---
Zingt alle dagen
Deel 1: 101 t/m 145
Deel 2: 201 t/m 241
Deel 3: 301 t/m 338
Deel 4: 401 t/m 455
---
*101
#3
1
Voor Pasen
Zal ik je iets vertellen? Ik ben zo heel erg blij.
Ik kan er wel van zingen, zing ook maar mee met mij.
We horen wat de Heer ons zei:
'Ook jij mag leven dicht bij Mij'.
Dat wil ik je vertellen en daarom ben ik blij.
2
Voor Pinksteren
Zal ik je iets vertellen? Ik ben zo heel erg blij.
Ik kan er wel van zingen, zing ook maar mee met mij.
De Heer is steeds bij ons geweest.
Dat vieren wij op 't Pinksterfeest.
D…t wil ik je vertellen en daarom ben ik blij.
3
Voor Kerstfeest
Zal ik je iets vertellen? Ik ben zo heel erg blij.
Ik kan er wel van zingen, zing ook maar mee met mij.
Het Kind dat in de kribbe ligt,
brengt in het donker ons het licht
D…t wil ik je vertellen en daarom ben ik blij.
---
*102
#2
1
Wij bidden tot U Heer,
nu wij op 't Kerstfeest samen zijn.
Wij zingen tot uw eer,
want U wilt bij ons zijn.
2
Wij danken U, o Heer,
voor deze vreugdevolle dag,
waarop een ieder weer
Uw woorden horen mag.
---
*103
#1
1
Bim-bam, bim-bam, bim-bam-bom,
kom kindren, kom kindren, kom kindren, kom!
Want we vieren met elkaar Kerstfeest zoals ieder jaar.
---
*104
#5
1
Wij hebben deze weken
het licht van hoop tot teken,
want lijkt soms leeg ons leven:
Gods Woord is ons gebleven.
2
Gods Woord zal ons bewaren
in donker en gevaren,
het wordt aan ons gegeven
als licht voor heel ons leven.
3
Gods Woorden doen en horen
maakt ons als nieuw-geboren,
vervult en heelt ons leven,
is Vrede ons gegeven.
4
Dit heil, dat God wil schenken
doet blij aan morgen denken,
wij hoeven heel ons leven
de hoop niet op te geven.
5
Wij hebben deze weken
het Licht van hoop tot teken,
want leek soms leeg ons leven,
Gods Woord blijft ons gegeven.
---
*105
#5
1
Eerste kaars, ik steek je aan,
want het nieuwe licht breekt baan!
De belofte, eens gegeven,
doet ons alle dagen leven.
2
Tweede kaars, ga nu je gang,
want het wachten duurt al lang.
Maar wij blijven zeker weten:
God zal ons toch niet vergeten.
3
Derde kaars, schenk ons je licht,
God geeft ons een beter zicht.
't Donker kan niet meer verhullen
wat Gods dag ons gaat onthullen.
4
Vierde kaars, nu jij ook schijnt,
zien we hoe de nacht verdwijnt.
Want jouw vlam is ons een teken
dat de vrede aan gaat breken.
5
Grote kaars, ik steek je aan,
want het Licht is opgegaan.
Wie het horen wil, die hore:
De Messias is geboren!
---
*106
#5
1
E‚n kaars gaat er nu branden
en zegt aan iedereen:
Er is een feest op handen,
de duisternis gaat heen.
2
Twee kaarsen staan te schijnen.
hun licht is nog maar klein.
Toch zal de nacht verdwijnen.
Dan zal er Vrede zijn.
3
Een derde kaars gaat stralen.
Wij wachten met geduld
en horen in verhalen
hoe God zijn Woord vervult.
4
Vier kaarsen in het donker
vertellen in de nacht
met licht en blij geflonker
dat ons de Vrede wacht.
5
Het licht waarvan wij dromen,
het grote Licht is daar!
Want Jezus is gekomen.
Z¢ worden dromen waar.
---
*107
#5
1
De eerste kaars is aangestoken,
het eerste kaarsje van Advent!
De dageraad is aangebroken,
nu neemt de duisternis een eind.
2
De tweede kaars staat nu te branden
het tweede kaarsje van advent!
De boodschap gaat door alle landen:
het licht verschijnt dat God ons zendt.
3
De derde kaars begint te stralen,
het derde kaarsje van advent!
Wij mogen aan elkaar verhalen
dat God zich nader tot ons wendt.
4
Nu mag de vierde kaars gaan schijnen,
het vierde kaarsje van advent!
Het schijnt voor groten en voor kleinen,
dus ook voor jou, wie je ook bent.
5
De grote kaars wordt aangestoken!
Het kind dat kwam in Bethlehems stal
heeft van de Vrede ons gesproken,
van God die bij ons wonen zal.
---
*108
#5
1
E‚n kaarsje,
een heel klein lichtje nog maar,
vertelt nu aan ons:
de Vrede wordt waar!
2
Twee kaarsjes,
zo mooi in donkere nacht,
vertellen van licht
waar ieder op wacht.
3
Drie kaarsjes,
een licht voor't feest van de Heer,
vertellen ons blij:
het kerstfeest komt weer!
4
Vier kaarsjes,
een krans van lichtjes, zo klein,
vertellen van God,
die met ons wil zijn.
5
0 kerstlicht,
zo groot, schijn helder en zacht.
Vertel van de Heer,
die Vrede ons bracht.
---
*109
#4
1
Je weet wel wie Maria is,
daar loopt ze in de zon,
zij draagt een kruik hoog op haar hoofd,
haalt water uit de bron.
2
En Jozef is de timmerman,
hij is verliefd op haar.
In Nazareth weet iedereen,
die twee die zijn een paar!
3
Maar er gebeurt iets wonderlijks,
Maria krijgt bezoek.
Een engel uit de hemel zegt:
'Maria, wees gegroet!
4
Ik breng een boodschap van de Heer,
je hoeft niet bang te zijn,
je krijgt een zoon, een koningskind,
het is een groot geheim!'
---
*110
#8
1
Eerste kind:
Vandaag is het kerstfeest,
dat vieren wij blij.
Wij steken ‚‚n kaars aan
en zingen daarbij!
2
Tweede kind:
Vandaag is het kerstfeest,
en ik doe ook mee,
ook ik steek een kaars aan.
Nu branden er twee!
3
Derde kind:
Vandaag is het kerstfeest.
Het wordt nu z¢ licht.
Drie kaarsen gaan branden.
Een vrolijk gezicht!
4
Vierde kind:
Vandaag is het kerstfeest.
Nog een kaars erbij.
Nu zien we vier lichtjes.
ze maken ons blij!
5
Vijfde kind:
De brandende kaarsen,
die lichtjes zo klein,
vertellen van Jezus
die bij ons wil zijn.
6
Allen:
Het Kerstfeest is gekomen,
het licht schijnt overal.
't Vertelt ons van een kindje,
geboren in een stal.
7
Wij mogen allen horen
het nieuws aan ons gebracht,
van Hem die werd geboren
in onze donkere nacht.
8
Nu zal het licht gaan stralen,
een nieuwe dag breekt aan.
God heeft ons hoop gegeven.
Z¢ kunnen wij bestaan.
---
*111
#2
1
Als alle kaarsjes branden
dan horen wij het weer:
een kindje is geboren.
't Is Jezus, onze Heer!
2
Als alle kaarsjes branden
dan zingen wij een lied
van vreugde en van Vrede.
Want God vergeet ons niet!
---
*112
#2
1
Er is een kind geboren
in 't midden van de nacht.
Hij is het die door velen
al heel lang werd verwacht.
2
Er is een kind geboren
terzijde in een stal.
Hij is het die ons Vrede
op aarde geven zal.
---
*113
#2
1
O kindje zo klein, o kindje zo teer,
jij bent de lang verwachte Heer,
Jij woont bij ons, een mens als wij,
God is in jou ons dicht nabij,
o kindje zo klein, o kindje zo teer.
2
0 kindje zo klein, o kindje zo teer,
jou eren wij als onze Heer.
Jij maakt de droom van mensen waar,
dat vieren wij nu met elkaar,
o kindje zo klein, o kindje zo teer.
---
*114
#4
1
Zeg zullen wij op weg gaan,
op weg naar Bethlehem?
Laat iedereen het horen:
Het kindje, daar geboren,
wordt Gods Woord: daad en stem!
2
Zeg, zullen wij op weg gaan,
of durf je niet zo ver?
Wil je de weg goed weten,
dan moet je niet vergeten:
nog altijd schijnt de Ster.
3
Zeg, zullen wij op weg gaan,
op weg gaan naar de stal,
en met de herders zoeken
het kleine kind in doeken
dat Vrede brengen zal?
4
Zeg, zullen wij op weg gaan,
op weg naar Bethlehem?
Wie oren heeft, die hore:
Het kindje daar geboren,
wordt Gods Woord: daad en stem!
---
*115
#6
1
Allen Zeg eens, herder, wat heb jij gehoord?
Solo 'k Hoorde van een keizer. Hij beval ons dat
ieder moest op reis gaan naar zijn eigen stad.
Allen Zeg eens, herder, wat is er gebeurd?
Solo Jozef en Maria gingen toen van huis,
want zij horen in de stad van David thuis.
2
Allen Zeg eens, herder, vonden zijeen huis?
Solo "Nee, er is geen plaats hier" werd hun steeds gezegd.
In een stal van schapen kwamen zij terecht.
3
Allen Zeg eens, herder, hoorde jij nog meer?
Solo Wakend bij de schapen, buiten in het veld,
werd ons de geboorte van het kind verteld.
4
Allen Zeg eens, herder, ging je toen op weg?
Solo Ieder van de herders ging met grote haast.
Over wat wij zagen waren wij verbaasd!
5
Allen Zeg eens, herder, en wat zag ook jij?
Solo Jozef en Maria en het kleine kind,
in wie God het leven weer opnieuw begint.
6
Allen Zeg eens, herder, wat ga jij nu doen?
Solo Ik vertel aan ieder die het kan verstaan:
Mensen kunnen nu in Vrede leven gaan.
---
*116
#8
1
Allen die op aarde wonen:
nu wordt waar wat u verwacht.
De Messias is geboren,
hoor het lied klinkt in de nacht.
De Messias is geboren,
hoor het lied klinkt in de nacht.
2
Dit zal u het teken wezen:
in een kribbe, in een stal,
ligt Hij op wat stro en doeken
die de vrede stichten zal,
ligt Hij op wat stro en doeken
die de vrede stichten zal.
3
En de herders die het horen
vinden zo 't hun wordt gezegd.
En zij weten: vanaf heden
wordt ons toekomst toegezegd.
En zij weten: vanaf heden
wordt ons toekomst toegezegd.
4
De Messias is geboren.
Nu gaat komen overal
't Vrederijk dat deze aarde
voor ons allen worden zal.
't Vrederijk dat deze aarde
voor ons allen worden zal.
5
Allen die op aarde wonen:
Nu wordt waar wat u verwacht.
De Messias is geboren,
zie Zijn ster staat in de nacht.
De Messias is geboren,
zie Zijn ster staat in de nacht.
6
En de wijzen die Hem zoeken
vinden zo 't hun wordt gezegd.
En zij weten: vanaf heden
wordt ons toekomst toegezegd.
En zij weten: vanaf heden
wordt ons toekomst toegezegd.
7
Laten wij ons ook verheugen
en Hem eren met elkaar.
De Messias is geboren:
Hij maakt wat wij hopen waar.
De Messias is geboren:
Hij maakt wat wij hopen waar.
8
De Messias is geboren.
Nu gaat komen overal
't Vrederijk dat deze aarde
voor ons allen worden zal.
't Vrederijk dat deze aarde
voor ons allen worden zal.
---
*117
#3
1
In een kleine stad in Juda,
het geringe Bethlehem,
is geschied wat in de Schriften
wordt gesproken over Hem,
door Wie God aan ons onthult
hoe de schepping wordt vervuld.
2
Wat de eeuwen door geloofd werd,
neemt gestalte aan in Hem
die ter wereld is gekomen
in een stal in Bethlehem.
En dit schamele begin
luidt de nieuwe toekomst in.
3
Zoals de getuigen melden
is het kind van Bethlehem
van de Vrede taal en teken,
gaat het leven uit van Hem.
En zo wordt ons openbaar:
In dit kind maakt God zich waar.
---
*118
#2
1
De herders van Bethlehem dromen
bij 't vuur in de nacht in het veld.
Eens zal er een herder gaan komen,
zoals ons vanouds is verteld.
Dan horen zij engelen zingen:
'De tijd van vervulling is daar'.
En toen zij naar Bethlehem gingen,
toen werden hun dromen waar.
2
Een kind op de aarde gekomen,
die Vrede aan ons brengen zal,
de koning van wie mensen dromen,
Hij ligt op wat stro in een stal.
Door God aan de mensen gegeven,
dit kind, zo gering en zo klein;
Hij zal ons in vrede doen leven,
Hij zal de Messias zijn!
---
*119
#2
1
Hoor het zingen van de eng'len
over 't veld van Efratha:
Ere zij God in de hoge,
looft de Heer, halleluja!
Vrede heerst in onze dagen,
't Is Gods tijd van welbehagen
voor al wie naar Vrede vragen.
Zie het kind van Bethlehem.
2
Kom, laat ons dit Woord geloven.
Zie hoe God zijn Rijk begint
en wat Hij aan ons beloofde,
laat geschieden in een kind.
Vrede heerst in onze dagen,
't Is Gods tijd van welbehagen
voor al wie naar Vrede vragen.
Zie het kind van Bethlehem!
---
*120
#3
1
Wat al eeuwen is verteld,
waar wij ook van dromen,
wat door velen is voorspeld,
dat dat nog eens komen?
Wanneer eindigt toch de nacht,
komt de tijd door ons verwacht,
breekt het licht zich baan,
vangt de Vrede aan?
Go,d wanneer,
ja wanneer
gaan de tijden keren
en zult U regeren?
2
Wanneer komt de dood niet meer
telkens tussenbeide,
liggen leeuw en bokje neer
aan elkanders zijde,
spelen kind'ren met een slang,
is geen mens en dier meer bang,
wordt het leven waar
voor en met elkaar?
God, wanneer,
ja, wanneer
gaan de tijden keren
en zult U regeren?
3
U die leeft in deze tiJd,
open wijd uw oren.
Hij die tot de Vrede leidt,
wordt bij ons geboren.
Luister naar wat Hij u zegt,
dan komt ieder tot zijn recht,
wordt de droom verstaan,
breekt de toekomst aan.
Keer u om,
laat alom
Vrede zien en horen:
Christus is geboren!
---
*121
#5
1
Het is kerstmis overal
in de hof van heden.
Het is kerstmis overal,
maar er is geen vrede.
2
Het is kerstmis overal
en er is veel lijden.
Het is kerstmis overal,
wie komt ons bevrijden?
3
Het is Kerstmis overal
en wij blijven haten.
Het is kerstmis overal,
niemand kan het laten.
4
Het is kerstmis overal
zoals alle jaren.
Het is kerstmis overal,
wil de hoop bewaren.
5
Het is kerstmis overal
en wij zingen samen.
Het is kerstmis overal:
God bewaar ons. Amen.
---
*122
#3
1
In het donker van de nacht
toen alles leek verloren,
is in Davids oude stad
een mensenkind geboren.
2
In een voederbak een kind,
gewikkeld in wat doeken,
't is het teken voor wie God
in deze wereld zoeken.
3
Niet met macht en niet met pracht,
zo zwak als alle kleinen,
komt de Heer in onze nacht
en maakt ons tot de zijnen.
---
*123
#1
1
Zingen wil ik op het kerstfeest
van een lang geleden nacht,
toen een kindje in de kribbe
Vrede aan de mensen bracht.
---
*124
#4
1
Hosanna, Hosanna,
de Heer komt voorbij,
(de Heer komt voorbij).
Die daar komt gereden,
gezegend is Hij.
(Hosanna, Hosanna, Hosanna)
Hosanna, Hosanna.
2
Hosanna, Hosanna,
nu nadert de stoet,
(nu nadert de stoet)
Wij komen met palmen
Hem blij tegemoet.
(Hosanna, Hosanna, Hosanna)
Hosanna, Hosanna!
3
Hosanna, Hosanna,
wij roepen het rond
(wij roepen het rond)
en spreiden de mantels
voor Hem op de grond.
(Hosanna, Hosanna, Hosanna)
Hosanna, Hosanna!
4
Hosanna, Hosanna,
geprezen zijt Gij,
(geprezen zijt Gij)
o Jezus Messias,
want Gij maakt ons vrij.
(Hosanna, Hosanna, Hosanna)
Hosanna, Hosanna!
---
*125
#3
1
Jezus heeft het leed geleden
met zijn wijze van bestaan.
Jezus heeft de dood bestreden
en die van zijn macht ontdaan.
2
Jezus heeft het opgenomen
voor wie in het leven lijdt.
Jezus heeft het niet genomen
dat de dood hier wint altijd.
3
Jezus is de dood gestorven
en is daaruit opgestaan.
Jezus heeft hierdoor verworven
dat het leven wint voortaan.
---
*126
#3
1
De nacht v¢¢r Pasen vieren wij,
een nacht vol hoop en moed.
Vannacht gaat iedereen heel blij
de morgen tegemoet.
2
Al is het donker om ons heen,
de morgen komt heel gauw.
God laat de mensen niet alleen,
ja, onze God blijft trouw.
3
Het Licht der wereld schijnt straks weer,
en het schijnt niet alleen;
want wie gelooft in onze Heer,
geeft licht aan iedereen.
---
*127
#2
1
De torenklokken zingen
van hele blijde dingen.
De Heer is opgestaan!
de Heer is opgestaan!
2
Ook kinderen mogen weten:
God zal ons niet vergeten.
De Heer is opgestaan!
---
*128
#5
1
De morgen staat vol vrolijk licht,
de schepping heeft zich opgericht.
Want zie: de Heer is opgestaan!
De Heer is waarlijk opgestaan!
2
Vergeefs gaan vrouwen naar een graf
dat schuilplaats aan het leven gaf.
Want zie: de Heer is opgestaan!
De Heer is waarlijk opgestaan!
3
En mannen zoeken tevergeefs
naar wie het graf geschonden heeft.
Want waarlijk: Hij is opgestaan!
De Heer is waarlijk opgestaan!
4
Er gaat een wonderlijk bericht
dat overal veel vreugde sticht.
Want hoor: de Heer is opgestaan!
De Heer is waarlijk opgestaan!
5
En als u dit bericht verblijdt,
zingt met ons mede en belijdt:
De Heer is waarlijk opgestaan!
Ja waarlijk, Hij is opgestaan!
---
*129
#5
1
Wie lopen in het morgenlicht,
de stille weg daar af?
Het zijn twee vrouwen, heel bedroefd,
ze gaan naar Jezus' graf.
2
Ze praten niet, maar zwijgen stil,
en denken aan hun Heer,
aan wat Hij sprak, aan wat Hij deed.
Nu is Hij er niet meer...
3
Ze komen in de kleine hof.
En zie, een helder licht!
De aarde beeft, de vrouwen doen
hun handen voor 't gezicht.
4
Daar klinkt een stem: Wees maar niet bang
en blijf niet treurig staan.
U zoekt de Heer, Hij is hier niet,
want Hij is opgestaan!
5
Zie, 't graf is leeg, en Jezus leeft!
Ga vlug nu hier vandaan...
Want iedereen moet weten dat
de Heer is opgestaan!
---
*130
#2
1
't Was de eerste dag der week,
toen de nacht voor 't zonlicht week.
2
Keervers
De Heer is waarlijk opgestaan.
opgestaan is Hij!
---
*131
#1
1
De Heer is waarlijk opgestaan!
De morgen van Gods trouw breekt aan:
God geeft zijn Zoon het leven weer,
ja, opgestaan is onze Heer!
---
*132
#3
1
Maria, waarom huil je?
Droog je tranen en wees blij!
Want de Heer is weer verrezen,
alle droefheid is voorbij.
2
Maria, waarom zoek je,
zoek je Jezus in het graf?
Want je weet toch dat Hij altijd
ons een ander uitzicht gaf?
3
Maria, waarop wacht je?
Ga nu blij de wereld in!
Jezus leeft en Hij is met ons:
Wat het eind leek, wordt begin.
---
*133
#3
1
Komt laat ons zingen nu God met ons is
en laat ieder horen dat het pasen is.
Komt laat ons zingen nu God met ons is
en laat ieder horen dat het pasen is.
Vanaf deze morgen wordt het nieuws gehoord.
Voortaan heeft het leven toch het laatste woord.
2
Jezus Messias, Jezus onze Heer
geeft nu aan ons leven zin en toekomst weer
Want wij kunnen leven zijn getuigenis,
dat de dood gestorven en begraven is.
Laat ons dan zingen nu God met ons is
en laat ieder horen dat het pasen is.
3
Zie, wij geloven dat er vrede is,
omdat Hij het leven trouw gebleven is.
Ja, wij zullen leven en de Vrede zal
iedereen vervullen, nu Hij komen zal.
Laat ons dan zingen nu God met ons is
en laat ieder horen dat het pasen is.
---
*134
#3
1
Heb je het gehoord,
op pasen, op pasen,
heb je het gehoord,
op Pasen houdt God zich aan zijn Woord.
2
Heb je het gezien,
op pasen, op pasen,
heb je het gezien,
op pasen laat God ons toekomst zien.
3
Heb je het verstaan,
op pasen, op pasen,
heb je het verstaan,
op pasen heeft God ons op doen staan.
---
*135
#3
1
Op het paasfeest mag je zingen,
zingen bij het open graf.
Want de Heer is overwinnaar
en de dood is heerser af!
2
Op het paasfeest mag je horen:
Ga toch bij het graf vandaan,
zoek Hem niet meer bij de doden,
want de Heer is opgestaan!
3
Op het paasfeest mag je weten:
't Is zoals de Heer ons zei.
't Leven kan opnieuw beginnen,
al het oude is voorbij.
---
*136
#4
1
Het is paasfeest, het is paasfeest,
kind'ren kom, kind'ren kom!
Alle klokken luiden, alle klokken luiden:
bim, bam, bom, bim, bam, bom.
2
Het is paasfeest, het is paasfeest,
Jezus leeft, Jezus leeft!
Alle klokken luiden, alle klokken luiden.
Jezus leeft, Jezus leeft!
3
Het is paasfeest, het is paasfeest,
Wij zijn blij, wij zijn blij!
Alle klokken luiden, alle klokken luiden,
ook voor jou, ook voor mij!
4
Het is paasfeest, het is paasfeest,
Kom dan kom, kom dan kom!
Alle klokken luiden, alle klokken luiden:
bim bam bom, bim bam bom!
---
*137
#1
1
Wat Abram heeft geloofd
en in de droom gezien,
wat Isra‰l nadien
de volken heeft beloofd,
waarover is verteld,
in woorden uitgespeld,
gekomponeerd tot lied,
klinkt in de dagen voort:
de dood heeft niet het laatste woord,
heeft niet het laatste woord!
---
*138
#4
1
Hebben wij plaats voor een vreemdeling?
Het licht reikt snel naar de schemering...
Je kunt, als het straks met de dag is gedaan,
een vreemdeling toch niet in de nacht laten staan?
2
Hebben wij brood voor een vreemdeling?
De weg was lang, die Hij met ons ging...
Je weigert toch niet het brood van je dis
een vreemde, wanneer hij zo hongerig is?
3
Zie je de hand van de vreemdeling,
Zoals Hij die heft tot een zegening?
Dan neem je toch zeker het Brood dat Hij breekt,
als taal en als teken van't Woord dat Hij spreekt!
4
Vriend, waar is nu dan die Vreemdeling,
die gaf ons het Brood en die met ons ging?
Zijn plaats is wel leeg, maar wij weten te meer:
Hij die met ons sprak is de levende Heer!
---
*139
#2
1
Heer, wil nu met ons blijven,
de avond is nabij.
Wie anders kan verdrijven
ons onverstand, dan Gij?
2
Het schemert op de wegen,
de avond is nabij.
Wie anders spreekt de zegen
en breekt het brood, dan Gij?
---
*140
#5
1
De Heer die uit de dood verrees
toen 't eerste licht kwam dagen,
en zo zijn heerschappij bewees,
was met ons veertig dagen.
Hij heeft met ons gesproken,
Hij sprak de toekomst open.
Hij sprak en wij
zijn met Hem blij,
God maakt de aarde vrij!
2
"Heer, zult Gij dan in deze tijd
het Koninkjk gaan stichten?
Wordt Isra‰l nu eindelijk vrij
om zich weer op te richten?
En zullen Abrahams zonen
in volle vrede wonen?
Heer, openbaar.
de tijd is daar,
Gods Woorden worden waar."
3
"Gij vraagt - maar niemand komt het
te weten van de tijden,
want slechts de Vader weet hoe Hij
het heil ons zal bereiden.
Gij zult in alle streken
van heil en vrede spreken,
want gij zult mijn
getuigen zijn,
mijn Geest zal met u zijn."
4
Dit was zijn allerlaatste woord.
Wij zijn er mee verlegen,
want elk van ons heeft het gehoord,
maar ieder heeft gezwegen.
Er is een dag gekomen,
toen is Hij weggenomen.
Hij liet ons staan,
is ons ontgaan,
het is met ons gedaan.
5
Wat staan wij in verbijstering?
Wat maakt ons zo verlegen?
Die veertig dagen met ons ging,
Hij is ons niet ontstegen.
Hij is ons niet ontnomen,
want Hij zal wederkomen.
O mensen wordt
nu aangegord:
Gods Geest wordt uitgestort!
---
*141
#13
1
Het Pinksterfeest staat voor de deur.
Heel Isra‰l mag feest gaan vieren.
De kind'ren gaan het huis versieren
met bloemen vol van kleur en geur.
2
En moeder maalt het nieuwe graan.
Ze bakt het deeg tot verse broden,
die geurend elk tot eten noden
en allen schuiven gretig aan.
3
En tijdens 't feestelijke maal
herhaalt de vader de Tien Woorden,
die eens het volk van Mozes hoorde.
Het is een wonderlijk verhaal:
4
De Heer sprak Zelf door Mozes' mond
en heel de berg begon te beven:
"Dit is voor u de weg ten leven,
Ik sluit met u een nieuw verbond."
5
De volken hoorden in hun taal:
Wij mogen op Gods goedheid hopen.
De toekomst ligt weer voor ons open
in vrede voor ons allemaal.
6
Maar ergens in Jeruzalem
zijn mensen die God blijven bidden.
Zij missen iemand in hun midden
en hopen op een woord van Hem.
7
En dan, opeens gaan zij het zien:
Hij, de Messias, gaf zijn leven
om aan ons toekomst mee te geven!
D t geeft dit feest een nieuwe zin!
8
Dan gaan daar in Jeruzalem
de luiken en de deuren open.
De mensen komen toegelopen,
en Petrus roept met luide stem:
9
"Zoals de Schrift ons heeft geleerd,
is onze Heer niet dood gebleven,
maar opgestaan tot een nieuw leven
bij God, met Wie Hij nu regeert.
10
En zie, wij staan in vuur en vlam!
Wij allen zijn van vreugde dronken!
Want Hij heeft toekomst ons geschonken,
die als Messias tot ons kwam!
11
De Heer is opgestaan: Hij leeft!
Wij willen op z¡jn wijze leven
met de Tien Woorden, eens gegeven,
waardoor de wereld toekomst heeft.
12
En velen sluiten zich aaneen
en gaan in alle talen zingen
de oude, nieuw gehoorde dingen.
De Heer is God, ja, Hij alleen!
13
De mensen horen naar dit woord
en vuur gaat in hun harten branden.
Ze trekken uit naar alle landen
en zeggen het aan allen voort!
---
*142
#6
1
Veel mensen komen weer het feest
van Pinksteren bezingen.
Veel mensen komen naar het feest
en geven eerstelingen.
2
Ook vele vrienden van de Heer
zijn op het feest en bidden.
Zij vragen samen aan hun Heer:
" Kom spoedig in ons midden. "
3
Dan komt als vuur en wind Gods Geest
op allen nederdalen.
Dan spreekt met vuur en wind Gods Geest
zich uit in alle talen.
4
En zie, ze staan in vuur en vlam
en kunnen niet meer zwijgen.
En hoor, ze gaan met vuur en vlam
nu van Gods Geest getuigen.
5
En wel drieduizend op het feest
beleven wat zij hopen.
Voor wel drieduizend op het feest
gaat nu de toekomst open!
6
Zo mogen velen door Gods Geest
hun nieuw begin bezingen.
Ja, velen worden op dit feest
nu z‚lf de "eerstelingen"!
---
*143
#4
1
Wat is dat voor een vreemd geluid?
Het lijkt wel op de wind.
Misschien is het een teken dat
vandaag iets nieuws begint.
2
Refrein:
't Is Pinksterfeest, 't is Pinksterfeest
voor mensen groot en klein,
want Jezus wil nu in de Geest
bij alle mensen zijn.
3
O kijk eens, tongen als van vuur.
Het komt op ieder neer.
En hoor, de mensen spreken van
de daden van de Heer.
(refrein)
4
Dat zijn toch Galile‰rs, maar
we horen allemaal!
Ze spreken over onze God
in onze eigen taal!
(refrein)
---
*144
#3
1
Gooi nu de ramen open,
doe nu de deur van 't slot:
Wij kunnen weer gaan hopen,
de toekomst ligt weer open:
hier waait de Geest van God.
2
Zie maar, hier is het teken
dat van de hemel kwam:
God gaat een vuur ontsteken,
Hij wil van liefde spreken.
Wij staan in vuur en vlam.
3
Nu mag een ieder horen,
hier op het pinksterfeest:
God spreekt als eens tevoren,
wij zijn opnieuw geboren:
Wij leven in zijn Geest.
---
*145
#4
1
Kom en luister allemaal,
kom in onze kring,
en zing mee in het verhaal
dat ik met je zing.
2
Eenmaal komt de tijd van God,
zonder angst en pijn.
Jezus heeft ons laten zien
hoe het dan zal zijn.
3
Als je daamaar leven wilt,
leef je in Gods Geest.
Elke dag die komen gaat
is dan Pinksterfeest!
4
Jezus' dood was niet het eind,
maar een nieuw begin.
Sta dus op, en ga met ons
mee de wereld in!
---
*201
#7
1
Heb je wel gehoord van de zeven dagen,
heb je wel gezongen het lied van de week?
God spreekt en wat Hij zegt is waar.
Hij haalt het licht en het duister uit elkaar:
een eerste dag.
2
Heb je wel gehoord van de zeven dagen,
heb je wel gezongen het lied van de week?
God spreekt en wat Hij zegt is waar.
Hij scheidt de watervloeden van elkaar:
een tweede dag.
3
Heb je wel gehoord van de zeven dagen,
heb je wel gezongen het lied van de week?
God spreekt en wat Hij zegt is waar.
Hij drijft de zee en aarde uit elkaar:
een derde dag.
4
Heb je wel gehoord van de zeven dagen,
heb je wel gezongen het lied van de week?
God spreekt en wat Hij zegt is waar.
Hij onderscheidt de sterren van elkaar.
een vierde dag.
5
Heb je wel gehoord van de zeven dagen,
heb je wel gezongen het lied van de week?
God spreekt en wat Hij zegt is waar.
Hij doet de dieren leven paar bij paar.
een vijfde dag.
6
Heb je wel gehoord van de zeven dagen,
heb je wel gezongen het lied van de week?
God spreekt en wat Hij zegt is waar.
Hij doet de mensen wonen met elkaar.
een zesde dag.
7
Heb je wel gehoord van de zeven dagen,
heb je wel gezongen het lied van de week?
God spreekt en wat Hij zegt is waar.
De vrede wordt op rustdag openbaar:
de zevende dag.
---
*202
#7
1
Het is op aarde leeg en donker.
Het is nog niet zoals het moet.
God laat zijn licht op aarde schijnen
en het wordt dag. Zo is het goed.
2
Er is geen boven of beneden.
Het is nog niet zoals het moet.
God maakt de blauwe lucht hierboven,
de hemelboog. Zo is het goed.
3
Er is alleen nog water, water.
Het is nog niet zoals het moet.
God laat het water samenstromen,
het land wordt groen. Zo is het goed.
4
Er zijn geen lichten aan de hemel.
Het is nog niet zoals het moet.
Zon, maan en sterren laat God schijnen,
als lampions. Zo is het goed.
5
Het is nog stil, er is geen leven.
Het is nog niet zoals het moet.
God maakt de vissen en de vogels
in zee en lucht. Zo is het goed.
6
Maar op het land zijn nog geen dieren.
Het is nog niet zoals het moet.
God maakt konijnen, leeuwen, spinnen,
de aarde leeft. Zo is het goed.
7
Maar wie moet voor de aarde zorgen?
H¢e moet het, als geen mens dat doet?
De mens moet voor de aarde zorgen,
zoals God zelf. D n is het goed.
---
*203
#3
1
Adam en Eva, zij leven zo blij,
Adam en Eva zijn mensen als wij.
En zo zij leven, vertelt hun verhaal,
heeft God het bedoeld voor ons allemaal.
2
Adam en Eva, zij leven zo vrij,
Adam en Eva zijn mensen als wij
die kunnen kiezen: ¢f goed doen ¢f kwaad
in denken en willen, in woord en in daad.
3
Adam en Eva zijn mensen als wij.
Wij mogen leven een leven als zij.
Wij kunnen kiezen: ¢f goed doen ¢f kwaad.
Wie goed kiest zal leven, in woord en in daad.
---
*204
#5
1
Noach dobbert met de ark
op het water, op het water.
Rondom ziet hij overal
water, water, niets dan water.
Water eindeloos, water rusteloos.
En geen boom is meer te zien.
2
In de ark gaat 't leven door,
op het water, op het water.
Rondom 't volle, zware schip
water, water, niets dan water.
Water eindeloos, water rusteloos.
En geen dier is meer te zien.
3
Vol vertrouwen zijn de acht
op het water, op het water.
Tot het eind der bange nacht
water, water, niets dan water.
Water eindeloos, water rusteloos.
En geen berg is meer te zien.
4
Dan schijnt plots de zon opnieuw
op het water, op het water.
Rondom glinstert overal
water, water, niets dan water.
Water eindeloos, water rusteloos.
En dat water wordt zelfs mooi.
5
Dan vertelt de duif het nieuws,
dat het water, dat het water
zal verdwijnen van het land.
Water, water, weg het water.
Overal weer land, overal weer land,
planten, dieren en de mens.
---
*205
#3
1
Noach opent het venster,
de regen is voorbij.
Ieder mag weer naar buiten,
hoor toch de vogels fluiten,
mensen en dieren zijn blij.
2
Zie, de bloemen gaan bloeien,
de velden worden groen.
De Heer heeft ons vergeven.
Wij mogen verder leven,
en 't nog eens overdoen!
3
Wij gaan opnieuw beginnen.
Zie, in de lucht, heel hoog,
verschijnt het vredesteken
nu 't zonlicht door gaat breken:
daar staat de regenboog!
---
*206
#5
1
Wij, vrije bewoners der aarde,
wij hebben een zelfde taal.
Wij spreken dezelfde woorden,
wij leven hetzelfde verhaal.
2
Kom, halen wij leem uit de akker
en branden de aarde tot steen.
Wij laten de aarde de aarde
en sluiten ons hechter aaneen.
Kom, laten wij stenen gaan sjouwen
en bouwen een muur om ons heen.
Wij willen een vesting gaan bouwen,
een vesting met muren van steen.
3
En boven de stad rijst de toren,
die reikt aan het hemelgewelf.
Wij laten ons werk niet verstoren:
een toren, een naam voor onszelf!
4
Maar wie in hoogmoedigheid handelt,
zijn naam zal reeds spoedig vergaan.
Zijn torenhoog koningschap kantelt,
zijn leven is ijdele waan.
5
Maar hij die de vrede wil leven,
heeft niet tevergeefs hier geleefd.
Want hij brengt een toekomst tot leven,
waar vrede de toekomst heeft.
---
*207
#4
1
Abraham moet reizen gaan,
maar waarheen, maar waarheen?
Abraham moet reizen gaan,
God alleen zegt hem waarheen.
2
Abraham moet reizen gaan,
hij gelooft, bij gelooft.
Abraham moet reizen gaan,
hij gelooft wat God belooft.
3
Abraham moet reizen gaan
met zijn tent, met zijn tent.
Abraham moet reizen gaan
met zijn tent, waar God hem zendt.
4
Abraham moet reizen gaan,
om te gaan, om te gaan,
Abraham moet reizen gaan,
om te gaan naar Kana„n.
---
*208
#4
1
Het was met name Abraham
in wie 't geloof een aanvang nam:
een mens hoeft niet in angst en beven
zijn levensdagen hier te leven.
2
En hij verliet zijn stamverband,
hij trok zelfs naar een ander land,
want hij wou vrij zijn van de goden
en al hun dwingende geboden.
3
Hij droomde dat er ooit zal zijn
een leven zonder angst en pijn
en dat de volken, als God zonen,
in vrede op de aarde wonen.
4
En wie met Abraham gelooft
dat wordt vervuld wat God belooft,
trekt uit zijn land van angst en beven
naar Kana„n, om vrij te leven.
---
*209
#5
1
Vertel aan ieder die 't wil horen:
Er is een jongetje geboren!
De oude Sara kreeg een zoon!
Het nieuwe kind zal Isa„k heten.
God heeft zijn mensen niet vergeten.
Voorbij is alle spot en hoon!
2
Nu staat de toekomst voor ons open.
Wij kunnen lachen. Want wij hopen
dat Isa„k verder leven mag
naar de belofte, ons gegeven.
Eens zullen wij in vrede leven!
Lach met ons mee op deze dag!
3
Een andere tekst, bv in Adventsweken:
Vertel aan ieder die 't wil horen:
Er is een jongetje geboren!
Want Hanna kreeg nu ook een zoon!
Het nieuwe kind zal Samu‰l heten.
God heeft zijn mensen niet vergeten.
Voorbij is alle spot en hoon!
4
Vertel aan ieder die 't wil horen:
Er is een jongetje geboren!
Elisabeth kreeg toch een zoon!
Het kindje zal Johannes heten.
God heeft zijn mensen niet vergeten.
De Heer ziet naar de mensen om.
5
Vertel aan ieder die 't wil horen:
Er is op aard' een kind geboren!
Maria mocht de moeder zijn.
Dit nieuwe kind zal Jezus heten.
God heeft zijn mensen niet vergeten.
Want Jezus zal Messias zijn!
---
*210
#3
1
Slaap nu maar kindje, je bent nog zo klein.
We wiegen je zachtjes van dom, dom, dom, dein.
We wiegen je zachtjes al heen en al weer...
Slaap nu maar kindje, ent nog zo teer.
2
Sara en Abraham hebben gewacht.
Ze hebben zo heel lang aan jou al gedacht.
Ze leggen je blij in je wiegje nu neer
en wiegen je zachtjes al heen en al weer...
3
Zie eens hoe Sara nu tegen je lacht
en stilletjes fluistert: "Wie had dat gedacht?"
Ze wiegt je zo zachtjes al heen en al weer.
God doet wat Hij zegt. Daarom dankt zij de Heer.
---
*211
#3
1
Ook Hagar mag gaan wonen,
vrijuit met Isma‰l
En later ook zijn zonen
in 't land van Isra‰l.
2
De weg naar 't vrije leven
leidt dwars door de woestijn.
Daar mogen wij beleven
hoe God nabij wil zijn.
3
Hij laat hen niet versmachten,
die zonder hoop hier staan.
Voor wie het niet verwachten,
biedt Hij weer toekomst aan.
---
*212
#6
1
Jakob heeft zijn huis verlaten.
O wat zal hij eenzaam zijn;
heel alleen in de woestijn,
niemand meer om mee te praten.
2
Als het donker is gekomen
stopt hij bij een grote steen,
trekt zijn mantel om zich heen,
geeft zich over aan zijn dromen.
3
Langs de trap met duizend treden,
reikend tot de hemelboog,
lopen engelen omhoog,
lopen engelen naar beneden.
4
"Jakob, God wil met je praten.
Jakob, God staat aan jouw kant
en Hij neemt je bij de hand.
Nooit ben jij van God verlaten."
5
Wakker wordt hij uit zijn dromen.
Jakob is niet meer alleen,
voelt geen angst meer om zich heen!
God is naar hem toegekomen.
6
Jakobs God blijft niet verborgen,
woont niet ver van ons vandaan.
Hij komt heel dicht naast ons staan
en zal voor ons blijven zorgen.
---
*213
#3
1
Nu staat Jakob aan de kant
van de Jabbok, van de Jabbok.
Hij wil wonen in het land,
wonen aan de overkant.
2
Maar... zijn broeder woont in 't land!
Zal hij komen, zal hij komen
en mij jagen uit het land?
Jakob voelt zich overmand.
3
Esau reikt aan hem de hand:
"Kom maar wonen, kom maar wonen,
met mij wonen in het land.
Broeder, reik aan mij je hand!"
---
*214
#3
1
Jozef draagt geen ruige kleren,
Jozef draagt een mooie jas,
Jozef wil geen schapen scheren.
Kijk, daar zit hij in het gras.
Jozef zit te dromen
over sterren, zo en maan.
Jozef zit te dromen
over tijden die nog komen.
En hij denkt: hoe zal het gaan?
2
Jozef past niet op de schapen,
Jozef trekt niet door het land.
Jozef, zit je weer te slapen?
Zit je weer eens aan de kant?
Jozef droomt van schoven
die terneergebogen staan.
Jozef droomt van schoven,
maar geen mens wil hem geloven.
En hij denkt: hoe zal het gaan?
3
En de broers, die hem niet mogen,
roepen: "Dromen zijn bedrog!
Jozef, open toch je ogen.
Jozef, wat bezielt je toch?'
Jozef blijft maar dromen
over hoe het straks zal gaan.
Jozef blijft maar dromen,
want die tijd zal eenmaal komen.
D n zal hij Gods plan verstaan.
---
*215
#13
1
Weet jij ook waar Mozes is?
Nee ik niet, nee ik niet!
Weet jij ook waar Mozes is?
Nee ik niet.
2
In een mandje in de Nijl,
tussen 't riet, tussen 't riet,
in een mandje in de Nijl,
tussen 't riet.
3
Wie pakt daar het mandje weg?
De prinses, de prinses.
Wie pakt daar het mandje weg?
De prinses.
4
Wie pakt daar het mandje weg?
De prinses, de prinses.
Wie pakt daar het mandje weg?
De prinses.
5
Waar gaat Mozes nu naar toe?
Weer naar huis, weer naar huis!
Waar gaat Mozes nu naar toe?
Weer naar huis!
6
Weet je waar hij later woont?
in 't paleis, in 't paleis.
Weet je waar hij later woont?
In 't paleis.
7
Als de koning toch eens wist!
Oh, oh, oh, oh, oh, oh!
Als de koning toch eens wist!
Oh, oh, oh!
8
Mozes zegt tot Farao:
"Laat ons gaan, laat ons gaan."
Mozes zegt tot Farao:
"Laat ons gaan."
9
Onheil treft Egypteland.
Ach en wee, ach en wee.
Onheil treft Egypteland.
Ach en wee.
10
Farao roept na tien keer.
"Ga hier weg, ga hier weg!"
Farao roept na tien keer:
"Ga hier weg! "
11
Waar brengt Mozes ons naar toe?
Naar het Land, naar het Land.
Waar brengt Mozes ons naar toe?
Naar het Land!
12
Weet je wie ons heeft bevrijd?
Isra‰ls God, Isra‰ls God.
Weet je wie ons heeft bevrijd?
Isra‰ls God.
13
Daarom zingen wij dit lied
voor de Heer, voor de Heer.
Daarom zingen wij dit lied
voor de Heer!
---
*216
#3
1
Mozes, o Mozes, wijs ons de weg naar Kana„n.
Al duurt het lang, al zijn we bang,
wijs ons de weg naar Kana„n.
Maar Mozes zegt: 'God zal ons tonen
waar 't land ligt dat wij gaan bewonen.
2
Mozes, o Mozes, zijn wij nu vrij van Farao?
Is er wel brood, is er wel vlees?
Kan dat wel: los van Farao?
Maar Mozes zegt: "Je moet geloven
dat God ons toekomst wil beloven."
3
Mozes, o Mozes, wees onze leider dan voortaan.
Jij bent zo flink, zo sterk, zo wijs.
Toe Mozes, loop jij maar vooraan!
Maar Mozes zegt: "Op mij niet bouwen.
Alleen op God moet je vertrouwen! "
---
*217
#6
1
Deze nacht is heel bijzonder,
deze nacht gebeurt het wonder.
Refrein:
Kind'ren geef elkaar de hand,
wij gaan naar 't Beloofde Land.
2
Nu geen tijd meer om te gapen!
Niemand mag vannacht gaan slapen.
Refrein.
3
Weet je wel hoe je moet reizen?
Mozes zal de weg ons wijzen.
Refrein.
4
Dwars door zee‰n en woestijnen
gaan de groten en de kleinen.
Refrein.
5
Voor geen Farao meer beven,
want wij gaan in vrijheid leven!
Refrein.
6
Laat nu alle mensen zingen,
want de Heer doet grote dingen!
Refrein.
---
*218
#3
1
De nacht van de uittocht!
Nu mogen wij gaan
uit het land waar de dood heerst:
God zelf gaat vooraan!
2
De nacht van de uittocht!
De dood heeft geen macht
in het huis waar gewaakt wordt,
waar 't lam is geslacht.
3
De nacht van de uittocht!
Nu mogen wij gaan
uit het land waar de dood heerst:
God zelf gaat vooraan!
---
*219
#3
1
Sta op en maak je klaar.
Nu is het uur gekomen,
de dag waar wij van dromen
al zoveel honderd jaar.
2
Trek uit de slavernij.
De toekomst is begonnen,
de dood is overwonnen
en gisteren voorbij.
3
Ga mee naar de woestijn.
Wij hebben niets te vrezen,
want God zal met ons wezen
en onze morgen zijn.
---
*220
#5
1
Op de berg in de woestijn,
hoor je over dromen;
hoe Gods Rijk zou kunnen zijn,
hoe dat Rijk kan komen.
2
Op de berg in de woestijn
zullen mensen leren
volk van God te kunnen zijn,
Hem als Heer te eren.
3
Op de berg in de woestijn,
daar zou Mozes horen.
hoe een mens te kunnen zijn,
door God uitverkoren.
4
Op de berg in de woestijn
heeft de Heer gesproken.
Want Gods Rijk zal bij ons zijn,
het is aangebroken.
5
Op de berg in de woestijn
heeft de Heer gegeven
Woorden die de regels zijn
om te kunnen leven.
---
*221
#5
1
Wij willen een god,
wij willen een god
die wij dagelijks kunnen zien in ons midden.
Geef ons een God, een God van goud
om samen te aanbidden.
2
Wij wilen een god,
wij willen een god,
een god die wij kunnen vereren
met offerfeest en rondedans.
Zo'n god zal ons regeren.
3
Wij wilen een god,
wij willen een god,
een god die wij aan kunnen raken.
Hier is het goud, hier is het goud.
Wij gaan die god zelf maken.
4
Wij hebben een god,
wij hebben een god,
niet onzichtbaar, voor ons verborgen.
De god van goud, de god van goud
zal voortaan voor ons zorgen.
5
Daar komt de Heer zelf,
daar komt de Heer zelf,
als de dans om die god gaat beginnen.
Hij werpt hem neer, die god van goud.
De Heer gaat overwinnen!
---
*222
#3
1
Wij trekken door het water,
het water van de Jordaan,
want de ark des Heren gaat er
met de dragende priesters vooraan.
Want de ark is een teken voor wie het verstaat,
dat God in ons midden de dood wederstaat.
2
Wij trekken door het water
en niemand van ons blijft staan,
want de ark des Heren staat er
in het midden van de Jordaan.
Want de ark is een teken voor wie het verstaat,
dat God in ons midden de dood wederstaat.
3
Wij trekken door het water,
maar 't water is blijven staan.
En de ark des Heren komt later
met de priesters achter ons aan.
Want de ark is een teken voor wie het verstaat,
dat God in ons midden de dood wederstaat.
---
*223
#7
1
Wij zouden willen juichen
met Jericho in zicht,
en vrolijk binnenkomen!
Maar kijk, de poort is dicht...
Refrein:
Na veertig jaren reizen
zijn wij in Kana„n:
het land van de Belofte
willen wij binnengaan.
2
Wij zouden willen wonen
in het Beloofde Land,
maar hoge muren houden
ons aan de buitenkant.
Refrein
3
Wij lopen om de muren
en langs de dichte poort
zes dagen in de rondte,
en niemand spreekt een woord.
Refrein
4
Maar zes en ‚‚n is zeven.
Wij lopen zeven keer
en vieren met de Woorden
de sabbat van de Heer.
Refrein
5
Blaast dan op de bazuinen!
De muren vallen neer.
Wie niet wil laten wonen
heeft nu geen woonplaats meer.
Refrein
6
Nu mogen wij gaan juichen
en vrolijk binnengaan,
want daar viel voor ons open
de poort van Kana„n!
Refrein
7
Na veertig jaren reizen
zijn wij in Kana„n.
In 't Land van de Belofte
mogen wij wonen gaan!
---
*224
#3
1
Gideon, Gideon,
wist je waar je aan begon:
alle rovers weg te jagen,
als de Heer je dat zou vragen?
Gideon, Gideon,
wist je waar je aan begon?
2
Gideon, Gideon,
dacht je dat het echt wel kon:
dat de vijand is verdreven
en het volk weer blij kan leven?
Gideon, Gideon,
dacht je dat het echt wel kon?
3
Gideon, Gideon,
met wie God opnieuw begon,
werd een held, ging zonder vrezen,
omdat God met hem zou wezen.
Gideon, Gideon,
met wie God opnieuw begon.
---
*225
#3
1
Geen mens redt ons van Midian,
zelfs niet met hulp van God.
Geen mens die ons nog helpen kan,
berust maar in je lot.
Maar God roept een gewone man
en zegt 'Jij sterke held,
die mensen vrijheid schenken kan,
jij wint het van geweld.
2
Daar klinkt het door de donkere nacht:
'Voor Gideon en God!"
En Midian met al zijn macht
gaat aan zichzelf kapot.
Want God roept een gewone man
en zegt: Jij sterke held
die mensen vrijheid schenken kan,
jij wint het van geweld.
3
De onderdrukkers van vandaag,
met al hun man en macht,
eens lijden zij de nederlaag,
verdwijnen in de nacht.
Want God roept de gewone man.
Met Mij ben jij een held
die mensen vrijheid schenken kan,
jij wint het van geweld.
---
*226
#12
1
Eens zeiden alle bomen:
'Laat ons tezamen komen,
want ‚‚n ding geeft ons wel verdriet:
Een koning is er niet'.
2
"E‚n moet er koning wezen,
dan valt er niets te vrezen.
Hij zegt precies hoe of het moet
en dan gaat alles goed. "
3
"Laat ons d' olijfboom vragen
de koningskroon te dragen:
Wilt u de bomen-koning zijn?
Dat vinden wij heel fijn."
4
"Mijn vettigheid prijsgeven
om boven u te zweven?
O nee, w t u ook in mij ziet,
uw koning word ik niet."
5
"Laat ons de vijg dan vragen
de koningskroon te dragen:
Wilt u de bomenkoning zijn?
Dat vinden wij heel fijn!"
6
"Mijn zoetigheid prijsgeven
om boven u te zweven?
O nee, w t u ook in mij ziet,
uw koning word ik niet. "
7
"Laat ons de wijnstok vragen
de koningskroon te dragen:
Wilt u de bomen-koning zijn?
Dat vinden wij heel fijn! "
8
"Als u de wijn dan kwijt raakt
die God en mensen blij maakt?
O nee, w t u ook in mij ziet,
uw koning word ik niet."
9
Laat ons de doornstruik vragen
de koningskroon te dragen:
Wilt u de bomen-koning zijn?
Dat vinden wij heel fijn!"
10
"Wil je geh¢orzaam wezen,
dan heb je niets te vrezen.
Kom in mijn schaduw, allemaal,
al ben ik wel wat kaal...
11
M ar wil je mij weerstreven,
dan kost je dat je leven.
Want dan verbrand ik je met vuur,
dan slaat je laatste uur. "
12
Och, arme, arme bomen,
wat moet daar nu van komen?
Die keuze was wel oliedom.
Maar ja, je vr agt erom!
---
*227
#11
1
Het licht is weg uit Isra‰l,
Gods woorden zijn vergeten.
Maar God vergeet de mensen niet,
dat mag een ieder weten.
2
Dan wordt er in die donkere tijd
een jongetje geboren.
Hij hoort bij God, en daarom wordt
zijn haar niet afgeschoren.
3
Ja, iedereen kent Simson met
zijn hele lange haren,
sterk als een leeuw. Maar niemand kan
dat raadsel nog verklaren.
4
De Filistijnen zeggen: "Kies
jij ‚en van onze vrouwen?
Vertel dan ¢ok: W t geeft jou kracht.
Toe, neem ons in vertrouwen."
5
Zie, Simson speelt een spel met hen
als had hij niets te vrezen:
hij laat zich binden met een touw
en met nog natte pezen.
6
Delila heeft zijn haren in
haar weefwerk meegeweven.
Maar w‚er heeft Simson zich bevrijd
en is zijn kracht gebleven.
7
Maar Filistijnen houden vol...
En Simson lijkt verloren:
Het groot geheim geeft hij als prijs
om maar bij h‚n te horen.
8
Is hij z¢ "Simson", Zonnezoon,
Gods sterke man, de vechter?
Wijst hij het volk de goede weg,
zoals een wijze rechter?
9
Het licht is weg uit Isra‰l...
het groot geheim verloren...
Maar God verlaat de mensen niet,
dat moet een ieder horen.
10
Want Simson, blind en machteloos
krijgt kracht als door een wonder.
De God van Isra‰l redt met macht
en Dagon gaat ten onder.
11
D n weet weer elk in Isra‰l:
De Heer is onze koning.
Zijn kracht is sterk als van een leeuw,
zijn Woord is zoet als honing!
---
*228
#5
1
Moeder Naomi ik laat u niet gaan,
dring er bij mij toch niet langer op aan
om van u om te keren.
Laat mij nu gaan naar Uw volk en uw God:
Horen en doen wil ik naar zijn gebod
en een nieuw leven leren.
Refrein:
Uw land is mijn land,
uw volk is mijn volk.
Ik wil delen in uw lot,
ik wil dienen Isra‰ls God.
2
Leeg komt Naomi in Bethlehems veld
en in de stad vragen vrouwen ontsteld:
"Waar zijn je man en zonen?
Wie is de vrouw die daar gaat aan je zij?
Komt zij uit Moab? Is zij niet als wij?
Komt zij in Isra‰l wonen?"
Refrein
3
Achter de maaiers van Bethlehem aan,
achter de vrouwen die binden het graan
raapt Ruth gevallen aren.
Boaz beschermt haar, hij geeft haar zijn brood,
vult met zijn koren de doek op haar schoot,
wil voor de dood bewaren.
Refrein
4
Zie, daar gaat Ruth in haar feestelijk kleed,
diep in de nacht voor de bruiloft gereed,
moedig en zonder vrezen...
Wil Boaz kopen hun land en hun goed,
doen zoals men dat in Isra‰l doet?
Wil hij haar losser wezen?
Refrein
5
Ruth trouwt met Boaz, haar lot neemt een keer:
naar de geboden van Isra‰ls Heer
wordt er weer hoop gegeven.
Leeg was Naomi... Maar zie: op haar schoot
ligt nu een kind. De vervulling is groot,
vol van het nieuwe leven!
Refrein
---
*229
#4
1
Koning Salomo moet kiezen
wat voor koning hij wil zijn.
Wil hij rijk zijn, sterk en machtig?
Houdt hij vriend en vijand klein?
2
Salomo zegt: Ik wil wijs zijn:
weten wat is goed of kwaad.
Ik wil antwoord kunnen geven
als het volk mij vraagt om raad.
3
Maar het volk telt z¢ veel mensen,
en ik voel mijzelf zo klein.
Wil mij daarom helpen, Here,
en voor mij een raadsman zijn.
4
Salomo zal Vrede brengen,
als hij naar Gods woorden doet.
Ja, z¢ moet een koning wezen,
z¢ regeert hij wijs en goed.
---
*230
#2
1
Samu‰l! Samu‰l!
Samu‰l zegt in het duister:
'Spreek maar Eli, want ik luister'.
Maar het zijn niet Eli's woorden
die hij 's nachts wel driemaal hoorde.
Eli heeft het in de gaten:
God wil met zijn knechtje praten.
2
Samu‰l! Samu‰l!
Samu‰l zegt in het duister.
"Spreek nu Here, want ik luister. "
"Jij zult straks," zo spreekt de Here,
"aan het volk mijn woorden leren."
Zodat alle mensen weten:
nooit zal God zijn volk vergeten.
---
*231
#6
1
Waar is een koning voor Isra‰ls troon?
Woont hij in Bethlehem, Isa‹'s zoon?
Hij hoedt de schapen, nog niet zo geacht,
David, de kleinste, wie had dat gedacht?
2
Wie durft te vechten met de Filistijn?
Wie zal voor Isra‰l de voorvechter zijn?
David, de herder, in Naam van de Heer
velt hij de spotter van Isra‰ls eer.
3
Wie moet er vluchten, wie zwerft als een hond
over de bergen als banneling rond?
David, verstopt in spelonk en woestijn.
Zal die de koning van Isra‰l zijn?
4
Wie zingt er psalmen, wie juicht tot Gods eer,
roept uit de diepte tot Isra‰ls Heer.
"God is mijn Herder. Ja, Hij gaat vooraan.
Achter zijn stok en zijn staf wil ik gaan!"
5
Wie buigt met eerbied voor Saul in het zand,
houdt van diens mantel een slip in zijn hand?
Saul wil hem doden... Maar David, in nood,
hij spaart het leven: een koning z¢ groot...
6
David uit Bethlehem, Isai's zoon,
hij wordt de koning op Isra‰ls troon.
Koning ‚n herder, bij vreugd en bij smart,
David, gezalfde, een man naar Gods hart!
---
*232
#3
1
E‚n twee drie vier vijf zes zeven,
God wil ons een koning geven.
Zeven broers bij Samu‰l...
Wie is het niet en wie is het wel?
2
E‚n twee drie vier vijf zes zeven.
Waar is nummer acht gebleven?
David komt bij Samu‰l...
Is hij het niet of is hij het wel?
3
E‚n twee drie vier vijf zes zeven.
Lang zal kleine David leven!
Want hij wordt, zegt Samu‰l,
onze koning. Hij is het w‚l!
---
*233
#5
1
Hanna heeft een groot verdriet:
hoort de Heer haar vragen niet,
als zij zegt: 'Och luister Heer,
'k ben verdrietig, telkens weer,
omdat ik in Isra‰l woon
zonder toekomst, zonder zoon'.
2
In de tempel knielt zij neer
en zij fluistert: "Hoor toch, Heer!
Want een kind, dat U mij geeft,
is voor U, zo lang bij leeft
en ik blij in Isra‰l woon,
ik, de moeder van een zoon!
3
Priester Eli ziet haar daar
en hij heeft zijn oordeel klaar.
"W‚er een dronken vrouw misschien?
Dan wil ik haar hier niet zien!"
Priester Eli, zie je niet
Hanna, met haar groot verdriet?
4
"U vergist zich echt, mijn heer.
'k Heb gebeden tot de Heer,
en ik heb aan Hem verteld
hoe een groot verdriet mij kwelt.
In zijn tempel zei ik zacht
waar ik jarenlang op wacht."
5
Hoor wat priester Eli zegt:
"Sta nu op! Het komt terecht!
Zeker is dat God je geeft
dat je blij in Isra‰l leeft.
Want de Heer heeft je gehoord.
Ga in Vrede, op zijn Woord."
---
*234
#2
1
Hoor je wat de mensen roepen
boven op de hoge berg?
'Wat Elia ons liet weten
moeten wij niet meer vergeten.
Want de HERE, H¡j is God'.
2
Weet je wat wij van hem horen,
van Elia de profeet?
"Jullie moeten je bekeren
en de Ba„ls niet meer eren.
Want de HERE, Hij is God!"
---
*235
#6
1
Na„man, wees niet boos,
maar hoor wat de profeet je zegt.
Al staan die woorden jou niet aan,
al stuurt hij maar een knecht...
Refrein:
Zeven keer, zeven keer
buig in de Jordaan je neer,
en van andre goden rein,
zul je dan genezen zijn.
2
Na„man, buig je neer en word
gedoopt in de Jordaan.
Dat water wast je wonden weg
in 't land van Kana„n.
Refrein
3
Na„man buigt zich zevenmaal
naar 't Woord van de profeet.
Hij dompelt zich in de Jordaan,
voorbij is dan zijn leed.
Refrein
4
Na„man staat voor de profeet,
Hij zegt: N£ weet ik w‚l:
Op heel de aarde is geen god
dan die van Isra‰l!
Refrein
5
Ik weet dat op uw Woord geschiedt
het heil van Isra‰ls Heer.
Neem van uw dienaar een geschenk,
eer dat ik huiswaarts keer.
Refrein
6
Elisa zegt: Ik dien de Heer.
Niets neem ik van u aan.
God geeft zijn heil als een geschenk:
U kunt in Vrede gaan!
Refrein
---
*236
#4
1
Esther is het sterretje
van het schoonheidsbal.
Als de koning haar daar ziet,
weet hij wie hij kiezen zal:
Ja, Esther (een jodinnetje)
wordt zijn nieuwe koninginnetje.
2
Haman is de grootvizier,
dus een machtig heer.
Hij wil in het hele land
helemaal geen joden meer.
Maar, Esther (het jodinnetje)
is het nieuwe koninginnetje...
3
Mordechai, Esthers oom,
zittend in de poort,
heeft het Haman-plan verstaan:
't joodse volk wordt uitgemoord.
"Toe, Esther (mijn jodinnetje),
wees nu ‚cht een koninginnetje. "
4
Esther, koninginnetje
bij de wil van God,
zegt de koning Hamans plan.
Z¢ keert zich door haar het lot.
Ja, Esther (dat jodinnetje)
is een ster van 'n koninginnetje!
---
*237
#8
1
De Heer wil ik vereren,
de God van Isra‰l.
Hij zal alleen mijn richter zijn,
dus heet ik Dani‰l.
2
Ik wil geen koningseten,
geen koninklijke wijn,
want met mijn vrienden alle drie
wil ik Gods dienaar zijn.
3
Uw vreemde droom, o koning,
God maakt hem mij bekend:
Uw koninkrijk gaat eens voorbij,
dan heeft uw macht een eind.
4
Ze bogen n¡et, mijn vrienden,
ze knielden niet terneer.
Hun trouw aan God werd door zijn
niet door het vuur verteerd.
5
Ik zie Gods eigen Woorden
als teken aan de wand:
Ik heb u, koning Belsazar,
gewogen op mijn hand!
6
Ik kniel niet voor de koning,
al is dat zijn gebod.
Ik richt mij naar Jeruzalem,
aanbid all‚en mijn God.
7
Geworpen voor de leeuwen,
o koning, hoor mij aan,
sloot God hun grote muilen toe,
want ik heb niets misdaan.
8
De Heer wil ik vereren,
de God van Isra‰l.
Hij kan alleen mijn richter zijn,
want ik heet: Dani‰l!
---
*238
#12
1
Wie is er in Isra‰l
de profeet, de profeet?
Jona is in Isra‰l
de profeet.
2
Waar moet de profeet naar toe?
Ninev‚, Ninev‚.
Daar moet de profeet naar toe:
Ninev‚.
3
Waar wil Jona niet naar toe?
Naar dat volk, naar dat volk.
Daar wil Jona niet naar toe:
naar dat volk.
4
Wie vlucht er de haven uit
op een schip, op een schip?
Jona vlucht de haven uit
op een schip.
5
Waar komt Jona nu terecht?
In de zee, in de zee.
Daar komt Jona in terecht:
in de zee.
6
Hoe komt Jona weer aan land?
In een vis, in een vis.
Zo komt Jona weer aan land:
in een vis.
7
Wie doet nu wat hij moet doen?
De profeet, de profeet.
Die doet nu wat hij moet doen:
de profeet.
8
Wie roept daar door Ninev‚:
't Is te laat! 't Is te laat!
Jona roept door Ninev‚:
't Is te laat!
9
Wat doet 't volk van Ninev‚?
't Keert zich om, 't keert zich om.
Dat doet 't volk van Ninev‚:
't Keert zich om.
10
Wat gebeurt met Ninev‚?
't Blijft bestaan, 't blijft bestaan.
Dat gebeurt met Ninev‚:
't Blijft bestaan.
11
En wie is er nu niet blij?
Jona niet, Jona niet.
En wie is er nu niet blij?
Jona niet!
12
Wie ontfermt zich over ons?
God de Heer, God de Heer.
Wie ontfermt zich over ons?
God de Heer.
---
*239
#6
1
Daar was een profeet in het land Isra‰l,
die kreeg op een dag van de Heer een bevel:
'Jona, je moet nu naar Ninev‚ gaan,
want een stad zo vol kwaad kan voor Mij niet bestaan'.
Refrein:
Jona sta op! Predik het Woord
dat nog geen mens in die stad heeft gehoord.
2
Daar ging de profeet, maar hij ging naar de zee,
en niet naar het land van de stad Ninev‚...
Dus Jona ging af... naar de kust, in een boot,
en de boot voer af naar de zee van de dood.
Refrein
3
En daar, in de diepte, in 't ruim van de boot,
lag Jona gerust in de slaap van de dood...
De zee woedde fel om het stampende schip,
maar Jona was doof voor de storm en hij sliep.
Refrein
4
De zeelieden vochten verbeten en fel,
maar zij vochten vergeefs in het hart van de hel.
Ze riepen, ze schreeuwden, een elk tot zijn god,
en radeloos, redeloos wierpen zij 't lot.
Refrein
5
Het lot viel op Jona, verwees hem ter dood,
omdat hij niet deed wat zijn God hem gebood.
In de woedende zee, waar de vis is een graf,
daalt Jona, Gods duif, in het doodsgebied af.
Refrein
6
In 't hart van de dood gedenkt Jona het Woord
dat roept uit de diepte en door God wordt gehoord.
De vis is zijn redding, de vis wordt een boot,
en Jona, Gods duif, wordt gered van de dood.
Refrein
---
*240
#5
1
Veertig dagen, tijd vervuld
van Gods liefde en geduld.
Veertig dagen om te leren
tot de Here zich te keren.
Veertig dagen zegt het voort!
Hoor, o stad, des Heren Woord!
2
Veertig dagen, en gij zult
't einde zien van Gods geduld
Veertig dagen, en de Here
zal de grote stad omkeren!
Veertig dagen, zegt het voort!
Hoor, o stad, des Heren Woord!
3
Veertig dagen nergens feest...
zak en as voor mens en beest.
Veertig dagen... allen moeten
vasten, bidden, smeken, boeten.
Veertig dagen, zegt het voort!
Hoor, o stad, des Heren Woord!
4
Veertig dagen... Man, kind, vrouw,
koning, knecht zijn in de rouw.
Veertig dagen... Zal de Here
zich nu naar de stad toekeren?
Veertig dagen, zegt het voort!
Hoor, o stad, des Heren Woord!
5
Veertig dagen... Zing een lied!
Want de Here deed het niet.
Waarom haar nog om te keren,
nu de stad zich om wil keren?
Veertig dagen, tijd vervuld
van Gods liefde en geduld.
---
*241
#5
1
Er was eens een koning...
in regeren sterk:
ieder had een woning,
iedereen had werk.
2
Alle, lle mensen
zijn hem heel veel waard.
ledereen mag leven
naar zijn eigen aard.
3
Aan de zwakken denkt hij,
mensen, ziek of oud.
Om de armen geeft hij,
hongerig en koud.
4
Vreemden mogen wonen
met ons allemaal,
kinderen leren spelen
in ‚enzelfde taal.
5
Laat ook ¢ns zo'n koning,
'n goede koning zijn.
Dan zal 't vrede wezen,
vrede in het klein.
---
*301
#1
1
Toen Jezus in de tempel kwam
en Simeon Hem zag,
toen zei hij tegen iedereen:
'Dit is mijn mooiste dag!'
---
*302
#9
1
Als Jezus nog een kindje is
van twee en veertig dagen,
dan wordt hij op Maria's arm
de tempel in gedragen.
2
En Jozef brengt een offer mee
zoals staat voorgeschreven:
twee tortelduiven voor de HEER,
als dank voor 't nieuwe leven.
3
Zij gaan hun eerstgeboren zoon
nu aan de priesters tonen.
Dat is in Isra‰l gewoon
voor alle eerste zonen.
4
Op 't tempelplein staat Simeon.
Hij heeft in zijn gedachten:
'Eens zal ik de Messias zien,
die wij zo lang verwachten.'
5
Daar komen ouders met hun kind
de trappen opgelopen.
Als Simeon dit kindje ziet,
gaan hem de ogen open!
6
'O HEER, vandaag geschiedt Uw Woord!
N£ kan ik gaan in Vrede.
Vandaag heb ik Uw heil gezien
waar ik om heb gebeden.'
7
'Dit kleine kindje, waarop ik
maar niet raak uitgekeken:
veel mensen zullen v¢¢r hem zijn,
en veel hem t‚genspreken.'
8
'Maria, neem uw kleine zoon.
Veel zult u om hem lijden.
Dan is het of een vlijmscherp zwaard
u door de ziel zal snijden.'
9
'Dit kleine kind wil God de HEER
aan alle volkeren geven;
want in dit heil voor Isra‰l
mag heel de wereld leven.'
---
*303
#4
1
Lucas heeft een boek geschreven
over Jezus, die zijn levenlang
gehoord heeft naar Gods stem.
Weet je waar je hem kon vinden?
Bij de schriftgeleerden
in de tempel van Jeruzalem.
2
Jezus is als kleine jongen
in de dienst van God begonnen
als een echte 'zoon der wet'.
Later zou hij daarom mogen
lezen in de synagoge
van het dorpje Nazareth.
3
En hij las uit de Profeten
dat de mensen mogen weten
van een goede, nieuwe ti@d.
Blinden gaan de ogen open,
en verlamden kunnen lopen,
zieken zijn van pijn bevrijd.
4
Lucas heeft een boek geschreven
over Jezus, die zijn leven
eindigde in Jeruzalem.
Maar hij is opnieuw gaan spreken
velen die verloren leken
stonden op, en volgden hem.
---
*304
#5
1
Waar is Jezus toch gebleven,
is hij niet op weg naar huis?
Is hij ook niet bij zijn vrienden,
komt hij nu niet bij ons thuis?
2
In de stilte van de tempel,
in het huis van God, de Heer,
luistert Jezus naar de rabbi's
en hij vraagt hun steeds maar meer.
3
Jozef en Maria zoeken
hem in heel Jeruzalem...
Waar ze hem tenslotte vinden?
In de tempel zien zij hem.
4
'Kind, waar was je toch gebleven?'
vraagt Maria heel ontdaan.
'Ben je, als de andere jongens,
niet op weg naar huis gegaan?'
5
'Wist u niet dat ik moet wezen
in de tempel, in Gods huis?
D ar leer ik Gods wegen kennen,
d ar ben ik bij Vader thuis!'
---
*305
#5
1
Zeg, heb je wel die man gezien,
die man bij de Jordaan,
een man die leeft in de woestijn:
Johannes is zijn naam.
2
Zeg, heb je wel die man gehoord
die roept bij de Jordaan?
Zou daar misschien een groot profeet
of... de Messias staan'?
3
Zeg, heb je wel die man gehoord
die spreekt bij de Jordaan?
Hij zegt aan wie maar horen wil:
'Uw Koning komt eraan!'
4
Zeg, heb je wel die man gezien,
die man bij de Jordaan?
Hij doopt elk die proberen wil
de nieuwe weg te gaan.
5
Zeg, heb je wel die man gezien?
Hij doopt in de Jordaan
ook Jezus, die daarin de dood
sterft om weer op te staan!
---
*306
#3
1
Jezus staat aan de Jordaan,
aan het water, aan het water.
'Doper, wil jij met mij gaan,
't water in van de Jordaan?'
2
Jezus staat in de Jordaan
in het water, in het water.
'Doper, laat mij onder gaan.
doop mij nu in de Jordaan.'
3
Jezus komt uit de Jordaan,
uit het water, uit het water.
Zo is Jezus ¢pgestaan
en is hij zijn weg gegaan
---
*307
#5
1
Jezus komt bij de Jordaan
en hij ziet Johannes staan.
Velen komen toegelopen,
laten zich in 't water dopen.
Water toe en water open:
wie gedoopt is die kan gaan.
2
Jezus staat bij de Jordaan
en hij ziet Johannes aan:
'lk kom naar jou toegelopen,
wil ook mij in water dopen.'
Water toe en water open:
Wie gedoopt is, die kan gaan.
3
Maar Johannes ziet hem aan:
'Waar haal ik het recht vandaan
om als knecht mijn Heer te dopen,
met u 't water in te lopen?'
Water toe en water open:
Wie gedoopt is, die kan gaan.
4
Jezus zegt: 'Dit moet gedaan.
Laten wij in 't water gaan.
Want ik wil Gods weg gaan lopen,
d arom moet jij mij nu dopen.'
Water toe en water open:
Wie gedoopt is, die kan gaan.
5
Jezus, diep in de Jordaan,
is het water ingegaan.
Nu de knecht de Heer wil dopen,
kan Gods knecht de weg gaan lopen
Water toe en water open:
Wie gedoopt is, die kan gaan.
---
*308
#4
1
Een feest, een feest in Kana.
Ook Jezus is erbij.
't Is bruiloftsfeest in Kana,
en iedereen is blij.
2
Maar op het feest in Kana
is er geen wijn genoeg...
Eindigt het feest van Kana
nu toch nog v‚el te vroeg?
3
Geen feest, geen feest in Kana.
Maar hoor wat Jezus zegt:
'Doe water in de kruiken.
D n komt het feest terecht.
4
Giet uit de volle kruiken,
het water wordt tot wijn!'
't Is feest,'t is feest in Kana.
Z¢ zal het Bruiloft zijn!
---
*309
#4
1
Een bruiloftsfeest in Kana
waar heel veel gasten zijn.
De bruiloftsgangers drinken
een feestelijke wijn.
2
Een bruiloftsfeest in Kana,
ook Jezus wil daar zijn,
ook hij wil feest gaan vieren.
Maar is er nu geen wijn..?
3
'Kom, vul nu toch de vaten
en schep het water uit!
N£ kunnen wij gaan klinken
op bruidegom en bruid!'
4
Een bruiloftsfeest in Kana
waar heel veel gasten zijn.
De bruiloftsgangers drinken
de feestelijke wijn.
---
*310
#4
1
Simeon, Andreas, daar op het meer,
leg nu je netten maar naast je neer!
Jezus de Heer roept vanaf het strand:
Kom met mij mee, volg mij door het land.
2
Johannes, Jakobus, daar op het strand,
leg nu de netten maar aan de kant!
Groet nu je vader en ook je knecht;
Jezus de Heer is het, die dat zegt.
3
Levi, kom toch bij je tol vandaan,
volg mij, en laat nu dat geld maar staan!
Kom, laat ons eten, nu is het feest,
wel voor een tollenaar 't allermeest!
4
Thomas, Philippus, Nathana‰l,
allen zijn zonen van Isra‰l.
Twaalf discipelen, en nog veel meer:
Wie naar hem horen wil, roept de Heer.
---
*311
#3
1
Wie zoekt aan dorens druiven?
Zo dwaas is er niet ‚‚n.
Want goede vruchten komen
slechts aan de goede bomen,
en elders vind je geen!
2
Wie zoekt aan distels vijgen?
Zo dwaas is er niet ‚‚n.
Want slechte vruchten komen
er aan de slechte bomen,
en goede vind je geen!
3
Kun je van mensen weten
dat ze Gods mensen zijn?
Alleen als heel hun leven
vertelt wat God wil geven.
De rest is vrome schijn.
---
*312
#3
1
Storm, storm, storm op het meer,
storm slaat van de bergen neer.
Zie de huizenhoge golven,
bijna is het schip bedolven.
2
Storm, storm, storm op het meer.
Wij vergaan! Waar bent u, Heer?
Breng de golven tot bedaren,
wil ons voor de dood bewaren.
3
Storm, storm, storm op het meer.
Uit de storm redt ons de Heer.
Hij spreekt Woorden en het leven
wordt aan ons teruggegeven.
---
*313
#6
1
Een zaaier ging uit om te zaaien
nadat hij het veld had geploegd;
veel stenen en struiken geruimd had
en dagen aaneen had gezwoegd.
2
Een deel van het zaad dat hij zaaide
kwam niet in de voren terecht.
Het kwam op het pad langs de akker.
Dat viel voor de vogels niet slecht.
3
Een ander deel viel op de plekken
met keien en steenbrokken neer.
Wel kon het daar soms nog ontkiemen,
maar spoedig verdorde het weer.
4
Een ander deel viel in de dorens
die ook op het korenveld staan.
Het zaad kon daartussen niet groeien,
is langzaam verloren gegaan.
5
Een ander deel viel in de voren,
in vochtige, vruchtbare grond.
Daar groeide het uit tot het koren,
waar ieder verwonderd van stond.
6
Wie oren heeft zal kunnen horen:
In wie zich aan Gods Woorden houdt,
groeit stilaan een oogst, overvloedig,
van zestig- tot zŠlfs honderdvoud!
---
*314
#4
1
Er lag een mosterdzaadje,
zo klein, zo heel erg klein,
stil in de grond te wachten
op vocht en zonneschijn.
2
En nu die zijn gekomen,
kan 't zaadje groeien gaan.
Het schiet op uit de aarde:
er is geen houden aan!
3
Zo groeit het mosterdplantje.
Je weet niet wat je ziet:
een grote boom, die vogels
plaats voor hun nestjes biedt.
4
Er is iets aan het komen,
die mosterdboom gelijk:
het Rijk waarvan wij dromen
Het is Gods Vrederijk.
---
*315
#2
1
Wij brengen het brood naar de schare;
de Heer geeft het ons in de hand.
Het is er niet om te bewaren:
het brood gaat van hand tot hand.
2
De Heer spreekt de Woorden van Leven,
Hij geeft ons het Woord in de mond.
Hij geeft het om verder te geven:
het Woord gaat van mond tot mond.
---
*316
#3
1
Zie, hij komt om alle volken
mild te zeeg'nen als hun Heer,
zoals eenmaal de vierduizend
aan de oever van het meer.
"Geef hun", sprak Hij, "brood en vis,
geef hun wat voorhanden is".
2
Zoals eenmaal de discipelen
deelden uit des Heren hand,
mogen wij ook anderen geven
uit de overvolle mand.
Want zo redden brood en vis
ieder mens die hongerig is.
3
Heer, u bent het Brood des Levens
en het teken van de vis.
Door u worden wij gezegend,
als wij komen aan uw dis.
Overvloed geeft u ons, Heer,
voor vierduizend en veel meer.
---
*317
#1
1
De herder telt zijn schaapjes:
‚‚n is er niet meer bij...
Dat schaapje gaat hij zoeken.
Die schaapjes, dat zijn wij,
die schaapjes dat zijn wij.
---
*318
#5
1
Een twee drie vier en zo verder,
alle schapen telt de herder;
wel tot honderd moet hij gaan,
z¢lang zal hij blijven staan.
2
Bijna honderd telt de herder
en dan kan hij niet meer verder,
want, o, nu ontbreekt er ‚‚n,
zoekend kijkt hij om zich heen.
3
Herder, herder, ga toch slapen,
je hebt bijna al je schapen.
Herder, blijf maar rustig hier,
maak geen zorgen om dat dier!
4
Maar de herder maakt w‚l zorgen,
wachten wil hij niet tot morgen,
zoeken zal hij heel de nacht
tot het schaap is thuisgebracht.
5
Blij zegt hij aan al zijn vrinden:
'Zie, ik mocht mijn schaap weer vinden!
Kom en wees verheugd met mij,
want ook dit schaap hoort erbij!'
---
*319
#5
1
Kind'ren kom,
keer je om,
blijf niet staan,
kom vooraan!
2
Zie, de Heer
is er weer.
Wie hem hoort
hoort het Woord.
3
Wat hij zegt?
Hij spreekt recht.
Wat hij doet?
Hij doet goed.
4
En hij vindt:
ook een kind
hoort erbij.
Want hij zei:
5
Kind'ren kom,
keer je om,
blijf niet staan,
kom vooraan!
---
*320
#3
1
Kinderen in Isra‰l
waren niet in tel.
Kinderen in Isra‰l
stonden buiten spel.
2
Maar bij Jezus staat niet ‚‚n,
wie ook, buiten spel.
Want bij hem blijft iedereen,
wie ook, steeds in tel.
3
Daarom zegende de Heer
kinderen op een keer.
Daarom zegent ons de Heer
nu ook telkens weer.
---
*321
#4
1
Eenmaal mochten kinderen
rondom Jezus staan,
niemand mocht hen hinderen
naar Hem toe te gaan.
2
Vriendelijke woorden
heeft hij toen gezegd,
Zegenende handen
op hun hoofd gelegd.
3
Jezus ziet de kleinen
en die zwak zijn aan.
En de allerlaatsten
zet hij juist vooraan.
4
Daarom mogen kinderen
rondom Jezus staan.
En mag geen hen hinderen
naar hem toe te gaan.
---
*322
#7
1
Hoog tegen de bergen
van mooi Isra‰l,
planten wij een wijngaard,
't groeit hier wonderwel.
Heija, heija, heija
dans nu hand in hand,
heerlijk zijn de vruchten
van 't Beloofde Land.
2
Wakend op de toren,
wakker ieder uur,
zodat er geen vijand
klimt over de muur.
Heija, heija, enz.
3
Snoei de wilde loten,
spaar de rank die leeft,
opdat straks de wijnstok
rijke vruchten geeft.
Heija, heija, enz.
4
Vang de slimme vossen,
let op elk gerucht.
Pas goed op de wijngaard,
want de druif zet vrucht.
Heija, heija, enz.
5
Vele, vele druiven,
trossen, vol en zwaar,
melden op een morgen:
Zie, de oogst is daar!
Heija, heija, enz.
6
Treed met ons de persbak,
zing een vrolijk lied.
Want wie zou niet juichen
die zo'n rijkdom ziet.
Heija, heija, enz.
7
Dank God voor de wijngaard,
vol is kruik en kan.
Land van melk en honing,
heerlijk Kana„n!
Heija, heija,
Heija dans nu hand in hand,
Hij schenkt ons zijn zegen
in 't Beloofde Land!
---
*323
#4
1
Is wat je zegt wel echt?
Is wat je doet wel goed?
Laat wat je zegt en doet,
echt zijn en goed!
2
Hij die wel 'Ja Heer' zegt,
maar daarna 'Nee Heer' doet,
die handelt toch wel echt
niet zo het moet.
3
En hij die 'Nee Heer' zegt,
maar daarna 'Ja Heer' doet,
die handelt niet zo slecht,
maar nog niet goed.
4
Want hij die 'Ja Heer' zegt
en dan ook 'Ja Heer' doet,
die spreekt en doet wel echt
zoals het moet.
---
*324
#14
1
Alle werkers:
Wij wachten op het plein
tot iemand ons komt huren.
Zou het nog heel lang duren?
Wie zal de eerste zijn?
2
Heer van de wijngaard:
Gij mensen van het plein,
kom heden in mijn wijngaard,
een werker is zijn loon waard:
dat zal een schelling zijn.
3
De overgebleven werkers:
Wij wachten op het plein
tot iemand ons komt huren.
Het is nu negen uren.
Wie zal de tweede zijn?
4
Heer van de wijngaard:
Gij mensen van het plein,
kom ook maar in mijn wijngaard,
een werker is zijn loon waard:
dat zal voldoende zijn.
5
De overgebleven werkers:
Wij wachten op het plein
tot iemand ons komt huren,
Het is nu twaalf uren.
Wie zal de derde zijn?
6
Heer van de wijngaard:
Kom mensen van het plein,
werk ook maar in mijn wijngaard,
een werker is zijn loon waard:
dat zal voldoende zijn.
7
De overgebleven werkers:
Wij wachten op het plein
maar niemand komt ons huren.
Nu is het al vijf uren.
Er zal geen werk meer zijn.
8
Heer van de wijngaard:
En wie er nu nog zijn,
kom ook maar in mijn wijngaard,
een werker is zijn loon waard:
dat zal voldoende zijn.
9
Alle werkers:
Nu is het werk voorbij,
't is tijd voor uitbetalen.
We zullen geld gaan halen,
kom vlug nu in de rij!
10
Heer van de wijngaard:
De laatsten van het plein
zal ik het eerst betalen,
kom hier uw loon maar halen:
het zal een schelling zijn.
11
De andere werkers:
Maar Heer! Gaat u aan hen
ook al een schelling geven?
Wat gaan we nu beleven!
Wat krijgen wij van u?
12
Zij evenveel als wij?
Maar wacht u nu eens even,
u moet ons ook meer geven:
wij deden meer dan zij!
13
Heer van de wijngaard:
Maar vrienden, wat een toon!
wat heb ik u ontnomen?
Het overeengekomen
bedrag is toch uw loon!
14
Neem 't uwe en ga heen.
Ik wil hun 't zelfde geven.
Want God wil dat het leven
goed is voor iedereen.
---
*325
#5
1
Ze bouwden een tempel, ze zochten een steen
voor de boog van de poort van de tempel.
Ze zochten al eeuwen, ze vonden er geen
en ze kwamen niet over de drempel.
2
Ze bouwden een tempel, ze vonden een steen,
die leek wel uit de hemel gevallen.
Ze maten en pasten en keurden de steen
en ze keurden hem af met z'n allen.
3
Ze keurden hem af voor de boog en de toog,
voor de vloer en het dak van de tempel:
te zwaar en te breed en te lang en te hoog,
en zo bleven ze staan voor de drempel.
4
Ze namen de steen en ze wierpen hem weg,
zo ver weg als ze wegwerpen konden.
Hij lag daar als afval en puin langs de weg,
en door niemand meer dienstig bevonden.
5
Maar God nam die steen en Hij keurde hem goed
voor de boog van de poort van de tempel.
Toen werd hij de hoeksteen, zoals het ook moet:
want z¢ komen wij over de drempel.
---
*326
#5
1
Er is een feest ophanden;
wij maken alles klaar
en wachten tot we horen:
'De bruidegom is daar!'
2
Want eenmaal zal hij komen
met heel zijn bruiloftsstoet.
Dan gaan wij met ons lichtje
hem stralend tegemoet.
3
Zorg dat de lamp blijft branden!
En heb je ‚cht verwacht,
dan heb je nog een kruikje
vol olie meegebracht.
4
De bruidegom zal komen
maar is je olie op
dan vul je vlug je lampje
en brandt het weer volop.
5
Nu is het feest ophanden;
doe dus de lampen aan!
En laat ze vrolijk branden
wij kunnen binnengaan!
---
*327
#5
1
Maria heeft een mooi geschenk
dat zij heel stil bewaart.
Ze is er blij mee, want ze heeft
er heel lang voor gespaard.
2
Ze weet nog niet voor wie 't zal zijn,
of voor wanneer, misschien.
Maar 't wacht heel stil, en tot hoelang.
dat zal ze nog wel zien.
3
En op een dag komt Jezus langs,
het is de laatste keer...
Dan weet Maria het opeens:
Ik geef het aan de Heer.
4
Het wordt heel stil, en ieder kijkt
naar wat Maria doet...
Is deze olie niet verspild?
Is dit geschenk wel goed?
5
Maar Jezus zegt: 'Zij ziet het goed.
Laat haar maar stil begaan.
Dit is voor mijn begrafenis.
Zij heeft het goed gedaan.'
---
*328
#4
1
De Heer gaat door de velden,
door velden vol met graan.
Zijn vrienden krijgen honger
en plukken onder 't gaan.
2
De farizee‰n zeggen:
'Heer, waar is nog gezag?
Wat vrienden doen op sabbat
wat niet op sabbat mag.
3
De Heer der sabbat spreekt dan
'Zij hebben goed gedaan.
De sabbat is de feestdag
van het begin af aan?
4
De sabbat dient de mensen.
Maak niet wat recht is krom:
de sabbat dient het leven,
en 't is niet andersom!
---
*329
#8
1
Er reisde van Jeruzalem
een man naar Jericho.
Hij ging alleen, en dus liep hij
een heel groot risiko.
2
Er kwamen rovers op hem af,
die roofden wat hij had.
Ze sloegen hem en kozen toen
heel gauw het hazepad.
3
De man lag half-dood langs de weg,
vol wonden in de zon...
Een priester, die hem liggen zag,
liep wat hij lopen kon.
4
Ook een leviet ging aan de man
zo gauw hij kon voorbij:
een dode immers is onrein...
Kom daar dus niet dichtbij.
5
Toen kwam er een Samaritaan.
Maar die ging niet voorbij.
Hij stapte van zijn rijdier af
en stond hem zorgzaam bij.
6
Hij gaf de zwaargewonde man
te drinken van zijn wijn,
goot olie op de wonden uit
voor 't stillen van de pijn.
7
En daarna heeft hij nog voor hem
een herberg opgezocht.
Hij vroeg de allerbeste zorg,
w t het ook kosten mocht.
8
Wie de gelijkenis verstaat,
die weet voortaan heel goed
voor wie je, als het nodig is,
de naaste wezen moet.
---
*330
#2
1
'Gij zult het licht der wereld zijn',
zei Jezus tot de zijnen.
Een licht mag niet verborgen zijn,
maar is er om te schijnen.
2
Een licht onder de korenmaat
heeft niemand iets te geven.
Een licht dat op de standaard staat
geeft zicht en dient het leven.
---
*331
#4
1
Al heb ik er wel honderd,
dat ‚ne hoort erbij.
Niet eentje uitgezonderd!
Want dat is ook van mij.
Een herder was zijn schaapje kwijt,
maar wordt het weer gevonden,
dan zegt de herder blij:
Verheug je nu met mij!
2
Een vrouw is aan het zoeken,
haar huis in rep en roer!
Zij kijkt in alle hoeken...
Daar ligt hij, op de vloer!
Ik was die ene schelling kwijt.
Nu heb ik hem gevonden!
En daarom zeg ik blij:
Verheug je nu met mij!
3
Een vader had twee zonen,
de ene ging van huis...
Maar vader blijft verwachten:
eens komt mijn kind weer thuis.
Want de verloren zoon was weg
Maar wordt hij weer gevonden,
dan zegt de vader blij:
Verheug je nu met mij!
4
Die ‚ne was verloren,
die ‚ne was als dood...
Maar wordt hij weer gevonden,
dan is de vreugde groot.
En om d t ene kleine schaap,
die schelling en die zoon,
zegt God de Vader blij:
Verheug je nu met Mij!
---
*332
#4
1
Eens was een vrouw haar schelling kwijt.
Waar moet ze die toch zoeken?
Ze veegt haar hele kamer schoon
en kijkt in alle hoeken.
2
Eens was de vrouw haar schelling kwijt
en ieder moet het horen...
Want o, wat is zij in de war
om wat zij heeft verloren.
3
Eens was de vrouw haar schelling kwijt.
Ze moet en zal hem vinden...
Zie daar! Zij vindt haar schelling weer!
Dan roept zij al haar vrienden:
4
Ik ben mijn schelling niet meer kwijt!
Ik ga het huis versieren
en richt voor ons een maaltijd aan.
kom, laten wij dit vieren!'
---
*333
#8
1
Zaches woont in Jericho;
hij is een heel rijk heer.
Hij heeft een groot en prachtig huis,
maar elk kijkt op hem neer...
2
Zaches is een tollenaar
die heel veel geld verdient.
T¢ch is hij geen gelukkig mens,
want niemand is zijn vriend.
3
Als Jezus door het stadje komt,
loopt elk hem tegemoet.
De mensen willen weten wat
hij zegt en wat hij doet.
4
Zaches is maar klein van stuk,
dus loopt hij vlug vooruit,
klimt in een vijgeboom omhoog
en kijkt naar Jezus uit...
5
'Zaches' roept de Heer naar hem,
'kom vlug weer naar omlaag.
Want ik wil wezen in jouw huis.
Wij vieren feest vandaag!'
6
Vlug komt Zaches naar omlaag
en zegt:'Komt u bij mij?
N£ ben ik een gelukkig mens,
n£ voel ik mij weer vrij!'
7
'De helft van heel mijn groot bezit
geef ik de armen, Heer.
En al wat ik gestolen heb
geef ik viervoudig weer.'
8
'O zoon van Abraham, kind van God,
vergeven is je schuld.
Aan jou is hier het heil geschied!
Z¢ wordt Gods Woord vervuld'
---
*334
#1
1
Veel eersten zullen laatsten zijn,
veel laatsten eersten.
Veel laatsten zullen eersten zijn,
veel eersten laatsten.
---
*335
#4
1
In de nacht gaat Nicod‚mus
naar de nieuwe leraar toe:
Rabbi Jezus spreekt in Woorden
die hij nog van niemand hoorde...
2
In de nacht spreekt Nikod‚mus
lange uren met de Heer.
Veel, ja h‚el veel wil hij horen!
Hij voelt zich opnieuw geboren!
3
In de nacht hoort Nikod‚mus
spreken van het Rijk van God.
Wil je in dat Rijk naar binnen,
ga dan ‚cht opnieuw beginnen.
4
In die nacht weet Nikod‚mus:
God heeft alle mensen lief.
Hij heeft ons zijn Zoon gegeven.
Wie in hem gelooft, zal leven.
---
*336
#5
1
Simon, Simon roep de Heer,
laat je netten bij het meer,
en je vangt in plaats van vis,
mensen uit de duisternis.
Simon is een mens als wij,
als de Heer vraagt: 'Volg je Mij?'
2
'Simon, Simon, op dit Woord
leeft nu mijn gemeente voort!
Petrus is je naam voortaan,
als een rots zul jij daar staan.'
Petrus is een mens als wij,
als hij zegt:'De Heer zijt Gij.'
3
Hoor, wat Petrus moedig zegt,
ieder weet: Hij meent het echt:
'Nee, ik laat U niet alleen,
ook al gingen allen heen.'
Petrus is een mens als wij:
Grote woorden bezigt hij.
4
Petrus, die de Heer verliet,
toen hij zei:'Ik ken hem niet,'
als een meisje in de poort
zegt dat hij bij Jezus hoort.
Petrus is een mens als wij
en de Heer verloochent hij.
5
'Simon, heeft het je berouwd?
Zeg je dat je van mij houdt?
Breng mijn lammeren dan tezaam
hoed de schapen in mijn naam.
Petrus is een mens als wij...
Gods genade maakt hem vrij.
---
*337
#7
1
Koor:
Filippus, waarom loop jij hier zo alleen?
De zon schijnt zo fel, zeg, waar ga je toch heen?
Filippus:
Ik wacht hier op iemand, ik weet nog niet wie,
maar zal het wel weten, wanneer ik hem zie...
2
Koor:
Kijk, daar komt een wagen, met praal en met pracht.
Zal daar soms de man zijn op wie je hier wacht?
Het is zo te zien een heel hoge gezant,
hij is op terugweg naar Candac‚'s land.
3
Koor:
Kijk, hij heeft een boekrol en hij leest maar voort.
Filippus, weet jij welke woorden je hoort?
Filippus:
Ja, dat is een lied van Jesaja geweest.
Begrijpt u de woorden wel die u daar leest?
4
Minister:
Ik lees het verhaal van een lijdende knecht...
Wie is het, van wie de profeet zoiets zegt?
Kom toch in mijn wagen; ik schuif wat opzij.
Wanneer u het weet, toe, vertel het aan mij!
5
Filippus:
Naar ik weet, werd Jezus die lijdende Knecht.
Hij bracht in zijn leven ¢ns leven terecht.
Hij leidt als een herder wie gaat in zijn spoor
We mogen hem volgen, want hij gaat ons voor
6
Minister:
Ik wil hem gaan volgen, die lijdende Knecht.
Ik wil met hem leven, zoals hij ons zegt.
Ik wil met hem sterven om ook op te staan.
Filippus, wil jij met mij 't water in gaan?
7
Filippus:
Ik doop u in 't water, gedoopt in de Geest,
uw leven wordt anders dan het is geweest.
Nu weten wij beiden: de Heer gaat ons voor.
Wij volgen die Herder, we gaan in zijn spoor.
---
*338
#4
1
Paulus, apostel, het schip ligt gereed
en gunstig is het getij.
Kom aan boord want het zeil staat al bol en breed
en de roeiriemen steken langs zij.
Refrein:
Paulus, apostel, ga op reis
door de heuvels en overzee.
Paulus, apostel, goede reis,
de Heer gaat met je mee!
2
Paulus, apostel, begeef je aan dek.
De ankers worden gelicht,
En wijd uit in de wind waait de vaan van vertrek,
v¢¢r de boeg is de branding in zicht.
Refrein
3
Paulus, apostel, ga nu heel gerust.
Wees moedig en niet bevreesd.
Want de bries van het Woord waait van kust tot kust
als de waaiende wind van de Geest.
Refrein
4
Paulus, apostel, vertel het maar rond:
De tijden nemen een keer.
Want het blijde verhaal gaat van mond tot mond:
het verhaal over Jezus, de Heer.
Refrein
---
*401
#9
1
Zing alle dagen een lied voor de Heer,
zing alle dagen een lied tot zijn eer.
Zing alle dagen, zing alle dagen
een lied. Zing een lied voor de Heer.
2
Zing op de zondag een lied voor de Heer,
zing op de zondag een lied tot zijn eer.
Zing op de zondag, zing alle dagen
een lied. Zing een lied voor de Heer.
3
Zing op de maandag een lied voor de Heer,
zing op de maandag een lied tot zijn eer.
Zing op de maandag, zing alle dagen
len lied. Zing een lied voor de Heer.
4
Zing op de dinsdag een lied voor de Heer,
zing op de dinsdag een lied tot zijn eer.
Zing op de dinsdag, zing alle dagen
een lied. Zing een lied voor de Heer.
5
Zing op de woensdag ...
6
Zing op de donderdag
7
Zing op de vrijdag ...
8
Zing op de zaterdag
9
Zing alle dagen een lied voor de Heer,
zing alle dagen een lied tot zijn eer.
Zing alle dagen, zing alle dagen
een lied. Zing een lied voor de Heer!
---
*402
#5
1
Een week telt zeven dagen,
zo is het steeds geweest.
En elk van deze dagen
kan worden tot een feest.
2
De eerste dag is zondag
en zondag is een feest,
omdat juist deze zondag
nooit eerder is geweest.
3
De tweede dag is maandag...
De derde dag is dinsdag ...
De vierde dag is woensdag...
De vijfde dag is donderdag...
De zesde dag is vrijdag ...
De zevende dag is zaterdag...
De eerste dag is zondag ...
4
De dagen vormen samen
de weken met elkaar;
de weken samen maanden,
de maanden weer het jaar.
5
Een week telt zeven dagen,
zo is het steeds geweest.
En elk van deze dagen
kan worden tot een feest.
---
*403
#2
1
Een nieuwe dag is weer gekomen:
het morgenlicht schijnt door de ruit.
De vogels zingen in de bomen,
nu kom ik gauw mijn bedje uit.
2
't Is nu geen tijd meer om te dromen,
een nieuwe dag komt er weer aan.
'k Zing met de vogels in de bomen,
want ik mag vrolijk spelen gaan!
---
*404
#1
1
Ik vind het fijn je te ontmoeten
en ik ben blij je te begroeten:
een goede dag!
---
*405
#1
1
Er is een nieuwe dag vandaag.
Wij zeggen: 'Goedemorgen'.
Heer, wilt u horen wat ik vraag:
Wilt U voor ........ zorgen?
En als ik daarbij helpen mag,
dan hebben wij een goede dag.
---
*406
#1
1
Dank U Heer, voor deze nieuwe morgen,
voor een hele nieuwe dag.
Dat U steeds voor mij wilt zorgen
en dat ik weer spelen mag.
---
*407
#2
1
Dank u Heer voor deze nieuwe dag. Dank u dat ik leven mag.
2
Andere mogelijkheden:
Dank u Heer voor deze fijne dag. Dank u dat ik spelen mag.
Dank u Heer voor deze zomerdag. Dank u dat ik dansen mag.
Dank u Heer voor deze winterdag. Dank u dat ik zingen mag.
---
*408
#1
1
Zing met ons de Heer, zing met ons de Heer!
Alle dagen weer is Hij ons nabij.
Daarom zingen wij, daarom zingen wij, daarom!
---
*409
#4
1
Iedere dag is een nieuwe dag;
steeds weer een dag om te leven.
Wat ben ik blij dat ik leven mag,
dat heeft de Heer mij gegeven.
2
Iedere ochtend begint de dag.
Als ik ontwaak in de morgen,
sta ik weer op met een lied, een lach:
Weer zal de Heer voor mij zorgen.
3
Iedere avond een dag voorbij,
dan kan ik heerlijk gaan slapen.
Ik slaap gerust, want ik weet dat hij
licht na de nacht heeft geschapen.
4
Iedere dag is een nieuwe dag,
steeds weer een dag om te leven.
Wat ben ik blij dat ik leven mag,
dat heeft de Heer mij gegeven.
---
*410
#3
1
Ook deze dag is weer voorbij
en ik ben moet van 't spelen.
Er is zo veel te doen voor mij,
ik kon me niet vervelen.
2
Ik heb niet alles goed gedaan,
'k vergis mij wel eens even.
Ik vraag u voor het slapen gaan:
Wilt u het mij vergeven?
3
Ik dank u, Heer, voor deze dag,
dat u voor mij wilt zorgen,
en dat ik nu weer rusten mag.
Bij u ben ik geborgen.
---
*411
#4
1
Er was er eens een jongetje,
dat had verkeerd gedaan.
Toen is hij v¢¢r hij slapen ging,
naar moeder toegegaan.
2
Hij had zo'n erge spijt ervan:
-hij deed het ‚cht niet meer-
Zijn moeder heeft het afgekust
en toen vergat ze 't weer.
3
Want alle mensen doen soms wel
de dingen eens verkeerd.
Wij denken dan niet altijd aan
wat God ons heeft geleerd.
4
Maar aan het einde van de dag,
als 't rustig wordt en stil,
dan vragen wij de Here God
of hij 't vergeten wil.
---
*412
#4
1
Here God, ik wil u danken
aan het eind van deze dag.
Fijn dat ik nog voor het slapen
even met u praten mag.
2
Dank u wel, dat ik mag weten
dat u geen van ons vergeet,
en dat u steeds wilt vergeven
het verkeerde dat ik deed.
3
Heer, ik bid u voor de mensen
die ver weg zijn, en dichtbij,
voor de armen en de zieken,
wees ons allemaal nabij.
4
Zo, vertrouwend op uw zorgen
in het donker van de nacht,
ga ik slapende naar morgen,
waar de nieuwe dag weer wacht.
---
*413
#1
1
De zondag is een fijne dag.
Dan zijn wij weer bijeen.
God geeft dat van ons iedereen
de toekomst vieren mag.
---
*414
#4
1
Tussen nacht en dageraad
loopt de weg van dromen.
Wie de weg van dromen gaat,
zal bij morgen komen.
2
In het komen van de dag
ligt de droom verborgen.
Wat nu niet geschieden mag,
zal geschieden morgen.
3
In die droom wordt ons onthuld,
dat wie in het leven
met een droom de dagen vult,
toekomst is gegeven.
4
Tussen nacht en dageraad
loopt de weg van dromen.
Wie de weg van dromen gaat,
zal bij morgen komen.
---
*415
#1
1
Kom erbij in onze kring
en zing mee met wat ik zing.
Kom en hoor naar het verhaal,
vier de zondag met ons allemaal!
---
*416
#3
1
Een dag van licht aan het begin,
het gloren van de dageraad.
De zondag brengt de zon in ons bestaan:
De Heer is immers opgestaan!
2
Een dag van kleur aan het begin,
de lentebloem die opengaat.
De zondag brengt de fleur in ons bestaan
De Heer is immers opgestaan!
3
Een dag van dans aan het begin,
het ritme van een nieuwe maat.
De zondag brengt cadans in ons bestaan:
De Heer is immers opgestaan!
---
*417
#3
1
Wij hebben lang op jou gewacht,
maar nu ben je gekomen.
Je moeder heeft je blij verwacht,
je was steeds in haar dromen.
2
De Heer vervulde onze wens
en toen werd jij geboren.
En zoals jij is er geen mens
geweest nog ooit tevoren.
3
God maakt met jou een nieuw begin
Hij heeft je ons gegeven,
opdat wij samen als gezin
naar zijn wil leren leven.
---
*418
#3
1
Mijn lieve kleine kindje,
vandaag zijn wij zo blij.
Je kunt het niet begrijpen,
maar toch hoor je erbij!
2
Je bent gedoopt met water
en daarom is het feest!
We hopen dat je later
zult leven in Gods Geest.
3
Dat je de weg zult wandelen
die Jezus zelf ons wees:
in liefde voor de ander
en vrij van alle vrees.
---
*419
#5
1
Wij worden genodigd aan tafel te gaan,
te vieren met brood en met wijn,
het feest zoals Jezus het ook heeft gedaan:
wij willen zijn leerlingen zijn.
2
Waarom is het feest in de kerk hier vandaag?
Waarom toch die wijn en dat brood?
Het antwoord is evenals toen op die vraag:
Wij worden bevrijd van de dood.
3
Eens waren wij slaaf, maar God maakte ons vrij
en leidde ons door de woestijn
naar 't land van belofte. Daar mogen ook wij
weer weten Gods kinderen te zijn.
4
Wie leert ons dat beter dan Jezus, de Heer!
Hijzelf heeft het ons voorgedaan.
Al is het vaak moeilijk, toch zullen wij weer
hem volgen waar hij is gegaan.
5
Totdat eens de dag komt dat ieder het weet.
Dan zingen de mensen verblijd:
Hij is onze koning, voorbij is het leed.
Hij heeft van de dood ons bevrijd!
---
*420
#2
1
Het koren ruist; het rijpe graan
zal straks de schuren binnengaan.
Het is de Heer, die ons dit geeft,
aan mens en dier, aan al wat leeft.
2
De rijpe halmen die daar staan
beloven weer het goede graan.
Straks is er brood voor groot en klein
Laat ons de Heer nu dankbaar zijn!
---
*421
#3
1
Zaaien, maaien, oogsten.
Dank de Allerhoogste
voor zijn zorg om ons bestaan.
Hij biedt ons dit alles aan.
2
Zaaien, maaien, oogsten.
Dank de Allerhoogste
voor de zegen die hij geeft,
zodat elk het leven heeft.
3
Zaaien, maaien, oogsten.
Dank de Allerhoogste
door te delen met elkaar
wat hij aanbiedt, ieder jaar.
---
*422
#3
1
Weet je wat het oogstfeest is?
Oogstfeest is blij denken
aan wat God ons ook dit jaar
weer heeft willen schenken.
2
Weet je wat het oogstfeest is?
Oogstfeest is blij delen
met de anderen het brood.
Dat is feest voor velen.
3
Weet je wat het oogstfeest is?
Oogstfeest is blij zingen
voor de Heer die aan ons geeft
alle goede dingen.
---
*423
#1
1
Loof de Heer, want Hij is goed!
Voor het goede dat Hij doet,
voor het eten dat ons voedt,
loof de Heer, want Hij is goed.
---
*424
#4
1
O Vader die het leven voedt
en ons van dag tot dag behoedt,
wij danken u voor 't levend brood,
Gij redt ons van de hongerdood.
2
Gij Zoon die ons het leven redt,
als levensbrood ons voorgezet,
wij bidden u voor al wat lijdt,
dat gij het door uw dood bevrijdt.
3
Gij Geest die alle leven sterkt
en wonderen van liefde werkt,
geef ons de kracht om op te staan
en tot de ander uit te gaan.
4
Gij Vader, Zoon en Heilige Geest,
die zijn zult wat gij zijt geweest,
voer over ons uw heerschappij
en maak ons van verdeeldheid vrij.
---
*425
#5
1
Dank u, Here, voor het eten
dat voor ons op tafel staat.
Steeds weer mogen wij het weten
dat uw zorg ons niet verlaat.
2
Als uw zegen op ons leven
staat hier nu de maaltijd klaar.
Zo wilt u te kennen geven:
wat u ons belooft wordt waar.
3
Waar wij voor elkander zorgen,
daar zorgt u voor ons, o Heer.
Zonder zorg blijft u verborgen
en ontdekt geen mens u meer.
4
Laten wij er dan voor zorgen
dat geen mens gebrek meer lijdt,
zodat deze aarde morgen
van de honger wordt bevrijd.
5
Dan zal iedereen het weten
dat u alle mensen kent,
en u zeggen bij het eten
welk een goede God u bent...
---
*426
#5
1
Heer, wij willen als wij eten
uw genade niet vergeten.
2
Door die zegen, ons gegeven,
blijven mens en dier in leven.
3
In uw Naam het eten delen
maakt het eten niet tot stelen.
4
Meer en meer willen wij leren
met die zorg uw Naam te eren
5
Heer, wij willen als wij eten
uw genade niet vergeten.
Amen.
---
*427
#3
1
Wij leggen onze gaven
bij die van and'ren neer.
Alleen wanneer wij delen
kan ieder leven, Heer.
2
Alleen wanneer wij geven
krijgt elk zijn part en deel,
en heeft op aarde niemand
te weinig of te veel.
3
Wij leggen onze gaven
bij alle andere neer,
opdat in deze wereld
uw vrede wone, Heer.
---
*428
#3
1
Kun je sparen, kun je sparen?
Iets van wat je hebt bewaren?
Ook al is het maar een deel:
als je 't spaart dan wordt het veel.
2
Kun je sparen? Kun je sparen?
Voor een ander iets bewaren,
voor een mens die weinig heeft
en die niet met vreugde leeft.
3
Spaar het leven, spaar het leven,
daarvoor is het ons gegeven.
Door te delen met elkaar
maken wij de vrede waar!
---
*429
#1
1
Wie groot wil zijn is klein.
Groot is wie klein kan zijn.
---
*430
#3
1
Jezus zegt dat hij hier van ons verwacht
dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht,
en hij vraagt ons allen of wij lichtjes zijn,
jij in jouw klein hoekje, en ik in 't mijn!
2
Jezus zegt: 'Zo veel kaarsjes branden niet...
daarmee doen de mensen vaak elkaar verdriet.
Hij ziet graag dat ieder als een lichtje schijnt,
jij in jouw klein hoekje, en ik in 't mijn!
3
Jezus zegt ons ook dat 't zo donker is,
omdat bij de mensen zo veel droefheid is.
Laat ons dan in 't duister heldere lichtjes zijn,
jij in jouw klein hoekje, en ik in 't mijn!
---
*431
#3
1
Heer, blijf bij mij
in blijdschap en verdriet.
Wanneer ik u vergeten mocht,
Heer, u vergeet mij niet.
2
U kent mijn hart
en al wat daarin leeft,
de lieve lach, de boze bui
U kent mij, en vergeeft.
3
Ik ben van u,
dat zeg ik u steeds weer.
Ik blijf bij wat ik doe en zeg
uw kind: hier ben ik, Heer.
---
*432
#2
1
Kom erbij, kom erbij,
kom maar gauw in onze rij.
Want nu gaan wij samen spelen.
Hier zul jij je niet vervelen!
Er is plaats voor jou en mij,
kom erbij, kom erbij!
2
Kom erbij, kom erbij,
kom maar gauw in onze rij.
Want je leert hier leuke dingen:
knippen, plakken, liedjes zingen
Er is plaats voor jou en mij;
kom erbij!, kom erbij!
---
*433
#3
1
Vandaag zijn wij blij, vandaag zingen wij.
Waarom, waarom, waarom?
Omdat, omdat, omdat jij jarig bent. Daarom!
2
Andere tekstsuggesties:
3
omdat het zondag is. Daarom!
omdat het pasen is. Daarom!
omdat het pinksteren is. Daarom!
omdat het kerstfeest is. Daarom!
---
*434
#3
1
Wie is er hier jarig vandaag, vandaag,
wie is er hier jarig vandaag?
Wat een vraag, wat een vraag: hij/zij!
2
Wat zijn wij hier allen vandaag, vandaag,
wat zijn wij hier allen vandaag?
Wat een vraag, wat een vraag: blij!
3
Wie danken de Heer hier vandaag, vandaag,
wie danken de Heer hier vandaag?
Wat een vraag, wat een vraag: wij!
---
*435
#5
1
Wij leven hier ons leven
als mensen van de dag.
Meer is ons niet gegeven
dan steeds opnieuw ‚‚n dag.
2
En ‚en van deze dagen
is steeds apart geweest
dat is de dag der dagen
van ons verjaardagsfeest.
3
Die dag doet ons gedenken
dat God ons weer een jaar
de dagen wilde schenken
van leven voor elkaar.
4
Geef Heer, dat elk zijn jaren
voortaan zo leven mag,
dat anderen u ervaren
in ons, van dag tot dag.
5
Eerst dan worden de dagen
voor iedereen een feest,
omdat ze 't teken dragen
van leven in uw Geest.
---
*436
#1
1
Versier het huis, steek uit de vlag,
vandaag is het een blijde dag
want zij/ is nu al zes/ jaar,
hij zeven ,
dat vieren wij nu met elkaar.
---
*437
#3
1
Weet je waar ik nu van zing?
Een lege plaats in onze kring!
't Kan me niet vergissen.
Ieder zal hem/haar missen...
E‚n van ons is ziek vandaag,
weet je wie? Dat is mijn vraag!
2
Kom, wij maken met elkaar
een (leuke) kaart voor ..... klaar.
Want zijn/haar plaats bleef open.
Maar wij blijven hopen:
Word nu maar weer gauw gezond,
want dan is de kring weer rond.
3
(kinderen noemen de naam van de zieke)
---
*438
#1
1
E‚n plaatsje in de kring is leeg,
‚‚n kindje is er niet.
Want ....... is wat ziek vandaag
en dat doet ons verdriet.
E‚n plaatsje in de kring is leeg,
't is daarom dat ik zing:
Wij hopen dat ons .........
onze
vlug terug komt in de kring.
---
*439
#1
1
Wij gaan nu met vakantie,
de schooldeur gaat op slot.
Maar voordat wij op reis gaan,
vragen we eerst aan God:
Heer, wilt U voor ons zorgen?
Bewaar ons elke dag.
Dan zullen wij genieten,
zoals dat van U mag.
---
*440
#5
1
Kom maar hier en volg me maar,
geef je handen aan elkaar.
Kom maar hier en volg me maar.
2
Kom maar hier en volg me maar,
zing een liedje met elkaar.
Kom maar hier en volg me maar.
3
Kom maar hier en volg me maar,
doe een dansje met elkaar.
Kom maar hier en volg me maar.
4
Kom maar hier en volg me maar,
Het is fijn hier met elkaar.
Kom maar hier en volg me maar.
5
Kom maar hier en volg me maar,
zo geeft God ons aan elkaar.
Kom maar hier en volg me maar.
---
*441
#3
1
Geef mij je hand en dans met mij.
Dan maken wij een lange rij,
een hele lange, lange rij.
Geef mij je hand en dans met mij.
2
Klap in je handen en wees blij.
Dan maken wij een lange rij,
een hele lange, lange rij.
Klap in je handen en wees blij.
3
Geef mij je hand en zing met mij.
Dan maken wij een lange rij,
een hele lange, lange rij.
Want God is goed voor jou en mij.
---
*442
#2
1
In een rij gaan staan
en in de rondte gaan.
........(naam), daar achteraan,
kom vooraan.
2
In een rij gaan staan
en in de rondte gaan.
...... (naam), daar achteraan,
kom vooraan!
---
*443
#5
1
Wij zijn blij, wij zijn blij,
jij (naam noemen) kom erbij,
dans met mij.
2
Slot: Wij zijn blij, wij zijn blij,
iedereen hoort erbij.
Dans met mij, dans met mij,
ieder hoort erbij.
3
Wij zijn blij, wij zijn blij,
jij en jij (elk van de nieuw-gekozenen
wijst op zijn beurt nu een ander aan),
kom erbij, dans met mij.
4
De tekst herhalen totdat
alle kinderen gekozen zijn.
5
Slot: Wij zijn blij, wij zijn blij,
iedereen hoort erbij.
Dans met mij, dans met mij,
ieder hoort erbij!
---
*444
#3
1
Kind'ren in een grote kring
zingen allen wat ik zing:
Jij, mijn vriendje, geef aan
mij nu je hand en zing daarbij!
2
Kind'ren overal vandaan
komen bij elkander staan:
Dag mijn vriendje, geef aan
nu je hand en zing daarbij!
3
Ook al is er veel verschil,
samen leven is Gods wil.
Alle vriendjes, geef aan mij
nu je hand en zing daarbij!
---
*445
#4
1
Kom laat ons zingen nu het lied:
De Heer vergeet ons niet.
Kom laat ons zingen nu het lied:
De Heer vergeet ons niet.
2
Neem de gitaar en speel het lied:
de Heer vergeet ons niet.
3
Sla op de trom en dans het lied:
de Heer vergeet ons niet.
4
Kom, zing en speel en dans het lied:
de Heer vergeet ons niet.
---
*446
#4
1
Zing samen met de tamboerijn
een liedje, laat ons vrolijk zijn.
2
Zing met triangel en met fluit
een liedje, zing de vreugde uit.
3
Zing voor de Heer, want wij zijn blij.
Hij houdt van ons, van jou en mij.
4
Zing nu met stem en instrument,
zing alle liedjes die je kent.
---
*447
#7
1
Laten wij gaan zingen
van de gewone dingen:
de vogels in de lucht,
de pitten in een vrucht.
2
Laten wij gaan zingen
van de gewone dingen:
de wolken, wit en hoog,
de mooie regenboog.
3
Laten wij gaan zingen,
want de gewone dingen
zijn veel meer dan je denkt:
't Is God die ze ons schenkt.
Andere tekstsuggesties zijn:
4
de dag die juist begon,
de warmte van de zon.
5
het kraaien van de haan,
het schijnen van de maan.
6
het speelgoed dat ik heb,
mijn auto en mijn step.
7
de vlinder die ik zag,
zo maar een zomerdag
---
*448
#5
1
Zing van de Here en al wat hij doet.
Zing van de Here, de aarde is goed.
2
Zing van de morgen, de middag, de dag,
zing van de schemer, de avond, de nacht.
3
Zing van de hemel, de zon en de maan.
Zing van de sterren, zoveel er bestaan.
4
Zing van de dieren, van groot en van klein
Zing van de mensen. Het leven is fijn!
5
Zing van de Here en al wat hij doet.
Zing van de Here, de aarde is goed!
---
*449
#3
1
Kom, laten wij een liedje zingen,
een liedje van plezier.
De wereld is vol mooie dingen
en veel ervan is hier!
2
Kom, laten wij een liedje zingen,
want God vergeet ons niet.
Hij geeft ons alle goede dingen,
de kwade wil Hij niet.
3
Kom, laten wij een liedje zingen,
een liedje van plezier.
De wereld is vol mooie dingen
en veel ervan is hier!
---
*450
#5
1
Refrein:
Al wat mooi is om ons heen,
al wat op aarde leeft,
danken wij aan God alleen,
die ons dit alles geeft.
De bloemen met hun geuren,
de dieren groot en klein
en alle mooie kleuren,
zoveel als er maar zijn.
2
De lichte lenteluchten,
de zomerochtend-dauw,
de herfst vol goede vruchten,
de frisse winterkou.
Refrein
3
Het bos en alle bomen
die in de parken staan,
rivieren, beken, stromen,
het strand, de oceaan.
Refrein
4
De bergen en de dalen,
de heuvels en het duin,
waarin wij mogen dwalen
als kinderen in een tuin.
Refrein
5
God geeft ons onze oren
en ogen, mond en stem.
Laat dus het loflied horen
en zing tot eer van Hem:
Refrein
---
*451
#4
1
Wees goed voor de dieren,
want zij mogen hier
hun leven ook leven
met heel veel plezier.
2
Wees goed voor de planten,
dan kunnen zij hier
hun leven ook leven
met heel veel plezier.
3
Wees goed voor de mensen,
want ieder die hier
een ander doet leven
doet God veel plezier.
4
Want Hij wil dat ieder,
een mens, plant of dier,
het leven zal leven
met 't meeste plezier.
---
*452
#3
1
Moet je horen, moet je horen,
luister nu eens goed.
Luister met je beide oren,
luister goed.
2
Moet je kijken,
moet je kijken,
kijk nu toch eens goed.
Kijk met allebei je ogen,
kijk heel goed.
3
Horen, kijken,
kijken, horen
moet je beide goed,
om te zien en om te horen
wat God doet.
---
*453
#2
1
Kun je zingen, zing dan mee.
Zeg maar ja, en zeg niet nee.
Kom, zing mee!
2
Kun je dansen, dans dan mee.
zeg maar ja, en zeg niet nee.
Kom, dans mee!
Andere tekstsuggesties zijn: spelen, fluiten, lachen, enz.
---
*454
#2
1
't Is nieuwjaarsdag een nieuw begin.
Ik vul mijn beste wensen in.
Vandaag ben ik heel veel van plan.
Ik maak er een mooi jaartje van.
2
En als het me niet lukt een keer,
wel, dan probeer ik 't morgen weer.
Wat fijn dat ik z¢ denken mag,
want elke dag is nieuwjaarsdag.
---
*455
#2
1
Het oude jaar is om.
Uw zegen, Heer, gedenken wij.
U bleef ons dag aan dag nabij.
Het oude jaar is om.
2
Het nieuwe jaar begint.
Wij vragen, Heer, voor 't komend jaar
veel heil en zegen voor elkaar.
Het nieuwe jaar begint.