mens zich keren,

  die, staand voor uw aangezicht,

  uwe liefde moet ontberen

  bij het eindelijk gericht?

  Heer, zo Gij niet wordt bewogen

  door het breken van zijn stem,

  door de droefheid in zijn ogen,

  is bij niemand heil voor hem.

---

*454

#5

1

  Heer Jesus mens van vlees en bloed,

  zijt Gij de heiland die komen moet,

  of zullen wij zonder vaste grond,

  maar hopen dat een ander komt.

2

  Heer Jezus, die gekomen zijt,

  Die onze weg ten leven zijt,

  Uw geest voltooit ons meer en meer,

  Wij vinden in hem elkander weer.

3

  De bozen geesten binden in,

  Want Jezus stelt een nieuw begin

  De doden treden uit hun nacht,

  Aan armen wordt het Rijk gebracht.

4

  Uw rijk is vrede, brood en wijn,

  De laatsten zullen de eersten zijn.

  Gelukkig wie in vreugde beleeft

  Dat God zichzelf aan zondaars geeft

5

  Gelukkig al wie hoort en ziet,

  Hoe hier op aarde uw heil geschiedt.

  Heer Jezus, mens van vlees en bloed,

  Zijt Gij de Heiland die komen moet.

---

*455

#4

1

  Heer, komt in deze tijd

  uw heerschappij,

  het einde van de strijd,

  de stad waar vrij,

  uit boze droom ontwaakt,

  de mensen wonen,

  tot een gezin gemaakt,

  Gods dochters en Gods zonen?

2

  Heer, gaat Gij van ons heen,

  in deze tijd?

  Vermaakt Gij ons alleen

  uw dienstbaarheid?

  Laat Gij ons dan voorgoed

  in hoop en vrezen

  en mag uw vredegroet

  het laatste woord niet wezen?

3

  Uit uw verborgenheid

  hebt Gij vervuld

  het perk van deze tijd

  met Gods geduld.

  Uw woord doet telkens weer

  de harten branden.

  Gij blijft nabij, o Heer,

  met zegenende handen.

4

  Gedreven door de Geest

  gaan wij getroost

  de weg van alle vlees,

  die onverpoosd

  de Zoon des mensen gaat,

  te allen tijde,

  tot Hij weer voor ons staat,

  zoals Hij van ons scheidde.

---

*456

#5

1

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig

  en hoe onzegbaar ons nabij.

  Gij zijt gestadig met ons bezig

  onder uw vleugels rusten wij.

2

  Gij zijt niet ver van wie U aanbidden

  niet hoog en breed van ons vandaan.

  Gij zijt zo mens'lijk in ons midden

  dat Gij dit lied wel zult verstaan.

3

  Gij zijt onzichtbaar voor onze ogen

  en niemand heeft U ooit gezien.

  Maar wij vermoeden en geloven

  dat Gij ons draagt, dat Gij ons dient.

4

  Gij zijt in alles diep verscholen

  in al wat leeft en zich ontvouwt.

  Maar in de mensen wilt Gij wonen

  met hart en ziel aan ons getrouwd.

5

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig

  waar ook ter wereld mensen zijn.

  Blijf zo genadig met ons bezig,

  tot wij in U volkomen zijn.

---

*457

#7

1

  Het brood in de aarde gevonden

  het brood door handen gemaakt,

  het brood van tranen en zorgen,

  dat brood dat naar mensen smaakt.

2

  Het brood van oorlog en vrede,

  dat dagelijks eendere brood,

  het vreemde brood van de liefde,

  het stenen brood van de dood.

3

  Het brood dat wij duur verdienen,

  ons lichaam, ons geld, ons goed,

  het brood van ons samen leven,

  die schamele overvloed.

4

  Een oogst uit kostbare gaarden,

  de wijn die het hart verblijdt,

  de vrucht van hemel en aarde,

  een voorsmaak van eeuwigheid.

5

  De wijn die de geest betekent

  van een nieuw mensenverbond,

  de beker die ons zegent -

  de Naam van mond tot mond.

6

  Dat brood dat wij moeten eten

  om niet verloren te gaan.

  Wij delen het met elkander

  ons hele mensenbestaan.

7

  Gij deelt het met ons, zo deelt Gij

  U zelf aan ons uit voorgoed,

  een mens om nooit te vergeten,

  een God van vlees en bloed.

---

*458

#6

1

  Het was een maged uitverkoren,

  daar Jezus af wou zijn geboren.

 

  Refrein:

  Dies ben ik vro, o, o, o, o,

  Benedicamus Domino.

2

  Te Nazareth al in die stede,

  daar was een maged rein van zeden. Refrein

3

  Om haar Gods wil te gaan verkonden

  Werd de engel Gabriel gezonden. Refrein

4

  "Wees niet bevreesd, gij maagd vol ere,

  de moeder zult gij zijn des Heren." Refrein

5

  "De Heil'ge Geest zal tot u komen,

  gelijk de dauw valt op de bloemen."  Refrein

6

  Maria viel op hare knieen:

  "Dat 's Heren wil aan mij geschiede."  Refrein

---

*459

#9

1

  Het volk dat wandelt in het duister

  zal een groot licht zien, een groot licht.

  Hef naar de hemel uw gezicht,

  met opgeheven hoofden, luister,

2

  gij die hier woont in 't dal der tranen

  en van de schaduwen des doods,

  gij hoort zijn stap, gij ziet hoe groots

  Hij zich zijn witte weg zal banen.

3

  Hij komt met vrede; en geen rampen

  geen oorlog en geen bitterheid

  zal er meer zijn, geen kind dat schreit,

  geen laarzen die in 't duister stampen.

4

  Geen liefde gaat er meer verloren,

  de onderdrukking is voorbij,

  de dood is dood, nu juichen wij,

  er is een Kind voor ons geboren.

5

  Er is een Zoon voor ons gegeven,

  de Zoon van God die Koning is,

  die 't licht is in de duisternis,

  de weg, de waarheid en het leven.

6

  En alle andre vreemde namen:

  die Wonderlijke Raadsman heet,

  omdat Hij de geheimen weet

  van hemel en van aarde samen.

7

  En Sterke God, die de gebeden

  verhoren zal, die overwint.

  Eeuwige Vader heet dat Kind,

  en Vorst van eindeloze vrede.

8

  Dan zal de aarde voor ons allen

  het land van melk en honing zijn,

  het Kind van God zal Koning zijn,

  nooit zal de troon van David vallen.

9

  En alle, alle mensen samen,

  die zullen voor zijn aangezicht

  staan zingen in het grote licht.

  En Hij kent allen bij hun namen.

---

*460

#1

1

  Het woord dat ik jou geef

  is niet te zwaar

  is niet te hoog

  jij kunt het volbrengen.

---

*461

#1

1

  Het woord dat Ik u heden geef

  is niet te zwaar voor u

  het ligt niet buiten uw bereik.

  Het is niet in de hemel, zeg dus niet:

  wie haalt het voor ons uit de hemel.

  Het is niet overzee, zeg dus niet:

  wie haalt het voor ons van overzee.

  Het woord is dichtbij

  in uw mond in uw hart

  gij kunt het volbrengen.

---

*462

#4

1

  Het woord dat u ten leven riep

  is niet te hoog, is niet te diep

  voor mensen die 't zo traag beamen.

  Het is een teken in uw hand,

  een licht dat in uw ogen brandt.

  Het roept u dag aan dag bij name.

2

  Het is niet aan de overzij.

  Wat zegt gij dan: wie zal voor mij

  de wijde oceaan bevaren,

  wie brengt van de overkant der zee

  de schat der diepe wijsheid mee,

  die 's levens raadsel kan verklaren?

3

  Het is ook in de hemel niet,

  hoe vaak gij ook naar boven ziet

  en droomt van bovenaardse streken.

  Wat gij ook in de sterren leest,

  alleen de Geest beroert de geest,

  alleen het woord kan 't hart toespreken.

4

  Het woord van liefde, vrede en recht

  is in uw eigen mond gelegd,

  is in uw eigen hart geschreven.

  Rondom u klinkt de stem van God:

  vrijspraak, vertroosting en gebod,

  vlak voor u ligt de weg ten leven.

---

*463

#3

1

  Het zal zijn in het laatste der tijden

  dat de berg van de tempel verheerlijkt zal staan,

  dat de wegen er heen zullen leiden

  en de volken der aarde op weg zullen gaan

  om de rechten des Heren te leren,

  zich tot God en elkaar te bekeren.

2

  Als Jeruzalems tinnen gaan blinken

  en beschamen der bergen en heuvelen trots,

  zal van Sion uit blijde weerklinken

  het bevrijdende woord van het koninkrijk Gods.

  Tot bescherming van allen die leven

  staat de wet van Gods heil er geschreven.

3

  En een smidse van 't huis onzes Heren

  maakt het zwaard tot een ploegschaar, de speer tot een zicht.

  Niemand zal meer een wapen hanteren;

  maar zij groeten elkaar in het heldere licht

  van de waarheid die eindlijk zal dagen

  over mensen van zijn welbehagen.

---

*464

#10

1

  Hierheen, Adem, steek mij aan,

  stuur mij uit jouw verste verte

  golven licht.

2

  Welkom armeluisvader,

  welkom opperschenker,

  welkom hartenjager.

3

  Beste tranendroger

  lieve zielsbewoner

  mijn vriend, mijn schaduw.

4

  Even rusten voor tobbers

  en zwoegers, voor krampachtigen

  een verademing, ben je.

5

  Onmogelijk mooi licht,

  overstroom de afgrond van mijn hart,

  jou zo vertrouwd.

6

  God ben jij, zonder jou

  is alles nacht en ontij,

  wreedheid, schuld,

7

  maar jij maakt schoon.

  Verflenst mijn bloem

  geef water zalf mijn wonden.

8

  Stijf sta ik, toegang verboden,

  ijzig ontdooi mij, koester mij.

  Vreemd ga ik, zoek mij.

9

  Ik zeg ja jij, doe nee.

  Vergeld mijn twijfel met vriendschap

  zeven maal duizend maal.

10

  Niets ben ik zonder jou.

  Dood wil ik naar jou toe.

  Dan zal ik lachen.

---

*465

#10

1

  Hier is een stad gebouwd

  overal om ons heen,

  huizen en bomen en

  mensen van licht en steen.

2

  Huizen van vrede voor

  mensen van vlees en bloed.

  Veilig onveilig, zo

  leven zij bitterzoet.

3

  Overal haast en ver-

  keer dat geen richting heeft,

  wolken lawaai als een

  vuur dat geen warmte geeft.

4

  Woorden gaan over en

  weer, waar de mensen zijn.

  Woorden zijn lief en leed,

  rouw en geboortepijn.

5

  Iedereen wil wel een

  ander, maar weet niet hoe.

  Iedereen gaat zo zijn

  weg, wie weet waar naar toe.

6

  Mensen gaan twee aan twee,

  overvloed en woestijn,

  zoeken een woning en

  willen geborgen zijn.

7

  Een stad is man en vrouw,

  opstaan en slapen gaan,

  mensen die dagelijks

  doodgaan en voortbestaan.

8

  Leven is liefde doen,

  gaan in het oude spoor:

  mensen zijn vader en

  zoon, en dat gaat maar door.

9

  Leven is overal

  tussen fabrieken en flat

  bloemen en kinderspel,

  licht op muziek gezet.

10

  Is er een stad zonder

  dood zonder duisternis,

  komt er een stad waar de

  zon niet meer nodig is?

---

*466

#7

1

  Koor:

  Hoe ver te gaan? En of er wegen zijn?

  Nooit meer gebaande.

  Hoeveel paar voeten zijn zij? Twee, drieduizend.

2

  Koor:

  Nog bijna slaven, vreemden voor elkaar.

  Kreupelen, blinden.

  Maar met iets in hun hoofd dat stroomt en licht geeft.

3

  Allen:

  De zon zal hen niet steken overdag.

  Bij nacht de maan niet.

  Zij stoten zich aan stenen. Niemand draagt hen.

4

  Koor:

  Omdat zij willen leven als nog nooit,

  angstig te moede

  zijn zij gegaan met grote hinkstapsprongen.

5

  Allen:

  Niet hier hun vaderland, en schaamteloos

  wagen zij alles.

  Soms wordt woestijn oase waar zij komen.

6

  Koor:

  Vrijheid ontkiemt in hen, gloeit aan, dooft uit,

  zal weer ontvlammen.

  Zij blijven kinderen, zij worden groter.

7

  Allen:

  Hun stoet is zonder einde en getal.

  Tel maar de sterren.

  Zij weten van de Stad met fundamenten.

---

*467

#1

1

  Hoever is de nacht, hoever, hoever,

  wachter, hoever is de nacht, de nacht?

  De morgen komt, zegt de wachter,

  maar nog is het nacht.

---

*468

#1

1

  Hosanna, Zoon van David:

  gezegend die komt in de Naam des Heren.

  Hij is de Koning van Israel.

  Hosanna in den hoge!

---

*469

#4

1

  Hij ging van stad tot stad, hij sprak:

  "tot u ben ik gezonden"

  Voor zieken en gewonden

  had hij een woord, een onderdak.

 

  Refr.

  Alles heeft hij welgedaan.

  Tot wie zou ik anders gaan.

2

  Hij gaf aan blinden het gezicht,

  De nacht heeft Hij verdreven,

  Gaf doden weer het leven,

  Waar Hij voorbijging werd het licht.

  Refr.

3

  Daags voordat Hij gestorven is

  heeft Hij het brood genomen:

  "Hiertoe ben ik gekomen,

  doet dit tot mijn gedachtenis,"

  REFR.

4

  En alwie Jezus' naam belijdt

  zal wonderen verrichten

  en als een lamp verlichten

  de lange gang van onze tijd.

---

*470

#14

1

  Celebrant:

  Ik geloof in de levende God.

2

  Allen:

  Ik geloof in de levende God

  Vader van onze Heer Jezus Christus

  onze God, onze Vader almachtig.

3

  Koor:

  Alle dingen heeft Hij geschapen

  in zijn enige geliefde Zoon,

  beeld en gelijkenis van zijn heerlijkheid.

4

  Allen:

  Jezus licht van het eeuwige licht,

  woord van God getrouw en waarachtig,

  Jezus onze genade en waarheid.

5

  Koor:

  Om deze wereld van dienst te zijn,

  om ons menselijk lot te delen

  is Hij vlees van ons vlees geworden.

6

  Allen:

  Uit de wil van de Heilige Geest

  en uit de maagd Maria geboren

  is Hij een mens geworden als wij.

7

  Koor:

  Om onze zonden werd Hij gebroken,

  ja gehoorzaam ten dode toe

  heeft Hij zich op het kruis gegeven.

8

  Allen:

  Daarom heeft Hij de naam ontvangen:

  eerstgeborene uit de doden,

  Zoon van God en Heer van allen.

9

  Koor:

  Hij zal komen, God weet wanneer,

  om recht te doen aan levenden en doden.

  Hij is de mens op wie ik gelijken zal.

10

  Allen:

  Ik geloof in de kracht van de Geest,

  in de liefde van de Vader en Zoon,

  in het verbond tussen God met de mensen;

11

  Koor:

  in de kerk, het lichaam des Heren,

  samengeroepen en uitgezonden

  om te doen wat Hij heeft gedaan:

12

  Allen:

  om te dienen en te verlichten,

  om te dragen de zonden der wereld

  en te stichten vrede op aarde.

13

  Koor:

  Ik geloof dat wij zullen verrijzen

  met een nieuw en onsterfelijk lichaam,

  want Hij is een God van levenden.

14

  Allen:

  Amen. Kom, Heer jezus, kom.

---

*471

#4

1

  Ik groet u vol genade,

  sprak d' engel Gabriel,

  De bron van uw genade

  is God, Emmanuel.

2

  Want onder alle vrouwen

  zijt gij gebenedijd;

  gelukkig die aanschouwen

  in dank uw heerlijkheid.

3

  En meer nog zij gezegend

  de vrucht van uwe schoot;

  door Hem zijn wij genezen

  van een volkomen dood.

4

  Gods Moeder, wil ons horen:

  bid dat wij zondaars groot

  voor God niet gaan verloren

  in 't uur van onze dood.

---

*472

#2

1

  Ik heb mijn hart tot U geheven,

  Heer, al mijn hoop zijt Gij.

  Ik weet: Gij zult mij niet begeven:

  mijn Heiland is nabij.

  Al ligt de wereld diep verduisterd,

  al drukt de grauwe tijd,

  mijn hart heeft met geloof geluisterd,

  mijn hart heeft zekerheid.

2

  Mijn hart weet, dat ons oud verlangen

  Weldra vervulling vindt.

  Het eeuwig licht is reeds ontvangen,

  de Maagd verwacht haar Kind.

  Vergeef Heer, al mijn slechte daden,

  zet recht mijn dwarse voet,

  en leer mij lopen langs uw paden

  mijn Heiland tegemoet.

---

*473

#3

1

  Ik sta voor U in leegte en gemis.

  Vreemd is uw naam, onvindbaar zijn uw wegen.

  Zijt Gij mijn God, sinds mensenheugenis,

  dood is mijn lot, hebt Gij and're zegen?

  Zijt Gij de God bij wie mijn toekomst is?

  Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen?

2

  Mijn dagen zijn door twijfel overmand,

  ik ben gevangen in mijn onvermogen.

  Hebt Gij mijn naam geschreven in Uw hand,

  zult Gij mij bergen in uw mededogen?

  Mag ik nog levend wonen in uw land,

  mag ik nog eenmaal zien met nieuwe ogen?

3

  Spreekt Gij het woord dat mij vertroosting geeft,

  dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.

  Open die wereld die geen einde heeft,

  wil alle liefde aan Uw Zoon besteden.

  Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft

  Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.

---

*474

#4

1

  Ik zal in mijn huis niet wonen,

  ik zal op mijn bed niet slapen,

  ik zal mijn ogen niet dicht doen,

  ik zal niet rusten, geen ogenblik,

  voordat ik heb gevonden

  een plek waar Hij wonen kan,

  een plaats om te rusten voor Hem

  die God is, de enige ware.

2

  Een plek waar Hij wonen kan,

  een plaats om te rusten voor Hem

  die God is, de enige ware.

3

  Ik zal in mijn huis niet wonen,

  ik zal mijn ogen niet dicht doen,

  ik zal niet rusten, geen ogenblik,

  ik mag versmachten van dorst,

  tot ik gevonden heb

  een plek waar de doden leven,

  de plaats waar recht wordt gedaan

  aan de verworpenen der aarde.

4

  Een plek waar de doden leven,

  de plaats waar recht wordt gedaan

  aan de verworpenen der aarde.

---

*475

#5

1

  In den beginne was het Woord,

  God, die van eeuwigheid bestond,

  stond op en opende Zijn mond;

  Zijn stem wordt tot vandaag gehoord.

2

  In den beginne was het Woord,

  dat alles wat op aarde leeft

  met sterke hand geschapen heeft,

  waar alle ding aan toebehoort.

3

  In den beginne was het Woord.

  Het liep uit het volmaakte Licht

  dat glansde om Gods aangezicht,

  het heeft de duisternis doorboord.

4

  In den beginne was het Woord,

  dat voor de mensen leven is,

  dat nimmer door de duisternis

  verstaan kan worden of verstoord.

5

  Het Woord, dat vlees geworden is

  het groot en goddelijk begin,

  dat loopt tussen de mensen in,

  dat overwint de duisternis.

---

*476

#5

1

  In diepe nacht ben ik gegaan.

  Ik zocht in alle straten.

  Mijn vriend is van mij heengegaan,

  mijn God heeft mij verlaten.

2

  Ik zocht hem en ik vond hem niet

  och wachters op uw ronde,

  o aarde, hebt gij uw God gezien?

  Toen heeft hij mij gevonden.

3

  Ik bracht hem in mijn moeders huis

  en waar ik ben geboren.

  Ik zal mijn naam vernemen daar.

  Ik ga in hem verloren.

4

  - Liefde is droever dan de dood,

  o lichaam, goedertieren,

  geen taal verstaat haar wonder groot

  verblindend zijn uw vuren.

5

  Wek niet de liefde voor haar tijd,

  die dorst zal u verteren,

  geen water blust de liefde uit,

  haar roep is niet te keren.

---

*477

#4

1

  In het begin was het woord

  en het woord van bij God

  en het woord was God.

  Dit was in het begin bij God.

  Alles is door Hem geworden,

  niets is ontstaan zonder Hem.

 

  Refrein:

  In Hem was leven en dat leven was het licht,

  het licht van de mensen.

  Het schijnt in ons donker sindsdien.

  Hij heeft in ons midden verbleven,

  wij hebben zijn glans gezien.

2

  Het ware licht dat ieder mens verlicht

  kwam in de wereld.

  De wereld was door Hem ontstaan,

  toch erkende de wereld Hem niet.

  Refrein.

3

  Licht schijnt in de duisternis,

  maar de duisternis nam het niet aan.

  Hij kwam in het zijne

  en de zijnen wilden hem niet.

  Maar wie hem wel aanvaardt

  gaf Hij de macht om te worden

  kinderen van God.

  Refrein

4

  Niemand heeft God ooit gezien,

  maar zijn enige Zoon is van hem vandaan.

  Hij staat recht gericht op God.

  Hij heeft ons op God gewezen

  en ons geleerd wie Hij is.

  Refrein.

---

*478

#3

1

  Jezus die langs het water liep

  en Simon en Andreas riep,

  om zomaar zonder praten

  hun netten te verlaten,

  Hij komt misschien vandaag voorbij

  en roept ook ons, roept u en mij,

  om alles op te geven

  en trouw Hem na te leven.

2

  Jezus die langs de straten kwam

  en tollenaars terzijde nam:

  'k Wil in uw woning wezen

  voor nu en voor nadezen,

  Hij komt misschien vandaag voorbij

  en neemt ook u terzij of mij

  en vraagt ons, Hem te geven

  de rijkdom van ons leven.

3

  Christus die door de wereld gaat

  verheft zijn stem niet op de straat,

  Hij spreekt ons hart aan, heden,

  en wenkt ons met zich mede.

  En lokt ook nog zoveel ons aan,

  tot wie zouden wij anders gaan?

  Hij heeft en zal ons geven

  alles, het eeuwig leven.

---

*479

#4

1

  Juicht voor den koning van de Joden,

  buigt voor geen dove wereldmacht,

  knielt voor den knecht die Gods geboden

  beluisterd heeft en wel geacht.

  Drie vreemden zochten Hem van verre -

  Herodes hebben zij bespot,

  met goud, met wierook en met mirre

  aanbaden zij de Zoon van God.

2

  Hij daalt ootmoedig in het water,

  de vogel Geest komt aangesneld,

  God heeft in Hem zijn welbehagen

  en alle zaligheid gesteld:

  tegen de stroom staat Hij ten teken,

  hier wordt des levens loop gewend,

  het blinde lot gestuwd tot zegen,

  wij zijn tot in de dood gekend.

3

  In Kana was de gloed geweken,

  het vuur bedolven onder as;

  toen zei de vlam in ied're beker

  wie er de ware wijnstok was;

  laat het nu uit de kruiken stromen,

  de vreugde ga van mond tot mond,

  omdat Hij, in zijn uur gekomen,

  de aarde aan zijn zijde vond!

4

  Juicht voor den koning van de volken,

  buigt voor zijn opperheerschappij,

  zingt Halleluja! Uit de wolken

  komt ons zijn heerlijkheid nabij.

  Bouwt dan ootmoedig aan de aarde,

  legt vrede in elkanders hand:

  Hij die de beste wijn bewaarde

  roept ons ter bruiloft in zijn land!

---

*480

#3

1

  Jij bent de god die mij gegeven is,

  de beker die voor mij ingeschonken staat.

  Mijn levenslot rust in jouw hand,

  goed land is mij ten deel gevallen.

2

  Jij bent het lot dat mij beschoren is,

  mijn schaduw, de engel die mij troost mij kwelt -

  laat deze kelk aan mij voorbijgaan, gauw,

  ik kan geen mensen drinken.

3

  Wie ben je, jij die mij te drinken vraagt?

  Je aarzelt nog aan mijn deur, je klopt en wacht

  een dorstig hert - en ik een lege bron

  dorstend naar stromen regen.

---

*481

#3

1

  Jij die voor alle namen wijkt

  geen weg die in jouw verte reikt

  geen woord kan jou aanbidden.

  Jij die niet hoog verheven troont

  licht dat in nacht en wolken woont

  een dode in ons midden.

  Jij komt, wij weten dag noch uur

  jij gaat voorbij, een dovend vuur

  een stilte in de bomen.

  Roepend van ver, stem van dichtbij

  niet overal niet hier ben jij

  niet god die wij ons dromen.

2

  Geen veilig pad om langs te gaan

  geen plek geen been om op te staan

  geen rots om op te bouwen.

  Geen bron die uit de rotsen breekt

  geen bloed dat stuwt geen hart dat spreekt

  geen ziel om in te schouwen.

  Geen gulden regel, rond getal,

  geen laatst gericht in dit heelal

  onwrikbaar onbewogen.

  Maar mensen die verminkt en klein

  ontheemd ontkend toch mensen zijn

  roepend om mededogen.

3

  Roepende stilte, verre stem,

  als jij bestaat, besta in hen,

  in mensen in ons midden.

  Wees onbestaanbaar ongehoord,

  besta in mij, onvindbaar woord

  niet god die wij aanbidden.

  Jij die mij kent, jij die mij boeit

  ik die jou jij noem onvermoeid,

  en nog niet kan vergeten,

  zouden wij ik-en-niemand zijn

  ontheemd ontkend ontroostbaar zijn

  en van elkaar niet weten?

---

*482

#5

1

  Kom o Geest des Heren kom

  uit het hemels heiligdom,

  waar Gij staat voor Gods gezicht.

  Kom der armen troost, daal neer,

  kom en schenk uw gaven, Heer,

  kom wees in de harten licht.

2

  Kom o Trooster, Heilge Geest,

  zachtheid die de ziel geneest,

  kom verkwikking zoet en mild.

  Kom o vrede in de strijd,

  lafenis voor 't hart dat lijdt,

  rust die alle onrust stilt.

3

  Licht dat vol van zegen is,

  schijn in onze duisternis,

  neem de harten voor U in.

  Zonder uw geheime gloed

  is er in de mens geen goed,

  is de ziel niet rein van zin.

4

  Was wat vuil is en onrein,

  overstroom ons dor domein,

  heel de ziel die is gewond,

  maak weer zacht wat is verstard,

  koester het verkilde hart,

  leid wie zelf de weg niet vond.

5

  Geef uw gaven zevenvoud,

  ieder die op U vertrouwt,

  zich geheel op U verlaat.

  sta ons met uw liefde bij,

  dat ons einde zalig zij,

  geef ons vreugd die niet vergaat.

---

*483

#6

1

  Kom, Schepper, Geest, daal tot ons neer,

  houd Gij bij ons Uw intocht, Heer;

  Vervul het hart dat U verbeidt

  met hemelse barmhartigheid.

2

  Gij zijt de gave Gods, Gij zijt

  de grote Trooster in de tijd,

  de bron waar uit het leven springt,

  het liefdevuur dat ons doordringt.

3

  Gij schenkt uw gaven zevenvoud,

  o hand die God ten zegen houdt,

  o taal waarin wij God verstaan,

  wij heffen onze lofzang aan.

4

  Verlicht ons duistere verstand,

  geef dat ons hart van liefde brandt,

  en dat ons zwakke lichaam leeft

  vanuit de kracht die Gij het geeft.

5

  Verlos ons als de vijand woedt,

  geef, Heer, de vrede ons voorgoed.

  Leid Gij ons voort, opdat geen kwaad,

  geen ongeval ons leven schaadt.

6

  Doe ons de Vader en de Zoon

  aanschouwen in den hogen troon

  o Geest van beiden uitgegaan

  wij bidden U gelovig aan.

---

*484

#3

1

  Komen ooit voeten gevleugeld mij melden de vrede,

  daalt over smeulende aarde de dauw van de vrede,

  wordt ooit gehoord

  uit mensenmonden dat woord:

  wij zullen rusten in vrede.

2

  Dan zal ik huilen en lachen en drinken en slapen;

  dromen van vluchten en doden en huivrend ontwaken

  Maar niemand vlucht

  nergens alarm in de lucht

  overal vrede geschapen.

3

  Dan zal ik zwaaien naar vreemden, zij zullen mij groeten.

  Wie was mijn vijand? Ik zal hem in vrede ontmoeten.

  Dan zal ik gaan

  waar nog geen wegen bestaan -

  vrede de weg voor mijn voeten.

---

*485

#5

1

  Komt tot ons, de wereld wacht,

  Heiland, kom in onze nacht.

  Licht dat in de nacht begint,

  kind van God, Maria's kind.

2

  Kind dat uit uw kamer klein,

  als des hemels zonneschijn

  op de aarde wordt gesteld,

  gaat uw weg zoals een held.

3

  Gij daalt van de Vader neer

  tot de Vader keert Gij weer,

  die de hel zijt doorgegaan

  en hemelwaarts opgestaan.

4

  Uw kribbe blinkt in de nacht

  met een ongekende pracht.

  Het geloof leeft in dat licht

  waarvoor al het duister zwicht.

5

  Lof zij God in 't hemelrijk,

  Vader, Zoon en Geest gelijk,

  nu en overal altijd,

  nu en tot in eeuwigheid.

---

*486

#3

1

  Komt ons in diepe nacht ter ore:

  de morgenster is opgegaan,

  een mensenkind voor ons geboren

  God zal ons redden, is zijn Naam.

  Opent uw hart, gelooft uw ogen,

  vertrouwt u toe aan wat gij ziet:

  hoe 't woord van God van alzo hoge

  hier menselijk aan ons geschiedt.

2

  Geen ander teken ons gegeven

  geen licht is onze duisternis

  dan deze mens om mee te leven

  een God die onze broeder is.

  Zingt voor uw God, Hij openbaarde

  in Jezus zijn menslievendheid.

  Zo wordt de wereld nieuwe aarde

  en alle vlees aanschouwt het heil.

3

  Zoals de zon komt met zijn zegen

  Een bruidegom van licht en vuur,

  zo komt de koning van de vrede -

  voorgoed gekomen is zijn uur.

  Hij huwt de mensen aan elkander

  zijn liefde gaat van mond tot mond.

  Hij geeft zijn lichaam ons in handen.

  Zo leven wij zijn nieuw verbond.

---

*487

#8

1

  Kwam van Godswege

  een man in ons bestaan,

  een stem om te getuigen,

  Johannes was zijn naam.

   Man van Godswege,

   Johannes was zijn naam.

2

  Zo staat geschreven:

  de heuvel moet geslecht,

  geen kwaad mag zijn bedreven,

  maak alle paden recht

   Zo staat geschreven:

   maak alle paden recht

3

  Doper, wat liep je

  in kemelharen pij,

  als een profeet, wat riep je

  daar in die woestenij?

   Doper, wat riep je

   daar in die woestenij?

4

  'Dat wij omkeren,

  verlaten ons domein,

  beleven 't woord des Heren

  en niet weerbarstig zijn.'

   Dat wij omkeren

   en niet weerbarstig zijn.

5

  Doper, wat moeten

  wij doen totdat Hij komt?

  'In hoop en vrees doet boete,

  gelooft in zijn verbond.'

   Doper, wat moeten

   wij doen totdat Hij komt?

6

  'Deelt met elkander

  het brood van alledag,

  opdat in u de ander

  Gods heil aanschouwen mag.'

   Deelt met elkander

   het brood van deze dag.

7

  Volk uitentreure

  gezeten in de nacht;

  Gods woord zal u gebeuren

  zolang gij Hem verwacht

   Sta te gebeuren,

   kom, woord, in onze nacht.

8

  Volk uitverkoren

  om in het licht te gaan:

  een kind wordt u geboren

  Messias is zijn naam.

   Kind ons geboren

   jouw licht zal met ons gaan.

---

*488

#1

1

  Laat juichen heel het koor van Gods gemeente,

  laat juichen om zo'n grote Koning,

  juichen om de Overwinning!

  Laat de trompetten klinken in het rond!

---

*489

#3

1

  Licht dat ons aanstoot in de morgen,

  voortijdig licht waarin wij staan

  koud, een voor een, en ongeborgen,

  licht overdek mij, vuur mij aan.

  Dat ik niet uitval, dat wij allen

  zo zwaar en droevig als wij zijn

  niet uit elkaars genade vallen

  en doelloos en onvindbaar zijn.

2

  Licht, van mijn stad de stedehouder,

  aanhoudend licht dat overwint.

  Vaderlijk licht, steevaste schouder,

  draag mij, ik ben jouw kijkend kind.

  Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen

  of ergens al de wereld daagt

  waar mensen waardig leven mogen

  en elk zijn naam in vrede draagt.

3

  Alles zal zwichten en verwaaien

  wat op het licht niet is geijkt.

  Taal zal alleen verwoesting zaaien

  en van ons doen geen daad beklijft.

  Veelstemmig licht, om aan te horen

  zolang ons hart nog slagen geeft.

  Liefste der mensen, eerstgeboren,

  licht, laatste woord van Hem die leeft.

---

*490

#1

1

  Lieve boetseerder, trek me uit de klei.

  Lieve boetseerder, trek me uit de klei.

---

*491

#4

1

  Looft de Heer, al wat gemaakt is, prijst zijn Naam.

  Verheft Hem voor eeuwig, dankt voor uw bestaan.

  Looft Hem die gezeten is op tronen van gezang.

  Zingt als rivieren mee voor God: Hij leve lang.

2

  Storm en aarde, bomen, stromen, zon en vuur

  gij wolken en dromen, nachten, dag en duur,

  licht en donker, dood en leven, wereld, mensenzaad

  weest mondig en volmaakt, looft Hem met woord en daad.

3

  Dauw en regen, vorst en koude, ijs en sneeuw,

  de slang en de vis, de vogels en de leeuw,

  geesten in de hemel en gij mensen met uw stem:

  gelooft Hem op zijn woord, dat gij bestaat in Hem.

4

  Looft Hem, ook wie zondigt, looft Hem kwaad en goed.

  Looft Hem, die zijn Woord in u mens worden doet.

  Looft uw God en Vader, die zijn Geest geschonken heeft.

  Looft Hem omdat gij zijt, ja looft Hem, want Hij leeft.

---

*492

#4

1

  Looft de Heer met koop'ren trompetten!

  Aan uw lof sta paal noch perk;

  laat ons zijn glorie in grootheid zetten;

  bij zijn tempel in zijn Kerk!

2

  Refrein:

  Alleluia. Alleluia.

  Alleluia. Alleluia.

3

  Looft de Heer met pauk en bazuinen

  om zijn stralend firmament.

  Looft Hem wat ademt in bossen en tuinen,

  al wat groeit, al wie Hem kent. Refrein

4

  Looft Hem met harpen, met gouden cimbalen,

  al wie leeft in eeuw en tijd.

  Looft Hem met duizend tongen en talen,

  looft zijn Naam, zijn Majesteit. Refrein

---

*493

#5

1

  Maria die zoude naar Bethlehem gaan,

  kerstavond voor de noene;

  Sint-Joseph zoud' al met haar gaan

  om haar gezelschap te hoeden.

2

  Het hageld' en 't sneeuwde en 't was er

  de rijm lag op de daken;

  Sint-Joseph tot Maria sprak:

  "Maria, wat zullen wij maken?"

3

  Maria die zeide: "Ik bender zo moe,

  laat ons een weinig rusten."

  "Laat ons een weinig verder gaan,

  aan een huizeken zullen wij rusten!"

4

  Zij waren een weinig verder gegaan

  tot aan een boereschure;

  't is daar waar Heer Jezus geboren was;

  daar sloten noch vensters noch deuren!

5

  't Klene Kind weende, Maria zong;

  Gods engels uit de tronen,

  zij kwamen tezamen nedergedaald,

  zij kwamen Maria kronen.

---

*494

#4

1

  Mensen, wij zijn geroepen om te leven!

  Hoog is de hemel boven ons verstand

  en onder onze voeten hier beneden

  de goede grond, het groene moederland.

2

  God onze toekomst, God is onze Vader,

  Hij is het licht voor onze dagen uit.

  De hele wereld leeft van zijn genade,

  Hij gaf de aarde en Hij geeft de tijd.

3

  Abraham heeft Hij eerst zijn Woord gegeven,

  dat als een zaad ontkiemde in zijn zaad,

  om zo de toekomst tegemoet te leven

  wanneer de grote oogst te velde staat.

4

  Ja, wij zijn allen mensen der belofte,

  kinderen van de dag die komen zal,

  als Hij, de Zoon, de Zon, daalt uit de hoogte,

  roepend van recht en vrede overal!

---

*495

#7

1

  Met de boom des levens

  wegend op zijn rug

  droeg de Here Jezus

  Gode goede vrucht.

2

  Refrein:

  Kyrie eleison

  wees met ons begaan;

  doe ons weer verrijzen

  uit de dood vandaan.

3

  Laten wij dan bidden

  in dit aardse dal,

  dat de lieve vrede

  ons bewaren zal.  Refrein:

4

  Want de aarde vraagt ons

  om het zaad des doods,

  maar de hemel draagt ons

  op de adem Gods.  Refrein:

5

  Laten wij God loven

  leven van het licht,

  onze val te boven

  in een evenwicht.  Refrein:

6

  Want de aarde jaagt ons

  naar de diepte toe,

  maar de hemel draagt ons,

  liefde wordt niet moe.  Refrein:

7

  Met de boom des levens

  doodzwaar op zijn rug

  droeg de Here Jezus

  Gode goede vrucht.   Refrein:

---

*496

#6

1

  Midden in de dood

  zijn wij in het leven,

  want Een breekt het brood

  om met ons te leven,

  midden in de dood.

2

  Dood is in ons bloed,

  dood voor onze ogen,

  maar Hij geeft ons moed,

  dat wij leven mogen,

  met de dood in 't bloed.

3

  Dat wij uit de dood

  opstaan om te leven,

  etend van het brood

  dat Hij heeft gegeven

  midden in de dood.

4

  Lamp voor onze voet,

  licht voor onze ogen,

  geef ons levensmoed

  met de dood voor ogen

  met de dood in 't bloed.

5

  Jezus, uit de dood

  opgestaan tot leven,

  wees voor ons het brood,

  dat wij in U leven,

  midden in de dood.

6

  Wees voor ons de wijn,

  dat wij van U drinken.

  Wees voor ons de pijn,

  dat wij in U zinken,

  dat wij in U zijn.

---

*497

#4

1

  Midden in de winternacht

  ging de hemel open.

  Die ons heil ter wereld bracht,

  antwoord op ons hopen.

  Elke vogel zingt zijn lied,

  herders waarom zingt gij niet?

  Laat de cithers slaan;

  blaast uw fluiten aan;

  laat de bel, laat de trom,

  laat de bel-trom horen:

  Christus is geboren.

2

  Vrede was het overal:

  wilde dieren kwamen

  bij de schapen in de stal

  en zij speelden samen.

  Elke vogel zingt zijn lied,

  herders waarom speelt gij niet?

  Laat de cithers slaan;

  blaast uw fluiten aan;

  laat de bel, laat de trom,

  laat de bel-trom horen:

  Christus is geboren!

3

  Ondanks winter, sneeuw en ijs

  bloeien alle bomen,

  want het aardse paradijs

  is vannacht gekomen.

  Elke vogel zingt zijn lied,

  herders waarom danst gij niet?

  Laat de cithers slaan;

  blaast uw fluiten aan;

  laat de bel, laat de trom,

  laat de bel-trom horen:

  Christus is geboren!

4

  Ziet, reeds staat de morgenster

  stralend in het duister,

  want de dag is niet meer ver,

  bode van de luister

  die ons weldra op zal gaan.

  Herders blaast uw fluiten aan

  laat de bel, bim-bam,

  laat de trom, rom-rom,

  keere om, keere om,

  laat de beltrom horen:

  Christus is geboren!

---

*498

#3

1

  Refrein:

  Mogen allen een zijn, Vader,

  zoals Gij in mij zijt, en ik in U ben;

  mogen zij ook een zijn in ons,

  opdat de wereld gelove in Mij.

 

  Heilige Vader, bewaar steeds mijn vrienden

  voor het een geloof in uw naam,

  de naam, die Gij aan Mij verleent

  opdat hij door hen bemind moge zijn. Refrein.

2

  Heilige Vader, tot U kom ik weder;

  doch wijl ik nog bij hen verblijf,

  spreek Ik tot hen uw vreugdewoord,

  opdat heel mijn vreugd' in hen moge zijn. Refrein

3

  Heilige Vader, ik bid ook voor allen,

  die ooit zullen luist'ren naar hen

  en blij geloven in uw Woord:

  ook zij wezen een, en een zoals Wij. Refrein.

---

*499

#7

1

  Refrein a:

  Mijn volk, wat heb Ik u gedaan

  of waarmee heb Ik u bedroefd. Antwoord Mij.

 

  Voorzang:

  Ik heb u uit Egypte weggeroepen.

  Gij hebt geroepen: Aan het kruis met Hem.

2

  Koor:

  Hagios o Theos, Sanctus Deo, Heilige God.

 

  Refrein b:

  Heilige onsterfelijke God,

  ontferm U over ons.

3

  Voorzang:

  Ik heb voor u het water uit de rots doen stromen.

  Gij hebt Mij gal en azijn te drinken gegeven. Refrein b.

4

  Ik heb om uwentwil uw vijanden geslagen,

  maar gij hebt Mij gegeseld en gehoond. Refrein a en b.

5

  Ik heb u groot gemaakt, met heerlijkheid gekroond.

  Maar gij hebt voor Mij een doornenkroon gevlochten.

6

  Koor:

  Hagios o Theos, Sanctus Deo, Heilige God. Refrein b.

7

  Voorzang:

  Wat had Ik nog meer voor u moeten doen.

  Ik heb u binnengevoerd in mijn land, in mijn vrede.

  Maar gij, gij hebt uw Redder aan het kruis geslagen.

  Refrein b en a.

---

*500

#3

1

  Naam van Jezus, nu verheven

  boven alle namen uit,

  om een leidsman ons te geven

  die in alle waarheid leidt,

  wees verborgen in ons midden,

  leer ons bidden,

  geef uw zegen wijd en zijd.

2

  Wanneer zult Gij weer verschijnen?

  Komt het vragen nog te vroeg?

  Kent de herder nog de zijnen

  sinds Hij eens de wolven sloeg?

  Leid ons in de ware vrijheid,

  uw nabijheid,

  wolk en vuur zijn niet genoeg.

3

  Overal wordt U gebeden

  om het Rijk dat komen gaat.

  Laat het zichtbaar zijn beneden,

  geef een nieuwe dageraad.

  Woord van God, maak deze aarde

  tot een gaarde

  waar de boom des levens staat.

---

*501

#1

1

  Niemand leeft voor zichzelf

  niemand sterft voor zichzelf.

  Wij leven en sterven voor God onze Heer

  aan Hem behoren wij toe!

---

*502

#5

1

  Allen:

  Neemt Gods woord met hart en mond,

  eet en drinkt zijn nieuw verbond,

  gedenkt uw Heer tot dat Hij wederkomt.

 

  Koor:

  Gij hebt ons toegesproken tot in de diepste nood.

  Uw lichaam werd gebroken, uw vlees is waarlijk brood.

2

  Waar velen zijn gestorven

  hebt Gij ons honderdvoud

  een nieuw bestaan verworven

  Gij zijt ons lijfsbehoud.

3

  Gij roept ons uit de zonde,

  Gij maakt ons brood en wijn,

  om met elkaar verbonden

  opnieuw uw volk te zijn.      (refrein)

4

  O lichaam ons gegeven

  o Heer van ons bestaan

  geef dat wij van U leven

  en niet verloren gaan.

5

  Heer, God hier in ons midden,

  maak uw belofte waar.

  Nu laat uw woord geschieden

  en schenk ons aan elkaar.     (refrein)

---

*503

#7

1

  Niet als een storm, als een vloed,

  niet als een bijl aan de wortel

  komen de woorden van God,

  niet als een schot in het hart.

2

  Maar als een glimp van de zon,

  een groene twijg in de winter,

  dorstig en hard deze grond-

  zo is het koninkrijk Gods.

3

  Stem die de stilte niet breekt,

  woord als een knecht in de wereld,

  naam zonder klank zonder macht,

  vreemdeling zonder geslacht.

4

  Kinderen, armen van geest,

  mensen gelouterd tot vrede,

  horen de naam in hun hart,

  dragen het woord in hun vlees.

5

  Blinden herkennen de hand,

  dovemansoren verstaan Hem.

  Zalig de man die gelooft,

  zalig de vrouw aan de bron.

6

  Niet in het graf van voorbij,

  niet in en tempel van dromen,

  hier in ons midden is Hij,

  hier in de schaduw der hoop.

7

  Hier in dit stervend bestaan

  wordt Hij voor ons geloofwaardig,

  worden wij mensen van God,

  liefde op leven en dood.

---

*504

#4

1

  NIet tot de dienst der wraak

  maar tot elkaars verzoening

  heb ik u aangeraakt

  heeft u mijn woord geroepen.

2

  Niet in het woordgeweld

  waarmee de mensen dreigen

  heb ik mijn eer gesteld

  maar in wie durven zwijgen.

3

  Niet in het groot vertoon

  worden mijn woorden waarheid

  maar in een mensenzoon

  wordt duisternis tot klaarheid.

4

  Niet tot een mens vol kracht

  die heerst over zijn broeders

  maar tot de volle maat

  van Christus zult gij groeien.

---

*505

#5

1

  Nu daagt het in het oosten,

  het licht schijnt overal;

  Hij komt de volken troosten,

  die eeuwig heersen zal.

2

  De duisternis gaat wijken

  van d' eeuwenlange nacht.

  Een nieuwe dag gaat prijken

  met ongekende pracht.

3

  Zij, zie gebonden zaten

  in schaduw van de dood,

  van God en mens verlaten

  begroeten 't morgenrood.

4

  De zonne, voor wier stralen

  het nacht'lijk duister zwicht,

  en die zal zegepralen,

  is Christus, 't eeuwig licht!

5

  Reeds daagt het in het oosten,

  het licht schijnt overal:

  Hij komt de volken troosten,

  die eeuwig heersen zal.

---

*506

#7

1

  Nu moet gij allen vrolijk zijn.

  De bomen zingen in de tuin,

  het lege graf verzwijgt het niet,

  de mond geopend voor het lied,

  halleluja!

2

  De loze worden zijn verstomd,

  de wereld die op adem komt

  zingt met de vogels in de lucht

  dat nu de nacht is weggevlucht,

  halleluja!

3

  Geen vlammend zwaard verspert de weg,

  de engel die het voerde zegt,

  dat alle leed geleden is

  omdat de Heer verrezen is,

  halleluja!

4

  Hij heeft het zegel weggedaan,

  nu kunnen wij zijn woord verstaan,

  zijn graf is als een open boek,

  de windsels liggen in de hoek,

  halleluja!

5

  O dood, die Hem ontkomen liet,

  Hij neemt bezit van uw gebied,

  zijn heerschappij gaat in en uit

  door al de deuren die men sluit,

  halleluja!

6

  Wij willen zingen dat Hij leeft,

  Hij leeft die God gehoorzaamd heeft,

  zijn graf staat ledig in de tijd,

  het is een mond vol zaligheid,

  halleluja!

7

  O goede engel bij het graf,

  de lente lost de winter af,

  bewaak het jonge groen en wijs

  de ingang van het paradijs,

  halleluja!

---

*507

#2

1

  Nu nog met halve woorden, hier en daar,

  kijkend in donk're spiegels, bijna waar,

  blijven wij vreemden die zien en weer vergeten,

  doen in den blinde wat moet, maar ongeweten.

  Dan, eenmaal, wordt, wat niet bestaat:

  wij zullen open gaan,

  en zien en horen, oog in oog,

  van mens tot mens verstaan.

2

  Weten voorbij aan alle angst en schijn,

  en liefde, liefde zal geen woord meer zijn.

  Lichaam en zwijgen genoeg, en onze namen

  rusten in licht als leeuw en lam tesamen.

  Nu nog verslaafd, dan waar en vrij,

  ontketend, onverbloemd.

  Nu nog in tranen, dan getroost

  en met mijzelf verzoend.

---

*508

#4

1

  Nu zijt wellekome, Jezu, Lieve Heer;

  Gij komt van alzo hoge, van al zo veer.

  Nu zijt wellekome van de hoge hemel neer;

  hier al in dit aardrijk zijt Gij gezien nooit meer:

  Kyrieleis.

2

  Christe Kyrieleison, laat ons zingen blij,

  daarmeed' ook onze leisen beginnen vrij.

  Jezus is geboren op de heilige kerstnacht

  van een Maged reine, die hoog moet zijn geacht:

  Kyrieleis.

3

  D' herders op de velden hoorden een nieuw lied

  (dat Jezus was geboren, zij wisten 't niet).

  Gaat aan geender straten, en gij zult Hem vinden klaar;

  Bet'lem is de stede, waar 't is geschied voorwaar:

  Kyrieleis.

4

  D' heilige drie Koon'gen uit zo verre land,

  zij zochten onze Here met offerhand.

  Z' offerden ootmoediglijk myr, wierook ende goud

  t' ere van den Kinde, dat alle ding behoudt:

  Kyrieleis.

---

*509

#3

1

  Versie A:

 

  O Christus, woord der eeuwigheid,

  dat naar ons uitging in de tijd

  en daad werd, mens van hoofd tot voeten,

  wij danken U, God die Gij zijt,

  dat Gij ons menslijk wilt ontmoeten.

2

  Hoe hadden wij U ooit verstaan,

  waart Gij niet tot ons uitgegaan,

  o levenswoord van den beginne?

  Spreek, woord van vlees en bloed, ons aan,

  o Christus, treed ons leven binnen.

3

  Gij werd een mens, maar zonder eer,

  die in de wereld geen verweer,

  niets heerlijks had voor mensenogen.

  Gij woord dat antwoord vraagt, o Heer,

  geef dat wij U herkennen mogen.

 

  Versie B:

1

  O Christus, Woord der eeuwigheid,

  dat naar ons uitging in den tijd

  en daad werd, mens van hoofd tot voeten,

  wij danken U, God die Gij zijt,

  dat Gij ons mens'lijk wilt ontmoeten.

2

  Hoe hadden wij U ooit verstaan,

  waart Gij niet tot ons uitgegaan,

  o levenswoord van den beginne?

  Spreek, Woord van vlees en bloed, ons aan,

  o Christus, treed ons leven binnen!

3

  Gij werd een mens, maar zonder eer,

  die in de wereld geen verweer,

  niets heerlijks had voor mensenogen.

  Gij Woord, dat antwoord vraagt, - o Heer,

  geef, dat wij U herkennen mogen.

---

*510

#3

1

  O Heiland, open wijd de poort

  en daal omlaag, Gods eeuwig Woord,

  die aller mensen redder zijt,

  zo lang voorzegd, zo lang verbeid.

2

  Besproei ons hart, zo dor en droog,

  met dauw en regen van omhoog.

  Gij zijt het zacht, ootmoedig Lam,

  Gij zijt de Leeuw uit Juda's stam.

3

  O Morgenstond, zo lang verbeid,

  o Zon van algerechtigheid,

  de dag breekt aan, de nacht is om:

  wij wachten, kom, Heer Jezus, kom.

---

*511

#4

1

  O Hoofd, vol bloed en wonden,

  met smaad gedekt en hoon,

  o godd'lijk Hoofd omwonden

  met scherpe doornenkroon!

  O Gij, die and're kronen

  en glorie waardig zijt;

  Ik wil mijn hart U tonen,

  dat met U medelijdt.

2

  Mijn God, die zonder klagen

  het zwaarste hebt doorstaan:

  al wat Gij hadt te dragen,

  wie heeft het U gedaan!

  Wee mij, die voor de zonden

  het hoogste goed verliet!

  O, om uw bloed en wonden,

  verstoot mij, zondaar, niet!

3

  O Hoofd, vol bloed en wonden,

  o Gods onschuldig Lam,

  dat voor der mensen zonden

  de schulden op Zich nam!

  Wat zal ik U dan geven

  voor zoveel smaad en smart?

  Heer, neem mijn korte leven,

  Heer, neem mijn schamel hart!

4

  En als ik eens moet strijden

  mijn allerlaatste strijd,

  wil ik nog eens belijden,

  dat Gij mijn Heiland zijt.

  O Hoofd, vol bloed en wonden,

  o Hoofd, vol smart en smaad!

  Wees in die laatste stonden

  mijn hoogste toeverlaat.

---

*512

#5

1

  O kom, o kom, Immanuel,

  verlos uw volk, uw Israel,

  herstel het van ellende weer,

  zodat het looft uw naam, o Heer!

  Weest blij, weest blij, o Israel!

  Hij is nabij, Immanuel!

2

  O kom, Gij wortel Isai,

  verlos ons van de tyrannie,

  van alle goden dezer eeuw,

  o Herder, sla de boze leeuw.

  Weest blij, weest blij, o Israel!

  Hij is nabij, Immanuel!

3

  O kom, o kom, Gij Orient,

  en maak uw licht alom bekend;

  verjaag de nacht van nood en dood,

  wij groeten reeds uw morgenrood.

  Wees blij, weest blij, o Israel!

  Hij is nabij, Immanuel!

4

  O kom, Gij sleutel Davids, kom

  en open ons het heiligdom;

  dat wij betreden uwe poort,

  Jeruzalem, o vredesoord!

  Weest blij, weest blij, o Israel!

  Hij is nabij, Immanuel!

5

  O kom, die onze Heerser zijt,

  in wolk en vuur en majesteit.

  O Adonai die spreekt met macht,

  verbreek het duister van de nacht.

  Weest blij, weest blij, o Israel!

  Hij is nabij, Immanuel!

---

*513

#5

1

  Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen.

  Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

 

  Refrein

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

2

  Overal nabij is Hij mens'lijk allerwegen.

  Maar geen mens herkent Hem, Hij wordt gewoon verzwegen.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

3

  God van God en licht van licht aller dingen hoeder

  heeft een menselijk gezicht aller mensen broeder.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

4

  Wilt daarom elkander doen alle goeds geduldig.

  Weest elkaar om zijnentwil niets dan liefde schuldig.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

5

  Weest verheugd, van zorgen vrij: God die wij aanbidden

  is ons rakelings nabij, wonend in ons midden.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

---

*514

#4

1

  Ons hart verheft zich tot U, Heer,

  zie vol ontferming op ons neer.

  Betoon ons uw barmhartigheid,

  schenk ons uw Heil in eeuwigheid.

2

  Toon ons uw wegen, geef ons kracht.

  Heer, red uw volk, dat U verwacht.

  Leid Gij ons in uw waarheid voort,

  totdat uw roepstem wordt gehoord.

3

  Vergeef ons onze zonden groot.

  Wij zijn in eenzaamheid en nood.

  Verlaat u op de Heer altijd,

  totdat zijn komst uw hart verblijdt.

4

  De nacht is om, de dag nabij.

  Staat op! Ons Heil verwachten wij

  Trekt aan de wapens van het licht,

  wilt u bekleden met de Heer!

---

*515

#3

1

  Overal zijt Gij onzichtbaar gegeven,

  sprekend nabij, de stilte verwacht U,

  mensen bestaan U, zien en beleven U.

2

  Mensen van vlees, van licht en gesteente,

  hard en van bloed, een vloed niet te stelpen,

  mensen uw volk, uw stad hier op aarde.

3

  Aarde is al wat wij zijn, wat wij maken,

  adem ons open, maar ons uw aarde,

  uw nieuwe hemel, vrede op aarde.

---

*516

#3

1

  O waarlijk hoogste majesteit

  der godd'lijke drievuldigheid,

  U zij de lof en roem gebracht

  de eer, de zegepraal, de kracht.

2

  U roepen wij uit 's harten grond,

  U loven wij als uit een mond,

  en knielen neer en smeken luid

  en strekken onze handen uit.

3

  Aan God de Vader in zijn troon

  zij lof aan zijn enige Zoon

  en aan de Geest die troost ons geeft

  zij lof die nimmer einde heeft.

---

*517

#8

1

  K: mel a:

  Roept God een mens tot leven,

  wie weet waarom en hoe,

  Hij moet zichzelf prijsgeven,

  hij leeft ten dode toe.

2

  A: mel a:

  Gods woord roept door de tijden

  zijn volk en grijpt het aan

  Hij doet het uitgeleide

   het moet de zee ingaan

3

  K: mel b:

  Geroepen en verzameld

  uit dood en slavernij,

  gedoopt in woord en water

  dat volk van God zijn wij.

4

  A: mel a:

  Wij werden nieuw geboren

  toen de mens Jezus kwam,

  die als een slaaf de zonde

  der wereld op zich nam.

5

  K: mel b:

  Met Hem in geest en water

  tot zoon van God gewijd,

  zijn wij met Hem begraven,

  verrezen voor altijd.

6

  A: mel a:

  Gestorven voor de zonde

  in Jezus' bloed vereend,

  en met elkaar verbonden

  levend voor God alleen.

7

  K: mel b:

  Wie Jezus' kelk wil drinken,

  zijn doop wil ondergaan,

  zal in de dood verzinken

  en uit die dood opstaan.

8

  A: mel a:

  Hij zal zijn leven geven

  hij maakt zichzelf tot brood,

  hij sterft en and'ren leven,

  hij overleeft de dood.

---

*518

#4

1

  Sta op! Een morgen ongedacht,

  Gods dag is aangebroken,

  er is in een bewogen nacht

  een nieuwe lente ontloken.

  Het leven brak door aarde en steen,

  uit alle wondren om u heen

  spreekt, dat God heeft gesproken.

2

  Hij heeft gezegd: Gij mens, kom uit,

  open uw dode oren;

  kom uit het graf dat u omsluit,

  kom uit en word geboren!

  Toen heeft zich in het vroegste licht

  de nieuwe Adam opgericht,

  ons allen lang tevoren.

3

  Al wat ten dode was gedoemd

  mag nu de hoop herwinnen;

  bloemen en vogels, alles roemt

  Hem als in den beginne.

  Keerde de Heer der schepping weer,

  dan is het tevergeefs niet meer

  te bloeien en te minnen.

4

  Sta op! Hij gaat al voor ons uit,

  de schoot van 't graf ontkomen.

  De morgen is vol nieuw geluid,

  werp af uw boze dromen.

  Waar Hij, ons Hoofd, is voorgegaan,

  is voor het lichaam nu vrij baan

  naar een bestaan volkomen.

---

*519

#3

1

  Stem als een zee van mensen

  om mij, door mij heen.

  Stem van die drenkeling,

  van dat stuk wrakhout

  dat een mens blijkt

  als hij mij aankijkt.

2

  Stem die mij roept: wie ben je,

  mens waar is je broer?

  Stem die mijn vliezen breekt

  en mij bevrijdt, die

  vuur uit steen slaat,

  jij die mij ik maakt

3

  Stem die geen naam heeft nog niet,

  mensen zonder stem.

  Stem als een specht die klopt

  aan mijn gehoorbeen.

  Woord dat aanhoudt.

  God die mij vasthoudt.

---

*520

#4

1

  Te Bethlehem geboren

  is ons een kindje klein;

  dat heb ik mij verkoren,

  zijn dienaar wil ik zijn:

  Eia, eia, zijn dienaar wil ik zijn.

2

  Heer Jezus werd mijn broeder,

  geboren in Kerstnacht.

  Maria was de Moeder

  die Hem ter wereld bracht.

  Eia, eia, die Hem ter wereld bracht.

3

  Hoe hebben zij geleden,

  die Moeder en dat kind.

  De weg zijn zij getreden,

  waar 'k almaar lijden vind.

  Eia, eia, waar 'k almaar lijden vind.

4

  Nu zet ik niet mijn zinnen,

  op aardse dingen meer.

  Maria wil ik minnen

  en Jezus lieve Heer.

  Eia, eia, en Jezus lieve Heer.

---

*521

#6

1

  Ten hemel opgevaren is, halleluja,

  Christus die Heer en Koning is, halleluja.

2

  Nu zit Hij aan Gods rechterhand, halleluja,

  heerst over hemel, zee en land, halleluja.

3

  Zie nu hoe in vervulling gaat, halleluja,

  wat in de psalm geschreven staat, halleluja.

4

  De Heer verleent zijn majesteit, halleluja,

  aan Davids Zoon in eeuwigheid, halleluja.

5

  Nu stijgt ons loflied op en eert, halleluja,

  de Here Christus die regeert, halleluja.

6

  De heilige Drievuldigheid, halleluja,

  zij lof en prijs in eeuwigheid, halleluja.

---

*522

#1

1

  Ten paradijze geleiden u de engelen.

  Dat bij uw aankomst u begroeten mogen de martelaren.

  Zij begeleiden u tot in de hemelse stad, Jeruzalem.

  Moge 't koor der engelen u met vreugde ontvangen.

  En als Lazarus, de arme van weleer,

  zult gij voor eeuwig in het land van vrede zijn.

---

*523

#5

1

  Terwijl het morgenlicht ontwaakt,

  wij schouwen op naar Gods gelaat:

  dat Hij ons werk van deze dag

  voor tegenspoed behouden mag.

2

  Hij zij een teugel voor de tong

  die vaak een twistgesprek begon.

  Hij zij een lichtscherm voor het oog

  dat zich aan ijdelheid bedroog.

3

  Vooral de diepte van ons hart

  beware Hij voor haat en smart,

  Hij lere ons opstandig vlees

  zich onderwerpen aan de geest.

4

  Wanneer ook deze dag vergaat,

  en weer een nacht te wachten staat,

  laat ons, van zonden even rein,

  de zangers van zijn glorie zijn.

5

  Aan God de Vader op zijn troon

  zij lof, en aan zijn enige Zoon,

  en aan de Geest die ons verblijdt

  van heden tot in eeuwigheid!

---

*524

#5

1

  Toen Jezus in zijn uur gekomen was

  om deze wereld te verlaten,

  heeft Hij ten einde toe ons liefgehad.

  De veel geliefde zoon van God de Vader

  wordt een slaaf die onze voeten wast,

  Allen: wordt een slaaf die onze voeten wast,

2

  Toen Jezus met zijn vrienden maaltijd hield,

  nam Hij het brood, nam Hij de beker.

  Hij heeft zijn leven aan ons uitgedeeld,

  zijn bloed voor deze wereld prijsgegeven,

  teken van de geest, die Hem bezielt.

  Allen: Teken van de geest, die Hem bezielt.

3

  Ik ben de wijnstok heeft Hij toen gezegd,

  gij zijt voorgoed met Mij verbonden.

  Ik ben uw waarheid en Ik ben uw weg,

  Ik ben die ben, vergeving van uw zonden;

  Vrede geef Ik u, heeft Hij gezegd.

  Allen: Vrede geef Ik u, heeft Hij gezegd.

4

  Toen Jezus naar zijn Vader toe zou gaan

  heeft Hij gebeden voor zijn vrienden.

  Vader, bad Hij, bewaar hen in uw Naam,

  mogen zij allen een zijn in de liefde,

  dat zij doen, wat Ik hun heb gedaan.

  Allen: Dat zij doen, wat Ik hun heb gedaan.

5

  Toen Jezus in de hof gekomen was

  heeft Hij in grote angst gebeden,

  maar niemand was er, die Hem antwoord ga

  Een vriend heeft Hem verkocht en uitgeleverd

  toen Hij in zijn uur gekomen was.

  Allen: Toen Hij in zijn uur gekomen was.

---

*525

#5

1

  Toen Jezus naar zijn stede ging

  zes dagen voor zijn lijden,

  toen naderde een lange stoet

  die hem een welkom wijdde:

 

  REFREIN: Wij zingen hosanna de koning ter eer;

           gezegend die komt in de naam van de Heer.

2

  Zij hebben kleren uitgespreid,

  Hem toegezwaaid met palmen;

  Zij lieten heel Jeruzalem

  Van hun nieuw lied weergalmen.   REFR.

3

  De kinderen der Joden mee,

  Zij wilden Jezus prijzen;

  Zij zongen met hun hoge stem

  Op nooit gezongen wijzen.  REFR.

4

  Wij voeren naar Jeruzalem

  De Koning met ons mede;

  Wij trekken uit het Oud Verbond

  Om 't Nieuwe te betreden.  REFR.

5

  Jeruzalem, o hemelstad,

  Hier komt uw Koning binnen;

  De vijandschappen gaan voorbij

  De liefde mag beginnen.    REFR.

---

*526

#5

1

  Toen Jezus was gekomen

  ten doop bij de Jordaan,

  heeft Hij een stem vernomen

  hoog uit de wolk vandaan.

  Een duif boven het water,

  een man diep in de stroom.

  De stem roept Hem bij name:

  mijn welbeminde Zoon.

2

  Een naam uit oude tijden:

  Lam Gods en Jahwe's knecht -

  de last van een groot lijden,

  de dood Hem toegezegd.

  De Geest kwam Hem opjagen

  tot in de doodswoestijn.

  Daar moest Hij veertig dagen

  bij wilde beesten zijn.

3

  Het Lam van God de Vader,

  dat welbeminde Woord

  besprongen door de satan.

  Hij werd als wij bekoord.

  Want wie zich prijs durft geven

  tot heil van iedereen,

  vindt waar hij wordt gedreven

  de duivel om zich heen.

4

  De Heer die ongezien en

  in deemoed tot ons kwam,

  die om ons vlees te dienen

  de zonde op zich nam.

  Hij werd bekoord om koning

  in plaats van knecht te zijn,

  Jeruzalem zijn woning,

  een aardse heerschappij.

5

  Toen is Hij trouw gebleven

  de weg is Hij gegaan.

  Hij gaf als brood zijn leven,

  Hij heeft de dood doorstaan.

  Verlos ons van de kwade,

  o Heer, en maak het waar

  dat wij met U gedoopt zijn

  ten dienste van elkaar.

---

*527

#3

1

  Tijd van vloek en tijd van zegen,

  tijd van droogte tijd van regen

  dag van oogst en tijd van nood

  tijd van stenen tijd van brood.

  Tijd van liefde nacht van waken

  uur der waarheid dag der dagen

  toekomst die gekomen is

  woord dat vol van stilte is.

2

  Tijd van troosten tijd van tranen

  tijd van mooi zijn tijd van schamen

  tijd van jagen nu of nooit

  tijd van hopen dat nog ooit.

  Tijd van zwijgen zin vergeten

  nergens blijven nergens weten

  tijd van kruipen tijd van angst

  zee van tijd en eenzaamheid.

3

  Wie aan dit bestaan verloren

  nieuw begin heeft afgezworen

  wie het houdt bij wat hij heeft

  sterven zal hij ongeleefd.

  Tijd van leven om met velen

  brood en ademtocht te delen

  wie niet geeft om zelfbehoud,

  leven vindt hij honderdvoud.

---

*528

#3

1

  Refrein:

  Ubi caritas et amor, Deus ibi est.

 

  Christus liefde heeft ons tot eenheid gebracht

  laat ons juichen en blij zijn in Hem.

  Laat ons oprecht beminnen de God die leeft,

  en van harte goed zijn met elkaar. Refrein.

2

  Laar ons dus, nu wij hier tezamen zijn

  zorgen dat er geen verdeeldheid heerst!

  Geen wrok meer, geen onenigheid,

  moge Christus in ons midden zijn! Refrein

3

  O Christus, God, toon ons uw heerlijkheid

  met uw heiligen die bij U zijn!

  Die vreugde zal zuiver zijn en zonder maat,

  en duren tot in eeuwigheid! Refrein.

---

*529

#3

1

  Uit angst en nood stijgt mijn gebed.

  O Heer, wil naar mij horen!

  Wanneer Gij op ons falen let,

  zijn wij, o God verloren.

  Maar in uw eindeloos geduld

  delgt Gij de menselijke schuld

  en zegent die U vrezen.

2

  Ik hoop op God de Heer en wacht

  het woord dat Hij zal spreken.

  Al loopt het naar de middernacht,

  ik volg zijn heilig teken.

  Mijn hart is in d donkerheid

  een wachter die het licht verbeidt,

  een wachter op de morgen.

3

  Hoop, Israel, op God de Heer

  die rijk is aan genade.

  Want Hij verlaat u nimmermeer,

  al kiest gij ook ten kwade.

  Hij leidt u door de woestenij

  en maakt gans Israel eens vrij

  van ongerechtigheden.

---

*530

#5

1

  Uit uw hemel zonder grenzen

  komt Gijn tastend aan het licht

  met een naam en een gezicht

  even weerloos als wij mensen.

2

  Als een kind zijt Gij gekomen,

  als een schaduw die verblindt,

  onnaspeurbaar als de wind

  die voorbijgaat in de bomen.

3

  Als een vuur zijt Gij verschenen,

  als een ster gaat Gij ons voor,

  in den vreemde wijst uw spoor,

  in de dood zijt Gij verdwenen.

4

  Als een bron zijt Gij begraven,

  als een mens in de woestijn.

  Zal er ooit een ander zijn,

  ooit nog vrede hier op aarde?

5

  Als een woord zijt Gij gegeven,

  als een nacht van hoop en vrees,

  als een pijn die ons geneest,

  als een nieuw begin van leven.

---

*531

#3

1

  Uit vuur en ijzer, zuur en zout,

  zo wijd als licht, zo eeuwen oud,

  uit alles wordt een mens gebouwd

  en steeds opnieuw geboren.

  Om ijzer in vuur te zijn,

  om zout en zoet en zuur te zijn,

  om mens voor een mens te zijn

  wordt alleman geboren.

2

  Om water voor de zee te zijn,

  om anderman een woord te zijn,

  om niemand weet hoe groot en klein,

  (- gezocht, gekend, verloren -)

  om vanavond en morgenland,

  om hier te zijn en overkant,

  om hand in een andre hand,

  om niet te zijn verloren.

3

  Om oud en wijs als licht te zijn,

  om lippen, water, dorst te zijn,

  om alles en om niets te zijn,

  gaat iemand tot een ander.

  Naar verte die niemand weet,

  door vuur dat mensen samensmeedt,

  om leven in lief en leed

  gaan mensen tot elkander.

---

*532

#3

1

  U zij de glorie, opgestane Heer,

  U zij de victorie nu en immer meer.

  Uit een blinkend stromen daalde d' engel af,

  heeft de steen genomen van 't verwonnen graf.

  U zij de glorie, opgestane Heer,

  U zij de victorie, nu en immer meer.

2

  Zie Hem verschijnen, Jezus, onze Heer,

  Hij brengt al de zijnen in zijn armen weer.

  Weest dan volk des Heren blijde en welgezind

  en zegt telkenkere: "Christus overwint."

  U zij de glorie, opgestane Heer,

  U zij de victorie, nu en immermeer.

3

  Zou ik nog vrezen, nu Hij eeuwig leeft,

  die mij heeft genezen, die mij vrede geeft?

  In zijn goddelijk wezen is mijn glorie groot;

  niets heb ik te vrezen in leven en in dood.

  U zij de glorie, opgestane Heer,

  U zij de victorie, nu en immermeer.

---

*533

#3

1

  Vanwaar zijt Gij gekomen,

  wij wisten niets van U.

  In onze stoutste dromen

  was God nooit hier en nu.

  Een nieuwe God zijt Gij

  die onder ons wilt wonen,

  zo ver weg, zo dichtbij.

2

  Gij zijt ons doorgegeven

  een naam, een oud verbaal

  uw woorden uitgeschreven

  in ied're mensentaal.

  Ons eigen levenslot

  met uw geluk verweven,

  zo zijt Gij onze God.

3

  Gij zijt in ons verloren

  wij durven u niet aan,

  uw stem in onze oren,

  uw komst in ons bestaan.

  Een woord van vlees en bloed

  een kind voor ons geboren.

  een mens die sterven moet.

---

*534

#3

1

  Verblijdt u in de Heer te allen tijd!

  Dat zeg ik u, dat zeg ik u: verblijdt u!

  Verblijdt u, want de Heer is zeer nabij,

  de Heer is zeer nabij en Hij bevrijdt u.

2

  Weest niet bezorgd, maar bidt en smeekt de Heer,

  weest niet bezorgd, maar mild en toegenegen,

  want Hij brengt in uw ballingschap een keer;

  zijn land, zijn erf, zijn stad heeft Hij gezegend.

3

  Daarom, dankt God! De vrede die Hij geeft

  gaat alle redelijk verstand te boven.

  Hij die uw harten in zijn hoede heeft,

  is goed, is God. Gij moet in Hem geloven.

---

*535

#3

1

  Verdoofd en schamper van gemis

  herkomst en doel verloren

  dit leven dat geen leven is

  nog dood nog ongeboren.

  Doe open Gij die woont in licht

  dat niet ter dood gedoemd zijn

  wij die naar U genoemd zijn.

2

  Uw nu ons eertijds aangezegd

  volhardt in onze oren

  opdat wij doen het volste recht

  en zijn uit U geboren

  'de minste mens een naaste zijn'-

  dat woord heeft zin gegeven

  ons angstbeladen leven.

3

  Die gaan de wegen van uw woord

  geen lot is hen beschoren

  dan Gij, Gij plant hun adem voort

  uw land zal hen behoren.

  Woestijnen gaan in dauw gedrenkt

  geluk zal wedervaren

  aan wie verworpen waren.

---

*536

#2

1

  Vergeet niet dat woord van oudsher:

  dat leeggeschud zullen worden

  de plunderaars, uitgedreven

  de stichters van tyrannie.

  Maar de doodgetrapte zal leven,

  de arme zal opstaan en nemen

  het land dat hem toebehoort.

2

  Vergeet niet dat woord van oudsher:

  dat uitgeroeid zullen worden

  de moordenaars, uitgedreven

  de stichters van tyrannie.

  Maar de doodgetrapte zal leven,

  kinderen zullen opstaan en grijpen

  het recht dat hun toebehoort.

---

*537

#4

1

  Verheft uw hart, weest welgemoed.

  Verhoopt de dag die daagt voorgoed.

  Gedenkt uw Heer en zijn verbond

  in woord en brood, totdat Hij komt.

2

  Heer God, die immer komen zult

  in dood en mensennood gehuld,

  geef dat wij U vandaag verstaan,

  troostend elkander in uw naam.

3

  Zult Gij wel komen, zal uw licht,

  verklaren al wat duister is?

  Zoon Gods, de schepping toegezegd,

  voltooi uw aarde, doe haar recht.

4

  Jezus, maak uw belofte waar,

  bekeer de mensen tot elkaar.

  Gij die der mensen broeder zijt,

  Kome uw Rijk in heerlijkheid.

---

*538

#3

1

  Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht!

  God, laat mij voor uw aangezicht,

  geheel van U vervuld en rein,

  naar lijf en ziel herboren zijn.

2

  Schep, God, een nieuwe geest in mij,

  een geest van licht, zo klaar als Gij,

  dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt

  en ga de weg, die U behaagt.

3

  Wees Gij de zon van mijn bestaan,

  dan kan ik veilig verder gaan,

  tot ik U zie, o eeuwig licht,

  van aangezicht tot aangezicht!

---

*539

#10

1

  Voor alle heilgen in de heerlijkheid

  die U beleden in hun aardse strijd,

  zij uw naam lof, o Jezus, te allen tijd!

  Halleluja, halleluja!

2

  Gij waart hun rots, hun burg en al hun macht;

  Gij, Heer, hun loods en licht in storm en nacht;

  Gij hebt uw pelgrims veilig thuisgebracht.

  Halleluja, halleluja!

3

  Maak al uw strijders in dit aards gevecht

  moedig als hen wier pleit reeds werd beslecht

  tot aan de tijd die Gij hebt toegezegd.

  Halleluja, halleluja!

4

  Hun is de prijs, de lauwerkrans, de kroon,

  toch zijn wij een, zij zingend voor de troon,

  wij in de wereld, wachtend op Gods Zoon.

  Halleluja, halleluja!

5

  Lang valt de tijd en zwaar is ons geding,

  bang is de strijd en vol vertwijfeling,

  dat ons de zege bijna nog ontging.

  Halleluja, halleluja!

6

  Ten einde raad ontzinkt ons haast de moed

  maar in de verte klinkt ons tegemoet

  trompetgeschal dat Gij weerklinken doet!

  Halleluja, halleluja!

7

  Rood is de avond als het zonlicht daalt;

  ook in de dood hebt Gij hun lot bepaald,

  God die de moede strijders binnenhaalt.

  Halleluja, halleluja!

8

  Maar een oneindig glorierijker dag

  staat nog te wachten als op uw gezag

  heel 't heir der heilgen tot U naadren mag.

  Halleluja, halleluja!

9

  Daar is de Koning als een jonge held!

  Hem komen allen tegemoet gesneld

  van vreugde stralend, scharen ongeteld.

  Halleluja, halleluja!

10

  Van alle einders, van de verste kust

  zullen zij vinden vrede, feest en rust,

  U lovend, Vader, Zoon, Heilige Geest!

  Halleluja, halleluja!

---

*540

#5

1

  Wachters van de tijd, licht zal in uw ogen wonen,

  wilt aan alle mensen tonen van uw vrolijkheid.

  Sion, zing, daar is licht.

2

  Groet de dageraad, heden zal de Zon u vinden

  die genezing voor de blinden in haar wieken draagt.

  Nachten, zingt, God is licht.

3

  Met gerechtigheid zal Hij 't huis van David stutten

  en Hij zal zijn schouders bukken onder wet en tijd,

  onze loot, wijn en brood.

4

  Midden onder u heeft Hij zijn verblijf geslagen

  om uw zonden weg te dragen, wacht het wonder nu

  van de Zoon die hier woont.

5

  Maak de tafel klaar want de Bruidegom komt spoedig

  met zijn vreugde overvloedig, onze Heer is daar,

  breekt het brood van zijn dood.

---

*541

#3

1

  Wat altijd is geweest,

  het waaien van de geest

  gebeurt aan ons vandaag.

  Dat vuur van het begin

  wij ademen het in,

  Gods woord dat antwoord vraagt.

  Die in de stilte sprak,

  het noodlot onderbrak

  en nieuwe wegen baande,

  Hij is nog niet verstomd

  Hij zwaait ons toe en komt

  en zegt Ik ben uw Vader.

2

  Het meeste gaat voorbij

  maar meer en meer wordt Hij

  de toekomst die ons wacht.

  Bij hem is geen verraad

  Hij zelf heeft ons gemaakt,

  zijn oog is in ons hart.

  Wij leven zijn bestaan,

  zijn ongekende naam

  aanschouwen wij van verre.

  Zijn zwijgen is van goud

  zijn woord is ons behoud

  in leven en in sterven.

3

  Als alles is volbracht

  zal Hij voor ons een stad

  van brood en spelen zijn.

  De stok die ons regeert,

  de dood zal zijn gekeerd,

  wij zullen mensen zijn.

  Hij geeft een nieuw gezicht

  aan duisternis en licht

  aan alles wat wij deden.

  Hij maakt zijn woorden waar,

  wij spreken met elkaar

  een taal van hoop en vrede.

---

*542

#1

1

  Wat is de mens, wat zijn de dagen

  die aan de mens gegeven zijn:

  wankel geluk, winnen en wagen,nieuwe geluiden, oude pijn,

  gras, dat vergaat, niet minder niet meer,

  bedacht zijn op de dood in keer en tegenkeer.

  God, geef de mens woorden van waarde.

  Niet van het brood alleen leeft hij,

  God, geef de mens leven op aarde,

  spreek hem van dode wetten vrij.

  Kyrie eleison.

---

*543

#5

1

  Wat zijt gij uitgegaan?

  wat wilt te gaan aanschouwen:

  een rots om op te bouwen,

  een man Gods te vertrouwen,

  het manna der woestijn?

2

  Een riet dat in de wind

  wordt heen en weer bewogen?

  een windstoot uit den hoge,

  een koning voor uw ogen,

  een koning of een kind?

3

  Die gaan om praal en pracht,

  die weten wel te huizen

  in weelde van paleizen,

  zij willen zich bewijzen

  en leven van de macht.

4

  Maar gij zijt uitgegaan

  om het geluid te horen

  dat opgaat in uw oren,

  het Woord van lang te voren,

  de tale Kanaans.

5

  De wind waait in het riet:

  gij gaat niet in den blinde,

  maar om het spoor te vinden

  van God en zijn beminde,

  de Stad in het verschiet.

---

*544

#1

1

  Wees gegroet, o, Koninginne,

  Moeder van barmhartigheid,

  ons leven, onze vreugde,

  onze hoop, wees gegroet.

  Tot U roepen wij, kinderen van Eva;

  tot U smeken wij, zuchtend en wenend

  in het dal van tranen.

  Daarom dan, onze Voorspreekster,

  sla op ons uw barmhartige ogen

  en toon ons na deze ballingschap Jezus,

  de gezegende vrucht van uw schoot.

  O, goedertierene, o liefdevolle,

  o zoete Maagd Maria.

---

*545

#6

1

  Weest niet verbaasd als u de wereld haat;

  gij moet integendeel uw liefde geven:

  dat is de overgang van dood naar leven!

  Wie niet bemint leeft in gestorven staat.

2

  Al wie zijn broeder haat begaat een moord.

  God heeft ons niet geroepen om te doden,

  samen te leven heeft Hij ons geboden.

  Alleen de liefde plant zijn schepping voort.

3

  Maar wie de dood diep in zijn wezen draagt,

  kan die het leven in zich hebben wonen?

  Broeder en broeder zijn tezamen zonen

  van God die liefde geeft en liefde vraagt.

4

  Zo hebben wij de liefde Gods herkend:

  dat Hij zijn leven voor ons heeft gegeven.

  Er staat in alle woorden Gods geschreven

  dat wie de mensen haat zijn schepping schendt.

5

  Wie al het goed van deze wereld heeft

  en die zijn broeder dan gebrek ziet lijden,

  hoe zou Gods liefde levend in hem blijven?

  Levend alleen is wat nieuw leven geeft.

6

  Niet slechts met woord en tong maar metterdaad

  en in-der-waarheid moeten wij beminnen.

  Zo immers leven wij het leven binnen.

  Wie niet bemint leeft in gestorven staat.

---

*546

#5

1

  V. Wie als een god wil leven hier op aarde

  A. Wie als een god wil leven hier op aarde

  V. Hij moet de weg van alle zaad

     En zo vindt hij genade

  A. En zo vindt hij genade.

2

     Hij gaat de weg van alle aardse dingen

     Hij heeft het lot met hart en ziel

     van alle stervelingen

3

     Hij wordt aan zon en regen prijsgegeven

     het kleinste zaad in weer en wind

     moet sterven om te leven.

4

     De mensen moeten sterven voor elkander

     het kleinste zaad wordt levend brood

     zo voedt de een de ander.

5

     En zo heeft onze God zich ook gedragen

     en zo is Hij het leven zelf

     voor iedereen op aarde.

---

*547

#7

1

  Wie heeft zijn geld verloren,

  het goed waarvan hij leeft

  en zoekt niet uit en treure

  tot hij gevonden heeft.

2

  Wie heeft een kind verloren

  en zoekt niet overal

  met handen, ogen, oren

  en tranen zonder tal.

3

  Wie heeft zijn God verloren

  en zoekt niet her en der

  op aarde, in de hemel,

  geen verte gaat te ver.

4

  Als zo de mensen leven

  en zoeken is hun lot

  en vinden is hun zegen:

  hoeveel te meer dan God.

5

  Hij ziet ons al van verre

  omdat Hij ons bemint

  en liever dan de sterren

  is Hem een mensenkind.

6

  En voordat wij Hem zoeken

  zijn wij gezocht door Hem

  en nu wij om Hem roepen

  geeft Hij ons deze stem.

7

  En wie het wordt gegeven,

  bespeurt Hem overal

  in woorden allerwegen,

  in mensen zonder tal

---

*548

#2

1

  Wie zijn leven niet wil geven,

  niet wil delen met zovelen,

  met een ander,

  gaat verloren.

2

  wie wil geven wat hij heeft,

  die zal leven,

  op gegeven,

  die zal weten dat hij leeft.

---

*549

#2

1

  Wilhelmus van Nassouwe

  ben ik van duitsen bloed,

  den vaderland getrouwe

  blijf ik tot in den dood.

  Een prinse van Oranje

  ben ik vrij onverveerd,

  den koning van Hispanje

  heb ik altijd geeerd.

2

  Mijn schild ende betrouwen

  zijt Gij, o God, mijn Heer!

  Op U zo wil ik bouwen,

  verlaat mij nimmermeer!

  Dat ik toch vroom mag blijven,

  uw dienaar t' aller stond,

  de tirannie verdrijven

  die mij mijn hart doorwondt.

---

*550

#3

1

  Wilt heden nu treden voor God, den Here,

  Hem bovenal loven van harte zeer,

  en maken groot zijns lieven namens ere,

  die daar nu onze vijand slaat terneer.

2

  Ter eren ons Heren wilt al uw dagen

  dit wonder bijzonder gedenken toch.

  Maakt u, o mens, voor God steeds wel te dragen,

  door ieder recht en wacht u voor bedrog.

3

  Bidt, waket en maket dat ge in bekoring

  en 't kwade met schade toch niet en valt.

  Uw vroomheid brengt de vijand tot verstoring,

  al waar' zijn rijk nog eens zo sterk bewald.

---

*551

#3

1

  Wonen overal nergens thuis,

  aarde, mijn aarde, mijn moeders huis.

  Vallende sterren, de schim van de maan,

  mensen die opstaan en leven gaan,

  mensen veel geluk.

2

  Wonen overal even thuis

  handel en wandel en huis na huis

  loven en bieden op waarheid en waan

  wagen en winnen en verder gaan

  mensen veel geluk.

3

  Wonen overal bijna thuis

  aarde mijn hemel mijn vadershuis

  stijgende sterren de lach van de maan

  mensen die dromend een stem verstaan

  mensen veel geluk.

---

*552

#2

1

  Wij bidden u Gods zegen toe.

  Neemt die eerbiedig aan

  hoe ook uw weg mag gaan.

  Nog kent geen mens het wat en hoe,

  gij moogt vertrouwend lopen:

  God doet de toekomst open.

2

  Gij hebt elkander trouw beloofd;

  een menslijk feilbaar woord

  werd hier door ons gehoord.

  Dit woord behoudt het in geloof.

  Meer hebt gij niet van node:

  God houdt uw ja omsloten.

---

*553

#3

1

  Wij die met eigen ogen

  de aarde zien verscheurd,

  maar blind en onmeedogend

  ontkennen wat gebeurt :

  dat oorlog is geboden

  en vrede niet mag zijn,

  dat mensen mensen doden,

  dat wij die mensen zijn.

2

  Wij die nog mogen leven

  van hoop en vrees vervuld,

  aan machten prijs gegeven

  aan meer dan eigen schuld,

  wij die, God weet hoe verder,

  tot hier toe zijn gespaard:

  dat wij toch nooit erkennen

  het recht van vuur en zwaard.

3

  Dat wij toch niet vergeten

  waartoe wij zijn gemaakt,

  dat diep in ons geweten

  opnieuw het licht ontwaakt.

  Dat in ons wordt herschapen

  de geest die overleeft.

  Dat onze lieve aarde

  nog kans op redding heeft.

---

*554

#6

1

  Wij eten weer het bitter brood

  om te gedenken aan de dagen

  dat Gij Egypte hebt geslagen

  met de verschrikking van de dood.

2

  Engel des doods, ga ons voorbij.

  Zie op het bloed dat als teken

  aan onze deurpost is gestreken.

  Engel, ga onze deur voorbij.

3

  Wij eten haastig in de nacht

  kruiden en ongezuurde broden.

  Wij doen wat Gij ons hebt geboden,

  wij eten 't lam door ons geslacht.

4

  Wij staan reisvaardig tot de tocht

  naar 't goede land van Jacobs kinderen.

  Geen Rode Zee kan meer verhinderen

  die van de dood zijn vrijgekocht.

5

  Doe Gij ons door het water gaan

  en laat uw wolkkolom ons richten,

  uw vuurkolom ons 's nachts verlichten!

  Maak onze voet een vaste baan!

6

  Neem onze reisstaf in uw hand

  en wijs ons weer, als in de dagen

  dat Gij Egypte hebt geslagen,

  de weg naar het beloofde land.

---

*555

#4

1

  Wij groeten u, o Koningin,

  o Maria:

  u Moeder vol van teed're min,

  o Maria:

 

  refr:

  Groet haar, o Cherubijn;

  prijs haar, o Serafijn,

  prijst met ons uw Koningin:

  salve, salve salve Regina.

2

  O Moeder van barmhartigheid,

  o Maria:

  en troost in alle bitterheid,

  o Maria:

  refr

3

  Ons leven, zoetheid, hoop en vreugd,

  o Maria:

  leid gij ons op de weg der deugd,

  o Maria:

  refr

4

  Toon ons in 't uur van onze dood,

  o Maria:

  de zoete vrucht van uwe schoot,

  o Maria

  refr

---

*556

#3

1

  Wij komen tezamen

  Onder 't sterre-blinken

  Een lied moet weerklinken

  Voor Bethlehem:

  Christus geboren

  Zingen d' engelenkoren.

 

  REFR.:  Kom laten wij aanbidden. (3x)

          Onze Heer.

2

  Drie wijzen met wierook

  Kwamen er van verre,

  Zij volgden zijn sterre

  Naar Bethlehem.

  Herders en wijzen

  Komen Jezus prijzen.         REFR.

3

  Ook wij uitverkoren

  Mogen U begroeten

  En kussen uw voeten,

  Emmanuel.

  Wij willen geven

  Hart en geest en leven.      REFR.

---

*557

#2

1

  Allen:

  Wij roemen in 't Kruis van de Heer Jezus Christus.

  In hem is ons heil, ons leven en verrijzenis,

  door wie wij verlost en bevrijd zijn.

2

  Koor:

  God zij genadig en zegene ons,

  en dat zijn aanschijn over ons moge lichten.

---

*558

#4

1

  Wij treden biddend in uw licht,

  op U is onze hoop gericht,

  die alles wat op aarde leeft

  te allen tijd uw liefde geeft.

2

  God, Vader, die van eeuwigheid,

  het heil der mensen hebt bereid,

  geef dat uw alverlossend woord,

  in groot vertrouwen wordt aanhoord.

3

  God, Zoon, die door uw offerdood

  de deur naar 't leven weer ontsloot,

  wij vragen dringend altijd weer:

  bewaar ons in uw liefde, Heer.

4

  God, goede Geest van heiligheid,

  die ieder mens in liefde leidt,

  brengt allen samen en bewerk

  de eenheid van de christenkerk.

---

*559

#6

1

  Zeven maal, zeven maal,

  zeven maal opnieuw geboren,

  klein gekregen, uitgeworpen

  wordt een mens om mens te worden

2

  Zeventig maal zeven bomen

  zullen bloeien waar wij wonen

  licht zal op het water stromen.

  licht zal op het water stromen.

3

  Zeven maal, zeven maal,

  zeven maal opnieuw geboren,

  klein gekregen, uitgeworpen

  wordt een mens om mens te worden

4

  Zeven maal, zeven maal,

  zeven maal opnieuw geboren,

  klein gekregen, uitgeworpen

  wordt een mens om mens te worden

5

  Zeventig maal zeven bomen

  zullen bloeien waar wij wonen

  licht zal op het water stromen.

  licht zal op het water stromen.

6

  Zeven maal, zeven maal,

  zeven maal opnieuw geboren,

  klein gekregen, uitgeworpen

  wordt een mens om mens te worden

---

*560

#5

1

  Zeven was voldoende,

  vijf en twee,

  zeven was voldoende

  voor vijfduizend

  op de heuvels langs de zee.

2

  Zeven is voldoende,

  brood en vis,

  Jezus is voldoende

  voor ons allen

  als de kring gesloten is.

3

  Zeven is voldoende

  toen en nu,

  zeven is voldoende

  alle dagen

  van ons leven, dank zij U.

4

  Voed ons met uw leven,

  vis en brood,

  alle zeven dagen,

  Gij verzadigt

  allen met uw offerdood.

5

  Want Gij zijt de eerste

  rond alom,

  ja, Gij zijt de eerste

  en de laatste,

  kom, o Here Jezus kom!

---

*561

#4

1

  refrein:

  Zingt een nieuw lied, alle landen.

  Zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.

 

  Zingt een nieuw lied voor de Heer, alle landen.

  Zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.

  Treedt in zijn tempel met uw offeranden,

  kondigt zijn roem bij de heidenen aan. refr.:

2

  Groot is de Heer, die wij vrezen en prijzen.

  Aarde en lucht komen vers uit zijn hand,

  schoonheid en kracht vergezellen Hem beide:

  wild is de zee en tevreden het land. refr.:

3

  Roept tot de volkeren: God is de Koning,

  Hij houdt de weegschaal der wereld loodrecht,

  Hij is rechtvaardig, bij Hem is het oordeel,

  alles wordt Hem aan zijn voeten gelegd. refr.:

4

  Juicht wat in zee leeft, of leeft op de velden:

  ziet, uw Verlosser gaat komen, weest blij!

  Wuift alle bomen der wouden, verwelkomt

  juichend uw Koning, want Hij is nabij! refr.:

---

*562

#4

1

  Zingt God de Heer,

  de almachtige Koning ter ere,

  Hij zal zijn Volk

  in liefde regeren,

  laat ons tezaam prijzen Zijn heilige Naam

  nooit zal de vijand ons deren.

2

  Looft God de Heer, die barmhartig

  ons leidt alle dagen,

  die ons op adelaarswieken

  ten hemel zal dragen,

  en die behoudt ieder, die op Hem vertrouwt,

  in alle tijden en plagen.

3

  Dank aan de Herder, die zorgzaam

  en wijs ons wil leiden,

  die ons gezondheid geeft, vriendschap

  en gunstige tijden

  in alle nood biedt Hij ons daag'lijks zijn Brood

  en schenkt ons kracht om te strijden.

4

  Voor U, Drieene God, zingen

  wij dankbaar tezamen

  heel het heelal brenge eer aan

  uw heilige Name,

  engelen Gods, buigt u voor Hem, onze rots,

  die ons standvastig maakt. Amen.

---

*563

#4

1

  Zingt Jubilate voor de Heer,

  hemel en aarde, looft uw Vader,

  heiligen, eng'len, mens en dier,

  sterren en stenen, Jubilate!

2

  Zingt Jubilate dat is goed,

  vogels en vissen, licht en water,

  bloemen en bomen, vlees en bloed,

  lichaam en ziel, zingt Jubilate!

3

  Zingt Jubilate voor de Zoon,

  dat Hij de hemel heeft verlaten,

  dat Hij de zonden heeft verzoend,

  Jezus Messias Jubilate!

4

  Zingt Jubilate voor de Geest,

  offert de vogel Geest uw adem,

  dat Hij uw hart met vuur geneest,

  weest God indachtig, Jubilate!

---

*564

#5

1

  Zingt voor de Heer een nieuw gezang, alleluja.

  Hij laaft u heel uw leven lang, alleluja.

  Met water uit de harde steen, alleluja.

  Het is vol wond`ren om u heen, alleluja.

  Alleluja,alleluja, alleluja.

2

  Hij gaat u voor in wolk en vuur, alleluja.

  gunt aan uw leven rust noch duur, alleluja,

  en geeft het zin en samenhang, alleluja,

  zingt dan de Heer een nieuw gezang, alleluja.

  Alleluja, alleluja, alleluja.

3

  Een lied van uw verwondering, alleluja,

  dat nog uw naam niet onderging, alleluja.

  maar weer opnieuw geboren is, alleluja,

  uit water en uit duisternis, alleluja.

  Alleluja, alleluja, alleluja.

4

  De hand van God doet in de tijd, alleluja,

  tekenen van gerechtigheid, alleluja,

  de Geest des Heren vuurt ons aan, alleluja,

  de heil`ge tekens te verstaan, alleluja.

  Alleluja,  alleluja, alleluja.

5

  Wij zullen, naar zijn land geleid, alleluja,

  doorleven tot in eeuwigheid, alleluja,

  en zingen bij zijn wederkeer, alleluja,

  een nieuw gezang voor God de Heer, alleluja.

  Alleluja, alleluja, alleluja.

---

*565

#4

1

  Zingt voor de Heer van liefde en trouw,

  die onder ons verblijven wou.

  Zingt als het gras dat dankt voor dauw:

  Alleluia, alleluia.

2

  Zingt voor het heilig hemels brood,

  dat ons versterkt in alle nood,

  dat ons doet leven na de dood;

  Alleluia, alleluia.

3

  Zingt voor de liefde die ons bindt,

  die in ons hoofd haar woning vindt,

  die in ons hart haar rijk begint;

  Alleluia, alleluia.

4

  Zingt voor het heil dat komen gaat;

  zingt voor de deur die open staat

  zingt voor de God die zingen laat;

  Alleluia, alleluia.

---

*566

#4

1

  Zoals de mensen leven

  doen vogels niet.

  Die schuilen in de bomen

  en vluchten in hun lied.

  Die zaaien niet maar dromen

  en de dood is hun verschiet.

2

  Zoals het water stroomt, zo

  doen de mensen niet.

  Het water stroomt maar verder

  en dorsten doet het niet.

  Zo vluchtig en zo wijd als water

  zijn de mensen niet.

3

  Zo oud en wijs als mensen

  zijn de muren niet.

  Die kraken in hun voegen

  maar hebben geen verdriet.

  De mensen moeten zwoegen

  en dat doen de stenen niet.

4

  Zoals de bomen vallen

  vallen mensen niet.

  De mensen dragen woorden,

  herleven in hun lied.

  De bomen zullen sterven

  maar zo sterven mensen niet.

---

*567

#5

1

  Zolang er mensen zijn op aarde,

  zolang de aarde vruchten geeft,

  zolang zijt Gij ons aller Vader,

  wij danken U voor al wat leeft.

2

  Zolang de mensen woorden spreken,

  zolang wij voor elkaar bestaan,

  zolang zult Gij ons niet ontbreken,

  wij danken U in Jezus' naam.

3

  Gij voedt de vogels in de bomen,

  Gij kleedt de bloemen op het veld,

  o Heer, Gij zijt mijn onderkomen

  en al mijn dagen zijn geteld.

4

  Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven,

  Gij redt de wereld van de dood.

  Gij hebt uw Zoon aan ons gegeven,

  zijn lichaam is het levend brood.

5

  Daarom moet alles U aanbidden,

  uw liefde heeft het voortgebracht,

  Vader, Gijzelf zijt in ons midden,

  o Heer, wij zijn van uw geslacht.

---

*568

#3

1

  Zomaar een dak boven wat hoofden

  deur die naar stilte open staat.

  Muren van huid, ramen als ogen

  speurend naar hoop en dageraad.

  Huis dat een levend lichaam wordt

  als wij er binnen gaan

  om recht voor God te staan.

2

  Woorden van ver, vallende sterren

  vonken verleden hier gezaaid.

  Namen voor Hem, dromen, signalen

  diep uit de wereld aangewaaid.

  Monden van aarde horen en zien,

  onthouden, spreken voort

  Gods vrij en lichtend woord.

3

  Tafel van Een, brood om te weten

  dat wij elkaar gegeven zijn.

  Wonder van God, mensen in vrede,

  oud en vergeten nieuw geheim.

  Breken en delen, zijn wat niet kan

  doen wat ondenkbaar is,

  dood en verrijzenis.

---

*569

#4

1

  Zo spreekt de Heer die ons geschapen heeft:

  Wat durft dat volk mij nog te vragen.

  Dat volk dat vast, maar toch in tweedracht leeft

  Wat durft dat volk mij nog te vragen.

  Die in zak en as gezeten

  twistend mijn gebod vergeten,

  denkt gij, dat ik om dat vasten geef?

  Mijn volk, wat durft gij mij te vragen.

2

  Zo spreekt de God die alles weet en ziet:

  Ik durf uw vasten niet vertrouwen.

  Als gij de zwervers niet uw woning biedt

  durf Ik uw vasten niet vertrouwen.

  Schenk uw brood aan de geboeiden

  schenk uw troost aan de vermoeiden.

  Anders hoor Ik naar uw smeken niet,

  en durf uw vasten niet vertrouwen.

3

  En Jezus sprak: Bemint uw vijand ook;

  Heer God, wij staan voor U verlegen.

  Vergeeft het kwaad, zo doet mijn Vader

  Heer God, wij staan voor U verlegen.

  Want Gij zijt ook zelf geschonden

  door een menigte van zonden,

  en mijn Vader, Hij vergeeft u ook.

  Heer God, wij staan voor U verlegen.

4

  En Jezus zegt: mensen, verdraagt elkaar,

  en Jezus' woord zal ons bevrijden.

  Vergeet u zelf en dient elkander maar

  - en Jezus' woord zal ons bevrijden.

  Aan elkander prijsgegeven

  vindt gij honderdvoudig leven.

  Jezus zegt: mensen, bemint elkaar.

  En Jezus' woord zal ons bevrijden.

---

*570

#3

1

  Zo vriendelijk en veilig als het licht

  zoals een mantel om mij heen geslagen

  zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht

  ik roep zijn naam, bestorm hem met mijn vragen,

  dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.

  Wil mij behoeden en op handen dragen.

2

  Want waar ben ik, als Gij niet wijd en zijd

  waakt over mij en over al mijn gangen

  Wie zou ik worden, waart Gij niet bereid om,

  als ik val, mij telkens op te vangen.

  Ik leef niet echt, als Gij niet met mij zijt.

  Ik moet in lief en leed naar U verlangen.

3

  Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft,

  dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.

  Ontsteek die vreugde die geen einde heeft,

  wil alle liefde aan uw Mens besteden.

  Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft.

  Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.

---

*571

#3

1

  Zijn alsof niet, hart blind geboren.

  oor dat geen woord verstaat.

  hand die niet doet. mond dichtgevroren.

  ik dat niet opengaat.

  de dood gezocht. de nacht verwensen

  waarin wij zijn ontwaakt.

  zijn alsof nooit. alsof niet mensen

  voor mensen zijn gemaakt.

2

  Zijn alsof toch, op hoop van zegen:

  een hand die handen groet.

  Alsof een mens mag overleven,

  wel sterft maar niet voorgoed.

  Ooit even waar te zijn, ontkomen

  aan klacht en troost en schijn:

  ontwaken, licht geraakt genomen,

  gekend zoals wij zijn.

3

  Zijn - en dat niets mij ooit kan scheiden

  van God die in mij leeft.

  Onschendbaar zijn, onnoembaar lijden,

  en niets dat reden geeft

  en niemand die mijn hoop rechtvaardigt,

  en niemand weet van mij

  dan Gij alleen die in mij ademt.

  Mijn levensdag ben Jij.

---

*572

#5

1

  Zij zullen de wereld bewonen,

  zij namen het wonder ter hand,

  de mensen van nacht en nevel

  brengt Hij naar het heilige land.

2

  Er zal geen verzengende hitte,

  geen dorst en geen honger meer zijn

  want Hij zal ze weiden aan water

  dat vloeit uit het hart der woestijn.

3

  En Hij maakt de hoogte begaanbaar

  en Hij baant een weg door de zee,

  van alle vier einden der aarde

  brengt Hij zich een volk bijeen.

4

  De hemel roept uit Halleluja,

  de aarde brengt leven tot stand,

  de bergen bezwijken van vreugde,

  de wereld wordt vaderland.

5

  Ten dage der grote genade

  als God de gebeden beloont,

  dan zullen de volkeren weten

  dat Hij bij de mensen woont.

---

*573

#3

1

  Zij die stom zijn, ver heen, koud, steen in steen,

  zij die in doodswoestijn onvindbaar zijn:

  Wie weet hun naam, wat heeft men hen gedaan

  die genoemd wordt Gij, onvoorstelbaar Gij,

  die 't verloren kind schreiend zoekt en vindt,

  die het leven zelf uit de dood opdelft.

2

  Hoe in duisternis dit bestaan ook is,

  hoe zwart mijn verdriet, wanhoop wordt het niet,

  omdat Gij God zijt die mijn leven leidt,

  Gij volstaat voor mij, zijt mijn zekerheid.

  Van uw aangezicht straalt mijn ogenlicht

  Komen zal de dag dat ik rusten mag.

3

  Die rampzalig zijn, zullen zalig zijn.

  Die verworpen zijn, zullen in U zijn.

  Die zich keerden van U, zij vinden U.

  Onbeminden, om niet bemind door U.

  Lachen wordt gehoord als uw laatste woord

  dit verscheurd heelal prachtig maken zal.