---
Zes bundels van Hanna Lam en Wim ter Burg
De liederen 1 - 30 van bundel 1 zijn genummerd 101 - 130
De liederen 1 - 15 van bundel 2 zijn genummerd 201 - 215
Enzovoorts ...
---
*101
#6
1
In het begin lag de aarde verloren,
in het begin in de duisternis;
God sprak zijn woord en het licht werd geboren,
't licht dat vandaag onze dag nog is.
2
In het begin zijn de wolken en luchten,
in het begin is de hemel ontstaan.
God sprak zijn woord en de wateren vluchtten:
zo bracht Hij scheiding en ruimte aan.
3
In het begin is de aarde geboren,
in het begin uit de diepte der zee.
In het begin kwam het gras en de bomen,
bloeiden de bloemen en graasde het vee.
4
In het begin zijn de sterren gaan branden,
in het begin kwam de zon en de maan.
Boven het land en de zee en de stranden
wijzen zij wegen en tijden aan.
5
In het begin kwamen vogels gevlogen,
in het begin werd hun lied al gehoord.
Vissen in 't water, wat leeft op het droge:
God schiep de dieren, elk naar hun soort.
6
In het begin riep God mensen tot leven,
in het begin was het woord in hun mond.
Wat was het goed om op aarde te leven,
wat was God blij dat de wereld bestond.
---
*102
#3
1
De aarde lag verloren
in leegte en donkerheid.
Toen is het licht geboren,
licht van de eeuwigheid.
Het duister werd doorbroken,
de dag kwam en de nacht.
God heeft zijn woord gesproken
en alles voortgebracht.
2
De wolken en de luchten,
de aarde en de zee,
de bomen en de vruchten,
de bloemen en het vee.
De lichten aan de hemel,
de vogels in het gras,
het water vol gewemel;
God zag hoe goed het was.
3
Toen kwam de mens tot leven,
een mens aan God gelijk.
De macht werd hem gegeven
over het dierenrijk.
De taal werd hem tot teken,
de aarde werd zijn land,
aan niets zou 't hem ontbreken,
want God was op zijn hand.
---
*103
#5
1
Het water steeg wel hoog,
maar wonder boven wonder
ging Noach niet ten onder,
de ark alleen bleef droog,
de ark alleen bleef droog.
2
De dieren gingen mee,
de groten en de kleinen
met Noach en de zijnen.
De dieren twee aan twee.
De dieren twee aan twee.
3
Zij dreven maanden rond.
Toen ging het water zakken,
de duif vond groene takken,
de ark liep aan de grond.
De ark liep aan de grond.
4
De aarde was er weer.
En mens en dier mocht wonen
onder de groene bomen,
in vrede met de Heer.
In vrede met de Heer.
5
De regenboog staat hoog,
als teken voor de volken,
Gods woorden te vertolken:
het land, het land blijft droog,
het land, het land blijft droog.
---
*104
#3
1
Weet je wat, weet je wat,
zeiden ze in Babelstad:
Laten wij een toren maken,
om elkaar niet kwijt te raken.
Bouwen gaan we groot en klein,
tot we in de wolken zijn.
2
Allemaal, allemaal
spraken zij dezelfde taal:
laat de wind ons niet verdrijven,
laat ons bij de toren blijven.
Want dat bundelt onze kracht,
torenhoog wordt onze macht.
3
Hoor je dat, hoor je dat,
Babel werd een babbelstad.
Want de Heer der mensenkindren
kwam dat stoute plan verhindren
Hij verwarde toen hun spraak
en de torenbouw liep spaak.
---
*105
#7
1
Jakob is gekomen
diep in de woestijn,
om van God te dromen
en een kind te zijn.
2
Vluchtend voor zijn vader,
vluchtend voor het recht,
zag hij daar die ladder
loodrecht opgericht
3
en de hemelboden
gingen op en neer;
met gesloten ogen
zag hij daar de Heer,
4
met gesloten oren
hoorde hij zijn naam,
dat hij was geboren
om voor God te staan.
5
Zo is hij verenigd
met zijn voorgeslacht
en hij werd gereinigd
in de zwarte nacht,
6
toen hij lag te slapen
aan de hemelpoort,
God zal niet verlaten
wie Hem toebehoort
7
en Hij zal hem geven
kind aan huis te zijn,
overvloedig leven
diep in de woestijn.
---
*106
#5
1
Jozef zoekt zijn grote broers,
alle tien zijn ze jaloers,
op zijn jas en op zijn dromen,
als ze Jozef aan zien komen,
wordt zijn mantel afgerukt.
Diep zit Jozef in de put.
2
Met een slavenkaravaan
moet hij naar Egypte gaan.
Alle dromen zijn vergeten,
heel veel kwaad wordt hem verweten.
Jozef die onschuldig is
komt in de gevangenis.
3
Lange jaren gaan voorbij,
maar de Heer is hem nabij.
Nieuwe dromen worden wakker
door de schenker en de bakker.
Maar de schenker, hij vergeet
al wat Jozef voor hem deed.
4
Farao hoog op zijn troon
droomt een wonderlijke droom.
Daarom laat hij Jozef komen
en dan worden alle dromen
van de koe en korenaar
en de maan en sterren waar.
5
God heeft alles omgekeerd,
Jozef wordt als vorst vereerd,
en het kwade valt in duigen
en de broers ze moeten buigen:
zo houdt God door Jozefs hand
't volk van Israel in stand.
---
*107
#3
1
Vannacht zal het wonder gebeuren,
wij hebben het lam reeds geslacht,
zijn bloed streken wij aan de deuren,
Egypte zal huis aan huis treuren,
maar wij gaan op reis deze nacht,
maar wij gaan op reis deze nacht.
2
Wij moeten ons brood haastig eten.
Het is weliswaar niet goed gaar,
maar wat hindert dat, nu wij weten
dat de Heer ons niet heeft vergeten,
met mantels al aan staan wij klaar,
met mantels al aan staan wij klaar.
3
Vannacht komen wij weer tot leven,
en gaan in een lange stoet,
naar 't land dat de Heer ons zal geven,
waar geen zweep meer wordt opgeheven,
waar wij leven in overvloed,
waar wij leven in overvloed.
---
*108
#3
1
Met Mozes zijn wij meegegaan,
omdat de Heer ons riep.
Wij zijn op weg naar Kanaan
maar 't water is zo diep.
En farao in onze rug,
hij wil zijn slaven weer terug.
Daar komen de soldaten al,
wij zitten in de val.
2
O Mozes, roep toch tot de Heer,
het water is zo diep.
Er is voor ons geen uitweg meer,
het water is zo diep.
Waar is 't beloofde paradijs?
Is dit het einde van de reis
dat wij verdrinken in de zee?
Waarom nam jij ons mee?
3
Maar Mozes heft zijn staf omhoog:
al is het water diep,
de wind steekt op, de zee wordt droog.
En Hij, die zelf ons riep,
Hij brengt ons naar de overkant,
Hij leidt ons naar 't beloofde land.
Maar farao met heel zijn stoet
gaat onder in de vloed.
---
*109
#6
1
De koning van Egypteland
trok al zijn legers saam.
Ons lot was echter in Gods hand.
Geprezen zij zijn Naam!
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
2
Hun ruiters zaten hoog te paard,
hun wagens reden snel.
Maar hoger nog verheven is
die streed voor Israel.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
3
De aarde dreunde van geweld,
de lucht zag zwart van stof,
Maar met ons was de sterke held.
Zing, Israel, zijn lof.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
4
Zijn adem baande ons een pad,
de wind werd bondgenoot.
De vijand echter vond zijn graf
in 't water van de dood.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
5
Voor altijd worden man en paard
verzwolgen in de vloed.
Maar rondom is de naam vermaard
van Hem die wondren doet.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
6
Looft nu de Heer met snarenspel
en heft de tamboerijn,
want Hij verloste Israel.
Geprezen moet Hij zijn.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
---
*110
#3
1
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je zo!
Als wij Jericho niet winnen,
komen wij het land niet binnen,
en ons volk zal blijven staan,
aan de poort van Kanaan
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je zo!
2
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je zo!
God geeft Jozua een teken:
trek de stad om zonder spreken,
doe dat zeven dagen lang,
Ik strijd voor u, wees niet bang.
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je zo!
3
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je zo!
Maar als de bazuinen schallen,
gaan wij juichen met zijn allen,
en de muren, dubbeldik,
vallen in elkaar van schrik.
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je zo!
---
*111
#4
1
De grote mensen durven niet,
heel Israel is bang,
voor Goliath, de grote reus,
die sterk is en heel lang.
2
Daar staat hij midden in het dal,
hij lacht hen uit en spot:
Waar blijft de man die vechten zal,
en waar is jullie God?
3
Maar David met zijn herdersstok
gaat helemaal alleen
de berg af naar die grote reus
en doodt hem met zijn steen.
4
Reus Goliath, reus Goliath,
't is uit met jouw geweld,
want David heeft op God vertrouwd,
en David is een held.
---
*112
#5
1
Jona heeft God wel verstaan,
maar hij stoort er zich niet aan.
Jona gaat heel eigenwijs
met een grote boot op reis.
Maar de Heer zegt: nee, nee, nee,
Jona moet naar Nineve.
Maar de Heer zegt: nee, nee, nee,
Jona moet naar Nineve!
2
Midden op de oceaan
komt zijn schip in een orkaan.
Jona wordt van boord gezet,
maar een vis heeft hem gered
Want de Heer zegt: nee, nee, nee,
Jona moet naar Nineve!
3
Na drie dagen duisternis
komt hij heelhuids uit de vis,
Jona gaat nu wel op pad,
naar die goddeloze stad.
Want de Heer zegt: nee, nee, nee,
Jona moet naar Nineve!
4
Nineve hoort Jona aan
en de mensen zijn ontdaan:
zitten neer in zak en as,
dagenlang wordt er gevast.
En de Heer zegt: nee, nee, nee,
sparen zal ik Nineve.
5.
Jona uit de grote vis
ziet dat God vol liefde is.
O, wat is die Jona kwaad,
Dat de stad haar straf ontgaat.
Maar de Heer zegt: nee, nee, nee,
wees toch blij om nineve!
---
*113
#7
1
De koning der Perzen schreef een gebod:
vanaf de dag van heden,
ben ik uw koning en ook uw God:
tot mij moet worden gebeden.
2
Maar Daniel trok er zich niets van aan.
hij bad zoals alle eeuwen
het volk van Israel had gedaan;
en zo kwam hij bij de leeuwen.
3
De leeuwen diep in de leeuwekuil
zijn niet op hem afgesprongen,
zij bogen hun kop en hielden zich schuil;
en Daniel heeft gezongen.
4
Hij zong voor God het hoogste lied,
de leeuwen lagen te gapen.
Maar koning Darius had verdriet,
hij kon die nacht niet slapen.
5
Heel vroeg is hij naar de kuil gegaan,
hij wilde het zeker weten.
O Daniel, kun je mij wel verstaan
of ben je opgegeten?
6
Nee koning, ik leef in de leeuwekuil,
het is of ik sta te dromen.
Een engel van God sloot de leeuwemuil
en niets is mij overkomen!
7
Toen werden de rollen omgekeerd,
een nieuw gebod werd gegeven,
en Israels God werd hoog geeerd,
die Daniel deed leven.
---
*114
#3
1
De hemel heeft een lied doen horen:
de aarde wordt weer paradijs.
God heeft zijn hart aan ons verloren,
het kind in Bethlehem geboren,
is daarvan eeuwig het bewijs.
2
Wie zal ons van Gods liefde scheiden?
Dit kind, dat komt in 's Heren naam,
wil als een koning voor ons strijden,
en als een herder ons geleiden,
als lam voor ons ter slachting gaan.
3
Nu stroomt het licht de wereld binnen.
nu zien wij hoe God overwint.
Het leven gaat opnieuw beginnen
wanneer wij ons, met ziel en zinnen,
gewonnen geven aan dit kind.
---
*115
#4
1
Van alle mensen deze moeder
gekust heeft Gods gezicht,
als in de plaats van beestenvoeder
Hij in de kribbe ligt.
2
Van alle schepsels deze dieren
verkoren zijn geweest
gastvrij te zijn en mee te vieren
dit uitgebannen feest.
3
Van alle dingen deze doeken
zijn leden hielden warm.
Heer Jezus vond in alle hoeken
geen enkel huis zo arm.
4
Het duurste geschenk ligt niet in watten.
God heeft het zo gewild.
Een stenen trog mag nu bevatten
die onze honger stilt.
---
*116
#3
1
Herders, heb je 't wel verstaan:
Christus is geboren.
Herders, laat je schaapjes gaan,
hoor de englenkoren
zingen nu het hoogste lied:
God vergeet de mensen niet.
Laat je kudde alleen,
ga naar Bethlehem
ineen kribbe moet je zoeken
't kindje in de doeken.
2
Wijzen, heb je 't wel verstaan:
Christus is geboren.
Tussen zon en tussen maan
is zijn ster gaan gloren.
Trek nu naar dat verre land,
met geschenken in je hand.
Hoe de reis zal gaan
wijst de ster wel aan.
In een kribbe miet je zoeken
't kindje in de doeken.
3
Mensen, heb je 't wel verstaan:
Christus is geboren.
't Lieve leven vangt nu aan
voor wie hem behoren.
Want de vrede van de Heer
daalde op de aarde neer.
Wij zijn niet alleen,
ga naar Bethlehem heen.
In een kribbe moet je zoeken
't kindje in de doeken.
---
*117
#7
1
De wijzen, de wijzen,
die gingen samen reizen,
vertrouwend op een koningsster,
zij wisten niet hoe ver.
2
Zij volgden het teken,
de dagen werden weken,
dan klopt een rijke karavaan
bij de paleispoort aan.
3
O koning wil ons horen:
er is een prins geboren,
in 't Oosten is zijn ster gezien,
staat hier zijn wieg misschien?
4
Herodes, hij hoorde
verschrikt naar deze woorden.
Een koningszoon bij mij in huis?
U bent beslist abuis.
5
De wijzen, de wijzen,
die moesten verder reizen,
de ster ging als een lichtend spoor
naar Bethlehem hen voor.
6
Zij hebben het gevonden
het kind door God gezonden,
Dat koning en dat knecht wil zijn
van ieder, groot en klein.
7
De wijzen, die weten
van sterren en planeten,
die baden nu in zonnelicht
en doen hun ogen dicht.
---
*118
#5
1
Te Kana werd een feest gevierd,
Maria was erbij.
Ook Jezus wou ter bruiloft gaan.
Hij was een mens als wij.
Geef ons te drinken, Heer.
Schenk ons uw Geest.
Breng ons tesamen
op uw bruiloftsfeest.
2
En als er goed gedronken is
komt er gebrek aan wijn.
Wie zal nu voor zijn vrienden
de ware wijnstok zijn?
Geef ons te drinken, Heer.
Schenk ons uw Geest.
Breng ons tesamen
op uw bruiloftsfeest.
3
Maria sprak: De wijn is op,
er is geen drinken meer.
Wat is er tussen u en Mij?
sprak Jezus onze Heer.
Geef ons te drinken, Heer.
Schenk ons uw Geest.
Breng ons tesamen
op uw bruiloftsfeest.
4
Maria sprak de knechten aan
als had zij 't niet gehoord.
Doe alles wat hij zeggen zal,
geloof Hem op zijn woord.
Geef ons te drinken, Heer.
Schenk ons uw Geest.
Breng ons tesamen
op uw bruiloftsfeest.
5
En Jezus sprak de knechten aan:
Vul alle kruiken maar.
Toen werd voor 't eerst op aarde
Zijn glorie openbaar.
Geef ons te drinken, Heer.
Schenk ons uw Geest.
Breng ons tesamen
op uw bruiloftsfeest.
---
*119
#4
1
Aan de oever van het meer,
luistren velen naar de Heer.
Maar zij zijn de tijd vergeten,
en er is haast niets te eten.
Meester, stuur de mensen vlug,
allemaal naar huis terug.
2
Waarom geeft hij hun geen brood?
Heer, de schare is te groot,
en wij hebben niets te missen
dan vijf broden en twee vissen,
en waar komt het geld vandaan
als wij eten kopen gaan?
3
Breng het eten dat er is,
breng het brood en breng de vis.
Want al zijn wij hier met velen,
eerlijk zullen w' alles delen:
Here zegen deze spijs,
en bewaar ons straks op reis.
4
Zo kreeg iedereen zijn deel
en er was zelfs brood teveel.
Niemand zat met lege handen,
't overschot ging in twaalf manden.
En het was voor allemaal
't wonderlijkste avondmaal.
---
*120
#2
1
Laat de kindren tot mij komen,
alle alle kindren.
Laat de kindren tot mij komen,
niemand mag ze hindren.
Want de poorten van mijn rijk
staan voor kindren open,
laat ze allen groot en klein
bij mij binnen lopen.
2
Laat de mensen tot mij komen
over alle wegen.
Laat de mensen tot mij komen,
houdt ze toch niet tegen!
Want de poorten van mijn rijk
gaan ook voor hen open,
als ze aan een kind gelijk
bij mij binnen lopen.
---
*121
#5
1
De herder heeft zich niet vergist,
de schapen zijn geteld.
Maar een klein schaapje wordt vermist,
dat dwaalt nog op het veld.
2
De herder neemt zijn stok en staf
en zoekt het overal.
Kwam er een wolf op 't schaapje af,
of maakte het een val?
3
Het is al donker en al laat
als Hij het schaapje vindt.
Hij streelt het zacht en is niet kwaad,
maar draagt het als een kind.
4
Hij draagt het op zijn sterke rug
ver buiten de woestijn.
Hij brengt het naar zijn kooi terug,
daar zal het veilig zijn.
5
Al is het schaapje eigenwijs
en gaat het honderd keer
niet met de kudde mee op reis,
de herder zoekt het weer.
---
*122
#3
1
Er was eens een koning,
die gaf een heel groot feest;
zijn vrienden zouden komen,
maar niemand is geweest,
zij lieten allen weten:
hoe zeer het ons ook spijt,
om nu te komen eten
hebben wij echt geen tijd.
2
De koning zond zijn boden
toen weer uit het paleis:
De rijken die ik noodde,
stellen op 't feest geen prijs,
ga daarom naar de wegen,
haal blinden van de straat
en stakkers uit de stegen,
nog is het niet te laat.
3
geef hun de ereplaatsen,
nu gaan de armen voor,
de eersten worden laatsten,
maar 't feest, het feest gaat door!
---
*123
#4
1
Meisjes dwaas, meisjes wijs,
gingen met elkaar op reis,
want zij hadden 't nieuws vernomen,
dat de bruidegom zou komen.
Zingend staan zij aan de kant,
met een lichtje in hun hand.
2
Maar waarom, maar waarom,
komt hij niet de bruidegom?
En de kleine lampjes kwijnen,
en de vreugde gaat verdwijnen.
Heeft dit wachten nog wel zin?
Alle meisjes slapen in.
3
Onverwachts, onverwachts,
komt Hij toch, te middernacht.
Wakker wordend uit hun dromen,
hebben vijf hun lamp genomen,
gaan de naderende stoet,
vrolijk zingend tegemoet.
4
Maar helaas, maar helaas,
zijn die andre meisjes dwaas.
Want zij hebben moet je weten
olie voor het licht vergeten.
Eenzaam staan zij aan de kant,
met een lampje dat niet brandt.
---
*124
#5
1
Er is geen plaats, er is geen plaats,
Zacheus is te klein.
Maar haastig klimt hij in een boom,
om er toch bij te zijn.
2
Daar zit die kleine tollenaar,
daar zit hij, hoog en droog.
De mensen kunnen hem niet zien,
maar Jezus kijkt omhoog.
3
Zacheus, waarom schuil je weg,
zo angstig als een muis?
Zacheus, kom vlug uit je boom
en breng mij in jouw huis.
4
Zacheus gaat met Jezus mee,
de mensen zijn verrast.
Zacheus is een tollenaar,
en Jezus is zijn gast.
5
Want Jezus, die de mensen kent,
Hij roept ze bij hun naam:
De ware Zoon van Abraham
laat niemand buiten staan!
---
*125
#4
1
Klim in de hoogste bomen,
pluk alle takken kaal;
de Koning onzer dromen
zal naar het paasfeest komen,
begroet Hem allemaal,
begroet Hem allemaal.
2
Vertel op alle wegen,
dat Hij in aantocht is.
Hij brengt ons heil en zegen,
geen vijand houdt Hem tegen,
geen macht die sterker is.
geen macht die sterker is.
3
Vlag met de groene twijgen
en maak voor Hem ruim baan!
Wij, die naar de vrede hijgen,
wij kunnen niet meer zwijgen:
Zijn koninkrijk breekt aan!
Zijn koninkrijk breekt aan!
4
Gooi nu maar opgetogen
de mantels op de grond:
Hosanna in de hoge!
Wij maken erebogen:
Gezegend Hij die komt!
Gezegend Hij die komt!
---
*126
#3
1
Nu graf en steen getuigen,
dat Hij is opgestaan,
moet elke knie zich buigen
en alle harten juichen:
het nieuwe Rijk breekt aan.
2
Hoor hoe de vogels zingen
boven het open graf,
als eens, in den beginne,
toen God aan alle dingen
leven en adem gaf.
3
Nu is de dood gestorven,
de duisternis gezwicht.
God houdt zich niet verborgen,
Hij brengt op deze morgen
het leven aan het licht.
--
*127
#7
1
Jezus deed de dood teniet.
Zing daarom het hoogste lied.
De Heer is waarlijk opgestaan,
halleluja!
2
Vrouwen uit Jeruzalem,
kwamen vroeg en zochten Hem.
De Heer is waarlijk opgestaan,
halleluja!
3
En hoe groot was hun verdriet,
want zij vonden Jezus niet.
De Heer is waarlijk opgestaan,
halleluja!
4
Maar een engel sprak hen aan:
Die gij zoekt is opgestaan.
De Heer is waarlijk opgestaan,
halleluja!
5
Denkt toch aan zijn eigen woord,
dat gij vroeger hebt gehoord.
De Heer is waarlijk opgestaan,
halleluja!
6
Hij, die grote mensenzoon,
gaat door 't graf heen naar zijn troon.
De Heer is waarlijk opgestaan,
halleluja!
7
Zoekt Hem bij de doden niet,
maar zingt mee het hoogste lied.
De Heer is waarlijk opgestaan,
halleluja!
---
*128
#4
1
't Is feest vandaag, 't is pinksterfeest,
wij staan in vuur en vlam,
want Hij, die bij ons is geweest,
werkt verder aan zijn plan.
2
Wij weten het nu zonneklaar:
al ging Hij van ons heen,
wat Hij belooft heeft, maakt Hij waar;
wij zijn niet meer alleen.
3
Wij gaan op weg, de wereld rond,
er is geen houden aan.
De woorden gaan van mond tot mond,
voor ieder te verstaan.
4
De wonderen zijn om ons heen,
ze waaien op de wind.
't Is feest vandaag, voor iedereen:
een nieuwe tijd begint!
---
*129
#3
1
Komt, laat ons vrolijk zingen
tot God die alles schiep;
die bloemen, vissen vogels
uit niet tot leven riep;
met nevels als een sluier
de groene aarde tooit;
zijn dauw als vreugdeparels
over de velden strooit.
2
Die heuvels schiep en dalen
waar Hij de aard' betrad;
die zon en maan en sterren
tot licht gaf op ons pad.
Looft Hem die ook de mensen
tot vreugd geschapen heeft,
en die ons onze schulden
om Jezus' wil vergeeft.
3
O God, die ons in Christus
een machtig Vader zijt,
verlos ons van het kwade,
nu en in eeuwigheid.
Leer ons als kindren leven
en spelen in uw hof
en met de englen zingen
Uw glorie en Uw lof.
---
*130
#6
1
Nu gaan de bloemen nog dood,
nu gaat de zon nog onder.
En geen mens kan zonder
water en zonder brood.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
2
Nu ben je soms nog alleen.
Nu moet je soms nog huilen
en als je weg wilt schuilen
kun je haast nergens heen.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
3
Nu heb je nooit genoeg.
Nu blijf je steeds iets missen
en in het ongewisse
of je ooit krijgt wat je vroeg.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
4
Daar is geen zon en geen maan.
Daar zal God ons verlichten.
Daar zullen alle gezichten
vol van zijn heerlijkheid staan.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
5
Daar is geen dorst of verdriet.
Daar zal God ons omgeven.
Daar is gelukkig leven
en het eindigt niet.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
6
Zing voor de eeuwige dag.
Zing voor zijn komst en zeg Amen.
Zing voor de Heer die ons samen
daar al van eeuwigheid zag.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,
de hemel en de aarde.
---
*201
#3
1
Wanneer ik naar Uw hemel kijk,
wat voel mij dan klein!
Wanneer de gouden maan daar prijkt,
overal waar sterren zijn,
dan weet ik Heer, zij allen gaan
de door U aangewezen baan.
De hemel, Heer, prijst wijd en zijd
Uw naam en majesteit.
2
Wanneer ik naar Uw hemel kijk,
wat voel mij mij dan klein!
Maar U zegt dat ik op U lijk,
mijn vader wilt U zijn.
O Heer, wat is een mensenkind,
dat U hem zo geweldig vindt,
en dat U steeds weer naar Hem vraagt,
en hem op handen draagt!
3
Wanneer ik naar Uw hemel kijk,
wat voel ik mij dan klein!
Maar heel de aarde is mijn rijk,
hier mag ik koning zijn,
over de vogels en het vee,
en alle vissen in de zee.
De aarde, Heer, prijst wijd en zijd
Uw naam en majesteit.
---
*202
#3
1
Zet nu de deur maar open:
de aarde is weer droog.
Zet nu de deur maar open
en laat de dieren lopen
onder de regenboog.
2
Zing voor de Heer der Heren:
wij staan op vaste grond.
Zing voor de Heer der Heren
die 't water wist te keren;
Hij sluit een nieuw verbond.
3
Zolang de mensen leven,
de aarde zal bestaan.
Zolang de mensen leven
zal regen zegen geven;
geprezen zij Zijn naam.
---
*203
#3
1
Abraham, Abraham,
verlaat je land, verlaat je stam!
Abraham, je moet gaan wonen
in het land dat Ik zal tonen.
Tel de sterren in de nacht,
zo groot wordt jouw nageslacht.
2
Abraham, Abraham,
verlaat je land, verlaat je stam!
Ik zal jou Mijn zegen geven,
je geleiden allerwegen,
en de volkeren tezaam
vinden zegen in jouw naam.
3
Abraham, Abraham,
verlaat zijn land, verlaat zijn stam!
Met een woord gaat hij het wagen.
Zonder verder iets te vragen
staat hij op en gaat op reis,
langs de weg die God hem wijst.
---
*204
#4
1
Een ladder naar de sterren,
een toren naar het licht,
ziet Jakob in zijn dromen
hemelhoog opgericht.
2
De engelen, zij lopen,
zij lopen af en aan;
de grenzen zijn doorbroken,
God noemt hem bij zijn naam:
3
Ik zal je niet verlaten,
al vlucht je voor 't gevaar.
Aan jou en aan jouw kinderen,
maak ik mijn woorden waar.
4
Dit land zal ik je geven,
waarop je dromend ligt.
Wees zeker van Mijn zegen,
de hemel is niet dicht.
---
*205
#4
1
Klein, klein kindje,
je leven loopt gevaar.
Ik maak een biezen mandje
en morgen is het klaar
2
Klein, klein kindje,
dit mandje wordt een boot.
Daarmee moet jij gaan varen
op leven of op dood.
3
Klein, klein kindje,
ik zet je tussen het riet.
Wie weet gebeurt het wonder
dat de prinses je ziet.
4
Klein, klein kindje,
als de prinses jou vindt,
dan gaat je boot niet onder;
jij bent een koningskind.
---
*206
#3
1
Zomaar te gaan met een stok in je hand,
zonder te weten
wat je zult eten.
Zomaar te gaan met een stok in je hand;
eindeloos ver is 't beloofde land.
2
Zomaar te gaan, wordt het leven of dood?
Altijd maar banger,
duurt het nog langer?
Zomaar te gaan, wordt het leven of dood?
In de woestijn worden kinderen groot.
3
Zomaar te gaan, met Zijn woord als bewijs,
altijd maar lopen,
altijd maar hopen.
Zomaar te gaan met Zijn woord als bewijs;
straks wonen wij in een paradijs.
---
*207
#5
1
Simson, Simson,
alle Filistijnen
verdwijnen, verdwijnen
als jij komt!
als jij komt!
Simson met je lange haren,
niemand kan jou evenaren,
Simson wat is jouw geheim?
Niemand krijgt je klein!
2
Toen een leeuw kwam aangeslopen,
ben je niet hard weggelopen.
Zonder zwaard en zonder speer
sloeg jij hem terneer.
3
Bij de vijand opgesloten,
brak je alle poorten open,
en je nam ze op je rug:
haal ze maar terug!
4
Niemand durft jou uit te dagen,
duizend man heb jij verslagen,
duizend mannen sloeg jij raak,
met een ezelskaak.
5
Simson met je lange haren,
niemand kan jou evenaren.
Als je waakt bij jouw geheim,
krijgt geen mens je klein.
---
*208
#3
1
Samuel hoort 's nachts een stem,
hoort een stem, die roept om hem.
Eli heeft hem zeker nodig,
maar zijn komst is overbodig.
Eli, die al bijna sliep,
Eli was het niet die riep.
2
Samuel hoort 's nachts een stem,
hoort een stem, die roept om hem.
Eli, die hem weer hoort komen,
Eli weet, dit zijn geen dromen.
't Is de God van Israel,
en Hij roept om Samuel!
3
Samuel hoort 's nachts een stem,
hoort een stem, die roept om hem.
Samuel loopt door de tempel,
Samuel knielt op de drempel.
En daar wacht hij op Gods woord:
Spreek Heer, want Uw dienstknecht hoort!
---
*209
#5
1
In Israel, dat God vergeet,
weerklinkt de stem van de profeet:
omdat dit volk God niet meer eert,
maar zich tot Baal heeft gekeerd;
geen dauw, geen regen valt er,
tot heel Israel zegt: de Heer is God!
2
In Israel, dat God vergeet,
weerklinkt de stem van de profeet:
besef dan toch, o volk in nood,
dat baal stenen geeft voor brood.
Er komt een eind aan Gods geduld,
kies heden, wie gij dienen zult!
3
In Israel, dat God vergeet,
weerklinkt de stem van God vergeet:
wij richten op de Karmeltop
van hout en steen een altaar op.
Hij, die met vuur antwoorden zal,
Hij is de God van Israel!
4
De baalpriesters in een kring
roepen tot aan de schemering:
o baal, god van de natuur,
o baal, antwoord ons met vuur!
Elia drijft met hen de spot:
de Heer is God, de Heer is God!
5
In Israel, dat God vergeet,
weerklinkt de stem van de profeet:
Elia bidt tot God, de Heer,
het vuur daalt van de hemel neer.
In Israel weet iedereen:
de Heer is God, De Heer alleen!
---
*210
#5
1
De mensen die gaan in het duister,
die wonen in 't land van de dood,
zij zullen een licht zien stralen;
het hemelse morgenrood.
2
Zij zullen weer zingen van vreugde,
de angst en de nood zijn voorbij,
geen vijand marcheert door de straten,
de kinderen spelen weer vrij.
3
De stok die hen sloeg is gebroken,
geen mens wordt vertrapt of verdrukt.
Zij krijgen weer tijd van leven,
er is een begin van geluk!
4
Want er is een prins geboren,
met prachtige namen gekroond.
En hij is de vorst van de vrede,
de God die bij de mensen woont.
5
Hij brengt het leven op aarde
terecht in zijn koninkrijk.
De mensen die gaan in het duister,
die worden de koning te rijk.
---
*211
#5
1
Daar komt de man uit Anathot,
hij deelt de woorden uit van God:
HOOR HET WOORD DES HEREN,
WIJ MOETEN ONS BEKEREN.
Maar niemand luistert naar zijn stem,
in heel Jeruzalem.
2
Het volk is doof, het volk is blind,
het slaat de woorden in de wind:
HOOR HET WOORD DES HEREN:
WIJ MOETEN ONS BEKEREN!
Voor vreemde goden knielt het neer;
vergeten is de Heer.
3
Waarom, o volk van Israel,
waarom is God niet meer in tel?
HOOR HET WOORD DES HEREN:
WIJ MOETEN ONS BEKEREN!
Hij die ons riep in de woestijn,
wil onze Vader zijn!
4
De kruik breekt stuk, de kruik breekt stuk,
de scherven brengen geen geluk:
HOOR HET WOORD DES HEREN:
WIJ MOETEN ONS BEKEREN!
Jeruzalem zal ondergaan.
Er is geen redden aan.
5
Daar komt de man uit Anathot,
hij deelt de woorden uit van God:
HOOR HET WOORD DES HEREN:
WIJ MOETEN ONS BEKEREN.
Maar niemand luistert naar zijn stem,
in heel Jeruzalem.
---
*212
#4
1
Toen Jona in de walvis zat,
diep in de zee beneden.
Toen Jonas in de walvis zat,
heeft hij tot God gebeden.
2
Hij schreeuwde boven het water uit,
zijn roep klonk door de golven:
o God, de zee heeft mij tot buit,
ik ben al haast bedolven.
3
Ik zit gevangen in een vis,
ik tast hier in het duister.
Er is geen hoop voor mij, hier is
geen mens die naar mij luistert!
4
Toen Jona in de walvis zat,
zo hopeloos verlaten.
Toen Jona in de walvis bad,
trok God hem uit het water.
---
*213
#3
1
Eer zij God in onze dagen,
eer zij God in deze tijd.
Mensen van het welbehagen,
roept op aarde vrede uit.
Gloria in excelsis Deo.
2
Eer zij God die onze Vader
en die onze Koning is.
Eer zij God die op de aarde
naar ons toegekomen is.
Gloria in excelsis Deo.
3
Lam van God, Gij hebt gedragen
alle schuld tot elke prijs,
geef in onze levensdagen
peis en vree, kyrieleis.
Gloria in excelsis Deo
---
*214
#3
1
Er roept een man in de woestijn,
wie zou dat zijn, wie zou dat zijn?
Die man in vreemde kleren
is de profeet des Heren!
De mensen, overal vandaan,
doopt hij in de Jordaan.
2
Een stem roept in de wildernis:
dat 't rijk van God in aantocht is!
breek daarom met het kwade,
God let op onze daden.
Maak voor Hem uit een rechte baan,
een weg die Hij kan gaan.
3
Ook Jezus komt naar de Jordaan,
tussen de mensen gaat Hij staan,
en als Hij zich laat dopen,
zet God de hemel open:
een duif daalt uit de hoge neer
op Jezus onze Heer.
---
*215
#4
1
Wij hebben op de fluit gespeeld
en dansten hand in hand.
Wij hebben op de fluit gespeeld
en zongen een lied van lief en leed,
maar jij stond aan de kant,
maar jij stond aan de kant.
2
Wij blazen weer de fluiten aan;
er is een nieuw begin!
Wij blazen weer de fluiten aan,
kom haastig van je plaats vandaan;
kom binnen in de kring!
3
Wij zingen nu een nieuwe wijs
en dansen hand in hand.
Wij zingen nu een nieuwe wijs:
ga met ons mee, wij zijn op reis
naar het beloofde land!
4
Het lied van ons verlangen gaat
de hele wereld rond.
Het lied van ons verlangen gaat
door elke stad, door elke straat,
tot de Messias komt!
---
*216
#5
1
De gasten wachten binnen,
wat moeten wij beginnen?
Er is geen wijn meer in de kan!
Maria hoort ervan.
2
Maria zegt tot Jezus
die met haar op het feest is:
hoe kan er nu een bruiloft zijn,
een bruiloft zonder wijn?
3
Maar Jezus zegt: haal water
en vul daarmee de vaten
en schep de wijn met vreugde uit;
wij drinken op de bruid.
4
En alle gasten drinken,
de glorias weerklinken;
in Kana gaat de bruiloft door,
daar zorgde Jezus voor.
5
Want Jezus openbaarde
Zijn heerlijkheid op aarde;
Hij doet geen water bij de wijn
maar maakt van water wijn.
---
*217
#3
1
De golven, wild en groot,
zij stormden op ons aan,
ons scheepje was in nood.
maar wij zijn niet vergaan.
2
Want Jezus was aan boord,
de storm werd overstemd
door zijn betreffend woord,
dat wind en water temt.
3
De ze erkend' haar Heer,
in al Zijn heerlijkheid.
De golven knielden neer
voor zoveel majesteit.
---
*218
#2
1
Kleine dochter van Jairus
ben je van het spelen moe?
Kleine dochter van Jairus
zijn voor goed je ogen toe?
Hoor, je vader roept een man,
die je wakker maken kan.
2
Kleine dochter van Jairus,
Jezus staat al voor de poort.
Kleine dochter van Jairus:
Jezus heeft het laatste woord.
Hoor..., Hij roept je bij je naam!
Het is tijd om op te staan
---
*219
#4
1
Ik moet de eerste wezen,
als 't water golven gaat.
Ik wil zo graag genezen,
maar ik kom steeds te laat
2
Ik slijt hier al mijn dagen,
geen mens kijkt naar mij om,
en niemand wil mij dragen,
mij dopen in de bron.
3
Heer Jezus, kom naar voren,
zeg dat ik op mag staan,
en laat mij nieuwgeboren
het leven binnengaan.
4
Dan is het leed geleden,
dan zing ik in de zon.
O Jezus, hoor mijn bede,
o Jezus, wees mijn bron.
---
*220
#3
1
Een vader had twee zonen;
de een ging ver van huis,
ging in de vreemde wonen,
hij bleef niet langer thuis.
En al het geld dat hij bezat,
verbraste hij daar in de stad.
Toen kwam er hongersnood
en hij zat bij de varkens neer
en had geen stukje brood.
2
Een zoon ging naar zijn vader:
een arme bedelaar.
Berouwvol klam hij nader,
de vader stond al klaar.
Hij liep hem haastig tegemoet,
en heeft hem weer als zoon begroet.
Al was hij alles kwijt,
de vader richtte een feestmaal aan,
en maakte hem geen verwijt.
3
Een vader had twee zonen;
de een bleef buiten staan,
hij wou niet binnenkomen,
niet naar het feestmaal gaan.
Hij vond zijn jongste broer te slecht,
toen wees zijn vader hem terecht:
Jij bent altijd bij mij,
maar deze zoon die dood was, leeft!
Kom binnen, wees toch blij.
*221
#3
1
Jezus die ons is voorgegaan,
barmhartige Samaritaan.
U heeft het zelf tot ons gezegd:
de naaste ligt op onze weg.
Maar wij gaan aan de overzij,
vaak achteloos aan hem voorbij.
2
Jezus die ons is voorgegaan,
barmhartige Samaritaan.
wij zien de anderen soms niet.
Al zijn wij kindren van het licht,
wij hebben de ogen vaak dicht.
3
Jezus die ons is voorgegaan,
barmhartige Samaritaan.
Wij moeten langs de wegen gaan,
de mensen bijstaan in Gods naam
Wij moeten doen zoals U deed,
en helpen in lief en leed.
---
*222
#2
1
Er zit een blinde bij de poort,
de poort van Jericho.
Hij heeft van Jezus' komst gehoord,
en daarom roept hij zo:
Zoon van David, kijk naar mij:
Kyrieleis!
Jezus, loop mij niet voorbij:
Kyrieleis!
2
En Jezus heeft die roep verstaan,
Hij zegt niet: zwijg maar stil!
Hij roept hem van zijn plaats vandaan,
en geeft hem wat hij wil.
Zoon van David, kijk naar mij:
Kyrieleis!
Jezus, loop mij niet voorbij:
Kyrieleis!
---
*223
#4
1
Nu moet gij allen vrolijk zijn,
de bomen zingen in de tuin,
het lege graf verzwijgt verzwijgt het niet,
de mond geopend voor een lied;
Halleluja! Halleluja! Halleluja!
2
De boze woorden zijn verstomd,
de wereld die op adem komt,
juicht met de vogels in de lucht,
dat nu de nacht is weggevlucht;
Halleluja!
3
Geen vlammend zwaard verspert de weg,
de engel die het voerde, zegt
dat alle leed geleden is,
en dat de Heer verrezen is;
Halleluja!
4
O goede engel bij het graf,
de lente lost de winter af,
bewaak het jonge groen en wijs
de ingang van het paradijs:
Halleluja!
---
*224
#4
1
De vissers op het meer,
zij visten tevergeefs;
de dag kwam al in zicht,
de netten bleven leeg.
2
De dag kwam al in zicht,
maar iemand op het strand riep:
Gooi de netten uit,
vis aan de rechterkant!
3
De vissers op het meer,
gehoorzaamden die stem.
De netten stroomden vol,
en zij herkenden hem.
4
De netten stroomden vol,
net als die andren keer.
Johannes riep het uit:
't Is Jezus! 't is de Heer.
---
*225
#4
1
Gods adem die van boven kwam zet
hart en ziel in vuur en vlam en
opent ons de oren dat wij zijn
tongval horen.
2
De tongen zijn van wind en vuur,
het Woord is brandend van natuur,
het loopt door alle landen
en opent mond en handen.
3
Het Woord wordt wijd en zijd verstaan.
het trekt zich alle dingen aan.
het doet ons ademhalen
en maakt ons wel ter tale.
4
Luister, dat ademend geluid.
God zaait de wind des Geestes uit
om straks een storm te oogsten,
de lof des allerhoogsten.
---
*226
#3
1
Een schare die niemand kan tellen,
uit ieder volk en elke stam;
een schare die niemand kan tellen,
zag ik voor de troon zich stellen,
voor de troon van God en het lam.
2
Men heeft hen bespot en verraden,
zij zijn vervolgd en onderdrukt.
Nu dragen zij witte gewaden,
God heeft hen verlost van het kwade.
Zij zingen het uit van geluk.
3
Zij zullen geen honger meer lijden,
de zon brandt niet meer op hun hoofd.
Het lam zal zijn schapen zelf weiden,
naar de bron van het leven leiden,
en hun tranen worden gedroogd!
---
*227
#3
1
O lieve Heer, ik ben zo blij,
de duisternis verdween,
de donkere nacht is weer voorbij.
Uw licht staat om mij heen.
2
Dank, dat ik voor Uw aangezicht,
de lieve lange dag,
met alle kindren van het licht
spelen en zingen mag.
3
O lieve Heer, ik ben zo blij
dat U mij steeds omringt.
U bent niet ver, U bent dichtbij,
dichtbij elk mensenkind.
---
*228
#2
1
Kijk eens om je heen,
kijk eens om je heen,
geef elkaar een hand,
je bent niet alleen.
Want wij moeten samen delen,
samen zingen, samen spelen.
Ook al zijn wij nog maar klein:
Samen spelen is pas fijn!
2
Kijk eens om je heen,
kijk eens om je heen,
wij zijn in de wereld niet alleen.
God kent ieder kind bij name,
zeg maar ja en zeg maar amen.
Ook al zijn we nog maar klein,
God wil onze Vader zijn.
---
*229
#3
1
De vogels in de bomen,
zij zingen hun lied.
De vogels in de bomen
verzwijgen U niet.
Zij stijgen de hemel
een eind tegemoet
en brengen in beurtzang
hun Schepper een groet.
2
De engelen daarboven,
zij zingen steeds door.
De engelen daarboven,
zij zingen ons voor.
Zij loven de Heer
en wij zingen hen na:
Het ere zij God
in de gloria.
3
De mensen op de aarde,
zij krijgen pas stem
wanneer zij weer gaan zingen
ter ere van Hem,
die steeds met Zijn liefde
het leven bekroont,
en die op het lied
van zijn kinderen woont.
---
*230
#3
1
De dag gaat nu bij ons vandaan,
hij vlucht achter de bomen;
De avondster is opgegaan:
de nacht zal spoedig komen.
2
Ook als de wereld donker ziet:
De Heer is in ons midden!
de duisternis verbergt Hem niet;
Hij hoort de kindren bidden.
3
Hij houdt het kwaad van ons vandaan,
bij hem zijn wij geborgen.
Wij kunnen rustig slapen gaan,
en wachten op de morgen.
---
*301
#3
1
Mijn knecht, ga er op uit,
zoek voor mijn zoon een bruid.
vertrek naar mijn geboorteland
met goud en zilver in je hand
blijf niet te lang op reis,
want ik ben oud en grijs.
2
Het wordt een lange tocht,
maar hij vindt wat hij zocht,
een meisje, stralend als de zon
zij put het water uit de bron
en deelt met liefde uit:
Rebekka wordt de bruid.
3
Rebekka wil wel gaan
naar 't land van kanaan.
Zij gaat op reis naar het geluk
en Isaak wacht bij de put.
Als hij Rebekka ziet,
vergeet hij zijn verdriet.
---
*302
#4
1
Jacob gaat terug naar huis,
nog een dag, dan is hij thuis.
Hou zou Esau hem ontvangen?
Met het uur wordt Jacob banger.
Als de zon ten onder gaat,
krijgt hij het gewoon te kwaad.
2
Jacob worstelt in de nacht
met een vreemde sterke macht.
Hij laat zich niet overwinnen
ook al is hij bang van binnen.
Hij vecht tot het morgenlicht
en dan is zijn heup ontwricht.
3
als de vreemde hem verlaat
in de vroege dageraad,
houdt hij hem manmoedig tegen
en hij vraagt hem om een zegen.
Naar de vreemde kijkt hem aan
en vraagt Jacob naar zijn naam.
4
Jacob is je oude naam,
jij heet Israel voortaan.
Want met God heb je gestreden,
overwonnen en gebeden.
's Heren zegen rust op jou.
Stralend rijst de zon in 't blauw.
---
*303
#5
1
Die de vijand heeft verslagen
zonder paard en zonder wagen,
zonder leger sterk en groot maar
met God als bondgenoot.
Dit is het lied van de man die overwon,
Dit is het lied van Gideon.
Gideon.
2
Met bazuinen en met kannen
wapent Gideon zijn mannen,
hij deelt fakkels uit en waakt
tot de sterke vijand slaapt.
Dit is het lied van de man die overwon,
dit is het lied van Gideon.
Gideon.
3
Middernacht geeft hij een teken,
fakkels branden, kruiken breken,
de bazuinen klinken luid
en de vijand schreeuwt het uit.
Dit is het lied van de man die overwon,
Dit is het lied van Gideon.
Gideon.
4
De soldaten van het leger
moeten lopen voor hun leven.
Israel juicht opgelucht
nu de sterke vijand vlucht.
Dit is het lied van de man die overwon,
Dit is het lied van Gideon.
Gideon.
5
Zo wordt Midian verslagen,
zonder paard en zonder wagen,
zonder leger sterk en groot,
maar met God als bondgenoot.
Dit is het lied van de man die overwon,
Dit is het lied van Gideon.
Gideon.
---
*304
#4
1
David werd gekozen
boven alles uit,
Hij de kleine jongen
met de herdersfluit.
2
Hij kwam als de kleinste
helemaal vooraan;
hij mocht koning worden,
koning in Gods naam
3
David heeft gezongen,
David speelde harp
en hij heeft gesprongen
vrolijk voor de ark.
4
David gaf de toon aan;
David zong ons voor
en die oude woorden
zingen nog steeds door.
---
*305
#5
1
Uit onze stad zijn wij verdreven,
in ballingschap moeten wij leven,
maar hier van binnen klaagt een
stem van heimwee naar Jeruzalem.
Als de Heer ons thuisbrengt
zal het zijn alsof wij dromen.
Als de Heer ons thuisbrengt
zal het zijn alsof wij dromen.
2
Geen vijand zal ons kunnen dwingen
om Sions liederen te zingen
Hoe komt er ooit op vreemde grond
een tempellied uit onze mond?
Als de Heer ons thuisbrengt
zal het zijn alsof wij dromen.
Als de Heer ons thuisbrengt
zal het zijn alsof wij dromen.
3
De harpen hangen in de bomen
totdat er goede tijden komen.
Wie weet, wie weet, zien wij elkaar
wel in Jeruzalem 't volgend jaar.
Als de Heer ons thuisbrengt
zal het zijn alsof wij dromen.
Als de Heer ons thuisbrengt
zal het zijn alsof wij dromen.
4
Wie zou Jeruzalem vergeten,
de naam van Sion niet meer weten?
Jeruzalem o stad van goud,
waar ik met heel mijn hart van houd.
Als de Heer ons thuisbrengt
zal het zijn alsof wij dromen.
Als de Heer ons thuisbrengt
zal het zijn alsof wij dromen.
5
Wij zitten hier aan babels stromen
en blijven van de vrede dromen.
Want God, de Heer, die wonderen doet,
Hij brengt ons eenmaal thuis voorgoed.
Als de Heer ons thuisbrengt
zal het zijn alsof wij dromen.
Als de Heer ons thuisbrengt
zal het zijn alsof wij dromen.
---
*306
#5
1
Mijn volk, mijn volk, ik klaag je aan,
het is voorgoed met jou gedaan,
je schiet te kort als volk van God,
omdat je met zijn wetten spot.
Laat het recht,
het recht als water stromen,
dan pas,
dan pas zal er vrede komen.
2
Want God de Heer Hij weet, Hij weet,
Hoe je het recht met voeten treedt,
de armen uitbuit en verdrukt
en stuk maakt ieder klein geluk.
Laat het recht,
het recht als water stromen,
dan pas,
dan pas zal er vrede komen.
3
Hij weet, hoe je met valse maat
het koren uitweegt op de straat
en hoe je voor een schoen, een slof
je arme broeders hebt verkocht.
Laat het recht,
het recht als water stromen,
dan pas,
dan pas zal er vrede komen.
4
Al zing je alle dagen lang,
God luistert niet naar jou gezang,
Hij haat de offers die je geeft,
omdat je zonder liefde leeft.
Laat het recht,
het recht als water stromen,
dan pas,
dan pas zal er vrede komen.
5
Er is geen hoop, alleen verdriet,
je hoort Gods woord, maar doet het niet!
en 't leven komt pas tot zijn recht
wanneer je doet wat God je zegt.
Laat het recht,
het recht als water stromen,
dan pas,
dan pas zal er vrede komen.
---
*307
#5
1
Jezus, diep in de woestijn,
eenzaam en vol vragen,
voerde daar een zware strijd
veertig lange dagen.
2
Stenen nam hij niet voor brood,
Hij is niet bezweken,
ook al was de honger groot,
voor zijn tegenspreker.
3
Alle rijkdom, alle macht
lagen in zijn handen,
als Hij maar een knieval bracht
voor zijn tegenstander.
5
Jezus zei: Ik kniel niet neer,
want er staat geschreven:
Bidt alleen tot God de Heer,
dien hem heel je leven.
5
Jezus, diep in de woestijn,
veertig lange dagen,
bleef het in de zware strijd
met Gods woorden wagen.
---
*308
#5
1
Johannes weet het ook niet meer
en hij laat vragen aan de Heer
of Jezus de Messias is,
of heeft hij zich vergist?
2
Maar Jezus antwoordt op zijn vraag:
Kijk naar de tekenen van vandaag,
de kreupelen lopen door de straat,
de man die stom was, praat!
3
De blinden, tastend langs de wand,
zij zien de zon, het groene land,
en de melaatsen, ver van huis,
komen genezen thuis.
4
De hongerigen gaf Ik brood
en armen uitzicht in hun nood,
de doden slapen niet voorgoed,
zij hebben God ontmoet.
5
Johannes, rietpluim in de wind,
het nieuwe Koninkrijk begint!
Er is een klein begin, meer niet;
geloof in wat je ziet!
---
*309
#3
1
Wil je wel geloven
dat het groeien gaat,
klein en ongelooflijk
als een mosterdzaad,
dat je had verborgen
in de zwarte grond,
en waaruit een grote
boom ontstond.
2
Wil je wel geloven
het begin is klein,
maar het zal een wonder
boven wonder zijn
als je het gaat wagen
met Gods woord alleen;
dan gebeuren wonderen
om je heen.
3
Wil je wel geloven
dat je vrede wint,
als je vol vertrouwen
leeft, zoals een kind.
Als je een geloof hebt
als een mosterdzaad,
groeit de liefde uit
boven de haat.
---
*310
#4
1
Nicodemus, Nicodemus
die bij Jezus kwam
Nicodemus, Nicodemus
was een zeer geleerde man.
De Thora en de Profeten
kende hij haast uit zijn hoofd,
maar van Jezus wil hij weten:
Komt het rijk dat is beloofd?
komt het rijk dat is beloofd?
2
Nicodemus, Nicodemus
die bij Jezus kwam
Nicodemus, Nicodemus
was een zeer geleerde man.
Hij wil weten of de dromen
spoedig in vervulling gaan.
Waartoe Jezus is gekomen,
zoveel tekenen heeft gedaan?
Zoveel tekenen heeft gedaan?
3
Nicodemus, Nicodemus
die bij Jezus kwam
Nicodemus, Nicodemus
was een zeer geleerde man.
Maar hij krijgt die nacht te horen:
Waarom kom je met een vraag?
ziet het Rijk van God vandaag!
Ziet het Rijk van God vandaag!
4
Nicodemus, Nicodemus
die bij Jezus kwam
Nicodemus, Nicodemus
werd die nacht een wijze man.
toen de aarde lag te dromen
is hij uit de duisternis
naar de mensenzoon gekomen
die het licht der wereld is.
Die het licht der wereld is.
---
*311
#3
1
Wij wijzen met een vinger aan
wie onder ons heeft kwaad gedaan.
en onze woorden, hard als steen,
verwonden mensen om ons heen
2
Maar Jezus wees een andere weg:
Zondig niet meer, heeft Hij gezegd!
Hij nam geen stenen in zijn hand
maar knielde neer en schreef in 't zand.
3
Bij Jezus is een nieuw begin!
Hij zet zich voor ons allen in.
Hij brengt het kwaad niet aan het licht,
Maar hij vergeeft wat achter ligt.
---
*312
#3
1
De schapen luisteren naar een stem:
De stem van de herder.
Zij kennen hem uit duizenden,
de stem van de herder,
een stem die roept,
een woord dat leidt,
wie luistert raakt de weg niet kwijt.
De schapen luistren naar een stem:
De stem van de herder.
2
De mensen leven van het woord,
het woord van de herder.
't Is een kompas, het leidt hen voort,
het woord van de herder.
En wie dat woord voorgoed verstaat,
weet dat het niet verloren gaat.
De mensen leven van een woord,
het woord van de herder.
3
Het woord wordt uitgedeeld als brood,
het woord van de herder.
Het gaat door liefde heen en nood,
het woord van de herder.
Het woord draagt een geheimenis
dat God de goede herder is!
Het woord wordt uitgedeeld als brood,
het woord van de herder.
---
*313
#4
1
Voorbij gaan wij aan het geluk
want wij zijn alle dagen druk.
Wij luisteren niet blij verrast,
al zijn wij in Uw huis te gast.
Een ding is nodig, de rest is overbodig,
een ding is nodig, de rest is overbodig.
2
Maria koos het goede deel
maar wij, wij haasten ons te veel.
Zij kwam op adem door Uw woord.
Maar Martha heeft het niet gehoord.
Een ding is nodig, de rest is overbodig,
een ding is nodig, de rest is overbodig.
3
Zij had voor U geen open oor,
daar was zij veel te bezig voor.
Achter haar zorgen liep zij aan
en had geen tijd om stil te staan.
Een ding is nodig, de rest is overbodig,
een ding is nodig, de rest is overbodig.
4
Wij komen niet op ons verhaal
wanneer wij doof zijn voor Uw taal.
al zijn wij alle dagen druk;
Uw woord alleen brengt ons geluk.
---
*314
#5
1
Er was er eens een rijke man,
ja luister maar eens goed,
die had veel koren op zijn land,
koren in overvloed.
2
En toen de tijd van oogsten kwam,
toen wist hij zich geen raad
zijn schuren waren veel te klein.
de oogst lag op de straat
3
Ik breek mijn schuren af en bouw
de nieuwe dubbelgroot,
daarin berg ik mijn koren op;
voor jaren heb ik brood.
4
Maar God sprak: Man, je ben een dwaas,
al heb je veel vergaard,
vannacht eis Ik je leven op,
jouw rijkdom is niets waard.
5
Al zijn je schuren boordevol,
je hart is leeg, helaas.
Want God is niet bij jou in tel,
je ben een rijke dwaas.
---
*315
#3
1
De bomen in de vijgenhof,
zij worden groot en groen
maar een boom geeft geen vruchten meer;
wat moet de Landman doen?
Nergens vruchten, niet hier en niet daar!
De Landman blijft hopen op volgend jaar.
Nergens vruchten, niet hier en niet daar!
De Landman blijft hopen op volgend jaar.
2
De heer en meester van de hof
roept uit: Dit heeft geen zin!
die boom is drie jaar vruchtenloos
zet er de bijl in.
Nergens vruchten, niet hier en niet daar!
De Landman blijft hopen op volgend jaar.
Nergens vruchten, niet hier en niet daar!
De Landman blijft hopen op volgend jaar.
3
De Landman smeekt om meer geduld:
Laat hem nog een jaar staan!
Wie weet, komen er volgend jaar
wel nieuwe vruchten aan.
Nergens vruchten, niet hier en niet daar!
De Landman blijft hopen op volgend jaar.
Nergens vruchten, niet hier en niet daar!
De Landman blijft hopen op volgend jaar.
---
*316
#3
1
De laatsten zullen de eerste zijn
in het Koninkrijk van God.
De onderdrukten worden vrij,
god zet hen op de eerste rij,
geringen gaan voorop.
Geringen gaan voorop.
2
En wie zichzelf verhoogt, die wordt
het allerlaatst gezien.
Maar wie zich houdt aan Zijn gebod
die zal de grootste zijn voor God
die telt, die telt voor tien.
3
De eersten komen het allerlaatst,
God keert de rollen om.
Want Hij meet met een andere maat
en zet ons op de goede plaats
wanneer Hij weder komt.
---
*317
#3
1
Lazarus ligt op de stoep,
niemand luistert als hij roept,
niemand geeft hem iets te eten,
uitgehongerd en vergeten
wacht hij op wat kruimels brood;
en hij sterft in de hongerdood
2
Binnnen is de rijke man
en hij neemt het er goed van.
Er is brood voor nu en morgen,
vrolijk feest hij zonder zorgen;
tot de dood een einde maakt
aan geluk en leef maar raak.
3
Lazarus wordt in die nacht
door Gods engelen thuisgebracht.
Maar de rijkaard met zijn weelde
die het daaglijks brood niet deelde,
vind geen plaats bij God,
hij is buiten in de duisternis.
---
*318
#3
1
De vossen hebben holen, de vogel
heeft een nest.
Maar zij leven verscholen,
verstoten door de rest.
En nergens is voor hen een plaats,
want alle tien zijn ze melaats.
Maar Jezus komt voorbij:
O Heer heb medelij.
2
Als Jezus hen hoort smeken,
dan komt Hij dichterbij.
Hij heeft hen niet ontweken,
maar toont zijn medelij:
Ga naar de stad, ga alle tien
en laat je aan de priester zien.
Geloof wat Ik je zeg
dan gaat je ziekte weg.
3
Tien mensen zijn genezen,
een keert er zingend weer.
Waar zijn de andere negen,
vergeten zij de Heer?
Wie weg is wordt niet meer gezien,
behalve een, een van de tien.
Het was een vreemdeling
van wie Hij dank ontving.
---
*319
#4
1
Als je geen liefde hebt voor elkaar,
vallen de dromen in duigen.
Dromen van vrede worden niet waar,
kwaad is niet om te buigen.
Als je geen liefde hebt voor elkaar
leef je buiten Gods gloria.
Gloria.
2
Als je geen antwoord geeft op verdriet,
zullen de tranen niet drogen.
Als je het leed in de wereld niet ziet,
worden Gods woorden verbogen.
Als je geen liefde hebt voor elkaar
leef je buiten Gods gloria.
Gloria.
3
Als je geen oog hebt voor gemis,
als je geen brood weet te delen,
denk dan aan Jezus die brood en die vis
uit liefde deelde met velen.
Als je geen liefde hebt voor elkaar
leef je buiten Gods gloria.
Gloria.
4
Als je geen liefde hebt voor elkaar,
is er geen hoop meer op zegen.
Kinderen, maak de liefde toch waar;
schrijf het op alle wegen:
Als je geen liefde hebt voor elkaar
leef je buiten Gods gloria.
Gloria.
---
*320
#3
1
Vertel aan wie het horen wil
het Rijk van Vrede komt!
Het is nabij, zwijg niet meer stil,
bazuin, bazuin het rond.
Het eerste woord zal vrede zijn
waar jij ook binnen gaat.
Sjalom voor jou, Sjalom voor mij:
Maak van het woord een daad!
2
En als jouw groet geen goed ontmoet
je woord geen weerklank vindt,
schud dan het stof af van je voet,
't waait wel op de wind.
Het eerste woord zal vrede zijn
waar jij ook binnen gaat.
Sjalom voor jou, Sjalom voor mij:
Maak van het woord een daad!
3
Wanneer je gaat in vredesnaam
op weg door stad en land,
dan mag je blij zijn, want jouw naam,
staat woordelijk in Gods hand.
Het eerste woord zal vrede zijn
waar jij ook binnen gaat.
Sjalom voor jou, Sjalom voor mij:
Maak van het woord een daad!
---
*321
#5
1
Ik ben een ezel die wat staat te dromen,
een lastdier, zoals alle ezels zijn.
Aan zware vrachten kan ik niet ontkomen,
ik draag ze in de felle zonneschijn.
2
Ik word gedreven over smalle paden,
een zweepslag, zegt mij links of rechts te gaan.
Mijn kleine lijf is altijd overladen
en in mijn huid staan striemen van 't slaan.
3
Ik ben de minste onder alle dieren,
ik ben een ezel, ik tel niet zo mee.
Behalve een keer toen men feest ging vieren,
toen liep ik vooraan in de optocht mee.
4
Ik droeg een Koning op mijn grauwe haren,
een Koning zonder scepter, zonder kroon.
Ik zie de palmen nog na al die jaren
en nu nog hoor ik: Leve Davids zoon.
5
Ik ben een ezel die wat staat te dromen,
mijn oren houden stil de wacht.
Mischien zal Hij vandaag of morgen toch weer komen
en ik ben de eerste die Hem dan zal zien.
---
*322
#4
1
Judas heeft het niet begrepen
ook al volgde hij de Heer,
hij bleef halverwege steken
en zijn leven nam een keer.
Waarom, waarom kon je niet geloven
in het messiaanse rijk?
Waarom, waarom kon je niet geloven,
raakte jij de liefde kwijt?
2
Judas droomde van een koning
die met macht en met geweld
in de hoofdstad aan zou komen,
maar hij wordt teleurgesteld.
Waarom, waarom kon je niet geloven
in het messiaanse rijk?
Waarom, waarom kon je niet geloven
raakte jij de liefde kwijt?
3
Judas ziet geen overwinning
Jezus zit niet hoog te paard,
maar rijdt op een ezel binnen
zonder leger, zonder zwaard.
Waarom, waarom kon je niet geloven
in het messiaanse rijk?
waarom, waarom kon je niet geloven
raakte jij de liefde kwijt?
4
Judas heeft de Heer verraden,
want hij ziet geen toekomst meer
in de woorden en de daden
en het leven van de Heer.
Waarom, waarom kon je niet geloven
in het messiaanse rijk?
Waarom, waarom kon je niet geloven
raakte jij de liefde kwijt?
---
*323
#4
1
Petrus viste op het meer
maar hij legde zijn netten neer.
Jezus roept hem om te komen,
hij ziet messiaanse dromen
en laat alles in de steek
voor het woord dat Jezus spreekt.
2
Petrus gaat waar Jezus gaat
door elk dorp en elke straat.
Overal wil hij Hem volgen,
zelfs al is het op de golven.
Al gaan alle anderen heen
hij laat Jezus niet alleen.
3
Maar als Jezus wordt verhoord,
houdt ook Petrus niet zijn woord.
Grote woorden , kleine daden,
Petrus heeft zijn Heer verraden.
En daarbuiten kraait de haan,
huilend is hij weggegaan.
4
Petrus vist weer op het meer,
Jezus roept hem nog een keer:
Haal je netten uit het water,
heb Mij lief, en hoed Mijn schapen.
Ga op weg en zegt het voort:
Liefde is het sleutelwoord.
---
*324
#3
1
Twee mannen zijn op weg gegaan
naar Emmaus hier ver vandaan.
Het leed is niet te dragen,
hun hart is vol met vragen.
Vervolgen is hun laatste hoop
nu Jezus is gedood.
2
Een vreemde komt hen tegemoet
hun trage harten vatten moed,
want hij doet uit de doeken
de woorden uit de boeken:
Dat Jezus deze weg moest gaan,
wordt nu door hen verstaan.
3
Blijf bij ons, en wees onze gast?
Blijf bij ons, zeggen zij verrast.
De vreemde laat zich node.
Bij 't breken van de broden
is 't of hun ogen opengaan:
De Heer is opgestaan!
---
*325
#4
1
Thomas heeft Jezus niet gezien,
hij was die avond weg.
En ongelovig roept hij uit:
Ik geloof niet wat je zegt,
ik geloof niet wat je zegt.
2
Wanneer mijn ogen zelf niet zien
de tekenen van het slaan,
geloof ik niet dat Jezus leeft,
dat Hij is opgestaan!
dat Hij is opgestaan!
3
Maar Jezus komt en laat hem zien
Zijn handen en Zijn zij,
en Thomas stamelt: Heer,
de twijfel is voorbij.
de twijfel is voorbij.
4
Nu jij Mij ziet, geloof je wel
dat Ik ben opgestaan.
Maar zalig zij, die zonder zien
geloven in Mijn naam.
geloven in Mijn naam.
---
*326
#3
1
Er is een woord, waarvan ik zing,
het hangt als een herinnering,
als een belofte in de straat:
dat Hij ons niet voorgoed verlaat.
2
Hij geeft aan ons Zijn liefde mee.
Het is een baken in de zee,
een schuilhut tegen felle kou,
een onderdak voor mij en jou.
3
Zijn vrede spant zich als een boog,
als een vertroosting van omhoog
over de mensenkinderen heen.
Zo laat de Heer ons niet alleen.
---
*327
#2
1
De Heer is opgetogen.
Hij steeg boven ons uit.
Wij staan met onze ogen
voor een beslagen ruit.
Daarom heeft Hij geschreven:
Ik laat je niet alleen.
Een glimlach van Zijn vrede
valt door die woorden heen.
2
De Heer is in de wolken,
onttrokken aan ons oog.
Maar Hij heeft alle volken
Zijn Koninkrijk beloofd.
Al blijft Hij nu verborgen
in teken en in taal,
straks, op de nieuwe morgen,
zien wij Hem allemaal.
---
*328
#4
1
Wanneer U komt, o lieve Heer,
al is het middernacht,
het lichtje van verlangen brandt,
U komt niet onverwacht.
2
Wij gaan U haastig tegemoet,
de deur staat op een kier.
Wij brengen U de vredegroet
en zingen van plezier.
3
Wij zingen van Uw Koninkrijk,
wij zingen als een kind.
De koning zijn wij dan te rijk,
omdat het feest begint.
4
Het lichtje van verlangen brandt,
een droom die niet verteert.
Het lichtje van verlangen brandt,
totdat U wederkeert.
---
*329
#5
1
Jouw leven staat aan het begin,
het heeft nog geen herinnering,
het is zo weerloos en zo klein,
je weet nog niet hoe het zal zijn.
O Heer bevestig ons bestaan,
noem ons bij onze naam.
2
Jij weet nog niet wat leven is,
wat liefde is en wat gemis.
Jij weet nog niet van nee en ja
van ondergang en gloria.
O Heer bevestig ons bestaan,
noem ons bij onze naam.
3
Je huilt nog van verwondering,
maar jij hoort hier, in onze kring.
Het water wacht, die diepe zee
geeft jou een taal, een teken mee.
O Heer bevestig ons bestaan,
noem ons bij onze naam.
4
Dat teken is een heilgeheim:
God wil met jou verbonden zijn.
Hij is nabij waar jij ook bent,
omdat Hij je bij name kent.
O Heer bevestig ons bestaan,
noem ons bij onze naam.
5
Zo komt jouw leven aan het licht
Zo krijgt het zin, zo krijgt het zicht.
Gods adem heeft je aangeraakt
en jou tot bondgenoot gemaakt!
O Heer bevestig ons bestaan,
noem ons bij onze naam.
---
*330
#4
1
Waar zou de stad van vrede zijn,
kun je er komen al ben je klein?
Is het ver weg over land, over zee
is het er ja of is het er nee?
2
Hoe komen wij op het goede spoor,
is het linksaf, of is het rechtdoor?
Is het niet hier en is het niet daar,
is het er nee, of is het er ja?
3
Zijn alle dromen dan toch bedrog,
hebben wij hier tevergeefs gezocht?
Is het een sprookje en is het niet waar,
is het er nee, of is het er ja?
4
Wij willen weten, wij willen zien
wij willen weten, wij tellen tot tien.
Geef ons een teken van vrede mee!
Is het er ja, of is het er nee?
---
*401
#5
1
Isaak, bejaard en blind
vraagt zijn zoon, zijn oudste kind:
maak, voordat ik sterven ga,
nog eens lekker eten klaar.
Dan krijg jij de zegen mee
als de oudste, als de oudste,
dan krijg jij de zegen mee,
als de oudste van de twee.
2
Esau gaat direct op jacht,
maar Rebekka fluistert zacht:
Jakob, neem je kansen waar...
Esaus kleren liggen klaar!
Dan krijg jij de zegen mee
als de jongste, als de jongste,
dan krijg jij de zegen mee
als de jongste van de twee.
3
Jakob gaat in Esaus plaats,
Isaak twijfelt tot het laatste:
Esaus handen, Jakobs stem,
maar ik voel dat jij het bent!
Dan krijg jij de zegen mee
als de oudste, als de oudste,
dan krijg jij de zegen mee
als de oudste van de twee.
4
Kom mijn zoon, de morgendauw
van de hemel rust op jou,
volken dienen je als heer,
mensen buigen voor je neer!
Dan krijg jij de zegen mee,
als de oudste, als de oudste,
dan krijg jij de zegen mee,
als de oudste van de twee.
5
Jakob gaat, 't bedrog komt uit,
Esau huilt en schreeuwt heel luid:
Zegen mij ook, vader, mij
maar de zegen is voorbij!
Jakob kreeg de zegen mee,
als de jongste van de twee.
Jakob kreeg de zegen mee,
als de jongste van de twee.
---
*402
#3
1
Niet verder gaan, niet verder gaan,
alleen maar op een berg te staan
en 't land zien van je dromen.
Daar ligt het over de Jordaan
't beloofde land, het Kanaan,
waar Mozes nooit zal komen.
2
Na veertig jaar in de woestijn
zal hij niet bij de intocht zijn,
er is voor hem geen morgen.
Het volk trekt langs, van groot tot klein,
en Josua zal herder zijn.
God zal voor Mozes zorgen.
3
Hij wees het volk het goede spoor,
Nu gaan ze met Gods woorden door,
geschreven in twee stenen.
Hoor Israel, hoor Israel, hoor Israel,
voor Mozes gaan de dromen door,
hij is bij God verschenen!
---
*403
#5
1
Waarom staan die stenen daar
zomaar in het land,
twaalf stenen bij elkaar
aan de waterkant?
Is het soms een spelletje?
Nee, 't is een verhaal.
Luister, ik vertel het je allemaal.
2
Twaalf stenen in een kring,
hier bleef het water staan
en het volk van Israel ging
droog door de Jordaan.
Nee, het is geen spelletje,
het is een verhaal.
Luister, ik vertel het je allemaal.
3
Twaalf stammen op een rij
in een lange stoet,
liepen aan de ark voorbij
Kanaan tegemoet.
Is het soms een spelletje?
Nee, 't is een verhaal.
Luister, ik vertel het je allemaal.
4
Veertig jaren in de woestijn,
dromen van dit land,
en dan eindlijk thuis te zijn,
dansend hand in hand.
Nee, het is geen spelletje,
het is een verhaal.
Luister, ik vertel het je allemaal.
5
Twaalf stenen, meer is 't niet,
hier bij de Jordaan,
daarom, als een kind het ziet,
blijf dan stille staan!
Is het soms een spelletje?
Nee, 't is een verhaal.
Luister, ik vertel het je allemaal.
---
*404
#5
1
De bomen zijn op weg gegaan,
zij spraken de olijfboom aan:
word jij de koning van het woud
die van de bomen houdt?
Ik zorg voor olie in de kruik,
mijn vet wordt dagelijks gebruikt,
ik word geen koning met veel macht
die leeft van praal en pracht.
2
De bomen vroegen aan de vijg:
jij stond al in het paradijs,
word jij de koning van het woud
die van de bomen houdt?
Ik breng de mensen zoveel zoet,
geeerd word ik voor al dit goed,
ik word geen koning met veel macht
die leeft met praal en pracht.
3
De bomen zeiden toen: welaan,
wij zullen naar de wijnstok gaan:
word jij de koning van het woud
die van de bomen houdt?
Ik moet toch zorgen voor de wijn,
hoe kan er anders bruiloft zijn?
Ik word geen koning met veel macht
die leeft met praal en pracht.
4
De bomen gingen weer op reis:
al is de doornstruik eigenwijs,
word jij de koning van het woud
die van de bomen houdt?
Ik word wel koning recht of slecht,
en wie niet luistert, brand ik weg!
Ik ben een koning met veel macht
die leeft met praal en pracht.
5
De bomen hadden zich vergist!
Een doornstruik steekt,
een doornstruik is
geen goede koning van het woud
laagbijdegronds en koud.
De bomen kozen, maar verkeerd
want wie alleen met macht regeert
die gaat ten onder aan het kwaad,
ten onder vroeg of laat.
---
*405
#4
1
Ruth, die eens uit Moab kwam,
zonder kind en zonder man,
wil in Israel gaan wonen,
Israels God haar eer betonen.
Ik ga mee, zo klinkt haar stem,
ik ga mee naar Bethlehem!
2
Bethlehem wordt nu haar huis
maar er is geen brood in huis.
Daarom gaat Ruth aren lezen
want er moet toch eten wezen.
Achter Boaz' maaiers aan
zoekt zij het verloren graan.
3
Boaz wordt verliefd op haar
en ze trouwen met elkaar.
Dan wordt er een zoon geboren,
Ruth, die zoveel had verloren
noemt hem Obed, en zij prijst
God de Heer, die gunst bewijst.
4
Ruth, die eens uit Moab kwam,
zonder kind of zonder man,
treedt aan 't licht, haar zonnen komen
later zelfs op Israels tronen.
En haar naam wordt nog genoemd
wanneer David wordt geroemd!
---
*406
#6
1
De zoon van Kis uit Benjamin
die eens op zoek naar ezels ging,
hij word gezalfd door Samuel
tot koning, tot koning
van 't volk van Israel.
2
Maar toen het hele volk het wist
zat Saul verstopt achter een kist,
hij was verlegen en was bang
de koning, de koning
die sterk was en heel lang.
3
Saul bouwde aan zijn eigen rijk
en hij vergat Gods Koninkrijk.
Er komt daarom, zei de profeet,
een koning, een koning
die nooit meer God vergeet!
4
Saul was niet blij en vrolijk meer,
triest zat hij op zijn troon terneer,
en al zong David nog zo fijn,
de koning, de koning
was boos en vol venijn.
5
Zo vluchtte david als een hert
voor Saul, die als maar bozer werd.
De koning zocht door heel het land
maar David, maar David
was veilig in Gods hand.
6
Toen Saul de strijd verloren had
zong David met gebroken hart:
de helden vielen: zo bemind,
de koning, de koning
en Jonathan, mijn vrind.
---
*407
#3
1
David, David, speel nog eens voor mij,
dan gaat al mijn angst voorbij.
Overstem mijn boze dromen,
dat ze niet meer kunnen komen.
speel op de fluit 't liedje van verlangen.
Tokkel op je harp, speel op je fluit
't liedje van verlangen, zing het uit.
2
David, David, kom in mijn paleis,
zing mijn wanhoop van de wijs.
Want mijn dagen, David, luister,
zijn zo droevig en zo duister.
Tokkel op je harp, speel op je fluit
't liedje van verlangen, zing het uit.
3
David, David, vlucht niet weg voor mij,
neem je harp en zing mij blij.
Laat je lied van vrede horen
van de allerhoogste toren.
Tokkel op je harp, speel op je fluit
't liedje van verlangen, zing het uit.
---
*408
#7
1
De koningin van Scheba
ging heel koninklijk aan boord,
zo reisde zij naar Salomo
waarvan zij had gehoord.
2
In Scheba was haar al verteld:
die koning is zo wij,
al wat je vraagt, hij lost het op
daarom ging zij op reis.
3
Zo was zij in Jeruzalem
bij Salomo te gast,
en wat zij hoorde en daar zag
maakte haar blij verrast.
4
O koning Salomo, u weet
nog veel meer dan ik dacht,
de helft is mij niet aangezegd
van al uw praal en pracht.
5
De koningin van Scheba gaf
veel goud aan Salomo,
en salomo gaf op zijn beurt
veel moois aan haar kado.
6
Het was een wonderlijk bezoek,
van vragen word je wijs,
de koningin van Scheba ging
veel wijzer weer op reis.
7
Het hooglied van de koning klonk
tot ver over de zee,
de koningin nam dit geheim
voorgoed naar Scheba mee!
---
*409
#5
1
De koning richt een feestmaal aan
voor al zijn rijksgenoten,
maar Vasthi weigert om te gaan:
daarom wordt zij verstoten.
Dan neemt de koning een besluit:
Ik kies een nieuwe bruid!
Esther wordt koningin!
Esther wordt koningin!
2
De mooiste meisjes van het rijk
verschijnen ten paleize,
de koning keurt, de koning kijkt,
wie zal hij aan gaan wijzen?
Hij vindt het meisje naar zijn zin:
Esther wordt koningin!
Esther wordt koningin!
3
De oom van Esther in de poort,
hij weigert om te knielen,
daarom zint Haman om een moord
hij zal dat volk vernielen!
Dat joodse volk, dat zich verzet
en leef naar eigen wet,
en leef naar eigen wet.
4
Ook Esther hoorde van haar volk
en Mordechai liet vragen
wees onze koningin en tolk,
wij vasten hier drie dagen.
Verzwijg toch niet als koningin:
Ook ik ben een jodin,
ook ik ben een jodin.
5
Als Esther naar de koning gaat
wil hij haar alles geven,
zij komt niet om, de koning laat
het joodse volk weer leven!
Het poer, dat keert zich van hen af
en Haman krijgt zijn straf,
en Haman krijgt zijn straf.
---
*410
#5
1
Job, zoals het verhaal vertelt,
was een man met heel veel geld.
Hij probeerde goed te leven,
alle eer aan God te geven.
Job die steeds het kwaad ontweek,
liet zijn God niet in de steek.
2
Op een dag viel alles stuk
niets bleef over van 't geluk.
Schapen, runderen en zonen,
alles werd Job afgenomen.
diep in rouw zat Job nu neer
maar hij noemde God zijn Heer.
3
Arm als Job als hij nu was
zat hij daar in zak en as.
Het verdriet was niet te keren
en er kwamen boze zweren.
Zelfs Jobs vrouw zei: Zie je wel,
zeg je God nu maar vaarwel!
4
Ook Jobs vrienden, stuk voor stuk,
delen in zijn ongeluk.
En zij komen Job beklagen
en zij praten velen dagen.
Ieder denkt dat hij wel weet
wat het antwoord is op leed.
5
Woorden gaan van man tot man
ieder zegt er 't zijne van.
Maar na al dat redeneren
hoort Job naar het woord des Heren.
En hij wordt getroost door God
dan komt alles goed voor Job.
---
*411
#4
1
De Heer zal als een herder voor mij zorgen,
Hij schiet in liefde niet te kort.
De Heer zal als een herder voor mij zorgen,
bij Hem ben ik geborgen.
2
De Heer zal als een herder mij omgeven,
Hij leidt mij op het rechte pad.
De Heer zal als een herder mij omgeven,
Hij waakt over mijn leven.
3
De Heer zal als een herder voor mij strijden,
zelfs in de schaduw van de dood.
De Heer zal als een herder voor mij strijden,
Hij wijkt niet van mijn zijde.
4
De heer zal als een herder voor mij zorgen,
Het zet Zijn leven voor mij in.
De Heer zal als een herder voor mij zorgen,
ik ben niet bang voor morgen.
---
*412
#3
1
Eens zal er vrede zijn,
eens droogt God elke traan
en nergens wordt meer kwaad gedaan,
op alles staat Zijn heilige naam.
Geen oorlog wordt geleerd
wanneer de Heer regeert.
2
Eens zal er vrede zijn,
eens komt Gods Kanaan
de wolf ligt rustig naast het lam
de leeuw en beer zijn lief en tam.
De angsten zijn voorbij
de kinderen spelen vrij.
3
Eens zal er vrede zijn,
eens wordt Gods naam gehoord.
Hij spreekt voorgoed het laatste woord
en opent zelf de gouden poort.
Dan staan wij in het licht
dat straalt van Gods gezicht.
---
*413
#3
1
Advent is dromen dat Jezus zal komen,
dromen van vrede voor mensen van heden.
Advent is dromen dat Jezus zal komen.
En weer in geuren en kleuren verhalen
wat wij al weten uit oude verhalen:
Herders en sterren, een stal en een kind,
omdat het kerstfeest weer begint.
2
Advent is dromen dat Jezus zal komen,
Dromen als 't moet dat Hij komt voorgoed!
Advent is dromen dat Jezus zal komen.
omdat het bijna kerstfeest is.
wat wij al weten uit oude verhalen:
herders en sterren, een stal en een kind,
omdat het kerstfeest weer begint.
3
Advent is dromen dat Jezus zal komen,
dromen van vrede voor mensen van heden.
Advent is dromen dat Jezus zal komen.
Niet als een kind en niet in een kribbe
maar als een vredevorst hier in ons midden,
dan is er nergens verdriet meer of pijn,
dan zal het altijd kerstfeest zijn.
Advent is dromen dat Jezus zal komen,
dromen van vrede voor mensen van heden.
Advent is dromen dat Jezus zal komen.
---
*414
#4
1
Als Bethlehem gaan plaats meer heeft
voor 't kind dat wordt geboren,
alleen een grot nog ruimte geeft
laat zich de hemel horen:
Gloria, gloria, gloria,
in excelsis Deo!
In excelsis Deo!
2
als engelen zingen in de nacht:
Er is een kind gekomen,
dan zien de herders op hun wacht
de sterren aan de bomen!
Gloria, gloria, gloria,
in excelsis Deo!
In excelsis Deo!
3
Als herders durven op te staan,
niet lachen maar geloven,
en naar het kind zijn toegegaan
dan zingt de hemel boven:
Gloria, gloria, gloria,
in excelsis Deo!
In excelsis Deo!
4
Als de wijzen reizen en de ster
de weg weet zonder vragen,
dan is de vrede niet meer ver
dan komt Gods welbehagen!
Gloria, gloria, gloria,
in excelsis Deo!
In excelsis Deo!
---
*415
#4
1
In Jeruzalem staat een huis,
staat een huis, staat een huis.
In Jeruzalem staat een huis,
in Jeruzalem staat een huis.
Dat huis dat is een heiligdom,
en ieder kind weet wel waarom.
In Jeruzalem staat een huis,
daar heeft de Heer zijn thuis.
2
In dat huis daar komt een kind,
komt een kind, komt een kind.
In dat huis daar komt een kind,
in dat huis daar komt een kind.
De wijze mannen staan versteld
omdat het zoveel vragen stelt.
In dat huis daar komt een kind
dat woord voor woord begint.
3
Maar dat kind denkt niet aan tijd,
niet aan tijd, niet aan tijd.
Maar dat kind denkt niet aan tijd,
maar dat kind denkt niet aan tijd.
Hij is twaalf jaar en zoon der wet,
hij moet naar huis, naar Nazareth.
Maar dat kind denkt niet aan tijd.
Maria is hem kwijt!
4
In Jeruzalem ben ik thuis,
ben ik thuis, ben ik thuis.
In Jeruzalem ben ik thuis,
in Jeruzalem ben ik thuis.
Maria kijkt hem vragend aan:
Wat heb je ons toch aangedaan?
In Jeruzalem ben ik thuis,
hier ben ik kind aan huis!
---
*416
#4
1
Vier mannen en een zieke vriend,
die niet kan staan of lopen.
Vier mannen en een zieke vriend,
die op een wonder hopen.
Zij zoeken Jezus, maar helaas,
het huis is vol, er is geen plaats.
2
Vier mannen en een zieke vriend,
zij blijven toch geloven.
Vier mannen en een zieke vriend
sjouwen het bed naar boven.
Het dak moet open, zonder meer
zakt zo hun vriend voor Jezus neer.
3
Vier mannen en een zieke vriend,
zij wachten op de woorden.
Vier mannen en een zieke vriend
en weet je wat ze hoorden?
Sta op en wandel, draag je bed!
Zo wordt hun zieke vriend gered.
4
Vier mannen en een zieke vriend
die weer kan staan en lopen.
Vier mannen en een zieke vriend
zingen de hemel open!
Door ieder die bij Jezus staat
wordt God geprezen op de straat!
---
*417
#3
1
Kijk eens naar de vogels,
de vogels, mijn kind,
ze zaaien niet, ze maaien niet,
zij leven van de wind.
Geen vogel denkt aan morgen,
zij leven zonder zorgen
en vliegen hoog boven het land,
zij eten uit Gods hand.
2
Let eens op de bloemen
de lelien zo schoon,
ze werken niet, ze spinnen niet
wie draagt zo'n mooie kroon?
Geen koning en geen keizer
zo zorgeloos, zo wijzer,
zij staan te pronken op het land
en leven uit Gods hand.
3
Maak je toch geen zorgen
geloof niet zo klein
het eten en het drinken zal
er morgen ook wel zijn!
Begin vandaag te leven
God zal je alles geven
en morgen zie je dan wel weer.
Vertrouw op God de Heer!
---
*418
#3
1
Waar lijkt het op, waar lijkt het op,
het Koninkrijk van God?
Waar lijkt het op, waar lijkt het op,
het Koninkrijk van God.
Soms lijkt dat Koninkrijk op zaad,
op zaad dat in de aarde gaat
en uit dat zaad daar groeit een boom,
een goddelijke droom.
2
Waar lijkt het op, waar lijkt het op
het Koninkrijk van God?
waar lijkt het op, waar lijkt het op
het Koninkrijk van God?
Het is een heel groot bruiloftsfeest
voor wie aan God zijn trouw geweest,
zij komen overal vandaan
de kinderen gaan vooraan.
3
Waar lijkt het op, waar lijkt het op
het Koninkrijk van God?
Waar lijkt het op, waar lijkt het op
het Koninkrijk van God?
Het is een stad waar vrede woont
en waar God in het midden troont,
Gods goedheid is er zonneklaar
zijn liefde openbaar.
Daar lijkt het op, daar lijkt het op
het Koninkrijk van God!
---
*419
#5
1
Luister goed, luister goed, luister goed,
weet je wat de zaaier doet?
Hij zaait uit met volle handen,
werpt het breed uit op de landen.
Komt het zaad wel goed terecht?
Luister wat de zaaier zegt!
2
Van het zaad, van het zaad, van het zaad
viel een deel gewoon op straat.
En de vogels zijn gekomen
uit de takken van de bomen
en zij pikten alles weg,
van dat zaad kwam niets terecht!
3
Nog een deel, nog een deel, nog een deel
kwam wel op, maar 't was niet veel.
Want de grond zat vol met stenen
teveel aarde was verdwenen,
't groeide, maar 't verdorde snel.
want de zon scheen veel te fel!
4
Zaaien moet, zaaien moet, zaaien moet
maar soms valt het zaad niet goed.
Er viel zaad tussen de dorens
dorens groeien hoog als torens
en zo was er op het laatst
voor het zaad gewoon geen plaats!
5
En de rest, en de rest, en de rest,
daarmee ging het opperbest.
't Zaad viel in de akkergronden
het kwam op, het was een wonder
en het groeide uit tot graan.
Wie wil horen zal 't verstaan!
---
*420
#4
1
Daar zit een man, hij kan niet zien,
hij zit maar aan de kant.
Hij roept tot men uit medelij
wat geld geeft in zijn hand.
2
Hij hoort wel stemmen om zich heen
maar hij ziet geen gezicht.
Hij heeft nog nooit de zon gezien,
nog nooit een streepje licht.
3
Er komt een man die stil blijft staan,
hij heeft geen geld, geen goud,
maar strijkt zijn ogen in met slijk
en dat wordt zijn behoud!
4
Ik zie het licht, ik zie het licht,
mijn leven is gered!
En wil je weten wie dat deed?
De man van Nazareth!
---
*421
#6
1
Er was er eens een jongeman,
heel rijk en heel voornaam.
En op een dag is hij gewoon
naar Jezus toegegaan.
2
Ach goede meester, zeg mij toch
hoe ik leven moet?
Ik heb al wat mijn hart begeert
maar leef ik zo wel goed?
3
Waarom noem je mij goed, je weet
alleen maar God is goed.
Houd zijn geboden alle tien,
dan leef je zoals het moet.
4
Dat doe ik, wat ontbreekt mij nog?
Je bent gewoon te rijk!
geef alles weg, ga met mij mee
op weg naar het koninkrijk.
5
Ik kan het niet, ik kan het niet,
u vraagt teveel van mij.
Hij keert zich om en gaat naar huis,
wel rijk maar toch niet blij.
6
Is er geen hoop geen uitzicht meer
dat hij behouden wordt?
Misschien is ons geloof te klein.
maar alles kan bij God!
---
*422
#3
1
Een vader vroeg zijn oudste zoon:
Werk jij vandaag voor mij?
De zoon zei: "Ja", maar deed het niet,
hij nam een dagje vrij.
Wie heeft gehoord, wie heeft verstaan
wie heeft de wil van zijn vader gedaan?
Wie heeft gehoord, wie heeft verstaan,
wie heeft de wil van zijn vader gedaan?
2
Een vader vroeg zijn jongste zoon:
ga jij de wijngaard in?
De zoon zei: "Nee, dat wil ik niet
ik heb vandaag geen zin!"
Wie heeft gehoord, wie heeft verstaan
wie heeft de wil van zijn vader gedaan?
Wie heeft gehoord, wie heeft verstaan
wie heeft de wil van zijn vader gedaan?
3
Maar even later kreeg hij spijt
hij is naar huis gegaan
en heeft de hele dag gewerkt
zijn vaders wil gedaan!
Wie heeft gehoord, wie heeft verstaan
wie heeft de wil van zijn vader gedaan?
Wie heeft gehoord, wie heeft verstaan
wie heeft de wil van zijn vader gedaan?
---
*423
#4
1
Als een wijngaard is de aarde
met een toren en een muur.
Wij bepalen zelf de waarde
en betalen nooit de huur.
Wij vergeten telkens weer:
de aarde is van de Heer.
Wij vergeten telkens weer:
de aarde is van de Heer.
2
Wachters boven op de toren
met geweren in hun hand,
willen van geen pachtgeld horen
blijven baas in eigen land.
Wij vergeten telkens weer:
de aarde is van de Heer.
Wij vergeten telkens weer:
de aarde is van de Heer.
3
Als de zoon wordt uitgezonden
wordt hun hart met vrees gevuld,
en hun angst slaat diepe wonden
want zijn komst wordt niet geduld.
Wij vergeten telkens weer:
de aarde is van de Heer.
Wij vergeten telkens weer:
de aarde is van de Heer.
4
Eens wanneer de Heer zal komen
aan de einde van de tijd,
wordt het land dan afgenomen,
schenkt het ons de schulden kwijt?
Wij vergeten telkens weer:
de aarde is van de Heer.
Wij vergeten telkens weer:
de aarde is van de Heer.
---
*424
#3
1
De machtigen op aarde
zijn nog niet uitgeteld;
hun munten hebben waarde,
hun beeld staat op het geld.
Geef daarom aan de keizer,
aan de keizer waarom hij vraagt.
Maar geeft aan God, aan God de Heer,
de hoogste eer vandaag!
2
De munten van de keizer
ze brengen geen geluk,
want rijkdom maakt niet wijzer
en geld breekt zoveel stuk.
Geef daarom aan de keizer,
aan de keizer waarom hij vraagt.
Maar geeft aan God, aan God de Heer,
de hoogste eer vandaag!
3
God slaat aan gouden munten
geen geld uit ons bestaan,
maar neemt alleen de liefde
van alle mensen aan.
Geef daarom aan de keizer,
aan de keizer waarom hij vraagt.
Maar geeft aan God, aan God de Heer.
de hoogste eer vandaag!
---
*425
#3
1
Kijk naar de mussen, ze worden niet groot,
ze eten de kruimels van 't dagelijks brood.
Kijk naar de mussen, ze leven maar kort,
maar niet een wordt vergeten,
vergeten door God.
2
Kijk naar de mussen, ze zingen zo blij,
ze fluiten hun liedje voor jou en voor mij.
Kijk naar de mussen, maar zonder de Heer
valt niet een op de aarde,
de aarde neer.
3
Kijk naar de mussen bij jou in de straat,
maar ben je niet meer dan een musje waard?
Kijk naar de mussen, ze vliegen niet hoog,
maar de Heer houdt ze allen,
allen in 't oog.
---
*426
#3
1
Liefde is blij zijn,
een arm om je heen.
Liefde is lachen,
is nooit meer alleen.
Liefde is luistren,
de woorden gaan door
liefde is fluistren,
heel zacht in je oor.
2
Liefde is lopen,
mijn hand in jouw hand.
Liefde is hopen,
is gaan langs het strand.
Liefde is amen,
is wolken, is wind.
Liefde is samen,
is spelen als kind.
3
Liefde is zingen
is wit en is groen.
Liefde is zacht
is een kus in 't plantsoen.
Liefde is leven,
je ademt weer op.
Liefde is geven,
is leven met God.
---
*427
#5
1
Er kraait geen haan, er kraait geen haan
als Petrus bij het vuur gaat staan.
Er kraait geen haan en Petrus wacht
bij 't huis waar Jezus is gebracht.
2
Jij hoort bij Hem, jij hoort bij Hem,
zo roept opeens een vrouwenstem.
Jij hoort bij Jezus, waar of niet?
Maar Petrus zegt: Ik ken Hem niet!
3
Te dicht bij 't vuur, te dicht bij 't vuur,
waar moet hij schuilen op dit uur?
Te dicht bij 't vuur, en weer die vraag:
zag ik jou die bij Hem vandaag?
4
De derde maal, de derde maal,
zegt iemand: ik hoor aan je taal
dat jij er een van Jezus bent.
Maar Petrus vloekt en hij ontkent.
5
Er kraait een haan, er kraait een haan,
en hij is huilend weggegaan.
Er kraait een haan en Petrus weet:
ik liet mijn meester in de steek.
---
*428
#4
1
Bomen groeien in de hof,
in de hof van Eden.
Bomen fluisteren Gods lof
in de tuin van heden.
's Winters kaal en 's zomers groen
ademen zij elk seizoen.
Wanneer komt de tijd
door de Heer bereid,
wanneer zal Gods lente komen?
Wanneer komt de tijd
door de Heer bereid,
waarvan wij nog dromen?
2
Bomen maken intocht mee
en de mensen juichten.
Bomen in Gethsemane
zwijgende getuigen
van het leed dat Jezus wacht
in de laatste bange nacht.
Wanneer....
3
Bomen staan op Golgotha,
bomen zonder leven.
Waar is nu de gloria
van de Heer gebleven?
Vruchteloos hangt Hij aan 't kruis,
een gevelde boom in 't woud.
Wanneer....
4
Bomen groeien rond een graf
en de vogels zingen.
Jezus legt zijn doodskleed af
nieuw gaat Hij beginnen,
als een goddelijk gedicht
komt Zijn leven aan het licht.
Nu begint de tijd
door de Heer bereid,
want de vrede is gekomen.
Nu begint de tijd
door de Heer bereid,
waarvan wij nog dromen.
---
*429
#5
1
Saul van Tarsus gaat op reis,
klein van stuk en eigenwijs.
Hij tracht mensen op te sporen
die bij de beweging horen.
Wie een vriend van Jezus is,
komt in de gevangenis.
2
Saul van Tarsus jaagt maar door
als een vos volgt hij elk spoor.
Wie kan vluchten voor zijn handen
zoekt zijn heil in vreemde landen.
Saul van Tarsus wordt niet moe
hij gaat naar Damascus toe.
3
Saul van Tarsus is op pad,
hij is niet ver van de stad,
als een vuur, een licht van boven,
al Sauls plannen komen doven.
En een stem klinkt van dichtbij:
Waarom Saul, vervolg je mij?
4
Saul van Tarsus is verblind
en men leidt hem als een kind.
De vervolger is verslagen
hulpeloos is hij drie dagen.
Totdat Ananias komt;
hij maakt Saulus weer gezond.
5
Saul die dreiging sloeg en moord,
wordt gedoopt, van nu aan hoort
Saul bij Jezus' volgelingen,
omgekeerd zijn alle dingen!
Saul, al heeft hij zich vergist,
weet voorgoed wie Jezus is!
---
*430
#4
1
Dromen op een eiland,
dat de zee er niet meer is.
Dromen op een eiland,
geen gevaar meer en geen vis.
Geen water, geen verdrinken,
geen storm, geen boot kan zinken
en zelfs de tranen van verdriet
zijn weg, ze zijn er niet.
2
Dromen op een eiland,
Schrijf maar op, zo sprak een stem.
Dromen op een eiland
van het nieuwe Jeruzalem.
Met poorten en briljanten
een stad naar alle kanten,
naar Oost en West, naar Noord en Zuid,
een stad versierd als bruid.
3
Dromen op een eiland,
mensenmaat is engelenmaat.
Dromen op een eiland,
glanzend goud is daar de straat.
Geen tempel om te bidden
want God is in haar midden,
geen zon, geen maan, geen sterrelicht,
God zelf is daar het licht.
4
Dromen op een eiland,
poorten die wijd openstaan.
Dromen op een eiland
en geen macht zal meer bestaan.
Heel dicht bij God te wonen
onder de groene bomen,
dat droom ik met Johannes mee
op Patmos in de zee.
---
*501
#5
1
De intocht zal een optocht zijn
een eindeloze stoet.
Wij gaan na veertig jaar woestijn
de vrijheid tegemoet.
2
De oude droom van Mozes wordt
vandaag gelukkig waar,
en melk met honing drinken wij
in vrede met elkaar.
3
Wij dragen woorden met ons mee
en ieder kind hier weet,
dat het niet goed met ons zal gaan
wanneer je die vergeet.
4
Zo lopen wij door de Jordaan
naar het beloofde land,
en zetten als herinnering
twaalf stenen aan de kant.
5
De palmen wuiven in de wind
zij wensen ons: sjaloom,
en lachend huilend van geluk
zien wij de mooiste droom.
---
*502
#3
1
Wanneer je niet meer horen wilt
hoe alles is geweest,
van Mozes in Egypteland
en het bevrijdingsfeest.
Refrein:
Dan hebben wij een droom gehad,
wat overblijft is tranenstad.
2
Wanneer je niet meer samen deelt
de woorden niet meer leert,
wanneer je eigen wegen kiest
dan gaat het goed verkeerd.
Refrein
3
Wanneer jouw ja geen ja meer is,
wanneer je God vergeet,
dan is het eens beloofde land
voorbij voor je het weet.
Refrein
---
*503
#3
1
Weet je wel wie Debora is?
Een vrouw in de geschiedenis,
die van verzet en opstand wist
van macht door God gegeven.
Een moeder in Israel
zo waakt zij samen met Jael
de machten staan buitenspel
de toekomst staat op leven.
2
Maar Ruben was zo bang, zo bleek,
hij liet Debora in de steek,
bleef bij zijn schapen aan de beek,
is niet te hulp geschoten.
Ver weg aan de wijde zee
zat Asjer en deed ook niet mee
en Gilead bleef bij zijn vee
en Dan keek naar de boten.
3
Maar jij, Debora, nam het woord
jij hebt de mensen aangespoord:
Zet alle angsten overboord
het Licht is niet te doven.
De machten, de schone schijn
zij zullen hier geen koning zijn,
sta op, denk toch niet te klein,
ga in je God geloven!
---
*504
#5
1
Het is niet veilig in het land,
de dagen worden grijs,
de dromen schuiven naar de rand,
vergeten is de reis.
2
De vijand valt de mensen aan,
soms zomaar in de stad,
zij stelen geld, zij stelen graan
en branden alles plat.
3
'Geef ons een koning die regeert
die voor ons vechten kan,
want anders gaat het hier verkeerd:
Geef ons een sterke man!'
4
'Waarom, waarom', zegt Samuel,
'een koning die je ziet:
De koning van heel Israel
is God en anders niet! :
5
Er komt een koning in het land,
wel sterk maar niet zo wijs.
Het mooie melk- en honingland
wordt toch geen paradijs.
---
*505
#4
1
Jesaja van Jeruzalem
hij roept in elke straat:
vergeet de wapens, het geweld,
de bondgenoten willen geld
zij zetten aan tot haat.
2
Jesaja van Jeruzalem
weet dat het anders moet:
zet je voor recht en leven in
dan is er weer een nieuw begin
een toekomst die je groet.
3
Jesaja van Jeruzalem
droomt dat er op een dag
een stad zal zijn waar vrede is
een stad waar 't veilig wonen is
waar jij ook komen mag.
4
Jesaja van Jeruzalem
de woordenman van God
hij zwijgt niet stil hij roept maar door
wie kent zijn stem, wie geeft gehoor
zodat het vrede wordt?
---
*506
#4
1
Waarom heb je God vergeten,
doen je handen zoveel kwaad,
wil je niets meer van Hem weten
maar het is nog niet te laat.
Refrein:
Want een sprietje groen gaat groeien
vanuit een dorre stronk.
Overal zal vrede bloeien;
het recht op aarde komt!
2
Oorlog zal er niet meer wezen,
kind'ren spelen met een slang,
nergens is er kwaad te vrezen,
voor een leeuw is niemand bang.
Refrein
3
Voor de mensen die verdwalen
in een land vol donkerheid
zal een helder licht gaan stralen
want God zelf heeft ons bevrijd.
Refrein
4
De geweren zijn gebroken
en een kind brengt vrede aan.
Overal wordt recht gesproken,
Gods sjalom zal verder gaan.
Refrein
---
*507
#3
1
Ik weet van een stad die komen zal,
een stad op een berg hoog boven het dal,
met muren en poorten en lichten
en mensen met blijde gezichten.
Ik weet van een stad die toekomst heeft,
Jeruzalem, dat wordt een feest.
2
Ik weet van een stad die 't einde is,
een stad met een gouden geschiedenis
een stad van leven met woorden
zoals je ze nergens nog hoorde.
Ik weet van een stad, een nieuw begin,
Jeruzalem, dat ik bemin.
3
Ik weet van een stad op Sions top,
een stad van de vrede dicht bij God,
waar ander recht wordt gesproken,
het kwaad wordt gehaat en gebroken.
Ik weet van een stad waar je schuilen mag,
Jeruzalem, eens op een dag.
---
*508
#4
1
Een dichtertje uit Moresjet
komt in verzet, komt in verzet,
tegen de dikke rijken,
die pronken en die prijken,
ze dromen zelfs nog in de nacht
van geld en nog meer macht.
Van geld en nog meer macht.
2
Het zal niet goed met jullie gaan,
je trekt je van Gods woord niets aan.
Je steelt maar van de armen,
wie denkt er aan erbarmen?
Je neemt hun akkers in beslag
en weet dat dit niet mag
En weet dat dit niet mag.
3
Er komt een dag, wie weet hoe ver,
dan straalt de Sion als een ster
en maken wij van zwaarden
weer ploegen voor de aarde.
De oorlog wordt niet meer geleerd
omdat de Heer regeert.
Omdat de Heer regeert.
4
En Bethlehem in Efrata,
jij wordt een stad vol gloria.
En iedereen zal weten:
God heeft ons niet vergeten.
Het Kind dat daar geboren wordt
brengt ons terug bij God.
Brengt ons terug bij God.
---
*509
#5
1
Met hart en ziel zing ik het hoogste lied
voor God die van mij houdt en die mij ziet.
Wat een geluk dat Hij mij heeft bevrijd,
ik hoor erbij - de koning haast te rijk.
2
Van nu af aan noemt iedereen mijn naam
om alles wat God voor mij heeft gedaan.
Ik krijg een kind, wie had dat ooit gedacht,
een kind waarop de hele wereld wacht.
3
Voor armen en geringen komt mijn zoon,
de machtigen die vallen van hun troon
en als je luistert en de liefde leert
dan wordt de hele wereld omgekeerd.
4
Dan krijgen armen brood in overvloed,
de rijken met hun geld en met hun goed
die komen op een plaatsje achteraan,
daar zullen zij met lege handen staan.
5
Dan is het uit met macht en met geweld
en wint de liefde eens voorgoed het veld.
God zal het doen zoals Hij heeft gezegd:
Er komt een land van vrede en van recht.
---
*510
#3
1
Johannes roept in de woestijn:
zorg dat er rechte paden zijn
en wegen om te komen
in 't land waarvan wij dromen.
Graaf weg de bergen van het kwaad,
ga lopen langs de rechte straat
van God en goed en zegen
en een gelukkig leven
2
Johannes' stem verkondigt luid
en heel Jeruzalem loopt uit
voor de profeet des Heren,
die man in vreemde kleren.
Hij praat maar van een koninkrijk
voor arm en rijk precies gelijk.
Een rijk, door God gegeven,
om samen vrij te leven.
3
Johannes, zeg ons hoe dat moet!
Hoe wordt ons leven gaaf en goed?
Wanneer jij je laat dopen
en weer op God gaat hopen.
Verdeel het brood, verdeel het geld,
en stop met ruzie en geweld.
Dan zal jouw God je geven
een nieuw, gelukkig leven.
---
*511
#5
1
Paulus is op reis gegaan
met verhalen en een naam,
nieuwe woorden nam, hij mee
naar de steden overzee:
naar Athene, Rome, Tessalonika,
Korinte, Efeze, Tyatira.
2
Overal vertelde hij:
Jezus maakt de mensen vrij,
vrouwen, mannen, arm of rijk,
wij zijn allemaal gelijk:
in: Athene, Rome, Tessalonika,
Korinte, Efeze, Tyatira.
3
Maar wie and'ren onderdrukt
maakt het goede leven stuk,
weet niet meer van het begin
gaat de toekomst angstig in:
in: Athene, Rome, Tessalonika,
Korinte, Efeze, Tyatira.
4
Deze aarde is ons huis,
maak het samen tot een thuis,
in geloof en hoop, maar 't meest
door de liefde die geneest:
in: Athene, Rome, Tessalonika,
Korinte, Efeze, Tyatira.
5
Paulus is op reis gegaan
met verhalen en een naam
en hij opende een poort
voor het oude - nieuwe Woord:
in: Athene, Rome, Tessalonika,
Korinte, Efeze, Tyatira,
en in Amsterdam en in Doetinchem,
ook in den Haag en in Ede,
in: Athene, Rome, Tessalonika,
Korinte, Efeze, Tyatira.
---
*512
#4
1
Wij die hier als vorsten leven
in dit rijke werelddeel
zitten op de eerste plaatsen
en wij hebben veel te veel.
Refrein:
Maar waarom in vredesnaam
staan de armen achteraan?
2
Waarom zien zij op de aarde
wel de rijken met hun macht
met hun wapens - niet te tellen -
worden zij zeer hoog geacht.
Refrein
3
Aan de mensen in het donker,
uitgebuit en onderdrukt
gunnen wij geen licht, geen leven,
onze welvaart maakt hen stuk.
Refrein
4
Als we kiezen voor de rijken
maken wij een onderscheid,
maar voor God zijn alle mensen,
arm of rijk, precies gelijk.
Refrein
---
*513
#2
1
Hoor de klokken luiden blij:
bim bam bom voor jou en mij.
Kom je zingen kom je bidden
kind'ren horen in het midden.
Blijf daarom niet buiten staan:
bim bam bom, de kerk gaat aan!
2
Hier is iedereen in tel,
bim bam bom, dat weet je wel.
Niemand meer en niemand minder
wij zijn allemaal toch Gods kinderen.
Blijf daarom niet buiten staan:
bim bam bom, de kerk gaat aan!
---
*514
#3
1
Wij komen hier ter ere van uw naam
rond de verhalen die geschreven staan,
wij schuilen weg als vogels in het riet
zoekend naar warmte, naar een ander lied.
2
Ontferm u God, kyrie eleison,
wees ons nabij, kijk speurend naar ons om,
kom met uw vrede, uw barmhartigheid,
zonder u raken wij de liefde kwijt.
3
Wij zingen samen van uw gloria,
dank voor het leven, dank u voor elkaar,
geef ons uw geestdrift, vuur ons leven aan,
leg zo uw glimlach over ons bestaan.
---
*515
#3
1
Wij zijn bij U gekomen
om kind aan huis te zijn,
wij op(e)nen onze harten,
Heer, voor uw groot geheim.
2
0 lieve God, wij vragen,
kom heel dicht bij ons staan,
wij leven door uw liefde
wij leven door uw Naam.
3
Wij zijn bij U gekomen
want Jezus ging ons voor.
Zijn messiaanse liefde
wees ons het goede spoor.
---
*516
#2
1
Schenk ons uw liefde, Heer, schenk ons uw licht,
vergeef ons toch en doe de deur niet dicht.
Wij komen met veel vragen bij U aan.
O lieve Heer, U zult ons wel verstaan.
2
Wij wachten in de stilte op Uw Woord.
Uw goedheid is zo groot, zo ongehoord,
het is een warme mantel om ons heen,
0, lieve Heer, zo zijn wij niet alleen.
---
*517
#4
1
Kind, wij dragen je op handen
naar het water van de bron.
Want jouw leven mag niet stranden,
niet vergaan in het waarom.
Refrein:
Door het water vroeg of later
kom je dicht bij het geheim.
In de hoge hemel staat er
dat je kind van 't licht mag zijn.
2
Als jouw naam wordt uitgesproken
over duister water heen,
is jouw eenzaamheid doorbroken,
ben je hier niet meer alleen.
Refrein
3
Water, water, laat het stromen,
teken en herinnering,
van een eeuwig heimwee dromen,
van een altijd nieuw begin.
Refrein
4
Opgenomen en verbonden
met de Naam die vrede is,
gaat jouw leven niet ten onder
en het wordt niet uitgewist.
Refrein
---
*518
#4
1
De tafel van samen, de tafel is gedekt.
Wij mogen komen eten en niemand wordt vergeten.
De tafel van samen, de tafel is gedekt.
't Geheim van het leven wordt zo maar verstrekt.
2
Wij delen, wij delen gewoon het daaglijks brood.
Dit brood houdt ons in leven door God is het gegeven.
Wij delen, wij delen gewoon het daaglijks brood.
en denken aan Jezus, zijn lijden, zijn dood.
3
De tafel van samen, de tafel van het goed,
daar wordt de wijn geschonken en mondjesmaat gedronken.
De tafel van samen, de tafel van het goed,
daar vinden wij vrede, in overvloed.
4
Wij vieren de maaltijd, wij vieren samen feest.
Hier durven wij te dromen dat alles goed zal komen.
Wij vieren de maaltijd, wij vieren samen feest
in naam van de Vader, de Zoon en de Geest.
---
*519
#3
1
De mensen van voorbij
wij noemen ze hier samen.
De mensen van voorbij
wij noemen ze bij namen.
Zo vlinderen zij binnen
in woorden en in zinnen
en zijn wij even bij elkaar
aan 't einde van het jaar.
2
De mensen van voorbij
zij blijven met ons leven.
De mensen van voorbij
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemengeuren, in een lied
dat opklinkt uit verdriet.
3
De mensen van voorbij
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen,
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij.
---
*520
#10
1
Kijk eens aan, kijk eens aan,
steek het eerste kaarsje aan,
want wij wachten en wij dromen
dat het Kerstfeest weer zal komen
en de liefde overwint
door het wonder van het Kind.
2
Liefde maakt het leven licht
tovert de zon op je gezicht.
Schrijf de liefde in je handen
geef die handen aan een ander.
Als de liefde groter wordt
groei je met elkaar naar God.
3
Kijk eens aan, kijk eens aan,
steek het tweede kaarsje aan,
want wij wachten en wij dromen
dat het kerstfeest weer zal komen.
Samen bidden wij tot God
of de wereld lichter wordt.
4
Bidden is heel even maar
stil zijn, denken aan elkaar.
Bidden is een beetje schuilen
tegen bang zijn, tegen huilen.
Hopen dat er op een dag
ergens vrede op ons wacht.
5
Kijk eens aan, kijk eens aan,
steek het derde kaarsje aan,
want wij wachten en wij dromen
dat het kerstfeest weer zal komen,
kleine vlammetjes van hoop
wijzen naar het morgenrood.
6
Blijf geloven dat Hij komt
dat de liefde niet verstomt.
Ga op zoek naar nieuwe wegen,
Wie God liefheeft komt Hem tegen.
Zing tegen het donker in
van het licht, een nieuw begin.
7
Kijk eens aan, kijk eens aan,
steek het vierde kaarsje aan,
want wij wachten en wij dromen
dat het kerstfeest weer zal komen.
Langs de zon en langs de maan
is de ster al scheep gegaan.
8
Weet je wat God van ons vraagt?
Dat je eerlijk bent vandaag.
Durf te geven, durf te hopen,
durf te leven recht en open.
Maak de bergen van het kwaad
tot een plein,een vlakke straat.
9
Kijk eens aan, kijk eens aan,
steek maar alle kaarsjes aan,
hang de sterren in de bomen
want het Kerstfeest is gekomen.
God is goed voor ons geweest,
vier vandaag het mooiste feest.
10
Alzo lief heeft God gedacht
dat een Kind de vrede bracht.
Eng'len zongen in de hoge
herders durfden te geloven
dat de liefde overwint
door het wonder van dit Kind.
---
*521
#8
1
Ga je met ons mee naar de overkant?
Ga je met ons mee nar 't beloofde land?
Jozua zal ons wel wijzen
hoe we verder moeten reizen,
Jozua gaat nu vooraan
naar het land van Kanaan.
2
Ga je met ons mee naar de overkant?
Ga je met ons mee naar 't beloofde land?
Je zult zien wij zijn er spoedig
wees maar sterk en wees maar moedig,
zing het lied met het refrein:
God zal altijd bij ons zijn.
3
Ga je met ons mee naar de overkant?
Ga je met ons mee naar 't beloofde land?
Weet je nog wel van de zegen
die wij eens van Mozes kregen.
En de dromen die hij zag
zul jij zien op intochtsdag.
4
Ga je met ons mee naar de overkant?
Ga je met ons mee naar 't beloofde land?
Tel de wonderen, de woorden
die je van je moeder hoorde,
die je van je vader weet;
zorg dat jij ze niet vergeet.
5
Ga je met ons mee naar de overkant?
Ga je met ons mee naar 't beloofde land?
De belofte een gegeven
trekt een rode draad door 't leven,
geeft vandaag de toon al aan
van een samen verder gaan.
6
Ga je met ons mee naar de overkant?
Ga je met ons mee naar 't beloofde land?
Hoor, de intocht gaat beginnen
en jij mag Hosanna zingen,
pluk de takken van de boom
het is waar, het is geen droom.
7
Ga je met ons mee naar de overkant?
Ga je met ons mee naar 't beloofde land?
Jij mag vragen, jij mag weten:
Waarom wordt er brood gegeten,
waarom drinken wij de wijn?
Waarom is dit feest zo fijn?
8
Ga je met ons mee naar de overkant?
Ga je met ons mee naar 't beloofde land?
Vier het Paasfeest als een wonder
want wij kunnen niet meer zonder
God heeft ons bevrijd voorgoed
en dat geeft ons nieuwe moed.
---
*522
#3
1
Weet je hoe de wind op Pinksteren waaide,
alle deuren vlogen uit het slot.
Weet je hoe zij nieuwe dromen zaaide,
dromen van de vrede dicht bij God.
Dromen van de vrede dicht bij God.
2
Weet je hoe de harten opensprongen
zomaar op die vlag- en wimpeldag.
Hoe in alle talen werd gezongen
alles in beweging werd gebracht.
Alles in beweging werd gebracht.
3
Weet je dat je vurig mag geloven
dat die wind de weg weet en het spoor.
Vreugdevuren zullen niet meer doven
want wat God begon, zet Hij ook door.
Want wat God begon, zet Hij ook door.
---
*523
#6
1
Kinderen:
Waarom is het Pinksterfeest,
wie vertelt ons dat?
Waarom kwam de Heilige Geest?
Zeg ons hoe of wat.
2
Ouder:
't Is het feest mijn lieve kind,
van herinnering,
hoe door 't waaien van de wind
alles anders ging.
3
Allen:
Hoe Gods liefde bij ons kwam,
vrede en geluk,
alle droefheid van ons nam,
zelfs de dood viel stuk.
4
Kinderen:
Is wat toen eens is gezien
ook vandaag nog waar?
Kunnen wij het zien misschien
zo maar aan elkaar?
5
Ouderen:
Soms zie je het hier en daar
- door een dichte mist -
als je lief bent voor elkaar
dat het er nog is.
6
Allen:
Daarom is het Pinksterfeest,
het gaat nooit voorbij,
want wat toen begonnen is
maakt ons nu nog blij.
---
*524
#4
1
Ik zal er zijn voor jou
zo heeft de Heer gezegd.
Ik zal er zijn voor jou,
met vrede en met recht.
2
Ik zal er zijn voor jou
met wijn, een stukje brood.
Ik zal er zijn voor jou
mijn liefde is zo groot.
3
Ik zal er zijn voor jou
een schaduw aan je zij.
Ik zal er zijn voor jou
Ik ben er altijd bij.
4
Ik zal er zijn voor jou
ik laat je niet alleen.
Ik zal er zijn voor jou
mijn licht straalt om je heen.
---
*525
#3
1
Op de goede aarde
zingen wij ter eer
samen met de vogels
liedjes voor de Heer
en de madelieven
wiegen het refrein
honingbijen zoemen:
God zal bij ons zijn.
2
Op de goede aarde
- was het maar eens waar -
alles samen delen
delen met elkaar,
Niemand meer of minder
melk in overvloed
brood voor alle kind'ren
heel het leven goed.
3
Op de goede aarde,
zoals God ons vraagt,
samen vrede maken
vrede ook vandaag,
en je mag geloven
ook al ben je klein
dat het dan op aarde
een groot feest zal zijn.
---
*526
#4
1
Liefde is weer durven dromen
van de warme zonneschijn,
in een huis van samen wonen
veilig en gelukkig zijn.
Als je trouw bent aan elkaar,
leef je in de gloria.
2
Blijven gaan met nieuwe ogen
zien wat niemand anders ziet,
tranen huilen, tranen drogen
en weer verder met een lied.
Als je trouw bent aan elkaar,
leef je in de gloria.
3
Telkens weer elkaar ontmoeten
niet verdwalen in de nacht,
handen die je warm begroeten
woorden waarop wordt gewacht
Als je trouw bent aan elkaar,
leef je in de gloria.
4
Samen om een zegen vragen
om een teken van omhoog,
dat de liefde alle dagen
ons zal dragen in geloof.
Als je trouw bent aan elkaar,
leef je in de gloria.
---
*527
#3
1
Ergens in een land
verdwijnen zo maar kind'ren,
ergens in een land
waar mannenmacht regeert.
Is er dan geen wet
die zoiets kan verhind'ren?
Is er dan geen mens
die zegt: 'Dat is verkeerd'?
2
Ergens in een land
waar moeders protesteren
ergens is een land
waar zij de straat opgaan.
In een stille tocht
tegen de 'hoge heren'
vragen zij: waar is
mijn kind in vredesnaam.
3
Ergens in een land
waar 'dwaze moeders' wonen,
ergens is een land
met vrouwen op een plein.
Tegen het geweld in
komen zij met dromen.
Ergens is een land
waar moeders wijzer zijn.
---
*528
#4
1
Jij hebt een naam, jij hebt een naam,
daar kom je zelf in voor,
een naam die met jou mee zal gaan
je hele leven door.
2
Jij hebt een naam waarin je woont,
waarin je veilig bent,
een naam die heel jouw leven kroont
op jou is afgestemd.
3
Jij bent een naam voor iedereen
die dicht bij jou wil staan,
en samen ben je niet alleen
zo kun je verder gaan.
4
Jij hebt een naam met een verhaal
dat uitgeschreven wordt
al gaandeweg in mensentaal
dicht bij de naam van God.
---
*529
#3
1
Dromen op een schommel
met mijn ogen dicht
voel ik mij een vogel
als de lucht zo licht.
Even wil ik zweven
helemaal alleen
niemand antwoord geven
stilte om mij heen.
2
Even wil ik dromen
en verloren zijn
weg van harde woorden
want die doen mij pijn.
Sterren in mijn ogen
vlinders in mijn buik
zweef ik alsmaar hoger
boven alles uit.
3
Hoger dan de bomen
wieg ik heen en weer
tussen hemel, aarde
en ik weet niet meer,
of ik weg wil drijven
waaiend op de wind
of toch maar zal blijven
heel gewoon een kind.
---
*530
#3
1
Tussen schaduw, tussen licht,
is een woord verborgen,
toekomstdromen zijn in zicht,
ergens wacht een morgen.
Rakelings is God nabij
als een schaduw aan je zij
en je mag geloven
tranen zullen drogen.
2
Samen horen, samen doen,
de sjalom uitdragen,
zoeken naar een goed fatsoen
hier in onze dagen.
Door het brood en door de wijn
weet je dat je er mag zijn,
nauw met God verbonden
in dit zichtbaar wonder.
3
Wolken dragen dromen aan
dromen vol verlangen,
dat het donker weg zal gaan
ons niet houdt gevangen.
Kyrie eleison,
God ontferm U, keer U om,
laat Uw vrede komen
altijd bij ons wonen.
---
*531
#4
1
Altijd vluchten voor je leven
naar een plekje veiligheid,
van je huis, je dorp verdreven,
alles anders, alles kwijt.
2
Voor de vrijheid voor de vrede
nergens welkom, nergens thuis,
honger die er wordt geleden
angst die altijd in je huist.
3
Als een ster die niet mag schijnen
langzaam uitdooft in de nacht,
in het niemandsland verdwijnen
niet meer worden thuis verwacht.
4
Altijd vluchten in een wereld
zonder warme zonneschijn.
Altijd vluchten is niet eerlijk,
want het kan zo anders zijn.
---
*532
#4
1
Van de vrede blijf je dromen,
van een wereld in het groen,
waar verdriet niet meer kan komen,
waar geen mens je kwaad zal doen.
Niemand bang meer en alleen,
zon en warmte om je heen.
Niemand bang meer en alleen,
zon en warmte om je heen.
2
Samen zullen wij weer leren
van de vrede, hoe dat moet,
hoe je onrecht om kunt keren
tot iets heels en tot iets goeds.
Zodat alles anders wordt,
dichterbij de droom van God.
Zodat alles anders wordt,
dichterbij de droom van God.
3
Van raketten en van zwaarden
maken wij gewoon een ploeg
en wij zaaien op de aarde
graan voor allen, brood genoeg.
Liefde huist in elke straat,
niemand wordt er meer soldaat.
Liefde huist in elke straat,
niemand wordt er meer soldaat.
4
Van de vrede blijf je dromen,
jij zult zien, soms, hier en daar,
hoe er steeds meer mensen komen
die niet vechten met elkaar.
Die de wegen gaan van God,
tot de aarde hemel wordt.
Die de wegen gaan van God,
tot de aarde hemel wordt.
---
*533
#4
1
Wij danken U, o lieve God,
met alle mensen samen
dat 't eindelijk weer lente wordt,
de zon schijnt door de ramen.
2
De bloemen bloeien in de tuin
de knoppen staan op springen,
de wilgen krijgen weer een kruin
en alle merels zingen.
3
De wereld die zo donker zag
wordt licht, begint te kleuren.
Zoals eens op de eerste dag
gaat alles nieuw gebeuren.
4
Wij danken U, o lieve God,
dat U het leven spaarde
en dat Uw liefde zichtbaar wordt
op deze mooie aarde.
---
*601
#14
1
De aarde was in het begin
nog woest en leeg en diep,
het donker dekte alles toe
totdat Gods adem riep:
Licht! Licht! En er was Licht!
De aarde stond in gloed,
het scheen over de chaos heen,
God vond het licht heel goed.
2
Het licht dat noemde God de dag,
de duisternis werd nacht,
toen 't avond en weer ochtend werd
was dat de eerste dag.
God maakte ook het hemeldak
hoog boven in de lucht,
de wolken waaiden op de wind
en kwamen niet terug.
3
Het water stroomde naar de zee,
zo kwam het droge land.
God zag het, en Hij vond het goed,
toen werd het groen geplant.
Het gras dat groeide overal
en waar je ook maar zag,
bloeiden de bomen in het groen
daar op die derde dag.
4
Nu moeten er nog lampen zijn,
de zon voor overdag,
het licht geeft tijd en ruimte aan,
de maan verlicht de nacht.
Hij schoof de sterren in hun baan,
de nacht kreeg een gezicht.
God zag het en Hij vond het goed,
dat hemeldak vol licht.
5
De zee, de zee is leeg en stil;
er moeten vissen zijn,
want in het water is het huis
voor vissen groot en klein.
De walvis en de krokodil,
de haaien met hun vin,
de rob en de dolfijnen gaan
de wilde golven in.
6
De wonderlijkste vissen zijn
daar in de zee zo diep,
de krab, het zeepaartje, de kreeft,
de vissen die God schiep.
De haring en de kikkervis,
de goudvissen van goud,
ze zijn hier in hun element
want water laat hen koud.
7
Er kwamen vogels in de lucht,
zij vlogen hoog en droog,
hun vleugels klapten in de wind
zij vlogen hemelhoog.
De reiger en de ooievaar,
de eendjes bij de plas,
God schiep de zwaluw en de mus
en zag hoe goed het was.
8
Er zijn nu vissen in de zee
en vogels naar hun soort.
Maar op het land is nog geen dier;
ze kwamen op Zijn woord.
De vlinder die ontpopte zich,
de slak kwam uit zijn huis,
de kever kroop, en ook de mier
was op de aarde thuis.
9
De grote dieren kwamen aan,
zij liepen door het land.
De chimpansee klom in de boom;
er was een olifant.
Het stekelvarken kwam erbij,
de kangoeroe sprong rond,
de vos haalde geen streken uit,
de beer zat op de grond.
10
God vond het goed, God schiep de mens
die op de aarde vrij
de dieren bij hun namen noemt,
die mens die lijkt op Mij.
De dieren leefden twee aan twee,
ze speelden om hem heen,
de schildpad en de blauwe vis,
de mens was nog alleen.
11
God schiep de man, God schiep de vrouw,
ze hielden van elkaar,
ze leefden in het groene land,
nu was de aarde klaar.
Verwonderd liepen zij daar rond,
het was een paradijs,
de leeuw lag rustig in het gras,
de vogel zong een wijs.
12
De vrede lag over het veld,
de bomen gaven vrucht,
de mensen leefden voor elkaar,
er was geen kwaad gerucht.
De slang sloop op een dag voorbij:
'Ik heb een boom zien staan
die weet van goed, die weet van kwaad,
of kom je daar nooit aan?'
13
De vrouw zei: 'nee', maar zag de boom,
zij zag de boom steeds weer,
zij aten samen, maar opeens
zagen hun ogen meer!
Toen schaamden zij zich voor elkaar,
zij schuilden in het groen
en maakten van een vijgeblad
kleren voor goed fatsoen.
14
De avond viel over de hof,
God riep de mens bij naam.
'Waar ben je toch? Waar ben je toch?
Of heb je kwaad gedaan?'
De mensen moesten uit de hof
de wijde wereld in.
Samen met God en met elkaar
werd het een nieuw begin!
---
*602
#5
1
De mensen doen alleen maar kwaad.
God kan er niet meer tegen.
Nu komt er dus een grote vloed,
en vele maanden regen.
Een man roept: 'Wat? Het is toch droog?
't komt allemaal best in orde!'
En stiekem wijst hij naar zijn hoofd:
Noach is gek geworden.
2
Maar Noach en zijn vrouw gaan scheep,
ze nemen hun kinderen mee.
En dan komen van overal
de dieren, twee aan twee.
De olifant, de poes, de hond,
de zebra en parkiet.
Ja alle dieren gaan aan boord,
alleen de vissen niet.
Als Noach ze allemaal heeft geteld,
doet hij de luiken dicht.
Daar komen zwarte wolken aan
en weg is nu het licht.
In stromen valt de regen neer,
geen plekje blijft meer droog.
Het water stijgt, het water stijgt,
de ark stijgt mee omhoog.
3
Ze dobberen angstig op en neer
wel zeven maanden lang.
Een haantje kraait, een poes miauwt,
wat zijn die dieren bang!
Maar Noach zorgt voor ieder dier;
hij loopt langs elke kooi.
De paarden geeft hij haver
en de schapen krijgen hooi.
4
Dan gaat de zon weer schijnen
en Noach kijkt in 't rond.
Het water zakt, het water zakt,
de ark raakt weer de grond.
En Noach laat een duif uitgaan
die vliegt over het land.
En als die terugkomt, legt hij hem
een blaadje in zijn hand.
5
Nu is het goed, roept Noach blij:
Wij gaan de reis besluiten.
En ieder mens en ieder dier
kan nu weer vrij naar buiten.
Ook God is blij en zegt: 'Nooit meer
komt het water zo omhoog.
Je hoeft daarvoor niet bang te zijn.
Kijk naar de regenboog.'
---
*603
#6
1
Wordt hier misschien een huis gebouwd?
Laten we eens gaan horen.
Nee, 't wordt een groot en hoog gebouw,
een hemelhoge toren.
Daar staat een man, hij schreeuwt en roept.
Dat zal de baas wel wezen.
En daar de onderbaas, die zit
een groot papier te lezen.
2
Daar hoog, daar zingt een timmerman,
omdat het daar zo koud is.
Hij zingt: 'Dit is de hoogste toren die
op aarde ooit gebouwd is.
En waar je op de wereld bent,
je ziet hem altijd staan.
Wat zijn we goed, wat zijn we sterk,
nee, niemand kan ons aan.'
3
Een meisje draagt een grote steen.
Zij huilt, want zij is moe.
Maar niemand is er die haar ziet
en niemand lacht haar toe.
Pas op, daar valt een zware balk.
Daar wordt een man geraakt.
Is er dan niemand die hem helpt?
Dat is een vreemde zaak.
4
De toren wordt steeds hoger nu,
steeds hoger opgericht.
De baas schreeuwt: 'Ha, het schiet al op,
de wolken zijn in zicht!'
Maar God die deze mensen ziet,
die kan het niet meer horen.
Ze kijken niet meer naar elkaar,
maar enkel naar de toren.
5
God zegt: 'Ik wil die toren niet
en ook geen stoer gepraat.
Ik maak het zo, dat de een voortaan
de ander niet verstaat.'
Nu roept de baas tegen zijn knecht:
'Geef mij die stenen, vent!'
De knecht begrijpt niet wat hij zegt
en brengt een zak cement.
6
De metselaars gaan babbelen.
De timmerman wordt kwaad.
De onderbaas leest zijn papier,
maar weet niet wat er staat.
De mensen moeten uit elkaar.
Het bouwwerk ligt nu plat.
Van nu af aan heet deze plaats
dus Babel: Babbelstad.
---
*604
#6
1
Zij zingt heel zachtjes: 'Suja lief,
wees stil, want de soldaten
die zoeken overal naar jou,
omdat ze Israel haten'.
'De farao, de koningbaas,
heeft in een wet geschreven:
Geen baby'tje van Israel
mag voortaan blijven leven.'
2
Ze hoort soldaten in de straat;
het kind kan niet meer blijven.
ze maakt een kistje, klein maar sterk,
een kistje dat kan drijven.
Dan vlucht ze snel naar de rivier,
daar moet ze 't achterlaten.
Ze legt het kind in 't kistje en
nu drijft het op het water.
3
Is er nog iemand die hem ziet:
Zal iemand voor hem zorgen?
Ja, Mirjam heeft zich aan de kant
tussen het riet verborgen.
Het kind is Mirjams kleine broer.
ze wil goed op hem passen.
Maar kijk: daar komen vrouwen aan,
die gaan zich zeker wassen.
4
Daarbij loopt ook, heel mooi gekleed,
met de anderen tezamen,
de dochter van de farao,
een zeer voorname dame.
Zij neemt een bad en ziet opeens.
een biezen kistje drijven.
Ze pakt het jongetje en zegt:
'Jij, kind, mag bij mij blijven.'
5
'Dat ik jou in het water vond
zal ik nooit meer vergeten.
Daarom zal jij, mijn kleine prins,
van nu af 'Mozes' heten.
Ik zoek voor jou een voedstervrouw.
Ik wil haar goed betalen.'
Dat hoorde Mirjam, en zij vraagt:
'Zal ik iemand gaan halen:'
6
Ze roept haar moeder en die mag
dan Mozes drinken geven.
De kleine Mozes woont weer thuis,
hij mag toch verder leven.
Dat Mozes werd gered, dat is
't begin van goede tijden.
Hij zal uit naam van Israels God
zijn arme volk bevrijden.
---
*605
#6
1
En Mozes loopt voorop, hij is
de leider van het volk.
Hij weet de weg, want voor hen uit
gaat in de lucht een wolk.
Dan zien ze plotseling de zee,
de zee, zo woest en groot.
Hoe komen ze daar overheen?
Ach, was er maar een boot.
2
Maar wat is dat? Ik hoor geschreeuw,
geschetter en getrom.
Wie komt daar aan? De mensen zien
heel angstig achterom.
De farao, met man en macht
en luid trompetgeschal!
Och Mozes, zeg ons toch, wat nu?
We zitten in de val.
3
'Wees maar niet bang,'roept Mozes uit,
en luister, iedereen:
God, die ons in Egypte vond,
laat ons niet meer alleen.'
Vlak voor de zee gaat Mozes staan.
Hij heft zijn rechterhand.
En - wie gelooft zijn ogen nog: -
de zee gaat aan de kant.
4
De zee gaat aan de kant, er komt
een weg om langs te gaan.
'Kom mee', zegt Mozes, 'overzee!
Blijf daar niet langer staan.'
Daar lopen ze, het vrije volk,
op 't nieuwe brede pad
waar eerst alleen maar water was.
Nu wordt er niemand nat.
5
Wanneer ze allen, hoog en droog,
op de wal zijn aangekomen,
dan zien ze dat zee alweer
het pad gaat overstromen.
Maar o, maar o, die farao,
die koningbaas, die snoever,
haalt met zijn hele legermacht
nooit meer de andere oever.
6
Hoor, Moxes zingt nu en het volk
zingt vrolijk met hem mee:
'De God van Israel maakt vrij,
Hij hielp ons door de zee.'
Ook Mirjam, Mozes' zuster, danst
en zingt met tamboerijn:
'God redde ons van farao;
nu zal het vrede zijn.'
---
*606
#8
1
Ik ga niet naar die grote stad,
ik spreek daar niet Gods woord.
Die slechte mensen gooien toch
Gods woorden overboord!
Waarom moet ik, als Gods profeet,
naar Nineve toegaan?
Zo vluchtte Jona weg voor God,
de zee zou hij opgaan.
2
De haven kwam al in het zicht,
een schip lag aan de ree.
En Jona gaf de schipper geld,
hij vluchtte overzee.
En eenmaal veilig op de boot,
vielen zijn ogen dicht;
vluchten voor God maakt soms zo moe.
Het anker werd gelicht.
3
Maar midden op de wijde zee
ontstak er een orkaan,
de golven werden huizenhoog;
het schip zou haast vergaan!
Maar Jona sliep en hoorde niets,
de kapitein riep:'Heee...,
waarom bid jij niet tot je God,
want wij vergaan in zee!'
4
'Of heb je soms iets kwaads gedaan?
Vertel me wie je bent?'
'Mijn naam is Jona, de profeet,
ik word door God gekend.
Ik ben gevlucht voor Nineve,
ik heb Gods woord gehoord,
maar ben mijn eigen weg gegaan;
Zet mij maar overboord!'
5
Ze gooiden Jona in de zee,
er kwam een grote vis;
die slokte Jona op, hij kwam
in diepe duisternis.
Hij zat gevangen in een vis,
verscholen in een schulp,
en Jona in zijn grote nood
riep tot zijn God om hulp.
6
God zag de rouw van Nineve.
Hij heeft de stad gespaard
met alle mensen en het vee
en de kind'ren op de straat.
Maar Jona zat onder zijn boom
heel boos en heel ontdaan,
dat Nineve, die grote stad,
haar straf toch was ontgaan.
7
De grote vis zwom naar het strand,
hij spuwde Jona uit.
Daar lag hij in het droge zand;
nu was het vluchten uit!
Weer kwam de stem van God, die sprak:
'Je moet naar Nineve,
vertel de mensen daar mijn woord!'
En Jona zei geen nee!
8
In Nineve, die grote stad,
is Jona rondgegaan:
'Denk toch aan God, want anders zal
heel Nineve vergaan!'
De mensen keerden zich tot God,
ja elke man en vrouw,
zat treurig neer in zak en as;
de stad was in de rouw!
---
*607
#14
1
Je weet wel wie Maria is,
daar loopt ze in de zon,
zij draagt een kruik hoog op haar hoofd,
haalt water uit de bron.
2
Maar er gebeurt iets wonderlijks,
Maria krijgt bezoek.
Een engel uit de hemel zegt:
'Maria, wees gegroet!
Ik breng een boodschap van de Heer,
je hoeft niet bang te zijn,
je krijgt een zoon, een koningskind,
het is een groot geheim!'
3
Maria neemt de woorden mee
en zij gaat onverwachts
op reis naar nicht Elisabeth,
die ook een kind verwacht.
'Gelukkig dat je bij me komt,
ik voelde jouw geheim.
Jij bent de moeder van de Heer,
gezegend zul je zijn!'
4
Maria zingt van puur geluk:
'O God, wat bent u goed.
De arme mensen tellen mee,
U geeft ons nieuwe moed!
Want God heeft mij gezien,
wie noemt er niet mijn naam.
Wij leven vol verwachting,
de vrede komt eraan!'
5
En in diezelfde dagen geeft
de keizer een bevel:
'Tel alle mensen, al het vee,
tel heel de wereld. Tel!
Stuur ieder naar zijn eigen stad,
schrijf daar de namen in.'
En zo gaat iedereen op reis,
want weigeren heeft geen zin.
6
Ook Jozef en Maria gaan
naar Bethlehem, hun stad.
Maria die haar kind verwacht,
is dagenlang op pad.
Maar Bethlehem is overvol
de herberg heeft 'geen plaats'.
Ze vinden enkel nog een stal
zo op het allerlaatst.
7
Daar wordt geboren in de nacht
het kind dat Jezus heet.
In doeken ligt het in een krib
en niemand die het weet.
Het slaapt en sluimert in een stal
en Jozef is zo blij.
De os en ook de ezel staan
er wat verlegen bij.
8
En herders, buiten in het veld,
zij houden trouw de wacht.
De schapen slapen welgeteld,
de sterren flonk'ren zacht.
Opeens is er een hemels licht,
er klinkt een engelenstem:
'Geboren is het Christuskind,
daarginds in Bethlehem!'
9
'Dit geef ik als een teken mee:
je vindt het in een stal,
een wikkelkindje in een krib
dat koning wezen zal!'
De engelen zingen in het licht:
'Ere zij God de Heer!'
De vrede uit de hemel daalt
zomaar op aarde neer.
10
De herders zijn op zoek gegaan
naar 't kind, door God beloofd;
het ligt te slapen in een krib,
ze buigen stil het hoofd.
Het is geen droom, maar het is waar
wat de engel heeft verteld.
De herders zingen zacht een lied
en gaan terug naar 't veld.
11
En wijzen in het Oosten zien
een koninklijke ster.
Ze volgen wekenlang het spoor,
maar weten niet hoe ver.
De ster wijst naar Jeruzalem,
zij vragen bij 't paleis:
'Waar is het nieuwe koningskind?
zijn ster riep ons op reis!'
12
Koning Herodes schrikt ervan
en heel Jeruzalem.
'De Christus, zo staat in de Schrift,
die komt uit Bethlehem!
Zoek daar het kind en als je 't vindt,
kom dan bij mij terug.
Ik breng graag hulde aan dat kind,
bericht het mij dus vlug!'
13
Zo gaan de wijzen weer op reis,
de ster wijst hen de weg.
Zij hebben voor het koningskind
geschenken neergelegd.
De wijzen dromen in die nacht:
'Kom niet in het paleis!
Herodes wil alleen maar kwaad.
Ga in 't geheim op reis!'
14
En Jozef droomt een andere droom:
'Ga weg, er dreigt gevaar!
Vlucht met Maria en het kind.'
Zij maken alles klaar.
Ze vluchten als het donker is,
daar gaan ze, in de nacht,
met 't kind dat ons de vrede brengt.
Had jij dat ooit gedacht?
---
*608
#9
1
Weten jullie de verhalen
die door Jezus zijn verteld,
toen de mensen bij hem kwamen
in de stad of op het veld?
Hij vertelde van een vader
met twee zonen, flink en groot,
samen zaaiden zij het koren,
samen aten zij het brood.
2
Tot de jongste zoon zei: 'Vader,
ik heb in dit werk geen zin;
geef mij geld, ik wil gaan reizen,
ik trek de wijde wereld in.'
En wanneer zij afscheid nemen,
zwaaien zij lang met hun hand.
'Wees voorzichtig,'roept de vader,
'in dat onbekende land!'
3
In de nieuwe, vreemde wereld
viert hij alle dagen feest.
Overal vindt hij wel vrienden,
nooit is hij zo blij geweest.
Hij geeft geld aan wie maar vragen,
daardoor is hij zeer in tel;
maar aan alles komt een einde,
ook aan geld, dat snap je wel!
4
Al zijn zogenaamde vrienden
laten hem nu in de steek,
niemand geeft hem wat te eten,
hij is arm binnen een week.
Hij verkoopt zijn mooie kleren
en hij bedelt om wat brood,
totdat er een van zijn vrienden
wel wil helpen in zijn nood.
5
Hij moet op de varkens passen
ergens buiten, bij een boer.
Door de honger denkt hij dikwijls:
'Had ik maar wat varkensvoer!'
Dan denkt hij weer aan zijn vader:
'Daar is brood in overvloed,
daar komt niemand om van honger,
daar heeft zelfs een knecht het goed!'
6
'Ik zal teruggaan naar mijn vader,
niet als zoon, maar als een knecht,
want ik kan geen zoon meer wezen,
ik verspeelde al mijn recht.'
En zo gaat hij terug naar vader.
Vader komt hem tegemoet,
hij staat klaar met open armen;
als een zoon wordt hij begroet.
7
'Vader, ik kom om te werken,
ik kom werken als een knecht.'
Maar de vader is gelukkig,
weet je wat hij heeft gezegd?
'Jij hoort bij mij, breng de bloemen,
breng de wijn, versier het huis,
want mijn zoon die zolang weg was,
is weer kind bij vader thuis.
8
Vader geeft hem nieuwe kleren,
alle tafels staan gedekt;
er zijn appels, er zijn peren,
er is aan geen ding gebrek.
Iedereen wordt uitgenodigd,
urenlang wordt er gedanst,
want de zoon, die bijna dood was,
krijgt vandaag een nieuwe kans.
9
Maar de oudste zoon is woedend:
'Nooit werd er voor mij gefeest.
Waarom dan wel voor die zwerver
die zolang is weggeweest?'
Dan komt vader weer naar buiten:
'Zoon, waarom ben jij niet blij?
Want jouw broer die was verloren,
is weer thuis bij jou en mij!'
---
*609
#10
1
Daar gaat een man, hij gaat op reis
op reis naar Jericho.
De weg is eenzaam en is lang,
en kronkelt ook nog zo...
Jeruzalem ligt achter hem.
Nog even kijkt hij om.
Dan is hij in de eenzaamheid
en in de warme zon.
2
En halverwege springen er
twee rovers uit een struik,
zij slaan en zij beroven hem
en maken alles buit,
Daar gaat zijn geld, daar gaat zijn jas,
al schreeuwt hij ach en wee,
de rovers zonder medelij
nemen toch alles mee.
3
Hier ligt hij in de warme zon,
beroofd en zwaar gewond;
is er dan niemand die hem helpt,
geen mens die bij hem komt?
Moet hij hier sterven langs de weg,
zo ver van huis vandaan:
Hij roept zo hard hij roepen kan,
maar er komt niemand aan.
4
Komen er voeten dichterbij:
Heeft hij gedroomd misschien :
Er loopt een priester op de weg,
die zal hem zeker zien!
Hij roept om hulp, de priester gaat
gewoon aan hem voorbij.
Hij kijkt niet op, hij kijkt niet om
en heeft geen medelij!
5
Weer is het stil, de krekels staan
te zoemen in de zon,
maar ginds komt er weer iemand aan:
als die eens helpen kon...!
Het is een man, een priesterhulp,
die naar de tempel gaat.
Hij maakt zijn handen ook niet vuil
aan iemand op de straat.
6
Na uren wachten langs de weg
hoort hij weer voeten gaan.
Het is geen vriend van Israel,
't is een Samaritaan!
Als de gewonde man dat ziet,
draait hij zijn hoofd opzij.
Natuurlijk gaat die vreemdeling
zonder te zien voorbij.
7
Maar nee, de vreemdeling staat stil.
Hij knielt al bij hem neer
en hij verzorgt zijn wonden goed,
hij vraagt:'Doet het nog zeer:'
Hij is vol medelij en zorg,
hij helpt hem waar hij kan.
Hij geeft hem water en hij zegt:
'Ik heb een heel goed plan.
8
Ik zet je neer op mijn kameel,
die draagt je op zijn rug
voorzichtig naar de herberg toe,
al gaat het niet zo vlug!'
Zo gaan ze met elkaar op reis,
ze lopen in de maat.
Maar de gewonde man die valt
van moeheid weer in slaap.
9
Ze vinden eindelijk een huis,
een herberg, veiligheid,
de vriendelijke Samaritaan
is vol barmhartigheid.
Hij brengt hem water voor de dorst,
er is een bed en brood.
Hij zorgt voor alles en hij is
een redder in de nood.
10
De vreemdeling moet verder gaan,
de waard krijgt geld, het is
voor hulp aan de gewonde man
totdat hij beter is.
Zo wordt de vreemdeling een vriend
op weg naar Jericho,
want hij heeft enkel goed gedaan:
doe jij dat evenzo!
---
*610
#7
1
Er wordt een bruiloftsfeest gevierd,
de bruid die staat al klaar.
Maar waar blijft toch de bruidegom?
Ze zucht: Och kwam hij maar.
De bruid stuurt nu tien meisjes uit
op weg naar de bruidegom.
Vijf meisjes zijn verstandig
maar de and're vijf zijn dom.
2
Het is al laat, de avond valt.
De zon gaat nu verdwijnen.
De meisjes dragen lampen,
om vooruit te kunnen schijnen.
De wijze meisjes hebben ook
hun oliekruiken vast.
De domme niet, die vinden dat
een veel te zware last.
3
Maar waar blijft toch de bruidegom:
De meisjes worden moe.
'We gaan maar even liggen hier
en doen de ogen toe.'
Ze liggen weldra stilletjes
te slapen, alle tien.
De lampen gaan heel langzaam uit.
Dat kunnen zij niet zien.
4
Opeens roept iemand in de nacht:
'Wordt wakker nu met spoed.
De bruidegom is daar, sta op
en ga hem tegemoet!'
De wijze meisjes lachen nu
en pakken blij hun spullen.
Zij kunnen met hun oliekruik
hun lampen snel weer vullen.
5
De meisjes zonder olie zien
het licht en het geflonker.
Ze zeggen:'Geef ons ook eens wat
want wij staan in het donker.'
Maar olie is er niet genoeg.
Dus gaan ze die maar kopen.
En in het donker moeten zij
hard naar de winkel lopen.
6
Maar kijk, daar komt, zoals beloofd,
de bruidegom al aan.
Vijf meisjes zie je met hem mee
de feestzaal binnengaan.
De andere meisjes komen ook,
maar die zijn veel te laat.
Zodat voor hen tot hun verdriet
de deur niet opengaat.
7
Zo gingen eens tien meisjes uit
op weg naar de bruidegom.
Vijf waren heel verstandig en
vijf waren oliedom.
De bruiloft is begonnen,
een blij en vrolijk feest.
Och waren die vijf meisjes
maar niet zo dom geweest.
---
*611
#7
1
Daar heeft een man zijn huis versierd.
De lampionnen blinken.
Hij geeft een vrolijk feestje met
veel eten en veel drinken.
Hij roept een knecht en zegt tot hem:
het feest kan nu beginnen.
Haal dus de gasten hier naar toe,
mijn vrienden en vriendinnen.
2
De knecht gaat naar die gasten toe
en zegt:'Het feest is klaar.
Kom trek je mooie kleren aan
En kam ook maar je haar.'
Maar de eerste zegt:'Helaas, helaas,
ik kom niet op het feest.
Ik kocht zojuist een akkerland,
maar 'k ben er nog niet geweest.
3
De tweede zegt: 'Helaas, helaas,
ik zeg dit tot mijn spijt:
Tien ossen heb ik juist gekocht,
die kosten mij veel tijd.
De derde zegt: 'Helaas, helaas,
ik ben zojuist getrouwd.
Nu kan ik dus niet naar het feest,
hetgeen mij zeer berouwt.
4
Nu gaat de knecht maar weer terug
en zegt tegen zijn heer:
'Ik heb het elke gast gevraagd,
maar niemand wilde meer.'
De heer die zo graag feesten wou,
die wordt nu heel erg boos.
Een feestje zonder gasten, zeg,
dat is toch waardeloos:
5
Het feest moet doorgaan, vindt de heer;
ja, d t staat voor hem vast.
En daarom vraagt hij anderen
voor 't feest bij hem te gast.
Hij stuurt daarvoor zijn knecht op pad
om die voor hem te vinden.
Die zoekt naar arme bedelaars,
naar verlamden en naar blinden.
6
De knecht loopt alle straten door
en roept:'Wie komt er eten:'
En wie hem horen, zeggen:',Ja,
we komen, zeker weten!'
Daar komen zij, ja, dat is snel,
ze staan al op de stoep,
de lammen, blinden, bedelaars.
Het is een grote groep.
7
Het huis is vol, het feest begint.
De gasten zijn erg blij.
Ze eten en ze drinken en ze
dansen in een rij.
De gastheer zegt: Zo is het goed,
nu d'r zoveel zijn gekomen.
Het feestje is veel leuker dan
ik ooit had durven dromen.
---
*612
#7
1
Een herder die veel schapen had,
wel honderd, goed geteld,
ging met zijn kudde elke dag
al door het wijde veld.
2
Zo telde hij ze een voor een.
Heeft hij zich soms vergist?
Een schaap ontbreekt nog in de kooi,
er wordt een schaap gemist!
De herder zoekt aan alle kant,
hij roept het schaap bij naam.
Hij zoekt zelfs achter elke boom
of hij zijn schaap ziet staan.
3
Maar 't schaap dat hoort zijn herder niet,
het ging zijn eigen gang,
het ging op zoek naar groener gras,
maar nu wordt het toch bang!
Het loopt tussen de bomen door,
maar nergens is een schaap.
Het blaat tegen de eenzaamheid;
vermoeid valt het in slaap.
4
De herder zoekt het overal.
Waar zou het schaap toch zijn:
Misschien zit het wel ergens vast,
misschien heeft het wel pijn?
Zo zoekt de herder urenlang
tot hij het schaap weer vindt.
Hij draagt het vlug naar huis terug,
hij draagt het als een kind.
5
De herdersvrouw kijkt naar hen uit.
Wat is ze blij, ze zegt:
'Gelukkig dat je het weer vond,
nu is ons schaap terecht!
Hier is wat melk, hier is wat voer
voor 't schaapje eigenwijs:
dwaal nooit meer bij de kudde weg,
ga nooit alleen op reis!'
6
De buren delen in de vreugd.
Ze vieren samen feest
om 't schaap dat eerst verloren was,
zo ver is weggeweest.
Al is de kudde nog zo groot,
als er een schaap niet is,
dan zoekt de herder net zo lang
tot hij geen schaap meer mist!
7
En wat betekent dit verhaal
voor jou in deze tijd?
Dat Jezus ook jou zoeken wil
zonder enig onderscheid.
Noch huidskleur, noch een klederdracht,
noch arm, noch rijk, noch stand
telt bij hem mee. Hij reikt ook jou
heel graag zijn vriendenhand.
---
*613
#6
1
Er was eens een jonge man,
heel rijk en heel voornaam.
Hij woonde in een prachtig huis,
daar zie je het al staan.
Hij zorgde voor de bloementuin,
en wandelde wat rond,
hij keek eens naar de blauwe lucht
of streelde zacht de hond.
2
Maar erg gelukkig was hij niet.
Soms zat hij uren stil.
Dan zuchtte hij weer diep en zei:
'Ik weet niet wat ik wil.
Ik heb al wat mijn hart begeert,
ik leef in overvloed,
maar toch, gelukkig ben ik niet,
misschien leef ik niet goed?'
3
En als hij weer eens somber was
dan zei zijn dienaar:'Kom,
waarom gaat u niet wandelen,
niet wandelen in de zon:'
Ze liepen samen door de stad,
er was een vrouw, die zei:
'Heb je gehoord dat Jezus komt:
De hele stad is blij!'
4
Van Jezus had hij wel gehoord!
Dat was toch die profeet
die mensen toesprak en die ook
veel wond're dingen deed ?
Daar ging dus iedereen naar toe,
daarom was het zo druk.
Die mensen gingen luisteren
en hoopten op geluk.
5
En plotseling weet de rijke man:
'Ik zal naar Jezus gaan.
Misschien dat hij het antwoord weet,
de zin van mijn bestaan!'
Het paard komt voor de kar te staan,
het loopt zo snel het kan.
Zo komt hij dan bij Jezus aan,
die rijke jonge man.
6
'Ach, goede meester, zeg mij toch
hoe of ik leven moet:'
Maar Jezus kijkt hem vragend aan:
'Waarom noem je mij goed:
Niemand is goed dan God alleen!
Houd je aan zijn gebod!'
'Dat doe ik,'zegt de rijke man,
'waarin schiet ik tekort?'
---
*614
#8
1
Daar staat Zacheus bij de poort,
de poort van Jericho.
De tollenaar vraagt om zijn tol,
hij geeft geen cent kado.
Zacheus vraagt zelfs veel te veel,
hij denkt alleen aan geld,
de mensen daar in Jericho
zijn niet op hem gesteld.
2
Maar op een warme zomerdag
denkt niemand meer aan tol.
De mensen hollen uit hun huis,
de weg is overvol.
Want Jezus komt naar Jericho
en wie wil hem niet zien?
De grote Rabbi zal ook hier
wel wonderen doen misschien.
3
Zacheus hoort dat Jezus komt,
vergeten is zijn geld.
Ook hij wil Jezus wel eens zien,
waar veel van wordt verteld!
Hij gaat de stille straten door,
de kippen hollen weg;
zo komt Zacheus ongemerkt
bij de anderen terecht.
4
De mensen wachten langs de kant
de kinderen staan vooraan,
want iedereen van groot tot klein
wil dicht bij Jezus staan.
Maar voor Zacheus is geen plaats,
hij is te klein, hij ziet,
al gaat hij op zijn tenen staan,
van hieraf Jezus niet.
5
En daarom klimt hij in een boom,
een eindje verderop.
De takken zijn zo groot, zo sterk,
hij klimt tot in de top.
Zoals een vogel in een boom,
zo schuilt Zacheus weg.
De mensen kijken niet omhoog;
ze vinden hem toch slecht!
6
De stoet komt langzaam dichterbij,
de mensen drommen saam,
ze drommen voor de vijgeboom,
Zacheus hoort zijn naam!
Want Jezus roept de tollenaar
vanuit zijn hoge boom:
'Zacheus, breng mij in jouw huis!'
Het lijkt een vreemde droom.
7
Nu loopt Zacheus wel vooraan,
de mensen gaan opzij,
ze weten niet wat Jezus wil,
de blijdschap is voorbij!
'Wat doet hij bij een tollenaar
die rijk is van ons geld ?
Zijn wij niet goed genoeg voor hem?
Men moppert en men scheldt!
8
Maar Jezus is Zacheus' huis
ziet alle rijkdom staan.
Hij zegt geen woord, Zacheus kijkt
hem dan vol schaamte aan.
'Ik geef de helft van mijn bezit
aan de armen', zegt hij vlug,
'en wat ik onrechtvaardig nam
geef ik vierdubbel terug!'
8
Zacheus loopt door Jericho,
hij geeft aan ieder wat.
Hij geeft zijn geld terug, dit is
een wonder in de stad.
'Wat een geluk', zegt Jezus zacht,
'voor jou en voor dit huis.
Zacheus, zoon van Abraham,
vandaag ben je weer thuis'.
---
*615
#7
1
In deze kamer staat een bed
en daarop ligt een man.
Hij ligt daar dag en nacht omdat
hij niet meer lopen kan.
Hij is verlamd, hij ligt daar maar.
Hij zou zo graag eens weten
waarom hij zo lang lijden moet.
Zou God hem zijn vergeten?
2
Opeens krijgt hij bezoek, er staan
vier vrienden rond zijn bed.
Ze zeggen:'Hoor eens, Jezus komt!
die man uit Nazareth!'
'Kom mee, we gaan naar Jezus toe.'
En voor hij iets kan vragen,
wordt de verlamde opgetild:
zijn vrienden gaan hem dragen.
3
Ze dragen hem met bed en al
de lange straten door,
tot aan het huis waar Jezus is;
er staan veel mensen voor.
Wat is het druk, daar voor de deur.
Ze roepen: 'Laat ons binnen!'
Maar niemand gaat voor hen opzij.
Wat moeten ze beginnen ?
4
Opeens heeft iemand een idee.
Ze dragen met gemak
het bed met de verlamde man
naar boven, naar het dak.
Daar staan ze, boven op het huis;
het dak maken ze open.
En door het gat daalt nu de man,
de man die niet kan lopen.
5
Als Jezus hem gezien heeft, hoeft
de man hem niets te vragen:
'Zoals jouw vrienden deden, zal
ook God je altijd dragen.'
Geleerde mannen staan erbij.
Ze vinden het niet goed.
Ze roepen: 'Jezus, hoe weet jij
wat God met mensen doet?'
6
Maar Jezus zegt: 'Ook deze man
mag altijd op God hopen.
Ik zal het jullie laten zien.
Hij zal weer kunnen lopen!'
En dan spreekt Jezus tot de man:
"t Is tijd om op te staan.
Sta op, en neem je bed maar mee.
Je kunt naar huis toe gaan.'
7
De man staat op en pakt zijn bed.
Hij staat op eigen benen.
Verlegen vraagt hij aan een vriend:
'Mag ik jouw schoenen lenen?'
Dan loopt hij. Ja, hij loopt en lacht;
de mensen zijn ook blij.
Ze klappen in de handen en
ze roepen: 'God maakt vrij.'