---

Drie bundels van Hans Bouma

Liefde - liederen genummerd 101 - 140

Zingende - liederen genummerd 201 - 259

Zolang - liederen genummerd 301 - 327

---

*101

#5

1

  Hoe groot is God, de Heer,

  Hij sticht zijn macht en eer,

  uit de mond van kinderen.

  Hij troont op ons lied,

  triomfeert en geniet.

  Hoe groot is God de Heer,

  Hij sticht zijn macht en eer,

  uit de mond van kinderen.

2

  Ons lied klinkt naar God op,

  zijn vreugde stijgt ten top,

  Hij komt stralend tot zijn recht

  Hij hoopt op het kind

  dat Hem zingend bemint

  Ons lied klinkt naar God op,

  zijn vreugde stijgt ten top,

  Hij komt stralend tot zijn recht.

3

  Waar niet gezongen wordt

  komt onze God te kort,

  daar heeft Hij geen leven meer.

  O zwijg Hem niet dood,

  noem zijn naam, maak Hem groot.

  Waar niet gezongen wordt

  komt onze God te kort,

  daar heeft Hij geen leven meer.

4

  Kom bij ons in de kring,

  wie groot is wordt een kind,

  hoe meer zielen hoe meer vreugd.

  Zo oud als we zijn,

  voor de Heer zijn we klein.

  Kom bij ons in de kring,

  wie groot is wordt een kind,

  hoe meer zielen hoe meer vreugd.

5

  Wij loven God de Heer,

  Hij sticht zijn macht en eer

  uit de mond van kinderen.

  Hij troont op ons lied,

  triomfeert en geniet.

  Wij loven God de Heer,

  Hij sticht zijn macht en eer

  uit de mond van kinderen.

---

*102

#5

1

  Dat er nog dieren zijn,

  nog herten en nog tijgers,

  nog robben en nog reigers,

  het moet een wonder zijn.

 

  Refrein:

  Looft God die alles schiep,

  Hij houdt zijn werk in stand,

  Hij heeft zijn aarde lief,

  wij leven in zijn hand.

2

  Dat er nog bergen zijn,

  nog zee‰n en nog stranden,

  nog bomen en nog planten,

  het moet een wonder zijn.

  Refrein

3

  Dat er nog lentes zijn,

  nog zomers en nog winters,

  nog regens en nog winden,

  het moet een wonder zijn.

  Refrein

4

  Dat er nog mensen zijn,

  nog vaders en nog moeders,

  nog zusters en nog broeders,

  het moet een wonder zijn.

  Refrein

5

  Dat er nog mensen zijn,

  nog dromen en nog woorden,

  nog liefde en geboorte,

  het moet een wonder zijn.

  Refrein.

---

*103

#5

1

  Er is een verhaal

  en het gaat over jou,

  er is een verhaal,

  het verhaal van Gods trouw,

  het verhaal van Gods trouw.

2

  Je speelt er in mee,

  je verliest en je wint,

  je speelt er in mee,

  en je blijft maar Gods kind,

  en je blijft maar Gods kind.

3

  Want jij bent de mens,

  met wie God eens begon,

  want jij bent de mens,

  aan wie God zich verbond,

  aan wie God zich verbond.

4

  En weet hoe je heet,

  wie je was wie je bent,

  en weet hoe je heet,

  je bent Adam, de mens,

  je bent Adam, de mens.

5

  O lees het verhaal,

  want het gaat over jou,

  o lees het verhaal,

  het verhaal van Gods trouw,

  het verhaal van Gods trouw.

---

*104

#2

1

  Abraham moest gaan,

  iemand riep zijn naam,

  machtig klonk de Stem,

  hij gehoorzaamde Hem,

  hij had het verstaan:

  Abraham ga nieuwe wegen,

  Abraham wees tot een zegen,

  veel moet je verliezen,

  je zult moeten kiezen,

  Ik ben je God.

2

  Leve Abraham,

  hij doorbrak de ban

  van het oude lot,

  hij geloofde in God,

  hij verliet zijn stam.

  God alleen wil hij vertrouwen,

  niet op vreemde goden bouwen,

  vrij van alle machten

  die maar onheil brachten

  gaat hij zijn weg.

---

*105

#4

1

  Vandaag valt er iets te vieren,

  voor mens en dier en land,

  God is ons goedertieren,

  Hij houdt ons in zijn hand.

 

  Refrein:

  Wij zingen en wij spelen,

  wij loven onze God,

  Hij laat ons volop leven,

  Hij geeft ons zijn gebod.

2

  Wij vieren de bevrijding,

  God redt uit slavemij,

  wij horen weer de tijding:

  Het onheil is voorbij.

  refrein

3

  De schepping komt op adem,

  de dieren hebben vrij,

  de koeien en de paarden,

  zij delen in het heil.

  refrein

4

  God is ons goedertieren,

  het leven wordt weer goed,

  wij mogen vrolijk vieren

  hoe Hij het heeft bedoeld.

  refrein

---

*106

#2

1

  Zing God een lied,

  Hij gaf je de adem,

  God die je schiep,

  verheerlijk zijn daden.

  Zing God een lied,

  Hij is je genadig,

  Hij heeft je lief,

  Hij noemt zich je Vader.

2

  Prijs God de Heer,

  Hij laat zich verhogen,

  Hij stelt zijn eer

  in zingen en loven.

  Prijs God de Heer,

  Hij heeft je zo nodig

  elke dag weer,

  o stem Hem dan vrolijk.

---

*107

#3

1

  Opdat wij zouden weten

  wat Gods bedoeling is,

  wat vrijheid is en vrede,

  dat er verzoening is,

  werd Isra‰l verkozen

  om volk van God te zijn,

  te hopen, te geloven,

  te leven uit het heil.

2

  Dit volk is ons tot zegen,

  God krijgt er voet aan grond,

  het wijst ons nieuwe wegen,

  het toont ons het verbond.

  Wat wij nooit zouden weten,

  wat niet moet en wat wel,

  de wet en de profeten,

  het komt van Isra‰l.

3

  De Joden zijn verkoren

  tot onze zaligheid,

  uit Joden werd geboren

  de Heer die ons bevrijdt.

  Hoe is Hij ons tot zegen,

  Hij heeft Gods wil gedaan,

  de wet en de profeten,

  wij leven in zijn naam.

---

*108

#3

1

  Vertrouw ze niet, de goden,

  de machten om je heen,

  wat zij je ook beloven,

  geluk brengt er geen ‚‚n.

  Ze deugen niet, de gode,

  bezorgen je verdriet,

  ze maken je wanhopig,

  gunnen je 't leven niet.

2

  Ze haten wat je lief is,

  ze azen op je brood,

  steeds meer moet je verliezen,

  ze worden nog je dood.

  Vertrouw ze niet, de goden,

  je komt in slavemij,

  wat zij je ook beloven,

  je raakt je viijheid kwijt.

3

  Hoe machtig zijn de goden:

  Bezit en Geld en Eer,

  maar ‚‚n gaat hen te boven

  en dat is God de Heer.

  Hij is een God die zegent,

  Hij is je bondgenoot,

  Hij wijst je nieuwe wegen,

  Hij is je dagelijks brood.

---

*109

#2

1

  Leef met elkaar, sprak de Heer, en ga niet stelen,

  leef met elkaar als een wereldwijd gezin,

  eerlijk moeten jullie alles verdelen,

  kijk om je heen en maak maar een begin.

  Wees barmhartig, lenig nood,

  vecht voor elkaar, geef de ander brood.

2

  Wees niet tevreden zolang nog een verkommert,

  wees niet tevreden zolang nog iemand lijdt,

  gezegend wie naar gerechtigheid hongert,

  gelukkig hij wie zijn naaste bevrijdt.

  Leef niet voor jezelf alleen,

  samen met anderen ben je een.

---

*110

#4

1

  Waarom leven wij met woest geweld,

  trouwe bomen liggen neergeveld,

  hoge bergen zuchten, trotse tijgers vluchten,

  diepe zee‰n sidderen ontsteld.

2

  Waarom doen wij onze God verdriet,

  vissen stikken, vogels zingen niet,

  al het lieve leven, waar is het gebleven,

  heel de aarde is bedreigd gebied.

3

  Heeft God tevergeefs op ons gebouwd,

  Hij heeft ons zijn schepping toevertrouwd

  om haar te behoeden, heil voor haar te zoeken,

  wie zet zich nog in voor haar behoud?

4

  Nog legt God zijn schepping voor ons neer,

  alles stelt Hij onder ons beheer,

  bloemen, planten, dieren, beken en rivieren.

  Heer, ontferm U, nu en telkens weer!

---

*111

#6

1

  Refrein:

  Looft de Heer, Halleluja,

  Looft God de Schepper,

  de aarde komt uit zijn hand,

  looft de Heer, halleluja,

  Looft God de Schepper, de aarde houdt Hij in stand.

 

  God nam het woord, Hij sprak: er zij licht,

  en Hij zag dat alles goed was.

  God nam het woord, Hij sprak: er zij licht,

  en Hij zag dat alles goed was.

  Refrein

2

  God nam het woord, de hemel schiep Hij,

  en Hij zag dat alles goed was,

  God nam het woord, de hemel schiep Hij,

  en Hij zag dat alles goed was.

  Refrein

3

  God schiep de zee, de aarde, het groen,

  en Hij zag dat alles goed was,

  God schiep de zee, de aarde, het groen,

  en Hij zag dat alles goed was,

  Refrein

4

  God schiep de zon, de sterren, de maan,

  en Hij zag dat alles goed was,

  God schiep de zon, de sterren, de maan,

  en Hij zag dai alles goed was.

  Refrein

5

  God schiep het dier, de vogel, de vis,

  en Hij zag dat alles goed was,

  God schiep het dier, de vogel, de vis,

  en Hij zag dat alles goed was.

  Refrein

6

  God schiep het dier, Hij schiep ook de mens.

  en Hij zag dat alles goed was,

  God schiep het dier, Hij schiep ook de mens.

  en Hij zag dat alles goed was.

  Refrein

---

*112

#3

1

  De kring is veel te klein,

  Ik zie alleen maar mensen,

  Ik kan mezelf niet zijn,

  Ik heb nog veel te wensen.

  Het dier hoort ook er bij,

  de leeuwen en de apen,

  denk niet te klein van Mij,

  ook hen heb Ik geschapen.

2

  Ja God schiep ook het dier,

  de panter en de tijger,

  het is geen leven hier,

  de kring moet toch veel wijder.

  Kom bij ons, hond, konijn,

  kom bij ons, vogels, vissen,

  jij vos, jij wolf, dolfijn,

  wij kunnen je niet missen.

3

  Daar komen koe en paard,

  de snelle antilope,

  de beer, de ooievaar,

  de kring wordt telkens groter.

  Het is als in't begin,

  God is ons goedertieren,

  wij vormen een gezin,

  dat gaan we samen vieren.

---

*113

#5

1

  Met God heeft hij gestreden,

  gestreden op leven en dood,

  hij hunkerde naar vrede,

  de hand van de Heer op zijn hoofd.

2

  Hij is door God gezegend,

  gezegend maar niet zonder pijn,

  hij is voorgoed getekend,

  zijn heup is ontwricht in de strijd.

3

  Zijn naam mag hij vergeten,

  vergeten zijn oude bestaan,

  geen Jakob zal hij heten

  maar Isra‰l is nu zijn naam.

4

  Hij zocht, hij vond het leven,

  het leven dat nimmer vergaat,

  hij koos voor nieuwe wegen,

  hij deed wat zijn God had gedaan.

5

  Hij heeft zijn broer gezegend,

  gezegend, bij name genoemd,

  zelf levend uit vergeving

  heeft hij zich met Esau verzoend.

---

*114

#3

1

  Wanneer zal komen waarvan wij dromen,

  vrede en geluk voor iedereen?

  Zingen en spelen, feestelijk leven,

  al wat adem heeft weer verzoend bijeen.

2

  Oorlog en honger, ziekte en kommer,

  is er dan geen God die ons bevrijdt?

  Overal tranen, zuchten en klagen,

  heel de schepping roept om gerechtigheid.

3

  Wat ons ook teistert, wat ons verbijstert,

  deze wereld is niet uitzichtloos.

  Wij blijven hopen, alles bloeit open,

  God is trouw, Hij doet wat Hij heeft beloofd.

---

*115

#4

1

  Wie leeft nu voor zichzelf,

  vecht enkel voor zijn eigen brood,

  wie leeft nu voor zichzelf,

  zo'n leven wordt nog eens je dood.

2

  Wie leeft nu voor zichzelf,

  is nooit tot hulp en dienst bereid,

  wie leeft nu voor zichzelf,

  je sterft nog van de eenzaamheid.

3

  Leef liever voor elkaar,

  vergeet jezelf en geef je weg,

  Leef liever voor elkaar,

  zo houd je stand, zo leef je echt.

4

  Leef liever voor elkaar,

  zo heeft de Heer het toch bedoeld,

  leef liever voor elkaar,

  zo ben je mens, je leeft voorgoed.

---

*116

#2

1

  Het is weer dag,

  de morgen begint,

  het is weer dag,

  het licht overwint.

  God gunt ons het leven,

  Hij noemt onze naam,

  God gunt ons het leven,

  wij mogen bestaan.

2

  Wij loven God,

  de Heer die ons riep,

  wij loven God,

  de God die ons schiep.

  Hij geeft ons de ruimte,

  o zing Hem een lied,

  Hij geeft ons de ruimte,

  o leef en geniet.

---

*117

#4

1

  Wie kent mij, spreekt mij aan,

  wie weet er mij te vinden,

  wie is met mij begaan,

  wil mij voorgoed beminnen?

2

  O God Gij noemt mijn naam,

  hoe brengt Gij mij ter sprake,

  ik mag voor U bestaan,

  Gij draagt mij op uw adem.

3

  Wat niemand doet doet Gij,

  Gij wilt U aan mij binden,

  Gij geeft uw hart aan mij,

  Gij noemt mij uw beminde.

4

  Gij zijt mij goedgezind,

  ik weet hoe ik mag heten,

  ik ben uw eigen kind,

  Gij wilt mijn Vader wezen.

---

*118

#3

1

  Refrein:

  Halleluja, halleluja,

  hoe barmhartig is de Heer,

  Halleluja, halleluja,

  God zij alle eer!

 

  Wij loven Gods ontferming,

  zijn liefde voor dit kind,

  Hij biedt het bescherming,

  zet zich ervoor in.

  Refrein

2

  Wij loven Gods genade,

  Hij brengt dit kind aan 't licht,

  Hij noemt zich zijn Vader,

  toont zijn aangezicht.

  Refrein

3

  Wij loven Gods vergeving,

  Hij geeft dit kind zijn Zoon,

  schenkt het eeuwig leven,

  is zijn bondgenoot.

  Refrein

---

*119

#3

1

  Wees goed voor deze aarde,

  het dier, de boom, de plant,

  want alles heeft zijn waarde,

  is schepping van Gods hand.

  Wees goed voor al het leven,

  het heeft een eigen recht,

  de Heer gaf het zijn zegen,

  Hij is er aan gehecht.

2

  Wees goed voor deze aarde,

  zij is Gods eigendom,

  God houdt zo van de paarden,

  de meren  en de zon.

  Wees goed voor af het leven,

  Gods hart klopt er in mee,

  Hij heeft zijn Geest gegeven

  aan berg en dal en zee.

3

  Wees goed voor deze aarde,

  vertrap en plunder niet,

  bewerk haar en bewaar haar

  zoals de Heer gebiedt.

  Wees goed voor al het leven,

  bezorg de Heer geen smart,

  wie doodt, hij werkt God tegen,

  hij trapt Hem op het hart.

---

*120

#3

1

  Zolang er honger is en dorst, zolang de oorlog woedt,

  zolang er pijn geleden wordt, zolang men onrecht doet

 

  Refrein:

  zijn wij onderweg, leven wij onrustig,

  hunkerend naar recht, zijn wij pas gelukkig

  wanneer al wat leeft eindelijk vrede heeft.

2

  Zolang nog iemand eenzaam is, zolang nog iemand zucht.

  zolang nog iemand liefde mist, zolang nog iemand vlucht,

  Refrein:

3

  Zolang de aarde wordt besmeurd, zolang een boom nog kwijnt,

  zolang een vuile zee nog treurt, zolang het dier verdwijnt,

  Refrein:

---

*121

#6

1

  Zacharias zwijgt,

  hij is met stomheid geslagen,

  Zacharias zwijgt,

  een hart vol twijfel en vragen.

2

  Zacharias zwijgt,

  hoe zou hij kunnen geloven,

  Zacharias zwijgt,

  hij had toch niets meer te hopen.

3

  Zacharias droomt,

  hij hoort de stem der profeten,

  Zacharias droomt,

  Johannes zou hij dus heten.

4

  Zacharias hoopt,

  God zal genade bewijzen,

  Zacharias hoopt,

  Hij komt, de grote Bevrijder.

5

  Zacharias zingt,

  zijn tong verbreekt alle banden,

  Zacharias zingt,

  hij houdt een zoon in zijn handen.

6

  Zacharias zingt,

  het Licht der wereld zal komen,

  Zacharias zingt,

  zijn zoon wordt eenmaal zijn bode.

---

*122

#4

1

  De hemel raakt de aarde aan,

  Gods liefde overwint,

  de grote toekomst breekt zich baan,

  een nieuwe tijd begint.

2

  Wat God beloofde is vervuld,

  Hij is ons trouw geweest,

  een oud geheim is ons onthuld,

  het Woord van God werd vlees.

3

  God zendt zijn Zoon op onze weg,

  God is met ons begaan,

  zijn Zoon brengt ons bij Hem terecht,

  hoe deelt Hij ons bestaan.

4

  O Jezus, mens van vlees en bloed,

  wij knielen voor U neer,

  Gij zijt de herder die ons hoedt,

  Gij brengt de vrede weer.

---

*123

#4

1

  Niet de vorsten niet de heersers,

  niet wie uitverkoren lijkt,

  maar de herders zijn de eersten

  die het grote nieuws bereikt.

 

  Refrein:

  Jezus zoekt de arme,

  al wie nederig op hem hoopt.

  Hij zal zich erbarmen,

  wie zich klein maakt wordt verhoogd.

2

  Zo verlaten en verloren

  zo gewantrouwd als ze zijn,

  mogen zij van vrede horen,

  licht dat in het duister schijnt.

  refrein

3

  Zij die zo het heil verbeidden,

  hoopten op gerechtigheid,

  mogen zich het eerst verblijden

  over Jzus die bevrijdt.

  refrein

4

  Vrede is er voor de herders,

  Jzus kiest partij voor hen,

  hoor, Hij noemt zichzelf een herder,

  Hij die hen bij name kent.

  refrein

---

*124

#4

1

  Hoor iemand roept in de woestijn:

  mensen, nu zal het Koninkrijk komen,

  hoor iemand roept in de woestijn:

  gij moet u bekeren, 't is de hoogste tijd.

  Wie is hij toch -

  is het een profeet, zou het Elia zijn?

2

  Kijk iemand doopt bij de Jordaan,

  drommen mensen aanvaarden zijn boodschap,

  kijk iemand doopt bij de Jordaan,

  drommen mensen kiezen voor een nieuw bestaan.

  Wie is hij toch -

  is het de Messias, hoe is toch zijn naam?

3

  Hoor iemand roept in de woestijn,

  men noemt hem wel Johannes de Doper,

  hoor iemand roept in de woestijn,

  wegbereider van de Heiland mag hij zijn.

  Hij roept: Jezus,

  Hij is onze Heer, de vorst die ons bevrijdt.

4

  Kijk iemand doopt bij de Jordaan,

  hij wijst mensen op Jezus Messias,

  kijk iemand doopt bij de Jordaan,

  hij is zijn heraut, hij maakt voor Hem ruim baan.

  Hij roept: Jezus,

  Hij is onze Heer, het Koninkrijk breekt aan.

---

*125

#4

1

  Jezus wij willen U toebehoren,

  Gij zijt ons licht, ons dagelijks brood,

  Gij hebt ons lief, Gij hebt ons verkoren,

  zegenend ligt uw hand op ons hoofd.

2

  Waar wij ook zijn, Gij weet ons te vinden,

  nooit wordt het donker, nooit wordt het koud,

  overal blijven wij uw beminden,

  ook als wij vluchten - Gij zijt ons trouw.

3

  Zoals een herder zorgt voor zijn schapen

  zorgt Gij o Heer voor wie op U hoopt,

  Gij hoedt, Gij voedt ons, kent ons bij name,

  niets kan ons scheiden, zelfs niet de dood.

4

  Jezus wij willen U toebehoren,

  Gij zijt ons licht, ons dagelijks brood,

  Gij hebt ons lief, Gij hebt ons verkoren,

  zegenend ligt uw hand op ons hoofd.

---

*126

#3

1

  Hoe kan Johannes in Jezus geloven,

  hij zit gevangen en niemand bevrijdt,

  is Hij de Heiland of moet Hij nog komen,

  Jezus geef antwoord, zeg mij wie Gij zijt.

  is Hij de Heiland of moet Hij nog komen,

  Jezus geef antwoord, zeg mij wie Gij zijt.

2

  Hoor toch Johannes, de lammen gaan lopen,

  blinden zien weer en melaatsen zijn rein,

  doven genezen, zelfs graven gaan open,

  armen verheugen zich over het heil,

  doven genezen, zelfs graven gaan open,

  armen verheugen zich over het heil.

3

  Hoor toch Johannes, de Heer van je dromen,

  Hij gaat zijn gang, Hij verlost en doet recht,

  Hij is de Redder op wie je zo hoopte,

  Hij sticht het Rijk dat je zelf hebt voorzegd,

  Hijis de Redder op wie je zo hoopte,

  Hij sticht het Rijk dat je zelf hebt voorzegd.

---

*127

#5

1

  De vossen hebben holen,

  de vogel vindt een nest,

  hij loopt maar rond te dolen,

  verlaten, weggepest.

2

  De bloemen schieten wortel,

  geen boom is zonder grond,

  wat moet er van hem worden,

  die nooit een woonplaats vond?

3

  De mensen hebben huizen,

  zij vormen een gezin,

  hij heeft niets om te schuilen,

  geen mens haalt hem er in.

4

  Wie is hij, deze zwerver,

  het is de mensenzoon,

  hij noemt zich de herder,

  hij deelt zich uit als brood.

5

  Hij doet wat wij niet deden,

  hij doet gerechtigheid,

  hij gaat de weg der vrede,

  de zoon van God is hij.

---

*128

#4

1

  Hij zoekt geen macht, geen roem, geen eer,

  Hij staat niet op zijn recht,

  een vreemdeling is onze Heer,

  hoe eenzaam is zijn weg.

 

  Refrein:

  Zo sticht Hij zijn Koninkrijk,

  het Rijk van grote vrede,

  zo brengt Hij gerechtigheid,

  Hij wil de minste zijn.

2

  Hij bidt voor wie Hem plaagt en grieft,

  vergeldt geen kwaad met kwaad,

  zijn ergste vijand heeft Hij lief,

  Hij zegent wie Hem haat.

  Refrein:

3

  Dat kan niet goed gaan, Hij moet dood,

  Hij wordt niet meer geduld,

  Hij komt aan 't kruis, Hij buigt zijn hoofd,

  Hij heeft de wet vervuld.

  Refrein:

4

  Zijn weg loopt dood, zijn weg loopt door,

  zijn liefde triomfeert,

  Hij leeft ons Gods bedoeling voor,

  wij volgen onze Heer.

  Refrein:

---

*129

#3

1

  Wij hebben het bericht gehoord:

  Jezus heeft overwonnen!

  De vaste orde is verstoord,

  Hij heeft het laatste woord.

 

  Refrein:

  Hij leeft, Hij leeft,

  de Heer is opgestaan,

  Hij leeft, Hij leeft,

  een nieuwe tijd vangt aan.

2

  De Heer verhief zich uit den dood,

  Hij brak de macht der zonde,

  Hij redt ons uit de diepste nood,

  zalig wie op Hem hoopt.

  Refrein

3

  De Heer vervult ons met zijn kracht,

  roept ons om Hem te volgen,

  wij delen in zijn hoge macht,

  alles heeft Hij vol bracht.

  Refrein

---

*130

#7

1

  Wie loopt daar rond te dolen,

  verdrietig en verward,

  wie loopt daar rond te dolen,

  zij weent, vergaat van smart.

2

  Maria Magdalena,

  zij heeft geen leven meer,

  Maria Magdalena,

  verdwenen is haar Heer.

3

  Zij zocht de dode Jezus,

  zij vond een open graf,

  zij zocht de dode Jezus,

  geschokt wendt zij zich af.

4

  Zij ziet een man aankomen,

  het is de hovenier,

  zij ziet een man aankomen,

  zij vraagt: is Jezus hier ?

5

  Hoe zou zij hem herkennen;

  verblind kijkt zij hem aan,

  hoe zou zij hem herkennen,

  maar hij - hij noemt haar naam.

6

  Nu gaan haar ogen open,

  het moet haar Jezus zijn,

  nu gaan haar ogen open,

  'Rabboeni' antwoordt zij.

7

  Zij heeft de Heer gevonden,

  Hij leeft, Hij leeft voorgoed,

  zij heeft de Heer gevonden,

  de Heer die leven doet.

---

*131

#7

1

  Gebroken gaan ze weer naar huis,

  hoe is hun hoop vervlogen,

  men sloeg hun meester aan het kruis,

  niets kan de mannen troosten.

2

  Terwijl ze spreken met elkaar

  komt iemand naast hen lopen,

  ze zien hem niet, ze praten maar,

  hun wereld is gesloten.

3

  Wat is er toch gebeurd, vraagt hij,

  de mannen zwijgen somber,

  u moet hier wel een vreemde zijn,

  zegt een van hen verwonderd.

4

  En zij vertellen van de dood

  die Jezus is gestorven,

  hoe hadden zij in Hem geloofd,

  zou Hij geen koning worden ?

5

  O luister, spreekt hun reisgenoot,

  heeft u dan nooit gelezen

  dat de Messias door de dood

  de weg vindt naar het leven?

6

  En hij legt alles aan hen uit,

  de wet en de profeten,

  al pratend zijn ze bijna thuis,

  wil hij niet blijven eten:

7

  Aan tafel deelt de gast het brood

  en hij wordt zienderogen

  de lang beloofde mensenzoon,

  de mannen - zij geloven.

---

*132

#6

1

  Talenten van de Heer,

  Hij gaat naar 't buitenland,

  talenten van de Heer,

  zijn schat in onze hand.

2

  De Heer laat ons alleen,

  Hij hunkert naar geloof,

  de Heer laat ons alleen,

  Hij stelt op ons zijn hoop.

3

  Wie doet wat Hij zou doen,

  wie rekent er met Hem,

  wie doet wat Hij zou doen,

  wie hoort nog steeds zijn stem?

4

  Hij deed de wil van God,

  Hij deed gerechtigheid,

  Hij deed de wil van God,

  Hij wilde dienstbaar zijn.

5

  Wie leeft er in zijn Geest,

  betrouwbaar en bekwaam,

  wie leeft er in zijn Geest,

  op wie kan Jezus aan?

6

  Talenten van de Heer,

  Hij wacht in 't buitenland,

  talenten van de Heer,

  geluk in onze hand.

---

*133

#2

1

  Hoe klinkt nu Gods stem

  door Jeruzalem,

  voor allen te verstaan!

  In iedere taal

  hoort men het verhaal

  van wat God heeft gedaan.

  Heel de wereld mag het weten:

  God is trouw, Hij redt uit nood,

  Hij heeft ons zijn ZOon gegeven,

  opgetsane uit de dood.

2

  Hoe werkt nu Gods Geest,

  voor ieder is 't feest,

  het Koninkrijk begint!

  De Part en de Griek,

  zij zingen een lied,

  men vormt een groot gezin.

  Heel de wereld mag het vieren:

  Jezus leeft, Hij is de Heer,

  Elamieten, Arabieren,

  allen knielen voor Hem neer.

---

*134

#4

1

  Een nieuwe week is weer begonnen,

  men komt weer samen in Jeruzalem,

  men viert: de Heer heeft overwonnen,

  er klinkt een lied, men looft en huldigt Hem.

2

  Het is een dag van grote vreugde,

  voor jong en oud, voor rijk en arm is 't feest,

  eendrachtig mag men zich verheugen

  in Hem die machtig uit de dood verrees.

3

  Als kinderen zit men aan tafel,

  men is een broeder, zuster van de Heer,

  men luistert weer naar zijn verhalen,

  men laat zich onderwijzen in zijn leer.

4

  Hij leeft, hoe is Hij in hun midden,

  Hij deelt zich aan hen mee als brood en wijn,

  hoe zegenrijk laat Hij zich vinden

  voor wie in hoop en liefde samen zijn.

---

*135

#6

1

  Door Jezus overmand,

  de opgestane Heer,

  trok Paulus door het land,

  voortdurend in de weer.

2

  Hij is een lopend vuur,

  de vlammen slaan hem uit,

  hij kent geen rust geen duur,

  hij preekt maar, hij getuigt.

3

  Hij spreekt het hoge woord:

  de Heer is opgestaan,

  de orde is verstoord,

  het rijk van God breekt aan.

4

  Hij brengt tot ommekeer,

  hij sticht geloof en hoop,

  een lichaam rond de Heer,

  het opgeheven hoofd.

5

  Soms komt hij in gevaar,

  men brengt hem in het nauw,

  noemt hem een leugenaar,

  maar hij blijft Jezus trouw.

6

  Voortvarend ging hij door,

  hij stierf maar niet zijn vlam,

  wij zien een lichtend spoor:

  de plaatsen waar hij kwam.

---

*136

#2

1

  Jezus komt,

  de Heer die alles nieuw maakt,

  Jezus komt,

  de grote morgen daagt!

  Hij verdrijft de nacht,

  Hij heeft alle macht,

  Hij sticht vrede, Hij doet recht,

  Jezus komt,

  Hij heeft het ons gezegd.

2

  Jezus wacht,

  wie zingt Hem toe: wees welkom,

  Jezus wacht,

  wie groet de bruidegom?

  Hij verlangt een lied,

  Hij komt zomaar niet,

  Hij wil dat men om Hem roept.

  Jezus wacht,

  wie loopt Hem tegemoet?

---

*137

#3

1

  Ergens moet het hoge Woord toch krachtig kunnen klinken,

  ergens moet je ongestoord toch samen kunnen zingen.

 

  Refrein:

  Leve de kerk, een huis om te hopen,

  leve de kerk, de toekomst gaat open,

  leve de kerk, het huis waar wij wonen.

2

  Ergens moet je brood en wijn in liefde kunnen delen,

  ergens moet je in het klein de toekomst kunnen spelen.

  Refrein

3

  Ergens moet het visioen van vrede kunnen aarden,

  ergens moet je kunnen doen wat God ons openbaarde.

  Refrein

---

*138

#4

1

  God wil geen honger en geen dorst,

  Hij wil geen oorlog, ziekte, pijn,

  God weet dat het weer vrede wordt,

  Hij wil dat wij gelukkig zijn.

2

  God heeft het goede met ons voor,

  Hij kan geen kwaad, geen onrecht zien,

  Hij haat wat ons geluk verstoort,

  wat ons verdriet doet Hem verdriet.

3

  God lijdt aan wat ons zo benauwt,

  niet zijn maar onze wil geschiedt,

  Hij had zijn hoop op ons gebouwd

  maar wij gehoorzaamden Hem niet.

4

  In God is licht, geen duisternis,

  Hij redt ons uit de diepste nacht,

  Hij vindt ons waar geen uitzicht is,

  wij komen stralend voor de dag.

---

*139

#3

1

  Eenmaal zal God hier op aarde weer wonen,

  hoe is Hij aan deze schepping gehecht,

  eens breekt de tijd aan waar wij nog van dromen,

  Ik kom terug, heeft de Heer ons gezegd.

2

  Eens zal de hemel op aarde weer komen,

  eens is er vrede voor alles wat leeft,

  wij zullen zien waar wij nu nog op hopen,

  wat nog gebroken is wordt weer geheeld.

3

  Eenmaal zal God in ons midden weer tronen,

  Hij is een God die de aarde bemint,

  eenmaal bloeit heel deze schepping weer open,

  het zal weer goed zijn als in het begin.

---

*140

#4

1

  Liefde is de meeste,

  liefde breekt niet stuk,

  liefde is de meeste,

  eindeloos geluk.

 

  Refrein:

  Gelukkig wie liefheeft,

  zijn weg is begaanbaar,

  gelukkig wie liefheeft,

  hij leeft onweerstaanbaar.

2

  Niemand kan er zonder,

  liefde weert bederf,

  niemand kan er zonder,

  wie niet liefheeft sterft.

  Refrein:

3

  Liefde maakt de mensen,

  liefde doet ons recht,

  liefde maakt de mensen,

  liefde maakt ons echt.

  Refrein:

4

  Liefde is genade,

  gave van Gods Geest,

  liefde is genade,

  vuur dat God ontsteekt.

  Refrein:

---

*205

#3

1

  Een lied voor God de Heer,

  Hij komt, Hij is het weer:

  de God van onze dagen,

  Hij wil ons Jeven dragen.

  Zingt Hem een nieuw gezang,

  verbazend is zijn gang,

  het wonder breekt weer aan,

  Hij noemt ons bij de naam,

  prijst Hem uw leven lang.

2

  God is met ons begaan,

  wij mogen nog bestaan,

  Hij brengt ons weer ter sprake,

  verrast ons met genade.

  Zingt dan het nieuwe lied

  voor wie uw hart vernieuwt,

  ons past verwondering,

  God geeft ons leven zin,

  Hij heeft zijn mensen lief.

3

  God spreekt in deze tijd,

  welk antwoord geven wij,

  de Geest brengt ons op adem,

  Hij leert ons nieuwe talen.

  Ontferm U, onze God,

  Gij troont op onze lof,

  de schepping sprakeloos

  loopt in ons lied te hoop,

  reikhalzend leeft zij op.

---

*206

#2

1

  Wij hopen op de stad van God,

  de hemel die op aarde komt,

  een ongebroken schepping.

  Verzoenend neemt God ons ter hand,

  Hij heeft zijn hart aan ons verpand,

  God is een God van mensen.

  Hij heeft ons voor geluk bestemd,

  Hij roept ons naar Jeruzalem,

  de stad van licht en vrede.

  Hij geeft de ruimte aan zijn volk,

  wij krijgen vaste voet aan grond,

  voorgoed zullen wij leven.

2

  Wij zoeken Gods aanwezigheid,

  woonplaats van zijn gerechtigheid,

  Jeruzalem van boven.

  Wie bidt ontvangt, wie zoekt die vindt,

  God maakt met ons een nieuw begin,

  de stad gaat voor ons open.

  Wie ap Gods grote toekomst hoopt

  leeft niet meer zinloos, loopt niet dood,

  geen macht houdt hem meer tegen.

  God zegent en bevestigt hem,

  zijn weg loopt naar Jeruzalem,

  hij is zijn leven zeker.

---

*207

#3

1

  God heeft ons de tijd gegeven,

  tijd om mens te zijn voor Hem,

  tijd om met elkaar te delen,

  tijd voor liefde, tijd voor spel,

  tijd, een huis voor iedereen,

  levensruimte om ons heen.

2

  Liefdeloos zijn onze wegen,

  wij misbruiken onze tijd,

  God is ons opnieuw genegen

  in zijn Zoon die ons bevrijdt,

  Jezus onze tijdgenoot,

  opgestane uit de dood.

3

  Wie Hem volgt heeft eeuwig leven,

  heeft de toekomst, heeft de tijd,

  Gods genade vult zijn heden,

  maakt hem voor de liefde vrij,

  hij verheugt zich elke dag

  dat hij voor God leven mag.

---

*208

#3

1

  Hoe hoog ook onze wegen gaan

  alleen de liefde blijft bestaan

  een weg voor wie wil leven.

  AI spreken wij ook ongehoord

  de liefde heeft het laatste woord

  niets houdt haar adem tegen.

  Hopen

  dromen

  hoger roepen

  verder zoeken

  veel te wensen -

  liefde, liefde maakt de mensen.

2

  Wat gunt God ons het allermeest

  Hij overstelpt ons met zijn Geest

  de kracht om te beminnen.

  Een mens heeft lief  hij leeft voorgoed

  de Geest is eeuwig die hem voedt

  de toekomst mag beginnen.

  Handen

  harten

  tasten wachten

  zijn te machtig

  zoete liefde

  sterft niet, liefde goedertieren.

3

  De liefde zoekt zichzelve niet

  zij bloeit alleen wanneer zij dient

  de ander wil zij vieren.

  Zij biedt zijn leven onderdak,

  hij vindt geloof, is nooit tot last

  herbergzaam is de liefde.

  Dood te

  boven

  duurzaam leven

  allerwegen

  God geprezen

  liefde wil Hij voor ons wezen.

---

*210

#3

1

  De mens leeft niet alleen op aarde,

  ook dieren zijn door God geschapen,

  de mus, de vis, de leeuw, het paard,

  God schiep hen allen naar hun aard.

  De dieren hebben recht op leven,

  God heeft hen met zijn geest gezegend,

  Hij houdt zijn oog op hen gericht,

  zij spelen voor zijn aangezicht.

2

  Wie zal hen liefdevol beschermen,

  zich aan hen geven als een herder,

  God gunt de mens de hoge eer

  om uit te blinken als hun heer.

  Hij zal het beeld zijn van zijn Schepper

  wanneer hij hart voor hen zal hebben,

  de mens is Gods gelijkenis

  als hem Gods schepping heilig is.

3

  O God wees ons toch goedertieren,

  wij zijn geen herders voor de dieren,

  zij zuchten onder ons geweld,

  verslagen ruimen zij het veld.

  Heilloos verlopen onze wegen,

  de aarde wordt weer woest en ledig,

  ontferm U over al wat leeft,

  herschep ons mensen naar uw beeld.

---

*211

#6

1

  Leven als de bomen,

  trouw en aardsgezind

  bij het water wonen

  leven van de wind.

2

  Hemelhoog geloven

  leven uit een stuk,

  ademnood te boven,

  onverdeeld geluk.

3

  Leven als de bomen

  God heeft hen geplant

  leven om te loven

  leven uit Gods hand.

4

  Op de lente hopen

  weten van de herfst

  dromen van de zomer,

  leven dat niet sterft.

5

  Toevlucht voor de vogels

  schaduw  onderdak

  huis van mededogen

  liefde wijdvertakt.

6

  Leven als de bomen

  zingen voor je God

  levenslang geloven

  vaste voet aan grond.

---

*212

#3

1

  Opdat wij zouden weten

  wat Gods bedoeling is

  wat vrijheid is en vrede

  dat er verzoening is

  werd Isra‰l verkozen

  om volk van God te zijn

  te hopen  te geloven

  te leven uit het heil.

2

  Dit volk is ons tot zegen

  God krijgt er voet aan grond

  het wijst ons nieuwe wegen

  het toont ons het verbond.

  Wat wij nooit zouden weten

  wat niet moet en wat wel

  de wet en de profeten

  het komt van Isra‰l.

3

  De Joden zijn verkoren

  tot onze zaligheid

  uit Joden werd geboren

  de Heer die ons bevrijdt.

  Hoe is Hij ons tot zegen

  Hij heeft Gods wil gedaan

  de wet en de profeten

  wij leven in zijn naam.

---

*213

#3

1

  Vertrouw ze niet de goden,

  de machten om je heen,

  wat zij je ook beloven,

  geluk brengt er geen ‚‚n.

  Ze deugen niet de goden,

  bezorgen je verdriet,

  ze maken je wanhopig,

  gunnen je't leven niet.

2

  Ze haten wat je lief is,

  ze azen op je brood,

  steeds meer moet je verliezen,

  ze worden nog je dood.

  Vertrouw ze niet de goden,

  je komt in slavernij,

  wat zij je ook beloven,

  je raakt je vrijheid kwijt.

3

  Hoe machtig zijn de goden:

  Bezit en Geld en Eer,

  maar een gaat hen te boven

  en dat is God de Heer.

  Hij is een God die zegent,

  Hij is je bondgenoot,

  Hij wijst je nieuwe wegen,

  Hij is je dagelijks brood.

---

*214

#6

1

  God heeft zijn naam gezegd -

  Ik zal er zijn voor jou -

  Hij gaat met je op weg,

  Hij blijft je eeuwig trouw.

2

  Geloof Hem op zijn woord,

  Hij spant zich voor je in,

  Hij ireki je in zijn spoor,

  bemint je als zijn kind.

3

  God heeft zijn naam gezegd,

  wij weten wie Hij is,

  je komt weer tot je recht,

  Hij maakt geschiedenis.

4

  Een bondgenoot is God

  voor wie geen leven heeft,

  Hij zal er zijn voor ons

  als deernis ons beweegt.

5

  De schepping is in nood,

  God brengt ons aan het licht,

  Hij stelt op ons zijn hoop,

  zalig wie vrede sticht.

6

  God heeft zijn naam gezegd,

  wij nemen Hem ter hand,

  wij gaan met God op weg,

  Hij staat aan onze kant.

---

*215

#4

1

  Wie nooit zijn weg wil buigen naar de ander,

  eenzelvig opgaat in zijn eigen wandel,

  hij sterft van kou, zijn wegen lopen dood,

  hij is in nood.

2

  Waar mensen offervaardig willen leven,

  afgaan op leed, hun eigen weg vergetend,

  daar kondigt zich de nieuwe schepping aan,

  geluk breekt baan.

3

  O Jezus, Gij wilt U in ons verplaatsen,

  uw weg buigt van de hemel naar de aarde,

  Gij komt ons tegen, hoe ons leven loopt,

  o reisgenoot.

4

  Wij volgen U, wij groeien naar de ander,

  maak ons barmhartig, maak ons hartverwarmend,

  leer allerwegen ons een naaste zijn,

  wees ons nabij.

---

*216

#2

1

  Groot is de God die ons bevrijdde,

  zijn hart gaat naar ons uit,

  laten wij Hem ons loflied wijden,

  Hij voelt zich bij ons thuis.

  Hij stelt zijn eer in onze vreugde,

  ons lied is Hem tot troon,

  laten wij onze God verheugen

  die in ons zingen woont.

2

  God gaf ons ruimte om te leven,

  Hij deelt zich aan ons mee,

  Hij heeft ons met zijn Zoon gezegend,

  vervult ons met zijn Geest.

  Wij offeren Hem onze adem,

  Hij deelt in ons bestaan,

  wij zullen Hem op handen dragen,

  verheerlijkend zijn naam.

---

*217

#4

1

  Bevrijd van dienstbaarheid aan vreemde goden

  zijn wij op weg naar het beloofde land,

  de grote toekomst heeft ons overmand,

  God doet ons op een nieuwe schepping hopen.

2

  Wij dromen van gerechtigheid en vrede,

  leven voorgoed, geluk voor iedereen,

  hemel en aarde weer verzoend bijeen,

  volop bewoonbaar zal de wereld wezen.

3

  Verheugd zoeken wij tekenen van leven,

  spelen wij in op wat God heeft beloofd,

  wij vinden Jezus, Hij is onze hoop,

  de eerste oogst van nieuwe mogelijkheden.

4

  Met Hem, de eerstgeborene der doden,

  geven wij stralend van Gods toekomst blijk,

  hoe onbewoonbaar deze wereld lijkt,

  hardnekkig blijven wij in God geloven.

---

*218

#3

1

  Groot is de God die vol verwachting

  mensen zijn aarde toevertrouwt

  groot is de God die oppermachtig

  zo op de kleine mensen bouwt.

  Groot is de mens

  die doet wat God wenst:

  wie voor zijn schepping zorgt

  leeft als een ware vorst.

2

  God stelt zijn eer in onze hoogheid

  alles legt Hij in onze hand

  zijn naam moet luisterrijk en groot zijn

  in wat de mens als koning kan.

  Wie zich ontfermt

  Gods werk beschermt

  wie goede herder is

  komt stralend aan het licht.

3

  Wat doet de mens in den beginne

  Adam geeft aan het dier een naam

  hij wil zich aan Gods wereld binden

  hij brengt de lieve vrede aan.

  Laten ook wij

  een herder zijn

  de wereld is in nood

  God stelt op ons zijn hoop.

---

*219

#4

1

  Geroepen uit het donker,

  de adem van de dood,

  het land van vuil en zonde

  dat ons geen toekomst bood,

  zijn wij een volk op weg,

  geraakt door Gods genade,

  genezen en ontraadseld,

  een hand bracht ons terecht.

2

  Wij hopen op een leven

  van ongestoord geluk,

  wij tasten naar een vrede

  die heel de schepping vult,

  wij zijn een volk op weg,

  er daagt een nieuwe aarde,

  wij maken ons reisvaardig,

  gelovend wat God zegt.

3

  Wij leven ongeduldig,

  wij zetten ons niet vast,

  waarmee zijn wij gelukkig,

  er is zoveel tot last,

  wij zijn een volk op weg,

  God wijst ons aan in wolken,

  met vuurgloed in het donker,

  waar Hij de toekomst legt.

4

  O Jezus, licht der wereld,

  wij volgen in uw spoor,

  Gij geeft ons lust en leven,

  behoedzaam gaat Gij voor,

  wij zijn uw volk op weg,

  Gij zijt de goede herder,

  Gij helpt uw schepping verder,

  wij zijn aan U gehecht.

---

*221

#5

1

  Met God heeht hij gestreden,

  gestreden op leven en dood,

  hij hunkerde naar vrede,

  de hand van de Heer op zijn hoofd.

2

  Hij is door God gezegend,

  gezegend maar niet zonder pijn,

  hij is voorgoed getekend,

  zijn heup is ontwricht in de strijd.

3

  Zijn naam mag hij vergeten,

  vergeten zijn oude bestaan,

  geen Jakob zal hij heten

  maar Isra‰l is nu zijn naam.

4

  Hij zocht, hij vond het leven,

  het leven dat nimmer vergaat,

  hij koos voor nieuwe wegen,

  hij deed wat zijn God had gedaan.

5

  Hij heeft zijn broer gezegend,

  gezegend, bij name genoemd,

  zelf levend uit vergeving

  heeft hij zich met Esau verzoend.

---

*222

#2

1

  Wie roept mij, kent mij, deelt mijn brood, mijn adem,

  bewoont mij als een stad,

  zo ver, zo donker, vreemd en onbegaanbaar,

  wie zoekt, wie wint mijn hart.

  Een stem, een hand - o Hij weet mij te vinden,

  Hij maakt mij openbaar,

  ik noem Hem God, mijn Schepper, mijn Beminde,

  Hem dank ik mijn bestaan.

2

  Gij kent mij, God, Gij hebt mij overwogen,

  Gij riep mij bij mijn naam,

  in U ben ik geboren en getogen,

  ik kan U niet ontgaan.

  Geen hoogte, diepte zal mij van U scheiden,

  de nacht licht als de dag,

  bevrijdend staat Gij immer aan mijn zijde,

  hoe ben ik in uw macht.

---

*223

#3

1

  Nu gaat de zaaier uit,

  de dag is aangebroken,

  hij heeft de tijd geduid,

  gehoopt, gewikt, gewogen.

  Hij loopt met vaste tred,

  gebaren wijd en zijd,

  hij zegent links en rechts,

  hij maakt geen onderscheid.

2

  Wat drijft de zaaier voort,

  hij valt in slechte aarde,

  zijn woord blijft onverhoord,

  weersproken wordt zijn adem.

  Onvruchtbaar is de grond,

  gesloten en verhard,

  de zaaier gaat maar rond,

  wie heeft hem in zijn macht.

3

  Groot is de God die spreekt,

  zijn Woord is onweerstaanbaar,

  niet ledig keert het weer,

  niet onverrichterzake.

  Voortvarend is zijn baan,

  de aarde wordt vervuld,

  het laat zijn sporen na,

  verbazend komt de vrucht.

---

*224

#5

1

  O God Gij zijt zo ver zo vreemd,

  geef ons een teken dat Gij leeft,

  wij roepen zingen maar Gij zwijgt,

  geen blijk van uw aanwezigheid.

2

  Zijt Gij het beuken van de wind,

  verterend vuur, een siddering,

  de aarde beeft van woest geweld,

  als bomen zijn wij neergeveld.

3

  Gij zijt aan ons voorbijgegaan,

  Gij zijt verborgen in uw' naam,

  wij smeken U: wees ons nabij,

  bewaar ons voor de eenzaamheid.

4

  Wij prijzen uw barmhartigheid,

  geen storm geen vuur geen schok zijt

  het dodelijk rumoer verstomt

  nu Gij in stilte tot ons komt.

5

  Gij geeft uw naam ons te verstaan,

  Gij raakt ons met uw adem aan,

  o trouwe God van het verbond,

  Gij legt uw woord in onze mond.

---

*225

#3

1

  God wil bij mensen wonen,

  Hij vraagt om onderdak,

  wie stelt zich voor Hem open,

  wie geeft aan Hem zijn hart?

  Waar is het huis op aarde

  dat Hem een welkom roept,

  wie is voor God de Vader

  de mens naar wie Hij zoekt:

2

  Een vrouw neemt Hem ter harte,

  Maria is haar naam,

  haar God is haar te machtig,

  zij biedt haar diensten aan.

  Zij huivert van ontroering,

  geluk valt in haar schoot,

  God kiest haar tot de moeder

  van zijn geliefde Zoon.

3

  Maria zingt haar loflied,

  God voelt zich thuis bij haar,

  wie is Hij dat Hij omziet

  naar haar geringe staat ?

  Hij is de God der armen,

  voor wie Hem roept in nood,

  Hij is de mens barmhartig

  die nederig op Hem hoopt.

---

*226

#5

1

  God heeft zijn Woord gehouden,

  Hij doet wat Hij belooft,

  voor wie op Hem vertrouwden

  is Hij een bondgenoot.

2

  Het Woord is mens geworden,

  God komt ons tegemoet,

  Hij heeft zijn Zoon gezonden,

  een mens van vlees en bloed.

3

  Maria heet zijn moeder,

  zij droeg Hem in haar schoot,

  Hij noemt zich onze broeder,

  Hij deelt met ons zijn brood.

4

  Hij deelt met ons zijn leven,

  zijn God is onze God,

  een Vader vol vergeving,

  Hij is de vredevorst.

5

  Hoe is Gods trouw gebleken,

  zijn Zoon heeft ons bevrijd,

  Gods liefde is bewezen,

  wij zijn een Koning rijk.

---

*227

#5

1

  Licht in onze ogen,

  dagelijkse zon,

  uitzicht veelbelovend,

  glimlach om Gods mond.

2

  Vrijheid van beweging,

  richting die wij gaan,

  ruimte om te leven,

  zin van ons bestaan.

3

  Brood op onze tafel,

  herder die ons hoedt,

  bron van levend water,

  land van overvloed.

4

  Hart van deze aarde,

  dak boven ons hoofd,

  blijk van Gods genade,

  broeder, huisgenoot.

5

  Vrede allerwegen,

  kracht die ons vervult,

  hand van God die zegent,

  Jezus ons geluk.

---

*228

#4

1

  Niet de vorsten niet de heersers,

  niet wie uitverkoren lijkt,

  maar de herders zijn de eersten

  die het grote nieuws bereikt.

2

  Zo verlaten en verloren,

  zo gewantrouwd als ze zijn,

  mogen zij van vrede horen,

  licht dat in het duister schijnt.

3

  Zij die zo het heil verbeidden,

  hoopten op gerechtigheid,

  mogen zich het eerst verblijden

  over Jezus die bevrijdt.

4

  Vrede is er voor de herders,

  Jezus kiest partij voor hen,

  hoor, Hij noemt zichzelf een herder,

  Hij die hen bij name kent.

---

*229

#4

1

  Mannen zien een licht,

  vuurgloed in het duister,

  oog op hen gericht.

  Grote vreemde ster,

  niemand die haar kent,

  wat moet dit beduiden?

2

  Stralend staan zij op,

  licht begint te dagen,

  vreugde stijgt ten top.

  Ster valt in hun schoot,

  wijsheid spant een kroon,

  hemel komt op aarde.

3

  Lang verwachte vorst,

  koning van hun dromen,

  zoon van Isrels God!

  Ster wijst hun de weg,

  God brengt hen terecht

  bij de nieuwe koning.

4

  Schatten bieden zij

  aan de Here Jezus,

  wie is Hem gelijk:

  Lach op Gods gezicht,

  kind dat vrede sticht,

  licht van deze wereld.

---

*230

#2

1

  Heerlijk zijn Gods daden,

  Hij is prijzenswaardig,

  maken wij Hem groot!

  God is ons genadig,

  vrede daalt op aarde,

  Hij geeft ons zijn Zoon.

  God heeft ons zijn hart getoond,

  zegenend komt Hij ons nader,

  Hij is onze Vader.

2

  God zoekt onze vrede,

  ongebroken leven,

  menselijk geluk.

  Ongerechtigheden

  wil Hij ons vergeven,

  Hij bevrijdt van schuld.

  Uit het donker weggerukt

  gaan wij onbekende wegen,

  God is ons genegen.

---

*231

#5

1

  Geen plaats voor zijn hoofd,

  geen grond voor zijn voeten,

  een doorn in het oog,

  wie wil Hem ontmoeten.

2

  Geen hol als de vos,

  geen nest als de vogels,

  een man zonder God,

  Hij maakt je wanhopig.

3

  Geen deur en geen weg,

  geen mens onder mensen,

  geen vrijheid geen recht,

  wie zou Hem zich wensen.

4

  Een vlam in de nacht,

  een stem door de stilte,

  een hand op je hart,

  een storm in ons midden.

5

  Ons dagelijks brood,

  een broeder van verre,

  een redder in nood,

  Hij zal voor ons sterven.

---

*232

#2

1

  Jezus, Gij zijt de goede herder,

  waar alles doodloopt gaat Gij verder,

  Gij komt ons diep verval te boven,

  ons leven bloeit weer o pen.

  Wat ons drukt neemt Gij van ons af,

  onze schuld droeg Gij naar uw graf,

  Gij hebt ons eindeloos doorstaan,

  Gij maakt voor ons ruim baan.

2

  Wij volgen U, o vredebode,

  Gij zijt de eersteling der doden,

  in U zijn wij een nieuwe schepping,

  Gij zijt onze bestemming.

  Veelbelovend gaat Gij ons voor,

  onverstoorbaar leven wij door,

  wie opgewekt in U gelooft

  rijpt voor de grote oogst.

---

*233

#3

1

  Een lied voor Jezus onze Heer,

  Hij schonk ons't lieve leven weer,

  Hij bracht ons thuis bij God de Vader.

  Wij delen in zijn hoge macht,

  zijn Geest verleent ons nieuwe kracht,

  wij mogen mensen zijn op aarde.

2

  Hij zocht ons op in onze schuld,

  Hij heeft zich in ons vlees gehuld,

  wij loven Hem om zijn gezindheid.

  Hij leefde in Gods heerlijkheid,

  Hij gaf zijn eer en luister prijs,

  verloor zichzelf om ons te vinden.

3

  Laat die gezindheid bij ons zijn,

  wij zullen aan de Heer gelijk

  ons leven met de ander delen.

  Gelukkig wie zichzelf niet zoekt,

  wie luistert of men naar hem roept,

  hij leeft voorgoed, hij draagt Gods zegen.

---

*234

#3

1

  Dit is de dag der dagen

  begonnen is de oogst,

  Jezus, de opgestane,

  geeft zich aan ons als brood.

  Hij is de eersteling,

  Hij offerde zijn leven,

  ons roept Hij in de kring

  om zijn geluk te delen.

2

  Het zaad dat is gevallen

  werpt rijke vruchten af,

  wij mogen nu ontvangen

  waar Hij zijn bloed voor gaf.

  God bracht ons tot de Mens,

  Hij neemt ons op de lippen,

  de bruid die Hij zich wenst,

  voorgoed wil Hij zich binden.

3

  Dit is de dag der dagen,

  de Geest brengt ons terecht.

  Opdat wij vruchten dragen

  wijst ons zijn wet de weg.

  Met Jezus als het Hoofd

  zijn wij het licht der wereld,

  zijn lichaam dat als brood

  zich overal moet geven.

---

*235

#2

1

  Nu klinkt het Woord in alle talen

  Gods vrede komt voorgoed ter sprake

  zijn grote daden zijn verstaanbaar

  voor ieder is het heil begaanbaar.

  De Geest legt vuur in onze monden

  blaast ons de liefde in de longen

  Hij steekt ons aan  maakt los de tongen

  het Woord is eeuwig vlees geworden.

2

  Elkander noemen wij bij name

  vergeten is het oude Babel

  Gods adem brengt ons alleri samen

  geestdriftig roemen wij zijn daden.

  Hij roept ons naar de stad van vrede

  zijn naam is ons tot taal en teken

  het hoge Woord leert Hij ons spreken

  Hij bouwt een nieuwe samenleving.

---

*236

#5

1

  Het is weer de Geest,

  Vader mededeelzaam

  die het leven geeft.

  Als in het begin

  gaat Hij op ons in,

  zoekend naar gemeenschap.

2

  God schenkt ons zijn Geest,

  Hij vaart door de schepping

  opdat zij geneest.

  Ziek en oud is zij,

  leven gaat voorbij,

  Wie kan haar nog redden.

3

  Geest die leven wekt

  doet de wereld hopen,

  Hij geeft haar zijn kerk.

  Om een zout te zijn,

  licht dat haar bevrijdt,

  daalt zij uit de hoge.

4

  Schepping bloeit weer op,

  mensen allerwegen

  komen thuis bij God.

  Lichaam van de Heer

  brengt het leven weer,

  hartslag van de wereld.

5

  Geest, blijf ons nabij,

  als wij niet geloven

  lijdt de schepping pijn.

  Zeg het Woord ons aan,

  laat de lofzang gaan,

  maak ons veelbelovend.

---

*238

#3

1

  Gods Woord doorbrak de doodse stilte,

  wij leven op, vervuld van hoop,

  de Geest stormt vurig door ons midden,

  bezielt ons met een nieuw geloof.

  Wijd gaat de grote toekomst open,

  God ziet ons in genade aan,

  wij komen ons verval te boven,

  God doet ons in de ruimte staan.

2

  Opnieuw geboren en getogen

  spelen wij op Gods toekomst in,

  wij mogen op een wereld hopen

  bewoonbaar als in het begin.

  Verrezen uit de vruchteloosheid

  zijn wij geestdriftig onderweg,

  Gods goedertierenheid viert hoogtij,

  Hij brengt de schepping tot haar recht.

3

  Jezus, Gij zijt de Opgestane,

  Gij leeft ons Gods bedoeling voor,

  reisvaardig zijt Gij en voortvarend,

  gehoorzaam aan uws Vaders Woord.

  Wij volgen U o Vredebode,

  een weg van vreugde baant Gij ons,

  Gij zijt de eersteling der doden,

  in U bloeit heel de schepping op.

---

*239

#2

1

  De opgestane Heer

  gunt ons de hoge eer

  zijn schatten te bewaren,

  te leven voor zijn zaken.

  Zijn huis, zijn goed en bloed

  vertrouwde Hij ons toe,

  wij mogen in zijn naam

  voor zijn belang instaan,

  zijn wil dienstvaardig doen-

2

  Hij roept tot waakzaamheid,

  het is de hoogste tijd

  voor hoop, geloof en liefde,

  zullen wij voor Hem kiezen?

  Doen wij gerechtigheid,

  werken wij aan zijn Rijk,

  de dagen gaan hun gang,

  de Heer wacht al zo lang,

  nog geeft Hij ons de tijd.

---

*240

#3

1

  Belijden wij met hart en mond

  de trouwe God van het verbond,

  prijzen wij onze Vader!

  Hij schiep ons mensen naar zijn beeld,

  hemel en aarde, al wat leeft,

  Hij schiep het en Hij draagt het.

  God stelt in ons geluk zijn eer,

  Jezus zijn Zoon is onze Heer,

  de naam waarin wij leven.

  God riep Hem uit een vrouwenschoot,

  Hij is ons vlees, een mensenzoon,

  Hij brengt ons heil en vrede.

2

  Hij deelt ons menselijk bestaan,

  ten dode toe met ons begaan,

  Hij sterft aan onze zonden.

  Hij overwint de duisternis,

  baanbrekend treedt Hij aan het licht,

  ons roept Hij om te volgen.

  Hemelhoog richt de Heer zich op,

  vorstelijk troont Hij naast zijn God,

  heilzaam en hartverwarmend.

  Eenmaal spreekt Hij het laatste woord,

  vrede zal bloeien ongestoord,

  zalig wie Hem verwachten.

3

  De Geest van God brengt leven voort,

  Hij gaat de ganse schepping door,

  Gods Geest is mededeelzaam.

  Hij brengt ons bij de Heer terecht,

  Hij bindt ons aan de ene kerk,

  sticht liefde en gemeenschap.

  Hij heeft het groot geheim onthuld,

  wij sterven niet aan onze schuld,

  de zonden zijn vergeven.

  God redt ons uit de diepste nood,

  Hij is de trouwe bondgenoot,

  voorgoed zullen wij leven.

---

*242

#2

1

  Wij zingen van het ongehoorde,

  een vreemd verhaal heeft ons verbaasd,

  het hoge Woord kwam ons ter ore,

  bevrijdend sprak de Heer ons aan.

  Meer dan wij verwachten,

  anders dan wij dachten

  is Hij onze God.

  Bondgenoot der mensen,

  Vader vol ontferming,

  God die ons verlost.

2

  Wij zingen van de ongedroomde:

  Jezus, Gods uitgesproken Woord,

  God is ons tegemoet gekomen,

  baanbrekend gaat zijn Zoon ons voor.

  Vreemdeling op aarde,

  eenzaam en verlaten,

  staat Hij voor ons in.

  Hij wijst nieuwe wegen,

  ongekende vrede,

  geeft ons leven zin.

---

*243

#3

1

  God laat ons volop leven,

  wij komen aan het licht,

  Hij heelt wat heilloos is,

  Hij is een God van vrede.

  Wij mogen vrolijk vieren

  een onbedreigd bestaan,

  God heeft tenietgedaan

  de afstand die wij schiepen.

2

  God roept ons tot de orde

  van zijn barmhartigheid,

  wie eenmaal is bevrijd

  zal vredestichter worden.

  Verzoenend en genezend

  doen wij gerechtigheid,

  wij werken wereldwijd

  aan ongebroken leven.

3

  Zalig wie Jezus volgen,

  de grote vredevorst,

  Hij toont het hart van God,

  Hij is voor ons gestorven.

  Zoeken wij offervaardig

  de vrede die Hij vraagt,

  een vrede als een zwaard,

  het heil voor heel de aarde.

---

*244

#3

1

  Wees goed voor deze aarde

  het dier  de boom  de plant

  want alles heeft zijn waarde

  is schepping uit Gods hand.

  Wees goed voor al het leven

  het heeft zijn eigen recht

  de Heer gaf het zijn zegen

  Hij is er aan gehecht.

2

  Wees goed voor deze aarde

  zij is Gods eigendom

  God houdt zo van de paarden

  de meren en de zon.

  Wees goed voor al het leven

  Gods hart klopt er in mee

  Hij heeft zijn Geest gegeven

  aan berg en dal en zee.

3

  Wees goed voor deze aarde

  vertrap en plunder niet

  bewerk haar en bewaar haar

  zoals de Heer gebiedt.

  Wees goed voor al het leven

  bezorg de Heer geen smart

  wie doodt  hij werkt God tegen

  hij trapt Hem op het hart.

---

*245

#2

1

  Wij zijn Gods evenbeeld

  wanneer wij onverdeeld

  Gods wil op aarde doen.

  De mens die zich ontfermt

  over Gods scheppingswerk

  beantwoordt aan zijn doel.

  Wij worden God gelijk

  wanneer wij dienstbaar zijn

  aan wat er leeft op aarde.

  Hij voelt zich thuis bij ons

  als wij wat Hij begon

  bewerken en bewaren.

2

  Waar is het mensenkind

  dat zich in liefde bindt

  aan wat de Heer hem gaf?

  Wij zijn een smaad voor God,

  de schepping lijdt aan ons,

  wij breken alles af.

  O God verlaat ons niet,

  Gij die ons eenmaal riep

  om in uw dienst te werken.

  Maak ons uw Zoon gelijk,

  Hij brengt gerechtigheid,

  Hij is de goede herder.

---

*246

#3

1

  Vertrouwend op wat God ons zegt

  gaan wij op weg,

  op zoek naar vrede.

  Gods grote toekomst tegemoet,

  zij lacht ons toe,

  r.ij vult ons heden.

  God riep ons uit de slavernij,

  de heerschappij

  van dood en zonde.

  Van wat ons eenmaal trok vervreemd

  zijn wij ontheemd

  opnieuw begonnen.

2

  Wij hopen op gerechtigheid,

  een wereldwijd

  gelukkig einde.

  Bevreemd zien wij het onrecht aan,

  met hen begaan

  die moeten lijden.

  Wij leven in de vreemdelingschap

  zolang de stad

  van God laat wachten.

  Wij voelen ons op aarde thuis

  als elk zich buigt

  voor God almachtig.

3

  Jezus, Gij zijt de Vreemdeling,

  met U begint

  het nieuwe leven.

  Geen dak hebt Gij boven uw hoofd,

  wij zijn uw dood,

  Gij geeft ons vrede.

  O licht in onze duisternis

  ontluisterd is

  de lieve aarde.

  Wij volgen U waar Gij ook gaat,

  Gij helpt ons haar

  bewoonbaar maken.

---

*248

#4

1

  Wij komen samen tot Gods lof,

  God woont bij ons, houdt open hof,

  genadig wil Hij ons ontmoeten,

  Hij riep zijn naam over ons uit,

  Hij vond ons, bracht ons bij zich thuis,

  laten wij juichend Hem begroeten.

2

  Hij schept behagen in ons lied,

  God wil zijn volk gelukkig zien,

  Hij leeft op onze lofgezangen,

  Hem loven is voor ons een plicht,

  Hij heeft zijn hoop op ons gericht,

  wij zijn het lied van zijn verlangen.

3

  Gods Woord stemt ons tot vrolijkheid,

  wij zingen want wij zijn bevrijd,

  God geeft ons ruimte om te leven,

  wij ademen het wonder in,

  wij zingen van verwondering,

  God heeft zijn hart aan ons gegeven.

4

  De ganse schepping loopt te hoop

  in wat Gods volk hoopvol gelooft,

  wij geven stem aan't sprakeloze,

  wij spelen Gods gerechtigheid,

  zijn naam spellen wij wereldwijd,

  een nieuwe schepping zal Hem loven.

---

*249

#3

1

  Wie gaf ons een plaats op aarde

  uit wiens hand kwam ons geluk

  wij bestaan bij Gods genade

  in Hem vindt ons leven rust

  alles danken wij aan Hem,

  alles luistert naar zijn stem.

2

  God gunt ons het volle leven

  zijn bezit geeft Hij in pacht

  armen mogen er niet wezen

  hen bindt Hij ons op het hart

  wie niet met de ander deelt

  doet hem onrecht, ja hij steelt.

3

  Jezus deed vrijwillig afstand

  van zijn heerlijkheid bij God

  Hij behoorde bij de armen

  alles deelde Hij met ons

  mensen die Hij heeft gered

  leven niet meer voor zichzelf.

---

*250

#6

1

  Een vrouw komt water putten,

  water uit de bron,

  hoe diep moet zij zich bukken,

  nooit ziet zij de zon.

2

  De vrouw komt vreugde scheppen,

  vreugde, puur geluk,

  haar dorst naar liefde lessen,

  steeds moet zij terug.

3

  Wie geeft de vrouw te drinken,

  schenkt haar wat zij zoekt,

  wie wil de vrouw beminnen,

  wint haar hart voorgoed?

4

  Er is een man gekomen,

  waterman heet hij,

  de man van wie zij droomde,

  vreemd en zo nabij.

5

  Hij is een stroom van water,

  water bitterzoet,

  hij is de levensader,

  man van overvloed.

6

  De vrouw heeft hem gedronken,

  dronken van geluk,

  zij heeft een bron gevonden

  onuitputtelijk.

---

*251

#6

1

  De visser ging uit vissen,

  hij deed wat Jezus zei,

  de visser ging uit vissen

  en netten vol ving hij.

2

  De visser is gevangen,

  hij hapte naar het Woord,

  de visser is gevangen,

  de Heer heeft hem aan boord.

3

  De visser spartelt tegen,

  de Heer heeft hem verrast,

  de visser spartelt tegen

  maar Jezus houdt hem vast.

4

  Hij kan hem goed gebruiken,

  de grote visserman,

  Hij kan hem goed gebruiken,

  die vis die vissen kan.

5

  Daar is een zee van mensen,

  ze snakken naar het Woord,

  daar is een zee van mensen,

  wie zet zijn arbeid voort?

6

  Zijn naam is Simon Petrus,

  hij zet zijn schip aan kant,

  zijn naam is Simon Petrus,

  een visser op het land.

---

*252

#2

1

  Opdat elk zijn hoogheid deelt

  schept God mensen naar zijn beeld,

  man en vrouw spreekt Hij hen uit,

  woord voor woord en huid aan huid,

  een van vlees en een van adem.

  Groot is God die vreugde schept,

  mensen voor geluk bestemt,

  man en vrouw zijn ja en amen.

2

  Prijst God die uw namen riep,

  maakt uw leven tot een lied,

  doet elkaar de liefde aan,

  noemt elkander bij de naam,

  opdat God zich in u vinde.

  Hij verblijdt zich in uw trouw,

  u bent voor Hem man en vrouw,

  Hij verkoos u tot beminden.

---

*253

#1

1

  O God hoe diepingrijpend

  hebt Gij ons mensen lief,

  dit kind ontgaat U niet,

  Gij weet het te bereiken.

  Verstrekkend is uw aandacht

  Gij maakt geschiedenis

  wat ons het liefste is

  mag leven op uw adem.

---

*254

#4

1

  Mensen leven naar de dood,

  vlees en bloed zijn alle mensen,

  eenmaal buigen zij het hoofd,

  aan zichzelve staan zij bloot,

  niemand kan zijn leven wenden.

2

  Langs de weg van alle vlees

  gaat de mens met vrees en beven,

  is zijn leven tevergeefs ?

  Wat zijn vreugde is geweest,

  wordt het nu voorgoed vergeten ?

3

  Mensen leven met hun God,

  trouwe vader, goede schepper,

  nooit laat Hij de zijnen los,

  wat zijn hand aan ons begon

  zal in eeuwigheid niet sterven.

4

  God gaf ons zijn lieve zoon,

  brood des levens, goede herder,

  opgestane uit de dood,

  zalig wie in Hem gelooft,

  vrolijk gaat zijn leven verder.

---

*255

#3

1

  Gods woorden nemen wij ter harte

  Hij spreekt een taal van brood en wijn

  het lieve leven is voorhanden

  @eldadig is Hij ons nabij.

  Overal te vinden

  noemt Hij ons beminden

  brengt Hij ons terecht.

  Hoog gaan zijn gedachten

  God is ons barmhartig

  vrede wat Hij denkt.

2

  Waar mensen zinnen op het kwade

  gaat God zijn hemelhoge weg

  verheven is Hij in genade

  Hij heeft zijn hand op ons gelegd.

  Wat wij niet bedenken

  liefde en ontferming

  stort Hij over ons.

  Hoger dan de wegen

  van ons boze leven

  gaat de weg van God.

3

  Wij hopen op het ongedachte:

  een aarde waar de liefde woont,

  niets is het Woord van God te machtig

  die in de hoge hemel troont.

  God  uw wil geschiede:

  schepping die weer nieuw is

  eindeloos in bloei.

  Breng ons op uw wegen

  trek ons naar uw vrede

  kom ons tegemoet.

---

*256

#2

1

  Geloofd zij God  de Heer der schepping

  nooit laat Hij los wat Hij begon,

  leven op aarde ging weer verder

  Hij is de God van het verbond.

  Verbazingwekkend gaat zijn adem

  het lichaam van de schepping door,

  de tijden bloeien in zijn aandacht,

  seizoenen spelen ongestoord.

2

  De winter ging  het werd weer zomer,

  de dagen volgden op de nacht

  er werd gezaaid, wij mochten oogsten,

  Gods liefde heeft ons weer verrast.

  Zijn adem deed het zaad ontkiemen,

  royaal bewees Hij ons zijn trouw,

  God doet aan ons zijn wil geschieden,

  Hij is het die ons staande houdt.

---

*257

#2

1

  Ten leven zijn wij door God opgeschreven,

  Hij heeft zijn grote naam op ons gelegd,

  bevrijdend spreekt Hij over ons zijn zegen,

  getekend gaan wij verder onze weg.

  Geen schuld drukt meer, het offer is gebracht,

  Gods aangezicht breekt lichtend door de nacht,

  de reddeloze vindt bij Hem gehoor,

  wat ook benauwt, Hij heeft het laatste woord.

2

  God zegent ons, Hij geeft ons nieuwe kansen,

  wij leven op, wij komen aan het licht,

  Hij sterkt ons in het werk van onze handen,

  in bloei raakt wat nog toegesloten is.

  Vreugde schept God in wie de vrede vond,

  verrast blikt Hij op wie tot aanzien komt,

  gezegend is de mens die zich ontvouwt,

  God waakt terwijl hij aan zijn leven bouwt.

---

*258

#4

1

  Hartgrondig mogen wij op aarde leven,

  volmondig van geluk en liefde spreken,

  God zegent ons, bevestigt ons bestaan,

  geeft ons ruim baan.

2

  In bloei gezet door Gods barmhartigheden

  dromen wij van een wereldwijde vrede,

  een nieuwe aarde waar God bij ons woont

  is onze hoop.

3

  Als vreemdelingen leven wij op aarde

  zolang zij zich vervreemdt van Gods genade,

  wij aarden niet waar men zich niet bekeert,

  waar onrecht heerst.

4

  Wij mogen werken aan de grote vrede,

  biddend en zingend, dienend en hoopgevend,

  wij vieren Gods beloften en wij doen

  wat Hij bedoelt.

---

*259

#3

1

  Wij hopen op een nieuwe schepping,

  naar Gods belofte is er redding,

  de grote toekomst is aanstaande,

  de hemel daalt op aarde.

  God is trouw, Hij gaat met ons door,

  onweerstaanbaar doet Hij zijn Woord,

  waar nu nog dood en zonde zijn

  woont eens gerechtigheid.

2

  De grote dag begint te dagen,

  ons leven bloeit in Gods genade,

  in Jezus, eersteling der doden,

  wordt alles veelbelovend.

  Hij vervult ons met wat Hij deed,

  wij verheugen ons in zijn Geest,

  wat zich in liefde aan Hem hecht

  brengt Hij voorgoed terecht.

3

  God, wij verwachten U op aarde,

  woon bij ons mensen als een vader,

  de schepping reikhalst naar bevrijding,

  wil haar met ons verblijden.

  Maak ons nieuw, breng ons aan het licht,

  kom nabij in wie vrede sticht,

  Gij spreekt uw Zoon ons tegemoet:

  de hoop die leven doet.

---

*301

#3

1

  Een lied voor Jezus onze Heer,

  Hij schonk ons't lieve leven weer,

  Hij bracht ons thuis bij God de Vader.

  Wij delen in zijn hoge macht,

  zijn Geest verleent ons nieuwe kracht,

  wij mogen mensen zijn op aarde.

2

  Hij zocht ons op in onze schuld,

  Hij heeft zich in ons vlees gehuld,

  wij loven Hem om zijn gezindheid.

  Hij leefde in Gods heerlijkheid,

  Hij gaf zijn eer en luister prijs,

  verloor zichzelf om ons te vinden.

3

  Laat die gezindheid bij ons zijn,

  wij zullen aan de Heer gelijk

  ons leven met de ander delen.

  Gelukkig wie zichzelf niet zoekt,

  wie luistert of men naar hem roept,

  hij leeft voorgoed, hij draagt Gods zegen.

---

*302

#4

1

  Wie nooit zijn weg wil buigen naar de ander,

  eenzelvig opgaat in zijn eigen wandel,

  hij sterft van kou, zijn wegen lopen dood,

  hij is in nood.

2

  Waar mensen offervaardig willen leven,

  afgaan op leed, hun eigen weg vergetend,

  daar kondigt zich de nieuwe schepping aan,

  geluk breekt baan.

3

  O Jezus, Gij wilt U in ons verplaatsen,

  uw weg buigt van de hemel naar de aarde,

  Gij komt ons tegen, hoe ons leven loopt,

  o reisgenoot.

4

  Wij volgen U, wij groeien naar de ander,

  maak ons barmhartig, maak ons hartverwarmend,

  leer allerwegen ons een naaste zijn,

  wees ons nabij.

---

*303

#3

1

  Nu gaat de zaaier uit,

  de dag is aangebroken,

  hij heeft de tijd geduid,

  gehoopt, gewikt, gewogen.

  Hij loopt met vaste tred,

  gebaren wijd en zijd,

  hij zegent links en rechts,

  hij maakt geen onderscheid.

2

  Wat drijft de zaaier voort,

  hij valt in slechte aarde,

  zijn woord blijft onverhoord,

  weersproken wordt zijn adem.

  Onvruchtbaar is de grond,

  gesloten en verhard,

  de zaaier gaat maar rond,

  wie heeft hem in zijn macht.

3

  Groot is de God die spreekt,

  zijn Woord is onweerstaanbaar,

  niet ledig keert het weer,

  niet onverrichterzake.

  Voortvarend is zijn baan,

  de aarde wordt vervuld,

  het laat zijn sporen na,

  verbazend komt de vrucht.

---

*304

#2

1

  Wij zingen van het ongehoorde,

  een vreemd verhaal heeft ons verbaasd,

  het hoge Woord kwam ons ter ore,

  bevrijdend sprak de Heer ons aan.

  Meer dan wij verwachten,

  anders dan wij dachten

  is Hij onze God.

  Bondgenoot der mensen,

  Vader vol ontferming,

  God die ons verlost.

2

  Wij zingen van de ongedroomde:

  Jezus, Gods uitgesproken Woord,

  God is ons tegemoet gekomen,

  baanbrekend gaat zijn Zoon ons voor.

  Vreemdeling op aarde,

  eenzaam en verlaten,

  staat Hij voor ons in.

  Hij wijst nieuwe wegen,

  ongekende vrede,

  geeft ons leven zin.

---

*305

#3

1

  Wie gaf ons een plaats op aarde

  uit wiens hand kwam ons geluk

  wij bestaan bij Gods genade

  in Hem vindt ons leven rust

  alles danken wij aan Hem,

  alles luistert naar zijn stem.

2

  God gunt ons het volle leven

  zijn bezit geeft Hij in pacht

  armen mogen er niet wezen

  hen bindt Hij ons op het hart

  wie niet met de ander deelt

  doet hem onrecht, ja hij steelt.

3

  Jezus deed vrijwillig afstand

  van zijn heerlijkheid bij God

  Hij behoorde bij de armen

  alles deelde Hij met ons

  mensen die Hij heeft gered

  leven niet meer voor zichzelf.

---

*306

#6

1

  Leven als de bomen,

  trouw en aardsgezind

  bij het water wonen

  leven van de wind.

2

  Hemelhoog geloven

  leven uit een stuk,

  ademnood te boven,

  onverdeeld geluk.

3

  Leven als de bomen

  God heeft hen geplant

  leven om te loven

  leven uit Gods hand.

4

  Op de lente hopen

  weten van de herfst

  dromen van de zomer,

  leven dat niet sterft.

5

  Toevlucht voor de vogels

  schaduw  onderdak

  huis van mededogen

  liefde wijdvertakt.

6

  Leven als de bomen

  zingen voor je God

  levenslang geloven

  vaste voet aan grond.

---

*307

#4

1

  Wij komen samen tot Gods lof,

  God woont bij ons, houdt open hof,

  genadig wil Hij ons ontmoeten,

  Hij riep zijn naam over ons uit,

  Hij vond ons, bracht ons bij zich thuis,

  laten wij juichend Hem begroeten.

2

  Hij schept behagen in ons lied,

  God wil zijn volk gelukkig zien,

  Hij leeft op onze lofgezangen,

  Hem loven is voor ons een plicht,

  Hij heeft zijn hoop op ons gericht,

  wij zijn het lied van zijn verlangen.

3

  Gods Woord stemt ons tot vrolijkheid,

  wij zingen want wij zijn bevrijd,

  God geeft ons ruimte om te leven,

  wij ademen het wonder in,

  wij zingen van verwondering,

  God heeft zijn hart aan ons gegeven.

4

  De ganse schepping loopt te hoop

  in wat Gods volk hoopvol gelooft,

  wij geven stem aan't sprakeloze,

  wij spelen Gods gerechtigheid,

  zijn naam spellen wij wereldwijd,

  een nieuwe schepping zal Hem loven.

---

*308

#3

1

  Hoe hoog ook onze wegen gaan

  alleen de liefde blijft bestaan

  een weg voor wie wil leven.

  AI spreken wij ook ongehoord

  de liefde heeft het laatste woord

  niets houdt haar adem tegen.

  Hopen

  dromen

  hoger roepen

  verder zoeken

  veel te wensen -

  liefde, liefde maakt de mensen.

2

  Wat gunt God ons het allermeest

  Hij overstelpt ons met zijn Geest

  de kracht om te beminnen.

  Een mens heeft lief  hij leeft voorgoed

  de Geest is eeuwig die hem voedt

  de toekomst mag beginnen.

  Handen

  harten

  tasten wachten

  zijn te machtig

  zoete liefde

  sterft niet, liefde goedertieren.

3

  De liefde zoekt zichzelve niet

  zij bloeit alleen wanneer zij dient

  de ander wil zij vieren.

  Zij biedt zijn leven onderdak,

  hij vindt geloof, is nooit tot last

  herbergzaam is de liefde.

  Dood te

  boven

  duurzaam leven

  allerwegen

  God geprezen

  liefde wil Hij voor ons wezen.

---

*309

#3

1

  Wees goed voor deze aarde,

  het dier, de boom, de plant,

  want alles heeft zijn waarde,

  is schepping uit Gods hand.

  Wees goed voor al het leven,

  het heeft zijn eigen recht,

  de Heer gaf het zijn zegen,

  Hij is er aan gehecht.

2

  Wees goed voor deze aarde,

  zij is Gods eigendom,

  God houdt zo van de paarden,

  de meren en de zon.

  Wees goed voor al het leven,

  Gods hart klopt er in mee,

  Hij heeft zijn Geest gegeven

  aan berg en dal en zee.

3

  Wees goed voor deze aarde,

  vertrap en plunder niet,

  bewerk haar en bewaar haar

  zoals de Heer gebiedt.

  Wees goed voor al het leven,

  bezorg de Heer geen smart,

  wie doodt, hij werkt God tegen,

  Hij trapt Hem op het hart.

---

*310

#3

1

  Gods Woord doorbrak de doodse stilte,

  wij leven op, vervuld van hoop,

  de Geest stormt vurig door ons midden,

  bezielt ons met een nieuw geloof.

  Wijd gaat de grote toekomst open,

  God ziet ons in genade aan,

  wij komen ons verval te boven,

  God doet ons in de ruimte staan.

2

  Opnieuw geboren en getogen

  spelen wij op Gods toekomst in,

  wij mogen op een wereld hopen

  bewoonbaar als in het begin.

  Verrezen uit de vruchteloosheid

  zijn wij geestdriftig onderweg,

  Gods goedertierenheid viert hoogtij,

  Hij brengt de schepping tot haar recht.

3

  Jezus, Gij zijt de Opgestane,

  Gij leeft ons Gods bedoeling voor,

  reisvaardig zijt Gij en voortvarend,

  gehoorzaam aan uws Vaders Woord.

  Wij volgen U o Vredebode,

  een weg van vreugde baant Gij ons,

  Gij zijt de eersteling der doden,

  in U bloeit heel de schepping op.

---

*311

#5

1

  Licht in onze ogen,

  dagelijkse zon,

  uitzicht veelbelovend,

  glimlach om Gods mond.

2

  Vrijheid van beweging,

  richting die wij gaan,

  ruimte om te leven,

  zin van ons bestaan.

3

  Brood op onze tafel,

  herder die ons hoedt,

  bron van levend water,

  land van overvloed.

4

  Hart van deze aarde,

  dak boven ons hoofd,

  blijk van Gods genade,

  broeder, huisgenoot.

5

  Vrede allerwegen,

  kracht die ons vervult,

  hand van God die zegent,

  Jezus ons geluk.

---

*312

#5

1

  Geen plaats voor zijn hoofd,

  geen grond voor zijn voeten,

  een doorn in het oog,

  wie wil hem ontmoeten.

2

  Geen hol als de vos,

  geen nest ols de vogels,

  een man zonder God,

  hij maakt je wanhopig.

3

  Geen deur en geen weg,

  geen mens onder mensen,

  geen vrijheid geen recht.

  wie zou hem zich wensen

4

  Een vlam in de nacht,

  een stem door de stilte,

  een hand op je hart,

  een storm in ons midden.

5

  Ons dagelijks brood,

  een broeder van verre,

  een redder in nood,

  Hij zal voor ons sterven.

---

*313

#2

1

  Jezus, Gij zijt de goede herder,

  waar alles doodloopt gaat Gij verder,

  Gij komt ons diep verval te boven,

  ons leven bloeit weer o pen.

  Wat ons drukt neemt Gij van ons af,

  onze schuld droeg Gij naar uw graf,

  Gij hebt ons eindeloos doorstaan,

  Gij maakt voor ons ruim baan.

2

  Wij volgen U, o vredebode,

  Gij zijt de eersteling der doden,

  in U zijn wij een nieuwe schepping,

  Gij zijt onze bestemming.

  Veelbelovend gaat Gij ons voor,

  onverstoorbaar leven wij door,

  wie opgewekt in U gelooft

  rijpt voor de grote oogst.

---

*314

#4

1

  Geroepen uit het donker,

  de adem van de dood,

  het land van vuil en zonde

  dat ons geen toekomst bood,

  zijn wij een volk op weg,

  geraakt door Gods genade,

  genezen en ontraadseld,

  een hand bracht ons terecht.

2

  Wij hopen op een leven

  van ongestoord geluk,

  wij tasten naar een vrede

  die heel de schepping vult,

  wij zijn een volk op weg,

  er daagt een nieuwe aarde,

  wij maken ons reisvaardig,

  gelovend wat God zegt.

3

  Wij leven ongeduldig,

  wij zetten ons niet vast,

  waarmee zijn wij gelukkig,

  er is zoveel tot last,

  wij zijn een volk op weg,

  God wijst ons aan in wolken,

  met vuurgloed in het donker,

  waar Hij de toekomst legt.

4

  O Jezus, licht der wereld,

  wij volgen in uw spoor,

  Gij geeft ons lust en leven,

  behoedzaam gaat Gij voor,

  wij zijn uw volk op weg,

  Gij zijt de goede herder,

  Gij helpt uw schepping verder,

  wij zijn aan U gehecht.

---

*315

#2

1

  Wie roept mij, kent mij, deelt mijn brood,

  mijn adem, bewoont mij als een stad,

  zo ver, zo donker, vreemd en onbegaanbaar,

  wie zoekt, wie wint mijn hart.

  Een stem, een hand...

  o Hij weet mij te vinden,

  Hij maakt mij openbaar, ik noem Hem God,

  mijn Schepper, mijn Beminde,

  Hem dank ik mijn bestaan.

2

  Gij kent mij, God, Gij hebt mij overwogen,

  Gij riep mij bij mijn naam,

  in U ben ik geboren en getogen,

  ik kan U niet ontgaan.

  Geen hoogte, diepte zal mij van U scheiden,

  de nacht licht als de dag,

  bevrijdend staat Gij immer aan mijn zijde,

  hoe ben ik in uw macht.

---

*316

#5

1

  Dit is de dag van ons geluk,

  wij ademen de grote rust,

  God zet ons in een gunstig licht,

  Hij roept ons voor zijn aangezicht.

2

  Gedenkend wie wij zijn geweest,

  vieren wij ons bevrijdingsfeest,

  God trok ons uit de slavernij,

  wij mensen mogen er weer zijn.

3

  Heer Jezus, Gij breekt uit het graf,

  met U begint een nieuwe dag,

  Gij voert ons in uw uittocht mee,

  o herder die ons toekomst geeft.

4

  Wat ons ook van de mensen scheidt,

  vandaag spreekt uw barmhartigheid,

  wij allen delen in uw rust,

  het dier zelfs leeft naar hartelust.

5

  Dit is de dag van ons geluk,

  de dag waarvoor het duister vlucht,

  een teken van wat God bedoelt,

  een wereld waar de vrede bloeit.

---

*317

#3

1

  De mens leeft niet alleen op aarde,

  ook dieren zijn door God geschapen,

  de mus, de vis, de leeuw, het paard,

  God schiep hen allen naar hun aard.

  De dieren hebben recht op leven,

  God heeft hen met zijn geest gezegend,

  Hij houdt zijn oog op hen gericht,

  zij spelen voor zijn aangezicht.

2

  Wie zal hen liefdevol beschermen,

  zich aan hen geven als een herder,

  God gunt de mens de hoge eer

  om uit te blinken als hun heer.

  Hij zal het beeld zijn van zijn Schepper

  wanneer hij hart voor hen zal hebben,

  de mens is Gods gelijkenis

  als hem Gods schepping heilig is.

3

  O God wees ons toch goedertieren,

  wij zijn geen herders voor de dieren,

  zij zuchten onder ons geweld,

  verslagen ruimen zij het veld.

  Heilloos verlopen onze wegen,

  de aarde wordt weer woest en ledig,

  ontferm U over al wat leeft,

  herschep ons mensen naar uw beeld.

---

*318

#2

1

  De opgestane Heer

  gunt ons de hoge eer

  zijn schatten te bewaren,

  te leven voor zijn zaken.

  Zijn huis, zijn goed en bloed

  vertrouwde Hij ons toe,

  wij mogen in zijn naam

  voor zijn belang instaan,

  zijn wil dienstvaardig doen-

2

  Hij roept tot waakzaamheid,

  het is de hoogste tijd

  voor hoop, geloof en liefde,

  zullen wij voor Hem kiezen?

  Doen wij gerechtigheid,

  werken wij aan zijn Rijk,

  de dagen gaan hun gang,

  de Heer wacht al zo lang,

  nog geeft Hij ons de tijd.

---

*319

#4

1

  O God wij bidden U om vrede,

  de schepping is in ademnood,

  wij staan elkander naar het leven,

  wij zijn elkanders hongerdood,

  o God wij roepen U om hulp,

  wij gaan gebogen onder schuld.

2

  Gij geeft ons telkens nieuwe kansen,

  bevrijdend brengt Gij ons aan 't licht,

  wij mogen leven voor de ander,

  wij zijn op liefde ingericht,

  o God omdat Gij ons bemint

  vormen wij mensen een gezin.

3

  Wij zitten samen aan een tafel,

  wij delen met elkaar het brood,

  om alwie hongert blij te maken

  vechten wij tegen nijd en nood,

  wij kennen geen tevredenheid

  voordat alom de vrede rijpt.

4

  O God wij zijn uw volk op aarde,

  getuigen der gerechtigheid,

  de schepping haalt in ons diep adem,

  wij mogen haar geweten zijn,

  wij roemen U om ons geluk,

  wij zegenen wie wordt verdrukt.

---

*320

#3

1

  Gods woorden nemen wij ter harte

  Hij spreekt een taal van brood en wijn

  het lieve leven is voorhanden

  @eldadig is Hij ons nabij.

  Overal te vinden

  noemt Hij ons beminden

  brengt Hij ons terecht.

  Hoog gaan zijn gedachten

  God is ons barmhartig

  vrede wat Hij denkt.

2

  Waar mensen zinnen op het kwade

  gaat God zijn hemelhoge weg

  verheven is Hij in genade

  Hij heeft zijn hand op ons gelegd.

  Wat wij niet bedenken

  liefde en ontferming

  stort Hij over ons.

  Hoger dan de wegen

  van ons boze leven

  gaat de weg van God.

3

  Wij hopen op het ongedachte:

  een aarde waar de liefde woont,

  niets is het Woord van God te machtig

  die in de hoge hemel troont.

  God  uw wil geschiede:

  schepping die weer nieuw is

  eindeloos in bloei.

  Breng ons op uw wegen

  trek ons naar uw vrede

  kom ons tegemoet.

---

*321

#1

1

  O God, hoe diepingrijpend

  hebt Gij ons mensen lief,

  dit kind ontgaat U niet,

  Gij weet het te bereiken.

  Verstrekkend is uw aandacht,

  Gij maakt geschiedenis,

  wat ons het liefste is,

  mag leven op uw adem.

---

*322

#5

1

  Nu gaat de hemel open,

  de aarde raakt in bloei,

  de vrede daalt van boven,

  God lacht de mensen toe.

2

  Een kind ligt in de kribbe,

  Gods Zoon gaat onze gang,

  het leven kan beginnen,

  geluk ligt voor de hand.

3

  Het Woord is vlees geworden,

  God drukt ons aan het hart,

  Hij heeft zijn Zoon gezonden,

  van ons een bloedverwant.

4

  Hij zit bij ons aan tafel,

  Hij deelt met ons zijn brood,

  zijn God is onze Vader,

  Hij is een huisgenoot.

5

  O broeder in ons midden,

  Gods strijd om ons bestaan,

  wij willen U aanbidden,

  wij leven in uw naam.

---

*323

#3

1

  Groot is de God die vol verwachting

  mensen zijn aarde toevertrouwt,

  groot is de God die oppermachtig

  zo op de kleine mensen bouwt.

  Groot is de mens

  die doet wat God wenst:

  wie voor zijn schepping zorgt

  leeft als een ware vorst.

2

  God stelt zijn eer in onze hoogheid,

  alles legt Hij in onze hand,

  zijn naam moet luisterrijk en groot zijn

  in wat de mens als koning kan.

  Wie zich ontfermt,

  Gods werk beschermt,

  wie goede herder is

  komt stralend aan het licht.

3

  Wat doet de mens in den beginne,

  Adam geeft aan het dier een naam,

  hij wil zich aan Gods wereld binden,

  hij brengt de lieve vrede aan.

  Laten ook wij

  een herder zijn,

  de wereld is in nood,

  God stelt op ons zijn hoop.

---

*324

#4

1

  Mensen leven naar de dood,

  vlees en bloed zijn alle mensen,

  eenmaal buigen zij het hoofd,

  aan zichzelve staan zij bloot,

  niemand kan zijn leven wenden.

2

  Langs de weg van alle vlees

  gaat de mens met vrees en beven,

  is zijn leven tevergeefs ?

  Wat zijn vreugde is geweest,

  wordt het nu voorgoed vergeten ?

3

  Mensen leven met hun God,

  trouwe vader, goede schepper,

  nooit laat Hij de zijnen los,

  wat zijn hand aan ons begon

  zal in eeuwigheid niet sterven.

4

  God gaf ons zijn lieve zoon,

  brood des levens, goede herder,

  opgestane uit de dood,

  zalig wie in Hem gelooft,

  vrolijk gaat zijn leven verder.

---

*325

#3

1

  Jezus, opgestane Heiland,

  Gij reikt ons het leven aan,

  overal waar Gij voorbij kwam

  mocht de wereld verder gaan,

  licht geeft Gij aan onze ogen,

  oude harten maakt Gij vrolijk,

  Gij behoedt ons voor de dood,

  maakt ons leven eindeloos.

2

  Wie zijn wij voor onze broeders,

  waarom gaan wij hen te lijf,

  herders die zichzelve zoeken,

  Ka‹nskinderen zijn wij,

  Jezus Christus, goede herder,

  Lam dat voor ons wilde sterven,

  leer ons waakzaam en attent

  leven voor een medemens.

3

  Jezus, Heer van deze wereld,

  alles ademt in U op,

  waar verval is brengt Gij leven,

  mensen leidt Gij naar hun God,

  bomen zingen van uw zegen,

  dieren zijn U zeer genegen,

  heel de schepping raakt in bloei,

  Heer, die leeft en leven doet.

---

*326

#2

1

  Wij hopen op de stad van God,

  de hemel die op aarde komt,

  een ongebroken schepping.

  Verzoenend neemt God ons ter hand,

  Hij heeft zijn hart aan ons verpand,

  God is een God van mensen.

  Hij heeft ons voor geluk bestemd,

  Hij roept ons naar Jeruzalem,

  de stad van licht en vrede.

  Hij geeft de ruimte aan zijn volk,

  wij krijgen vaste voet aan grond,

  voorgoed zullen wij leven.

2

  Wij zoeken Gods aanwezigheid,

  woonplaats van zijn gerechtigheid,

  Jeruzalem van boven.

  Wie bidt ontvangt, wie zoekt die vindt,

  God maakt met ons een nieuw begin,

  de stad gaat voor ons open.

  Wie op Gods grote toekomst hoopt

  leeft niet meer zinloos, loopt niet dood,

  geen macht houdt hem meer tegen.

  God zegent en bevestigt hem,

  zijn weg loopt naar Jeruzalem,

  hij is zijn leven zeker.

---

*327

#4

1

  Leve de mens

  die zich ontfermt

  over wie hulp behoeft,

  lang leve de mens

  die redt en beschermt,

  de mens die liefde doet.

2

  Leve de mens

  die niet zichzelf,

  die slechts de ander zoekt,

  lang leve de mens

  die nederig helpt,

  de mens die liefde doet.

3

  Leve de mens,

  hij is het beeld

  van God die liefde is,

  lang leve die mens,

  hij deelt en hij heelt,

  hij maakt geschiedenis.

4

  Leve de mens

  die liefde doet,

  met and'ren is begaan,

  hij leeft - der mens,

  voor God en voorgoed,

  gezegend zijn bestaan.