---

Randstadbundel

485 liederen

---

 

*22

#1

1

  Heer, ontferm U, Heer ontferm U, Heer ontferm U.

  Christus ontferm U, Christus ontferm U, Christus ontferm U.

  Heer, ontferm U, Heer ontferm U, Heer ontferm U.

---

*23

#14

1

  Priester of koor:

  Eer aan God in den hoge,

2

  Koor:

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

3

  Allen:

  Wij prijzen en aanbidden U.

4

  Allen:

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

5

  Koor:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

6

  Allen:

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

7

  Koor:

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

8

  Allen:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons;

9

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld, aanvaard ons gebed;

10

  Allen:

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm u over ons.

11

  Koor:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

12

  Allen:

  Gij alleen de Heer,

13

  Koor:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

14

  Allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

---

*24

#1

1

  Pr of K. Ik geloof in God de almachtige Vader,

  K. Schepper van hemel en aarde.

  A. En in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer,

  K. die ontvangen is van de heilige Geest, geboren uit de Maagd

  Maria,

  A. die geleden heeft onder Pontius Pilatus,is gekruisigd,

  gestorven en begraven,

  K. die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de

  doden,

  A. die opgestegen is ten hemel,zit aan de rechterhand van God

  de almachtige Vader,

  K. Vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.

  A. Ik geloof in de heilige Geest; de heilige katholieke Kerk,

  K. de gemeenschap van de heiligen; de vergeving van de zonden;

  A. de verrijzenis van het lichaam; en het eeuwig leven. Amen.

---

*25

#1

1

  Voorg.: De Heer zal bij u zijn.

  allen: De Heer zal u bewaren.

  voorg: verheft uw hart.

  allen: Wij zijn met ons hart bij de Heer.

  voorg: Brengen wij dank aan de Heer, onze God.

  allen: Hij is onze dankbaarheid waardig.

---

*26

#1

1

  Heilig, heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten.

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

  Hosanna in den hoge.

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

  Hosanna in den Hoge.

---

*27

#1

1

  Lam Gods, dat wegneemt de zonder der wereld,

  ontferm U over ons.

  Lam Gods, dat wegneemt de zonder der wereld,

  geef ons de vrede.

---

*28

#1

1

  Voorg: De Heer zal bij u zijn.

  Allen: De Heer zal u bewaren.

  Voorg: Zegene u de almachtige God,

      Vader, Zoon en Heilige Geest.

  Allen: Amen, amen.

  Voorg: Gaat nu allen heen in vrede.

  allen: Wij danken God.

---

*29

#6

1

  Allen:

  Heer, ontferm U over ons.

  Heer, ontferm U over ons.

  Heer, ontferm U over ons.

2

  Koor:

  Christus, ontferm U over ons

3

  Allen:

  Christus, ontferm U over ons

  Christus, ontferm U over ons

4

  Koor:

  Heer, ontferm U over ons

5

  Allen:

  Heer, ontferm U over ons

  Heer, ontferm U over ons

6

  Koor:

  U over ons

---

*30

#14

1

  Allen:

  Eer aan God in den hoge,

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

2

  Koor:

  Wij loven U. Wij prijzen en aanbidden U.

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

3

  Allen:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

4

  Koor::

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

5

  Allen:

  ontferm U over ons;

6

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

7

  Allen:

  aanvaard ons gebed;

8

  Koor::

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

9

  Allen:

  ontferm u over ons.

10

  Koor:

  Want Gij

11

  Allen:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

  Gij alleen de Heer,

12

  Koor:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

13

  Allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

14

  Koor:

  Amen.

---

*31

#7

1

  Allen:

  Heilig, heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten.

2

  Koor:

  Heilig, heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten.

3

  Allen:

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

4

  Koor:

  van uw heerlijkheid.

5

  Allen:

  Hosanna, hosanna, hosanna in den hoge.

6

  Koor:

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

7

  Allen:

  Hosanna, hosanna, hosanna in den hoge.

---

*32

#7

1

  Koor:

  Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld,

2

  Allen:

  ontferm U over ons.

3

  Koor:

  Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld,

4

  Allen:

  ontferm U over ons.

5

  Koor:

  Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld

6

  Allen:

  Geef ons de vrede.

7

  Koor:

  Geef ons de vrede.

---

*33

#1

1

  Celebrant: Heer, ontferm U,

  Koor: Heer ontferm U,

  Allen en Koor: Heer ontferm U.

  Celebrant: Christus ontferm U,

  Koor: Christus ontferm U,

  Allen en Koor: Christus ontferm U.

  Celebrant: Heer, ontferm U,

  Koor: Heer ontferm U, Heer ontferm U.

  Allen en Koor: Heer ontferm U.

---

*34

#15

1

  Celebrant:

  Eer aan God in den hoge,

2

  Koor:

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

3

  Allen:

  Wij loven U.

4

  Koor:

  Wij prijzen en aanbidden U.

5

  Allen:

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

6

  Koor:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

7

  Allen:

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

8

  Koor:

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

9

  Allen:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  ontferm U over ons;

10

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  aanvaard ons gebed;

11

  Allen:

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm u over ons.

12

  Koor:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

13

  Allen:

  Gij alleen de Heer,

14

  Koor:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

15

  Koor en Allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

---

*35

#13

1

  Priester:

  Ik geloof in een God,

2

  Allen:

  de almachtige Vader,

  Schepper van hemel en aarde,

  van al wat zichtbaar en onzichtbaar is.

3

  Koor:

  En in een Jezus Christus,

  eniggeboren Zoon van God,

  voor alle tijden geboren uit de vader.

4

  Allen:

  God uit God, Licht uit Licht,

  ware God uit de ware God,

  Geboren, niet geschapen,

  een in wezen met de Vader,

  en door wie alles geschapen is.

5

  Koor:

  Hij is voor ons, mensen,

  en omwille van ons heil

  uit de hemel neergedaald.

6

  Allen:

  Hij heeft het vlees aangenomen

  door de Heilige Geest

  uit de maagd Maria

  en is mens geworden.

7

  Koor:

  Hij werd voor ons gekruisigd,

  Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus,

  en is begraven.

8

  Allen:

  Hij is verrezen op de derde dag

  volgens de Schriften.

  Hij is opgevaren ten hemel;

  zit aan de rechterhand van de VAder.

9

  Koor:

  Hij zal wederkomen in heerlijkheid

  om te oordelen levenden en doden.

  En aan zijn Rijk komt geen einde.

10

  Allen:

  Ik geloof in de Heilige Geest,

  die Heer is en het leven geeft;

  die voortkomt uit de Vader en de Zoon.

11

  Koor:

  die met de VAder en de Zoon

  tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt;

  die gesproken heeft door de profeten.

12

  Allen:

  Ik geloof in de ene,

  heilige katholieke en apostolische kerk.

  Ik belijd een doopsel tot vergeving van de zonden.

13

  Allen:

  Ik verwacht de opstanding van de doden

  en het leven van het komend Rijk.

  Amen.

---

*36

#1

1

  Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons.

  Heer, onze Heer, wij bidden U verhoor ons.

---

*37

#3

1

  Celebrant:

  Heilig,

2

  Koor en allen:

  heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten.

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

  Hosanna in den hoge.

3

  Koor en allen:

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

  Hosanna in den hoge.

  Hosanna in den hoge.

---

*38

#2

1

  Celebrant  (herhaling door koor):

  Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld,

  ontferm U over ons.

2

  Allen en Koor:

  Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld,

  Geef ons de vrede.

---

*39

#4

1

  Priester:

  De Heer zal bij u zijn.

2

  Allen:

  De Heer zal u bewaren.

3

  Priester:

  Zegene u de almachtige God,

  Vader, Zoon en Heilige Geest.

4

  Koor en Allen:

  Amen, amen.

---

*40

#6

1

  Priester:

  Heer, die de rouwenden troost,

  ontferm U over ons.

2

  Allen:

  Ontferm U over ons.

3

  Priester:

  Christus, die gekomen zijt voor de zondaars,

  ontferm U over ons.

4

  Allen:

  Ontferm U over ons.

5

  Priester:

  Heer, die onze voorspreker zijt

  aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm U over ons.

6

  Allen:

  Heer, ontferm U over ons.

---

*41

#1

1

  Priester: Heer, ontferm U over ons,

  Allen: Heer ontferm U over ons,

  Priester: Christus ontferm U over ons,

  Allen: Christus ontferm U over ons,

  Priester: Heer, ontferm U over ons.

  Allen: Heer ontferm U over ons.

---

*42

#15

1

  Priester:

  Eer aan God in den hoge,

2

  Voorzang of Koor:

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

3

  Allen:

  Wij loven U.

4

  Voorzang:

  Wij prijzen en aanbidden U.

5

  Allen:

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

6

  Voorzang:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

7

  Allen:

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

8

  Voorzang:

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

9

  Allen:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  ontferm U over ons;

10

  Voorzang:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  aanvaard ons gebed;

11

  Allen:

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm u over ons.

12

  Koor:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

13

  Allen:

  Gij alleen de Heer,

14

  Voorzang:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

15

  Allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

---

*43

#6

1

  Voorganger:

  Heilig,

2

  Allen:

  heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten.

3

  Voorganger:

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

4

  Allen:

  Hosanna in den hoge.

5

  Voorganger:

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

6

  Allen:

  Hosanna in den hoge.

---

*44

#2

1

  Priester:

  Dit is het sacrament van het geloof

2

  Allen:

  Heer Jezus, wij verkondigen uw dood,

  en wij belijden tot Gij wederkeert,

  dat Gij verrezen zijt.

---

*45

#1

1

  Allen:

  Redder van de wereld, bevrijd ons;

  Gij die ons hebt verlost door Uw kruis en verrijzenis.

---

*46

#1

1

  Allen:

  Als wij dan eten van dit brood

  en drinken uit deze beker,

  verkondigen wij de dood des Heren

  tot dat Hij komt.

---

*47

#4

1

  Voorganger:

  Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

2

  Allen:

  Ontferm U over ons, ontferm U over ons.

3

  Voorganger:

  Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

4

  Allen:

  Geef ons de vrede.

---

*48

#1

1

  Koor: Heer, ontferm U,

  Allen: Heer ontferm U.

  Koor en Allen: Heer, ontferm U.

  Koor: Christus ontferm U,

  Allen: Christus ontferm U,

  Koor en allen: Christus ontferm U.

  Koor: Heer, ontferm U,

  Allen: Heer ontferm U.

  Koor en allen: Heer ontferm U.

---

*49

#18

1

  Priester:

  Eer aan God in den hoge,

2

  Koor:

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

3

  Allen:

  Wij loven U. Wij prijzen en aanbidden U.

4

  Koor:

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

5

  Allen:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

6

  Koor:

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

7

  Allen:

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

8

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

9

  Allen:

  ontferm U over ons;

10

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

11

  Allen:

  aanvaard ons gebed;

12

  Koor:

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

13

  Allen:

  ontferm u over ons.

14

  Koor:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

15

  Allen:

  Gij alleen de Heer,

16

  Koor:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

17

  Koor en allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

18

  Koor:

  Amen.

---

*50

#5

1

  Koor en allen:

  Heilig, heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten.

2

  Koor:

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

3

  Koor en allen:

  Hosanna in den hoge.

4

  Koor:

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

5

  Koor en allen:

  Hosanna in den hoge.

---

*51

#3

1

  Koor:

  Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld,

  ontferm U over ons.

2

  Allen:

  Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld,

  ontferm U over ons.

3

  Allen en Koor:

  Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld

  geef ons de vrede.

---

*52

#1

1

  Heer, ontferm U, Heer ontferm U, Heer ontferm U.

  Christus ontferm U, Christus ontferm U, Christus ontferm U.

  Heer, ontferm U, Heer ontferm U, Heer ontferm U.

---

*53

#16

1

  Priester:

  Eer aan God in den hoge,

2

  Koor:

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

3

  Allen:

  Wij loven U.

4

  Koor:

  Wij prijzen en aanbidden U.

5

  Allen:

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

6

  Koor:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

7

  Allen:

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

8

  Koor:

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

9

  Allen:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  ontferm U over ons;

10

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  aanvaard ons gebed;

11

  Allen:

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm u over ons.

12

  Koor:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

13

  Allen:

  Gij alleen de Heer,

14

  Koor:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

15

  Allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

16

  Koor:

  Amen.

---

*54

#1

1

  Heilig, heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten.

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

  Hosanna in den hoge.

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

  Hosanna in den Hoge.

---

*55

#1

1

  Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

  Ontferm U over ons, ontferm U over ons.

  Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

  Geef ons de vrede.

---

*56

#1

1

  Priester: Heer, ontferm U,

  Koor: Heer ontferm U.

  Allen: Heer, ontferm U.

  Priester: Christus ontferm U,

  Koor: Christus ontferm U,

  Allen: Christus ontferm U.

  Priester: Heer, ontferm U,

  Koor: Heer ontferm U.

  Allen: Heer ontferm U.

---

*57

#14

1

  Koor:

  Eer aan God in den hoge,

  en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.

2

  Allen:

  Wij loven U.

3

  Koor:

  Wij prijzen en aanbidden U.

4

  Allen:

  Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote

  heerlijkheid.

5

  Koor:

  Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;

6

  Allen:

  Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;

7

  Koor:

  Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

8

  Allen:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  ontferm U over ons;

9

  Koor:

  Gij die wegneemt de zonden der wereld,

  aanvaard ons gebed;

10

  Allen:

  Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,

  ontferm u over ons.

11

  Koor:

  Want Gij alleen zijt de Heilige.

12

  Allen:

  Gij alleen de Heer,

13

  Koor:

  Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,

14

  Allen:

  Met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader.

  Amen.

---

*58

#4

1

  Koor:

  Heilig, heilig, heilig,

  de Heer, de God der hemelse machten.

  Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

2

  Allen:

  Hosanna in den hoge.

3

  Koor:

  Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

4

  Allen:

  Hosanna in den hoge.

---

*59

#6

1

  Koor:

  Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

2

  Allen:

  Ontferm U over ons.

3

  Koor:

  Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

4

  Allen:

  Ontferm U over ons.

5

  Koor:

  Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

6

  Allen:

  Geef ons de vrede.

---

*60

#2

1

  Voorzang:

  Heer Jezus, koning en gezalfde Gods,

  Heer Jezus, hogepriester, knecht van God,

  Heer Jezus, Woord en evenbeeld van God,

  Heer Jezus, licht en aangezicht van God,

  Heer Jezus, zoon van Adam, zoon van God,

  Heer Jezus, onze broeder, onze God,

2

  Allen (na elke aanroeping):

  Heer, onze Heer, ontferm U over ons.

---

*61

#2

1

  Allen (en na elke aanroeping):

  Heer, onze Heer, ontferm U over ons.

2

  Voorzang:

  Heer Jezus, koning en gezalfde Gods,

  Heer Jezus, hogepriester, knecht van God,

  Heer Jezus, Woord en evenbeeld van God,

  Heer Jezus, licht en aangezicht van God,

  Heer Jezus, zoon van Adam, zoon van God,

  Heer Jezus, onze broeder, onze God,

---

*62

#2

1

  Eert God die onze Vader is,

  weest allen welgemoed.

  Looft Hem, gij zult in vrede zijn,

  aanbidt al wat Hij doet.

  U, Heer, komt alle leven toe

  en, wie of waar Gij zijt,

  U is de macht, U zingen wij

  dank voor uw heerlijkheid.

2

  Lam Gods dat onze zonden draagt,

  neem deze lofzang aan.

  Gedenk ons in uw koninkrijk,

  want Jezus is uw naam.

  Gij die voor ons ten beste spreekt,

  Messias, onze Heer.

  O eengeboren Zoon van God,

  kom haastig tot ons weer.

---

*63

#14

1

  Celebrant:

  Ik geloof in de levende God.

2

  Allen:

  Ik geloof in de levende God

  Vader van onze Heer Jezus Christus

  onze God, onze Vader almachtig.

3

  Koor:

  Alle dingen heeft Hij geschapen

  in zijn enige geliefde Zoon,

  beeld en gelijkenis van zijn heerlijkheid.

4

  Allen:

  Jezus licht van het eeuwige licht,

  woord van God getrouw en waarachtig,

  Jezus onze genade en waarheid.

5

  Koor:

  Om deze wereld van dienst te zijn,

  om ons menselijk lot te delen

  is Hij vlees van ons vlees geworden.

6

  Allen:

  Uit de wil van de Heilige Geest

  en uit de maagd Maria geboren

  is Hij een mens geworden als wij.

7

  Koor:

  Om onze zonden werd Hij gebroken,

  ja gehoorzaam ten dode toe

  heeft Hij zich op het kruis gegeven.

8

  Allen:

  Daarom heeft Hij de naam ontvangen:

  eerstgeborene uit de doden,

  Zoon van God en Heer van allen.

9

  Koor:

  Hij zal komen, God weet wanneer,

  om recht te doen aan levenden en doden.

  Hij is de mens op wie ik gelijken zal.

10

  Allen:

  Ik geloof in de kracht van de Geest,

  in de liefde van de Vader en Zoon,

  in het verbond tussen God met de mensen;

11

  Koor:

  in de kerk, het lichaam des Heren,

  samengeroepen en uitgezonden

  om te doen wat Hij heeft gedaan:

12

  Allen:

  om te dienen en te verlichten,

  om te dragen de zonden der wereld

  en te stichten vrede op aarde.

13

  Koor:

  Ik geloof dat wij zullen verrijzen

  met een nieuw en onsterfelijk lichaam,

  want Hij is een God van levenden.

14

  Allen:

  Amen. Kom, Heer jezus, kom.

---

*64

#1

1

  U komt de lof toe,

  U het gezang, U alle glorie,

  o Vader, o Zoon, o heilige Geest

  in alle eeuwen der eeuwen.

---

*65

#1

1

  Heilig, heilig, heilig is de Heer,

  aan Hem de glorie,

  die hemel en aarde vervult van zijn Naam

  in alle eeuwen, in alle eeuwen.

---

*66

#1

1

  Voorg: Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

      ontferm U over ons.

  Koor: Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

      ontferm U over ons.

  Allen: Lam Gods dat draagt de zondenlast van deze wereld,

      geef ons Uw vrede.

---

*67

#4

1

  O Heer, die overwint

  en ons zijt voorgegaan

  uw kerk is als een kind,

  dat wacht om op te staan.

2

  Gij, die de Waker zijt

  en grote wond'ren doet,

  Gij komt, maar kom op tijd,

  voordat zij slaapt voorgoed.

3

  Jairus' dochter sliep.

  Gij hebt haar aangeraakt

  en toen uw stem haar riep

  is zij tot U ontwaakt.

4

  Wij zijn het wachten moe

  en klagen met misbaar.

  zij slaapt ten dode toe,

  kom, leg uw hand op haar!

---

*68

#1

1

  Eert God die onze Vader is,

  weest allen welgemoed.

  Looft Hem, gij zult in vrede zijn,

  aanbidt al wat Hij doet.

  Gij die voor ons ten beste spreekt,

  Jesus, Gij zijt de Heer.

  Eengeboren Zoon van God,

  kom haastig tot ons weer.

---

*69

#3

1

  Naam van Jezus die ten dode

  op het hout geschreven zijt,

  vreemde koning van de Joden

  die ten spot geheven zijt,

  vorstelijk hebt Gij gestreden om de vrede

  tot in alle eeuwigheid.

2

  Zoon van God en Zoon van David

  priester zonder waardigheid

  die ten dienste van de slaven

  als een slaaf op aarde zijt,

  aan de mens gelijk geworden ja gestorven

  voor ons aller zaligheid,

3

  alle leven moet zich buigen

  voor U buigen mettertijd

  al wat stem heeft zal getuigen

  dat Gij Algebieder zijt,

  God heeft U een Naam gegeven hoog verheven

  boven alle namen uit.

---

*70

#5

1

  Zeven was voldoende vijf en twee

  zeven was voldoende voor vijfduizend

  op de heuvels langs de zee.

2

  Zeven is voldoende, toen en nu.

  Zeven is voldoende, alle dagen

  van ons leven, dank zij U.

3

  Zeven is voldoende, brood en vis

  Jezus is voldoende voor ons allen

  als de kring gesloten is.

4

  Voed ons met uw leven, vis en brood,

  alle zeven dagen, Gij verzadigt

  allen met uw offerdood.

5

  Want Gij zijt de eerste rond alom,

  Ja, Gij zijt de eerste en de laatste.

  kom o Here Jezus kom.

---

*71

#4

1

  Refrein:

  Vrienden zingt in vreugde

  Want de Heer is hier,

  Hij is hier, Hij is hier,

  Vrienden zingt in vreugde

  Want de Heer is hier,

  Ja, Hij is hier onder ons.

2

  De Heer komt in ons midden

  Hij  nodigt  ons  bijeen,

  Vertrouw op God: Hij denkt aan ons

  Vergeten wordt niet een.

  Refrein:

3

  Leef steeds als vrienden samen

  in vreugde en gevaar,

  Zijn komst geeft ons weer nieuwe moed

  Hij brengt ons bij elkaar.

  Refrein:

4

  Gods vriendschap draagt ons allen ja

  geeft vrede in ons gemoed,

  Zijn vrede maakt ons vrij en blij:

  Weest blij om wat Hij doet.

  Refrein:

---

*72

#5

1

  Refrein (allen):

  Kom, Heer, geef ons vertrouwen,

  Gij zijt ons in alles nabij!

  Kom, Heer, geef ons vertrouwen,

  Gij zijt ons in alles nabij!

2

  Koor:   'k Kan zingen van blijdschap

          om veel goede dingen.

  Allen:  Gij zijt ons in alles nabij!

  Koor:   de grootste vreugde

          kan slechts van U komen.

  Allen:  Gij zijt ons in alles nabij!

          Refrein:

3

  Koor:   Wij leven als slaven,

          wachtend op de vrijheid,

  Allen:  Gij zijt ons in alles nabij!

  Koor:   tot Gij zult komen

          om ons te verlossen.

  Allen:  Gij zijt ons in alles nabij!

          Refrein:

4

  Koor:   Ik ben vaak met velen

          en toch ook weer eenzaam:

  Allen:  Gij zijt ons in alles nabij!

  Koor.   breek af de muren

          die ons nu nog scheiden.

  Allen:  Gij zijt ons in alles nabij!

          Refrein:

5

  Koor:   Van zonden en fouten

          zou ik zo graag vrij zijn.

  Allen:  Gij zijt ons in alles nabij!

  Koor:   Zal ik U vinden,

          wie zal mij dan binden?

  Allen:  Gij zijt ons in alles nabij!

          Refrein:

---

*73

#6

1

  Refrein (allen):

  Komt, laat het ieder horen

  zorg dat het ook de blinden zien.

  Komt, laat het ieder horen:

  De Heer is hier bij ons!

 

  Wees bereid tot luisteren en hou je toch niet doof,

  want ieder die wil horen, verstaat: de Heer is hier!

  Ja!

  Refrein:

2

  Allen zijn wij mensen, wij horen bij elkaar:

  en wie zijn broeder liefheeft, die is de Heer nabij!

  Ja!

  Refrein:

3

  Geef je brood aan armen: je naaste is in nood.

  Zo gauw je' t hebt gegeven zal Christus bij je staan!

  Ja!

  Refrein:

4

  Brengt Hem alle gaven, vertrouw je aan Hem toe:

  zijn liefde zal ons helpen, want Hij trekt met ons mee!

  Ja!

  Refrein:

5

  Luister naar zijn roepen, neem aan zijn maaltijd deel:

  In 't brood dat wij hier eten, komt Hij dan onder ons!

  Ja!

  Refrein:

6

  Hij is nu verborgen, je kunt Hem nog niet zien;

  maar eenmaal zal Hij komen, wees daarop voorbereid!

  Ja!

  Refrein.

---

*74

#3

1

  Refrein (allen):

  Mijn God, wat een vreugde,

  mijn God, wat een vreugde

  mijn God wat een vreugde

  op de dag waarop U komt!

 

  De dag voor zijn lijden

  nam Hij het brood, een beker wijn,

  gaf die tot gedachtenis:

  daarom zijn wij hier bijeen.

  Refrein:

2

  Zijn leven was liefde

  tot aan het laatste ogenblik:

  Hij gaf zich voor iedereen

  aan het kruis voor onze schuld.

  Refrein:

3

  De Heer is verrezen!

  Het leven won het van de dood:

  daarmee kwam voor iedereen

  de verlossing, nieuwe hoop.

  Refrein:

---

*75

#7

1

  Ja, als de Heer voor altijd komt, (bis)

  dan laat ook mij daarbij zijn,

  als de Heer voor altijd komt!

2

  En als Gods volk elkaar weer ziet, (bis)

  dan laat ook mij daarbij zijn,

  als Gods volk elkaar weer ziet!

3

  En als zij staan rondom uw troon, (bis)

  dan laat ook mij daarbij zijn,

  als zijstaan rondom uw troon!

4

  En als het Boek geopend wordt, (bis)

  dan laat ook mij daarbijzijn,

  als het Boek geopend wordt!

5

  Ja, als men zingt: alleluja, (bis)

  dan laat ook mij daarbij zijn,

  als men zingt: alleluja!

6

  Als God vernieuwt al wat er is, (bis)

  dan laat ook mij daarbij zijn,

  als God vernieuwt al wat er is!

7

  En als U ons met name roept, (bis)

  dan laat ook mij daarbij zijn,

  als U ons met name roept!

---

*101

#4

1

  Koor: Naar U gaat mijn verlangen, Heer,

        Heer, mijn God, ik ben zeker van U.

  Allen: Heer, mijn God ik ben zeker van U.

2

  Zoudt Gij ooit mij te schande maken,

  neen, voor allen die op U wachten

  zijt Gij een goede en betrouwbare God.

3

  Maak mij, Heer, met uw wegen vertrouwd,

  zet mij op het spoor van uw waarheid.

  Zend mij uw licht en uw trouw tegemoet.

4

  Steeds weer zoeken mijn ogen naar U, hoe

  is uw naam, waar zijt Gij te vinden,

  eeuwige God, wij willen U zien.

---

*102

#6

1

  Naar U gaat mijn verlangen, Heer.

  Naar U gaat mijn verlangen, Heer.

2

  Richt mij, Gij zijt de God die mij redt

  en op U wacht ik een leven lang.

3

  Herinner U, hoe Gij barmhartig zijt geweest,

  hoe een en al liefde van meet af aan.

4

  Goede en betrouwbare God,

  wie afgedwaals is, wijt Hij de weg.

5

  Arme en ootmoedige mensen

  spoort Hij aan zijn weg te houden.

6

  Alle wegen van God zijn liefde en trouw

  voor wie bewaren het woord van zijn verbond.

---

*103

#1

1

  K. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding

     steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

  A. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding

     steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

  K. Omdat Gij zijt zoals Gij zijt

     zie naar mij om en wees mij genadig

     want op U wacht ik een leven lang.

  A. Steeds weer zoeken mijn ogen naar u.

  K. Zij Gij het Heer, die komen zal

     of moeten wij een ander verwachten

     Heer, mijn God, ik ben zeker van U.

  A. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding

     steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

  K. Geeft Gij uw woord aan deze wereld,

     Gij zijt mijn lied, de God van mijn vreugde,

     naar U gaat mijn verlangen Heer.

  A. Steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

     Houd mij in leven wees Gij mijn redding

     steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

---

*104

#6

1

  ref.: De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij

 

  Het volk dat woont in duisternis

  zal weten wie zijn heiland is.

  Onverwacht komt van heide en ver

  de mensenzoon, de morgen ster. Refrein.

2

  Tekens aan sterren, zon en maan,

  hoe zal de aarde dat bestaan?

  Zo spreekt de Heer: verheft u vrij

  want uw verlosser is nabij. Refrein.

3

  Wanneer de zee bespringt uw land

  en slaat u 't leven uit de hand,

  weet in uw angst en stervenspijn:

  uw dood zal niet voor eeuwig zijn. Refrein.

4

  Ziet naar de boom, die leeg en naakt

  in weer en wind te schudden staat;

  de lente komt, een twijg ontspruit,

  zijn oude takken lopen uit. Refrein:

5

  Een twijgje, weerloos en ontdaan,

  - zonder gestalte, zonder naam.

  Maar wie gelooft verstaat het wel.

  Dat twijgje heet: Emmanuel. Refrein:

6

  Die naam zal ons ten leven zijn.

  Een zoon zal ons gegeven zijn.

  Opent uw poorten metterdaad

  dat uw Verlosser binnengaat. Refrein.

---

*105

#3

1

  Heel ons leven is een bidden

  dat de koning komt.

  Dat de vrede in ons midden,

  dat de Koning komt.

 

  Refrein:

  die leeft en heerst en ons bevrijdt

  in eeuwigheid

  die leeft en heerst en ons bevrijdt

  in eeuwigheid.

2

  Wij zijn nieuw, wij zijn genezen,

  als de koning komt.

  Wij vergroeien met zijn wezen,

  als de koning komt.

  Refrein:

3

  Een is alle macht gegeven

  en die koning komt.

  Wij zijn veilig, wij gaan leven,

  want die koning komt.

  Refrein:

---

*106

#5

1

  Heer Jesus mens van vlees en bloed,

  zijt Gij de heiland die komen moet,

  of zullen wij zonder vaste grond,

  maar hopen dat een ander komt.

2

  Heer Jezus, die gekomen zijt,

  Die onze weg ten leven zijt,

  Uw geest voltooit ons meer en meer,

  Wij vinden in hem elkander weer.

3

  De bozen geesten binden in,

  Want Jezus stelt een nieuw begin

  De doden treden uit hun nacht,

  Aan armen wordt het Rijk gebracht.

4

  Uw rijk is vrede, brood en wijn,

  De laatsten zullen de eersten zijn.

  Gelukkig wie in vreugde beleeft

  Dat God zichzelf aan zondaars geeft

5

  Gelukkig al wie hoort en ziet,

  Hoe hier op aarde uw heil geschiedt.

  Heer Jezus, mens van vlees en bloed,

  Zijt Gij de Heiland die komen moet.

---

*107

#5

1

  Nu daagt het in het oosten,

  het licht schijnt overal;

  Hij komt de volken troosten,

  die eeuwig heersen zal.

2

  De duisternis gaat wijken

  van d' eeuwenlange nacht.

  Een nieuwe dag gaat prijken

  met ongekende pracht.

3

  Zij, zie gebonden zaten

  in schaduw van de dood,

  van God en mens verlaten

  begroeten 't morgenrood.

4

  De zonne, voor wier stralen

  het nacht'lijk duister zwicht,

  en die zal zegepralen,

  is Christus, 't eeuwig licht!

5

  Reeds daagt het in het oosten,

  het licht schijnt overal:

  Hij komt de volken troosten,

  die eeuwig heersen zal.

---

*108

#4

1

  Ons hart verheft zich tot U, Heer,

  zie vol ontferming op ons neer.

  Betoon ons uw barmhartigheid,

  schenk ons uw Heil in eeuwigheid.

2

  Toon ons uw wegen, geef ons kracht.

  Heer, red uw volk, dat U verwacht.

  Leid Gij ons in uw waarheid voort,

  totdat uw roepstem wordt gehoord.

3

  Vergeef ons onze zonden groot.

  Wij zijn in eenzaamheid en nood.

  Verlaat u op de Heer altijd,

  totdat zijn komst uw hart verblijdt.

4

  De nacht is om, de dag nabij.

  Staat op! Ons Heil verwachten wij

  Trekt aan de wapens van het licht,

  wilt u bekleden met de Heer!

---

*109

#8

1

  Verheft uw hart, weest welgemoed.

  Verhoopt de dag die daagt voorgoed.

  Gedenkt uw Heer en zijn verbond

  in woord en brood, totdat Hij komt.

2

  Totdat Hij komt, bestaan wij hier -

  wakend en wetend dag noch uur,

  elkander dragend in geloof,

  Gods woord verwachtend van omhoog.

3

  Komt Hij berechten 't mensenras:

  als ik mijn broeders hoeder was,

  als ik hem deelde brood en land,

  roept Hij mij aan zijn rechterhand.

4

  Heer God, die immer komen zult

  in dood en mensennood gehuld,

  geef dat wij U vandaag verstaan,

  troostend elkander in uw naam.

5

  Hemel en aarde gaan voorbij

  Maar in Gods naam geloven wij:

  Zijn Woord breekt alle waan en schijn.

  Daar zal een nieuwe aarde zijn.

6

  Zult Gij wel komen, zal uw licht,

  verklaren al wat duister is?

  Zoon Gods, de schepping toegezegd,

  voltooi uw aarde, doe haar recht.

7

  Jezus, maak uw belofte waar,

  bekeer de mensen tot elkaar.

  Gij die der mensen broeder zijt,

  Kome uw Rijk in heerlijkheid.

8

  Kome wat komt, Gods aanvangswoord

  doorstroomt de tijden, stuwt hen voort.

  Die 't heil voorzag. Die 't al begon,

  Hij komt ten laatste. Jezus kom!

---

*110

#5

1

  Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen.

  Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

 

  Refrein

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

2

  Overal nabij is Hij mens'lijk allerwegen.

  Maar geen mens herkent Hem, Hij wordt gewoon verzwegen.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

3

  God van God en licht van licht aller dingen hoeder

  heeft een menselijk gezicht aller mensen broeder.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

4

  Wilt daarom elkander doen alle goeds geduldig.

  Weest elkaar om zijnentwil niets dan liefde schuldig.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

5

  Weest verheugd, van zorgen vrij: God die wij aanbidden

  is ons rakelings nabij, wonend in ons midden.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

---

*111

#3

1

  O Christus, Woord der eeuwigheid,

  dat naar ons uitging in den tijd

  en daad werd, mens van hoofd tot voeten,

  wij danken U, God die Gij zijt,

  dat Gij ons mens'lijk wilt ontmoeten.

2

  Hoe hadden wij U ooit verstaan,

  waart Gij niet tot ons uitgegaan,

  o levenswoord van den beginne?

  Spreek, Woord van vlees en bloed, ons aan,

  o Christus, treed ons leven binnen!

3

  Gij werd een mens, maar zonder eer,

  die in de wereld geen verweer,

  niets heerlijks had voor mensenogen.

  Gij Woord, dat antwoord vraagt, - o Heer,

  geef, dat wij U herkennen mogen.

---

*151

#5

1

  In den beginne was het Woord,

  God, die van eeuwigheid bestond,

  stond op en opende Zijn mond;

  Zijn stem wordt tot vandaag gehoord.

2

  In den beginne was het Woord,

  dat alles wat op aarde leeft

  met sterke hand geschapen heeft,

  waar alle ding aan toebehoort.

3

  In den beginne was het Woord.

  Het liep uit het volmaakte Licht

  dat glansde om Gods aangezicht,

  het heeft de duisternis doorboord.

4

  In den beginne was het Woord,

  dat voor de mensen leven is,

  dat nimmer door de duisternis

  verstaan kan worden of verstoord.

5

  Het Woord, dat vlees geworden is

  het groot en goddelijk begin,

  dat loopt tussen de mensen in,

  dat overwint de duisternis.

---

*152

#7

1

  Verschenen is de mildheid en de trouw van onze God.

  Verschenen is de mildheid en de trouw van onze God.

2

  In den beginne was het Woord

  en in Hem was alle leven,

  en dat leven was het licht der mensen.

3

  Verschenen is de mildheid en de trouw van onze God.

4

  Het woord is vlees geworden,

  het heeft in ons midden gewoond,

  een mens in de handen van mensen.

5

  Verschenen is de mildheid en de trouw van onze God.

6

  Niemand heeft ooit God gezien,

  maar wij mochten zijn glorie aanschouwen,

  Jezus, de Zoon van de levende God.

7

  Verschenen is de mildheid en de trouw van onze God.

  Verschenen is de mildheid en de trouw van onze God.

---

*153

#7

1

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam

  allerwegen op aarde.

2

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam

  allerwegen op aarde.

3

  Gij die uw majesteit toont aan de hemel,

  Gij opent de mond van weerloze kinderen.

4

  Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers,

  de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd,

5

  wat is dan de mens dat Gij aan Hem denkt,

  de zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat.

6

  Toch hebt gij hem bijna een god gemaakt

  en hem met glorie en luister gekroond.

7

  Gij doet hem het werk van uw handen beheren

  en alles hebt Gij aan zijn voeten neergelegd.

---

*154

#5

1

  Gij zijt een mensenzoon, Gij komt van ver,

  bloed van ons bloed, uit ons zijt Gij genomen.

2

  Gij hebt mijn lief en leed, mijn dag gedeeld;

  Gij zijt voor mij geen vreemde God gebleven.

3

  Toen ik nog nergens was, maar levend dood,

  hebt Gij en Gij alleen mijn licht ontstoken.

4

  Licht van uw licht zijn wij, van uw geslacht,

  mensen van licht maar duister onze wegen.

5

  Mensen van vlees en steen, van hoop en vrees,

  breng ons toch thuis, in godsnaam geef ons vrede.

---

*155

#3

1

  Vanwaar zijt Gij gekomen,

  wij wisten niets van U.

  In onze stoutste dromen

  was God nooit hier en nu.

  Een nieuwe God zijt Gij

  die onder ons wilt wonen,

  zo ver weg, zo dichtbij.

2

  Gij zijt ons doorgegeven

  een naam, een oud verbaal

  uw woorden uitgeschreven

  in ied're mensentaal.

  Ons eigen levenslot

  met uw geluk verweven,

  zo zijt Gij onze God.

3

  Gij zijt in ons verloren

  wij durven u niet aan,

  uw stem in onze oren,

  uw komst in ons bestaan.

  Een woord van vlees en bloed

  een kind voor ons geboren.

  een mens die sterven moet.

---

*156

#4

1

  De herdertjes lagen bij nachte,

  zij lagen bij nacht in het veld.

  Zij hielden vol trouwe de wachte,

  zij hadden hun schaapjes geteld.

  Daar hoorden zij d' engelen zingen

  hun liederen vloeiend en klaar

  de herders naar Bethlehem gingen,

  't liep tegen het nieuwe jaar.

2

  Toen zij er te Bethlehem kwamen,

  daar schoten drie stralen dooreen;

  een straal van omhoog zij vernamen,

  een straal uit het kribje beneen;

  toen vlamd' er een straal uit hun ogen

  en viel op het kindeke teer;

  zij stonden tot schreiens bewogen,

  en knielden bij Jezus neer.

3

  Maria die bloosde van weelde,

  van ootmoed en lieflijke vreugd';

  De goede Sint Jozef, hij streelde

  het Kindje der mensen geneugt' ;

  de herders bevalen te weiden

  hun schaapkens aan d' engelenschaar

  wij kunnen van 't kribje niet scheiden,

  wij wachten het nieuwe jaar.

4

  Och Kindje, och Kindje dat heden

  in 't nederige stalletje kwaamt,

  ach laat ons uw paden betreden,

  want Gij hebt de wereld beschaamd.

  Gij kwaamt om de wereld te winnen,

  de machtigste vijand te slaan;

  de kracht uwer liefde van binnen

  kan wereld noch hel weerstaan.

---

*157

#4

1

  Er is een Kindeke geboren op d' aard;

  Er is een Kindeke geboren op d' aard;

  't Kwam op de aarde voor ons allemaal;

  't Kwam op de aarde voor ons allemaal.

2

  't Kwam op de aarde en 't had er geen huis;

  't Kwam op de aarde en 't had er geen huis;

  't Kwam op de aarde en 't droeg al zijn kruis;

  't kwam op de aarde en 't droeg al zijn kruis

3

  Er is een Kindeke geboren in 't strooi;

  Er is een Kindeke geboren in 't strooi;

  't Lag in een kribbe, gedekt met wat hooi,

  't Lag in een kribbe, gedekt met wat hooi.

4

  't Kwam op de aarde voor ons allemaal;

  't Kwam op de aarde voor ons allemaal;

  En 't wenst ons allen een zalig nieuw jaar;

  En 't wenst ons allen een zalig nieuw jaar.

---

*158

#3

1

  Eer zij God in deze dagen,

  eer zij God in deze tijd,

  mensen van het welbehagen,

  roept op aarde vrede uit,

  Gloria in excelsis Deo.

2

  Eer zij God die onze Vader

  en die onze koning is,

  Eer zij God die op de aarde

  naar ons toegekomen is,

  Gloria in excelsis Deo.

3

  Lam van God, Gij hebt gedragen

  alle schuld tot elke prijs,

  geef in onze levensdagen

  peis en vree, kyrieleis,

  Gloria in excelsis Deo.

---

*159

#3

1

  Er is een roos ontsprongen.

  uit ene wortelstam;

  die, lijk ons d' ouden zongen,

  uit Jesse 't leven nam;

  nu heeft zij bloem gebracht,

  in 't midden van de winter,

  in 't midden van de nacht.

2

  O rozenstruik, Maria,

  o alderpuurste Maagd:

  van u zingt Isaias,

  van 't bloemken, dat gij bracht;

  want eeuwig in Gods raad

  lag, dat gij 't Kind zoudt baren

  tot alder wereld baat.

3

  Wij bidden u van harte

  om 't Kind dat op u loech,

  om deez' lief bloemkes smarten,

  die het voor ons verdroeg:

  wil ons toch hulpe zijn,

  dat wij U mogen maken

  een woning fraai en fijn.

---

*160

#3

1

  Komt ons in diepe nacht ter ore:

  de morgenster is opgegaan,

  een mensenkind voor ons geboren

  God zal ons redden, is zijn Naam.

  Opent uw hart, gelooft uw ogen,

  vertrouwt u toe aan wat gij ziet:

  hoe 't woord van God van alzo hoge

  hier menselijk aan ons geschiedt.

2

  Geen ander teken ons gegeven

  geen licht is onze duisternis

  dan deze mens om mee te leven

  een God die onze broeder is.

  Zingt voor uw God, Hij openbaarde

  in Jezus zijn menslievendheid.

  Zo wordt de wereld nieuwe aarde

  en alle vlees aanschouwt het heil.

3

  Zoals de zon komt met zijn zegen

  Een bruidegom van licht en vuur,

  zo komt de koning van de vrede -

  voorgoed gekomen is zijn uur.

  Hij huwt de mensen aan elkander

  zijn liefde gaat van mond tot mond.

  Hij geeft zijn lichaam ons in handen.

  Zo leven wij zijn nieuw verbond.

---

*161

#3

1

  Heeft Hij ons bidden opgevangen -

  Hij heeft op ons zijn Naam gelegd.

  Meer dan een mens ooit kan verlangen-

  Ik ben met u, heeft Hij gezegd.

  Opent uw harten, mensenzonen,

  die bang en ontoegank'lijk zijt,

  het woord van God, u toegekomen

  bevrijdt u van uw eenzaamheid.

2

  Hij zal de armen niet verstoten,

  Hij is met onze nood bekleed.

  Voor allen die zijn vastgelopen

  heeft Hij een naam, een nieuwe geest.

  Hij spreekt de taal van alle landen

  en overal ontkiemt zijn rijk.

  Waar wij maar gaan is Hij voorhanden

  en achter elke mens staat Hij.

3

  Zijt Gij het eerst van ons geboren,

  zijt Gij de welbeminde zoon -

  blijf ons dan trouw, wij zijn verloren

  als Gij niet met ons samenwoont.

  Dat wij met U gelukkig leven

  en spelen voor Gods aangezicht,

  dat wij elkaar de vrede geven

  die Gij voor ons hebt aangericht.

---

*162

#9

1

  Koor:

  Heden zult gij zijn glorie aanschouwen, hier is uw God.

2

  Allen:

  Heden is onze Heiland geboren, Christus de Heer.

3

  God heeft gesproken: Gij zijt mijn zoon.

  Ik heb u heden voortgebracht.

  Koning zijt Gij op de dag van uw geboorte.

4

  Allen:

  Heden zult gij het licht aanschouwen, hier is uw God.

  Heden is onze Heiland geboren, Christus, de Heer.

5

  Licht van licht, uit mensen genomen.

  Kind voor ons geboren, zoon ons gegeven,

  Hij zal genoemd worden: vrede op aarde.

6

  Allen:

  Vrede op aarde voor alle mensen, ere zij God.

  Heden is onze Heiland geboren, Christus, de Heer.

7

  Zoals de zeebodem bedekt is met water,

  zo zal de aarde met vrede bedekt zijn.

  Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt.

8

  Allen:

  Wij verkondigen u vol vreugde: Hier is uw God.

  Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.

  Kyrieleis.

9

  Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.

  Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.

---

*163

#4

1

  Midden in de winternacht

  ging de hemel open.

  Die ons heil ter wereld bracht,

  antwoord op ons hopen.

  Elke vogel zingt zijn lied,

  herders waarom zingt gij niet?

  Laat de cithers slaan;

  blaast uw fluiten aan;

  laat de bel, laat de trom,

  laat de bel-trom horen:

  Christus is geboren.

2

  Vrede was het overal:

  wilde dieren kwamen

  bij de schapen in de stal

  en zij speelden samen.

  Elke vogel zingt zijn lied,

  herders waarom speelt gij niet?

  Laat de cithers slaan;

  blaast uw fluiten aan;

  laat de bel, laat de trom,

  laat de bel-trom horen:

  Christus is geboren!

3

  Ondanks winter, sneeuw en ijs

  bloeien alle bomen,

  want het aardse paradijs

  is vannacht gekomen.

  Elke vogel zingt zijn lied,

  herders waarom danst gij niet?

  Laat de cithers slaan;

  blaast uw fluiten aan;

  laat de bel, laat de trom,

  laat de bel-trom horen:

  Christus is geboren!

4

  Ziet, reeds staat de morgenster

  stralend in het duister,

  want de dag is niet meer ver,

  bode van de luister

  die ons weldra op zal gaan.

  Herders blaast uw fluiten aan

  laat de bel, bim-bam,

  laat de trom, rom-rom,

  keere om, keere om,

  laat de beltrom horen:

  Christus is geboren!

---

*164

#3

1

  Wij komen tezamen

  Onder 't sterre-blinken

  Een lied moet weerklinken

  Voor Bethlehem:

  Christus geboren

  Zingen d' engelen koren.

 

  REFR.:  Kom laten wij aanbidden. (3x)

          Onze Heer.

2

  Drie wijzen met wierook

  Kwamen er van verre,

  Zij volgden zijn sterre

  Naar Bethlehem.

  Herders en wijzen

  Komen Jezus prijzen.

 

  REFR.

3

  Ook wij uitverkoren

  Mogen U begroeten

  En kussen uw voeten,

  Emmanuel.

  Wij willen geven

  Hart en geest en leven.

 

  REFR.

---

*165

#4

1

  Nu zijt wellekome, Jezu, Lieve Heer;

  Gij komt van alzo hoge, van al zo veer.

  Nu zijt wellekome van de hoge hemel neer;

  hier al in dit aardrijk zijt Gij gezien nooit meer:

  Kyrieleis.

2

  Christe Kyrieleison, laat ons zingen blij,

  daarmeed' ook onze leisen beginnen vrij.

  Jezus is geboren op de heilige kerstnacht

  van een Maged reine, die hoog moet zijn geacht:

  Kyrieleis.

3

  D' herders op de velden hoorden een nieuw lied

  (dat Jezus was geboren, zij wisten 't niet).

  Gaat aan geender straten, en gij zult Hem vinden klaar;

  Bet'lem is de stede, waar 't is geschied voorwaar:

  Kyrieleis.

4

  D' heilige drie Koon'gen uit zo verre land,

  zij zochten onze Here met offerhand.

  Z' offerden ootmoedelijk myr, wierook ende goud

  t' ere van den Kinde, dat alle ding behoudt:

  Kyrieleis.

---

*166

#4

1

  Te Bethlehem geboren

  is ons een kindje klein;

  dat heb ik mij verkoren,

  zijn dienaar wil ik zijn:

  Eia, eia, zijn dienaar wil ik zijn.

2

  Heer Jezus werd mijn broeder,

  geboren in Kerstnacht.

  Maria was de Moeder

  die Hem ter wereld bracht.

  Eia, eia, die Hem ter wereld bracht.

3

  Hoe hebben zij geleden,

  die Moeder en dat kind.

  De weg zijn zij getreden,

  waar 'k almaar lijden vind.

  Eia, eia, waar 'k almaar lijden vind.

4

  Nu zet ik niet mijn zinnen,

  op aardse dingen meer.

  Maria wil ik minnen

  en Jezus lieve Heer.

  Eia, eia, en Jezus lieve Heer.

---

*167

#5

1

  Maria die zoude naar Bethlehem gaan,

  kerstavond voor de noene;

  Sint-Joseph zoud' al met haar gaan

  om haar gezelschap te hoeden.

2

  Het hageld' en 't sneeuwde en 't was er

  de rijm lag op de daken;

  Sint-Joseph tot Maria sprak:

  "Maria, wat zullen wij maken?"

3

  Maria die zeide: "Ik bender zo moe,

  laat ons een weinig rusten."

  "Laat ons een weinig verder gaan,

  aan een huizeken zullen wij rusten!"

4

  Zij waren een weinig verder gegaan

  tot aan een boereschure;

  't is daar waar Heer Jezus geboren was;

  daar sloten noch vensters noch deuren!

5

  't Klene Kind weende, Maria zong;

  Gods engels uit de tronen,

  zij kwamen tezamen nedergedaald,

  zij kwamen Maria kronen.

---

*168

#3

1

  Stille nacht, heilige nacht;

  Davids Zoon, lang verwacht,

  die miljoenen eens zaligen zal,

  werd geboren in Bethlehems stal,

  Hij der schepselen Heer,

  Hij der schepselen Heer.

2

  Hulploos kind, heilig kind,

  dat zo trouw zondaars mint,

  ook voor mij hebt G' u rijkdom ontzegd,

  werd G' op stro en in doeken gelegd.

  Leer m' U danken daarvoor,

  leer m' U danken daarvoor.

3

  Stille nacht, heilige nacht,

  vreed' en heil wordt gebracht

  aan een wereld, verloren in schuld.

  Gods belofte wordt heerlijk vervuld.

  Amen! Gode zij eer!

  Amen! Gode zij eer.

---

*201

#12

1

  Koor:

  Zegen ons met het licht van uw ogen,

  Heer onze God.

2

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen.

3

  Koor:

  Mijn Heer en mijn God, Gij zijt groot en geweldig,

  bekleed met luister en majesteit.

4

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen.

5

  Koor:

  Gij hebt de aarde vast gegrond

  en tot in eeuwigheid wankelt zij niet.

6

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen.

7

  Koor:

  Gij zijt de schepper van maan en tijd,

  van zon en van zonsondergang.

8

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen.

9

  Koor:

  Uit zoveel dingen spreekt uw wijsheid,

  uw scheppingskracht vervult onze aarde.

10

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen.

11

  Koor:

  Alles wacht op U vol hoop,

  alle levenden vragen U om voedsel,

  Heer, onze God.

12

  Allen:

  Zegen ons met het licht van uw ogen,

  Heer, onze God.

---

*202

#10

1

  Koor:

  Wie woont onder de hoede van de allerhoogste God.

  Wie overnacht in de schaduw van God almachtig,

  hij zegt tot de Heer: mijn toevlucht zijt Gij,

  mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

2

  Koor en allen:

  Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

3

  Koor:

  Hij zal u dekken, met zijn vleugels,

  onder zijn wieken vindt Gij uw veiligheid.

4

  Koor en allen:

  Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

5

  Koor:

  Bij nacht en ontij zult gij niet bang zijn,

  en vrees overdag geen aanval in de rug.

6

  Koor en allen:

  Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

7

  Koor:

  Klamp je maar vast aan Hem, Hij zal ons redden.

  Wij zullen leven tot in lengte van dagen.

8

  Koor en allen:

  Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

9

  Koor:

  Wie woont onder de hoede van de allerhoogste God.

  hij zegt tot de Heer: mijn toevlucht zijt Gij,

10

  Koor en allen:

  Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.

---

*203

#10

1

  Koor:

  Koning is onze God,

  zijn kleed is majesteit,

  kracht heeft Hij aangetrokken.

2

  Allen:

  Kracht heeft Hij aangetrokken.

3

  Koor:

  Onwankelbaar is de aarde,

  onwankelbaar vast staat uw troon.

  Gij zijt van eeuwigheid.

4

  Allen:

  Gij zijt van eeuwigheid.

5

  Koor:

  De zeeen verheffen, o Heer,

  de zeeen verheffen hun stem,

  hun vloed van beukende golven.

6

  Allen:

  Hun vloed van beukende golven.

7

  Koor:

  Machtiger dan de stem van dat water,

  machtiger dan de branding van de zee,

  zijt Gij, de God van de hemel.

8

  Allen:

  Zijt Gij, de God van de hemel.

9

  Koor:

  Uw woord is onfeilbaar en trouw,

  geheiligd worde uw huis,

  Heer God, tot in lengte van dagen.

10

  Allen:

  Heer God, tot in lengte van dagen.

---

*204

#6

1

  REFR: Mijn herder is de Heer,

        het zal mij nooit aan iets ontbreken.

2

  Hij brengt mij in een oase van groen,

  daar strek ik mij uit aan de rand van het water,

  daar is het goed rusten. REFR:

3

  Ik kom weer tot leven,

  dan trekken wij verder, vertrouwde wegen

  Hij voor mij uit, want God is zijn naam.REFR:

4

  Al moet ik het duister in van de dood

  ik ben niet angstig, U bent toch bij me,

  onder uw hoede durf ik het aan.

5

  Gij nodigt mij aan uw eigen tafel,

  en allen die tegen mij zijn, moeten het aanzien:

  dat Gij mij bedient,

  dat Gij mij zalft, mijn huid en mijn haren,

  dat Gij mijn beker vult tot de rand.REFR:

6

  Overal komen geluk en genade

  mij tegemoet mijn leven lang,

  en altijd kom ik terug in het huis van de Heer,

  tot in lengte van dagen. REFR:

---

*205

#3

1

  Drie koningen zagen een sterre,

  een sterre van wondere pracht;

  de sterre van Jacob, het teken,

  zolang aan de hemel verwacht.

  Zij repten zich heen in 't geleide

  der ster, die zij hadden aanschouwd,

  naar 't land van de Joden met giften

  van mirrhe, van wierook en goud.

2

  Toen zij te Jeruzalem kwamen,

  verdween er de sterre meteen;

  zij gingen naar koning Herodes,

  en vroegen: waar moeten wij heen?

  Waar is er de Koning geboren,

  wiens sterre wij hebben aanschouwd?

  Wij zijn ter aanbidding gekomen

  met mirrhe, met wierook en goud.

3

  En toen zij daar hadden vernomen:

  naar Bethlehem moet ge dan gaan,

  vertoonde zich weder de sterre,

  en reisden zij blijde weer aan.

  Zij vonden het koninklijk Kindje

  en knielden aanbiddend terneer,

  met goud en met wierook en mirrhe

  en keerden vol dankbaarheid weer.

---

*206

#4

1

  Juicht voor den koning van de Joden,

  buigt voor geen dove wereldmacht,

  knielt voor den knecht die Gods geboden

  beluisterd heeft en wel geacht.

  Drie vreemden zochten Hem van verre -

  Herodes hebben zij bespot,

  met goud, met wierook en met mirre

  aanbaden zij de Zoon van God.

2

  Hij daalt ootmoedig in het water,

  de vogel Geest komt aangesneld,

  God heeft in Hem zijn welbehagen

  en alle zaligheid gesteld:

  tegen de stroom staat Hij ten teken,

  hier wordt des levens loop gewend,

  het blinde lot gestuwd tot zegen,

  wij zijn tot in de dood gekend.

3

  In Kana was de gloed geweken,

  het vuur bedolven onder as;

  toen zei de vlam in ied're beker

  wie er de ware wijnstok was;

  laat het nu uit de kruiken stromen,

  de vreugde ga van mond tot mond,

  omdat Hij, in zijn uur gekomen,

  de aarde aan zijn zijde vond!

4

  Juicht voor den koning van de volken,

  buigt voor zijn opperheerschappij,

  zingt Halleluja! Uit de wolken

  komt ons zijn heerlijkheid nabij.

  Bouwt dan ootmoedig aan de aarde,

  legt vrede in elkanders hand:

  Hij die de beste wijn bewaarde

  roept ons ter bruiloft in zijn land!

---

*251

#7

1

  Koor:

  Onze hulp is de naam van de Heer,

  die hemel en aarde gemaakt heeft,

  Hij is voor ons een barmhartige Vader

  en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.

2

  Allen:

  Onze hulp is de naam van de Heer,

  en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.

3

  Voorzang:

  Hij roept mijn leven weg uit het graf,

  Hij maakt mijn dagen vol van geluk

  en als een arend herleeft mijn jeugd.

4

  Deze God beschuldigt ons niet en

  nooit zal Hij kwaad met kwaad vergelden,

  groter dan onze zonden is Hij.

5

  Zoals een man voor zijn zonen barmhartig is,

  zo is Hij voor ons een barmhartige Vader.

  Hij kent ons toch, Hij heeft ons gemaakt.

6

  Koor:

  Onze hulp is de naam van de Heer,

  en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.

7

  Allen:

  Onze hulp is de naam van de Heer,

  en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.

---

*252

#6

1

  K. Barmhartige Heer, genadige God,

  A. REFR: Barmhartige Heer, genadige God.

2

  Ja wat de hemel is voor de aarde,

  dat is zijn liefde voor hen die geloven.

  REFR

3

  Zover als het oosten van het westen vandaan is,

  zover van ons af werpt Hij al onze zonden.

  REFR:

4

  Hij kent ons toch.

  Hij is niet vergeten dat wij gemaakt zijn uit

  het stof van de aarde.

  REFR:

5

  Mensen, hun dagen zijn als het gras,

  zij bloeien als bloemen in het open veld.

  Dan waait de wind en zij zijn verdwenen.

  REFR:

6

  Maar duren zal de liefde van God

  voor allen die zijn verbond bewaren,

  zijn woord behartigen en het volbrengen.

  REFR:

---

*253

#8

1

  Koor: Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden, eeuwige God,

  wij willen U zien. Geef ons vandaag een teken van liefde.

2

  Allen: Eeuwige God, wij willen U zien. Geef ons vandaag een

  teken van liefde.

3

  Koor: Want wat de hemel is voor de aarde, dat is uw liefde

  voor hen die geloven.

4

  Allen: Geef ons een teken van liefde.

5

  Koor: Gij, de vergeving van alle zonden, recht en gerechtig-

  heid voor deze wereld.

6

  Allen: Gij, de vergeving van alle zonden, geef ons vandaag een

  teken van liefde.

7

  Koor: Gij ken ons toch, Gij zult niet vergeten, dat wij uw

  mensen zijn, Gij, onze God.

8

  Allen: Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden, eeuwige God,

  wij willen U zien. Geef ons vandaag een teken van liefde.

---

*254

#5

1

  Toen Jezus was gekomen

  ten doop bij de Jordaan,

  heeft Hij een stem vernomen

  hoog uit de wolk vandaan.

  Een duif boven het water,

  een man diep in de stroom.

  De stem roept Hem bij name:

  mijn welbeminde Zoon.

2

  Een naam uit oude tijden:

  Lam Gods en Jahwe's knecht -

  de last van een groot lijden,

  de dood Hem toegezegd.

  De Geest kwam Hem opjagen

  tot in de doodswoestijn.

  Daar moest Hij veertig dagen

  bij wilde beesten zijn.

3

  Het Lam van God de Vader,

  dat welbeminde Woord

  besprongen door de satan.

  Hij werd als wij bekoord.

  Want wie zich prijs durft geven

  tot heil van iedereen,

  vindt waar hij wordt gedreven

  de duivel om zich heen.

4

  De Heer die ongezien en

  in deemoed tot ons kwam,

  die om ons vlees te dienen

  de zonde op zich nam.

  Hij werd bekoord om koning

  in plaats van knecht te zijn,

  Jeruzalem zijn woning,

  een aardse heerschappij.

5

  Toen is Hij trouw gebleven

  de weg is Hij gegaan.

  Hij gaf als brood zijn leven,

  Hij heeft de dood doorstaan.

  Verlos ons van de kwade,

  o Heer, en maak het waar

  dat wij met U gedoopt zijn

  ten dienste van elkaar.

---

*255

#4

1

  Looft de Heer, al wat gemaakt is, prijst zijn Naam.

  Verheft Hem voor eeuwig, dankt voor uw bestaan.

  Looft Hem die gezeten is op tronen van gezang.

  Zingt als rivieren mee voor God: Hij leve lang.

2

  Storm en aarde, bomen, stromen, zon en vuur

  gij wolken en dromen, nachten, dag en duur,

  licht en donker, dood en leven, wereld, mensenzaad

  weest mondig en volmaakt, looft Hem met woord en daad.

3

  Dauw en regen, vorst en koude, ijs en sneeuw,

  de slang en de vis, de vogels en de leeuw,

  geesten in de hemel en gij mensen met uw stem:

  gelooft Hem op zijn woord, dat gij bestaat in Hem.

4

  Looft Hem, ook wie zondigt, looft Hem kwaad en goed.

  Looft Hem, die zijn Woord in u mens worden doet.

  Looft uw God en Vader, die zijn Geest geschonken heeft.

  Looft Hem omdat gij zijt, ja looft Hem, want Hij leeft.

---

*256

#7

1

  Christus heeft voor ons geleden

  als een beeld van ons bestaan,

  dat wij zover zouden gaan;

  in zijn voetstappen te treden.

2

  Die geen zonde heeft bedreven,

  uit wiens mond niet is gehoord

  enig onvertogen woord

  maar de adem van het leven.

3

  Die wanneer Hij werd geslagen

  zelfs zijn mond niet open deed,

  die niet dreigde als Hij leed

  maar het zwijgend heeft verdragen.

4

  Die de zonden heeft gekorven

  in zijn lichaam op het hout,

  dat gij Gode leven zoudt,

  aan de zonde afgestorven.

5

  Door wiens striemen gij genezen,

  door wiens dood gij levend zijt,

  levend in rechtvaardigheid,.

  taal en teken van Gods wezen,

6

  als eertijds verdoolde schapen,

  thans den Herder toegewijd,

  die u in de waarheid weidt.

  Uw bewaarder zal niet slapen.

7

  Ja, de Heer zal u bewaren,

  Hij de Herder, Hij het Lam,

  die voor u ter aarde kwam

  die voor ons is opgevaren!

---

*257

#2

1

  De eerste uit de doden,

  die sterft en eeuwig leeft,

  die met een handvol broden

  zijn volk verzadigd heeft,

  die is het brood, dat heden,

  voor ons gebroken wordt,

  die is: de vrucht vertreden,

  het kostbaar bloed gestort.

2

  De Eerste uit de doden,

  die water maakt tot wijn,

  is onder zijn genoden

  een levende fontein,

  zoals er staat geschreven:

  springend naar wijd en zijd,

  tot in het eeuwig leven,

  een zee van zaligheid.

---

*258

#1

1

  De kind'ren van Jeruzalem

  loven de Heer met blijde stem

  en zingen juichend keer op keer:

  Geloofd zij onze God en Heer!

---

*259

#6

1

  Door de wereld gaat een woord

  en het drijft de mensen voort:

  "Breek uw tent op, ga op reis

  naar het land dat Ik u wijs."

 

  refrein:

  Here God, wij zijn vervreemden

  door te luist'ren naar uw stem.

  Breng ons saam met uw ontheemden

  naar het nieuw Jeruzalem.

2

  Door de wereld gaat een stoet

  die de ban brak van het bloed.

  Die bij wat op aarde leeft

  nu geen burgerrecht meer heeft.

3

  Menigeen ging zelf op pad

  daar hij thuis geen vrede had.

  Eeuwig heimwee spoort hem aan

  laat ook hem het woord verstaan.

4

  Door de wereld klinkt een lied

  tegen angsten en verdriet,

  tegen onrecht, tegen dwang

  richten pelgrims hun gezang.

5

  Velen, die de moed begaf,

  blijven staan, of dwalen af.

  Hunk'rend naar hun oude land.

  Reisgenoten, grijp hun hand.

6

  Door de wereld gaat een woord

  en het drijft de mensen voort:

  "Breek uw tent op, ga op reis

  naar het land dat Ik u wijs."

---

*260

#10

1

  De Heer zal ons bevrijden,

  Hij neemt ons leven aan,

  voor nu en alle tijden,

  dat wij in vrede gaan.

  Hij zegt: Ik zal verhoren

  wie roept en Mij verwacht,

  zijn naam gaat niet verloren

  in 't holle van de nacht.

2

  Door vasten en versterving,

  door water en woestijn,

  geleidt ons zijn ontferming

  en voert ons aan het eind

  de gouden straten binnen

  en door de gouden poort,

  zo laat ons Gode dienen

  en vragen naar zijn Woord!

3

  0 God en Heer almachtig,

  Gij hebt U steeds ontfermd,

  wees thans ook weer indachtig

  uw schepping onbeschermd!

  De wereld gaat te gronde,

  gedenk de mens, o God,

  en red ons van de zonde

  en red ons van de dood!

4

  Zij die naar vrede vragen

  zijn nauwelijks  in tel,

  behoed hun levensdagen,

  o God van Israel!

  Tot U heeft zich verheven

  de stem van Abels bloed,

  het roept, o Here Jezus,

  dat Gij verschijnen moet!

5

  Mijn ogen zijn gevestigd

  op God of Hij mij redt.

  Mijn hart, hoezeer onrustig,

  heb ik op Hem gezet.

  Kan ik de nacht verduren

  waarin Gij verre zijt?

  Gij zult mijn gangen sturen

  in 't duister van de tijd.

6

  Maar wees mij dan genadig

  en richt mijn leven op.

  Als Mozes uit het water

  als Jezus uit de doop.

  Verdeeld en onstandvastig

  en onrein is mijn hart

  tot Gij het huis bevestigt

  en Gij de stad bewaart.

7

  Aan 't einde van de tijden

  staat onze moederstad,

  de vrede der bevrijden,

  de oever van ons hart.

  Zo daalt zij uit de hoogte

  met lachen dat weerklinkt;

  het leven der belofte

  dat uit haar schoot ontspringt.

8

  Wij zijn voorgoed geboren,

  wij  zien het levenslicht,

  wij proeven van te voren

  het heil dat voor ons ligt.

  Wij moeten ons verblijden,

  het is nog niet te laat,

  aan 't einde van de tijden

  staat onze moederstad.

9

  O Jozua, Messias,

  Gij zoon van Abraham,

  die als een hogepriester

  voor ons ter aarde kwam,

  tot in de tabernakel

  van ontoegank'lijk licht

  zijt Gij voor God genaderd

  en ziet zijn aangezicht!

10

  De tempel is gereinigd,

  de voorhang is gescheurd,

  wij hebben ons verenigd,

  met al wat is gebeurd.

  Uw licht en waarheid beide

  zendt Gij ons tegemoet

  en zo maakt deze vrijdag

  ons hele leven goed.

---

*261

#4

1

  Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd

  is leven van genade buiten de eeuwigheid,

  is leven van de woorden die opgeschreven staan

  en net als Jezus worden die 't ons heeft voorgedaan.

2

  Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd,

  is komen uit het water en staan in de woestijn,

  gen God onder de goden, geen engel en geen dier,

  een levende, een dode, een mens in wind en vuur.

3

  Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd

  dat is de dood aanvaarden, de vrede en de strijd,

  de dagen en de nachten, de honger en de dorst,

  de vragen en de angsten, de kommer en de koorts.

4

  Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd

  dat is de Geest aanvaarden die naar het leven leidt,

  de mensen niet verlaten, Gods woord zijn toegedaan,

  dat is op deze aarde de duivel wederstaan.

---

*262

#6

1

  Ik roep uit de diepten tot U, Heer

  Want bij U Heer is erbarming.

2

  Uit de diepten, o Her, roep ik tot U,

  Heer, hoor naar mijn stem.

  Laat uw oor aandachtig luisteren.

  Naar de stem van mijn smeken.

3

  Als Gij zonden gedenkt, o Heer

  Heer, wie zal het bestaan?

  Maar bij U is vergeving.

  Opdat in vreze Gij gediend wordt.

4

  In vertrouwen verwacht ik den Heer,

  Ik vertrouw op zijn woord.

  Mijn ziel ziet uit naar den Her

  Meer dan wachters naar de morgen.

5

  Want bij de Heer is erbarming.

  En de weelde der verlossing.

  En Hij zal Israel verlossen.

  Van al zijne zonden.

6

  Glorie aan den Vader en den Zoon

  en den Heiligen Geest.

  Die is en was en die komt.

  In de eeuwen der eeuwen.

---

*263

#4

1

  Gedenken wij dankbaar de daden des Heren,

  zijn leven, zijn dood en verrijzenis,

  en dat wij oprecht tot Jezus ons bekeren

  die onze God en leidsman ten leven is.

2

  Hoe hadden wij onze bestemming vernomen,

  was Jezus de weg niet ten einde gegaan.

  Wie zouden wij zijn, als Hij niet was gekomen

  om in zijn lichaam onze dood te doorstaan.

3

  Hoe zouden wij ooit voor elkaar kunnen leven,

  had Hij ons de liefde niet voorgeleefd,

  die tot de dood zich prijs heeft willen geven,

  die, Zoon van God, ons aller slaaf is geweest.

4

  Gij eerste der mensen, die weerloos en eenzaam,

  als graan in de aarde gestorven zijt,

  Gij wordt ons brood, maak ons met U gemeenzaam,

  van harte maak tot wederdienst ons bereid.

---

*264

#4

1

  Gij komt van zo hoge, Gij wilt hier wonen,

  te allen tijde ons toegewijd.

  Genadig en trouw, zo zult Gij immer komen

  die onze lieve Heer en meester zijt.

2

  Want al wat wij mensen moeten dragen

  hebt Gij gedragen in uw vlees,

  in lijden en last en al uw levensdagen

  zijt Gij in hoop en vreze mens geweest.

3

  Maar God heeft U hemelhoog verheven

  en uitgeroepen als zijn zoon,

  opdat alle vlees U loven zal en leven.

  O Heer, dat al wie leeft - U dank betoont.

4

  Nu smeken wij, kome uw rijk op aarde,

  voltooi in ons - uw machtig werk,

  opdat alle vlees mag opstaan tot uw Vader,

  nu smeken wij kom haastig tot uw Kerk.

---

*265

#3

1

  Gij zijt in glans verschenen,

  verschenen voor altijd.

  Hoe ook in dood verdwenen,

  ons straalt uw heerlijkheid.

  Hoe bitter ook de pijnen

  door ons aan U gedaan,

  Gij blijft in glans verschijnen,

  ziet ons in glorie aan.

2

  Uw marteling, uw lijden,

  in aller wereldnood,

  uw kruisgang door de tijden,

  uw dagelijkse dood,

  het straalt voor onze ogen,

  het glanst uit alle pijn,

  aan haat en hoon onttogen,

  blijft Gij onz' glorie zijn.

3

  Gij zijt in glans verschenen,

  verschenen voor altijd.

  Gij wilt uw kruis ons lenen,

  als licht van eeuwigheid.

  Geen ondergang kan dreigen,

  of heerlijk rijst uw beeld,

  en doet ons mee ontstijgen

  in glans die alles heelt.

---

*266

#3

1

  Geef vrede, Heer, geef vrede,

  de aarde wacht zo lang,

  er wordt zoveel geleden,

  de mensen zijn zo bang,

  de toekomst is zo duister

  en ons geloof zo klein,

  o Jezus Christus, luister

  en laat ons niet alleen !

2

  Geef vrede, Heer, geef vrede,

  Gij die de vrede zijt,

  die voor ons hebt geleden,

  gestreden onze strijd,

  opdat wij zouden leven

  bevrijd van angst en pijn,

  de mensen blijdschap geven

  en vredestichters zijn.

3

  Geef vrede, Heer, geef vrede,

  bekeer ons felle hart.

  Deel ons uw liefde mede,

  die onze boosheid tart,

  die onze mond leert spreken

  en onze handen leidt.

  Maak ons een levend teken :

  uw vrede wint de strijd!

---

*267

#4

1

  Zo spreekt de Heer die ons geschapen heeft:

  Wat durft dat volk mij nog te vragen.

  Dat volk dat vast, maar toch in tweedracht leeft

  Wat durft dat volk mij nog te vragen.

  Die in zak en as gezeten

  twistend mijn gebod vergeten,

  denkt gij, dat ik om dat vasten geef?

  Mijn volk, wat durft gij mij te vragen.

2

  Zo spreekt de God die alles weet en ziet:

  Ik durf uw vasten niet vertrouwen.

  Als gij de zwervers niet uw woning biedt

  durf Ik uw vasten niet vertrouwen.

  Schenk uw brood aan de geboeiden

  schenk uw troost aan de vermoeiden.

  Anders hoor Ik naar uw smeken niet,

  en durf uw vasten niet vertrouwen.

3

  En Jezus sprak: Bemint uw vijand ook;

  Heer God, wij staan voor U verlegen.

  Vergeeft het kwaad, zo doet mijn Vader

  Heer God, wij staan voor U verlegen.

  Want Gij zijt ook zelf geschonden

  door een menigte van zonden,

  en mijn Vader, Hij vergeeft u ook.

  Heer God, wij staan voor U verlegen.

4

  En Jezus zegt: mensen, verdraagt elkaar,

  en Jezus' woord zal ons bevrijden.

  Vergeet u zelf en dient elkander maar

  - en Jezus' woord zal ons bevrijden.

  Aan elkander prijsgegeven

  vindt gij honderdvoudig leven.

  Jezus zegt: mensen, bemint elkaar.

  En Jezus' woord zal ons bevrijden.

---

*268

#5

1

  Het mensenvolk dat in het duister leeft

  zal eenmaal een groot licht aanschouwen,

  Er is een God die ons geroepen heeft

  er is een woord dat wij vertrouwen.

  Door de wolken zal Hij breken

  uit de heem'len zal Hij spreken.

  Stem van God die ons geroepen heeft

  o, woord van God dat wij vertrouwen.

2

  De stem van God die door de wolken breekt,

  roept alle mensen bij hun namen;

  dat woord van God dat in de wereld spreekt,

  geeft alle mensen nieuwe namen;

  Woord van God dat ons bejegent,

  die ons met uw adem zegent,

  Gij die alle harten openbreekt -

  roep alle doden bij hun namen.

3

  Die vriend van Jezus die gestorven is,

  moet dagenlang in 't donker wachten.

  Een dode slapend in zijn duisternis. -

  Heer God, wat laat Gij op U wachten.

  Maar een stem roept: kom naar buiten!

  Jezus' stem is niet te stuiten.

  Jezus zelf is de verrijzenis,

  o woord van God dat wij verwachten.

4

  De stem van God was in de dood verstomd -

  o Heer, belijd ons voor uw Vader;

  de Zoon van God lag in de dode grond -

  o Heer, belijd ons voor uw Vader.

  Door de mensen dood gezwegen,

  heeft Hij macht van God gekregen.

  Woord van God, Gij zijt ons nieuw verbond,

  o Heer, belijd ons voor uw Vader.

5

  Het mensenvolk moet in het duister zijn,

  maar in Gods woord is licht en leven.

  De harde aarde zal ons leven zijn,

  want God heeft ons zijn woord gegeven.

  Stem van God, roep onze namen,

  roep ons uit de dood te samen.

  Op uw woord zullen wij eeuwig zijn:

  schenk ons uw licht, uw leven. Amen.

---

*269

#4

1

  Hoort, mensenbroeders, die hier nu zijt:

  Waarom zijt gij gekomen,

  om te waken of te dromen?

  Nu waakt, en bidt om redding uit uw slavernij,

  God weet gaat u de engel van de dood voorbij.

2

  Wie voert ons weg uit het slavenhuis?

  wie komt er ons bevrijden

  en wie doet ons uitgeleide?

  't is God de Heer, en wat Hij doet is welgedaan:

  op droge voeten zullen wij de zee doorgaan.

3

  Heer God, wij hebben U kwaad gedaan,

  maar laat U toch verbidden,

  sla uw tent op in ons midden.

  En mochten wij genade vinden in uw oog,

  dan zult Gij ons uw Glorie tonen van omhoog.

4

  "Ik spaar het volk dat Ik sparen wil.

  Gij kunt Mij niet aanschouwen

  maar mijn woord moet gij vertrouwen.

  Ik sluit vandaag een nieuw verbond met u voorgoed:

  Ik zal Mij aan u geven met mijn vlees en bloed."

---

*270

#1

1

  Wie kan geloven het woord van God?

  Alleen wie het geschonken wordt

  van boven, kan geloven.

  Gelukkig wie dat eeuwig woord beleven mag,

  gelukkig wie aan God zich zelve geven mag.

---

*271

#3

1

  Wie wijst de weg naar het vaderland?

  Wie zal de wolken spreiden

  om bij dag ons te geleiden?

  Wie zal bij nacht ons voorgaan in een zuil van licht,

  die in het aarde-duister onze schreden richt?

2

  Slaat op de rotsen: het water stroomt.

  Ziet, brood om van te leven

  uit de hemel ons gegeven.

  En komen wij behouden aan de overkant,

  een land van melk en honing wordt ons vaderland

3

  Vader, wij hebben U nooit gezien,

  maar Jezus heeft gesproken

  en het woord voor ons gebroken.

  Die eeuwig met U samen is en met uw geest,

  Heer God, alleen uw Zoon is onze gids geweest.

---

*272

#8

1

  K: mel a:

  Roept God een mens tot leven,

  wie weet waarom en hoe,

  Hij moet zichzelf prijsgeven,

  hij leeft ten dode toe.

2

  A: mel a:

  Gods woord roept door de tijden

  zijn volk en grijpt het aan

  Hij doet het uitgeleide

   het moet de zee ingaan

3

  K: mel b:

  Geroepen en verzameld

  uit dood en slavernij,

  gedoopt in woord en water

  dat volk van God zijn wij.

4

  A: mel a:

  Wij werden nieuw geboren

  toen de mens Jezus kwam,

  die als een slaaf de zonde

  der wereld op zich nam.

5

  K: mel b:

  Met Hem in geest en water

  tot zoon van God gewijd,

  zijn wij met Hem begraven,

  verrezen voor altijd.

6

  A: mel a:

  Gestorven voor de zonde

  in Jezus' bloed vereend,

  en met elkaar verbonden

  levend voor God alleen.

7

  K: mel b:

  Wie Jezus' kelk wil drinken,

  zijn doop wil ondergaan,

  zal in de dood verzinken

  en uit die dood opstaan.

8

  A: mel a:

  Hij zal zijn leven geven

  hij maakt zichzelf tot brood,

  hij sterft en and'ren leven,

  hij overleeft de dood.

---

*273

#7

1

  Koor: God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten.

  Allen: God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten.

2

  voorzang: Mijn God, roep ik overdag en Gij zwijgt,

  ik roep het 's nachts en Gij laat mij maar roepen.

3

  Onze vaderen hadden vertrouwen in U,

  vertrouwen, en Gij zijt hun redding geweest.

4

  Zij riepen om U en Gij waart hun uitkomst

  en nooit hebt Gij dat vertrouwen beschaamd.

5

  Ik ben geen mens meer, ik ben een worm

  gehoond door de mensen, veracht door de buurt.

6

  Ik ben bespottelijk in aller ogen,

  iedereen lacht me hoofdschuddend uit:

7

  "hij zocht het bij God, laat die hem dan redden,

  laat God hem bevrijden, die houdt toch van hem".

---

*274

#5

1

  V. Wie als een god wil leven hier op aarde

  A. Wie als een god wil leven hier op aarde

  V. Hij moet de weg van alle zaad

     En zo vindt hij genade

  A. En zo vindt hij genade.

2

     Hij gaat de weg van alle aardse dingen

     Hij heeft het lot met hart en ziel

     van alle stervelingen

3

     Hij wordt aan zon en regen prijsgegeven

     het kleinste zaad in weer en wind

     moet sterven om te leven.

4

     De mensen moeten sterven voor elkander

     het kleinste zaad wordt levend brood

     zo voedt de een de ander.

5

     En zo heeft onze God zich ook gedragen

     en zo is Hij het leven zelf

     voor iedereen op aarde.

---

*275

#5

1

  Toen Jezus in zijn uur gekomen was

  om deze wereld te verlaten,

  heeft Hij ten einde toe ons liefgehad.

  De veel geliefde zoon van God de Vader

  wordt een slaaf die onze voeten wast,

 

  Allen:

  wordt een slaaf die onze voeten wast,

2

  Toen Jezus met zijn vrienden maaltijd hield,

  nam Hij het brood, nam Hij de beker.

  Hij heeft zijn leven aan ons uitgedeeld,

  zijn bloed voor deze wereld prijsgegeven,

  teken van de geest, die Hem bezielt.

  Allen:  Teken van de geest, die Hem bezielt.

3

  Ik ben de wijnstok heeft Hij toen gezegd,

  gij zijt voorgoed met Mij verbonden.

  Ik ben uw waarheid en Ik ben uw weg,

  Ik ben die ben, vergeving van uw zonden;

  Vrede geef Ik u, heeft Hij gezegd.

  Allen:  Vrede geef Ik u, heeft Hij gezegd.

4

  Toen Jezus naar zijn Vader toe zou gaan

  heeft Hij gebeden voor zijn vrienden.

  Vader, bad Hij, bewaar hen in uw Naam,

  mogen zij allen een zijn in de liefde,

  dat zij doen, wat Ik hun heb gedaan.

  Allen: Dat zij doen, wat Ik hun heb gedaan.

5

  Toen Jezus in de hof gekomen was

  heeft Hij in grote angst gebeden,

  maar niemand was er, die Hem antwoord ga

  Een vriend heeft Hem verkocht en uitgeleverd

  toen Hij in zijn uur gekomen was.

  Allen:  Toen Hij in zijn uur gekomen was.

---

*276

#10

1

  Koor:

  Veertig dagen, veertig nachten.

2

  Allen:

  Veertig dagen, veertig nachten.

3

  Koor:

  Maak van de wereld geen woestijn.

4

  Allen:

  Maak van de wereld geen woestijn.

5

  Koor:

  Zeg dat de stenen veranderen in brood.

  Er staat ook geschreven:

  Een mens leeft niet van brood alleen.

6

  Allen:

  Een mens leeft niet van brood alleen.

7

  Koor:

  De engelen dragen U op handen.

  Er staat ook geschreven:

  Stel God de Heer niet op de proef.

8

  Allen:

  Stel God de Heer niet op de proef.

9

  Koor:

  Zie naar de heerlijkheid van de aarde.

  Er staat ook geschreven:

  Aanbid alleen de Heer, uw God.

10

  Allen:

  Aanbid alleen de Heer, uw God.

---

*277

#3

1

  Lam Gods, dat zo onschuldig,

  zo eindeloos geduldig

  aan 't schandlijk kruishout lijdt;

  't is al voor onze zonden

  uw pijnen en uw wonden.

  Gij die de onschuld zelve zijt.

2

  Lam Gods, Gij wilde sterven,

  uw Vaders liefde derven,

  in eindeloze pijn;

  Gij sloeg op ons uw ogen

  in god'lijk mededogen

  en wilde onz' Verlosser zijn.

3

  Lam Gods, nimmer volprezen,

  leer ons de zonde vrezen,

  waarvoor Gij stierf aan 't kruis;

  wilt Gij ons eenmaal geven

  het onvergank'lijk leven

  bij U in 't hemels Vaderhuis.

---

*278

#7

1

  Toen Israel in Egypte zat,

  -koning, laat ons gaan,-

  Toen 't volk geen God en koning had,

  -koning, laat ons gaan,-

  God riep Mozes,

  ik ben uw God voortaan.

  Spreek dan, Mozes, roep:

  -koning, laat ons gaan.

2

  De koning van Egypteland

  -koning, laat ons gaan,-

  Die bood weerstand met hand en tand

  -koning, laat ons gaan,-

  Toen riep Mozes:

  God zal de koning slaan:

  Berg u, koning, of

  Laat ons hier vandaan.

3

  Het water werd van bloed zo rood,

  -koning, laat ons gaan,-

  De eerstgeborenen vielen dood.

  -koning, laat ons gaan,-

  Toen riep de koning:

  wie kan uw God weerstaan?

  Ga dan, ga dan snel!

  -koning, laat ons gaan,-

4

  En 't volk toog uit op Mozes' woord:

  -God zal met ons gaan,-

  De zee, die 't zag, vlood ijlings voort.

  -God zal met ons gaan,-

  Vlucht maar, bergen,

  als rammen hier vandaan.

  Spring dan, heuvels, want:

  -God zal met ons gaan,-

5

  De Goden van Egypteland

  -God zal met ons gaan,-

  Die morgen schreeuwen moord en brand.

  -God zal met ons gaan,-

  Goud en goden

  nu hebt gij afgedaan.

  Bergt u, doden, want:

  -God zal met ons gaan,-

6

  Hun mond is stom, zij spreken niet,

  -God alleen bestaat-

  Hun handen, ha! die tasten niet,

  -God alleen bestaat-

  Hij is machtig

  en eeuwig duurt zijn naam.

  Schenk ons leven, o

  -God, blijf met ons gaan.-

7

  Wij bieden U al wat wij zijn,

  -omdat Gij bestaat-

  Weest Gij ons brood in de woestijn,

  -omdat Gij bestaat-

  Mensen, broeders,

  biedt Hem uw eigen aan:

  God zal met ons

  - door dood en leven gaan-

---

*279

#5

1

  Toen Jezus naar zijn stede ging

  zes dagen voor zijn lijden,

  toen naderde een lange stoet

  die hem een welkom wijdde:

 

  REFREIN: Wij zingen hosanna de koning ter eer;

           gezegend die komt in de naam van de Heer.

2

  Zij hebben kleren uitgespreid,

  Hem toegezwaaid met palmen;

  Zij lieten heel Jeruzalem

  Van hun nieuw lied weergalmen.   REFR.

3

  De kinderen der Joden mee,

  Zij wilden Jezus prijzen;

  Zij zongen met hun hoge stem

  Op nooit gezongen wijzen.  REFR.

4

  Wij voeren naar Jeruzalem

  De Koning met ons mede;

  Wij trekken uit het Oud Verbond

  Om 't Nieuwe te betreden.  REFR.

5

  Jeruzalem, o hemelstad,

  Hier komt uw Koning binnen;

  De vijandschappen gaan voorbij

  De liefde mag beginnen.    REFR.

---

*280

#5

1

  Vergeving, Heer, want onze schuld is groot.

 

  GeNAde, HEER, want Gij zijt GOED

  Uw ontFERming delg' mijn MISdaad UIT.

  Was mij REIN van AL mijn SCHULD

  en ZUIver MIJ van mijn KWAAD.

2

  Want ik BEN me mijn SCHULD beWUST,

  Mijn ZONde staat mij STEEDS voor de GEEST.

  Tegen U, U alLEEN heb ik misDAAN

  En geDAAN wat KWAAD is in Uw OOG.

3

  In waarACHtigheid SCHEPT Gij beHAgen;

  Spreek Uw WIJSheid in 't DIEPST van mijn HART!

  BeSPRENkel mij: IK word REIN.

  En WAS mij: 'k word WITter dan SNEEUW.

4

  Schep mij GOD, een ZUIver HART:

  Wek een NIEUwe standVAStige GEEST.

  VerSTOOT mij NlET van Uw geZICHT,

  Neem Uw HEIlige GEEST niet van mij WEG.

5

  In OFfers SCHEPT Gij geen VREUGD

  En BRANDoffers WENST Gij NlET.

  Een verSLAgen GEEST is mijn OFfer;

  Gij aanVAARDT een verBRIJzeld HART.

---

*281

#3

1

  Van al die vele volken

  werd een volk uitverkoren

  om onder zware wolken

  en door woestijnen heen,

  geslagen en verloren

  en overal ontheemd,

  het woord van God te horen

  en alles te verstaan.

 

  Allen:

  Met oren om te horen

  en alles te verstaan.

2

  Een kleine rest bewaarde

  dat woord en bleef behouden

  om namens heel de aarde

  getrouwd te zijn met God.

  En onder alle vrouwen

  was er een moederschoot,

  een vrouw die mocht ontvangen

  Gods woord, een mensenzoon,

 

  Allen:

  een vrouw die mocht ontvangen

  Gods welbeminde zoon.

3

  De mensenzoon geroepen

  om Gods wil te volbrengen -

  ten dienste van zijn broeders

  stierf Hij  de slavendood.

  De Zoon van God moest sterven,

  dat wordt oneindig goed

  voor ons en alle mensen

  want zo is Hij voortaan

 

  Allen:

  voor ons en alle mensen

  de ziel van ons bestaan.

---

*282

#6

1

  Midden in de dood

  zijn wij in het leven,

  want Een breekt het brood

  om met ons te leven,

  midden in de dood.

2

  Dood is in ons bloed,

  dood voor onze ogen,

  maar Hij geeft ons moed,

  dat wij leven mogen,

  met de dood in 't bloed.

3

  Dat wij uit de dood

  opstaan om te leven,

  etend van het brood

  dat Hij heeft gegeven

  midden in de dood.

4

  Lamp voor onze voet,

  licht voor onze ogen,

  geef ons levensmoed

  met de dood voor ogen

  met de dood in 't bloed.

5

  Jezus, uit de dood

  opgestaan tot leven,

  wees voor ons het brood,

  dat wij in U leven,

  midden in de dood.

6

  Wees voor ons de wijn,

  dat wij van U drinken.

  Wees voor ons de pijn,

  dat wij in U zinken,

  dat wij in U zijn.

---

*301

#4

1

  Daar nu het feest van Pasen is, alleluia!

  Wij zingen van Heer Jesu Christ,

  alleluia, alleluia, alleluia.

2

  Alleluia  wij heffen 't aan, Alleluia!

  De Heer is waarlijk opgestaan,

  Alleluia, alleluia, alleluia!

3

  Waar dat ik ben of waar ik ga, Alleluia!

  Mijn ziel die zingt alleluia,

  Alleluia, alleluia, alleluia!

4

  Lof zij dat zuiv're Godslam zoet, Alleluia!

  Dat ons verlost heeft door zijn bloed,

  Alleluia, alleluia, alleluia!

---

*302

#9

1

  K:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  mijn God, U in de hoogte steken.

  Ik spreek U uit, ik noem uw Naam,

  zowaar als ik leef.

2

  A:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  zowaar als ik leef.

3

  K:

  Ik was gevangen en riep: God.

  En Hij heeft mij geantwoord.

  Hij heeft mij de ruimte gegeven,

  Hij komt voor mij op als een vriend.

4

  A:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  zowaar als ik leef.

5

  K:

  Beter te schuilen bij God

  dan te vertrouwen op mensen.

  Beter te schuilen bij God

  dan te vertrouwen op macht.

6

  A:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  zowaar als ik leef.

7

  K:

  Ik was geslagen, maar God

  heeft mij overeind geholpen.

  Ik zal niet sterven, ik zal

  leven, Hij tilt mij op.

8

  K:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  mijn God, U in de hoogte steken.

  Ik spreek U uit, ik noem uw Naam,

  zowaar als ik leef.

9

  A:

  Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,

  zowaar als ik leef.

---

*303

#13

1

  Voorzang: Mijn God, Gij peilt mijn hart en Gij kent mij.

  Allen:    Mijn God, Gij peilt mijn hart en Gij kent mij.

2

  Voorzang: In mij is niets voor Uw ogen verborgen

            en wat ik ook doe, Gij zijt er mee vertrouwd.

3

  Allen:    Gij zijt er mee vertrouwd.

4

  Voorzang: Hoe zou ik ooit ontkomen aan uw Geest©

            en waar heen zou ik vluchten, Gij ziet mij overal.

5

  Allen:    Gij ziet mij overal.

6

  Voorzang: Beklim ik de hemel, Gij zijt in de hemel,

            daal ik af in de aarde, daar vind ik U ook.

7

  Allen:    Daar vind ik U ook.

8

  Voorzang: En vlieg ik me met het morgenrood

            tot aan het uiterste strand van de zee,

            ook daar zal Uw hand mij verder helpen.

9

  Allen:    Ook daar zal Uw hand mij verder helpen.

10

  Voorzang: Hoe moeilijk zijn Uw gedachten voor mij.

            Mijn God, wat een machtig geheel.

11

  Allen:    Mijn God, wat een machtig geheel.

12

  Voorzang: Ga ik ze tellen, ze zijn zo talrijk

            als het zand aan de zee, en dan nog

            dan weet ik altijd nog niets van U.

13

  Allen:    Dan weet ik altijd nog niets van U.

---

*304

#8

1

  Koor:

  Ik sla mijn ogen op naar de bergen:

  Zou iemand mij komen helpen?

2

  Allen:

  Ja, mijn God komt mij helpen,

  de schepper van hemel en aarde.

3

  Hij zal niet toelaten dat je struikelt,

  Hij zal niet slapen, Hij waakt over jou,

4

  Nee, slapen en sluimeren zal Hij niet,

  Hij waakt over heel zijn volk.

5

  Onze God houdt de wacht

  als een schaduw over je heen,

6

  Overdag zal de zon je niet steken

  en 's nachts zal de maan je geen kwaad doen.

7

  Hij houdt alle kwaad van je af,

  Hij neemt je onder zijn hoede,

8

  en waar je ook gaat of staat,

  God zal je behouden voor eeuwig.

---

*305

#1

1

  Voorzang: Het woord des Heren is volmaakt, bron van leven,

 

  Allen:    Gods getuigenis betrouwbaar, onverstand wordt wijs.

 

  Voorzang: Helder water is zijn wet, hartverkwikkend.

 

  Allen:    Zij geboden: recht en reden, licht voor onze ogen.

 

  Voorzang: Wat Hij belooft is louter waarheid, enkel vrede.

 

  Allen:    Wat Hij doet is welgedaan, tot in eeuwigheid.

 

  Voorzang: Even kostelijk als honing, nee, nog meer,

 

  Allen:    kostbaarder dan zuiver goud is het woord des Heren.

---

*306

#3

1

  Christus die verrezen is, doet ons samenkomen.

  't Maal van zijn gedachtenis wordt hier blij hernomen.

 

  Refrein:

  Broeders, vrij en opgericht, alleluja, heft uw ogen,

  alleluja, naar den hoge, heft uw ogen naar het licht.

2

  Christus brak de slavernij, brak de donkere dagen.

  Rijzend uit zijn graf heeft Hij Adams dood verslagen.

  Refrein:

3

  Christus die verrezen is, straalt van eeuwig leven.

  't Maal van zijn gedachtenis zal dat ons ook geven.

  Refrein:

---

*307

#4

1

  Looft God in zijn heiligdom.

  Alleluia, alleluia, alleluia!

 

  Looft God in Zijn heiligdom,

  looft Hem heel Zijn hemel om.

  Looft Hem om Zijn grote macht,

  looft Hem naar Zijn grote kracht.

  Alleluia, alleluia, alleluia!

3

  Looft Hem met bazuingeschal,

  looft de Heer van het heelal.

  Looft Hem, laat de harpen slaan.

  Looft Hem, grijpt de citers aan.

  Alleluia, alleluia, alleluia!

3

  Looft Hem dansend, groot en klein

  looft Hem rinkend met de tamboerijn.

  Looft Hem fluitend met de fluit,

  looft Hem op cymbaal en luit.

  Alleluia, alleluia, alleluia!

4

  Spant uw snaren Hem ter eer.

  Alleluia, looft de Heer.

  Looft Hem zingend al wat leeft,

  looft Hem al wat adem heeft.

  Alleluia, alleluia, alleluia!

---

*308

#3

1

  Alleluia, wij heffen 't aan:

  de Heer is waarlijk op gestaan.

  En waar ik ben of waar ik ga,

  mijn ziele zingt: Alleluia!

2

  Dit is de grote blijde dag,

  die David in zijn geest voorzag.

  Zingt nu met vreugd' zo zing ik na,

  het blijde lied: alleluia.

3

  Lof zij het Lam, dat door zijn bloed

  voor onze zonden heeft geboet.

  Zijn bitt're dood schonk ons gena',

  zo zingen wij: alleluia.

---

*309

#5

1

  Christus is opgestaan,

  leeg is het graf, Hij leeft voortaan.

  In dat bittere tweegevecht

  Sloeg hij de dood, wij zijn terecht

  Hallelujah.

2

  Christus komt uit de nacht,

  licht en vrede ons toegebracht.

  Maar nog is oorlog om ons heen,

  liet Hij ons toch weer dood alleen?

  Hallelujah.

3

  Heer, ons geloof bezwijkt

  als Gij ooit uit ons midden wijkt.

  "Zie, Ik ben, en Ik blijf met U."

  heilige geestkracht geef Ik u."

  Hallelujah.

4

  Leg ons de schriften uit.

  Toon ons toch aan dat Gij het zijt!

  Voer ons binnen het groot geheim

  dat Gij een lijdende mens moest zijn.

  Hallelujah.

5

  Mijn Heer, mijn God zijt Gij.

  Daarom, Christus, gedenken wij

  uw verrijzenis uit de dood,

  hier in dit breken van het brood.

  Hallelujah.

---

*310

#3

1

  De Heer is waarlijk opgestaan, alleluia,

  nu breekt de nieuwe lente aan, alleluia.

  Want Jezus, onze Koning groot, alleluia.

  Verrees in Glorie van de dood, alleluia.

  Alleluia, alleluia, alleluia.

2

  Gij die de Vorst van vrede zijt, alleluia.

  De schepping is om U verblijd, alleluia.

  De morgen van de eerste dag, alleluia.

  Zijt Gij verrezen uit uw graf, alleluia. (4x)

3

  De Heer herwon zijn heerschappij, alleluia.

  Hij maakt' ons in zijn liefde vrij, alleluia.

  Hij roept ons naar zijn paradijs, alleluia.

  Zijn Woord en Brood zijn onze spijs, alleluia. (4x)

---

*311

#3

1

  Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt en gegeven.

  Laat ons Hem loven en danken, verheugd dat wij leven.

  Diep in de nacht heeft Hij verlossing gebracht

  heeft Hij ons licht aangeheven.

2

  Waren wij dood door de zonde verminkt en verloren,

  doven van harte, verhard om zijn woord niet te horen,

  Hij is zo groot, Hij overmande de dood.

  Wij zijn in Jezus herboren.

3

  Nu zend uw Geest, als een vuur, als een stem in ons midden

  Dat wij van harte elkander verstaan en beminnen.

  En zo voortaan eren Gods heilige Naam.

  En Hem in waarheid aanbidden.

---

*312

#3

1

  Gij, die verrezen zijt, Heer,

  in het licht van Uw luister;

  Gij moet geprezen zijn,

  stralende ster in het duister.

  Her, op uw licht zijn onze ogen gericht,

  voer ons omhoog uit het duister.

2

  Wij zijn op doortocht

  en Gij zijt de poort naar het leven.

  Gij zijt ons paaslam,

  Gij hebt ons uw lichaam gegeven.

  Christus, uw Bloed heeft ons bewaard en gevoed,

  Herder en leidsman te leven.

3

  Gij die ontkomen zijt, Heer,

  aan de machten der aarde.

  Gij die vernomen zijt,

  Woord van de eeuwige Vader.

  Gij spreekt ons vrij,

  teken van leven zijt Gij.

  Voer ons omhoog naar de Vader.

---

*313

#5

1

  Laat ieder 's Heren goedheid prijzen,

  zijn liefde duurt in eeuwigheid.

  Laat, Israel, uw lofzang rijzen:

  zijn liefde duurt in eeuwigheid.

  Dit zij het lied der priesterkoren:

  zijn liefde duurt in eeuwigheid.

  Gij die den Heer vreest, laat het horen:

  zijn liefde duurt in eeuwigheid.

2

  De Heer is mij tot hulp en sterkte,

  Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.

  Hij is het, die mijn heil bewerkte.

  Ik loof den Heer mijn leven lang.

  Hoort in hun kamp Gods knechten zingen

  nu Hij de zege heeft gebracht:

  Gods rechterhand doet grote dingen,

  Gods rechterhand heeft grote kracht!

3

  Des Heren hand is hoog verheven,

  des Heren rechterhand is sterk.

  Ik zal niet sterven, ik zal leven

  en zingen van des Heren werk.

  De Heer heeft mij wel zwaar geslagen,

  maar niet verlaten in mijn nood,

  en zijn genadig welbehagen

  gaf mij niet over aan de dood.

4

  Dit is de dag, die God deed rijzen,

  juicht nu met ons en weest verblijd.

  0 God, geef thans uw gunstbewijzen,

  geef thans het heil door ons verbeid.

  Gezegend zij de grote koning

  die tot ons komt in 's Heren Naam.

  Wij zeeg'nen u uit 's Heren woning,

  wij zegenen u altezaam.

5

  De Heer is God, zijn gunst verheugde

  ons oog en hart met vrolijk licht.

  Nu wordt het offer onzer vreugde

  op zijn altaren aangericht.

  Gij zijt mijn God, U zal ik prijzen

  0 God, U roemen, wijd en zijd.

  Laat aller lof ten hemel rijzen:

  Gods liefde duurt in eeuwigheid.

---

*314

#11

1

  Refrein:

  Alleluia, alleluia, alleluia!

 

  Looft God den Heer, 't is welgedaan,

  zijn Woord is door de dood gegaan,

  het Licht is waarlijk opgestaan, alleluia!

2

  De steen die op de wereld lag,

  het zwaar gebod dat aanstoot gaf

  is weggewenteld van het graf, alleluia.

3

  Het loos gerucht dat mensen kwelt

  de boze is terechtgesteld,

  de vrienden hebben het ons gemeld, alleluia.

4

  De vijand leidt Hij om de tuin,

  daar zal geen list meer en venijn

  doch enkel lust en leven zijn, alleluia.

5

  De boom des levens staat geplant,

  het water stroomt ter rechterkant

  want Jezus kreeg de overhand, alleluia.

6

  Zijn Woord is melk en honing goed,

  en meer dan welke koning doet

  geeft Hij een land van overvloed, alleluia.

7

  Hij is de Zoon van Abraham,

  die omzag naar het offerlam,

  en Melkisedek tegenkwam, alleluia.

8

  O, Eersteling, gebonden schoof,

  verlaagd als Josef om zijn droom,

  wij strekken U ten hemel hoog, alleluia.

9

  Een wingerd zijt Gij aan de muur,

  die uitgroeit boven lot en duur,

  voorzegd in Jakobs stervensuur, alleluia.

10

  Nu troont Gij in uw heerlijkheid,

  het loon draagt Gij reeds voor U uit,

  uw Brood en Wijn versnelt de tijd, alleluia.

11

  0 Heer, die eeuwig koning zijt

  en die een woning ons bereidt,

  zend ons uw vuur en vrolijkheid, alleluia.

---

*315

#3

1

  U zij de glorie, opgestane Heer,

  U zij de victorie nu en immer meer.

  Uit een blinkend stromen daalde d' engel af,

  heeft de steen genomen van 't verwonnen graf.

  U zij de glorie, opgestane Heer,

  U zij de victorie, nu en immer meer.

2

  Zie Hem verschijnen, Jezus, onze Heer,

  Hij brengt al de zijnen in zijn armen weer.

  Weest dan volk des Heren blijde en welgezind

  en zegt telkenkere: "Christus overwint."

  U zij de glorie, opgestane Heer,

  U zij de victorie, nu en immermeer.

3

  Zou ik nog vrezen, nu Hij eeuwig leeft,

  die mij heeft genezen, die mij vrede geeft?

  In zijn goddelijk wezen is mijn glorie groot;

  niets heb ik te vrezen in leven en in dood.

  U zij de glorie, opgestane Heer,

  U zij de victorie, nu en immermeer.

---

*316

#4

1

  Laat ons nu blij zijn met den Heer, alleluia.

  Maria lijdt en weent niet meer, alleluia.

  Het wrede leed is nu vergaan, alleluia.

  Haar Zoon, haar jezus opgestaan, alleluia.

  Alleluia, alleluia, alleluia.A

2

  O zoete moeder van den Heer, alleluia.

  Gij zijt geen smartenmoeder meer, alleluia.

  Daar komen al de engelen aan, alleluia.

  O hoort toch hoe ze juub'len gaan, alleluia.

  Alleluia, alleluia, alleluia.

3

  Ziet, uw verrezen lieven Zoon, alleluia.

  Tooit u met eeuw'ge lentekroon, alleluia.

  Sint-Jan, Sint-Pieter stemmen in, alleluia.

  Met aller zang, o koningin; alleluia.

  Alleluia, alleluia, alleluia.

4

  Wij leggen onze zonden neer, alleluia.

  In 't blijde graf van onzen Heer, alleluia.

  Nu zijn wij rein, nu zijn wij vrij: alleluia.

  Zo zingen en herzingen wij: alleluia.

  Alleluia, alleluia, alleluia.

---

*351

#3

1

  De Geest des Heren heeft

  een nieuw begin gemaakt,

  in al wat groeit en leeft

  zijn adem uitgezaaid.

  De Geest van God bezielt

  wie koud zijn en versteend,

  herbouwt wat is vernield,

  maakt een wat is verdeeld.

2

  Wij zijn in Hem gedoopt

  Hij zalft ons met zijn vuur.

  Hij is een bron van hoop

  in alle dorst en duur.

  Wie weet vanwaar Hij komt

  wie wordt zijn licht gewaar?

  Hij opent ons de mond

  en schenkt ons aan elkaar.

3

  De geest die ons bewoont

  verzucht en smeekt naar God

  dat Hij ons in de Zoon

  doet opstaan uit de dood.

  Opdat ons leven nooit

  in weer en wind bezwijkt,

  kom Schepper Geest, voltooi

  wat Gij begonnen zijt.

---

*352

#3

1

  God die ons heeft voorzien

  en kent bij onze naam,

  die ons ten leven riep

  en houdt in het bestaan.

  Hij heeft ons voorbestemd

  te lijken op zijn Zoon

  die mens is zoals wij

  en in ons midden woont.

2

  Hij heeft zijn eigen Zoon

  geen enkel leed bespaard.

  Hij heeft ten einde toe

  zijn geest geopenbaard.

  Als God zo voor ons is

  wie zal dan tegen zijn?

  Al wat ons overkomt

  zal hoop en zegen zijn.

3

  Wie zal ons scheiden ooit

  van God ons goed en bloed.

  Geen toekomst en geen dood

  bedreigt ons meer voorgoed.

  Genadig en getrouw

  wil Hij mijn vrede zijn.

  Geen mens die Hem weerhoudt

  om onze God te zijn.

---

*353

#3

1

  Geest, die vuur en liefde zijt,

  Geest die leeft van eeuwigheid,

  voortkomt van de Zoon en Vader,

  leid, o Heer, ons altijd nader

  door uw liefde, door uw licht,

  tot uw heilig aangezicht.

2

  Geest van wijsheid, Geest van raad,

  aller dingen zuiv're maat,

  Trooster, die met wond're krachten

  bijstaat wie in leed versmachten;

  wees ons op de levenszee:

  vaste baak en veil'ge ree.

3

  Geest, die waakzaam zijt en sterk,

  hoed het schip van Christus' Kerk.

  Stuur het tot aan 't zalig ende,

  tot der tijden loop zich wende

  van deez' onbestendigheid,

  in uw stralend' eeuwigheid.

---

*354

#6

1

  Kom, Schepper, Geest, daal tot ons neer,

  houd Gij bij ons Uw intocht, Heer;

  Vervul het hart dat U verbeidt

  met hemelse barmhartigheid.

2

  Gij zijt de gave Gods, Gij zijt

  de grote Trooster in de tijd,

  de bron waar uit het leven springt,

  het liefdevuur dat ons doordringt.

3

  Gij schenkt uw gaven zevenvoud,

  o hand die God ten zegen houdt,

  o taal waarin wij God verstaan,

  wij heffen onze lofzang aan.

4

  Verlicht ons duistere verstand,

  geef dat ons hart van liefde brandt,

  en dat ons zwakke lichaam leeft

  vanuit de kracht die Gij het geeft.

5

  Verlos ons als de vijand woedt,

  geef, Heer, de vrede ons voorgoed.

  Leid Gij ons voort, opdat geen kwaad,

  geen ongeval ons leven schaadt.

6

  Doe ons de Vader en de Zoon

  aanschouwen in den hogen troon

  o Geest van beiden uitgegaan

  wij bidden U gelovig aan.

---

*355

#3

1

  Aan wat op aarde leeft,

  geeft Gij hetzelfde brood,

  en wie er U om smeekt,

  wordt met uw Geest gedoopt.

  Geef ons de zelfde taal

  om uw Woord te verstaan,

  bewaar ons in uw hand,

  bewaar ons in uw Naam.

2

  Wie in uw Vlees gelooft,

  geeft Gij uw eeuwig Woord.

  Omdat Gij zijt gedood,

  bestaan wij altijd voort.

  Leid al wie leven wil,

  uw woning tegemoet

  omwille van uw dood,

  omwille van uw bloed.

3

  O Geest, die levend maakt

  en voegt het al aaneen,

  wij zijn verstrooid geraakt,

  maar Gij houdt ons bijeen.

  Weersta toch aan de macht

  die onze harten scheidt,

  o alvermogend woord,

  o licht van eeuwigheid.

---

*356

#2

1

  Aanbidt en dankt uw Vader, God,

  die leeft van eeuwigheid;

  Aan Hem behoort het koningschap

  en alle heerlijkheid.

  Verkondigt Hem en looft zijn Naam,

  bezingt zijn wondermacht;

  dan zal op aarde vrede zijn

  voor wie zijn hulp verwacht.

2

  Aanbidt en dankt de koningszoon,

  die in de wereld kwam,

  en al de zonden van zijn volk

  gehoorzaam op zich nam.

  Nu nodigt Hij zijn broeders uit

  op 't grote koningsfeest.

  En waar Hij leeft aan Vaders hand,

  daar heerst een goede geest.

---

*357

#3

1

  Refrein:

  Zoals een hert reikhalst naar levend water,

  zo wil ik, God, met heel mijn wezen naar U toe.

  Ik dorst naar God, de levende God.

 

  Allen:

  Ik dorst naar God, de levende God.

 

  Wanneer sta ik eindelijk oog in oog met mijn God,

  Ik heb geen brood dan tranen dag en nacht,

  en altijd weer hoor ik ze zeggen:

  'Waar blijft nu je God?'

2

  God geef mij vandaag en iedere dag

  een teken van liefde, dan zal ik voor U

  zingen tot diep in de nacht, zo lang ik besta,

  een lied voor de God van mijn leven.

3

  Maar waarom zo moedeloos, waarom opstandig?

  Ik zal wachten op God, en eens zal ik Hem danken:

  Gij zijt mijn lijfsbehoud, Gij zijt mijn God.

---

*358

#9

1

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam

  allerwegen op aarde.

2

  Gij die uw majesteit toont aan de hemel,

  Gij opent de mond van weerloze kinderen,

  en dan klinkt een lied dat uw vijand beschaamt

  en brengt Gij uw tegenstanders tot zwijgen.

3

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam

  allerwegen op aarde.

4

  Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers,

  de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd,

  wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt,

  de Zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat.

5

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam

  allerwegen op aarde.

6

  Toch hebt Gij hem bijna een god gemaakt

  en hem met glorie en luister gekroond.

  Gij doet hem het werk van uw handen beheren

  en alles hebt Gij aan zijn voeten neergelegd.

7

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam

  allerwegen op aarde.

8

  schapen en runderen, alles en alles,

  en ook de dieren in het vrije veld

  de vogels van de hemel, de vissen van de zee

  al wat er wandelt op de paden van het water.

9

  Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam

  allerwegen op aarde.

---

*359

#4

1

  Als de Heer het huis niet bouwt,

  ach metselaar, waarom nog werken.

  Als de Heer de stad niet behoedt,

  ach wachter, je waakt tevergeefs.

2

  Wat zal je dan nog vroeg opstaan

  en zwoegen tot diep in de nacht.

  Je brood smaakt toch naar verdriet.

  Je kunt het geluk niet maken,

  de Heer geeft het zijn vrienden,

  zo maar in hun slaap.

3

  Kinderen komen van God,

  een zoon is een kostbaar geschenk.

  Gelukkig de man die ze heeft.

  Hij kan de wereld aan.

4

  Als pijlen op de boog van een man

  zijn zonen, verwekt in je jeugd.

  Gelukkig de man die ze heeft.

  Hij hoeft zich geen zorgen te maken,

  hij kan zijn vijand te woord staan

  hij kan de wereld aan.

---

*360

#6

1

  K. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.

     Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.

2

  A. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.

     Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.

3

  K. Wij zullen zingen, lachen, gelukkig zijn.

     Dan zegt de wereld: Hun God doet wonderen,

     Ja Hij doet wonderen,

     God in ons midden, Gij onze vreugde.

4

  A. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.(2x).

5

  K. Breng ons dan thuis, keer ons tot leven

     zoals rivieren in de woestijn die,

     als de regen valt, opnieuw gaan stromen.

     Wie zaait in droefheid zal oogsten in vreugde.

     Een mens gaat zijn weg en zaait onder tranen.

     Zingende keert Hij terug met zijn schoven.

6

  A. Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,

     dat zal een droom zijn.(2x).

---

*361

#3

1

  Blijf mij nabij, wanneer het avond is,

  wanneer het licht vergaat in duisternis:

  wanneer geen mens mijn hulpeloosheid ziet

  bid ik tot U, o Heer, verlaat mij niet.

2

  Reik mij uw hand en spreek uw reddend woord,

  wijs mij uw weg en leid mij veilig voort

  blijf mij nabij in vreugde en verdriet

  ik heb U lief, o Heer, verlaat mij niet.

3

  Wanneer uw licht mij voorgaat door de nacht,

  wanneer ik hoor dat U mij thuis verwacht,

  dan weet ik Heer, dat U mijn zwakheid ziet,

  dan zeg ik dank, want U verlaat mij niet.

---

*362

#4

1

  Christus, Gij Heer van alle dingen,

  en Maker van wat adem heeft,

  wij willen uwe Bruid bezingen,

  de Kerk die ons het leven geeft.

2

  Waar wij als kind'ren zijn geboren

  een-zelfde stam, een moedertaal,

  omdat Gij ons hebt uitverkoren

  te delen in uw bruiloftsmaal.

3

  Waarnaar wij altijd wederkeren

  o veilig huis, o moedergrond,

  waar wij van U de liefde leren,

  waar wij bestaan totdat Gij komt.

4

  Dan zult Gij in het eind verschijnen,

  uw Kerk ziet wachtend naar U uit,

  Christus de herder roept de zijnen

  de bruidegom begroet zijn bruid.

---

*363

#2

1

  Aan U, o Koning der eeuwen,

  Aan U blijft de zegekroon,

  Onsterf'lijk schittert uw glorie

  Door alle haat en hoon!

  De volkeren verdwijnen,

  Maar luider klinkt het lied:

  De wereldzon blijft schijnen,  ) bis

  Haar glansen sterven niet!     )

2

  Hoor! juub'lend naderen d' eeuwen

  Met psalmen vol hoger gloed,

  In brede koren weerklinken

  De Koning huld' en groet!

  Hoe schateren hun zangen,

  Langs aard' en luchtgebied:

  De Koning aller ere        )  bis

  Zij leven, liefd' en lied! )

---

*364

#3

1

  REFR:

  Dag en nacht Heer,

  waakt Gij als een herder over mij.

  Dag en nacht Heer,

  veilig kan ik met U zijn.

 

  Als de dag opnieuw begint

  waakt Gij als een herder over mij,

  als een Vader voor zijn kind,

  veilig kan ik met U zijn.   REFR:

2

  In de avondschemering

  waakt Gij als een herder over mij,

  in ben uw beschermeling,

  veilig kan ik met U zijn.  REFR:

3

  In het duister van de nacht

  waakt Gij als een herder over mij,

  Gij mijn toevlucht, steun en kracht

  veilig kan ik met U zijn.   REFR:

---

*365

#6

1

  Voorzang:

  Die rechtens God gelijk

  komt van de Vader voort,

  de Koning van zijn Rijk,

  Gods beeld en scheppend woord.

2

  Allen:

  Hij heeft zichzelf ontdaan

  van alle heerschappij.

  Hij kwam in ons bestaan,

  Hij werd een mens als wij.

3

  Voorzang:

  Hij werd ons aller knecht,

  Zijn deemoed was zo groot.

  Hij stond voor ons terecht

  gehoorzaam totterdood.

4

  Allen:

  Maar God heeft Hem gesteld

  hoog aan zijn rechterhand.

  God heeft zijn naam gemeld

  aan hemel, zee en land.

5

  Voorzang:

  Opdat zijn macht verstaan

  alwie Hij 't aanzien geeft  -

  opdat in Jezus' naam

  zich buige al wat leeft.

6

  Allen:

  Opdat wij met elkaar

  God geven alle eer,

  belijden voor elkaar

  dat Jezus is de Heer.

---

*366

#10

1

  Dit lied gaat over Jezus,

  die man van lang geleden,

  het dorp waar hij vandaan komt,

  is klein, heet Nazareth.

  Zijn naam is alle eeuwen

  tot hier toe doorverteld.

2

  Hij was een zoon der mensen

  geboren en getogen

  uit arme Joodse ouders

  een twijg uit Davids stam

  een kind van de belofte

  een zoon van Abraham.

3

  Hij was een jaar of dertig

  toen hij van zich deed horen

  de mensen schoolden samen

  als vissen om hem heen.

  Zijn moeder en zijn broeders

  begrepen niets van hem.

4

  De tijd is vol, bekeert u

  en weest het zout der aarde

  weest voor elkaar barmhartig

  zoals mijn vader is

  op zoek in deze wereld

  naar wat verloren is.

5

  Ben jij niet voor je kind'ren

  zo goed als je maar zijn kunt

  geeft jij een ander stenen

  wanneer hij vraagt om brood?

  Als wij gewone mensen -

  hoeveel te meer dan God.

6

  Met tollenaars en zondaars

  dronk hij dezelfde beker

  hij kwam een dode tegen

  en nam hem bij de hand.

  De naam van God herleefde

  in heel het Joodse land.

7

  De goden van het duister

  de geest van kwaad tot erger

  die mensen houdt gevangen,

  heeft hij teniet gedaan.

  Hij heeft hun macht ervaren

  maar als een man weerstaan.

8

  Zo doende wat hij doen kon

  ten dienste van de mensen

  viel hij in mensenhanden

  vond veel te jong de dood.

  Er zijn er nog die zeggen:

  Hij is de zoon van God.

9

  Wij gaan met dichte ogen

  als vreemdelingen verder

  waarom is hij gekruisigd -

  wij hadden zo gehoopt

  Wie zal de schrift verklaren

  wie breekt voor ons het brood.

10

  Er is nog meer te zeggen

  te veel om te bewaren

  de wereld zal te klein zijn

  als alles helder wordt

  Als wij het moesten zingen,

  wij kwamen stem te kort.

---

*367

#6

1

  Dank U voor deze nieuwe morgen,

  dank U voor elke nieuwe dag.

  Dank U dat ik met al mijn zorgen

  bij U komen mag.

2

  Dank U voor alle goede vrienden,

  Dank U, o God, voor al wat leeft,

  Dank U voor wat ik niet verdiende:

  dat Gij mij vergeeft.

3

  Dank U voor alle bloemengeuren,

  Dank U voor ieder klein geluk,

  Dank U voor alle held're kleuren,

  Dank U voor muziek.

4

  Dank U voor vele moeilijkheden,

  Dank U voor zoveel pijn en strijd,

  Dank U dat Gij in alle lijden

  toch steeds bij ons zijt.

5

  Dank U dat Gij hebt willen spreken,

  Dank U, Gij hoort een ieders taal,

  Dank U dat Gij het brood wilt breken

  met ons allemaal.

6

  Dank U, uw liefde kent geen grenzen,

  Dank U, dat ik nu weet daarvan,

  Dank U, o God, ik wil U danken,

  dat ik danken kan.

---

*368

#3

1

  God die in het begin

  uit aarde, naar zijn beeld,

  de mensen voor elkaars

  geluk geschapen heeft,

  Hij doet u samen zijn,

  Hij maakt u man en vrouw,

  elkanders brood en wijn,

  elkanders woord van trouw.

2

  Zoals van meet af aan

  een mens geen antwoord vindt,

  als hij niet door een mens,

  ten diepste wordt bemind,

  zo zult gij nu voortaan

  in liefde en in leed

  elkanders antwoord zijn,

  een lichaam en een geest.

3

  Zoals ten einde toe

  de mensen twee aan twee

  hun lange wegen gaan

  en God gaat met hen mee,

  zo zal Hij met u zijn

  in leven en in dood,

  Hij wordt uw brood en wijn,

  en dit geheim is groot.

---

*369

#3

1

  De Heer heeft mij gezien en onverwacht

  ben ik opnieuw geboren en getogen.

  Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht

  gaf mij een levend hart en nieuwe ogen,

  zo komt Hij steeds met stille overmacht

  en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.

2

  Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit.

  Hij heeft in zijn handen onze naam geschreven.

  De Heer wil ons bewonen als zijn huis,

  plant als een boom in ons zijn eigen leven,

  wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid

  en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.

3

  Gij geeft het uw beminden in de slaap,

  Gij zaait uw Naam in onze diepste dromen.

  Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt

  zoals de regen neerdaalt in de bomen,

  zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat,

  zo zult Gij uw beminden overkomen.

---

*370

#3

1

  Zo vriendelijk en veilig als het licht

  zoals een mantel om mij heen geslagen

  zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht

  ik roep zijn naam, bestorm hem met mijn vragen,

  dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.

  Wil mij behoeden en op handen dragen.

2

  Want waar ben ik, als Gij niet wijd en zijd

  waakt over mij en over al mijn gangen

  Wie zou ik worden, waart Gij niet bereid om,

  als ik val, mij telkens op te vangen.

  Ik leef niet echt, als Gij niet met mij zijt.

  Ik moet in lief en leed naar U verlangen.

3

  Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft,

  dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.

  Ontsteek die vreugde die geen einde heeft,

  wil alle liefde aan uw Mens besteden.

  Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft.

  Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.

---

*371

#3

1

  Een smekeling, zo kom ik tot uw troon:

  Leg met uw Woord beslag op mijn gedachten.

  Opdat ik in het licht der waarheid woon.

  Laat niet vergeefs mij op uw bijstand wachten.

  Leer mij uw wet, die goed is, waar en schoon,

  Dan loof ik U bij dagen en bij nachten.

2

  Al uw geboden zijn gerechtigheid,

  Ik prijs uw Woord met juichende gezangen.

  Uw rechterhand geleide mij altijd;

  Naar uw geboden richt ik al mijn gangen.

  Het is uw wet, waarin ik mij verblijd,

  Het is uw heil, waarnaar ik blijf verlangen.

3

  Geef leven aan mijn ziel, wees Gij mijn lied,

  Geef dat ik eeuwig U mag toebehoren.

  Onthoudt mij uw getuigenissen niet.

  Ik was een schaap, en had de weg verloren.

  Zoek, Heer, uw knecht. Ik hoor wat Gij gebiedt.

  Gij hebt mij immers tot uw dienst verkoren.

---

*372

#6

1

  De stilte zingt U toe, o Here,

  in uw verheven oord.

  Wij zullen ons naar Sion keren

  waar Gij ons bidden hoort.

  Daar zal men, Heer, tot u zich wenden,

  tot U komt al wat leeft,

  tot U, o redder uit ellende,

  die alle schuld vergeeft.

2

  Zalig wie door U uitverkoren

  mag wonen in uw hof,

  hoezeer hij door zijn schuld verloren

  terneerlag in het stof.

  Wij worden door U begenadigd

  die heilig zijt en goed.

  Gij die ons in uw huis verzadigt

  met alle overvloed.

3

  Gij antwoordt met geduchte daden,

  Gij treedt voor ons in 't krijt.

  God van ons heil, Gij gaat te rade

  met uw gerechtigheid.

  O Gij vertrouwen aller landen

  die ver gelegen zijn,

  Gij houdt het oordeel in uw handen,

  de aard' is uw domein.

4

  Gij plant de bergen vast in d' aarde,

  omgord met heldenmoed.

  Gij, die de heidentrots bedaarde,

  stilt ook de watervloed.

  De volkeren van verre vrezen

  de tekens van uw macht,

  U prijzend komt het licht gerezen,

  het juicht tot in de nacht.

5

  Gij komt het dorre land doorschrijden

  met water uit uw beek

  en tot een rijke oogst bereiden,

  uw voetstap maakt het week.

  Gij druipt uw zegen in de voren,

  Gij roept het kiemend graan;

  zo wordt het brood voor ons geboren

  waar Gij zijt voorgegaan.

6

  Gij kroont het jaar van uw genade.

  Waar Gij getreden zijt

  tooit de woestijn zich met een wade,

  de heuvels zijn verblijd.

  De weidegrond is wit van schapen,

  het dal van koren blond.

  Dit is het land door U geschapen,

  uw lof schalt in het rond.

---

*373

#3

1

  Gij dienaars aan den Heer gewijd,

  zegent zijn naam te allen tijd.

  Gij die des daags zijn gunst verwacht,

  zegent zijn naam ook in de nacht.

2

  Die in het huis des Heren zijt,

  zegent zijn naam en majesteit,

  zingt tot zijn eer met luider stem

  en heft uw handen op naar Hem.

3

  Uit Sion, aan den Heer gewijd,

  zegene u zijn heiligheid.

  Hij die hemel en aarde schiep,

  Hij is 't die u bij name riep.

---

*374

#3

1

  Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht!

  God, laat mij voor uw aangezicht,

  geheel van U vervuld en rein,

  naar lijf en ziel herboren zijn.

2

  Schep, God, een nieuwe geest in mij,

  een geest van licht, zo klaar als Gij,

  dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt

  en ga de weg, die U behaagt.

3

  Wees Gij de zon van mijn bestaan,

  dan kan ik veilig verder gaan,

  tot ik U zie, o eeuwig licht,

  van aangezicht tot aangezicht!

---

*375

#5

1

  Heer, onze Heer, hoe gij aanwezig

  en hoe onzegbaar ons nabij.

  Gij zijt gestadig met ons bezig

  onder uw vleugels rusten wij.

2

  Gij zijt niet ver van wie U aanbidden

  niet hoog en breed van ons vandaan.

  Gij zijt zo mens'lijk in ons midden

  dat Gij dit lied wel zult verstaan.

3

  Gij zijt onzichtbaar voor onze ogen

  en niemand heeft U ooit gezien.

  Maar wij vermoeden en geloven

  dat Gij ons draagt, dat Gij ons dient.

4

  Gij zijt in alles diep verscholen

  in al wat leeft en zich ontvouwt.

  Maar in de mensen wilt Gij wonen

  met hart en ziel aan ons getrouwd.

5

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig,

  waar ook ter wereld mensen zijn.

  Blijf zo genadig met ons bezig,

  tot wij in U volkomen zijn.

---

*376

#3

1

  Hemelse Vader, wees dankbaar geprezen,

  omdat uw Zoon uit de dood is verrezen;

  Glorie na lijden en zege na strijd,

  Leven na sterven hebt Gij Hem bereid.

  Alleluia, onze Heer,

  Alleluia, Hem zij eer!

2

  Vader, uw Zoon heeft het leven verworven

  ook voor de mensen, door zonde gestorven,

  zodat uit Jezus' verrijzenis leeft

  wie door de doop zich in g'loof aan Hem geeft

  Alleluia, onze Heer,

  Alleluia, Hem zij eer!

3

  Vader, wil allen genadig aanhoren

  die in de doop tot uw kind zijn herboren;

  roep door uw Zoon ons tot U en de Geest

  samen op 't eeuwig verrijzenisfeest.

  Alleluia, onze Heer,

  Alleluia, Hem zij eer!

---

*377

#3

1

  REFREIN:

  Heer God van vrede, liefde en gerechtigheid

  U zij onze lof en ere tot in eeuwigheid.

 

  Hij die kwam als mens op aarde,

  vriend tot in de dood,

  die zichzelf om ons niet spaarde,

  ons zijn leven bood. REFR:

2

  Leid ons aan uw hand door 't leven

  breek voor ons uw Brood,

  wil uw liefde aan ons geven,

  sterk ons in alle nood. REFR:

3

  Als ik, zwakke mens moet sterven,

  eenzaam en in pijn,

  laat mij dan uw hemel erven,

  eeuwig bij U zijn. REFR:

---

*378

#4

1

  Hij ging van stad tot stad, hij sprak:

  "tot u ben ik gezonden"

  Voor zieken en gewonden

  had hij een woord, een onderdak.

 

  Refr.

  Alles heeft hij welgedaan.

  Tot wie zou ik anders gaan.

2

  Hij gaf aan blinden het gezicht,

  De nacht heeft Hij verdreven,

  Gaf doden weer het leven,

  Waar Hij voorbijging werd het licht.

  Refr.

3

  Daags voordat Hij gestorven is

  heeft Hij het brood genomen:

  "Hiertoe ben ik gekomen,

  doet dit tot mijn gedachtenis,"

  REFR.

4

  En alwie Jezus' naam belijdt

  zal wonderen verrichten

  en als een lamp verlichten

  de lange gang van onze tijd.

---

*379

#10

1

  Hier is een stad gebouwd

  overal om ons heen,

  huizen en bomen en

  mensen van licht en steen.

  huizen en bomen en

  mensen van licht en steen.

2

  Huizen van vrede voor

  mensen van vlees en bloed.

  Veilig onveilig, zo

  leven zij bitterzoet.

3

  Overal haast en ver-

  keer dat geen richting heeft

  wolken lawaai als een

  vuur dat geen warmte geeft

4

  Woorden gaan over en

  weer, waar de mensen zijn.

  Woorden zijn lief en leed

  rouw en geboortepijn.

5

  ledereen wil wel een

  ander, maar weet niet hoe.

  ledereen gaat zo zijn

  weg, wie weet waar naar toe.

6

  Mensen gaan twee aan twee,

  overvloed en woestijn.

  Zoeken een woning en

  willen geborgen zijn.

7

  Een stad is man en vrouw

  opstaan en slapen gaan,

  mensen die dagelijks

  doodgaan en voortbestaan.

8

  Leven is liefde doen,

  gaan in het oude spoor.

  mensen zijn ouder en kind

  en dat gaat maar door.

9

  Leven is overal

  tussen fabriek en flat,

  bloemen en kinderspel,

  licht op muziek gezet.

10

  Is er een stad zonder

  dood zonder duisternis?

  Komt er een stad waar de

  zon niet meer nodig is?

---

*380

#3

1

  Jeruzalem, mijn vaderstad,

  mijn moederhuis, wanneer

  zal ik u zien zoals gij zijt:

  de bruid van onze Heer.

  Daar is geen pijn en geen verdriet,

  geen afgunst en geen nijd,

  en angst en armoe zijn er niet,

  maar altijd vrolijkheid.

2

  God geve, mij, Jeruzalem,

  dat ik eens op een dag

  een pelgrim aan uw poorten ben

  en dat ik binnen mag.

  De negers met hun loftrompet,

  de joden met hun ster:

  de laatste is de eerste hier,

  al kwam hij ook van ver.

3

  Van alle kanten komen zij

  de lange lanen door;

  het is een eindeloze rij:

  de kinderen gaan voor.

  Jeruzalem, mijn vaderstad,

  mijn moederhuis, wanneer

  zal ik u zien zoals gij zijt:

  de bruid van onze Heer.

---

*381

#6

1

  Ik ben de wijnstok,

  mijn Vader de wijngaardenier;

  Gij zijt de ranken,

  dus blijft in Mij,

  Ik blijf in u,

  dan vindt Hij vruchten hier.

2

  Zingt voor de Vader, de wijngaardenier,

  dus blijft in Mij, Ik blijf in u,

  dan vindt Hij vruchten hier.

3

  Ranken onvruchtbaar,

  die snijdt Hij af, die werpt Hij weg;

  zij moeten branden.

  Dus blijft in Mij,

  Ik blijf in u,

  't Is waarheid wat Ik zeg.

4

  Zingt voor de Zoon, want zijn woord is uw weg,

  Dus blijft in mij, Ik blijf in u,

  't is waarheid wat Ik zeg.

5

  Laat dan mijn woorden

  uw waarheid en uw leven zijn;

  blijft in mijn liefde,

  zoals Ik in

  de Vader blijf

  gij zult vol vreugde zijn.

6

  Bidt om de Geest, om het brood en de wijn,

  en al wat gij de Vader vraagt,

  zal u gegeven zijn.

---

*382

#6

1

  Allen:

  Neemt Gods woord met hart en mond,

  eet en drinkt zijn nieuw verbond,

  gedenkt uw Heer tot dat Hij wederkomt.

2

  Koor:

  Gij hebt ons toegesproken tot in de diepste nood.

  Uw lichaam werd gebroken, uw vlees is waarlijk brood.

3

  Waar velen zijn gestorven

  hebt Gij ons honderdvoud

  een nieuw bestaan verworven

  Gij zijt ons lijfsbehoud.

4

  Gij roept ons uit de zonde,

  Gij maakt ons brood en wijn,

  om met elkaar verbonden

  opnieuw uw volk te zijn.      (refrein)

5

  O lichaam ons gegeven

  o Heer van ons bestaan

  geef dat wij van U leven

  en niet verloren gaan.

6

  Heer, God hier in ons midden,

  maak uw belofte waar.

  Nu laat uw woord geschieden

  en schenk ons aan elkaar.     (refrein)

---

*383

#3

1

  Looft uwen God, alle tongen en talen!

  't Ene geslacht moet aan 't ander herhalen;

  Christus, de Redder, die 't won op de dood,

  Blijft onder ons in de schaduw van brood:

  Alleluja! God is groot!

  Alleluja! God is groot!

2

  Roemt uw Verlosser! Alom in de landen

  Biedt Hij den Vader zijn Kruisofferande,

  't Hoogheilig offer van Lichaam en Bloed,

  Dat alle schuld van de mensen vol doet:

  Alleluja! God is goed!

  Alleluja! God is goed!

3

  Nadert Uw Heiland en komt voor Hem knielen,

  Vorsten en volken, gezegende zielen;

  Komt, want dit Manna biedt hulp in de nood,

  Sterkte in de strijd en behoud in de dood:

  Alleluja! God is groot!

  Alleluja! God is groot!

---

*384

#7

1

  Nu gaan de bloemen nog dood.

  Nu gaat de zon nog onder.

  ooit gebeurt er een wonder,

  niemand kan zonder brood.

2

  Refrein:

  Stil maar wacht maar, alles wordt nieuw.

  De hemel en de aarde.

  Stil maar wacht maar, alles wordt nieuw.

  De hemel en de aarde.

3

  Nu ben je soms nog alleen.

  Nu moet je soms nog huilen.

  En als je weg wilt schuilen,

  kun je haast nergens heen.

  Refrein.

4

  Nu heb je nooit genoeg,

  Nu blijf je steeds iets missen,

  en in het ongewisse

  of je ooit krijgt wat je vroeg.

  Refrein.

5

  Daar is geen zon en geen maan.

  Daar zal God ons verlichten.

  Daar zullen alle gezichten

  vol van zijn heerlijkheid zijn.

  Refrein.

6

  Daar is geen dorst of verdriet.

  Daar zal God ons omgeven.

  Daar is gelukkig leven.

  En het eindigt niet.

  Refrein.

7

  Zingt van de eeuwige dag.

  Zingt voor zijn komst en zeg amen.

  Zingt voor de Heer die ons samen

  daar al van eeuwigheid zag.

  Refrein.

---

*385

#4

1

  Wij treden biddend in uw licht,

  op U is onze hoop gericht,

  die alles wat op aarde leeft

  te allen tijd uw liefde geeft.

2

  God, Vader, die van eeuwigheid,

  het heil der mensen hebt bereid,

  geef dat uw alverlossend woord,

  in groot vertrouwen wordt aanhoord.

3

  God, Zoon, die door uw offerdood

  de deur naar 't leven weer ontsloot,

  wij vragen dringend altijd weer:

  bewaar ons in uw liefde, Heer.

4

  God, goede Geest van heiligheid,

  die ieder mens in liefde leidt,

  brengt allen samen en bewerk

  de eenheid van de christenkerk.

---

*386

#2

1

  God van alle mensen, redding in de nood.

  U vervult mijn wensen: leven in de dood.

  U aanhoort ons bidden, U ziet naar ons om.

  God kom in ons midden, kom Heer Jezus kom.

  God kom in ons midden, kom Heer Jezus kom.

2

  Heer die door uw leven 't lijden overwon,

  wil de vreugde geven, die met uw dood begon.

  Luister naar ons bidden, wees voor ons tot kracht.

  Kom toch in ons midden, God die ik verwacht.

  Kom toch in ons midden, God die ik verwacht.

---

*387

#2

1

  Pelgrimstocht der mensen; veertig jaar woestijn,

  onvervulde wensen,- 't Land zal heerlijk zijn !

  Wie aanhoort ons bidden, wie ziet naar ons om ?

  God trek in ons midden; kom Heer Jezus kom.

  God trek in ons midden; kom Heer Jezus kom.

2

  Vrucht van eenzaam sterven, `t leven overwon !

  Wij gaan 't Land nu erven, God is zelf haar Zon.

  Trekkers vol vertrouwen, werpt uw last op Hem.

  God is zelf aan `t bouwen, `t nieuw Jeruzalem.

  God is zelf aan `t bouwen, `t nieuw Jeruzalem.

---

*388

#7

1

  Antifoon 1:

  Treedt aan! Zegent den Heer!

  Dankt Hem met liederen van vreugde!

2

  Antifoon 2:

  Glorie aan God, onzen Heer!

  Alleluja.

3

  JUICHT den HEER, heel de AARde,

  DIENT den HEER in VREUGde,

  treedt JUIchend VOOR zijn AANschijn.

4

  BeDENKT: de HEER alleen is GOD:

  Hij MAAKte ons, wij HOren Hem TOE,

  zijn VOLK, de KUDde die Hij WEIDT.

5

  Treedt JUIchend zijn POORten BINnen,

  zijn VOORhof met een FEEStelijk LIED,

  beLIJDT Hem en ZEgent zijn NAAM.

6

  JA, de HEER is GOED.

  Ja, EEUwig DUURT zijn geNAde:

  Van geSLACHT op geSLACHT zijn TROUW.

7

  GLOrie aan den VAder alMACHtig,

  aan zijn ZOON Jezus CHRIStus, den HEER,

  aan den GEEST, die WOONT in ons HART.

---

*389

#1

1

  Niemand leeft voor zichzelf

  niemand sterft voor zichzelf.

  Wij leven en sterven voor God onze Heer

  aan Hem behoren wij toe!

---

*390

#2

1

  U, Heer, zij lof gebracht,

  U klinkt ons feestlied ter ere!

  Wat Gij, Almachtige,

  veilig behoudt komt U eren!

  Al wat God geeft,

  alles wat ademt en leeft, wil U,

  zijn Oorsprong, vereren.

2

  Wie in Uw liefde woont,

  heiligen, engelenkoren,

  wie aan Uw rechter hand neerzit,

  in liefde herboren,

  Zingt duizend maal,

  zingt het hoog heilig koraal:

  Heilig is God in den hoge!

---

*391

#3

1

  Uit de landen en de steden

  Zijn de duizenden getreden

  Rondom Jezus' koningstroon.

  Broeders, een in het geloven,

  Willen wij verenigd loven

  't Liefdewonder van Gods Zoon,   (bis)

2

  Jezus, hoor uw volgelingen

  Blijd' en fier 't hosanna zingen,

  Waar Gij in ons midden woont;

  Wij geloven en belijden

  Dat Gij tot het eind der tijden,

  Koning, op het altaar troont.   (bis)

3

  Christus, Gij zult triomferen

  Gij zult heersen en regeren,

  Eeuwig in uw koningsmacht.

  Laat de vreed' op aarde dalen,

  Laat uw liefdezon bestralen

  Heel het menselijk geslacht.   (bis)

---

*392

#5

1

  Uit uw hemel zonder grenzen

  komt Gijn tastend aan het licht

  met een naam en een gezicht

  even weerloos als wij mensen.

2

  Als een kind zijt Gij gekomen,

  als een schaduw die verblindt,

  onnaspeurbaar als de wind

  die voorbijgaat in de bomen.

3

  Als een vuur zijt Gij verschenen,

  als een ster gaat Gij ons voor,

  in den vreemde wijst uw spoor,

  in de dood zijt Gij verdwenen.

4

  Als een bron zijt Gij begraven,

  als een mens in de woestijn.

  Zal er ooit een ander zijn,

  ooit nog vrede hier op aarde?

5

  Als een woord zijt Gij gegeven,

  als een nacht van hoop en vrees,

  als een pijn die ons geneest,

  als een nieuw begin van leven.

---

*393

#9

1

  Wat was mijn vreugde groot

  toen mij de boodschap klonk:

  Wij gaan tezamen op,

  waar God hoogheilig woont.

2

  Heil u, Jerusalem,

  Jahweh's vredestad.

3

  En nu betreden wij

  uw poort en heiligdom,

  het hart van vreugd vervuld

  om u, Jeruzalem.

4

  Hoe staat ge daar gebouwd,

  hoe sterk thans en geducht,

  het al tot een geheel

  verbonden in een stad.

5

  Alleen naar deze berg,

  naar hier komt opgegaan

  het volk van Israel,

  al wie tot Jahweh hoort.

6

  Ter beevaart komt het volk

  naar Jahwehs woord en wet;

  zijn loflied klinkt alom:

  gezegend zij zijn Naam.

7

  Hier blijft de zetel staan,

  die raad en recht verschaft,

  de zetel en 't beleid

  van Davids Koningshuis.

8

  In liefde voor mijn volk,

  mijn vrienden en mijn broers,

  'k wil wensen telkens weer:

  de vrede over u.

9

  In liefde voor mijn God,

  in liefde voor Gods huis,

  bid ik voor u om heil,

  Gods heil, uw heerlijk deel.

---

*394

#1

1

  Mijn schild ende betrouwen

  zijt Gij o God, mijn Heer,

  op U zo wil ik bouwen,

  verlaat mij nimmermeer.

  Dat ik toch vroom mag blijven,

  uw dienaar 't allen stond,

  de tirannie verdrijven,

  die mij mijn hart doorwondt.

---

*395

#6

1

  Refrein:

  Want mij herder is de Heer:

  nooit zal er mij iets ontbreken.

 

  Mijn herder is de Heer:

  het ontbreekt mij aan niets.

  Hij legt mij in grazige weiden,

  Hij geeft rust aan mijn ziel,

  Hij leidt mij naar rustige waat'ren

  om mijn ziel te verkwikken.

2

  Hij leidt mij in het rechte spoor

  omwille van zijn Naam.

  Al moet ik door donkere dalen

  ik vrees geen kwaad.

  Uw staf en uw stok zijn mijn troost,

  Gij zijt steeds bij mij.

3

  Gij bereidt voor mij een tafel

  voor het oog van mijn vijand.

  Gij zalft met olie mijn hoofd

  en mijn beker vloeit over.

4

  Mij volgen uw heil en uw mildheid

  al de dagen van mijn leven.

  In het huis van mijn Heer wil ik wonen

  tot in lengte van dagen.

5

  Glorie aan de Vader en de Zoon

  en de heilige Geest,

  die is en die was en die komt,

  in de eeuwen der eeuwen.

6

  Antifoon 2:

  In zijn grazige weiden

  geeft Hij rust aan mijn ziel.

---

*396

#4

1

  refrein:

  Zingt een nieuw lied, alle landen.

  Zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.

 

  Zingt een nieuw lied voor de Heer, alle landen.

  Zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.

  Treedt in zijn tempel met uw offeranden,

  kondigt zijn roem bij de heidenen aan. refr.:

2

  Groot is de Heer, die wij vrezen en prijzen.

  Aarde en lucht komen vers uit zijn hand,

  schoonheid en kracht vergezellen Hem beide:

  wild is de zee en tevreden het land. refr.:

3

  Roept tot de volkeren: God is de Koning,

  Hij houdt de weegschaal der wereld loodrecht,

  Hij is rechtvaardig, bij Hem is het oordeel,

  alles wordt Hem aan zijn voeten gelegd. refr.:

4

  Juicht wat in zee leeft, of leeft op de velden:

  ziet, uw Verlosser gaat komen, weest blij!

  Wuift alle bomen der wouden, verwelkomt

  juichend uw Koning, want Hij is nabij! refr.:

---

*397

#4

1

  Antifoon:

  Heel de aarde jubelt en juicht voor de Heer,

  alleluia, alleluia!

 

  Ja, heel de aarde moet god wel prijzen,

  loven zijn machtig beleid,

  omdat Hij steeds op wondere wijze

  alles bestuurt in gerechtigheid.            Antifoon

2

  Ja, God is goed, schenkt ons zijn zegen;

  toont ons zijn aanschijn van licht,

  Hij gaat ons voor op alle wegen,

  heeft uit de zonde ons opgericht.           Antifoon

3

  Hij is de God, die ons verblijdde,

  die onze nood heeft verstaan;

  die ons een hemels Paasmaal bereidde

  en zonder vrees door de wereld laat gaan.   Antifoon

4

  Laat alle volken uw almacht vrezen,

  aller lof zij U gewijd,

  laat Heer, uw Naam bezongen wezen,

  in aller eeuwen eeuwigheid.                 Antifoon

---

*398

#4

1

  Zingt God de Heer,

  de almachtige Koning ter ere,

  Hij zal zijn Volk

  in liefde regeren,

  laat ons tezaam prijzen Zijn heilige Naam

  nooit zal de vijand ons deren.

2

  Looft God de Heer, die barmhartig

  ons leidt alle dagen,

  die ons op adelaarswieken

  ten hemel zal dragen,

  en die behoudt ieder, die op Hem vertrouwt,

  in alle tijden en plagen.

3

  Dank aan de Herder, die zorgzaam

  en wijs ons wil leiden,

  die ons gezondheid geeft, vriendschap

  en gunstige tijden

  in alle nood biedt Hij ons daag'lijks zijn Brood

  en schenkt ons kracht om te strijden.

4

  Voor U, Drieene God, zingen

  wij dankbaar tezamen

  heel het heelal brenge eer aan

  uw heilige Name,

  engelen Gods, buigt u voor Hem, onze rots,

  die ons standvastig maakt. Amen.

---

*399

#4

1

  Zingt voor de Heer van liefde en trouw,

  die onder ons verblijven wou.

  Zingt als het gras dat dankt voor dauw:

  Alleluia, alleluia.

2

  Zingt voor het heilig hemels brood,

  dat ons versterkt in alle nood,

  dat ons doet leven na de dood;

  Alleluia, alleluia.

3

  Zingt voor de liefde die ons bindt,

  die in ons hoofd haar woning vindt,

  die in ons hart haar rijk begint;

  Alleluia, alleluia.

4

  Zingt voor het heil dat komen gaat;

  zingt voor de deur die open staat

  zingt voor de God die zingen laat;

  Alleluia, alleluia.

---

*400

#4

1

  Zoals de mensen leven

  doen vogels niet.

  Die schuilen in de bomen

  en vluchten in hun lied.

  Die zaaien niet maar dromen

  en de dood is hun verschiet.

2

  Zoals het water stroomt, zo

  doen de mensen niet.

  Het water stroomt maar verder

  en dorsten doet het niet.

  Zo vluchtig en zo wijd als water

  zijn de mensen niet.

3

  Zo oud en wijs als mensen

  zijn de muren niet.

  Die kraken in hun voegen

  maar hebben geen verdriet.

  De mensen moeten zwoegen

  en dat doen de stenen niet.

4

  Zoals de bomen vallen

  vallen mensen niet.

  De mensen dragen woorden,

  herleven in hun lied.

  De bomen zullen sterven

  maar zo sterven mensen niet.

---

*401

#5

1

  Zolang er mensen zijn op aarde,

  zolang de aarde vruchten geeft,

  zolang zijt Gij ons aller vader;

  Wij danken U voor al wat leeft

2

  Zolang de mensen woorden spreken,

  zolang wij voor elkaar bestaan,

  zolang zult Gij ons niet ontbreken:

  wij danken U in Jezus' Naam.

3

  Gij voedt de vogels in de bomen,

  Gij kleedt de bloemen op het veld,

  o Heer, Gij zijt mijn onderkomen,

  en al mijn dagen zijn geteld.

4

  Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven,

  Gij redt de wereld van de dood.

  Gij hebt uw Zoon aan ons gegeven,

  zijn lichaam is het levend brood.

5

  Daarom moet alles U aanbidden,

  uw liefde heeft het voortgebracht.

  Vader, Gij zelf zijt in ons midden.

  O Heer, wij zijn van uw geslacht.

---

*402

#4

1

  Eens als de bazuinen klinken

  uit de hoogte links en rechts

  duizend stemmen ons omringen

  Ja en Amen wordt gezegd,

  rest er niets meer dan te zingen,

  Heer, dan is uw pleit beslecht.

2

  Scheurt het voorhang van de wolken,

  wordt uw aangezicht onthuld,

  vaart de tijding door de volken

  dat Gij alles richten zult:

  Heer, dan is de dood verzwolgen,

  want de Schriften zijn vervuld.

3

  Mensen, komt uw lot te boven,

  wacht na dit een ander uur;

  gij moet op een wonder hopen

  dat gij oplaait als een vuur,

  want de Geest zal ons bestoken:

  nieuw wordt alle creatuur.

4

  Van die dag kan niemand weten,

  maar het woord drijft aan tot spoed.

  Zouden wij niet haastig eten,

  gaandeweg Hem tegemoet?

  Jezus Christus, gisteren heden,

  komt voor eens en komt voorgoed.

---

*403

#9

1

  De vrijheid is voor de mensen

  de vrijheid bestaat in taal

  De vrijheid is voor de mensen

  wij spreken elkander toe.

2

  met vogels valt niet te praten

  de maan is koud als een vis

  met vogels valt niet te praten

  zon is een zwijgzaamheid.

3

  maar mensen worden geroepen

  elk aan zijn eigen naam

  maar mensen worden geroepen

  terzake van ja en nee

4

  er zijn er niet veel die zeggen

  wij delen dezelfde tijd

  er zijn er niet veel die zeggen

  wij breken hetzelfde brood.

5

  de meesten willen alleen maar

  een uurlang hetzelfde bed

  de meesten willen alleen maar

  een uur lang elkaar te lijf

6

  zij zeggen mijn brood en mijn adem

  zij slikken de woorden in

  zij zeggen mijn brood en mijn adem

  zij eten en slapen alleen

7

  Ik heb in mijzelf gesproken

  ik ademde enkelvoud

  Ik heb in mijzelf gesproken

  en nu zijn de anderen dood.

8

  want vrijheid is voor de mensen

  wat lucht voor de vogels is

  en vrijheid is voor de mensen

  wat water is voor een vis

9

  en vrijheid bestaat in woorden

  die brood geworden zijn

  stemmen die zijn gebroken

  en bloed dat is vergoten

  de vrijheid smaakt naar pijn.

---

*404

#3

1

  Zomaar een dak boven wat hoofden

  deur die naar stilte open staat.

  Muren van huid, ramen als ogen

  speurend naar hoop en dageraad.

  Huis dat een levend lichaam wordt

  als wij er binnen gaan

  om recht voor God te staan.

2

  Woorden van ver, vallende sterren

  vonken verleden hier gezaaid.

  Namen voor Hem, dromen, signalen

  diep uit de wereld aangewaaid.

  Monden van aarde horen en zien,

  onthouden, spreken voort

  Gods vrij en lichtend woord.

3

  Tafel van Een, brood om te weten

  dat wij elkaar gegeven zijn.

  Wonder van God, mensen in vrede,

  oud en vergeten nieuw geheim.

  Breken en delen, zijn wat niet kan

  doen wat ondenkbaar is,

  dood en verrijzenis.

---

*405

#2

1

  Ik heb mijn hart tot U geheven,

  Heer, al mijn hoop zijt Gij.

  Ik weet: Gij zult mij niet begeven:

  mijn Heiland is nabij.

  Al ligt de wereld diep verduisterd,

  al drukt de grauwe tijd,

  mijn hart heeft met geloof geluisterd,

  mijn hart heeft zekerheid.

2

  Mijn hart weet, dat ons oud verlangen

  Weldra vervulling vindt.

  Het eeuwig licht is reeds ontvangen,

  de Maagd verwacht haar Kind.

  Vergeef Heer, al mijn slechte daden,

  zet recht mijn dwarse voet,

  en leer mij lopen langs uw paden

  mijn Heiland tegemoet.

---

*406

#6

1

  De Heer richt op zijn berg een maaltijd aan,

  van spijs en merg, van uitgelezen wijnen;

  van heind' en ver zal men aan tafel gaan,

  de Heer is gul en goed voor al de zijnen.

2

  Gezuiverd en belegen is de wijn,

  zo rood als bloed, gerijpt tot heil en zegen;

  op deze berg zal 't feestlijk toeven zijn,

  hier lijdt de Heer ons heen langs alle wegen.

3

  Op deze berg neemt Hij de sluier weg

  waar alle volkeren mee zijn omwonden;

  de duisternis zal worden afgelegd,

  geheimen opgeklaard, boeien ontbonden.

4

  Wij treden aan het ontoeganklijk licht,

  wij volkeren, wij heidenen, wij mensen;

  wij zien het leven zelf in het gezicht,

  God haalt ons thuis van achter alle grenzen.

5

  En Hij, het leven zelf, verslindt de dood

  tot overwinning en van alle ogen

  wist Hij de tranen af. Het ochtendrood

  gaat stralend op, een opgang uit den hoge.

6

  Dit zeiden zijn profeten in zijn geest;

  de bankring van de dood zal zijn gebroken,

  de smaad van Israel wordt uitgewist;

  zo zal het gaan, want zo heeft Hij gesproken.

---

*407

#3

1

  Uit angst en nood stijgt mijn gebed.

  O Heer, wil naar mij horen!

  Wanneer Gij op ons falen let,

  zijn wij, o God verloren.

  Maar in uw eindeloos geduld

  delgt Gij de menselijke schuld

  en zegent die U vrezen.

2

  Ik hoop op God de Heer en wacht

  het woord dat Hij zal spreken.

  Al loopt het naar de middernacht,

  ik volg zijn heilig teken.

  Mijn hart is in d donkerheid

  een wachter die het licht verbeidt,

  een wachter op de morgen.

3

  Hoop, Israel, op God de Heer

  die rijk is aan genade.

  Want Hij verlaat u nimmermeer,

  al kiest gij ook ten kwade.

  Hij leidt u door de woestenij

  en maakt gans Israel eens vrij

  van ongerechtigheden.

---

*408

#6

1

  Een zaaier ging uit om te zaaien,

  hij zaaide zo wijd als de wind,

  zo wijd als de winden waaien

  waar niemand een spoor van vindt.

2

  Een deel van het zaad ging verloren,

  een deel van het zaad werd brood,

  maar niemand weet van te voren

  de weg van het zaad in de schoot.

3

  Het wordt op de wegen vertreden,

  het valt in een vruchteloos graf,

  het sterft aan de doornen beneden,

  de vogels van boven af.

4

  De lage, de hoge gevaren

  bedreigen het kiemende graan,

  maar soms kan het openbaren

  de zin van het aardse bestaan.

5

  Er is geen verwachting van leven,

  tenzij in de dood van het zaad,

  wij moeten de aarde vergeven

  dat zij ons sterven laat.

6

  O Zaaier, ga uit om te zaaien

  de kiem waaruit leven ontstond,

  zo wijd als de winden waaien

  en maak ons tot moedergrond!

---

*409

#3

1

  Gij zijt voorbijgegaan,

  een steekvlam in de nacht.

  De vonken van uw naam

  zijn ogen in ons hart.

  In flarden hangt uw woord

  om onze wereld heen,

  wij leven in U voort,

  wij zijn_met U bekleed.

2

  Gij zijt voorbijgegaan,

  een voetspoor in de zee.

  Gij zijt te ver gegaan,

  Gij zijt een mens te veel.

  Gij zijt voorgoed, Gij zijt

  verborgen in uw God.

  Geen stilte spreekt U uit,

  ondenkbaar is uw dood.

3

  Gij zijt voorbijgegaan,

  een vreemd bekend gezicht,

  een stuk van ons bestaan,

  een vriend, een spoor van licht.

  Uw licht is in mijn bloed,

  mijn lichaam is uw dag,

  ik hoop U tegemoet

  zolang ik leven mag.

---

*410

#8

1

  Kwam van Godswege

  een man in ons bestaan,

  een stem om te getuigen,

  Johannes was zijn naam.

   Man van Godswege,

   Johannes was zijn naam.

2

  Zo staat geschreven:

  de heuvel moet geslecht,

  geen kwaad mag zijn bedreven,

  maak alle paden recht

   Zo staat geschreven:

   maak alle paden recht

3

  Doper, wat liep je

  in kemelharen pij,

  als een profeet, wat riep je

  daar in die woestenij?

   Doper, wat riep je

   daar in die woestenij?

4

  'Dat wij omkeren,

  verlaten ons domein,

  beleven 't woord des Heren

  en niet weerbarstig zijn.'

   Dat wij omkeren

   en niet weerbarstig zijn.

5

  Doper, wat moeten

  wij doen totdat Hij komt?

  'In hoop en vrees doet boete,

  gelooft in zijn verbond.'

   Doper, wat moeten

   wij doen totdat Hij komt?

6

  'Deelt met elkander

  het brood van alledag,

  opdat in u de ander

  Gods heil aanschouwen mag.'

   Deelt met elkander

   het brood van deze dag.

7

  Volk uitentreure

  gezeten in de nacht;

  Gods woord zal u gebeuren

  zolang gij Hem verwacht

   Sta te gebeuren,

   kom, woord, in onze nacht.

8

  Volk uitverkoren

  om in het licht te gaan:

  een kind wordt u geboren

  Messias is zijn naam.

   Kind ons geboren

   jouw licht zal met ons gaan.

---

*411

#3

1

  Wat altijd is geweest,

  het waaien van de geest

  gebeurt aan ons vandaag.

  Dat vuur van het begin

  wij ademen het in,

  Gods woord dat antwoord vraagt.

  Die in de stilte sprak,

  het noodlot onderbrak

  en nieuwe wegen baande,

  Hij is nog niet verstomd

  Hij zwaait ons toe en komt

  en zegt Ik ben uw Vader.

2

  Het meeste gaat voorbij

  maar meer en meer wordt Hij

  de toekomst die ons wacht.

  Bij hem is geen verraad

  Hij zelf heeft ons gemaakt,

  zijn oog is in ons hart.

  Wij leven zijn bestaan,

  zijn ongekende naam

  aanschouwen wij van verre.

  Zijn zwijgen is van goud

  zijn woord is ons behoud

  in leven en in sterven.

3

  Als alles is volbracht

  zal Hij voor ons een stad

  van brood en spelen zijn.

  De stok die ons regeert,

  de dood zal zijn gekeerd,

  wij zullen mensen zijn.

  Hij geeft een nieuw gezicht

  aan duisternis en licht

  aan alles wat wij deden.

  Hij maakt zijn woorden waar,

  wij spreken met elkaar

  een taal van hoop en vrede.

---

*412

#4

1

  Zingt een nieuw lied voor God de Here

  en weest van harte zeer verblijd.

  God wil alhier met ons verkeren,

  hier wordt een huis voor Hem bereid.

  Hij heeft de hand

  en het verstand

  gezegend voor het werk,

  de bouw van Christus' kerk.

2

  Kinderen van eenzelfde Vader,

  komt nu tesaam van zuid en noord.

  Van oost en west treden wij nader

  tot dit welaangename oord.

  Kracht van de jeugd,

  breng nu verheugd

  de stenen bij elkaar.

  God helpt u wonderbaar.

3

  God wil aan ons telkens weer tonen

  dat Hij genadig is en trouw.

  Dat Hij met ons samen wil wonen,

  geeft ons de moed voor dit gebouw.

  Maar niet met steen

  en hout alleen

  is 't grote werk gedaan.

  't Zal om onszelve gaan.

4

  De Heilge Geest geeft taal en teken.

  Christus deelt al zijn gaven uit.

  De Vader zelf wil tot ons spreken

  en elk verstaat wat het beduidt.

  Wees ons nabij

  en maak ons vrij

  in dit uw heiligdom.

  Kom, Here Jezus, kom!

---

*413

#2

1

  Nu nog met halve woorden, hier en daar,

  kijkend in donk're spiegels, bijna waar,

  blijven wij vreemden die zien en weer vergeten,

  doen in den blinde wat moet, maar ongeweten.

  Dan, eenmaal, wordt, wat niet bestaat:

  wij zullen open gaan,

  en zien en horen, oog in oog,

  van mens tot mens verstaan.

2

  Weten voorbij aan alle angst en schijn,

  en liefde, liefde zal geen woord meer zijn.

  Lichaam en zwijgen genoeg, en onze namen

  rusten in licht als leeuw en lam tesamen.

  Nu nog verslaafd, dan waar en vrij,

  ontketend, onverbloemd.

  Nu nog in tranen, dan getroost

  en met mijzelf verzoend.

---

*414

#3

1

  Uit vuur en ijzer, zuur en zout,

  zo wijd als licht, zo eeuwen oud,

  uit alles wordt een mens gebouwd

  en steeds opnieuw geboren.

  Om ijzer in vuur te zijn,

  om zout en zoet en zuur te zijn,

  om mens voor een mens te zijn

  wordt alleman geboren.

2

  Om water voor de zee te zijn,

  om anderman een woord te zijn,

  om niemand weet hoe groot en klein,

  (- gezocht, gekend, verloren -)

  om vanavond en morgenland,

  om hier te zijn en overkant,

  om hand in een andre hand,

  om niet te zijn verloren.

3

  Om oud en wijs als licht te zijn,

  om lippen, water, dorst te zijn,

  om alles en om niets te zijn,

  gaat iemand tot een ander.

  Naar verte die niemand weet,

  door vuur dat mensen samensmeedt,

  om leven in lief en leed

  gaan mensen tot elkander.

---

*415

#2

1

  Onze Vader in de hemel, maak alle nieuw.

  Geef uw naam aan onze wereld, maak alle nieuw.

  Breng uw koninkrijk tot leven, maak alle nieuw.

  Wees de hemel, wees de aarde, maak alle nieuw.

2

  Geef het brood in onze dagen, maak alle nieuw.

  En vergeef ons onze schulden, maak alle nieuw.

  Laat ook ons elkaar vergeven, maak alle nieuw.

  God verlos ons van het kwade,, maak alle nieuw.

---

*416

#8

1

  Ergens komt een kind vandaan,

  van ver, van buiten zonder naam;

  het is nog niemand, spreekt geen woord

  heeft van de dood nog niet gehoord,

  het huilt nog van geboortepijn

  en weet niet wie het ooit zal zijn.

2

  Dan roepen mensen jij jij jij,

  woon hier bij ons, woon hier bij mij,

  de wereld wordt een huis voor jou

  en liefde maakt een mens van jou.

  Dan geven wij elkaar een naam:

  iemand niemand,

  kind van mensen ben jij voortaan.

3

  Ergens moet een mens toch heen,

  hij gaat zijn eigen weg alleen,

  en zoekt of in de wildernis

  een bron van levend water is,

  en luistert of een woord bestaat

  waarin zijn toekomst opengaat.

4

  Dan roepen mensen jij jij jij,

  woon hier bij ons, woon hier bij mij,

  het water is een bron voor jou,

  de toekomst heeft een woord voor jou.

  Dan vindt een mens zijn eigen naam:

  iemand niemand, dorst en water,

  kind van mensen ben jij voortaan.

5

  Niemand weet waartoe hij leeft,

  waarom hij hart en handen heeft;

  er is geen daarom, eens voorgoed,

  maar enkel adem, vlees en bloed.

  Zo leeft een mens tot in de dood

  onooglijk klein, onzichtbaar groot.

6

  Dan roepen mensen jij jij jij

  wees hart en hand en mens voor mij,

  wees waarom daarom groot of klein

  de mens die jij alleen moet zijn.

  Zo leeft een mens van naam tot naam:

  iemand niemand,

  dorst en water, vriend en vreemde,

  kind van mensen ben jij voortaan.

7

  Niemand weet wat leven is,

  alleen dat het gegeven is,

  van vuilnisbelt tot gouden troon,

  aan vluchteling en koningszoon.

  Wie leeft die maakt zijn eigen lied

  en wie niet leeft verstaat het niet.

8

  Laat ze maar roepen jij jij jij,

  wie leven wil die zingt zich vrij,

  wie leeft die maakt zijn eigen lied

  en wie niet leeft verstaat het niet

  Zo zingen wij elkanders naam:

  Iemand niemand, dorst en water,

  vriend en vreemde, dood en leven,

  mensen, mensen zijn wij voortaan.

---

*417

#3

1

  Wie in de schaduw Gods mag wonen,

  hij zal niet sterven in de dood.

  Wie bij Hem zoekt naar onderkomen

  vindt eenmaal vrede als zijn brood.

  God legt zijn vleugels van genade

  beschermend om hem heen als vriend.

  En Hij verlost hem van het kwade,

  opdat hij eens geluk zal zien.

2

  Engelen zendt Hij alle dagen

  om hem tot vaste gids te zijn.

  Zij zullen hem op handen dragen

  door een woestijn van hoop en pijn.

  Geen vrees of onheil doet hem beven,

  geen ziekte waar een mens van breekt,

  Lengte van dagen zal God geven,

  rust aan een koele waterbeek.

3

  Hem zal de nacht niet overvallen

  zijn dagen houden eeuwig stand.

  Duizenden doden kunnen vallen

  hij blijft geschreven in Gods hand.

  God legt zijn schild op zijn getrouwen

  die leven van geloof alleen.

  Hij zal een nieuwe hemel bouwen

  van liefde om zijn tranen heen.

---

*418

#6

1

  Waar blijft U met uw wonderen, met uw almachtige wil,

  uw bliksem en uw donderen, waarom blijven ze stil?

2

  De wereld is vol armen, die bedelen om brood,

  ze roepen om erbarmen en van honger gaan ze dood.

3

  De wereld is vol rijken, ze zwemmen in 't geld,

  hun macht kent geen gelijke en nog minder hun geweld.

4

  De wereld is vol wapens, vol haat, vol dreigement,

  geen mens kan rustig slapen als hij al die feiten kent.

5

  De wereld is vol wanhoop en uitzichtloos bestaan,

  elk geeft een ander antwoord op de vraag waarheen we gaan.

6

  De meesten zijn tevreden ze hebben nat en droog,

  zijn vetgemest in 't heden en zij hebben niets op 't oog.

---

*419

#6

1

  Door drooggewaaide zeeen, opgejaagd volk van God,

  bedreigd door zon en sterren, 'n onzeker daaglijks lot.

2

  Refrein:

  Emigranten naar de verte, naar 'n land door God gemaakt:

  wat alle harten wensen, dat zijn wij mensen waard.

3

  Door dichtgegroeide tijden, vastgeroest achterland,

  geen God, geen zon, geen koning, alle vuren uitgebrand.

4

  De wond'ren zijn je schepen, bliksemlicht is je vlag,

  je oogopslag het teken, op de dag die op u wacht.

5

  Het wordt ons aangeboden, iedereen brood en wijn,

  we zijn bedoeld als goden, en dat zullen we eens zijn.

6

  Een is er al verrezen, opgestaan woont Hij daar,

  geen mens hoeft meer te vrezen, want 't wonder is al waar.

---

*420

#8

1

  Koor:

  Alleluia.

2

  Allen:

  Alleluia. Alleluia.

3

  Koor:

  Gods woord ligt niet in de hemel,

  ligt niet aan de overkant van de zee:

  Gods woord is heel dichtbij.

4

  Allen:

  Gods woord is heel dichtbij.

5

  Koor:

  Het ligt in uw mond, het ligt in uw hart

  zodat ge het ook kunt volbrengen.

  Gods woord is heel dichtbij.

6

  Allen:

  Gods woord is heel dichtbij.

7

  Koor:

  Alleluia.

8

  Allen:

  Alleluia. Alleluia.

---

*421

#5

1

  In diepe nacht ben ik gegaan.

  Ik zocht in alle straten.

  Mijn vriend is van mij heengegaan,

  mijn God heeft mij verlaten.

2

  Ik zocht hem en ik vond hem niet

  och wachters op uw ronde,

  o aarde, hebt gij uw God gezien?

  Toen heeft hij mij gevonden.

3

  Ik bracht hem in mijn moeders huis

  en waar ik ben geboren.

  Ik zal mijn naam vernemen daar.

  Ik ga in hem verloren.

4

  - Liefde is droever dan de dood,

  o lichaam, goedertieren,

  geen taal verstaat haar wonder groot

  verblindend zijn uw vuren.

5

  Wek niet de liefde voor haar tijd,

  die dorst zal u verteren,

  geen water blust de liefde uit,

  haar roep is niet te keren.

---

*422

#3

1

  Jij die voor alle namen wijkt

  geen weg die in jouw verte reikt

  geen woord kan jou aanbidden.

  Jij die niet hoog verheven troont

  licht dat in nacht en wolken woont

  een dode in ons midden.

  Jij komt, wij weten dag noch uur

  jij gaat voorbij, een dovend vuur

  een stilte in de bomen.

  Roepend van ver, stem van dichtbij

  niet overal niet hier ben jij

  niet god die wij ons dromen.

2

  Geen veilig pad om langs te gaan

  geen plek geen been om op te staan

  geen rots om op te bouwen.

  Geen bron die uit de rotsen breekt

  geen bloed dat stuwt geen hart dat spreekt

  geen ziel om in te schouwen.

  Geen gulden regel, rond getal,

  geen laatst gericht in dit heelal

  onwrikbaar onbewogen.

  Maar mensen die verminkt en klein

  ontheemd ontkend toch mensen zijn

  roepend om mededogen.

3

  Roepende stilte, verre stem,

  als jij bestaat, besta in hen,

  in mensen in ons midden.

  Wees onbestaanbaar ongehoord,

  besta in mij, onvindbaar woord

  niet god die wij aanbidden.

  Jij die mij kent, jij die mij boeit

  ik die jou jij noem onvermoeid,

  en nog niet kan vergeten,

  zouden wij ik-en-niemand zijn

  ontheemd ontkend ontroostbaar zijn

  en van elkaar niet weten?

---

*423

#6

1

  Broeders, die op uittocht gaat

  uit het land der slaven,

  uit die van dood en kwaad:

  wie toch zal u laven?

 

  Refrein:

  Heer, die met ons gaat,

  't water uit de rotsen slaat,

  (Heer, Gij zult ons laven.)

2

  't Volk dat zwerft in de woestijn,

  zal Hij dat verlaten?

  Zal Hij niet hun leeftocht zijn

  en hun levend water?

 

  Refrein:

  (Heer, ons levend water.)

3

  Water is het levend woord

  dat ons toe zal klinken.

  Broeders, die Gods woorden hoort,

  komt hier allen drinken.

 

  Refrein:

  (laat uw woorden klinken.)

4

  Wie Gods woord niet leven wil

  smachtend gaat verloren

  maar als God zich geven wil

  worden wij herboren.

 

  Refrein:

  (laat ons niet verloren.)

5

  Wie Gods woord wil waardig zijn.

  zal tot leven komen.

  Hij wordt bron in de woestijn,

  eeuwig zal hij stromen.

 

  Refrein:

  (eeuwig zult gij komen.)

6

  Broeders, die in Hem gedoopt,

  in zijn Naam moogt gij leven,

  Jezus zal u onverhoopt

  geest en waarheid geven.

 

  Refrein:

  (schenk ons eeuwig leven.)

---

*424

#3

1

  Geen taal die hem vertaalt,

  geen lied dat bij hem haalt,

  geen god aan hem gewaagd.

  Zijn handen spelen in

  op ieder nieuw begin,

  geen ander die ons draagt.

  Die in de stilte sprak,

  het noodlot onderbrak

  en baande nieuwe wegen,

  hij is nog niet verstomd,

  hij zoekt naar ons,

  hij komt in mens na mens ons tegen.

2

  Het meeste gaat voorbij

  maar meer en meer wordt hij

  de toekomst die ons wacht.

  Bij hem is geen verraad,

  hij zelf heeft ons gemaakt,

  hij peilt en proeft ons hart.

  Wij leven maar niet echt

  zijn land van rust en recht

  aanschouwen wij van verre.

  Woestijn is om ons heen

  en allen, een voor een,

  vervreemden, vallen sterven.

3

  Als alles is volbracht

  zal hij voor ons een stad

  van brood en spelen zijn.

  De stok die ons regeert

  de bek die ons kleineert,

  de dood zal niet meer zijn.

  Doorschenen van zijn licht,

  doorschijnend in ons gezicht,

  voltooid in ons verleden.

  Wensdromen worden waar,

  wij spreken met elkaar

  een taal van hoop en vrede.

---

*425

#3

1

  Wij die met eigen ogen

  de aarde zien verscheurd,

  maar blind en onmeedogend

  ontkennen wat gebeurt :

  dat oorlog is geboden

  en vrede niet mag zijn,

  dat mensen mensen doden,

  dat wij die mensen zijn.

2

  Wij die nog mogen leven

  van hoop en vrees vervuld,

  aan machten prijs gegeven

  aan meer dan eigen schuld,

  wij die, God weet hoe verder,

  tot hier toe zijn gespaard:

  dat wij toch nooit erkennen

  het recht van vuur en zwaard.

3

  Dat wij toch niet vergeten

  waartoe wij zijn gemaakt,

  dat diep in ons geweten

  opnieuw het licht ontwaakt.

  Dat in ons wordt herschapen

  de geest die overleeft.

  Dat onze lieve aarde

  nog kans op redding heeft.

---

*426

#9

1

  Koor:

  Dit is het verbond van God met de mensen:

  Hij legt zijn woorden in mijn mond,

  Hij heeft mij geroepen, Hij heeft mij gezonden

  om aan de armen het evangelie te brengen.

2

  Koor:

  De Geest des Heren zal op mij rusten.

3

  Allen:

  De Geest des Heren zal op mij rusten.

4

  Voorzang:

  Zoals een hert reikhalst naar levend water,

  zo wil ik, God, met heel mijn wezen naar U toe,

  ik dorst naar God, de levende God.

5

  Allen:

  De Geest des Heren zal op mij rusten.

6

  Voorzang:

  Stromen van levend water, helder als kristal

  ontspringen aan de troon van God en van het Lam.

  En God de Heer zal over ons lichten.

7

  Allen:

  De Geest des Heren zal op mij rusten.

8

  Jesus heeft gezegd: stromen van levend water

  zullen opspringen uit mijn hart als Ik verheerlijkt ben.

  Het is de Geest die Ik u geven zal.

9

  Allen:

  De Geest des Heren zal op mij rusten.

---

*427

#12

1

  Koor:

  Over de mensen, over de wereld,

  over de steden die wij bevolken

  zendt Gij uw woord en wij worden geboren,

  zendt Gij uw Geest - wij worden herschapen.

2

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig

  overal op aarde.

3

  Allen:

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig

  overal op aarde.

4

  Cantor:

  Overal zijt Gij onzichtbaar gegeven,

  sprekend nabij, de stilte verwacht U.

  Mensen bestaan U, zien en beleven U.

5

  Allen:

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig

  overal op aarde.

6

  Koor:

  Mensen van vlees, van licht en gesteente,

  hard en van bloed, een vloed niet te stelpen,

  mensen uw volk, uw stad hier op aarde.

7

  Allen:

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig

  overal op aarde.

8

  Koor:

  Aarde is al wat wij zijn, wat wij maken;

  adem ons open, maak ons uw aarde,

  uw nieuwe hemel, vrede op aarde.

9

  Allen:

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig

  overal op aarde.

10

  Koor:

  Over de mensen, over de wereld,

  over ons allen die hier gekomen zijn

  zendt Gij uw woord en wij worden geboren,

  zendt Gij uw Geest - wij worden herschapen.

11

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig

  overal op aarde.

12

  Allen:

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig

  overal op aarde.

---

*428

#3

1

  Stem als een zee van mensen

  om mij, door mij heen.

  Stem van die drenkeling,

  van dat stuk wrakhout

  dat een mens blijkt

  als hij mij aankijkt.

2

  Stem die mij roept: wie ben je,

  mens waar is je broer?

  Stem die mijn vliezen breekt

  en mij bevrijdt, die

  vuur uit steen slaat,

  jij die mij ik maakt

3

  Stem die geen naam heeft nog niet,

  mensen zonder stem.

  Stem als een specht die klopt

  aan mijn gehoorbeen.

  Woord dat aanhoudt.

  God die mij vasthoudt.

---

*429

#7

1

  Het brood in de aarde gevonden

  het brood door handen gemaakt,

  het brood van tranen en zorgen,

  dat brood dat naar mensen smaakt.

2

  Het brood van oorlog en vrede,

  dat dagelijks eendere brood,

  het vreemde brood van de liefde,

  het stenen brood van de dood.

3

  Het brood dat wij duur verdienen,

  ons lichaam, ons geld, ons goed,

  het brood van ons samen leven,

  die schamele overvloed.

4

  Een oogst uit kostbare gaarden,

  de wijn die het hart verblijdt,

  de vrucht van hemel en aarde,

  een voorsmaak van eeuwigheid.

5

  De wijn die de geest betekent

  van een nieuw mensenverbond,

  de beker die ons zegent -

  de Naam van mond tot mond.

6

  Dat brood dat wij moeten eten

  om niet verloren te gaan.

  Wij delen het met elkander

  ons hele mensenbestaan.

7

  Gij deelt het met ons, zo deelt Gij

  U zelf aan ons uit voorgoed,

  een mens om nooit te vergeten,

  een God van vlees en bloed.

---

*430

#7

1

  Niet als een storm, als een vloed,

  niet als een bijl aan de wortel

  komen de woorden van God,

  niet als een schot in het hart.

2

  Maar als een glimp van de zon,

  een groene twijg in de winter,

  dorstig en hard deze grond-

  zo is het koninkrijk Gods.

3

  Stem die de stilte niet breekt,

  woord als een knecht in de wereld,

  naam zonder klank zonder macht,

  vreemdeling zonder geslacht.

4

  Kinderen, armen van geest,

  mensen gelouterd tot vrede,

  horen de naam in hun hart,

  dragen het woord in hun vlees.

5

  Blinden herkennen de hand,

  dovemansoren verstaan Hem.

  Zalig de man die gelooft,

  zalig de vrouw aan de bron.

6

  Niet in het graf van voorbij,

  niet in en tempel van dromen,

  hier in ons midden is Hij,

  hier in de schaduw der hoop.

7

  Hier in dit stervend bestaan

  wordt Hij voor ons geloofwaardig,

  worden wij mensen van God,

  liefde op leven en dood.

---

*431

#4

1

  Er is een stad voor vriend en vreemde

  diep in het bloemendal,

  er is een mens die roept om vrede

  die mens roept overal.

 

  Refrein:

  Jerusalaim, stad van God,

  wees voor de mensen een veilig huis.

  Jerusalaim, stad van vrede,

  breng ons weer thuis.

2

  Er is een huis om in te wonen

  voorbij het dodendal,

  er is een vader met zijn zonen,

  zij roepen overal.

3

  Er is een tafel om te eten

  voorbij het niemandsland.

  Er is een volk dat wordt vergeten,

  dat volk roept overal.

4

  Er is een wereld zonder grenzen,

  zo groot als het heelal.

  Er is een hemel voor de mensen,

  dat hoor je overal.

---

*432

#3

1

  Overal zijt Gij onzichtbaar gegeven,

  sprekend nabij, de stilte verwacht U,

  mensen bestaan U, zien en beleven U.

2

  Mensen van vlees, van licht en gesteente,

  hard en van bloed, een vloed niet te stelpen,

  mensen uw volk, uw stad hier op aarde.

3

  Aarde is al wat wij zijn, wat wij maken,

  adem ons open, maar ons uw aarde,

  uw nieuwe hemel, vrede op aarde.

---

*433

#8

1

  Koor:

  Van God is de aarde, van Hem deze wereld

  en die haar bewonen. Hij heeft haar zelf

  op de stromen gebouwd en stevig verankerd.

2

  Allen:

  Wie mag beklimmen de hoogte van God,

  wie gaan en staan in zijn heilige stad?

  Mensen met onschuldige handen.

3

  Koor:

  Mensen met een gelouterd hart,

  die niet op schijn hun leven bouwen,

  geen leugens smeden tegen een ander.

4

  Allen:

  Zij vinden heil en zegen bij Hem,

  zij zijn het slag dat zoekt naar God,

  dat Hem wil zien met eigen ogen.

5

  Koor:

  Poorten, heft uw hoofden omhoog,

  maakt u groter, eeuwige deuren,

  hier komt de koning der glorie.

6

  Allen:

  Wie is de koning der glorie?

  Het is de Heer, de machtige sterke,

  het is de Heer, de sterke in de strijd.

7

  Koor:

  Poorten, heft uw hoofden omhoog,

  maakt u groter, eeuwige deuren,

  hier komt de koning der glorie.

8

  Allen:

  Wie is Hij, de koning der glorie?

  Onze God, de Heer van de machten,

  Hij is de koning der glorie.

---

*434

#2

1

  Al heeft hij ons verlaten,

  hij laat ons nooit alleen.

  Wat wij in Hem bezaten

  is altijd om ons heen.

  als zonlicht om de bloemen,

  een moeder om haar kind,

  te veel om op te noemen

  zijn wij door Hem bemind.

2

  Als is Hij opgenomen,

  houd in herinnering,

  dat Hij terug zal komen

  zoals Hij van ons ging.

  Wij leven en vertrouwen,

  tot wij zijn majesteit

  van oog tot oog aanschouwen

  in alle eeuwigheid.

---

*435

#6

1

  Koor:

  De heilige Geest, de helper,

  die de vader in mijn naam u zenden zal,

  Hij zal u alles weer te binnen brengen

  wat Ik u heb gezegd.

2

  Allen:

  Zend ons uw heilige Geest

3

  Cantor:

  Wie Mij liefheeft, onderhoudt mijn woorden.

4

  Cantor:

  Wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader worden bemind.

5

  Cantor:

  Ik ga heen, maar Ik keer tot u terug.

6

  Cantor:

  Vrede laat Ik u na,

  mijn vrede geef Ik u.

---

*436

#12

1

  Voorz.:

  Niet aan ons komt de eer toe, o God,

  niet aan ons, maar aan U alleen.

2

  Koor:

  Want Gij zijt waarachtige liefde

  en trouw, God in ons midden.

3

  Allen:

  Want Gij zijt waarachtige liefde

  en trouw, God in ons midden.

4

  Voorz.:

  Hoe kunnen er dan nog zijn die vragen:

  waar is jullie God?

5

  Koor:

  Onze God gaat alles te boven,

  Hij maakt wat Hij wil.

6

  Allen:

  Want Gij zijt waarachtige liefde

  en trouw, God in ons midden.

7

  Voorz.:

  De Heer bewaart ons in Zijn hart

  en geeft ons Zijn zegen.

8

  Koor:

  Hij zal ons groot en talrijk maken,

  ook onze kinderen.

9

  Allen:

  Want Gij zijt waarachtige liefde

  en trouw, God in ons midden.

10

  Voorz.:

  Niet de doden spreken van Hem,

  niet de doden in hun stilte.

11

  Koor:

  Maar wij, mensen, maken Hem gelukkig

  nu en in eeuwigheid.

12

  Allen:

  Want Gij zijt waarachtige liefde

  en trouw, God in ons midden.

---

*437

#12

1

  Gelukkig is de man die leven mag met God.

  Jij bent die man wanneer je zijn woorden goed bewaart.

2

  Je handen zullen werken, je land zal vruchten dragen,

  genoeg om van te leven. Het zal je meer dan goed gaan.

3

  Je vrouw is een vruchtbare wingerd

  die bloeit in het hart van je huis.

  Zonen staan rondom je tafel als takken van de olijf.

4

  Zo gaat het een man van God, genade op genade

  zo gaat het een man van God, genade op genade.

5

  Ontvang voor heel je leven de zegen van Gods huis,

  geniet met volle teugen de vrede van zijn stad.

6

  Wees vruchtbaar in je zonen, gezegend in hun kinderen

  zo redt de Heer zijn volk en schenkt ons alle vrede.

7

  Zo gaat het een man van God, genade op genade.

  Zo gaat het een man van God, genade op genade.

8

  Gelukkig is de man die leven mag met God.

  Jij bent die man wanneer je zijn woorden goed bewaart.

9

  Je vrouw is een vruchtbare wingerd

  die bloeit in het hart van je  huis.

  Zonen staan rondom je tafel als takken van de olijf.

10

  Ontvang voor heel je leven de zegen van Gods huis,

  geniet met volle teugen de vrede van zijn stad.

11

  Wees vruchtbaar in je zonen, gezegend in hun kinderen

  zo redt de Heer zijn volk en schenkt ons alle vrede.

12

  En schenkt ons alle vrede.

---

*438

#10

1

  Koor:

  De hemel ontvouwt de glorie van God,

  het uitspansel roemt het werk van zijn handen.

2

  Allen:

  De hemel ontvouwt de glorie van God,

  het uitspansel roemt het werk van zijn handen.

3

  Koor:

  De dag geeft het door aan de volgende dag,

  de nachten vertellen elkaar wat zij weten.

4

  Allen:

  De hemel ontvouwt de glorie van God,

  het uitspansel roemt het werk van zijn handen.

  De dag geeft het door aan de volgende dag,

  de nachten vertellen elkaar wat zij weten.

5

  Koor:

  Het is geen spreken, er zijn geen woorden

  en hun stemmen zijn niet te horen.

6

  Allen:

  De hemel ontvouwt de glorie van God,

  het uitspansel roemt het werk van zijn handen.

  Het is geen spreken, er zijn geen woorden

  en hun stemmen zijn niet te horen.

7

  Koor:

  toch, overal wordt hun ritme vernomen,

  hun echo reikt tot de rand van de aarde.

8

  Allen:

  Het is geen spreken, er zijn geen woorden

  en hun stemmen zijn niet te horen.

  toch, overal wordt hun ritme vernomen,

  hun echo reikt tot de rand van de aarde.

  De hemel ontvouwt de glorie van God,

  het uitspansel roemt het werk van zijn handen.

9

  Koor:

  Hij heeft voor de zon een tent opgeslagen -

  een bruidegom die uit het bruidsvertrek komt,

  een held die juichend zijn tocht onderneemt,

  dat is de zon, hij klimt langs de hemel

  en daalt af aan de uiterste grens

  en niets blijkt voor zijn hitte verborgen.

10

  Allen:

  De hemel ontvouwt de glorie van God,

  het uitspansel roemt het werk van zijn handen.

  De hemel ontvouwt de glorie van God,

  het uitspansel roemt het werk van zijn handen.

  De dag geeft het door aan de volgende dag,

  de nachten vertellen elkaar wat zij weten.

  Het is geen spreken, er zijn geen woorden

  en hun stemmen zijn niet te horen.

  toch, overal wordt hun ritme vernomen,

  hun echo reikt tot de rand van de aarde.

  De hemel ontvouwt de glorie van God,

  het uitspansel roemt het werk van zijn handen.

---

*439

#6

1

  Als boten uit het niets vandaan

  gedreven over 't water

  door storm en luwte heengegaan

  gezonken in de haven.

2

  als huizen scheef en uitgewoond

  zelfs niemand komt ze kraken

  hun vloer hun fundament gesloopt

  het weer valt door de daken

3

  zo zijn de doden doof en diep

  verzonken in hun voren

  doorploegd bemest maar niet ontkiemd

  hun oogst nog ongeboren.

4

  Of staan zij in een andere zon

  tot eiken omgetoverd

  of zijn het schachten in de grond

  vol goud maar zand erover.

5

  of zweven zij voor dag en dauw

  op vleugels van een reiger

  niet mensen meer geen man of vrouw -

  hoe zou ik antwoord krijgen.

6

  wij gaan en niemand weet waarheen

  als water uitgegoten

  verstild en koud in merg en been

  en zonder reisgenoten.

---

*440

#9

1

  Koor en allen:

  Genade en trouw ontmoeten elkaar,

  recht en vrede omhelzen elkaar.

2

  Voorzang:

  Steeds opnieuw hebt Gij uw land begenadigd, o God

  en ons leven ten goede gekeerd,

  steeds weer uw dreigementen herroepen

  en de brand van uw woede geblust.

3

  allen:

  Recht en vrede omhelzen elkaar.

  trouw ontkiemt als een zaad in de aarde.

4

  Voorzang:

  Wees dan ook nu niet verbitterd op ons.

  Zoudt Gij voor eeuwig kwaad op ons blijven?

  Zoudt Gij ons niet veel liever doen leven

  dat wij ons kunnen verheugen in U?

5

  Allen:

  Trouw ontkiemt als een zaad in de aarde,

  gerechtigheid staat als een zon aan de hemel.

6

  Voorzang:

  Vrede, vrede is zijn woord.

  Tot zijn volk, (Ik) tot zijn getrouwen

  zal Hij zeggen: Vrede, vrede,

  keert niet tot het onrecht terug.

7

  Allen:

  Gerechtigheid staat als een zon aan de hemel,

  genade en trouw ontmoeten elkaar.

8

  Onze God wil zegen schenken

  en het land zal vrucht dragen, en het land zal vrucht dragen.

  Gerechtigheid gaat voor Hem uit als een bode

  vrede volgt Hem, waar Hij gaat.

9

  Allen:

  Genade en trouw ontmoeten elkaar,

  recht en vrede omhelzen elkaar.

  Trouw ontkiemt als een zaad in de aarde,

  gerechtigheid staat als een zon aan de hemel.

---

*451

#3

1

  Daar bloeid' ene lelie

  met zuiverlijke pracht

  voor eeuwen en tijden

  in 't diepst van Gods gedacht.

  Zij was toch zo schone!

  Zij bloeide toch zo blank!

  Er looft haar naar weerde,

  noch mens, noch eng'lenzang.

2

  Al d' engelenkoren

  begroeten heden d' aard;

  zij heeft hun, o wonder,

  een Koningin gebaard!

  O hemelse lelie,

  gij zijt onz' eeuw'ge roem,

  Gij zijt van deze wereld

  de vlekkeloze Bloem.

3

  Vandaag is die lelie,

  zo menig eeuw verbeid,

  op aarde gesproten

  in reine heerlijkheid.

  't Zijt gij, o Maria,

  o lelie eeuwig schoon,

  Gods Bruid en Gods Dochter

  en Moeder van Gods Zoon.

---

*452

#3

1

  God groet u, zuiv're bloeme,

  Maria, maged fijn.

  Gedoog dat ik u roeme:

  lof moet u altijd zijn!

  Als gij niet waart geboren,

  o reine Maged vrij,

  Wij waren allen verloren;

  aan u beveel ik mij!

2

  Maria, lelie reine,

  gij zijt mijn toeverlaat,

  Zoals een klaar fonteine,

  die nimmer stille staat,

  Zo geeft gij ons genade

  en staat uw dienaars bij:

  Och sta mij toch te stade;

  aan u beveel ik mij!

3

  O roosken zonder doren,

  o violette zoet.

  O bloemken blauw in 't koren,

  weest mij, uw kinde, goed!

  Vol liefde en gestadig,

  ootmoedig zo zijt gij:

  Och, weest mij toch genadig;

  aan u beveel ik mij!

---

*453

#3

1

  Wees gegroet, o sterre

  wees gegroet van verre.

  Aan de hemel blinkt uw licht

  in het bange vergezicht.

 

  refr: Wees gegroet, wees gegroet, Maria.

2

  als de golven stijgen,

  hoger, hoger, dreigen,

  schijn dan veilig voor ons uit,

  gun de zee geen droeve buit.

  refr:

3

  Wees gegroet, o sterre,

  wees gegroet van verre.

  Op uw zacht en zalig licht

  houden wij het oog gericht

  refr:

---

*454

#7

1

  Maria, Moeder van de Heer,

  geleid ons door dit leven.

2

  Verheugt U nu Maria,

  Hij is verrezen, alleluia.

3

  Met hart en ziel prijs ik de Heer,

  mijn geest stijgt op in loutre vreugde.

  Hij daalde in mijn kleinheid neer,

  't was God die reddend mij verheugde.

4

  Gelukkig prijst men mij voortaan

  in alle tijden en geslachten;

  Zijn machtig werk ving in mij aan,

  Zijn heilge naam blijf ik indachtig.

5

  Steeds blijft zijn goedertierenheid,

  voor alle volken die Hem vrezen:

  zijn kracht kent geen toegevendheid,

  voor hoogmoed, die niet wil genezen.

6

  De trotsen stoot Hij van hun troon,

  verheft geringen en de kleinen.

  De vrek ontvangt van Hem geen loon,

  de arme geeft Hij al het zijne.

7

  In mildheid heeft Hij ons bedacht,

  zijn volk zoals Hij heeft gesproken,

  tot Abraham en zijn geslacht.

  Zijn woord blijft waar en ongebroken.

---

*455

#3

1

  Maria mild en machtig,

  Vereerd bij God en mens:

  Weest Moeder mij indachtig,

  Die mij te beet'ren wens.

  Ik heb mijn schone dagen

  Verroek'loosd en verdaan:

  En kom, o Moeder, klagen,

  Bij u voortaan.

2

  Maria mild en machtig,

  Ik bid u: ach, weerziet, (=verachten)

  Uw schone naam indachtig,

  Mij arme zondaar niet:

  De straffen wil ik dragen

  Van 't geen ik heb misdaan:

  En kom, o Moeder, klagen,

  Bij u voortaan.

3

  Maria, mag 't geschieden,

  Alsdat gij, mild en goed,

  Mij wilt genade bieden

  Eer dat ik sterven moet.

  Eilaas, ik dierf het wagen,

  De wereld na te gaan:

  En kom, o Moeder, klagen,

  Bij u voortaan.

---

*456

#4

1

  Wij groeten U, o Koningin, o Maria:

  U moeder vol van tedere min, o Maria:

  Refrein: Groet haar, o Cherubijn;

           prijs haar, o Serafijn

           prijst met ons uw Koningin:

           salve, salve, salve, Regina.

2

  O Moeder van barmhartigheid, o Maria:

  en troost in alle bitterheid, o Maria:

  Refrein:

3

  Ons leven, zoetheid, hoop en vreugd, o Maria:

  leidt gij ons op de weg der deugd, o Maria:

  Refrein:

4

  Toon ons in ' t uur van onze dood, o Maria:

  de zoete vrucht van uwe schoot, o Maria:

  Refrein:

---

*457

#4

1

  Wij groeten U, o Koningin, o Maria:

  U moeder vol van tedere min, o Maria:

  Refrein: Groet haar, o Cherubijn;

           prijs haar, o Serafijn

           prijst met ons uw Koningin:

           salve, salve, salve, Regina.

2

  O Moeder van barmhartigheid, o Maria:

  en troost in alle bitterheid, o Maria:

  Refrein:

3

  Ons leven, zoetheid, hoop en vreugd, o Maria:

  leidt gij ons op de weg der deugd, o Maria:

  Refrein:

4

  Toon ons in ' t uur van onze dood, o Maria:

  de zoete vrucht van uwe schoot, o Maria:

  Refrein:

---

*458

#4

1

  Ik groet u vol genade,

  sprak d' engel Gabriel,

  De bron van uw genade

  is God, Emmanuel.

2

  Want onder alle vrouwen

  zijt gij gebenedijd;

  gelukkig die aanschouwen

  in dank uw heerlijkheid.

3

  En meer nog zij gezegend

  de vrucht van uwe schoot;

  door Hem zijn wij genezen

  van een volkomen dood.

4

  Gods Moeder, wil ons horen:

  bid dat wij zondaars groot

  voor God niet gaan verloren

  in 't uur van onze dood.

---

*459

#10

1

  Refrein:

  Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood

  en Christus zal over u lichten.

2

  Schola:

  Wij wachten op licht, maar het blijft donker,

  op het licht van de zon,

  maar wij dolen in duisternis.

  Als blinden tasten wij langs de wand,

  onzeker als mensen zonder ogen.

  Wij struikelen op klaarlichte dag,

  in de bloei van ons leven zijn wij als doden.

  (Jesaja 59)

3

  Koor of allen:

  Ontwaakt, gij die slaapt,

  staat op uit de dood

  en Christus zal over u lichten.

4

  Allen:

  Ontwaakt, gij die slaapt,

  staat op uit de dood

  en Christus zal over u lichten.

5

  Schola:

  Sta op en word helder, uw licht is gekomen.

  De glorie van God zal over u lichten.

  Hij is een mantel van licht om u heen.

  Hij zal u noemen: 'niet langer verlaten',

  en 's nachts zal de maan uw licht niet meer zijn,

  want God de Heer zal een licht voor u zijn.

  (Jesaja 60)

6

  Allen of koor:

  Ontwaakt, gij die slaapt,

  staat op uit de dood

  en Christus zal over u lichten.

7

  Allen:

  Ontwaakt, gij die slaapt,

  staat op uit de dood

  en Christus zal over u lichten.

8

  Twee groepen: Koor/allen; of links/rechts

  Wees hier aanwezig,   Wees hier aanwezig

  licht in ons midden,  licht in ons midden

  kom ons bevrijden.    Kom ons bevrijden

  dat wij herleven,     dat wij herleven

  God in ons midden,    God in ons midden

  Jesus Messias.             Jesus Messias

  Licht van de wereld   Licht van de wereld

  Kom hier aanwezig,    Kom hier aanwezig

  zijt Gij de levende,  Zijt Gij de levende

  bron van ons leven.   bron van ons leven

  Kom ons bevrijden,    Kom ons bevrijden

  Zoon van God.              Zoon van God

  Zijt Gij de levende   Zijt Gij de levende

  licht van de wereld   licht van de wereld

  Wees hier aanwezig    Wees hier aanwezig

  bron van ons leven.   bron van ons leven

  Kom ons bevrijden     Kom ons bevrijden

  Zoon van God.              Zoon van God.

9

  Koor of allen:

  Ontwaakt, gij die slaapt,

  staat op uit de dood

  en Christus zal over u lichten.

10

  Allen:

  Ontwaakt, gij die slaapt,

  staat op uit de dood

  en Christus zal over u lichten.

---

*460

#4

1

  Al wie dolend in het donker

  in de holte van de nacht

  en verlangend naar een wonder

  op de nieuwe morgen wacht:

  Vrijheid wordt aan U verkondigd

  door een koning zonder macht.

2

  Onze lasten zal Hij dragen

  onze onmacht totterdood

  geeft als antwoord op ons vragen

  ons zichzelf als levensbrood

  nieuwe vrede zal er dagen

  liefde straalt als morgenrood.

3

  Tot de groten zal Hij spreken

  even weerloos als een lam

  het geknakte riet niet breken

  Hij bewaakt de kleine vlam:

  hoort en ziet het levend teken

  van een God die tot ons kwam.

4

  Dor en droog geworden aarde

  die om dauw en regen vraagt

  dode mens die snakt naar adem

  wereld die om toekomst vraagt:

  zie mijn Zoon, de nieuwe Adam,

  die mijn welbehagen draagt.

---

*461

#2

1

  Wie zijn leven niet wil geven,

  niet wil delen met zovelen,

  met een ander,

  gaat verloren.

2

  wie wil geven wat hij heeft,

  die zal leven,

  op gegeten,

  die zal weten dat hij leeft.

---

*462

#5

1

  Zingt voor de Heer een nieuw gezang, alleluja.

  Hij laaft u heel uw leven lang, alleluja.

  Met water uit de harde steen, alleluja.

  Het is vol wond`ren om u heen, alleluja.

  Alleluja,alleluja, alleluja.

2

  Hij gaat u voor in wolk en vuur, alleluja.

  gunt aan uw leven rust noch duur, alleluja,

  en geeft het zin en samenhang, alleluja,

  zingt dan de Heer een nieuw gezang, alleluja.

  Alleluja, alleluja, alleluja.

3

  Een lied van uw verwondering, alleluja,

  dat nog uw naam niet onderging, alleluja.

  maar weer opnieuw geboren is, alleluja,

  uit water en uit duisternis, alleluja.

  Alleluja, alleluja, alleluja.

4

  De hand van God doet in de tijd, alleluja,

  tekenen van gerechtigheid, alleluja,

  de Geest des Heren vuurt ons aan, alleluja,

  de heil`ge tekens te verstaan, alleluja.

  Alleluja,  alleluja, alleluja.

5

  Wij zullen, naar zijn land geleid, alleluja,

  doorleven tot in eeuwigheid, alleluja,

  en zingen bij zijn wederkeer, alleluja,

  een nieuw gezang voor God de Heer, alleluja.

  Alleluja, alleluja, alleluja.

---

*463

#3

1

  Ik sta voor U in leegte en gemis.

  Vreemd is uw naam, onvindbaar zijn uw wegen.

  Zijt Gij mijn God, sinds mensenheugenis,

  dood is mijn lot, hebt Gij and're zegen?

  Zijt Gij de God bij wie mijn toekomst is?

  Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen?

2

  Mijn dagen zijn door twijfel overmand,

  ik ben gevangen in mijn onvermogen.

  Hebt Gij mijn naam geschreven in Uw hand,

  zult Gij mij bergen in uw mededogen?

  Mag ik nog levend wonen in uw land,

  mag ik nog eenmaal zien met nieuwe ogen?

3

  Spreekt Gij het woord dat mij vertroosting geeft,

  dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.

  Open die wereld die geen einde heeft,

  wil alle liefde aan Uw Zoon besteden.

  Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft

  Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.

---

*464

#4

1

  Mensen, wij zijn geroepen om te leven!

  Hoog is de hemel boven ons verstand

  en onder onze voeten hier beneden

  de goede grond, het groene moederland.

2

  God onze toekomst, God is onze Vader,

  Hij is het licht voor onze dagen uit.

  De hele wereld leeft van zijn genade,

  Hij gaf de aarde en Hij geeft de tijd.

3

  Abraham heeft Hij eerst zijn Woord gegeven,

  dat als een zaad ontkiemde in zijn zaad,

  om zo de toekomst tegemoet te leven

  wanneer de grote oogst te velde staat.

4

  Ja, wij zijn allen mensen der belofte,

  kinderen van de dag die komen zal,

  als Hij, de Zoon, de Zon, daalt uit de hoogte,

  roepend van recht en vrede overal!

---

*465

#7

1

  De aarde is vervuld

  van goedertierenheid,

  van goddelijk geduld

  en goddelijk beleid.

2

  Gods goedheid is te groot

  voor het geluk alleen,

  zij gaat in alle nood

  door heel het leven heen.

3

  Zij daalt als vruchtbaar zaad

  tot in de groeve af

  omdat zij niet verlaat

  wie toeven in het graf.

4

  Omdat zij niet vergeet

  wie godverlaten zijn:

  de wereld hemelsbreed

  zal goede aarde zijn.

5

  De sterren hemelhoog

  zijn door dit zaad bereid

  als dienaars tot de oogst

  der goedertierenheid.

6

  Het zaad der goedheid Gods,

  het hoge woord, de Heer,

  valt in de voor des doods,

  valt in de aarde neer.

7

  Al gij die God bemint

  en op zijn goedheid wacht,

  de oogst ruist in de wind

  als psalmen in de nacht.

---

*466

#6

1

  Zeven maal, zeven maal,

  zeven maal opnieuw geboren,

  klein gekregen, uitgeworpen

  wordt een mens om mens te worden

2

  Zeventig maal zeven bomen

  zullen bloeien waar wij wonen

  licht zal op het water stromen.

  licht zal op het water stromen.

3

  Zeven maal, zeven maal,

  zeven maal opnieuw geboren,

  klein gekregen, uitgeworpen

  wordt een mens om mens te worden

4

  Zeven maal, zeven maal,

  zeven maal opnieuw geboren,

  klein gekregen, uitgeworpen

  wordt een mens om mens te worden

5

  Zeventig maal zeven bomen

  zullen bloeien waar wij wonen

  licht zal op het water stromen.

  licht zal op het water stromen.

6

  Zeven maal, zeven maal,

  zeven maal opnieuw geboren,

  klein gekregen, uitgeworpen

  wordt een mens om mens te worden

---

*467

#4

1

  Gij die onze broeder zijt,

  God van tijd en eeuwigheid,

  liefde is uw nieuw beleid.

2

  Maak dat in uw liefde zijn

  allen die in hoop en pijn

  hier om brood gekomen zijn.

3

  Woord dat ons heeft welgedaan

  geef Gods wil ons te verstaan

  allerwege waar wij gaan.

4

  In uw vrijmacht maak ons sterk.

  Kom, voltooi in ons uw werk.

  Kom, Heer Jesus, tot uw Kerk.

---

*468

#3

1

  Tijd van vloek en tijd van zegen,

  tijd van droogte tijd van regen

  dag van oogst en tijd van nood

  tijd van stenen tijd van brood.

  Tijd van liefde nacht van waken

  uur der waarheid dag der dagen

  toekomst die gekomen is

  woord dat vol van stilte is.

2

  Tijd van troosten tijd van tranen

  tijd van mooi zijn tijd van schamen

  tijd van jagen nu of nooit

  tijd van hopen dat nog ooit.

  Tijd van zwijgen zin vergeten

  nergens blijven nergens weten

  tijd van kruipen tijd van angst

  zee van tijd en eenzaamheid.

3

  Wie aan dit bestaan verloren

  nieuw begin heeft afgezworen

  wie het houdt bij wat hij heeft

  sterven zal hij ongeleefd.

  Tijd van leven om met velen

  brood en ademtocht te delen

  wie niet geeft om zelfbehoud,

  leven vindt hij honderdvoud.

---

*469

#3

1

  Wonen overal nergens thuis,

  aarde, mijn aarde, mijn moeders huis.

  Vallende sterren, de schim van de maan,

  mensen die opstaan en leven gaan,

  mensen veel geluk.

2

  Wonen overal even thuis

  handel en wandel en huis na huis

  loven en bieden op waarheid en waan

  wagen en winnen en verder gaan

  mensen veel geluk.

3

  Wonen overal bijna thuis

  aarde mijn hemel mijn vadershuis

  stijgende sterren de lach van de maan

  mensen die dromend een stem verstaan

  mensen veel geluk.

---

*470

#5

1

  Koor:

  Weest niet bezorgd voor uw leven:

  uw God en Vader, die in de hemel is,

  Hij weet wel wat gij nodig hebt.

2

  Allen:

  Vader, Gij weet wel wat ik nodig heb.

3

  Cantor:

  Vraagt en gij zult krijgen.

  Zoekt en gij zult vinden.

  Klopt en men zal u opendoen.

4

  Er is toch niemand onder u,

  die aan zijn zoon een steen geeft,

  als hij hem vraagt om brood?

5

  Hoeveel temeer dan zal uw Vader,

  die in de hemel is,

  't goede geven aan wie Hem daarom vragen.

---

*471

#1

1

  Dan nog, dan nog,

  klamp ik mij, klamp ik mij

  vast aan jou,

  of je wil of niet,

  op ongenade of genade.

  Ik zal red mij, red mij roepen

  of zoiets

  als heb mij lief.

---

*472

#6

1

  Een mens te zijn op aarde,

  in eens voorgoed geboren zijn,

  is levenslang geboortepijn.

  Een mens te zijn op aarde

  is leven van de wind.

2

  De bomen hebben wortels

  de bomen mogen stevig staan

  maar mensen moeten verder gaan

  de bomen hebben wortels

  maar mensen gaan voorbij.

3

  De vossen hebben holen

  de mensen weten heg noch steg

  zijn altijd naar hun huis op weg

  de vossen hebben holen

  maar wie is onze weg?

4

  De mensen hebben zorgen

  het brood is duur, het lichaam zwaar

  en wij verslijten aan elkaar.

  Wie kent de dag van morgen?

  De dood komt lang verwacht.

5

  Een mens te zijn op aarde

  is pijnlijk begenadigd zijn

  en zoeken, nooit verzadigd zijn,

  is rusten in de aarde

  als alles is volbracht

6

  Hoe zullen wij volbrengen

  wat door de eeuwen duren moet

  een mens te zijn die sterven moet?

  Wij branden van verlangen

  tot alles is voltooid.

---

*473

#1

1

  Groot is de wereld

  en lang duurt de tijd,

  maar klein  zijn de voeten

  die gaan waar geen wegen gaan,

  overal heen.

---

*474

#6

1

  De Heer die heeft geleid en hoedt

  zijn volk op aarde, o herder goed,

  o mensenzoon met ons begaan,

  getrouwe heiland is uw naam.

2

  Als schapen doolden allen rond

  geen die nog weide en water vond.

  Toen zijt Gij zelf ons voorgegaan,

  getrouwe herder is uw Naam.

3

  Geen die zijn leven voor ons gaf,

  alwie kwam voor U, was vreemd en laf.

  Geen huurling weidt ons meer voortaan,

  Heer God, betrouwbaar is uw Naam.

4

  Die als een lam draagt onze dood,

  die breekt zijn lichaam als levend brood,

  die om zijn kudde zich liet slaan -

  getrouwe herder is zijn Naam.

5

  Die maakt dat allen op zijn woord

  komen te samen, Hij is de poort;

  gij moet door Hem het rijk ingaan,

  hoort, want Hij roept u bij uw naam.

6

  In dood en leven, Heer, zult Gij

  zijn die Gij zijt: uw klein volk nabij.

  Gij zult met ons uw wegen gaan,

  getrouwe herder is uw Naam.

---

*475

#10

1

  Koor:

  Van U wil ik spreken, God,

  Gij hebt mij omhoog getrokken,

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

2

  Allen:

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

3

  Voorzang:

  Ik riep tot U: help mij, God -

  toen hebt Gij mij genezen;

  Gij hebt mij teruggehaald

  diep uit de afgrond, ik werd

  al bij de doden gerekend,

  Gij hebt mij weer levend gemaakt.

4

  Allen:

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

5

  Voorzang:

  Ik heb U geroepen, God,

  U om genade gesmeekt:

  Wat hebt U eraan, als ik dood ga

  en in het graf word gelegd?

  Kan het stof U soms loven,

  een dode uw trouw bezingen?

6

  Allen:

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

7

  Voorzang

  Toen hebt Gij mijn droefheid veranderd

  in blijdschap, ik ging in rouw

  en Gij hebt mij gekleed in vreugde.

8

  Allen:

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

9

  Voorzang

  Van U wil ik spreken, God,

  en iedereen mag het horen:

  Gij hebt mij omhoog getrokken.

10

  Allen:

  de avond komt met droefheid,

  met vreugde de nieuwe dag.

---

*476

#5

1

  Voor kleine mensen is hij bereikbaar,

  Hij geeft hoop aan rechtelozen,

  hun bloed is kostbaar in zijn ogen,

  Hij koopt hen vrij uit het slavenhuis.

2

  Hij zal opkomen voor de misdeelden,

  Hij zal de machten die ons dwingen

  breken en binden, hij zal leven,

  onvergankelijk, als de zon.       (refrein)

3

  Zoals de dauw die de aarde drenkt,

  zo zal hij komen en in die dagen

  zullen trouw en waarachtigheid bloeien,

  zal er vrede in overvloed zijn.    (geen refrein)

4

  Dan dragen de bergen schoven van vrede

  en de heuvels een oogst van gerechtigheid,

  een vloed van koren, golvende velden,

  een stad rijst op uit een zee van groen.(refrein)

5

  Zijn naam is tot in eeuwigheid,

  zolang de zon staat aan de hemel.

  Zijn naam gaat rond over de aarde,

  een woord van vrede, van mens tot mens. (refrein)

---

*477

#3

1

  Zingt van de vader die in den beginne

  de mensen schiep, de dieren en de dingen:

  hemel en aarde wilt zijn naam bezingen:

  houdt Hem in ere!

2

  Zingt van de Zoon, licht voor onze ogen,

  bron van geluk voor wie Hem wil geloven:

  luistert naar Hem het woord van alzo hoge:

  houdt Hem in ere!

3

  Zingt van de Geest, adem van het leven,

  duurzame kracht die mensen wordt gegeven:

  waar wij ook gaan, wij hebben niets te vrezen:

  houdt Hem in ere!

---

*478

#1

1

  Dat wij vol stromen met levensadem

  en schreeuwen eindelijk geboren,

  en lachen eindelijk geboren,

  en weten eindelijk geboren.

---

*479

#7

1

  Met de boom des levens

  wegend op zijn rug

  droeg de Here Jezus

  Gode goede vrucht.

2

  Refrein:

  Kyrie eleison

  wees met ons begaan;

  doe ons weer verrijzen

  uit de dood vandaan.

3

  Laten wij dan bidden

  in dit aardse dal,

  dat de lieve vrede

  ons bewaren zal.  Refrein:

4

  Want de aarde vraagt ons

  om het zaad des doods,

  maar de hemel draagt ons

  op de adem Gods.  Refrein:

5

  Laten wij God loven

  leven van het licht,

  onze val te boven

  in een evenwicht.  Refrein:

6

  Want de aarde jaagt ons

  naar de diepte toe,

  maar de hemel draagt ons,

  liefde wordt niet moe.  Refrein:

7

  Met de boom des levens

  doodzwaar op zijn rug

  droeg de Here Jezus

  Gode goede vrucht.   Refrein:

---

*480

#1

1

  Vandaag doet de hand en morgen de voet

  wat goed is, wat moet.

  Maar geen in dit land is koning voorgoed,

  geen is er god, niemand.

---

*481

#5

1

  Zolang er mensen zijn op aarde,

  zolang de aarde vruchten geeft,

  zolang zijt Gij ons aller Vader;

  Wij danken U voor al wat leeft.

2

  Zolang de mensen woorden spreken,

  zolang wij voor elkaar bestaan,

  zolang zult Gij ons niet ontbreken,

  wij danken U in Jezus' naam.

3

  Gij voedt de vogels in de bomen,

  Gij kleedt de bloemen op het veld,

  o Heer, Gij zijt mijn onderkomen,

  en al mijn dagen zijn geteld.

4

  Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven,

  Gij redt de wereld van de dood.

  Gij hebt uw Zoon aan ons gegeven,

  zijn lichaam is het levend brood.

5

  Daarom moet alles U aanbidden,

  uw liefde heeft het voortgebracht.

  Vader, Gij zelf zijt in ons midden

  O Heer, wij zijn van uw geslacht.

---

*482

#7

1

  Alles wat er staat geschreven,

  Heer, doe ons verstaan,

  want uw woorden zijn ons leven,

  spreek ons aan.

2

  Mozes heeft het vuur zien branden

  en hij werd uw knecht,

  laat ons voortgaan aan zijn hand en

  wijs de weg.

3

  Herder David werd een koning

  en hij zong uw lof,

  en zijn Zoon bouwde uw woning

  heerlijk af.

4

  Wat de sterren niet verzwijgen

  sprak tot Abraham,

  en een ster riep de drie wijzen

  toen Hij kwam.

5

  Jezus heeft het laatst gesproken

  en zijn stem gaat voort,

  want als graan is Hij gebroken

  woord voor woord.

6

  Zend uw regen uit de wolken

  die het groeien doet:

  graan dat brood wordt voor uw volk

  overvloed.

7

  Gij gaat onze aard te boven;

  zend uw adem neer,

  heel de aarde moet U loven

  meer en meer!

---

*483

#3

1

  De heiligen, ons voorgegaan,

  hebben hier niets verworven,

  maar zijn aan 't einde van hun baan

  als vreemdeling gestorven.

  Maar zij geloofden dat Gods hand

  die hen tot daar geleid had

  in 't beter, hemels vaderland

  een stad voor hen bereid had.

  Geprezen zij zijn naam!

  Hij deed hen veilig gaan!

  Komt, zingen wij tesaam

  met alle heiligen!

2

  Zij trokken uit als Abraham,

  door God de Heer geroepen

  zonder te weten waar hij kwam,

  om 't land van God te zoeken.

  Zij zijn gestorven in zijn naam

  en hebben niets geweten

  dan dat Hij had gezegd: Ik schaam

  mij niet uw God te heten.

  Geprezen zij zijn naam!

  Hij deed hen veilig gaan!

  Komt, zingen wij tesaam

  met alle heiligen!

3

  Die van de aarde vrijgekocht

  nu rusten van hun werken,

  zij spreken en getuigen nog

  om ons geloof te sterken,

  dat wij omgeven door de wolk

  de weg ten einde lopen,

  een met het heilig, trekkend volk

  in liefde en in hope.

  Geprezen zij zijn naam!

  Hij doet ons veilig gaan!

  Komt, zingen wij tesaam

  met alle heiligen!

---

*484

#8

1

  Verkondig alle mensen

  wat ik u zeggen zal:

  mijn woorden brengen vreugde

  en vrede overal.

2

  Verkondig aan een ieder

  die hier geboren wordt:

  wij zijn niet langer vreemden

  maar kinderen van God.

3

  Verkondig aan de blinden:

  een licht is opgegaan;

  wij lopen hier verloren,

  er is een weg te gaan.

4

  Verkondig aan de armen:

  uw droefheid is voorbij,

  de zondaar vindt vergeving,

  de liefde maakt u vrij.

5

  Verkondig aan wie zoeken:

  niet eeuwig duurt uw nood;

  ik ben uw weg naar vrede,

  ik ben uw levensbrood.

6

  Verkondig aan wie sterven:

  gij kunt in vrede gaan,

  het wordt voor u ook pasen,

  ik ben u voorgegaan.

7

  Verkondig heel de aarde

  en al wat adem heeft:

  gelukkig zal hij wezen

  die in de liefde leeft.

8

  Verkondig alle mensen

  wat ik u heb gezegd:

  een nieuwe geest van vrede

  wordt in uw hart gelegd.

---

*485

#5

1

  Wij hebben voor u gebeden,

  dat uw geloof niet bezwijkt.

  En gij op uw beurt tot inkeer gekomen,

  versterk uw broeders, versterk uw zusters.

  Wij hebben voor u gebeden,

  dat uw geloof niet bezwijkt.

2

  Gaat uit over alle landen,

  tot zover als de wereld reikt.

  Verkondigt het evangelie,

  dat het alles - wat leeft - bereikt.

3

  En zegt:" Wie in Hem geloven

  zijn gered voor het koninkrijk

  De wonderen, blijde tekens

  zijn dan in uw - binnen uw hand - bereik.

4

  Verdrijft in Zijn naam de duivels,

  dat het kwaad uit de wereld wijkt.

  Legt handen op aan wie lijden,

  dat het heil tot de hemel reikt.

5

  (coupletten uit andere bundel)