---
Twee liederenbundels van Michel van der Plas
De Kleine Bundel, de nrs 1 - 99
Evangelieliederen, de nrs 101 - 150
---
*1
#3
1
O zing voor de Heer, al wat Hem behoort.
O zing Hem ter eer, het scheppende Woord.
Zing maan met je luister en zon met je pracht
en zing, schemerduister en zing grote nacht.
2
En aarde, zing mee voor Hem die je schiep,
en zing, wijde zee het lied uit je diep.
En bergen en dalen, en grasland en grot:
zingt honderden talen en wijzen voor God.
3
En mens, jij vooral, laat horen jouw stem,
zing met het heelal je loflied voor Hem.
De ziel, jou gegeven, bestaat voor zijn eer,
dus zing voor je leven, o zing voor je Heer.
---
*2
#5
1
Leer ons opnieuw te zingen, Heer;
maak ons geloof weer jong.
Geef ons dat lied van vroeger weer
dat van genade zong.
2
Leer ons opnieuw te hopen, Hecr,
met opgeheven hoofd.
O, laat ons blij zijn als weleer
om wat U hebt beloofd.
3
Wij hebben U voorbij geleefd.
O, wees ons weer nabij
en zend de Geest die woorden geeft
aan mensen zoals wij.
4
Wij zijn ons lied van vroeger kwijt.
Wij werden klein en stil.
Help ons vertellen wie Gij zijt
aan wie het horen wil.
5
Toon ons opnieuw het vergezicht
van heel ons voorgeslacht.
Maak ons weer kinderen van het licht
dat naar de aarde lacht.
---
*3
#3
1
Dit is het huis dat wij wilden om God te ontmoeten,
en waar de aarde en de hemel elkander begroeten;
huis van 't verbond
en met zijn liefde als grond
voor onze zoekende voeten.
2
Dit is het huis dat wij bouwden om samen te horen;
hier komen wij, met ons leven, elkander ter ore;
hier wordt gedeeld;
hier wordt de vrede verbeeld
waarvoor wij eens zijn geboren.
3
Dit is het huis dat wij houden om samen te eten,
om elke keer rond het heilige brood weer te weten:
Hij onze God
gaf ons als hoogste gebod
liefde die nooit zal vergeten.
---
*4
#5
1
God, verlaat de aarde niet,
die U in de ruimte ziet,
met een mensheid arm en blind,
die haar vrede maar niet vindt.
2
U die aller Vader zijt,
eendere voorzienigheid,
maak de mensen warm en waar,
breng ze als broeders tot elkaar.
3
U die aller vrede wilt,
aller dorst en honger stilt,
laat ze delen: klein en groot,
hart en ziel, talent en brood.
4
U, de eindelijke rust,
goede hoop en laatste kust,
maak de mensen op hun reis
in de wereld hemelwijs.
5
U, driene God en Heer,
zij ons aller lof en eer!
U, die ons geluk bereidt
nu en voor de eeuwigheid.
---
*5
#4
1
Wij hebben hier een huis gebouwd
voor God de Heer,
en Hij die van de mensen houdt
bezocht ons weer.
Refrein:
Ja, Hij heeft onder ons gewoond,
het eeuwig woord,
dat spreekt van licht en liefde
en wij hebben het gehoord.
dat spreekt van licht en liefde
en wij hebben het gehoord.
2
Hij wilde voor ons meer zijn dan
herinnering
als God-met-ons een deel zijn van
de grote kring.
Refrein
3
Het licht dat bij de Vader is
ging ons hier voor;
dat licht scheen in de duisternis
de jaren door.
Refrein
4
Dus zingen wij een lied vandaag
van dankbaarheid,
omdat U zoveel tijd al graag
weer bij ons zijt.
Refrein
---
*6
#3
1
Ronmd de tafel van de Heer
zetten wij ons samen neer,
bij zijn wonderlijke plannen
even blij en vreemd gespannen
als zijn vrienden in die zaal
van het laatste avondmaal.
2
Heer, wat hebt U in die nacht
toch voor teken uitgedacht
om uw trouw aan ons te tonen,
om bij ons te blijven wonen,
na uw menselijke dood,
in het goddelijke brood.
3
Wees weer bij ons net als toen,
kom dat wonder overdoen:
geef U weg aan al uw vrienden
als het grote onverdiende
Godsgeschenk in brood en wijn,
waarom wij hier samen zijn.
---
*7
#3
1
Heer, blijf huizen in ons hart, voltooi uw werk.
Alleen in de liefde zijn wij samen kerk:
rond de Schepper, rond de Vader, rond het oerbegin
dat ieder mensenkind een ziel gaf en een zin.
2
Want waar twee of drie bijeen zijn in uw naam,
daar zijt Gij ook zelf, Heer, daar hoort Gij ons aan:
Al waar wij op hopen en al waar wij bang voor zijn,
ons groot en klein geluk, ons zielsverdriet en pijn.
3
Blijf aanwezig, alle uren na dit uur,
o God in ons midden, met uw liefdevuur.
Grote Schepper, goede Vader, maak uw woorden waar.
houd ieder van ons vast en houd ons bij elkaar.
---
*8
#2
1
Zolang er mensen groot en klein
in uw naam samenkomen
en van de vrede dromen,
zult U, Heer, bij hen zijn.
O wees, wat wij u bidden,
dus werkzaam in ons midden
en laat ons door uw brood en wijn
uw vredesmacht op aarde zijn.
2
Wij kunnen niets uit eigen kracht,
maar hebben door uw zegen
weer nieuwe moed gekregen
waarop de wereld wacht.
O wees, wat wij U bidden,
dan werkzaam in ons midden
en maak dat oude woord weer waar.
"Kijk hoe ze houden van elkaar".
---
*9
#3
1
Wij vragen U, Vader,
breng ons tot U nader,
laat komen voor allen uw koninkrijk;
en schep het nog heden
op aarde in vrede,
en maak daarmee, Heer, alle mensen gelijk.
2
Verlicht onze dagen
en laat het ons wagen
uw naam te doen kennen dichtbij en ver.
als teken van vrijheid
en waarheid en blijheid
en als onze enige veilige ster.
3
En laat, U ter ere,
de liefde regeren,
waardoor onze aarde de hemel raakt;
en geef zo de mensen,
die missen en wensen,
het dagelijks brood dat gelukkig maakt.
---
*10
#2
1
Christus, zend de vrede van uw eigen rijk,
maak het hier beneden aan uw huis gelijk.
Geef ons te vermoeden hoe dat is gebouwd;
rond de ene goede God die van ons houdt,
rond de ene goede God die van ons houdt,
2
Wees waar broeders bidden broedermens en God,
manend in hun midden met het hoogst gebod.
Laat waar mensen wonen in hun tranendal
liefde tot hen komen, vrede overal,
liefde tot hen komen, vrede overal.
---
*11
#3
1
Even, nog maar even
is het feest vandaag.
Morgen stelt het leven
ons een nieuwe vraag.
Als er dan geen bloemen
meer in feestlicht staan,
Christus, blijf ons noemen
bij uw eigen naam.
Christus, blijf ons noemen
bij uw eigen naam.
2
Samen, nu nog samen;
straks weer, om ons heen,
eigen deur en ramen,
ieder weer alleen.
Eer we elkaar vergeten,
mensen groot en klein,
Christus, leer ons weten
dat wij broeders zijn.
Christus, leer ons weten
dat wij broeders zijn.
3
Verder, waarheen verder ?
Christus, geef ons raad;
wees de goede Herder
die ons nooit verlaat.
Leid ons alle uren
die wij samen gaan;
breng ons tussen muren
die de tijd weerstaan.
breng ons tussen muren
die de tijd weerstaan.
---
*12
#3
1
Dank, lieve God, voor weer een dag
dat ik de zon mag zien,
en dat ik daar in leven mag
en lachen bovendien:
een kleine mens, een hulploos kind,
in dit bestaan te gast,
maar dat er veil'ge wegen vindt,
want uw hand houdt mij vast.
2
Dank, lieve God, voor zoveel tijd
van leven, die U geeft
en die U in uw eeuwigheid
al opgenomen heeft;
want alles wat ik ben en doe
leeft daarin eenmaal voort,
ik weet niet waar, ik weet niet hoe,
maar U, Heer, houdt uw woord.
3
Dank, lieve God, voor zoveel zin
van zomaar hier bestaan,
dat U ons aanreikt als begin,
maar dat nooit zal vergaan.
Ik dank U, Heer, voor zoveel nu,
voor ieder levensuur.
U maakt de wereld mooi en U
maakt al mijn dagen duur.
---
*13
#3
1
Dank U, Heer van alle leven,
voor uw liefde ons gegeven
elke dag van ons bestaan;
tekens van uw lieve zorgen,
licht en brood vandaag en morgen,
warme zon en vriendelijke maan.
U hebt alles welgedaan.
2
Dank U, Heer, die ons van verre
zonlicht schenkt en vaste sterren,
groeten van Uw eigen licht;
blauwe dagen, klare nachten
en bevrijdende gedachten
aan geluk door U ons toegedicht,
eeuwig hemels vergezicht.
3
Leer ons danken, leer ons zingen
voor de grote kleine dingen
die U ook vandaag weer geeft.
Ach, wil onze Vader heten,
die ons ieder uur doet weten
dat U alles samen met ons leeft,
wat de kleur van eeuwig heeft.
---
*14
#4
1
Voorzang:
Voor al wat morgen komen gaat
aan ongewone dingen.
allen:
Voor paarse hei en overdaad,
waar and're vogels zingen.
2
voorzang:
Voor elke lieve reisgezel,
die zich aan ons wil wagen.
allen:
O, dank U wel Heer, dank U wel.
Vandaag en alle dagen.
3
Voor kinderstemmen in een duin
wanneer zij zich verbergen,
voor bloemen in een franse tuin
en klokken in de bergen,
voor wolken die, als in een spel,
langs grote luchten jagen,
o dank U wel, Heer, dank U wel,
vandaag en alle dagen.
4
Voor deuren die straks openstaan
en ons gastvrij ontvangen,
voor paden die naar zee toe gaan,
voor koelte in donkere gangen,
voor buren met een warm vaarwel,
voor vaders die ons dragen,
o dank u wel, Heer, dank U wel,
vandaag en alle dagen.
---
*15
#4
1
Voorz.: Gewoon eens van geluk, gewoon eens even,
allen: Gewoon eens van geluk, gewoon eens even,
Voorz.: Van liefde die een mens verwarmt
en kinderen doet leven,
allen: en kinderen doet leven.
2
Voorz.: Gewoon eens van de kansen, mij gebleven,
Allen: Gewoon eens van de kansen, mij gebleven,
Voorz.: gewoon eens van een ander waar
ik mij aan weg kan geven,-
Allen: ik mij aan weg kan geven.
3
Voorz.: Gewoon eens van dat wonder, mij gegeven,
Allen: Gewoon eens van dat wonder, mij gegeven.
Voorz.: Een wonder als een lied van God
mij op het lijf geschreven,-
Allen: mij op het lijf geschreven.
4
Voorz.: Gewoon eens van geluk, gewoon eens even.
Allen: Gewoon eens van geluk, gewoon eens even.
Voorz.: Van liefde die een mens omgeeft
tot in het eeuwig leven,
Allen: tot in het eeuwig leven.
---
*16
#4
1
Zoals de vogels vliegen,
zorgeloos hoog en vrij,
zo zou ik even, Heer,
wel willen leven, Heer;
toe, leer dat ook aan mij.
zo zou ik even, Heer,
wel willen leven, Heer;
toe, leer dat ook aan mij.
2
Zo als de bloemen wiegen,
nog voor de wind niet bang,
zo wil ik morgen, Heer,
zijn zonder zorgen, Heer,
en heel de zomer lang.
zo wil ik morgen, Heer,
zijn zonder zorgen, Heer,
en heel de zomer lang.
3
Zo ziet U mij het lieFste,
zo ben ik echt uw kind,
een dat zijn vrijheid, Heer,
een dat zijn blijheid, Heer,
in uw nabijheid vindt.
een dat zijn vrijheid, Heer,
een dat zijn blijheid, Heer,
in uw nabijheid vindt.
4
Zo als de vogels vliegen,
zorgeloos hoog en vrij,
zo zou ik even, Heer,
wel willen leven, Heer;
toe, leer dat ook aan mij.
zo zou ik even, Heer,
wel willen leven, Heer;
toe, leer dat ook aan mij.
---
*17
#3
1
Komt de Vogel vrij
vrolijk langs mijn raam gevlogen.
Komt de Vogel vrij
vrolijk aan mijn deur voorbij.
Komt van overzee,
uit het Land van Zonder Zorgen.
Komt van overzee,
met zijn liedje 'Kom ga mee'.
2
Wie stuurt jou naar hier.
dat ik zo maar kan vertrekken?
wie stuurt jou naar hier,
mooie vogel van plezier?
"Die de vogels voedt
die ze kleedt in al hun veren;
die de vogels voedt
wil dat jij als vogels doet".
3
Met een vogelwijs
als een wonder in mijn oren,
met een vogelwijs
ga ik argeloos op reis.
Die de vogels zendt
uit het Land van Zonder Zorgen,
die de vogels zendt
maakt zich als Geluk bekend.
---
*18
#2
1
Iets aan een kind heeft vleugels:
of het van boven kwam;
of het de ziel van een engel
mee naar de aarde nam.
Of het, hier neergestreken,
na trillend van zijn vlucht,
ons een groet kwam brengen
uit de hemelse lucht.
ons een groet kwam brengen
uit de hemelse lucht.
2
Iets aan een kind wil vliegen,
zolang het leven mag;
iets heeft er altijd heimwee
naar de eeuwige dag;
lachend en huilend heimwee
waar het nooit van geneest.
In de Naam van de Vader
Zoon en heilige Geest
In de Naam van de Vader
Zoon en heilige Geest.
---
*19
#3
1
Weet U nog, Jezus, heel lang geleden,
van die Zaches op zijn tak?
en dat U riep: 'Kom vlug naar beneden'
want ik wil bij jou onderdak?'
en dat U riep: 'Kom vlug naar beneden',
en thuis het brood toen met hem brak.
2
Weet u nog, Jezus, hoe hij toen lachte,
kleine Zaches, trots en blij?
Kom, laat ook mij niet lang op u wachten
en schuif aan deze tafel bij.
Kom, laat ook mij niet lang op u wachten
en eet vandaag een keer met mij.
3
Weet u nog, Jezus, wat hij beloode,
kleine Zaches, heel heel stil ?
Toe, leg uw hand ook op onze hooden
en u krijgt alles wat u wil.
Toe, leg uw hand ook op onze hooden
en U krijgt alles wat u wil.
---
*20
#3
1
Toen God op aarde was
en ieder weet nog hoe,
toen brachten alle moeders
hun kind'ren naar Hem toe.
Zieke, gezonde, zwarte en blonde;
Hij wou ze allemaal zien van dichtbij
en Hij keek op en zei:
'Wie niet zelf wordt als kind'ren
woont later niet bij mij'.
2
Hij streek ze door hun haar,
Hij zei: 'Vertel het door.
laat alle kinderen komen
want zij gaan bij Mij voor.
Houd ze niet tegen, wijs ze de wegen,
zeg dat Ik daar op ze wachten zal.
Ik ben hun troost, hun trouw,
ze mogen nooit vergeten
hoeveel Ik van ze hou'.
3
God, laat het deze dag
een beetje zijn als toen:
U hier met onze kind'ren
neerzittend in het groen.
En laat ze mogen zien in uw ogen
wat hun geluk is, nu en altijd,-
tot in de eeuwigheid;
waar U, o God van liefde,
voor hen een plaats bereidt.
---
*21
#3
1
In Kana was een feest,
daar ging de vlag voor uit:
daar zat God zelf aan tafel
met brvidegom en brvid.
Dat was een zingen,
dansen en springen,
dat was mirakels vrolijk en blij.
En als zijn moeder zei:
'De wijn dreigt op te raken',
dan schonk Hij zelf weer bij.
2
En over tafel heen
keek Hij die twee maar aan,
alsof Hij wilde zeggen:
'Die stap is wel gedaan.
Dat heeft mijn zegen
nu al gekregen,
dat zit voor eeuwig goed met
En langs hun ogen glee
zijn glimlach en die deelde
aan hen zijn vrede mee.
3
Kom, laat het deze dag
een beetje Kana zijn:
de hemel op de aarde,
het wonder in de wijn.
God is aanwezig
en met ons bezig.
Hij bracht ons samen, vrouw
Hij weet er alles van
en Hij heeft voor ons leven
al een mirakels plan.
---
*22
#7
1
Heer, onze Heer, wij zien de tuin weer voor ons,
de mens, die daar alleen was,
naar uw beeld en gelijkenis geschapen,
de glorie van de zesde dag.
2
Hoe lief van U bedacht, hem niet alleen te laten
maar hem een vrouw te geven,
vlees naar zijn vlees, het antwoord op zijn vragen,
een hulp aan hem gelijk.
3
U schiep de mens, maar U schiep ook de liefde,
die niet te stuiten aandrang
om van onszelf het beste weg te schenken,
het innigst van ons ik.
4
U schiep het verlangenom lieve lust te delen,
het wonder in het lichaam
als ons geluk naar buiten komt in tranen,
de vrede in de ziel.
5
Heer onze God, al is uw tuin gesloten
het paradijs verloren,
de liefde bleek en de liefde maakt de mensen
nog altijd een van hart.
6
Door deze gave is onze arme aarde
dit tranendal, bewoonbaar,
en lijkt zij soms zelf in gelukkige uren
een beetje de eerste tuin.
7
Eer aan de Vader en eer aan de Zoon,
en eer aan de heilige Geest
zoals het was in het begin en altijd zijn zal
in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*23
#3
1
De liefde leidt een leven
dat onbekommerd is
en durft zich weg te geven
in rijkdom en gemis.
De liefde weet van delen
de schat en het tekort,
en zij verstaat te helen
wat ziek en pijnlijk wordt.
2
De liefde bouwt baar huizen
met kamers wijd en licbt;
de liefde wil de ruimte
en doet geen deuren dicht.
De liefde gunt de vrijheid
en zij vertrouwt op trouw;
zij duldt in haar nabijheid
geen enkele angst en kou.
3
De liefd' is niet afgunstig
zij zingt geen bitter lied;
de liefde is geduldig
en zoekt zichzelve niet.
De liefde kan vergeven,
zij ziet de dingen groot;
de liefde wil het leven
en nooit en nooit de dood.
---
*24
#3
1
Wanneer je ja zegt, zeg je ja
op leven in de gloria,
maar ook op elke dag erna,
op moeite en op zorgen;
je zegt ja op heel een mens,
zijn eigen landschap en zijn grans;
je zegt ja op vrees en wens
en lelijk in de morgen.
2
Wanneer je ja zegt, doe je dat
op goed geluk, op God weet wat,
op mooi en jong, op moe en mat,
op honderden geheimen:
op al wat je niet voorziet,
de glorie en de droefheid niet,
dingen die in het verschiet
niet met het heden rijmen.
3
Wanneer je ja zegt, is het goed
wanneer je dat op alles doet,
omdat het recht geeft op de moed
door God ons ingegeven
die ons schiep als man en vrouw
en ons tezamen brengen wou:
Hij leert ons de goede trouw
die goed is voor een leven.
---
*25
#3
1
God die mij doet wonen,
maar me ook laat dromen
van dingen die ik hier niet zie,
geef me in vreemde landen
nooit en nooit uit handen:
U die mij ziet
vergeet mij niet,
onthoud dit lied:
Refrein:
We zwerven uit, we willen ver;
we zoeken steeds het paradijs.
Geef ons een gids, een vaste ster;
geef elk van ons een goede reis.
2
Kom mij op mijn wegen
in de vreemde etegen
als zonnig licht, als vergezicht.
Wil in vreemdelingen
lachen zijn en zingen;
de vriendschap van een ander man
die delen kan.
Refrein
3
Maker van de mensen,
einddoel van hun wensen,
geef dat uw kind zijn oorsprong vindt;
sluit mij in uw warme
wereldwijde armen,
U die ik zocht
op elke tocht
en zeggen mocht:
Refrein
---
*26
#4
1
God, nu U bij mij bent,
laat mij niet los.
U die mijn zwakheid kent,
laat mij niet los.
In voor- of tegenspoed,
armoe of overvloed,
hoe ik ook leven moet,
laat mij niet los.
2
U bent mijn zekerheid,
laat mij niet los.
U wil ik nooit meer kwijt,
laat mij niet los.
O, houd zoveel van mij
dat ik bij ieder tij
nog weet: U bent nabij,-
laat mij niet los.
3
Vervloek ik U misschien,
laat mij niet los;
wil ik U nooit meer zien,
laat mij niet los,
Maakt mij een ander blind,
zodat in weer en wind
ik nergens U meer vind,-
laat mij niet los.
4
Waar ik ook ga of sta,
laat mij niet los.
God, kom mij achterna,
laat mij niet los.
Tot ik in Uw huis ben
en ik U werkelijk ken
en aan uw zonlicht wen,-
laat mij niet los.
---
*27
#3
1
Ons scheepje gaat over zee,
maar jezus vaart met ons mee.
Laat dus de golven maar huizenhoog slaan,
wild en lelijk op het hout,
veilig en wel komt ons scheepje eens aan,
want Hij heeft het zelf gebouwd.
2
Soms maakt de zee het te gek
maar Jezus slaapt op het dek.
Hij heeft gezegd: Je bent veilig, mijn kind
in het donkerst stormgedruis.
Ik ben de meester van water en wind.
Ik breng alle mensen thuis.
3
Al duurt de zeereis nog lang
met Jezus zijn we niet bang.
Hij krijgt de zwartste orkanen wel klein.
Hij is onze veiligheid.
Hij heeft gezegd: Ik zal bij jullie zijn
tot het einde van de tijd.
---
*28
#4
1
Heer, lee ons zien, want soms lijkt dit bestaan,
zinloos en vaag, in nevels op te gaan,
voelen wij ons verloren en alleen,
dwalen wij zomaar rond en nergens heen.
2
Heer, leer ons zien, de zin en het verband:
U ons begin, en U ons vaderland.
Wees weer de God die ons heeft uitgedacht,
wees weer de vader, die ons thuis verwacht.
3
Heer, onze God, U maakt ons duister licht;
in onze mist schept U een vergezicht,
ieder van ons, hoe nietig hij ook is,
heeft in Uw samenhang betekenis.
4
U bent de kracht die ons tot leven riep,
U bent de hoop van allen die U schiep.
U bent de band die heel de mensheid bindt,
U het geluk dat zij tenslotte vindt.
---
*29
#3
1
Blijf bij ons, Heer, verzamel om U heen
ons in dit huis en houdt ons dicht bijeen.
Wees onze hoop en, Heer, laat hier vandaan
nooit iemand ongetroost of eenzaam gaan.
2
En houd ons vast, want wat ons ook benart,
U bent de rvst en warmte voor ons hart.
Zonder uw vuur komt elk van ons tekort.
Blijf bij ons, Heer, wanneer het avond wordt.
3
En laat dit huis, oase in steenwoestijn,
voor elk van ons al iets van hemel zijn,
iets van 't geluk dat U van eeuwigheid,
in vele woningen voor ons bereidt.
---
*30
#3
1
God vol vergeven, wees ons genadig:
zie hoe wij leven ver van uw licht.
God vol meedogen, zie hoe wij dwalen
houd onze ogen op U gericht.
2
Wij zijn vergeten op wie wij lijken,
naar wie wij heten sinds onze doop.
Wij zijn verloren wat wij bezaten
sinds wij herboren leefden van hoop
3
U, onze morgen, houd U niet langer
voor ons verborgen: keer bij ons weer.
Wees in ons midden met uw genaden;
leer ons weer bidden tot U als Heer.
---
*31
#3
1
Dank U, Vader van ons leven
en ons zo zeer toegewend
dat U, eeuwig, hoog verheven,
elk van ons bij name kent.
Dank U, Heer der Heren,
dat U onze Vader bent.
2
Dank U, Christus, met ons lijden
en de dood zozeer begaan,
dat U ons daarvan bevrijdde
met een mensenlichaam aan.
Dank U, dank U, Jezus Christus,
broeder-God in ons bestaan.
3
Dank U, Geest, voor alle gaven
aan ons hart en ons verstand;
die ons hoop geeft op de haven
van ons ware vaderland.
Dank U, dank U, Geest van liefde,
voor het vuur dat in ons brandt.
---
*32
#3
1
Dat zijn de oude dromen,
een klein oud schilderij,
met onder groene bomen
de dieren zij aan zij:
de leeuw, het lam, de slangen,
daartussenin een kind;
dat is het oud verlangen,
een tijd die nooit begint.
2
Dat zijn de mooie woorden,
het prachtig visioen
waarvan we al eeuwen hoorden,
en God schijnt niets te doen.
Hij heeft het zelf beschreven
in onze mensentaal
en in ons hart doen leven,
maar 't blijft een mooi verhaal.
3
Dat zijn de oude boeken,
de lieve profetie.
De vrede is ver te zoeken,
is louter pozie.
Wat U ons openbaarde:
die nieuwe tijd en dan
Uw koninkrijk op aarde.
God, komt daar ooit wat van?
---
*33
#3
1
Refrein:
Vergeef ons, trouwe God van liefde.
Vergeef ons onze schulden.
2
Vergeef ons al het onrecht, Heer,
de schuld die wij dragen
aan 't verdriet op aarde
in de straat waar wij wonen,
't huis waarin wij leven,
tussen de mensen om ons heen.
Wij leven vaak voor onszelf alleen;
zien alleen maar de rechten van onszelf
en niet van een ander,
en vergeten uw gebod:
bemint elkander.
Refrein.
3
Kom en help ons Heer,
kom en help ons, Heer,
in deze wereld.
Maak gebruik van ons
voor uw vrede.
En laat ons wegbereiders zijn
van uw koninkrijk. hier beneden.
Beziel ons, Heer,
met uw genade;
want zo maakt U door ons
de woestijn begaanbaar:
alle kuilen dicht
en recht de paden.
Refrein.
---
*34
#5
1
Het komt, het zal er komen,
zoals het is voorzegd:
het rijk van onze dromen;
de paden worden recht.
2
Het komt, wij zien het prille
ontroerende begin.
Als wij de vrede willen.
dan trekt die bij ons in.
3
Zo wordt het toch nog waarheid,
het oude visioen.
De vrede komt tot klaarheid
als wij de vrede doen.
4
Wie ogen heelt en oren,
die maakt zichzell nu klein:
dan wordt het licht geboren
dat ons geluk zal zijn.
5
Nu daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal;
het komt de volken troosten,
die eeuwig heersen zal.
---
*35
#3
1
Wonderbare hemelscharen,
boden van Gods aangezicht
die ons aards bestaan verklaren
zingen in een zee van licht:
Gloria in excelsis Deo.
2
Herders die hun schapen hoeden
opgerezen bij dat lied,
krijgen wonderen te vermoeden,
op hun eigen land geschied:
Gloria in excelsis Deo.
3
Even is het of zij horen
bij die witte engelenzee,
of zij een zijn met die koren,
en zij staan en zingen mee:
Gloria in excelsis Deo.
---
*36
#4
1
Wat gebeurt daar in ons leven,
aan de rand van ons gehucht:
of we worden opgeheven
in de hoge sterrenlucht,
Gloria in excelsis Deo
2
Dat wij dat beleven mogen.
engelen, zo ver je ziet,
licht, dat pijn doet aan je ogen
en dat stem krijgt in een lied.
Gloria in excelsis Deo
3
Kleine arme stervelingen,
domme mensjes die wij zijn,
leren met de engelen zingen,
leren zomaar hun refrein.
Gloria in excelsis Deo
4
O, we zouden haast geloven
dat vannacht ook onze stem
doordrong in het huis hierboven
en een hulde werd voor Hem.
Gloria in excelsis Deo.
---
*37
#4
1
Wij, die liepen alle dagen,
in het vierkant van de sleur,
die er nooit een gat in zagen,
deze nacht was daar een deur.
En een engel deed hem open
en zijn lichtstraal leerd' ons hopen,
en daar gingen wij op reis
naar het aardse paradijs.
en daar gingen wij op reis
naar het aardse paradijs.
2
Wij die heel ons leven sleten
in het land van alledag,
kregen het geheim te weten
van het hemelse gezag:
heersend op de dag van heden
woont bij ons de lieve vrede,
woont met kinderogen aan
het geluk van ons bestaan.
woont met kinderogen aan
het geluk van ons bestaan.
3
In de dorpen rond de velden
voeren wij het hoogste woord,
want wij hebben iets te melden
dat geen oor nog heeft gehoord:
dat de God van onze dromen
naar de aarde is gekomen;
en wij zingen voor en na:
Gloria, o Gloria.
en wij zingen voor en na:
Gloria, o Gloria.
4
Mensen die na ons zult leven,
klein en vragend en bevreesd,
Hij zal u de waarde geven
die de onze is geweest:
ooggetuigen van een liefde
die de hemel overbriefde
en ons opneemt in haar rijk
allemaal aan God gelijk.
en ons opneemt in haar rijk
allemaal aan God gelijk.
---
*38
#3
1
Ik hoor ook die stem, param pam pam pam.
"Toe ga naar Bethlehem, param pam pam pam.
daar is een koningskind, param pam pam pam.
dat is jou wel gezind" param pam pam pam.
rampam pam pam, rampam pam pam.
't Is een lange weg, maar Jezus, ik kom,
ik en mijn trom, param pam pam pam, rampam pam pam.
2
Wat een mensenzee, param pam pam pam,
en ieder neemt wat mee, param pam pam pam,
en houdt iets kostbaars vast, param pam pam pam,
dat bij een koning past, param pam pam pam,
rampam pam pam, rampam pam pam.
Tussen al die groten lijkt dat zo stom:
ik met mijn trom, param pam pam pam, rampam pam pam
3
Maar U lacht naar mij, param pam pam pam,
U lacht van 'speel maar jij', param pam pam pam,
'want waar 'k het meest van houd, param pam pam pam,
is niet van kostbaar goud, param pam pam pam,
rampam pam pam, rampam pam pam,
maar van kinderen', en Jezus, daarom,
sla ik mijn trom, param pam pam pam, rampam pam pam.
---
*39
#3
1
O kind van het licht, o ster in de nacht,
ij hebt je Vaders wil volbracht;
gekomen uit het helerijk,
ben jij als mens aan ons gelijk
o Kind van het licht, O ster in de nacht.
2
O Kind van het licht, o ster in de nacht,
sinds jijhier naar de mensen lacht,
zet God zijn grote hemelzaal
weer open voor ons allemaal
O kind van het licht, o ster in de nacht.
3
O Kind van het licht, o ster in de nacht,
wat is dat lief door God bedacht:
dat onze aarde in een kind
de hemel als haar huis hervindt.
O Kind van het licht, o ster in de nacht.
---
*40
#3
1
't Is gebeurd, het staat geschreven,
in een veld bij Bethlehem;
herders hebben 't door gegeven
en wij luist'ren naar hun stem:
In een dorp hier ver vandaan
is God zelf voorbij gegaan.
2
Zij geloofden toen zij zagen
wat de engel had bericht.
Alle twijfel, alle vragen
vielen weg bij zoveel licht.
En zij zagen niemand meer
dan het Kind, hun God en Heer.
3
Laten wij vannacht niet meer zijn
dan de herders in de grot:
mensen die maar in de leer zijn
bij de wonderen van God;
met een open mond van O,
hoe verzint de Heer het zo.
---
*41
#3
1
Wat kan ons nog gebeuren
na deze sterrennacht:
God heeft vanuit de hemel
ons met zijn zoon bedacht.
het kind dat ik de kribbe ligt
en naar ons mensen lacht.
O ere zij, ere zij God.
Ere zij God.
O ere zij, ere zij God.
2
Een witte stoet van engelen
dringt in ons duister door.
Daar staat voor onze ogen
een groot en machtig koor.
Het zingt ons op de aarde
de hemelhymne voor.
O ere zij, ere zij God.
Ere zij God.
O ere zij, ere zij God.
3
Wat kan ons nog gebeuren
na zulk een groots bericht?
Geluk kan ons gebeuren,
geluk in louter licht,
en in het eeuwig leven
een stad voor ons gesticht.
O ere zij, ere zij God.
Ere zij God.
O ere zij, ere zij God.
---
*42
#3
1
Het is of de wereld
vandaag weer begint,
want hier in het duister
verschijnt ons een kind:
een kind van de hemel,
en dat ons bevrijdt
van vrees en van beven
voor nu en altijd.
2
Vandaag wordt het wachten
van eeuwen beloond;
God zelf is het leven
dat onder ons woont:
een kind van de hemel,
en dat ons bevrijdt
van vrees en van beven
voor nu en altijd.
3
De engelen zingen
zijn naam door de nacht.
Zo wordt aan ons mensen
de vrede gebracht:
een naam van de hemel,
en die ons bevrijdt
van vrees en van beven
voor nu en altijd.
---
*43
#4
1
Boven de kribbe
gaat een moeder zingen.
Wakende herders
komen haar omringen.
'Suja, kindje klein,
prinsje van vrede,
suja, kindje klein,
slaap maar hier beneden'.
2
Gapende herders
luistren naar het wijsje,
willen het leren
van het moedermeisje.
'Suja, kindje klein,
prinsje van de vrede,
suja, kindje klein,
slaap maar hier beneden.
3
Boven de bomen
zweven engelenkoren,
blijven nog dralen,
willen dit nog horen.
'Suja, kindje klein,
prinsje van de vrede,
suja, kindje klein,
slaap maar hier beneden.
4
Hemel en aarde
die hier samen kwamen
neurin zachtjes,
zingen ja en amen:
'Suja, kindje klein,
prinsje van de vrede,
suja, kindje klein,
slaap maar hier beneden.
---
*44
#3
1
En kind is geboren een zuigeling schreit,
maar engelen hebben zijn komst begeleid
en hemellicht heeft zijn verschijning begreot
en koningen vallen Hem biddend te voet.
2
Maria herhaalt haar Magnificat-lied
omdat zij de aarde veranderen ziet.
Want God haalt de machtigen neer van hun troon
en zet er de weerlozen neer, naast zijn Zoon.
3
Eenmaal noemt de wereld hem Meester en Heer;
dan zet Hij zich hoog op een berghelling neer
en dan prijst Hij zalig wie arm is en klein
en allen die vreedzaam als kinderen zijn.
---
*45
#3
1
Al de groten van de aarde
koningen en machten
vol van waardigheid en waarde,
zeker van hun krachten,
moeten voor dit kindje buigen
weerloos in hun midden.
Zullen Hem hun eer betuigen
Hem alleen aanbidden.
2
Al de zogenaamde wijzen
al de welgedanen
die hun eigen ster zien rijzen
in hun wilde wanen.
Wij met onze fantasien
en al wat wij schijnen
ook wij moeten op de knien
voor het arm' en kleine.
3
Al het zwakke en het tere
al de hulpelozen
zijn vannacht God zelf ter ere
tot zijn volk verkozen.
Jezus in een stal geboren,
schreiend in het linnen -
o, laat iedereen het horen -
gaat zijn rijk beginnen.
---
*46
#3
1
Laat ons, vol van ons gemis,
onze rijkdom prijzen;
Hij die zelf het leven is
zal de wegen wijzen
door het donker van de tijden
door de wereld van het lijden,
tot wij eens met Hem verrijzen (2x)
2
Ja, wij gaan vlak achter Hem,
die zichzelf kwam geven.
op naar zijn Jeruzalem.
dwars door dood en leven;
een Godmenselijke broeder,
onze herder en behoeder,
heeft zijn lot met ons verweven. (2x)
3
Dan zijn wij aan God gelijk.
alle strijd gestreden;
dan is ook de armste rijk,
alle leed geleden.
Heel de aarde, naakt geboren,
zal dan bij zijn Schepper horen
als een stad van louter vrede. (2x
---
*47
#5
1
Refrein:
Hij komt tot ons in de Naam van God
dus laat het klinken, Jeruzalem,
vandaag in al je straten:
een lied voor Hem.
2
Allen:
Hij komt tot ons in de Naam van God
dus laat het klinken, Jeruzalem,
vandaag in al je straten:
een lied voor Hem.
3
Koor:
Een lied voor Hem, de man van vrede,
al eeuwen lang verwacht,
die op een ezel komt gereden
en naar je huizen lacht.
In wie geen zonden wordt gevonden
en die hier eendracht sticht;
die olie giet op alle wonden
en elke last verlicht.
4
Die je de liefde voor komt leven,
de liefde tot de dood;
die zich aan and'ren weg komt geven,
gewoon als daag'lijks brood.
Een die geen perken weet, geen grenzen
aan wat de liefde kan.
Jeruzalem, met alle mensen,
loop uit en zing daarvan.
5
Refrein: Koor
allen.
---
*48
#3
1
Weg zijn de dichte rijen,
wanneer de avond daalt.
De leed'ren op de keien
zijn al weer weggehaald.
De donk're lege straten
zijn plots'ling weer van steen,
en hopeloos verlaten.
Daar loopt Hij nu alleen.
2
Hij weet nog drie, vier dagen,
en dit Jenzalem
zal hem de poort uitjagen
en roepen: 'Kruisigt Hem'.
Vannacht rijst voor zijn ogen
als in een kwade droom
steeds weer dezelfde hoge
en bladerloze boom.
3
Als hij zijn kruis zal dragen
naar 't kale Golgotha,
vernederd en geslagen,
wie wil hem dan nog na?
Wie van die Hij bevrijdde
uit pijn en angst en nood,
wie wil er met hem lijden
in liefde tot de dood?
---
*49
#4
1
Refrein:
Als wij mensendind'ren van elkander houden,
is God zelf met ons.
2
v:
Christus liefde is het die ons heeft verzameld
en ons n maakt.
Daarom zingen wij en noemen hem vol vreugde
onze broeder.
En deze God met ons
is onze liefde meer dan waardig.
Maar laten wij dan ook elkaar
met dezelfde liefde geven.
Refrein: Allen
3
v:
En daarom, wanneer wij samen komen
zittend rond de tafel,
mag er niets zijn
dat ons in ons doen en denken
kan verdelen,
moet ieder die een wrok heeft
zich verzoenen met zijn broeder,
want dan alleen is God zelf hier aanwezig,
is Christus in ons midden.
Refrein: Allen.
4
v:
Broeder Christus, laat ons zo
al iets begrijpen van de hemel,
van de heerlijkheid die heiligen genieten
voor uw aanschijn,
geluk dat groter is
dan mensen kennen:
zonder grenzen, en durend eindeloos
door alle eeuwen en eeuwen en eeuwen.
Amen.
God laat het waar zijn.
Refrein: Allen.
---
*50
#3
1
Het water waardoor alles groeit, alleluja,
is op ons voorhoofd uitgevloeid, alleluja,
God kreeg in ons zijn vaste stem, alleluja,
want sindsdien heten wij naar Hem, alleluja.
Alleluja, alleluja, alleluja.
2
De liefde heeft ons aangeraakt, alleluja
Gods water heeft ons nieuw gennaakt, alleluja
Wij zijn herboren door de doop, alleluja,
wij zijn gaan leven van de hoop, alleluja.
Alleluja, alleluja, alleluja.
3
Wij zijn gewassen in zijn hand, alleluja,
wij trekken naar 't beloofde land, alleluja.
Daar vloeit de eeuwig klare stroom, alleluja,
rondom Hemzelf, de levensboom, alleluja.
Alleluja, alleluja, alleluja.
---
*51
#3
1
Christus is vandaag verrezen.
Alleluja.
Laat zijn naam dus zijn geprezen.
Alleluja.
Hemel, zing uw lofzang voor.
Alleluja.
Aarde, hoor en geef het door.
Alleluja.
2
Zing voor deze dag der dagen.
Alleluja.
Christus heeft de dood verslagen.
Alleluja.
Al wie op zijn naam vertrouwt.
Alleluja.
Ziet vandaag zijn vlag ontvouwd.
Alleluja.
3
Christus heerst nu, hoog verheven.
Alleluja.
Ook wij zullen eeuwig leven.
Alleluja.
Aarde, zing verlost en vrij.
Alleluja.
Eens verrijzen wij als Hij.
Alleluja.
---
*52
#3
1
Ere zij God de zoon,
verrezen uit de dood,
het lam verheerlijkt op de troon,
ons nieuwe morgenrood.
Voortaan is Hij het licht
dat aan de toekomst rijst:
ons veilig, troostend vergezicht
dat naar de hemel wijst.
2
Vruchteloos was de wacht,
vergeefs de zware steen:
zijn leven brak uit alle macht
door nacht en duister heen,
Voortaan is Hij de dag
die na het lijden daagt,
waarop de wereld hopen mag
die om verlossing vraagt.
3
Ere zij God de Zoon,
en laat ons lied voor Hem
een kleine steen zijn in zijn kroon,
een kleine hemelstem.
Voortaan heeft ons bestaan
voor alle eeuwen zin.
Hij is zijn broeders voorgegaan,
Hij is ons nieuw begin.
---
*53
#3
1
Laat de klokken zingen
dat het pasen is:
tijd voor goede dingen,
licht en lafenis.
Christus is verrezen
en de nieuwe dag,
laat Hij zijn geprezen,
krijgt een zonnelach.
2
Alles wil verrijzen
uit zijn wintergraf.
Lente schaft de wijzen
van de rouwtijd af.
Alle knoppen trillen
met een dauwglans aan
Alle bloemen willen
in het zonlicht staan.
3
Laat de klokken luiden:
onze wereld staat
nu weer op het zuiden
in een nieuw gewaad.
Christus is verrezen
en wij zelf met Hem.
Laat Hij zijn geprezen
met een blijde stem.
---
*54
#3
1
In de grote sferen
der oneindigheid
schept de Heer der Heren
nieuwe plaats en tijd.
Mensen aller tijden,
heiligen van Hem,
krijgen in die wijde
wereld ziel en stem.
2
Honderden geslachten,
die zijn voorgegaan
en ons nog verwachten,
horen ons nu aan.
Al wie ooit geloofde,
heel die mensenzee
boven onze hoofden,
ademt met ons mee.
3
Als wij God bezingen,
zijn wij niet alleen.
Alle hemelingen
zingen om ons heen.
Heiligen herhalen
onze lof en prijs
honderd, duizend malen
in zijn paradijs.
---
*55
#3
1
De Heer zal ons omgeven met zijn licht
wanneer wij zelf maar licht van ons verspreiden.
De Heer doet nooit zijn ogen voor ons dicht,
wanneer wij zelf nooit blind zijn voor wie lijden;
en Hij is ons verlossend vergezicht
wanneer wij and'ren van hun nacht bevrijden.
2
De Heer is tot in eeuwigheid ons brood
wanneer wij zelf de hongerigen voeden;
Hij is voor ons de redder in de nood,
wanneer wij zelf maar onze broeders hoeden;
en Hij redt eenmaal ieder van de dood
die zelf het arme lam niet liet verbloeden.
3
De Heer neemt ons de zwaarste lasten af,
wanneer wij zwakken hebben opgeheven;
de Heer vergeeft ons onze schuld en straf,
wanneer wij onze vijanden vergeven;
en Hij neemt zelf de steen weg van ons graf
omdat wij eenmaal anderen lieten leven.
---
*56
#3
1
Zo hulpeloos als zij daar in die zaal,
zo klein en schijnbaar van hun God verlaten,
zo zonder vuur en de bezielde taal
die wordt gehoord, daarbuiten, in de straten,
zijn wij bijeen en zouden allemaal
zo graag eens met een God-op-aarde praten.
2
Maar die is naar zijn hoge hemel toe
en aan zijn Vaders rechterhand gezeten.
En zou Hij daar nu nog wel weten hoe
alleen wij zijn, hoewel wij naar Hem heten?
en hoe verdeeld en bangelijk en moe?
en is Hij zijn belofte niet vergeten?
3
Rond die belofte zitten wij bijeen,
een kleine kudde tussen hoge tinnen.
Wat ons kan redden is zijn vuur alleen.
Maar lieve God, hoe dringt dat bij ons binnen?
Breek als een onweer door die muren heen
met al uw kracht en laat uw uur beginnen.
---
*57
#3
1
Stel je toch voor: ineens zie je boven
iedereens hoofd een vuurtong staan,
en door geen windvlaag is die te doven }
en je zou z˘ de stad ingaan. } 2x
2
En stel je voor: je hoort jezelf praten
Engels en Russisch en Roemeens,
en iedereen verschijnt in de straten }
en vraagt: wat hebben die opeens. } 2x
3
En stel je voor: opeens kun je zeggen
wat God bedoelt en voor ons doet.
Dan kon je heel de wereld uitleggen }
waarom er vrede komen moet. } 2x
---
*58
#3
1
Gest van God, ons toegezegd,
maak ons nieuw en waar en echt.
Zet ons voor elkander open.
laat ons op elkander hopen
als Gods volk, op weg naar Hem
in een nieuw Jeruzalem.
2
Geest van liefde, maak U sterk
in de mensen van uw kerk;
wees de vader van de armen,
kom uw koude kinderen warmen,
wees voor ieder hart het licht
dat het op de waarheid richt.
3
Wees de rvst van ons bestaan,
wees de troost voor elke traan,
was de dorheid met uw regen,
heel de wonden door uw zegen,
maak ons helder, zuiver, klaar.
maak ons beter voor elkaar.
---
*59
#3
1
Zing voor de God die de bangen
verbaast met zijn teken,
zing voor de Geest die de stommen
op eenmaal doet spreken.
Die ons bedacht,
Hij zal geen dag en geen nacht
in ons bestaan meer ontbreken.
2
Zing voor de God die zijn schepselen
trouw is gebleven,
zing voor de Geest die het vuur is,
de gloed in ons leven.
Hij, ons begin,
en onze enige zin,
blijft ons met liefde omgeven.
3
Zing dus voor Hem, alle tongen
en talen en landen,
want deze God geeft zijn kinderen
nooit meer uit handen
en overal
waar Hij ze heen zenden zal
laat Hij zijn wachtvuren branden.
---
*60
#3
1
Kerk, lieve kerk van weleer,
je blies veel te hoog van de toren,
je was voor geen mens meer te horen.
Kerk, je was nergens meer.
Radeloos in de verstrooiing
en bleek met een bloedend hart,
werd je me liever en mooier:
een lam in doornen verward.
2
Kerk, het is veel beter zo,
want Een moet er alles betalen,
met bloed voor jouw bloed, op het kale
bergpad naar Jericho.
Heb voor je dorst dan geen schaamte
en roep zonder hoop op gehoor:
'Lama sabaktini',
want zo ben je Christofoor.
3
Huil het maar uit allemaal:
hoe naakt ze je achterlieten,
en Parthen en Elamieten
horen je in hun taal.
Ballingschapstranen zijn bitter
maar nu weten wij hoe je heet:
arm en toch alles bezittend,
gestorven en zie je leeft.
---
*61
#2
1
Niemand leeft zijn leven alleen,
want zijn mensenbroeders
staan dicht om hen heen.
Die machtige zee
trekt ons met zich mee
naar het eeuwige hart van de schepping;
naar het oerbegin en het eind
waar de diepste zin ons verschijnt:
God die zo van ons houdt
dat Hij een stad voor ons bouwt.
Allen:
Daar zal de liefde bestaan,
daar droogt Mij iedere traan,
daar zegt Mij ons vrede aan,
als die stem
heerst van Hem
in dat nieuw Jeruzalem.
2
Wat zal dat een samenkomst zijn,
heel de mensheid eindelijk vrij, zonder
Wie ging en wie kwam,
wie gaf en wie nam
een grote gemeenschap in vrede;
Wij van Adam af
bij de boom,
en van wieg tot graf
in een droom
o, die menigte dan
die geen mens tellen kan.
Allen:
Daar zal de liefde bestaan,
daar droogt Mij iedere traan,
daar zegt Mij ons vrede aan,
als die stem
heerst van Hem
in dat nieuw Jeruzalem.
---
*62
#3
1
Kijk eens, Maria, bier in mijn banden
iets wat ik U nog geven moet.
Dit is een kaars om bij u te branden
en die wil zeggen: Wees gegroet.
Dit is een kaars om bij u te branden
en die wil zeggen: Wees gegroet.
2
O alstublieft, onthoud alle dagen
dat 'k met dit kaarsje bij u kwam.
Als ik u later ooit iets kom vragen,
denk dan, Maria, aan die vlam.
Als ik u later ooit iets kom vragen
denk dan, Maria, aan die vlam.
3
Want bet is nooit op aarde vernomen.
Moeder, in de geschiedenis,
dat er een mens tot u is gekomen
die niet getroost vertrokken is:
dat er een mens tot U is gekomen
die niet getroost vertrokken.
---
*63
#3
1
Zij was er steeds, Maria.
Haar naam was om ons heen.
Haar beeld stond in ons midden.
Wij baden haar noveen.
Maar tussen zoveel kaarsen
zien wij haar vragend aan
en zoeken naar haar reden
in ons bestaan.
2
Zij was het Angelusklokje,
zij was ons weesgegroet,
zij had twee eigen maanden,
de maagd, de moeder zoet.
Wij hebben haar juwelen
en kronen aangedaan,
maar wat, wat was haar reden
in ons bestaan?
3
Zij had in kathedralen
haar eigen feestaltaar.
Zij zou ons zijn verschenen,
nu hier en dan weer daar.
Met rond haar hoofd de sterren
en aan haar voet de maan.
O, God wat is haar reden
in ons bestaan?
---
*64
#4
1
Wijs me iemand die gelooft,
in den blinde, in den blinde;
licht dat niets of niemand dooft.
Wijs me iemand die gelooft.
2
Die niet ziet en toch vertrouwt,
in den blinde, in den blinde;
op een God die van ons houdt.
Wijs me iemand die vertrouwt.
3
Iemand die me voor kan gaan,
in den blinde, in den blinde;
met dat vuur van liefde aan;
iemand die me voor kan gaan.
4
Wijs me iemand die gelooft,
in den blinde, in den blinde;
moederlicht, boven mijn hoofd;
wijs me iemand die gelooft.
---
*65
#3
1
U bent gelovend voorgegaan,
Maria.
U namuw zoon als redder aan,
Maria.
Ook al wat u niet verstond,
elke pijn die God u zond.
Ave ave Maria.
U zag uw Heer als vaste grond,
Maria.
2
U kent in ons de twijfeling,
Maria,
bij wat ons vaak te boven ging,
Maria.
Zet ons op het goede spoor,
ga ons in geloven voor.
Ave, ave Maria.
En help ons alle duister door,
Maria.
3
Het is voor u, ons laatste lied,
Maria.
Wij vragen u: vergeet ons niet,
Maria.
U die klein bleef en gewoon,
toon ons uw geluk als loon.
Ave, ave Maria.
O, maak ons zeker van uw zoon,
Maria.
---
*66
#3
1
God gaat de mensen te boven,
wat hij ook heeft bedacht
Maria is: geloven,
is bouwen op zijn macht.
Het is: hoezeer vergeten
een mens zich vaak ook voelt,
niet beter willen weten
dan God het heft bedoeld.
2
Maria, dat is wachten
tot Hij zijn wonder doet,
zelf niet tot mr bij machte
en toch vol goede moed.
Het is het kalme, stille
aanvaarden wat Hij biedt;
het is eenvoudig willen
dat ons Zijn wil geschiedt.
3
Maria, dat is buigen,
maar zingen bovendien,
is zorgeloos getuigen
dat Hij wel zal voorzien.
En ook de nacht aanvaarden,
de onverwachte pijn,
desnoods de zeven zwaarden,
dat is Maria zijn.
---
*67
#4
1
Allen:
Een dorre woestijn
gekweld door de zon;
een wereld van schijn
en nergens een bron;
en toch maar geloven.
Koor: Refrein:
Mijn God is meer dan
wat ik zie of hoor
en bij dag en duister
gaat Hij mij voor.
2
Allen:
Een vlucht voor de dood,
het eindpunt een schim;
geen water of brood
dat wacht aan de kim;
en toch maar geloven.
Koor: Refrein
3
Allen:
Maria, waarheen?
Maria, waarom?
De hemel van steen,
de horizon stom;
en toch maar geloven.
Koor: Refrein.
4
Allen:
Hoe ver nu die stal
en Bethlehem;
aan heel het heelal
geen teken van Hem;
en toch maar geloven.
Koor:
En toch maar geloven.
---
*68
#3
1
Met grote en kleine zorgen
met dromen en met vragen
en goede en kwade dagen
zijn wij tot U gegaan.
Want U bent onze vader,
U ziet ons in de ogen
en staat naar ons gebogen
en hoort ons allen aan.
2
Wanneer wij U niet hadden,
wat was er dan op aarde
dat aan ons leven waarde
en zin en uitzicht gaf?
Er mogen sterren vallen,
er mogen stormen woeden,
U blijft uw kindren hoeden,
u staat ons nooit meer af.
3
Bij U zijn mensen veilig.
Bij u zijn wij geborgen
met alle angst en zorgen,
met al wat ons verdriet.
Wij komen U bedanken
dat U in alle mensen
die zich een vader wensen
uw eigen kindren ziet.
---
*69
#2
1
Ere, ere zij God in den hoge.
Engelen zongen dat lied aan ons voor.
Ere, ere zij God in den hoge.
Wij stemmen in met dat hemelse koor.
Wij zijn door U met het leven bedacht.
Klein zien wij op naar uw glorie en macht.
Ere zij God in den hoge.
2
Ere, ere zij God in den hoge.
En heel het uitspansel zingt met ons mee.
Ere, ere zij God in den hoge.
En ook de wind en het diepst van de zee.
Hemel en aarde bezingen hun Heer,
altijd maar luider en altijd maar meer.
Ere zij God in den hoge.
---
*70
#3
1
Aan U, Heer, danken wij het leven
en 't liefdelicht dat ons geleidt.
En wij, wat kunnen wij U geven?
Alleen maar onze dankbaarheid.
alleen maar onze dankbaarheid.
2
U vraagt dat wij U geven zouden
wat U ons zelf geeft, groot en klein,
en dat is: dat wijvan U houden,
omdat dit ons geluk zal zijn.
omdat dit ons geluk zal zijn.
3
Al wat wij zijn en doen en denken,
het wel en wee van ons bestaan,
dat willen we U van harte schenken.
O, Heer, neem dat van harte aan.
O, Heer, neem dat van harte aan.
---
*71
#2
1
Heilig, heilig, heilig,
Heilig God de Heer.
Heilig, heilig, heilig,
U alleen zij eer.
U de Heer der Heren
die het leven zijt,
U die zultregeren
tot in eeuwigheid.
2
Heilig, heilig, heilig.
Heilig God de Heer.
Heilig, heilig, heilig,
U alleen zij eer.
Almacht, wonder, liefde
alle goeds en meer.
Heilig, heilig, heilig,
onze God en Heer.
---
*72
#2
1
O Heiland, heer en Meester,
o, zeg weer hier en nu
wat U uw vrienden wenste:
'Mijn vrede zij met U'
Lam Gods, voor alle mensen
hebt Gij de schuld voldaan.
Breng nu door uw genade
de vrede in hun bestaan.
2
Vervul hen met de vrede
die minzaam maakt en mild,
totdat in alle harten
de stormen zijn gestild.
Totdat in alle mensen
de echte vreugde leeft
en het gevoel van rijkdom
dat ware vrede geeft.
---
*73
#2
1
Daar zit U met uw vrienden samen,
aan tafel voor de laatste keer.
U noemt ze allemaal bij name.
U hebt ze lief, U wilt nog meer.
U breekt het brood, U geeft de beker:
'Dit is mijn lichaam en mijn bloed.
Ik zla u voeden vast en zeker,
wanneer U later 't zelfde doet,
wanneer U later 't zelfde doet.
2
Rond deze tafel zijn wij samen,
een kring die op die eerste lijkt,
en ons geloof zegt: Ja en amen
op 't brood dat ons wordt aangereikt.
U zelf hebt ons die troost gegeven,
die zekerheid in alle nood,
en wat wij eten is het leven
dat ons bij U brengt na de dood.
dat ons bij U brengt na de dood.
---
*74
#1
1
Uw genade bracht ons samen
maar nu gaan wij uit elkaar
naar de wereld van hier buiten,
Goede Vader volg ons daar,
volg ons met uw trouwe liefde,
en laat ons toch nooit alleen.
O, wees overal aanwezig,
in de wereld om ons heen.
Zegen ons en al de onzen
in ons dagelijks bestaan.
En zie heel ons doen en laten
als een Goede Vader aan,
als een Goede VAder aan.
---
*75
#4
1
Als een hert dat reikhalst naar het water,
zo wil ik naar U toe, o, God mijn Heer.
Ik heb dorst naar U, U bent het leven,
ik wil oog in oog staan met uw licht.
2
Geef mij dan een teken van uw liefde.
O, zend Uw licht en trouw mij tegemoet.
Zij gaan voor mij uit uw heilige berg op,
zij zijn als mijn gidsen naar uw huis.
3
Daar zal ik dan opgaan naar uw altaar,
naar U, mijn echt geluk van jongsaf aan.
Daar zal ik U voor uw redding danken.
want U bent mijn God, mijn lijfsbehoud.
4
Ere zij de Vader en de Zoon,
en ere zij de heilige Geest.
Zoals het was en is en altijd zijn zal
in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*76
#5
1
God breng door uw Zoon het recht op onze aarde.
Laat Hem koning zijn met volle vredesmacht.
Al wie arm en zwak is en het hoofd moet buigen,
ziet uit naar Hem de enige hoop.
2
Van uw hemel hoog zal eens de vrde komen.
Als het leven zelf, een grote warme zon.
Als een frisse bron van reinigende regen
voor een nieuwe tijd die eeuwig duurt.
3
Hij brengt eindelijk recht op onze dwaze wereld.
Alle potentaten, alle machtmisbruikers
bijten in het stof wanneer Hij recht zal spreken.
Hij, het lijfsbehoud van alwie lijdt.
4
Nergens meer geweld en nergens meer verdrukking.
Hij verliest zijn volk nooit uit het oog.
Een land van overvloed en rijkdom zal ons deel zijn
als die koning komt, gezegend zij zijn naam.
5
Ere zij de Vader en de Zoon,
en ere zij de heilige Geest.
Zoals het was en is en altijd zijn zal
in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*77
#5
1
Mijn herder is de Heer,
het zal mij nooit aan iets ontbreken.
Hij brengt mij in een oase van groen.
Daar strek ik mij uit aan de rand van het water.
2
Daar is het heerlijk rusten,
daar kom ik tot leven en dan trek ik verder.
Vertrouwde wegen, en Hij voor mij uit,
want God zo luidt zijn naam.
3
Gij nodigt mij uit aan uw eigen tafel
en iedere tegenstander moet het aanzien:
dat Gij mij bedient, dat Gij mij zalft
en dat Gij mij beker vult tot de rand.
4
Overal komen geluk en genade
mij tegemoet, mijn leven lang.
En altijd kom ik terug in zijn huis,
het huis van de Heer, tot in lengte van dagen.
5
Ere zij de Vader en de Zoon,
en ere zij de heilige Geest.
Zoals het was en is en altijd zijn zal
in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*78
#4
1
Halleluja, een nieuw lied gezongen
voor uw God, de schepper en de koning.
Want wij zijn eigen vrije kinderen;
breng dus alle hulde aan zijn naam.
2
Ja, Hij heeft ons tot zijn volk gekozen,
Hij verlost, verheerlijkt arme mensen.
Laat dus al zijn vrienden glorieren.
Hem aanbidden, heel hun leven lang.
3
En hun lied voor Hem is als een wapen,
waar zij elke macht mee overwinnen.
Halleluja, zo laat God zijn vrienden
delen in zijn eigen heerlijkheid.
4
Ere zij de Vader en de Zoon,
en ere zij de heilige Geest.
Zoals het was en is en altijd zijn zal
in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*79
#6
1
Hoe lieflijk is uw huis, God van de machten.
Met hart en ziel verlang ik naar uw woning
Hoe goed is het alleen al in uw voorhof.
Ik hunker naar het leven van mijn God.
2
Iedere vogel vindt een nest en zelfs de zwaluw
kan nestelen in de schaduw van uw altaar,
om daar haar jongen veilig neer te leggen
bij U, almachtige God van eeuwigheid.
3
Gelukkig hij die in uw huis mag wonen
en die daar dag aan dag U, Heer, mag loven
Gelukkig wie in U hun sterkte vinden.
U brengt uw plan tot leven in hun hart.
4
Trekken zij door een donker dal van droogheid,
dan zegent U hun land met lenteregen.
En zij gaan voort alsof ze vleugels krijgen
om U te vinden in uw stad.
5
Heer van de machten, hoor mij tot U bidden:
bescherm de mensen die U hebt geroepen:
zij leven liever wachtend op uw drempel
dan wonend in de tenten van het kwaad.
6
Ere zij de Vader en de Zoon,
en ere zij de heilige Geest.
Zoals het was en is en altijd zijn zal
in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*80
#4
1
Looft de Heer in zijn heilige woning,
het firmament van zijn majesteit.
Looft em en zijn machtige werken.
Looft Hem, Hij is onmetelijk groot.
2
Looft Hem op de schallende hoorn
en op de citer, harp en gitaar.
Looft Hem met dansen en tamboerijnen.
Spant uw snaren en speelt op de fluit.
3
Looft Hem met bekken, pauken en cymbalen;
hout en koper, n koor van stemmen.
Halleluja kreten van vreugde
Alle levenden looft de Heer!
4
Ere zij de Vader en de Zoon,
en ere zij de heilige Geest.
Zoals het was en is en altijd zijn zal
in de eeuwen der eeuwen. Amen.
---
*81
#3
1
Goede Vader van ons mensen
die hier samen zijn gekomen,
U kent onze diepste wensen,
onze zorgen, onze dromen.
Ook al klinkt het zwak, ons zingen,
en zijn onze woorden pover,
luister naar uw stervelingen,
buig U naar de wereld over.
2
Wees het antwoord op de vragen
waar wij zelf geen raad mee weten.
Hoor de noden onzer dagen
in de zuchten en de kreten.
Geef ons jagen en ons jachten
hier beneden zin en reden,
leer ons het geluk verwachten
van U zelf, de ware vrede.
3
Strek uw warme vaderarmen
naar uw volk verstrooid op aarde.
Richt uw liefde en erbarmen
naar hun kleine mensenwaarde.
Ook al klinkt het zwak, ons zingen,
en zijn onze woorden pover,
luister naar uw stervelingen,
buig u naar de wereld over.
---
*82
#2
1
Heer der hemeloorden,
leer ons U te prijzen
met de goede woorden
en op goede wijzen.
Engelenkoren lang, lang geleden
lieten ze horen, vol van uw vrede:
Gloria, gloria, gloria,
in excelsis Deo.
2
Luister, Heer der Heren,
naar ons lied op aarde,
dat wij langzaam leren
en geef Gij het waarde.
Want wij samen die geloven
zingen ons amen naar hierboven
Gloria, gloria, gloria,
in excelsis Deo.
---
*83
#3
1
In uw hemel klinkt een lied,
zo mooi kunnen zij het niet.
Maar als U ons samenziet
en wij daarbij uw Naam bezingen
zegt U tot de eng'len: 'Stil',
want dan hoor Ik het verschil
dat de hemel horen wil:
lof en prijs van stervelingen.
2
In uw hemel klinkt de zee
van de eng'len met U mee
naar het mensenwel en wee.
en 't antwoord dat er klinkt is 'Amen'.
En uw enig eigen zoon
laat U achter op zijn troon
en is hier weer doodgewoon
met zijn mensenbroeders samen.
3
Stervelingen onderweg.
naar hun eeuwige voltooiing
en zij weten heg noch steg,
bang en klein in de verstrooiing.
Stervelingen die niet zien
en toch zingende geloven.
Heer, ons zingen gaat misschien
dat rondom uw troon te boven.
---
*84
#3
1
Dank U, steeds en overal,
want wat in dit tranendal
ons ook overkomen zal,
U staat ons als de zon voor ogen
licht in alle duisternis,
troost in honger en gemis,
verte die vol vrede is,
U zij glorie in den hoge.
2
Almacht boven plaats en tijd,
Schepper van het kleinste leven,
U hebt ons van eeuwigheid
met uw vaderzorg omgeven;
U hebt, diep met ons begaan,
ons voor goed aan U gebonden
en ons in dit koud bestaan
ook uw goede geest gezonden.
3
Daarom, grote God en Heer,
U alleen zij alle eer,
elke dag en altijd meer
en tot in alle eeuwen, Amen.
---
*85
#3
1
Zittend rond uw tafel, door U zelf gevoed,
sterker door uw lichaam, warmer door uw bloed,
willen wij uw liefde roemen
en u zaligmaker noemen,
Christus, goede herder, die uw kudde hoedt.
2
Zittend rond uw tafel, en vol nieuwe moed,
rijk met wat wij hebben van uw overvloed,
Heer, nu willen wij dit vele
ook met alle mensen delen,
U de ware vreugde en het hoogste goed.
3
Kom, verdrijf op aarde alle slavernij,
maak uw mensenkinderen, maak uw broeders
Vrij om uw naam uit te spreken,
vrij om samen 't brood te breken,
vrij om u te prijzen, even vrij als wij.
---
*86
#2
1
Eer w' elkaar verlaten
naar de dag van morgen,
naar de eigen straten
en de eigen zorgen,
zingen wij vrij en God bevolen
nog dit blije lied uit Polen:
Gloria, gloria, gloria,
in excelsis Deo
2
Heer, houd alle dagen
ons in uw nabijheid,
tot het licht zal dagen
van de echte vrijheid.
Hoe we ook falen, steeds weer
wij herhalen heel ons leven:
Gloria, gloria, gloria
in excelsis Deo.
---
*87
#2
1
Voor God die ons geschapen heeft
en alles om ons heen
en die tijd en ruimte geeft,
zijn wij vandaag bijeen.
Voor Hem, de God van majesteit,
weerklinkt ons lied van dankbaarheid,
want Hij, die alles kent en ziet,
vergeet ons kleine mensen, niet.
Vergeet ons niet,
vergeet ons kleine mensen, niet.
Vergeet ons niet,
vergeet ons kleine mensen, niet.
2
Voor God die van de mensen houdt,
ons allen recht en slecht,
en ons zijn schepping toevertrouwt,
staan wij hier samen recht.
Voor Hem, de Vader en de Zoon
en Heilige Geest, op blijde toon
ons hart, vervuld van zijn verschiet,
ons dankbaar zondagmorgenlied,
ons dankbaar lied,
ons dankbaar zondagmorgenlied,
ons dankbaar lied,
ons dankbaar zondagmorgenlied.
---
*88
#
1
Een lied om God te prijzen,
een lied in onze tijd
dat opgaat in de wijzen
van heel de eeuwigheid.
Een lied om Hem te eren,
die zo zijn macht ontvouwt,
maar ook als Heer der Heren
ons in zijn handen houdt,
ons in zijn handen houdt.
---
*89
#2
1
Al wat ons is gegeven:
de vruchten van het land,
het goede van het leven,
het werk van onze hand.
O, Vader vol van zorgen
voor ons en ons bestaan
neem alles deze morgen
weer van uw kind'ren aan,
weer van uw kind'ren aan.
2
Zie hoe wij U gedenken,
Heer God, met brood en wijn,
beschouw het als geschenken,
laat het een offer zijn.
Verander het in beter:
het lichaam van uw Zoon
en laat ons daarvan eten
verzameld voor uw troon,
verzameld voor uw troon.
---
*90
#1
1
Zing, Heilig, heilig, heilig,
voor onze grote God.
Zing Heilig, heilig, heilig,
o Koning Sabaoth.
Zing met de eng'len koren
en laat zijn majesteit
dat lange loflied horen
voor eeuwig en altijd,
voor eeuwig en altijd.
---
*91
#1
1
O, Heer, ik ben niet waardig,
o, Heer, ik ben niet waardig,
maar U, die mij aanhoort,
O, Heer, U maakt mij waardig,
o, Heer, U maakt mij waardig,
U spreekt dat ene woord.
En Heer, die mijn verlangen
naar U zo graag vervult,
nu mag ik U ontvangen,
genezen, genezen, genezen,
genezen, genezen van mijn schuld.
---
*92
#1
1
Heer, geef ons nog uw zegen,
voordat wij verder gaan.
Toon overal, toon overal uw wegen,
hoever ook hier vandaan.
hoever ook, hoever ook,
hoever ook hier vandaan.
Blijf bij ons, goede Vader.
wat U ons ook bereidt
en alles is genade
nu en in eeuwigheid,
nu en in eeuwigheid,
nu en in eeuwigheid.
---
*93
#4
1
God, schepper van de morgen
wij willen tot U gaan:
de troost in onze zorgen,
de stut in ons bestaan.
Wij willen voor U zingen,
die ziel en lichaam geeft,
met alle stervelingen,
met al wat adem heeft.
2
God, niet te peilen liefde,
onmetelijk geduld,
vergeef dat wij U griefden,
vergeef ons onze schuld.
Wij willen van U horen,
uw stem in ons gemis.
O Heer, kom ons ter ore
in onze duisternis.
3
God van de zeven dagen,
wij knielen voor U neer,
U bent op alle vragen
het goede antwoord, Heer.
Want alles is genade
bij U die ons geneest.
Dus ere zij de Vader,
de Zoon, de heilige Geest. Amen.
---
*94
#3
1
U prijzen wij, Heer
uw glorie en uw macht.
U brengen wij eer,
het mensengeslacht.
De engelen gaan ons
al zingende voor
O God, neem ons aan
in dat machtige koor.
2
Het grote heelal,
de geest en de stof,
en 't kleinste kristal
verkondigt uw lof.
Wat leeft door uw wil
in het verste verschiet,
dat houdt zich niet stil,
het zingt mee in dat lied.
3
Heer, zie naar ons om,
zo zwak, als wij zijn,
met woorden te dom,
met stemmen te klein.
Meer hebben wij niet,
Heer, maar maak het gelijk
aan 't eeuwige lied,
de muziek van uw rijk. Amen
---
*95
#3
1
U spreekt tot ons in mensentaal
U hebt ons lief, ons allemaal.
Uw troostend woord verlicht ons juk
en wijst de weg naar ons geluk.
2
U spreekt tot ons, de eeuwen door.
U hebt het beste met ons voor.
U vult de stilte en 't gemis
met taal die enkel liefde is.
3
U spreekt tot ons, van God tot mens.
U kent de diepste hartewens.
U leert ons vrede in de tijd
en honger naar de eeuwigheid. Amen
---
*96
#3
1
Gezegend Hij die kwam
tot ons, de Zoon van God;
die hier zijn intrek nam
en deelde in ons lot;
die alle pijn heeft ondergaan,
maar uit de dood is opgestaan.
maar uit de dood is opgestaan.
2
Gezegend Hij die leeft
en naast zijn Vader troont,
maar hier zijn huis nog heeft
en zorgend bij ons woont,
en die gewoon als brood en wijn
van dag tot dag in ons wil zijn,
van dag tot dag in ons wil zijn.
3
Gezegend Hij die komt,
dat uur dat Hem behoort,
als al 't rumoer verstomt
voor Hem, het laatste woord,
die dan de ware vrede sticht,
de stad van God, het eeuwig licht,
de stad van God, het eeuwig licht.
---
*97
#3
1
Elke keer wanneer wij eten,
Jezus, broeder, van uw brood,
doen wij dat omdat wij weten
van uw lijden tot de dood.
2
Telkens als het ons verzadigt
zien wij onze broeders weer,
zoveel minder begenadigd,
die nog op U wachten, Heer.
3
U die ons rond U vergaarde,
help nu, al wie honger lijdt,
al wie op uw eigen aarde
dorst heeft naar gerechtigheid.
---
*98
#5
1
O God, U hebt ons voorgeslacht
de eeuwen door behoed:
wees onze gids, bij dag en nacht,
geef al uw mensen moed.
2
Wij weten niet waarheen wij gaan,
wij leven op de tast,
in wens en vrees, in droom en waan,
maar U, U houdt ons vast.
3
U zendt uw Geest als troostend licht,
als alherscheppend vuur,
U geeft de aarde een nieuw gezicht
dat opklaart in uw uur.
4
Driene God, wees ons nabij
altijd en overal,
en vol vertrouwen wachten wij
uw dag die komen zal. Amen.
---
*99
#3
1
Het volk van de Heer,
het mensengeslacht,
wij zijn keer op keer
gered door zijn kracht.
Hij volgt ons gestadig
op weg door de tijd,
Hij blijft ons genadig,
het licht dat ons leidt.
2
Het volk dat gelooft
bij dag en bij nacht
heft steeds weer zijn hoofd
naar God en zijn macht.
Het kent de verhalen
van ramp en van rouw,
maar zag duizend malen
de troost van zijn trouw.
3
Heer, blijf bij uw volk,
hoe zeer ook verstrooid.
0 lichtende wolk,
verlaat ons toch nooit.
Doorbreek al ons duister
in lijden en nood.
Trek ons met uw luister
omhoog uit de dood.
---
*101
#6
1
Hij komt uit de woestijn,
uit stilte, zand en stenen
waarin hij was verdwenen
om dicht bij God te zijn.
2
Een ijle kluizenaar,
profeet van God bevlogen,
een man met holle ogen,
gekleed in kemelhaar.
3
Hij staat aan de Jordaan,
een schicht, een mager teken,
en hij begint te spreken
recht van zijn God vandaan.
4
Hij maakt zich lang en zegt:
Bereidt de weg des Heren
die alles om zal keren,
maakt al zijn paden recht.
5
En hij gebaart naar mij
het water in te lopen.
En hij begint te dopen.
Er staat een lange rij.
6
Er staat een lange rij,
want hij die uit de dromen
der eeuwen voort moet komen
is wonderlijk nabij.
---
*102
#5
1
Hoor, Johannes, half vergeten,
diep in je gevangenis,
jij die eindelijk wil weten
wie die ander buiten is:
2
Is in hem het heil gekomen
dat je dopend hebt voorzien?
of blijft het bij verder dromen
van een later tijd misschien?
3
Luister wat ze je berichten:
zieken worden weer gezond,
blinden krijgen vergezichten,
doden gaan weer levend rond.
4
Zie, Johannes, man in boeien:
pijn en nood slaan op de vlucht,
luister, de woestijn zal bloeien
onder de bevrijde lucht.
5
Hef je hoofd, probeer te zingen,
vat maar moed en vrees niet meer,
er zijn wonderlijke dingen
onderweg van God de Heer.
---
*103
#5
1
Ik stap met mijn stem in uw tijd,
ik breng u de boodschap van God:
de komst van gerechtigheid,
het uur van het grote gebod.
2
Ik kondig hem onder u aan:
de liefde is vlees en bloed.
Ik maak in de heuvels vrij baan,
ik effen de grond voor zijn voet.
3
Ik ben maar een ogenblik,
maar straks slaat zijn eeuwige uur:
straks zal er een sterker dan ik
u dopen met water en vuur.
4
Staat op, mensenbroeders, en hoort:
hij komt met zijn heilige Geest,
de vrijheid, de waarheid, het woord
dat zuivert en redt en geneest.
5
Hij is het die komen moet,
de grote gerechtigheid,
de liefde in vlees en bloed,
de geest van de nieuwe tijd.
---
*104
#4
1
Zend ons een engel in de nacht
als alles ons een raadsel is,
als ons de zekerheid en kracht
ontvallen in de duisternis.
2
Zend ons een engel ieder uur
dat ons ontvoert van u vandaan,
wanneer wij voor de blinde muur
van uw geheime plannen staan.
3
Zend ons een engel met uw licht
in onze slaap, de metgezel
die troost brengt met het vergezicht
van God met ons, Emmanuel.
4
Zend ons in hem de zekerheid
dat u ons zelf bezoeken zult
en bij ons wonen in uw tijd,
en leer ons wachten met geduld.
---
*105
#4
1
Wees gegroet van God de Vader,
meisje klein en smal en stil,
door zijn leven overschaduwd
en dan buigend voor zijn wil.
2
Wees gegroet van al de koren
engelen rondom zijn troon,
die voor alle eeuwen horen
hoe u ja zegt tot zijn zoon.
3
Wees gegroet van ons die hopen
op verlossing van het kwaad:
u zet ziel en lichaam open
voor het heil dat komen gaat.
4
Bid voortaan voor ons, als moeder
van de redder in uw schoot,
en neem ons onder uw hoede
tot in 't uur van onze dood.
---
*106
#6
1
Heilige Geest, voor u dit lied:
u die een mens bezielt tot zingen
van grote ongehoorde dingen
aan ons geschied.
2
U die Elisabeth onthult
welk heil uit hemelse gedachten
de maagd Maria mag verwachten;
wie haar vervult.
3
U geeft haar stem, u haar geluid
om Gods geheim te openbaren:
zij mag het noemen en verklaren;
zij roept het uit.
4
Zij geeft de wereld te verstaan
dat God op aarde wordt geboren;
zij kondigt voor wie maar wil horen
verlossing aan.
5
U, tolk van Gods barmhartigheid,
o, doe ons heel haar diepte weten
en maak ook ons daarvan profeten
in deze tijd.
6
Hoe God de wereld weer geneest
van al de eeuwenoude wonden,
nu Hij zijn zoon heeft uitgezonden,
Heilige Geest.
---
*107
#5
1
Vandaag een lied voor Simeon
die, door de geest van God gedreven,
het kind mocht zien waardoor het leven
op deze aard' opnieuw begon.
2
Die Jezus in zijn armen nam,
een ogenblik en, diep bewogen,
bevroeden mocht hoe voor zijn ogen
Gods troost over de wereld kwam.
3
Die wist: al wat ik heb verwacht,
mijn leven lang, en afgebeden,
aan redding en aan lieve vrede
is hier en ziet mij aan en lacht.
4
Die toen op eenmaal zeggen kon,
ontroerd en recht, en profeteren
hoe God de dingen om zal keren,
en zong, het lied van Simeon.
5
En ons vroeg, in zijn vergezicht,
of wij nog vroom zijn en nog open
voor zoveel heil, of wij nog hopen
op het bevrijdend wereldlicht.
---
*108
#3
1
Wij vonden hem temidden van
de leraren gezeten.
Hij redeneerde als een man.
Hij las uit de profeten.
Wij zagen het als vreemden aan.
Wij hebben hem geschroUen
en haastig uit de kring vandaan
en met ons mee getrokken.
2
Wij zijn op weg naar Nazareth,
ons huis, ons lieve leven,
maar dat is nu voor altijd met
Jeruzalem verweven.
En hij loopt weer tussen ons in,
maar toch al half ontkomen,
en hij ziet buiten ons gezin
de vader van zijn dromen.
3
Hij is er en hij is er niet.
Wij moeten hem al delen
met een noodzakelijk verschiet
waar God hem zal bevelen.
Wat is dat voortaan voor een zoon,
wat krijgt hij nog te dragen,
wat is er voortaan nog gewoon
in onze levensdagen.
---
*109
#5
1
Van vandaag af zul je heten,
sta je onder ons bekend,
zal de wereld van je weten
wie je bent.
2
Van vandaag af alle jaren
dat j'op aarde leven moet
zal die naam aan ons verklaren
wat je doet.
3
Want als Jezus zul je leven
in de wereld en de tijd
en ons zo te kennen geven:
God bevrijdt.
4
En als Jezus zul je spreken
en als Jezus zul je doen,
veelbelovend levend teken:
God verzoent.
5
Redden zul je en bevrijden
van gemis en kwaad en pijn,
nu, en tot het eind der tijden,
Jezus zijn.
---
*110
#3
1
Wij zijn de drie verdwaalde wijzen
van heel, heel ver.
Wij komen uit het oosten reizen
met onze ster.
Maar waar die ster zal blijven staan
is onze koning;
daar zullen wij naar binnen gaan,
en dat wordt onze woning.
2
Wij zijn als drie verdwaalde zielen
in weer en wind.
Maar als wij eenmaal mogen knielen
voor 't koningskind,
dan ruilen wij de schone schijn
voor zekerheden,
dan zullen wij gelukkig zijn,
dan kennen wij de vrede.
3
Klein kind dat op ons ligt te wachten,
hier komen wij;
o word het licht van onze nachten
en maak ons vrij;
wees boven sterren, droom en waan
van groter waarde:
de ware zin van ons bestaan,
u, onze God op aarde.
---
*111
#5
1
Johannes doopt in de Jordaan,
wanneer opeens de wolken breken
en Jezus in gebed blijft staan,
omdat een stem begint te spreken:
2
'Dit is mijn zoon van wie ik houd
en heden geef ik hem uit handen,
de Christus die mijn plan ontvouwt
voor alle volken, alle landen.
3
Dit is mijn woord, dit is mijn stem,
hem heb ik eeuwig uitverkoren,
in hem kom ik tot u, door hem
laat ik mij op de wereld horen.
4
Die armen, als hij van mij spreekt,
in recht en redding doet geloven;
die het geknakte riet niet breekt,
de kleine vlaspit niet zal doven.
5
Dit is mijn liefde en mijn licht,
dit is mijn heil vanuit de hoge
dat vrijheid brengt en vrede sticht.
In hem kom ik u onder ogen.'
---
*112
#6
1
Soms even, in een bliksemschicht
staat onze nacht in brand
en wordt een zalig vergezicht:
daar ligt ons vaderland.
2
En we zien Jezus zonder kruis,
verheerlijkt in zijn rijk,
met de genoten van zijn huis
gelukkig, Godgelijk.
3
Zo zal het zijn, in wit en goud,
en alles, alles goed,
en Gods geheim aan ons ontvouwd
in volle overvloed.
4
Zo zou het zijn: een oud verhaal
wordt onze droom, we slaan
een tent op als een voorportaal
en wonen daar voortaan.
5
Maar wij ontwaken en we zien,
ontdaan: de dag is daar,
de hemel was een mooi misschien
en lijkt al niet meer waar.
6
O Heer, waar bent u heen, waar is
de stem die tot ons sprak,
het licht als onze lafenis,
het veilig onderdak?
---
*113
#5
1
Niet alleen tussen de vromen
noch in de tempel alleen,
Heer, wilt gij onder ons komen.
Gij breekt door muren heen.
2
En niet alleen op de dagen
en op het uur, u gewijd,
als wij ons offer opdragen,
zijt Gij de God die bevrijdt.
3
Gij gaat de muren te buiten
die om u heen zijn gebouwd
en die het altaar omsluiten
met alle wierook en goud.
4
Storm, die in ruimten wilt waaien
die voor u opengaan,
vuur, dat in mensen wilt laaien
die voor u openstaan,
5
o, maak uw huis bij mij binnen
en laat u daar aan mij zien;
o, vul mijn hart en zinnen
tot ik u eerlijk dien.
---
*114
#6
1
Ik zat in een hoek van de tempel.
Ik hoorde een stem die zei:
'Ik ben het licht van de wereld',
en hij zei het tegen mij.
2
Hij zei het tegen mijn donker,
mijn eeuwige duisternis:
'Ik ben het licht van de wereld',
en ik wist niet wat dat is.
3
Hij wreef iets over mijn ogen,
wat modder of zand misschien,
en toen moest ik mij gaan wassen.
Kijk, en toen kon ik hem zien.
4
Het was niet van de wereld,
het was een groot schandaal;
de priesters en de geleerden,
o, ze zeiden het allemaal.
5
O, vader en moeder en buren,
vergeef me dat ik ga,
maar hij is het licht van de wereld
en dat moet ik achterna.
6
O, vader en moeder en buren,
ik waag het erop met hem.
Ik weet niet wat ik nog zien zal.
Misschien wel Jeruzalem.
---
*115
#4
1
Op de uitkijk staat hij, turend,
onze vader, of wij komen,
ongeduldig alle uren
ons verwachtend in zijn dromen,
wetend hoe het met ons is
in het land van droefenis.
2
Alle dag staat hij te hopen
om ons toe te snellen buiten
als wij komen aangelopen,
om ons in zijn arm te sluiten
en te leiden naar zijn huis
en te zeggen welkom thuis.
3
Om ons veilig met zijn warme
vaderzorgen te omgeven,
kinderen van zijn erbarmen,
lieve doden die herleven,
weergekeerd uit ramp en rouw,
t'ruggevonden door zijn trouw.
4
Om, ons in het nieuw te steken,
met een gouden ring te sieren,
al zijn lichten te ontsteken
en dan feest met ons te vieren,
het geluk voor ons bereid,
God met ons in eeuwigheid.
---
*116
#5
1
Als Jezus ver is, sterf ik af,
ben ik verdord, heb ik geen hart -
en al mijn dagen zijn een graf
dat mij verstikt, dat mij verstart.
2
Als Jezus weg is, ben ik dood,
word ik gemist, ben ik alleen,
komt in mijn nacht mijn armoe bloot
en lijkt mijn leven wel van steen.
3
Als Jezus komt, roept hij mijn naam
en komt mijn leven aan het licht,
is hij de zon die ik beaam,
krijgen mijn ogen weer gezicht.
4
Hij weet het zelf, altijd, en hij
is naar mij onderweg, altijd;
ik moet er zijn, hij zoekt naar mij,
zijn lieve mens, om wie hij schreit.
5
Ik roep u, Jezus, in mijn nacht,
ik roep u, arm en bloot en kil:
u bent de God op wie ik wacht,
u bent het leven dat ik wil.
---
*117
#5
1
Ze stonden in een kring,
de stenen in hun hand
en ogen vol verbittering,
en hij schreef in het zand.
2
Ze wezen naar de vrouw,
ze schreeuwden moord en brand.
Ze eisten dat hij spreken zou,
en hij schreef in het zand.
3
Hij zag haar aan, hij was
door deernis overmand
die schuld vergaf en pijn genas,
en hij schreef in het zand.
4
Hij keek voorbij hun haat,
hij zag een ander land
waar liefde boven wetten staat,
en hij schreef in het zand.
5
Hij schreef van God, vervuld
van zijn bezield verband:
het eeuwig, goddelijk geduld.
Hij schreef het in ons zand.
---
*118
#6
1
's Avonds op de eerste dag,
(zij zijn bang bijeen en bidden),
dan opeens, bij toverslag,
staat de meester in hun midden.
Alleluja.
2
En zij mogen hem bezien,
hoe zijn wonden zijn genezen,
en zij roepen uit sindsdien:
Jezus leeft, hij is verrezen.
Alleluja.
3
Die daar in hun midden stond,
zo veel eeuwen al geleden
en hen in de wereld zond,
Jezus leeft en wenst ons vrede.
Alleluja.
4
Vrede, ook al zien wij niet,
vrede, al gaat ons te boven
wat op Pasen is geschied,
vrede, als wij toch geloven.
Alleluja.
5
Thomas, die pas toen u zag
van uw twijfel werd genezen,
zeg tot ons op deze dag:
Jezus leeft, hij is verrezen.
Alleluja.
6
Thomas, denk aan ons vandaag,
leg uw vreugd' op onze vrezen,
leg uw vreed' op elke vraag:
Jezus leeft, hij is verrezen.
Alleluja.
---
*119
#4
1
Heer, wij zouden willen weten
waar u heen bent en waarom
wij ons brood in tranen eten.
Kom terug, en haastig. Kom.
Refrein:
In mijn Vaders huis
zijn er vele woningen.
In mijn Vaders huis.
2
Heer, wij zouden willen wonen
in geluk dat eeuwig leeft.
Kunt u niet de Vader tonen
die een hemel voor ons heeft?
Refrein
3
Onze weg is zonder klaarheid.
Al wat waar lijkt is maar schijn.
Laat uw weg zien, laat uw waarheid
voor uw volk het leven zijn.
Refrein
4
Laat ons hart niet verontrust zijn,
omdat u dat huis bereidt.
wees de droom in ons bewustzijn
die ons tot de Vader leidt.
Refrein
---
*120
#5
1
Als je van mij houdt,
doe je wat ik deed,
heb je oog voor ieders waarde
ga je weldoend rond op aarde
tussen lief en leed.
2
Als je van mij houdt,
trek ik bij je in,
en zo zul je God uitdragen
in de wereld, en je dagen
krijgen ziel en zin.
3
Als je van mij houdt,
krijg je mijn gezicht,
laat je je als redder vinden
voor gevangenen en blinden,
leef je als een licht.
4
Als je van mij houdt,
wordt je nooit verweesd:
zal ik jou de helper geven
die de kracht is van je leven,
schenk ik je de geest.
5
Als je van mij houdt,
schenk ik zevenvoud
onze waarheid, ongelogen
klaarheid in je ziel en ogen,
als je van mij houdt.
---
*121
#5
1
En u wilt dat wij leven
zoals u zelf met mensen leeft:
vol van genade,
zoals de vader
zijn goddelijke liefde geeft.
2
Dat wij van mensen houden
zoals u van de vader houdt:
zo zonder vragen
en alle dagen
zo diep en innig en vertrouwd.
3
Wat vraagt u toch voor dingen
van mensen die maar mensen zijn:
van goede wille,
maar in hun kille
bestaan vervuld van vrees en pijn.
4
Of u moest in ons komen
zoals u in de vader zijt,
en zo ons arme
bestaan verwarmen,
verlicht door uw aanwezigheid.
5
Of u moest ons herscheppen
tot burgers van uw nieuwe stad:
tot hemelingen
die zouden zingen:
God, wat hebt u ons liefgehad.
---
*122
#4
1
Hij bad voor mij.
De laatste avond van zijn leven.
Vader, zei hij,
u hebt mij deze mens gegeven.
Bewaar hem in uw naam, bewaar
die mens van mij in elk gevaar.
2
Hij bad voor mij:
U mag hem nooit en nooit verlaten,
Vader, zei hij,
ook als de wereld hem zou haten.
Hoe zou ik ooit vergeten dat
Jezus die avond voor mij bad.
3
Nu bid ik hem.
Jezus, ik roep u toe van verre.
Hoort u mijn stem?
Mijn adem tussen zo veel sterren?
Ik dank u, dat u aan mij dacht
op deze wereld, in die nacht.
4
Bid nog voor mij.
Bid voor uw mensen bij de vader.
Blijf mij nabij
en maak dat ik u langzaam nader,
u en de vader en de geest
die mijn verlossing zijn geweest.
---
*123
#5
1
Lam van God, kom weer voorbij
dwars door ons geschonden leven,
uitgewezen, opgedreven,
nagescholden, vogelvrij.
Lam van God.
2
Kom en draag door niets gestuit
al wat hier aan kwaad en zonden
in de mensen wordt gevonden
weg en onze dagen uit.
Lam van God.
3
Maak ons vrij van alle schuld:
reinig de besmeurde aarde
door de goddelijke waarde
van uw menselijk geduld.
Lam van God.
4
Ga ons naar de vader voor
en laat op de moegestreden
wereld vrede achter, vrede
in uw bloeddoorlopen spoor.
Lam van God.
5
Vreed' in deze onze tijd,
vrede tot wij mogen wonen
waar het lam voorgoed zal tronen,
vreed' in alle eeuwigheid.
Lam van God.
---
*124
#6
1
Wat wij toch hebben meegemaakt,
die dag in Kana, met de scharen
die op de grote bruiloft waren
en toen de wijn was opgeraakt:
2
hoe Jezus kalm en soeverein
de kruiken vullen deed met water
en hoe dat daaruit even later
werd opgeschept als mooie wijn.
3
Wat wij toch hebben mogen zien:
hoe hij daar stond, hoe al de dingen
die dag door hem zo anders gingen
en al zijn dagen nog nadien.
4
Want Kana was maar een begin.
En alles wat hij met ons deelde,
aan vreugde en armoe, vrees en weelde
gaf hij een nieuwe diepe zin:
5
dat hij de ziel is van het feest,
dat hij de troost is na de tranen
en hij de waarheid in de wanen,
de rijkdom van de goede geest.
6
En zo is het maar doorgegaan,
in stad en land, teken op teken,
het klinkt nog steeds in onze streken:
hij is het licht van ons bestaan.
---
*125
#5
1
Hij zoekt ons in de duisternis,
in Naftali, in Zebulon,
het volk dat zonder boodschap is,
de mens die hunkert naar de zon.
2
Hij roept ons op. Het rijk van God
is komend, is ons al nabij:
het licht gaat op over ons lot,
wij zien een kim, wij worden vrij.
3
Ja, in ons land, in onze nood,
in Zebulon en Naftali
verrijst het zonlicht levensgroot,
verschijnt de warmte. Kom en zie.
4
Daar is de troost, het lang verwacht
geluk dat onze vrede wil.
Hij roept, en tussen dag en nacht
is hij het sprekende verschil.
5
En al wie niet meer hopen kon,
melaatse, blinde, paria
uit Naftali en Zebulon,
gaat hem vandaag nog achterna.
---
*126
#5
1
Komt voorbij en ziet het meer
en de mannen bij de boot:
strijkt er als een arend neer,
even, als in ademnood.
2
Bij de netten op het strand
komen ze met manden aan,
maar hij roept en heft zijn hand:
Kom, we moeten weg, we gaan.
3
En hij gaat al, hij heeft haast,
weg van hier, een bliksemflits,
en zij volgen hem verbYsd,
overrompeling en gids.
4
Want het Godsrijk is nabij,
roept hij, dit is het begin,
roept hij, loop maar achter miJ,
en hij slaat de heuvels in.
5
En de hitte laat hem koud
en het pad is bar en boos
en hij kent geen oponthoud
en zij volgen ademloos.
---
*127
#5
1
Onder ons neergezeten
ziet hij ons aan en spreekt
het nooit meer te vergeten
woord dat Gods licht ontsteekt:
2
het woord dat onze aarde
vervult van goede moed,
dat mensen in hun waarde
voor God herleven doet:
3
'Hiertoe ben ik gekomen,
hiertoe heb ik voortaan
uw lichaam aangenomen:
om tussen u te staan,
4
om mensen te bevrijden
uit nacht en duisternis,
om zegen te verspreiden
voor wie gevangen is,
5
om armen op te richten
uit honger, sleur en slijk,
om blinden te verlichten
met uitzicht op mijn rijk,
6
om liefde uit te dragen,
mijn enige gebod,
de vrede in uw dagen,
het goede nieuws van God.'
---
*128
#5
1
Geluk, zegt God, er komt een dag
dat ik mijn eigen rijk zal delen
met wie op aarde onder lag,
dat ik zijn kleinste wond zal helen.
2
Geluk, zegt God, er daagt geluk
voor wie hier nog vervolging lijden;
ik zal hen van het harde juk,
de slagen en de pijn bevrijden.
3
Geluk voor wie in armoe staat
voor al de raadsels van het leven,
maar die zich op zijn God verlaat;
ik maak het kleine hoog verheven.
4
Er wacht geluk, zegt God, er wacht
voor allen die hier vrede stichten
een vrede die de diepe nacht
van haat en onmin zal verlichten.
5
Geluk, zegt God, ja, op mijn woord,
voor alle zwakken, alle armen:
ik ben de hemel die verhoort,
ik ben het grondeloos erbarmen.
---
*129
#5
1
Ze volgden hem, zijn stem, zijn woorden,
sinds hij verscheen in hun bestaan
en zij hem zomaar zeggen hoorden
de volle zee weer op te gaan.
2
Ze volgden hem, ondersteboven
van wat ze daar toen zouden zien:
een wondervangst niet te geloven,
geweldiger dan ooit voordien.
3
Die dag is nooit meer uit te wissen,
ze blijven zien wat daar gebeurt:
de overslaande golf van vissen,
een boot die zinkt, een net dat scheurt.
4
Hij zegt: ze zullen mensen vangen,
en God zal weten hoe dat moet
en of dat is wat zij verlangen
en dat gelukkig maakt voorgoed.
5
Zij volgen hem, hij moet maar wijzen
waarheen, en wat de reden is,
uiteindelijk, van al hun reizen:
hij zelf, de allergrootste vis.
---
*130
#4
1
Er was een mens, die doodde nooit met ogen;
hij deed ze nooit uit nijd of afkeer dicht,
hij keek op niemand neer vanuit den hoge,
hij gunde iedereen zijn eigen licht.
2
Er was een mens. die doodde nooit met woorden;
hij sprak van niemand kwaad, hij was een man
die mensen op hun goede wil afhoorde
en hij deed anderen nooit in de ban.
3
Voor hij het offer aanbood van zijn leven
heeft hij zich naar zijn vijanden gekeerd
en hen op 't altaar van zijn kruis vergeven.
Hij was een mens die ons het menszijn leert.
4
Er zijn er onder ons die op hem lijken.
Zij komen ons met vrede tegemoet,
en in de handen die zij aan ons reiken
zijn wij van Jezus onze Heer gegroet.
---
*131
#6
1
Jezus ziet de vrienden staan
die hij zelf heeft uitgekozen;
armoedzaaiers, havelozen,
zonder vragen meegegaan, -
en spreekt ze zalig.
2
Ja, ze gaven alles prijs,
land en haard en huisgenoten,
haav' en goed en strand en boten,
zomaar, roekeloos, onwijs, -
en hij zegt zalig.
3
Zonder water, zonder brood
zijn ze 'm achternagetrokken,
maar hun lopen wordt als jokken
en hun dorst en honger groot,
en hij zegt zalig.
4
En ze voelen zich veracht
en al half door hem bedrogen,
tranen wellen naar hun ogen,
waar heeft hij hen heengebracht,
maar hij zegt zalig.
5
En ook ons spreekt Jezus toe,
in het land van onze dagen:
om het maar met hem te wagen,
ook al weten wij niet hoe;
hij wil ons zalig.
6
Zalig is wie honger heeft
naar de Vader en zijn vrede
en wie zich van lieverlede
aan zijn liefde overgeeft, -
ja die is zalig.
---
*132
#4
1
Al dat gezang, zegt God,
en al dat Here, Here.
Duurt dat nog lang, zegt God.
Wanneer je mij wilt eren,
dan moet je leven naar mijn wet;
dat is het betere gebed.
2
Al dat gegalm, zegt God,
dat lied van In den hoge.
En weer een psalm, zegt God.
Maar waar is je meedogen?
Kijk in de wereld rond, word stil,
ga er op uit en doe mijn wil.
3
Al dat gepraat, zegt God,
terwijl de armen klagen.
Waar is je daad, zegt God,
je liefde zonder vragen?
Spreek liefde uit met hart en hand,
dan staat je leven niet op zand.
4
Ja je gerechtigheid,
die wil ik op mijn aarde,
voor iedereen die lijdt;
dat is voor mij van waarde.
Dat is mijn waarheid als een huis.
En in die wereld ben ik thuis.
---
*133
#4
1
Een woord van u, waar gij ook zijt,
door welke hemel ook omgeven,
en wat de dood al leek gewijd
wordt van zijn ketenen bevrijd
en mag herleven.
2
Een woord van u, mijn God en Heer,
en al wie leed aan angst en vrezen
ziet in zijn nacht de ommekeer,
staat op en lacht en ademt weer
en is genezen.
3
Een woord van u, ver van ons dak,
en het verdriet keert op zijn schreden,
en wie ontmoedigd was en zwak
hervindt zijn kracht doordat u sprak
en kent de vrede.
4
Dat woord, dat groot bevrijdend woord,
wij bidden u, blijf het indachtig:
spreek het in onze dagen voort
tot heel de aarde 't van u hoort,
o God almachtig.
---
*134
#5
1
Van twijfel aan uw naam, uw leven
verlos ons, Heer.
Van angst dat u, te hoog verheven,
ons en de aarde zult begeven
verlos ons, Heer.
2
Van boze onbekende machten
verlos ons, Heer.
En van wanhopige gedachten
in lange slapeloze nachten
verlos ons, Heer.
3
Van vrezen voor de dag van morgen
verlos ons, Heer.
Van de ontkenning van uw zorgen,
van kwade geesten die ons worgen
verlos ons, Heer.
4
Van duivels die ons hart verwarren
verlos ons, Heer.
Van elke wilde waan, van barre
dwangbeelden die de geest verstarren
verlos ons, Heer.
5
Van al het valse, al het voze
verlos ons, Heer:
het redelooz' en troosteloze,
o van den boze, van den boze
verlos ons, Heer.
---
*135
#5
1
Hem even aan te mogen raken,
zijn kleed alleen maar, bij de zoom,
de kracht die mij weer heel kan maken,
het is de mooie oude droom.
2
Maar hij verdwijnt haast uit mijn ogen
terwijl mijn diepe wonde bloedt;
hij drijft, door anderen bewogen,
langzaam de verte tegemoet.
3
Er is zoveel, er zijn zovelen
tussen ons in, zoveel verdriet
en tijd en dringen en krakelen
en tempel, priester en leviet.
4
En toch, wanneer hij maar zou weten
dat ergens diep in dat gedrang
ik hem nog volg, ziek en verbeten,
en naar zijn zuiverheid verlang.
5
Hij die mijn leven heel kan maken,
de kracht, de macht die Jezus heet:
als ik hem even aan mocht raken,
alleen de zoom maar van zijn kleed.
---
*136
#3
1
Kleine mensen in het duister,
tobbers onder zorg gebukt,
arme ploeteraars, ontluisterd
door de zwaarte van uw juk,
komt naar mij, staat op en luistert:
Ik ben Jezus uw geluk.
2
Stille vromen in den lande,
door de wereld gekleineerd,
moegebeukte, opgebrande
mensen, eindeloos bezeerd,
er is vreed' en rust op handen:
Ik heb alles omgekeerd.
3
Komt om het met mij te wagen,
want mijn last is licht en zoet;
Ik zal u nooit overvragen,
ik, de herder, die u hoed;
en aan 't einde van uw dagen
draag lk u, God tegemoet.
---
*137
#7
1
Ik ben de vriend van dag en nacht.
Ik zal er zijn,
voor elke nood, voor elke klacht.
Ik zal er zijn.
2
Een vriend in voor- en tegenspoed.
Ik zal er zijn.
Die altijd voor je opendoet.
Ik zal er zijn.
3
Klop en mijn deur zal opengaan.
Ik zal er zijn.
Vraag en mijn hart zal openstaan.
Ik zal er zijn.
4
Bons op mijn deur en schaam je niet.
Ik zal er zijn.
In levensangst, in zielsverdriet.
Ik zal er zijn.
5
Word je tot ongeloof bekoord,
ik zal er zijn.
Een man een man, een woord een woord,
ik zal er zijn.
6
Voor elk verlangen, elk gemis,
ik zal er zijn.
De God die altijd met je is,
ik zal er zijn.
7
Dit is je troost, je zekerheid:
ik zal er zijn.
Dit is mijn naam, nu en altijd:
ik zal er zijn.
---
*138
#3
1
Geef, zegt hij, geef me je brood.
Ik zie de scharen in nood.
Ja maar, ze zijn met zo velen.
Hoe kan ik ooit met ze delen.
Geef, zegt hij, en als je dat hebt gedaan,
laat dan de liefde van God maar begaan.
2
Geef, zegt hij, geef me je vis.
Er is nog zo veel gemis.
Ja maar, zelfs al zou ik willen,
die honger is nooit te stillen.
Geef, zegt hij, al wat de liefde gebiedt
wil ik met jou doen en anders niet.
3
Geef, zegt hij, geef wat je hebt.
Ik ben je God die herschept.
Ja maar, wanneer ze straks eten,
zullen ze nooit van me weten.
Ik, zegt hij, ik laat voor eeuwig bestaan
wat je de minsten van mij hebt gedaan.
---
*139
#5
1
Hoe zeg ik wat ik zeggen moet?
Ik weet wel wat ze willen:
dat ik het brood geef dat voorgoed
hun honger weet te stillen;
2
een zorgeloos gevuld bestaan,
een tijd van vergenoegen,
en eindelijk een einde aan
het ploeteren en zwoegen.
3
Hoe zeg ik hun dat ik dat ben,
dat ik hun God kan geven,
het voedsel van de hemel en
de volheid van het leven;
4
dat voor hun eeuwige gemis
en honger naar hierboven
mijn vlees en bloed het manna is
als zij in mij geloven.
5
O Vader, laat nu door uw zoon
de eeuwigheid verklaren,
spreek al uw liefde uit en toon
uw deernis met de scharen.
---
*140
#6
1
Wat is dat met die man uit Nazareth.
Het gaat bij hem zo anders allemaal.
Hij zegt: De laatste wordt het eerst gered.
Wat is dat voor een wereldvreemd verhaal.
2
De bovenste wordt onderaan gezet.
Het gaat bij hem zo anders allemaal.
De brave burger vist achter het net,
de rover aan de schandpaal vindt de graal.
3
De tollenaar, de moordenaar, de slet,
hij laat ze tronen in de opperzaal.
Wat moet dat met die man uit Nazareth.
Hij roept maar wat, het is een grof schandaal.
4
De nette jongeman krijgt op zijn vet.
Wat zegt hij toch, wat is dat voor een taal.
Het wordt hier revolutie tot en met,
en onvoorspelbaar anders allemaal.
5
Wat keert hij om, die man uit Nazareth.
De lammen dansen, dat is abnormaal,
de armen krijgen alles bij zijn wet,
hij weegt de dingen op zijn eigen schaal.
6
Het is het ideaal van een pamflet,
het is van elders het is niet legaal.
Daar is hij weer die man uit Nazareth,
en het moet anders, anders, allemaal.
---
*141
#4
1
Waar twee of drie,
in mijn naam samen,
spreken van mij,
daar ben ook ik;
ik hoor hun hart
en ik ken hun namen
en spreek ze uit,
dat ogenblik.
2
Dat ogenblik,
avond of morgen,
donker of licht,
grijp ik hun hand,
zing ik hun lied,
deel ik hun zorgen,
ben ik het vuur
dat in hen brandt.
3
Wat in hen brandt
is God de Vader
en God de Zoon
en Heil'ge Geest.
Dat ogenblik
ben ik genade:
kracht die verblijdt,
naam die geneest.
4
Naam die geneest
in ziel en leden:
zo ben ik met
die twee of drie;
en in mijn kracht
vinden zij vrede,
en in mijn vuur
de harmonie.
---
*142
#4
1
Hij heeft alles welgedaan.
Er zijn boeken volgeschreven
over hoe hij in zijn leven
liefdevol is rondgegaan.
2
Hij heeft alles welgedaan.
Hij heeft hier voor alle zwakken,
onderliggenden en wrakken
bij de vader ingestaan.
3
Hij heeft alles wel gedaan.
En de lammen, blinden, doven
moesten wel in hem geloven
met hun nieuwe leven aan.
4
Hij heeft alles welgedaan.
Hij gaf onze arme aarde
nieuwe goddelijke waarde.
Hij is onder ons voortaan.
---
*143
#4
1
Vergeef me, Heer,
maar hoe kan ik ze ooit vergeven?
Ze kwamen aan mijn ziel, mijn leven
en aan mijn eer.
Ze wilden kwaad,
ze zaaiden in mijn dagen haat.
U weet wat ze aan mij misdreven,
zeventig keer,
en meer.
2
Wat u mij vraagt:
niet om te zien, en te vergeten
hoe ze me hebben nagezeten
en opgejaagd, -
ik kan het niet:
ze waren gisteren mijn verdriet
en nu moet ik ze broeders heten,
zeventig keer,
en meer.
3
Mijn God en Heer,
toon mij, al is het maar voor even,
wat ik u aandeed in mijn leven,
hoe vaak, hoe zeer,
en hoe u mij
genadig was en telkens zei:
het is je allemaal vergeven,
zeventig keer,
en meer.
4
Hoe veel dat is,
prent mij dat in, nu en de dagen
dat ik u zelf nog bang zal vragen:
vergiffenis.
U doet het voor.
O leer me nog om in uw spoor
voortaan genade uit te dragen,
zeventig keer,
en meer.
---
*144
#4
1
Wie zegt u dat u bent?
Bent u de sterke man
die wijd en zijd erkend
de wereld winnen kan?
En winnen wij dan met u mee?
Nee.
2
Maar wat maakt u dan waar?
Sticht u een koninkrijk
en triomfeert u daar
met ons aan u gelijk,
omdat wij volgden in uw spoor?
Hoor.
3
Ik ben het lam van God
dat naar de slachtbank moet,
bespogen en bespot,
en dat betaalt met bloed,
in angst, verschrikking, ademnood,
dood.
4
Wat hebt u met ons voor?
De weg van God en mij,
de weg eronderdoor,
aan kroon en troon voorbij.
Ik ga voorop, ik zie niet om.
Kom.
---
*145
#4
1
Al kom ik laat,
en na een leven van verraad,
al heb ik u te lang ontweken
en is mijn tijd welhaast verstreken
en keer ik mij nog dikwijls om,
o God, ik kom.
2
Ik kom berooid,
ik heb mijn eer en goed vergooid,
en als u mij bedroefd zoudt vragen
wat ik gedaan heb met mijn dagen,
dan bleef ik, God, van schaamte stom.
En toch, ik kom.
3
Want ik heb spijt.
U hebt geroepen, al die tiJd,
maar ik, ik wilde u niet horen,
ik woonde in mijn trotse toren,
en ik weet zelf niet meer waasom.
Maar God, ik kom.
4
Kom zelf met spoed,
o God, uw kind nog tegemoet
en trek mij in uw eigen leven,
u die mij nooit hebt afgeschreven,
uw schepsel en uw eigendom.
Ja, God, ik kom.
---
*146
#5
1
Hij trok ze bij zich, een voor een,
de kinderen die bij hem kwamen.
Hij sloeg zijn armen om hen heen
en streelde hen en vroeg hun namen.
2
Hij liet ze allemaal begaan
zoals ze wilden, en hij lachte.
En keek zijn volgelingen aan
die zich alleen belangrijk dachten.
3
Hij zei: 'Voor dezen is mijn rijk.
De kleinen zullen daarin tronen.
Alleen aan kinderen gelijk
kunnen de groten bij mij wonen.'
4
En nu, van verre zien wij toe
hoe hij ze aan zijn schoot laat spelen
en dat hij met ze praat en hoe
ze brood en bloemen met hem delen.
5
En met zijn handen op hun hoofd
kijkt hij ons aan en lijkt te vragen
wie als een kind in hem gelooft
en het als kind met hem wil wagen.
---
*147
#5
1
Zou ik nooit in de kerk vooraan
oordelend over zondaars staan,
doof voor hun menselijke nood,
Heer, leg dan al mijn schulden bloot.
2
Als ik ooit op de wetten troon
en niet meer in de liefde woon,
kom haastig, Heer, en zet mij weer
tussen d'onnooz'le kind'ren neer.
3
Als ik van anderen geen vraag
over de waarheid meer verdraag,
maak mij dan, Heer, wat ik moet zijn:
met al uw and're scheps'len klein.
4
Zodra ik ooit zou denken dat
ik zelf alleen de waarheid had
en het gelijk in deze tijd,
Heer, hekel mijn schijnheiligheid.
5
Eer ik alleen mij zelf zou zien
en zo mijn broeders niet meer dien,
wijs me mijn plaats, haal mij omlaag
en ruil mijn weten voor uw vraag.
---
*148
#6
1
Het was de waarheid in een droom,
die stem, een zonnesteek geleden,
dat woord, tot boven in mijn boom:
Zaches, riep hij, kom beneden.
2
O dat ik dit toch heb beleefd.
Ik wil, zei Jezus, met je eten.
En hij kwam met mij mee, hij heeft
onder mijn eigen dak gezeten.
3
Hier, op die bank, en in dat licht,
aan deze tafel, en zijn ogen
weken niet meer van mijn gezicht,
groot en vervuld van mededogen.
4
En al wat ik ooit had misdaan,
het was vergeten en vergeven.
En heel mijn hopeloos bestaan
werd in een uur door hem herschreven.
5
Bevrijd van wat ik was en had
voel ik mij rijk en uitverkoren
en aangenomen, liefgehad,
in een gelukkig huis herboren.
6
Nu zing ik, boven in mijn boom.
0 dat hij mij heeft uitgekozen;
het is de waarheid in de droom
dat God er is voor reddelozen.
---
*149
#4
1
Trouwe, algoede Heer
van wie wij dromen,
keer tot uw mensen weer,
laat uw rijk komen.
Maak onze aarde vrij
van alle slavernij,
sticht er uw heerschappij,
laat uw rijk komen.
2
Troon op uw gloriedag
hoog op de wolken
en vestig uw gezag
over de volken.
Spreek dan uw woord van goud,
ons eeuwig zielsbehoud,
liefde voorgoed ontvouwd,
laat uw rijk komen.
3
Breng in de duisternis
alles tot klaarheid,
spreek waar de leugen is
eindelijk waarheid.
Maak in uw heilig uur,
reinigend hemelvuur,
al onze levens puur,
laat uw rijk komen.
4
Laat uw gerechtigheid
dan overwinnen,
laat zo de nieuwe tijd
heerlijk beginnen,
en zeg ons vrede aan
in een volmaakt bestaan
dat nooit meer zal vergaan.
Laat uw rijk komen.
---
*150
#3
1
Er komt een dag, God weet wanneer,
waarvan de mensen dromen,
de dag waarop hij zegt, de Heer -
Nu is mijn rijk gekomen.
En al wie wordt bedreigd
en onder onrecht zwijgt
staat op uit pijn en droefenis
en weet dat het nu vrede is.
2
Eens komt die dag, en ik en jij,
wij moeten die beginnen,
en hand in hand, van binnen vrij,
trekken wij hem al binnen,
vertrouwend op zijn woord
dat hij ons ziet en hoort,
gelovend in zijn eigen uur
en hopend op zijn heilig vuur.
3
Dit is de dag waarin wij staan,
dit is de dag van leven:
de kans om, met Gods liefde aan
elkaar, het licht te geven,
het licht van onze hoop
op onze nieuwe doop
tot kinderen aan God gelijk
tot burgers van zijn koninkrijk.