---

Zolang er mensen zijn ...

100 liederen

Gebruik CTRL F om te zoeken

---


*1

#5

1

  Zolang er mensen zijn op aarde,

  zolang de aarde vruchten geeft,

  zolang zijt Gij ons aller Vader,

  wij danken U voor al wat leeft.

2

  Zolang de mensen woorden spreken,

  zolang wij voor elkaar bestaan,

  zolang zult Gij ons niet ontbreken,

  wij danken U in Jezus' naam.

3

  Gij voedt de vogels in de bomen,

  Gij kleedt de bloemen op het veld,

  o Heer, Gij zijt mijn onderkomen

  en al mijn dagen zijn geteld.

4

  Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven,

  Gij redt de wereld van de dood.

  Gij hebt uw zoon aan ons gegeven,

  zijn lichaam is het levend brood.

5

  Daarom moet alles U aanbidden,

  uw liefde heeft het voortgebracht,

  Vader, Gijzelf zijt in ons midden,

  o Heer, wij zijn van uw geslacht.

---

*2

#5

1

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig

  en hoe onzegbaar ons nabij.

  Gij zijt gestadig met ons bezig

  onder uw vleugels rusten wij.

2

  Gij zijt niet ver van wie U aanbidden

  niet hoog en breed van ons vandaan.

  Gij zijt zo mens'lijk in ons midden

  dat Gij dit lied wel zult verstaan.

3

  Gij zijt onzichtbaar voor onze ogen

  en niemand heeft U ooit gezien.

  Maar wij vermoeden en geloven

  dat Gij ons draagt, dat Gij ons dient.

4

  Gij zijt in alles diep verscholen

  in al wat leeft en zich ontvouwt.

  Maar in de mensen wilt Gij wonen

  met hart en ziel aan ons getrouwd.

5

  Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig

  waar ook ter wereld mensen zijn.

  Blijf zo genadig met ons bezig,

  tot wij in U volkomen zijn.

---

*3

#3

1

  Verheft uw hart, weest welgemoed,

  verhoopt de dag die daagt voorgoed.

  Gedenk uw Heer en zijn verbond

  in woord en brood, totdat Hij komt.

2

  Totdat Hij komt, bestaan wij hier

  wakend en wetend dag noch uur,

  elkander dragend in geloof,

  Gods woord verwachtend van omhoog.

3

  Heer God, die immer komen zult

  in dood en mensennood gehuld,

  geef dat wij U vandaag verstaan,

  troostend elkander in uw naam.

---

*4

#5

1

  Omdat Hij niet ver wou zijn

  is de Heer gekomen.

  Midden in wat mensen zijn

  heeft Hij willen wonen.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

 

  Refrein:

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

2

  Overal nabij is Hij

  mens'lijk allerwegen.

  Maar geen mens herkent Hem, Hij

  wordt gewoon verzwegen.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Refrein.

3

  God van God en licht van licht

  aller dingen hoeder

  heeft een menselijk gezicht

  aller mensen broeder.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Refrein.

4

  Wilt daarom elkander doen

  alle goeds geduldig.

  Weest elkaar om zijnentwil

  niets dan liefde schuldig.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Refrein.

5

  Weest verheugd, van zorgen vrij:

  God die wij aanbidden

  is ons rakelings nabij,

  wonend in ons midden.

  Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Refrein.

---

*5

#3

1

  Zomaar een dak boven wat hoofden

  deur die naar stilte openstaat.

  Muren van huis, ramen als ogen

  speurend naar hoop en dageraad.

  Huis dat een levend lichaam wordt

  als wij er binnengaan

  om recht voor God te staan.

2

  Woorden van ver, vallende sterren,

  vonken verleden hier gezaaid.

  Namen voor Hem, dromen, signalen

  diep uit de wereld aangewaaid.

  Monden van aarde horen en zien,

  onthouden, spreken voort

  Gods vrij en lichtend woord.

3

  Tafel van Een, brood om te weten

  dat wij elkaar gegeven zijn.

  Wonder van God, mensen in vrede,

  oud en vergeten nieuw geheim.

  Breken en delen, zijn wat niet kan,

  doen wat ondenkbaar is,

  dood en verrijzenis.

---

*6

#4

1

  Looft de Heer, al wat gemaakt is, prijst zijn Naam.

  Verheft Hem voor eeuwig, dankt voor uw bestaan.

  Looft Hem die gezeten is op tronen van gezang.

  Zingt als rivieren mee voor God: Hij leve lang.

2

  Storm en aarde, bomen, stromen, zon en vuur

  gij wolken en dromen, nachten, dag en duur,

  licht en donker, dood en leven, wereld, mensenzaad

  weest mondig en volmaakt, looft Hem met woord en daad.

3

  Dauw en regen, vorst en koude, ijs en sneeuw,

  de slang en de vis, de vogels en de leeuw,

  geesten in de hemel en gij mensen met uw stem:

  gelooft Hem op zijn woord, dat gij bestaat in Hem.

4

  Looft Hem, ook wie zondigt, looft Hem kwaad en goed.

  Looft Hem, die zijn Woord in u mens worden doet.

  Looft uw God en Vader, die zijn Geest geschonken heeft.

  Looft Hem omdat gij zijt, ja looft Hem, want Hij leeft.

---

*7

#3

1

  Zo vriendelijk en veilig als het licht

  zoals een mantel om mij heen geslagen

  zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht

  ik roep zijn naam, bestorm hem met mijn vragen,

  dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.

  Wil mij behoeden en op handen dragen.

2

  Want waar ben ik, als Gij niet wijd en zijd

  waakt over mij en over al mijn gangen

  Wie zou ik worden, waart Gij niet bereid om,

  als ik val, mij telkens op te vangen.

  Ik leef niet echt, als Gij niet met mij zijt.

  Ik moet in lief en leed naar U verlangen.

3

  Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft,

  dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.

  Ontsteek die vreugde die geen einde heeft,

  wil alle liefde aan uw Mens besteden.

  Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft.

  Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.

---

*8

#7

1

  Wie heeft zijn geld verloren,

  het goed waarvan hij leeft

  en zoekt niet uit en treure

  tot hij gevonden heeft.

2

  Wie heeft een kind verloren

  en zoekt niet overal

  met handen, ogen, oren

  en tranen zonder tal.

3

  Wie heeft zijn God verloren

  en zoekt niet her en der

  op aarde, in de hemel,

  geen verte gaat te ver.

4

  Als zo de mensen leven

  en zoeken is hun lot

  en vinden is hun zegen:

  hoeveel te meer dan God.

5

  Hij ziet ons al van verre

  omdat Hij ons bemint

  en liever dan de sterren

  is Hem een mensenkind.

6

  En voordat wij Hem zoeken

  zijn wij gezocht door Hem

  en nu wij om Hem roepen

  geeft Hij ons deze stem.

7

  En wie het wordt gegeven,

  bespeurt Hem overal

  in woorden allerwegen,

  in mensen zonder tal

---

*9

#3

1

  De Heer heeft mij gezien en onverwacht

  ben ik opnieuw geboren en getogen.

  Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht

  gaf mij een levend hart en nieuwe ogen,

  zo komt Hij steeds met stille overmacht

  en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.

2

  Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit.

  Hij heeft in zijn handen onze naam geschreven.

  De Heer wil ons bewonen als zijn huis,

  plant als een boom in ons zijn eigen leven,

  wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid

  en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.

3

  Gij geeft het uw beminden in de slaap,

  Gij zaait uw Naam in onze diepste dromen.

  Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt

  zoals de regen neerdaalt in de bomen,

  zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat,

  zo zult Gij uw beminden overkomen.

---

*10

#3

1

  Ik sta voor U in leegte en gemis.

  Vreemd is uw naam, onvindbaar zijn uw wegen.

  Zijt Gij mijn God, sinds mensenheugenis,

  dood is mijn lot, hebt Gij and're zegen?

  Zijt Gij de God bij wie mijn toekomst is?

  Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen?

2

  Mijn dagen zijn door twijfel overmand,

  ik ben gevangen in mijn onvermogen.

  Hebt Gij mijn naam geschreven in Uw hand,

  zult Gij mij bergen in uw mededogen?

  Mag ik nog levend wonen in uw land,

  mag ik nog eenmaal zien met nieuwe ogen?

3

  Spreekt Gij het woord dat mij vertroosting geeft,

  dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.

  Open die wereld die geen einde heeft,

  wil alle liefde aan Uw Zoon besteden.

  Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft

  Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.

---

*11

#3

1

  De Geest des Heren heeft

  een nieuw begin gemaakt,

  in al wat groeit en leeft

  zijn adem uitgezaaid.

  De Geest van God bezielt

  wie koud zijn en versteend,

  herbouwt wat is vernield,

  maakt een wat is verdeeld.

2

  Wij zijn in Hem gedoopt

  Hij zalft ons met zijn vuur.

  Hij is een bron van hoop

  in alle dorst en duur.

  Wie weet vanwaar Hij komt

  wie wordt zijn licht gewaar?

  Hij opent ons de mond

  en schenkt ons aan elkaar.

3

  De geest die ons bewoont

  verzicht en smeekt naar God

  dat Hij ons in de Zoon

  doet opstaan uit de dood.

  Opdat ons leven nooit

  in weer en wind bezwijkt,

  kom Scheper Geest, voltooi

  wat Gij begonnen zijt.

---

*12

#3

1

  God die ons heeft voorzien

  en kent bij onze naam,

  die ons ten leven riep

  en houdt in het bestaan.

  Hij heeft ons voorbestemd

  te lijken op zijn Zoon

  die mens is zoals wij

  en in ons midden woont.

2

  Hij heeft zijn eigen Zoon

  geen enkel leed bespaard.

  Hij heeft ten einde toe

  zijn geest geopenbaard.

  Als God zo voor ons is

  wie zal dan tegen zijn?

  Al wat ons overkomt

  zal hoop en zegen zijn.

3

  Wie zal ons scheiden ooit

  van God ons goed en bloed.

  Geen toekomst en geen dood

  bedreigt ons meer voorgoed.

  Genadig en getrouw

  wil Hij mijn vrede zijn.

  Geen mens die Hem weerhoudt

  om onze God te zijn.

---

*13

#3

1

  God die in het begin

  uit aarde, naar zijn beeld,

  de mensen voor elkaars

  geluk geschapen heeft,

  Hij doet u samen zijn,

  Hij maakt u man en vrouw,

  elkanders brood en wijn,

  elkanders woord van trouw.

2

  Zoals van meet af aan

  een mens geen antwoord vindt,

  als hij niet door een mens,

  ten diepste wordt bemind,

  zo zult gij nu voortaan

  in liefde en in leed

  elkanders antwoord zijn,

  ‚‚n lichaam en ‚‚n geest.

3

  Zoals ten einde toe

  de mensen twee aan twee

  hun lange wegen gaan

  en God gaat met hen mee,

  zo zal Hij met u zijn

  in leven en in dood,

  Hij wordt uw brood en wijn,

  en dit geheim is groot.

---

*14

#5

1

  V. Wie als een god wil leven hier op aarde

  A. Wie als een god wil leven hier op aarde

  V. Hij moet de weg van alle zaad

     En zo vindt hij genade

  A. En zo vindt hij genade.

2

     Hij gaat de weg van alle aardse dingen

     Hij heeft het lot met hart en ziel

     van alle stervelingen

3

     Hij wordt aan zon en regen prijsgegeven

     het kleinste zaad in weer en wind

     moet sterven om te leven.

4

     De mensen moeten sterven voor elkander

     het kleinste zaad wordt levend brood

     zo voedt de een de ander.

5

     En zo heeft onze God zich ook gedragen

     en zo is Hij het leven zelf

     voor iedereen op aarde.

---

*15

#5

1

  Wie oren om te horen heeft

  hore naar de wet die God hem geeft:

  gij zult geen vreemde goden

  maar Mij alleen belijden voortaan.

  Hoort, Isra‰l, mij geboden.

2

  Bemint uw Heer te allen tijd.

  Dient Hem met alles wat gij zijt.

  Aanbidt Hem in uw daden.

  Dit is het grootste en eerste gebod,

  de wil van God, uw Vader.

3

  - Biedt uw naaste de helpende hand.

  Spijzigt de armen in uw land,

  een woning wilt hen geven.

  Het tweede gebod is het eerste gelijk;

  doet dit, en gij zult leven.

4

  De macht der liefde is zo groot,

  geen water blust haar vuren uit

  wanneer zij is ontstoken.

  Nu wilt ontbranden aan liefdes woord,

  God heeft het tot ons gesproken.

5

  De liefde spreekt haar eigen taal,

  alle kwaad bedekt zij duizendmaal -

  vergeeft alwie u griefde.

  Dit lied zal in de lucht opgaan

  maar blijve in ons de liefde.

---

*16

#7

1

  Het brood in de aarde gevonden

  het brood door handne gemaakt,

  het brood van tranen en zorgen,

  dat brood dat naar mensen smaakt.

2

  Het brood van oorlog en vrede,

  dat dagelijks eendere brood,

  het vreemde brood van de liefde,

  het stenen brood van de dood.

3

  Het brood dat wij duur verdienen,

  ons lichaam, ons geld, ons goed,

  het brood van ons samen leven,

  die schamele overvloed.

4

  Een oogst uit kostbare gaarden,

  de wijn die het hart verblijdt,

  de vrucht van hemel en aarde,

  een voorsmaak van eeuwigheid.

5

  De wijn die de geest betekent

  van een nieuw mensenverbond,

  de beker die ons zegent -

  de Naam van mond tot mond.

6

  Dat brood dat wij moeten eten

  om niet verloren te gaan.

  Wij delen het met elkander

  ons hele mensenbestaan.

7

  Gij deelt het met ons, zo deelt Gij

  U zelf aan ons uit voorgoed,

  een mens om nooit te vergeten,

  een God van vlees en bloed.

 

  (laatste twee coupletten uit eerdere bundel)

---

*17

#3

1

  Overal zijt Gij onzichtbaar gegeven,

  sprekend nabij, de stilte verwacht U,

  mensen bestaan U, zien en beleven U.

2

  Mensen van vlees, van licht en gesteente,

  hard en van bloed, een vloed niet te stelpen,

  mensen uw volk, uw stad hier op aarde.

3

  Aarde is al wat wij zijn, wat wij maken,

  adem ons open, maar ons uw aarde,

  uw nieuwe hemel, vrede op aarde.

---

*18

#4

1

  Wij groeten U, o Koningin, o Maria:

  U moeder vol van tedere min, o Maria:

  Refrein: Groet haar, o Cherubijn;

           prijs haar, o Serafijn

           prijst met ons uw Koningin:

           salve, salve, salve, Regina.

2

  O Moeder van barmhartigheid, o Maria:

  en troost in alle bitterheid, o Maria:

  Refrein:

3

  Ons leven, zoetheid, hoop en vreugd, o Maria:

  leidt gij ons op de weg der deugd, o Maria:

  Refrein:

4

  Toon ons in ' t uur van onze dood, o Maria:

  de zoete vrucht van uwe schoot, o Maria:

  Refrein:

---

*19

#8

1

  A. Neemt Gods woord met hart en mond,

     eet en drinkt zijn nieuw verbond,

     gedenkt uw Heer totdat Hij wederkomt.

2

  K. Gij hebt ons toegesproken tot in de diepste nood.

     Uw lichaam werd gebroken, uw vlees is waarlijk brood.

3

     Waar velen zijn gestorven hebt Gij ons honderdvoud

     een nieuw bestaan verworven Gij zijt ons lijfsbehoud.

4

     Gij roept ons uit de zonde, Gij maakt ons brood en wijn,

     om met elkaar verbonden opnieuw uw volk te zijn.

5

  A. Neemt Gods woord met hart en mond,

     eet en drinkt zijn nieuw verbond,

     gedenkt uw Heer totdat Hij wederkomt.

6

  K. O lichaam ons gegeven o Heer van ons bestaan,

     geef dat wij van U leven en niet verloren gaan.

7

     Heer God, hier in ons midden, maak uw belofte waar.

     Nu laat uw woord geschieden en schenk ons aan elkaar.

8

  K. Gij hebt ons toegesproken tot in de diepste nood.

     Uw lichaam werd gebroken, uw vlees is waarlijk brood.

---

*20

#4

1

  Zoals de mensen leven

  doen vogens niet.

  Die schuilen in de bomen

  en vluchten in hun lied.

  Die zaaien niet maar dromen

  en de dood is hun verschiet.

2

  Zoals het water stroomt, zo

  doen de mensen niet.

  Het water stroomt maar verder

  en dorsten doet het niet.

  Zo vluchtig en zo wijd als water

  zijn de mensen niet.

3

  Zo oud en wijs als mensen

  zijn de muren niet.

  Die kraken in hun voegen

  maar hebben geen verdriet.

  De mensen moeten zwoegen

  en dat doen de stenen niet.

4

  Zoals de bomen vallen

  vallen mensen niet.

  De mensen dragen woorden,

  herleven in hun lied.

  De bomen zullen sterven

  maar zo sterven mensen niet.

---

*21

#7

1

  Niet als een storm, als een vloed,

  niet als een bijl aan de wortel

  komen de woorden van God,

  niet als een schot in het hart.

2

  Maar als een glimp van de zon,

  een groene twijg in de winter,

  dorstig en hard deze grond-

  zo is het koninkrijk Gods.

3

  Stem die de stilte niet breekt,

  woord als een knecht in de wereld,

  naam zonder klank zonder macht,

  vreemdeling zonder geslacht.

4

  Kinderen, armen van geest,

  mensen gelouterd tot vrede,

  horen de naam in hun hart,

  dragen het woord in hun vlees.

5

  Blinden herkennen de hand,

  dovemansoren verstaan Hem.

  Zalig de man die gelooft,

  zalig de vrouw aan de bron.

6

  Niet in het graf van voorbij,

  niet in en tempel van dromen,

  hier in ons midden is Hij,

  hier in de schaduw der hoop.

7

  Hier in dit stervend bestaan

  wordt Hij voor ons geloofwaardig,

  worden wij mensen van God,

  liefde op leven en dood.

---

*22

#5

1

  Uit uw hemel zonder grenzen

  komt Gijn tastend aan het licht

  met een naam en een gezicht

  even weerloos als wij mensen.

2

  Als een kind zijt Gij gekomen,

  als een schaduw die verblindt,

  onnaspeurbaar als de wind

  die voorbijgaat in de bomen.

3

  Als een vuur zijt Gij verschenen,

  als een ster gaat Gij ons voor,

  in den vreemde wijst uw spoor,

  in de dood zijt Gij verdwenen.

4

  Als een bron zijt Gij begraven,

  als een mens in de woestijn.

  Zal er ooit een ander zijn,

  ooit nog vrede hier op aarde?

5

  Als een woord zijt Gij gegeven,

  als een nacht van hoop en vrees,

  als een pijn die ons geneest,

  als een nieuw begin van leven.

---

*23

#5

1

  Wat werd verhoopt en allen tijde,

  dit eigen uur komt het ervan,

  komt zich de Heer aan mensen wijden

  mensen opent uw ogen dan.

2

  Wat David ons heeft toegezongen

  en in zoveel psalmen voorzegd,

  is deze nacht voorgoed begonnen,

  in een kribbe neergelegd.

3

  Herders komen hem bezoeken.

  de laatsten zullen de eersten zijn.

  Vinden een kind in arme doeken,

  zo wil God genomen zijn.

4

  Vreemde heren met geschenken -

  het verre Oosten komt tot Hem!

  Hij schiep een ster om hen te wenken

  naar de stede Bethlehem.

5

  Hij hangt zijn ster in alle nachten,

  vrede op aarde is zijn Naam.

  Hij is de mens die wij verwachten.

  Tot wie zouden wij anders gaan.

---

*24

#6

1

  ref.: De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij

 

  Het volk dat woont in duisternis

  zal weten wie zijn heiland is.

  Onverwacht komt van heide en ver

  de mensenzoon, de morgen ster.

2

  Tekens aan sterren, zon en maan,

  hoe zal de aarde dat bestaan?

  Zo spreekt de Heer: verheft u vrij

  want uw verlossing is nabij.

3

  Wanneer de zee bespringt uw land

  en slaat u 't leven uit de hand,

  weet in uw angst en stervenspijn:

  uw dood zal niet voor eeuwig zijn.

4

  Ziet naar de boom, die leeg en naakt

  in weer en wind te schudden staat;

  de lente komt, een twijg ontspruit,

  zijn oude takken lopen uit.

5

  Een twijgje, weerloos en ontdaan,

  - zonder gestalte, zonder naam.

  Maar wie gelooft verstaat het wel.

  Dat twijgje heet: Emmanuel.

6

  Die naam zal ons ten leven zijn.

  Een zoon zal ons gegeven zijn.

  Opent uw poorten metterdaad

  dat uw Verlosser binnengaat.

---

*25

#8

1

  Kwam van Godswege

  een man in ons bestaan,

  een stem om te getuigen,

  Johannes was zijn naam.

   Man van Godswege,

   Johannes was zijn naam.

2

  Zo staat geschreven:

  de heuvel moet geslecht,

  geen kwaad mag zijn bedreven,

  maak alle paden recht

   Zo staat geschreven:

   maak alle paden recht

3

  Doper, wat liep je

  in kemelharen pij,

  als een profeet, wat riep je

  daar in die woestenij?

   Doper, wat riep je

   daar in die woestenijn?

4

  'Dat wij omkeren,

  verlaten ons domein,

  beleven 't woord des Heren

  en niet weerbarstig zijn.'

   Dat wij omkeren

   en niet weerbarstig zijn.

5

  Doper, wat moeten

  wij doen totdat Hij komt?

  'In hoop en vrees doet boete,

  gelooft in zijn verbond.'

   Doper, wat moeten

   wij doen totdat Hij komt?

6

  'Deelt met elkander

  het brood van alledag,

  opdat in u de ander

  Gods heil aanschouwen mag.'

   Deelt met elkander

   het brood van deze dag.

7

  Volk uitentreure

  gezeten in de nacht;

  Gods woord zal u gebeuren

  zolang gij Hem verwacht

   Sta te gebeuren,

   kom, woord, in onze nacht.

8

  Volk uitverkoren

  om in het licht te gaan:

  een kind wordt u geboren

  Messias is zijn naam.

   Kind ons geboren

   jouw licht zal met ons gaan.

---

*26

#5

1

  Uit het duister hier gekomen

  mensen van de wereldnacht

  onbestemd verward in dromen

  niet vermoedend wie hen wacht

  zoekend of een woord opgaat

  als een ster van dageraad.

2

  In een sleur van ongenade

  in elkaar verward en blind

  slepen wij ons voort ten kwade

  als niet E‚n ons zoekt en vindt.

  Als niet Gij de nacht bezweert

  onze gang ten goede keert

3

  Nacht waarin zou zijn geboren

  die de naam heeft dat Gij redt -

  morgentaal in onze oren

  hemel op ons hoofd gezet

  ogenwenkend woord van U

  nieuw getijde dat is nu.

4

  Gij die nieuw zijt alle dagen

  bron en hartslag van de tijd,

  kunt Gij ‚‚n moment verdragen

  dat Gij niet mijn toekomst zijt? -

  die gezegd hebt 'Ik zal zijn'

  en 'de dood zal niet meer zijn'.

5

  Zeg ons dat Gij niet zult slapen

  Eerste Stem die nimmer zweeg

  Zie de mens door U geschapen,

  waarom zijn wij woest en leeg

  als de dood zo zwaar en dicht?

  Spreek ons open naar Uw licht.

---

*27

#3

1

  Komt ons in diepe nacht ter ore:

  de morgenster is opgegaan,

  een mensenkind voor ons geboren

  God zal ons redden, is zijn Naam.

  Opent uw hart, gelooft uw ogen,

  vertrouwt u toe aan wat gij ziet:

  hoe 't woord van God van alzo hoge

  hier menselijk aan ons geschiedt.

2

  Geen ander teken ons gegeven

  geen licht is onze duisternis

  dan deze mens om mee te leven

  een God die onze broeder is.

  Zingt voor uw God, Hij openbaarde

  in Jezus zijn menslievendheid.

  Zo wordt de wereld nieuwe aarde

  en alle vlees aanschouwt het heil.

3

  Zoals de zon komt met zijn zegen

  Een bruidegom van licht en vuur,

  zo komt de koning van de vrede

  voorgoed gekomen is zijn uur.

  Hij huwt de mensen aan elkander

  zijn liefde gaat van mond tot mond.

  Hij geeft zijn lichaam ons in handen.

  Zo leven wij zijn nieuw verbond.

---

*28

#9

1

  De sterren zijn verzwonden

  waarheen gegaan?

  De dauw valt op de gronden

  de eerste dag komt aan.

2

  Een mens komt uit zijn moeder.

  Het zonlicbt stijgt

  Een mens vermoordt zijn broeder.

  De aarde zwijgt.

3

  De duizenden in treinen

  ter dood gestuurd -

  de zon is blijven schijnen

  de aarde duurt.

4

  Ik heb het aan de avond

  de nacht gevraagd.

  Die zeiden: vraag het morgen

  de dageraad.

5

  Waarom de wereld zo is,

  waarom de dood,

  vroeg ik de dag, hij vluchtte

  in avondrood.

6

  De nacht was vol van sterren,

  zij zwegen diep

  en glimlachten van verre

  boe zeer ik riep.

7

  Maar een van also hooghe

  van also veer

  heeft zich naar mij gebogen

  en daalde neer.

8

  Ach mochten 411en vinden

  een mens als hij,

  de wereld was niet zo meer,

  en angst voorbij.

9

  En hier al in dit aertryc

  zou vrede zijn,

  de pracht van alle sterren

  hier beneden zijn.

---

*29

#3

1

  Vanwaar zijt Gij gekomen,

  wij wisten niets van U.

  In onze stoutste dromen

  was God nooit hier en nu.

  Een nieuwe God zijt Gij

  die onder ons wilt wonen,

  zo ver weg, zo dichtbij.

2

  Gij zijt ons doorgegeven

  een naam, een oud verbaal

  uw woorden uitgeschreven

  in ied're mensentaal.

  Ons eigen levenslot

  met uw geluk verweven,

  zo zijt Gij onze God.

3

  Gij zijt in ons verloren

  wij durven u niet aan,

  uw stem in onze oren,

  uw komst in ons bestaan.

  Een woord van vlees en bloed

  een kind voor ons geboren.

  een mens die sterven moet.

---

*30

#10

1

  Dit lied gaat over Jezus,

  die man van lang geleden,

  het dorp waar hij vandaan komt,

  is klein, heet Nazareth.

  Zijn naam is alle eeuwen

  tot hier toe doorverteld.

2

  Hij was een zoon der mensen

  geboren en getogen

  uit arme Joodse ouders

  een twijg uit Davids stam

  een kind van de belofte

  een zoon van Abraham.

3

  Hij was een jaar of dertig

  toen hij van zich deed horen

  de mensen schoolden samen

  als vissen om hem heen.

  Zijn moeder en zijn broeders

  begrepen niets van hem.

4

  De tijd is vol, bekeert u

  en weest het zout der aarde

  weest voor elkaar barmhartig

  zoals mijn vader is

  op zoek in deze wereld

  naar wat verloren is.

5

  Ben jij niet voor je kind'ren

  zo goed als je maar zijn kunt

  geeft jij een ander stenen

  wanneer hij vraagt om brood?

  Als wij gewone mensen -

  hoeveel te meer dan God.

6

  Met tollenaars en zondaars

  dronk hij dezelfde beker

  hij kwam een dode tegen

  en nam hem bij de hand.

  De naam van God herleefde

  in heel het Joodse land.

7

  De goden van het duister

  de geest van kwaad tot erger

  die mensen houdt gevangen,

  heeft hij teniet gedaan.

  Hij heeft hun macht ervaren

  maar als een man weerstaan.

8

  Zo doende wat hij doen kon

  ten dienste van de mensen

  viel hij in mensenhanden

  vond veel te jong de dood.

  Er zijn er nog die zeggen:

  Hij is de zoon van God.

9

  Wij gaan met dichte ogen

  als vreemdelingen verder

  waarom is hij gekruisigd -

  wij hadden zo gehoopt

  Wie zal de schrift verklaren

  wie breekt voor ons het brood.

10

  Er is nog meer te zeggen

  te veel om te bewaren

  de wereld zal te klein zijn

  als alles helder wordt

  Als wij het moesten zingen,

  wij kwamen stem te kort.

---

*31

#4

1

  Hij ging van stad tot stad, hij sprak:

  "tot u ben Ik gezonden"

  Voor zieken en gewonden

  had hij een woord, een onderdak.

 

  Refr.

  Alles heeft hij welgedaan.

  Tot wie zou ik anders gaan.

2

  Hij gaf aan blinden het gezicht,

  De nacht heeft Hij verdreven,

  Gaf doden weer het leven,

  Waar Hij voorbijging werd het licht.

  Refr.

3

  Daags voordat Hij gestorven is

  heeft Hij het brood genomen:

  "Hiertoe ben ik gekomen,

  doet dit tot mijn gedachtenis,"

  Refr.

4

  En alwie Jezus' naam belijdt

  zal wonderen verrichten

  en als een lamp verlichten

  de lange gang van onze tijd.

---

*32

#5

1

  Gij zijt een mensenzoon, Gij komt van ver,

  bloed van ons bloed, uit ons zijt Gij genomen.

2

  Gij hebt mijn lief en leed, mijn dag gedeeld;

  Gij zijt voor mij geen vreemde God gebleven.

3

  Toen ik nog nergens was, maar levend dood,

  hebt Gij en Gij alleen mijn licht ontstoken.

4

  Licht van uw licht zijn wij, van uw geslacht,

  mensen van licht maar duister onze wegen.

5

  Mensen van vlees en steen, van hoop en vrees,

  breng ons toch thuis, in godsnaam geef ons vrede.

---

*33

#6

1

  Die rechtes God gelijk

  komt van de Vader voort,

  de Koning van zijn Rijk,

  Gods beeld en scheppend woord.

2

  Hij heeft zichzelf ontdaan

  van alle beerscbappij,

  Hij kwam in ons bestaan,

  Hij werd een mens als wij.

3

  Hij werd ons aller knecht,

  zijn deemoed was zo groot.

  Hij stond voor ons terecbt,

  gehoorzaam totterdood.

4

  Maar God heeft Hem gesteld

  hoog aan zijn rechterhand.

  God heeft zijn naam gemeld

  aan hemel,,zee en land@

5

  opdat zijn macht verstaan

  al wie Hij 't aanzijn geeft,

  opdat in Jezus' naam

  zich buige al wat leeft, -

6

  opdat wij met elkaar

  God geven alle eer,

  belijdend voor elkaar

  dat Jezus is de Heer!

---

*34

#5

1

  Toen Jezus in zijn uur gekomen was,

  om deze wereld te verlaten,

  heeft Hij ten einde toe ons liefgehad.

  De veel geliefde Zoon van God de Vader

  wordt een slaaf die onze voeten wast,

2

  Toen Jezus met zijn vrienden maaltijd hield,

  nam Hij het brood, nam Hij de beker.

  Hij heeft zijn leven aan ons uitgedeeld,

  zijn bloed voor deze wereld prijsgegeven, -

  teken van de geest die Hem bezielt. (bis)

3

  Ik ben de wijnstok, heeft Hij toen gezegd,

  gij zijt voorgoed met Mij verbonden.

  Ik ben uw waarheid en Ik ben de weg,

  Ik ben die ben, vergeving van uw zonden,

  vrede geef ik u, heeft Hij gezegd. (bis)

4

  Toen Jezus naar zijn Vader toe zou gaan,

  heeft Hij gebeden voor zijn vrienden.

  Vader, bad Hij, bewaar hen in uw naam,

  mogen zij allen een zijn in de liefde,

  dat zij doen wat ik hun heb gedaan. (bis)

5

  Toen Jezus in de hof gekomen was,

  heeft Hij in grote angst gebeden,

  - niemand was er, die Hem antwoord gaf.

  Een vriend heeft Hem verkocht en uitgeleverd,

  toen Hij in zijn uur gekomen was. (bis)

---

*35

#3

1

  Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt en gegeven.

  Laat ons Hem loven en danken, verheugd dat wij leven.

  Diep in de nacht heeft Hij verlossing gebracht

  heeft Hij ons licht aangeheven.

2

  Waren wij dood door de zonde verminkt en verloren,

  doven van harte, verhard om zijn woord niet te horen,

  Hij is zo groot, Hij overmande de dood.

  Wij zijn in Jezus herboren.

3

  Nu zend uw Geest, als een vuur, als een stem in ons midden

  Dat wij van harte elkander verstaan en beminnen.

  En zo voortaan eren Gods heilige Naam.

  En Hem in waarheid aanbidden.

---

*36

#1

1

  Niemand leeft voor zichzelf

  niemand sterft voor zichzelf.

  Wij leven en sterven voor God onze Heer

  aan Hem behoren wij toe,

---

*37

#5

1

  Christus is opgestaan,

  leeg is het graf, Hij leeft voortaan.

  In dat bittere tweegevecht

  Sloeg hij de dood, wij zijn terecht

  Hallelujah.

2

  Christus komt uit de nacht,

  licht en vrede ons toegebracht.

  Maar nog is oorlog om ons heen,

  liet Hij ons toch weer dood alleen?

  Hallelujah.

3

  Heer, ons geloof bezwijkt

  als Gij ooit uit ons midden wijkt.

  "Zie, Ik ben, en Ik blijf met U,

  heilige geestkracht geef Ik u."

  Hallelujah.

4

  Leg ons de schriften uit.

  Toon ons toch aan dat Gij het zijt!

  Voer ons binnen het groot geheim

  dat Gij een lijdende mens moest zijn.

  Hallelujah.

5

  Mijn Heer, mijn God zijt Gij.

  Daarom, Christus, gedenken wij

  uw verrijzenis uit de dood,

  hier in dit breken van het brood.

  Hallelujah.

---

*38

#6

1

  De Heer die heeft geleid en hoedt

  zijn volk op aarde, o herder goed,

  o mensenzoon met ons begaan,

  getrouwe heiland is uw naam.

2

  Als schapen doolden allen rond

  geen die nog weide en water vond.

  Toen zijt Gij zelf ons voorgegaan,

  getrouwe herder is uw Naam.

3

  Geen die zijn leven voor ons gaf,

  alwie kwam v’’r U, was vreemd en laf.

  Geen huurling weidt ons meer voortaan,

  Hecr God, betrouwbaar is uw Naam.

4

  Die als een lam draagt onze dood,

  die breekt zijn lichaam als levend brood,

  die om zijn kudde zich liet slaan -

  getrouwe herder is zijn Naam.

5

  Die maakt dat allen op zijn woord

  komen te samen, Hij is de poort;

  gij moet door Hem het rijk ingaan,

  hoort, want Hij roept u bij uw naam.

6

  In dood en leven, Heer, zult Gij

  zijn die Gij zijt: uw klein volk nabij.

  Gij zult met ons uw wegen gaan,

  getrouwe herder is uw Naam.

---

*39

#3

1

  Gedenken wij dankbaar de daden des Heren,

  zijn leven, zijn dood en verrijzenis,

  en dat wij oprecht tot Jezus ons bekeren

  die onze God en leidsman ten leven is.

2

  Hoe zouden wij ooit voor elkaar kunnen leven,

  had Hij ons de liefde niet voorgeleefd,

  die tot de dood zich prijs heeft willen geven,

  die, Zoon van God, ons aller slaaf is geweest.

3

  Gij eerste der mensen, die weerloos en eenzaam,

  als graan in de aarde gestorven zijt,

  Gij wordt ons brood, maak ons met U gemeenzaam,

  van harte maak tot wederdienst ons bereid.

---

*40

#2

1

  Wie zijn leven niet wil geven,

  niet wil delen met zovelen,

  met een ander,

  gaat verloren.

2

  wie wil geven wat hij heeft,

  die zal leven,

  op gegeten,

  die zal weten dat hij leeft.

---

*41

#8

1

  K:mela:

  Roept God een mens tot leven, wie weet waarom en hoe,

  Hij moet zichzelf prijsgeven, hij leeft ten dode toe.

2

  A:mela:

  Gods woord roept door de tijden

  zijn volk en grijpt het aan

  Hij doet het uitgeleide

  het moet de zee ingaan

3

  K:melb:

  Geroepen en verzameld uit dood en slavernij,

  gedoopt in woord en water dat volk van God zijn wij.

4

  A:mela:

  Wij werden nieuw geboren

  toen de mens Jezus kwam,

  die als een slaaf de zonde

  der wereld op zich nam.

5

  K:melb:

  Met Hem in geest en water

  tot zoon van God gewijd,

  zijn wij met Hem begraven,

  verrezen voor altijd.

6

  A:mela:

  Gestorven voor de zonde

  in Jezus' bloed vereend,

  en met elkaar verbonden

  levend voor God alleen.

7

  K:melb:

  Wie Jezus' kelk wil drinken,

  zijn doop wil ondergaan,

  zal in de dood verzinken

  en uit die dood opstaan.

8

  A:mela:

  Hij zal zijn leven geven

  hij maakt zichzelf tot brood,

  hij sterft en and'ren leven,

  hij overleeft de dood.

---

*42

#3

1

  Gij zijt voorbijgegaan,

  een steekvlam in de nacht.

  De vonken van uw naam

  zijn ogen in ons hart.

  In flarden hangt uw woord

  om onze wereld heen,

  wij leven in U voort,

  wij zijn_met U bekleed.

2

  Gij zijt voorbijgegaan,

  een voetspoor in de zee.

  Gij zijt te ver gegaan,

  Gij zijt een mens te veel.

  Gij zijt voorgoed, Gij zijt

  verborgen in uw God.

  Geen stilte spreekt U uit,

  ondenkbaar is uw dood.

3

  Gij zijt voorbijgegaan,

  een vreemd bekend gezicht,

  een stuk van ons bestaan,

  een vriend, een spoor van licht.

  Uw licht is in mijn bloed,

  mijn lichaam is uw dag,

  ik hoop U tegemoet

  zolang ik leven mag.

---

*43

#5

1

  Duisternis troonde hoogverheven,

  de mensen vielen stervend neer.

  Een woord van licht zou hen doen leven -

  de loop der dingen nam een keer.

2

  Hij was bereid een woord voor allen,

  dat ene woord van licht te zijn,

  als zaad in harde grond te vallen -

  hij achtte niet de stervenspijn.

3

  Zo is hij in de nacht verdwenen

  geen engel heeft hem brood gebracht

  geen sterrebeeld hem toegeschenen

  geen moederschoot hem opgewacht.

4

  Om ooit een dag als nieuw geboren

  in bloei van stemmen op te staan,

  moest hij verstomd en zinverloren

  in mensenspraak te gronde gaan.

5

  In holle klank van taal verzinken

  om kiem van weerklank, zaad van licht

  uit onze harten op te klinken

  een naam die voor geen duister zwicht.

---

*44

#6

1

  Een mens te zijn op aarde,

  in eens voorgoed geboren zijn,

  is levenslang geboortepijn.

  Een mens te zijn op aarde

  is leven van de wind.

2

  De bomen hebben wortels

  de bomen mogen stevig staan

  maar mensen moeten verder gaan

  de bomen hebben wortels

  maar mensen gaan voorbij.

3

  De vossen hebben holen

  de mensen weten heg noch steg

  zijn altijd naar hun huis op weg

  de vossen hebben holen

  maar wie is onze weg?

4

  De mensen hebben zorgen

  het brood is duur, het lichaam zwaar

  en wij verslijten aan elkaar.

  Wie kent de dag van morgen?

  De dood komt lang verwacht.

5

  Een mens te zijn op aarde

  is pijnlijk begenadigd zijn

  en zoeken, nooit verzadigd zijn,

  is rusten in de aarde

  als alles is volbracht

6

  Hoe zullen wij volbrengen

  wat door de eeuwen duren moet

  een mens te zijn die sterven moet?

  Wij branden van verlangen

  tot alles is voltooid.

---

*45

#3

1

  De aarde was nog plat.

  Maar 't hart was met zovelen.

  Toen kwam door wolken heen.

  de zevenkelen man.

2

  Hij riep de vogels vrij,

  de takken uit de bomen.

  Hij zong de stromen los

  uit rotsen en woestijn.

3

  Hij zong miljoenen mensen

  als bloemen uit zijn mond.

  Toen ben jij ook geboren.

  Toen was de aarde rond.

---

*46

#1

1

  Dat wij vol stromen met levensadem

  en schreeuwen eindelijk geboren,

  en lachen eindelijk geboren,

  en weten eindelijk geboren.

---

*47

#3

1

  Tijd van vloek en tijd van zegen,

  tijd van droogte tijd van regen

  dag van oogst en tijd van nood

  tijd van stenen tijd van brood.

  Tijd van liefde nacht van waken

  uur der waarheid dag der dagen

  toekomst die gekomen is

  woord da vol van stilte is.

2

  Tijd van troosten tijd van tranen

  tijd van mooi zijn tijd van schamen

  tijd van jagen nu of nooit

  tijd van hopen dat nog ooit.

  Tijd van zwijgen zin vergeten

  nergens blijven nergens weten

  tijd van kruipen tijd van angst

  zee van tijd en eenzaamheid.

3

  Wie aan dit bestaan verloren

  nieuw begin heeft afgezworen

  wie het houdt bij wat hij heeft

  sterven zal hij ongeleefd.

  Tijd van leven om met velen

  brood en ademtocht te delen

  wie niet geeft om zelfbehoud,

  leven vindt hij honderdvoud.

---

*48

#1

1

  Lieve boetseerder, trek me uit de klei.

---

*49

#1

1

  Groot is de wereld

  en lang duurt de tijd,

  maar klein  zijn de voeten

  die gaan waar geen wegen gaan,

  overal heen.

---

*50

#3

1

  De wijze woorden en het  groot vertoon,

  de goede sier van goede werken,

  de ijdelheden op hun pauwentroon,

  de luchtkastelen van de sterken:

  al wat hoog staat aangeschreven

  zal gods woord niet overleven;

  hij wiens kracht in onze zwakheid woont

  beschaamt de ogen van de sterken.

2

  Zijn woord wil deze wereld omgekeerd:

  dat lachen zullen wij die wenen,

  dat wonen zal wie hier geen woonplaats heeft,

  dat dorst en honger zijn geleden.

  Die onvruchtbaar bleef, zal vruchtbaar zijn,

  die geen vader was, zal vader zijn;

  mensen zullen and're mensen zijn,

  de bierkaai wordt een stad van vrede.

3

  Wie denken durft, dat deze droom het houdt,

  een vlam die kwijnt maar niet zal doven,

  wie zich aan deze dwaasheid toevertrouwt,

  al komt de onderste steen boven:

  die zal kreunen onder zorgen,

  die zal vechten in 't verborgen,

  die zal waken tot de morgen dauwt

  Hij zal zijn ogen niet geloven.

---

*51

#5

1

  Om wat misdaan wordt, ziende blind,

  aan grond en lucht, dier en mensenkind,

  weegklaagt de aarde, afgeknecht

  zij schreeuwt om niet geboorterecht.

2

  Wij vluchten weg, wij horen niet.

  Wij spelevaren in doodsgebied:

  de tijd zo kort, de druiven zoet,

  dus plukt de dag, na ons de vloed.

3

  Geen taal die nog wat hoop vertolkt

  Over ons heen daalt een zwarte wolk.

  De regen stroomt, het water stijgt,

  een vloed van wee die ons wel krijgt,

4

  Wij zullen worden afgedaan

  en niets begrijpend ten onder gaan,

  met man en macht, met vuur en zwaard.

  Wij zijn geen nieuwe aarde waard.

5

  Kiest Gij het leven of de dood?

  O God, ontketen in onze schoot

  een kind dat doet gerechbgheid,

  een nieuw mens, een nieuwe tijd.

---

*52

#3

1

  Wij die met eigen ogen de aarde zien verscheurd,

  maar blind en onmedogend ontkennen wat gebeurt:

  dat oorlog is geboden en vrede niet mag zijn,

  dat mensen mensen doden, dat wij die mensen zijn.

2

  Wij die mogen leven van hoop en vrees vervuld,

  aan machten prijs gegeven aan meer dan eigen schuld,

  wij die, God weet hoe verder, tot hier toe zijn gespaard:

  dat wij toch nooit erkennen het recht van vuur en zwaard.

3

  Dat wij toch niet vergeten waartoe wij zijn gemaakt,

  dat diep in ons geweten opnieuw het licht ontwaakt.

  Dat in ons wordt herschapen de geest die overleeft.

  Dat onze lieve aarde nog kans op redding heeft.

---

*53

#3

1

  Komen ooit voeten gevleugeld mij melden de vrede,

  daalt over smeulende aarde de dauw van de vrede,

  wordt ooit gehoord

  uit mensenmonden dat woord:

  wij zullen rusten in vrede.

2

  Dan zal ik huilen en lachen en drinken en slapen;

  dromen van vluchten en doden en huivrend ontwaken

  Maar niemand vlucht

  nergens alarm in de lucht

  overal vrede geschapen.

3

  Dan zal ik zwaaien naar vreemden, zij zullen mij groeten.

  Wie was mijn vijand? lk zal hem in vrede ontmoeten.

  Dan zal ik gaan

  waar nog geen wegen bestaan -

  vrede de weg voor mijn voeten.

---

*54

#5

1

  In diepe nacht ben ik gegaan.

  Ik zocht in alle straten.

  Mijn vriend is van mij heengegaan,

  mijn God heeft mij verlaten.

2

  lk zocht hem en ik vond hem niet

  och wachters op uw ronde,

  o aarde, hebt gij uw God gezien?

  Toen heeft hij mij gevonden.

3

  Ik bracht hem in mijn moeders huis

  en waar ik ben geboren.

  lk zal mijn naam vernemen daar.

  Ik ga in hem verloren.

4

  - Liefde is droever dan de dood,

  o lichaam, goedertieren,

  geen taal verstaat haar wonder groot

  verblindend zijn uw vuren.

5

  Wek niet de liefde voor haar tijd,

  die dorst zal u verteren,

  geen water blust de liefde uit,

  haar roep is niet te keren.

---

*55

#3

1

  Uit vuur en ijzer, zuur en zout,

  zo wijd als licht, zo eeuwen oud,

  uit alles wordt een mens gebouwd

  en steeds opnieuw geboren.

  Om ijzer in vuur te zijn,

  om zout en zoet en zuur te zijn,

  om mens voor een mens te zijn

  wordt alleman geboren.

2

  Om water voor de zee te zijn,

  om anderman een woord te zijn,

  om niemand weet hoe groot en klein,

  (- gezocht, gekend, verloren -)

  om vanavond en morgenland,

  om hier te zijn en overkant,

  om hand in een andre hand,

  om niet te zijn verloren.

3

  Om oud en wijs als licht te zijn,

  om lippen, water, dorst te zijn,

  om alles en om niets te zijn,

  gaat iemand tot een ander.

  Naar verte die niemand weet,

  door vuur dat mensen samensmeedt,

  om leven in lief en leed

  gaan mensen tot elkander.

---

*56

#2

1

  Nu nog met halve woorden, hier en daar,

  kijkend in donk're spiegels, bijna waar,

  blijven wij vreemden die zien en weer vergeten,

  doen in den blinde wat moet, maar ongeweten.

  Dan, eenmaal, wordt, wat niet bestaat:

  wij zullen open gaan,

  en zien en horen, oog in oog,

  van mens tot mens verstaan.

2

  Weten voorbij aan alle angst en schijn,

  en liefde, liefde zal geen woord meer zijn.

  Lichaam en zwijgen genoeg, en onze namen

  rusten in licht als leeuw en lam tesamen.

  Nu nog verslaafd, dan waar en vrij,

  ontketend, onverbloemd.

  Nu nog in tranen, dan getroost

  en met mijzelf verzoend.

---

*57

#3

1

  Kom in mij. win. ontwapen mij.

  zie mij. doe mij aan.

  Weersta mij. wacht mij. delf in mij.

  ontdooi mijn naam.

  ontraadsel mijn bestaan.

2

  Kom in mij. maak geluid in mij.

  dood is diep in mij.

  versteend mijn stem. ontsta in mij.

  doe pijn. doorgloei

  mij. leef mij. licht in mij.

3

  Kom uit mij. scheur mij. kind van mij.

  mens. in mij ontwaakt

  ontvang mij. overschaduw mij.

  en ga met mij

  waar niemand met mij gaat.

---

*58

#10

1

  Hierheen, Adem, steek mij aan,

  stuur mij uit jouw verste verte

  golven licht.

2

  Welkom armeluisvader,

  welkom opperschenker,

  welkom hartenjager.

3

  Beste tranendroger

  lieve zielsbewoner

  mijn vriend, mijn schaduw.

4

  Even rusten voor tobbers

  en zwoegers, voor krampachtigen

  een verademing, ben je.

5

  Onmogelijk mooi licht,

  overstroom de afgrond van mijn hart,

  jou zo vertrouwd.

6

  God ben jij, zonder jou

  is alles nacht en ontij,

  wreedheid, schuld,

7

  maar jij maakt schoon.

  Verflenst mijn bloem

  geef water zalf mijn wonden.

8

  Stijf sta ik, toegang verboden,

  ijzig ontdooi mij, koester mij.

  Vreemd ga ik, zoek mij.

9

  Ik zeg ja jij, doe nee.

  Vergeld mijn twijfel met vriendschap

  zeven maal duizend maal.

10

  Niets ben ik zonder jou.

  Dood wil ik naar jou toe.

  Dan zal ik lachen.

---

*59

#3

1

  Jij bent van jou, onachterhaalbaar eigen.

  Ik ben van mij, geen ander zal mij krijgen.

  Wat ik jou vraag, wat jij mij vraagt

  is leeg en zonder zin gevraagd.

  E‚n oogwenk ver in vreemd gebied,

  ooit verder komen doen wij niet.

2

  Ik wou een leven meer, mocht ik jou vinden,

  ik bond mij aan je vast, kon ik mij binden.

  Ik zou in jou vergaan, en jij

  ontstaan in mij, en wij in wij.

  Eens lag ik neer, versteend van kou,

  ik droomde dat ik vocht met jou.

3

  Die nacht werd mij een nieuw naam gegeven.

  Geschonken werd mij nog een tijd van leven.

  En even, tot de morgen daagt,

  is wat ik vraag en wat jij vraagt,

  vervuld en ‚‚n. Toen ging jij heen

  en bleef ik met mijn droom alleen.

---

*60

#3

1

  Uit staat en stand en wijheid losgewoeld,

  omgewaaid, ontwortelde plataan.

  Toen heeft hij licht onder zijn schors gevoeld,

  een vlaag van knoppen die op springen staan.

2

  Uit jij en jou en woorden weggevlucht

  Ergens heen gejaagd. Boomgrens voorbij.

  Op adem komen in de dunne lucht,

  je eigen hartslag horen. Vogelvrij.

3

  Uit eigen aard en huid naar iemand toe,

  onontkoombaar. En niet wonen meer,

  tot ik Hem, Hij mij vinden zal. En hoe -

  een zee van dromen gaat in mij tekeer

---

*61

#5

1

  Als boten uit het niets vandaan

  gedreven over 't water

  door storm en luwte heengegaan

  gezonken in de haven,

2

  als huizen scheef en uitgewoond

  zelfs niemand komt ze kraken

  hun vloer hun fundament gesloopt

  het weer valt door de daken,

3

  zo zijn de doden doof en diep

  verzonken in hun voren

  doorploegd bemest maar niet ontkiemd

  hun oogst nog ongeboren.

4

  of zweven zij voor dag en dauw

  op vleugels van een reiger

  niet mensen meer geen man of vrouw -

  hoe zou ik antwoord krijgen.

5

  Wij gaan en niemand weet waarheen

  als water uitgegoten

  verstilt en koud in merg en been

  en zonder reisgenoten.

---

*62

#10

1

  Hier is een stad gebouwd

  overal om ons heen,

  huizen en bomen en

  mensen van licht en steen.

2

  Huizen van vrede voor

  mensen van vlees en bloed.

  Veilig onveilig, zo

  leven zij bitterzoet.

3

  Overal haast en ver-

  keer dai geen richting heeft

  wolken lawaai als een

  vuur dat geen warmte geeft

4

  Woorden gaan over en

  weer, waar de mensen zijn.

  Woorden zijn lief en leed

  rouw en geboortepijn.

5

  ledereen wil wel een

  ander, maar weet niet hoe.

  ledereen gaat zo zijn

  weg, wie weet waar naar toe.

6

  Mensen gaan twee aan twee,

  overvloed en woestijn.

  Zoeken een woning en

  willen geborgen zijn.

7

  Een stad is man en vrouw

  opstaan en slapen gaan,

  mensen die dagelijks

  doodgaan en voortbestaan.

8

  Leven is liefde doen,

  gaan in het oude spoor.

  mensen zijn ouder en kind

  en dat gaat maar door.

9

  Leven is overal

  tussen fabriek en flat,

  bloemen en kinderspel,

  licht op muziek gezet.

10

  Is er een stad zonder

  dood zonder duisternis?

  Komt er een stad waar de

  zon niet meer nodig is?

---

*63

#3

1

  Wonen overal nergens thuis,

  aarde, mijn aarde, mijn moeders huis.

  Vallende sterren, de schim van de maan,

  mensen die opstaan en leven gaan,

  mensen veel geluk.

2

  Wonen overal even thuis

  handel en wandel en huis na huis

  loven en bieden op waarheid en waan

  wagen en winnen en verder gaan

  mensen veel geluk.

3

  Wonen overal bijna thuis

  aarde mijn hemel mijn vadershuis

  stijgende sterren de lach van de maan

  mensen die dromend een stem verstaan

  mensen veel geluk.

---

*64

#1

1

  Die mij droeg op adelaarsvleugels,

  die mij hebt geworpen in de ruimte,

  en als ik krijsend viel, mij ondervangen

  met uw wieken en weer opgegooid,

  totdat ik vliegen kon

  op eigen kracht.

---

*65

#1

1

  Een schoot van ontferming is onze God.

  Hij heeft ons gezocht en gezien

  zoals de opgaande zon aan de hemel.

  Hij is ons verschenen toen wij in

  duisternis waren, in schaduw van dood.

  Hij zal onze voeten richten

  op de weg van de vrede.

---

*66

#4

1

  Scheur toch de wolken weg en kom.

  Breek door de blinde muur en kom.

  Doodsnacht regeert ons her en der.

  De tijd is vol, uw Naam is ver.

2

  Een vloed van tranen komt tot U.

  Bloed uit de aarde roept tot U.

  AI uw verworpen kind'ren staan

  op uit hun graf en zien U aan.

3

  Mocht het toch waar zijn dat Gij hoort.

  Dat niet vergeefs dit mensenwoord,

  o God sinds mensenheugenis,

  dat niet vergeefs dit lijden is.

4

  Mochten wij zien dat Gij bevrijdt,

  dat Gij geen god van doden zijt.

  Breek door de blinde muur en kom.

  Scheur toch de wolken weg en kom.

---

*67

#3

1

  Jij die voor alle namen wijkt

  geen weg die in jouw vertre reikt

  geen woord kan jou aanbidden.

  Jij die niet hoog verheven troont

  licht dat in nacht en wolken woont

  een dode in ons midden.

  Jij komt, wij weten dag noch uur

  jij gaat voorbij, een dovend vuur

  een stilte in de bomen.

  Roepend van ver, stem van dichtbij

  niet overal niet hier ben jij

  niet god die wij ons dromen.

2

  Geen veilig pad om langs te gaan

  geen plek geen been om op te staan

  geen rots om op te bouwen.

  Geen bron die uit de rotsen breekt

  geen bloed dat stuwt geen hart dat spreekt

  geen ziel om in te schouwen.

  Geen gulden regel, rond getal,

  geen laatst gericht in dit heelal

  onwrikbaar onbewogen.

  Maar mensen die verminkt en klein

  ontheemd ontkend toch mensen zijn

  roepend om mededogen.

3

  Roepende stilte, verre stem,

  als jij bestaat, besta in hen,

  in mensen in ons midden.

  Wees onbestaanbaar ongehoord,

  besta in mij, onvindbaar woord

  niet god die wij aanbidden.

  Jij die mij kent, jij die mij boeit

  ik die jou jij noem onvermoeid,

  en nog niet kan vergeten,

  zouden wij ik-en-niemand zijn

  ontheemd ontkend ontroostbaar zijn

  en van elkaar niet weten?

---

*68

#1

1

  Het woord dat Ik u heden geef

  is niet te zwaar voor u

  het ligt niet buiten uw bereik.

  Het is niet in de hemel, zeg dus niet:

  wie haalt het voor ons uit de hemel.

  Het is niet overzee, zeg dus niet:

  wie haalt het voor ons van overzee.

  Het woord is dichtbij

  in uw mond in uw hart

  gij kunt het volbrengen.

---

*69

#1

1

  Gij wacht op ons

  totdat wij opengaan voor U.

  Wij wachten op uw woord

  dat ons ontvankelijk maakt.

  Stem ons af op uw stem

  op uw stilte.

---

*70

#3

1

  Stem als een zee van mensen

  om mij, door mij heen.

  Stem van die drenkeling,

  van dat stuk wrakhout

  dat een mens blijkt

  als hij mij aankijkt.

2

  Stem die mij roept: wie ben je,

  mens waar is je broer?

  Stem die mijn vliezen breekt

  en mij bevrijdt, die

  vuur uit steen slaat,

  jij die mij ik maakt

3

  Stem die geen naam heeft nog niet,

  mensen zonder stem.

  Stem als een specht die klopt

  aan mijn gehoorbeen.

  Woord dat aanhoudt.

  God die mij vasthoudt.

---

*71

#3

1

  Jij bent de god die mij gegeven is,

  de beker die voor mij ingeschonken staat.

  Mijn levenslot rust in jouw hand,

  goed land is mij ten deel gevallen.

2

  Jij bent het lot dat mij beschoren is,

  mijn schaduw, de engel die mij troost mij kwelt -

  laat deze kelk aan mij voorbijgaan, gauw,

  ik kan geen mensen drinken.

3

  Wie ben je, jij die mij te drinken vraagt?

  Je aarzelt nog aan mijn deur, je klopt en wacht

  een dorstig hert - en ik een lege bron

  dorstend naar stromen regen.

---

*72

#3

1

  Zij die stom zijn, ver heen, koud, steen in steen,

  zij die in doodswoestijn onvindbaar zijn:

  Wie weet hun naam, wat heeft men hen gedaan

  die genoemd wordt Gij, onvoorstelbaar Gij,

  die 't verloren kind schreiend zoekt en vindt,

  die het leven zelf uit de dood opdelft.

2

  Hoe in duisternis dit bestaan ook is,

  hoe zwart mijn verdriet, wanhoop wordt het niet,

  omdat Gij God zijt die mijn leven leidt,

  Gij volstaat voor mij, zijt mijn zekerheid.

  Van uw aangezicht straalt mijn ogenlicht

  Komen zal de dag dat ik rusten mag.

3

  Die rampzalig zijn, zullen zalig zijn.

  Die verworpen zijn, zullen in U zijn.

  Die zich keerden van U, zij vinden U.

  Onbeminden, om niet bemind door U.

  Lachen wordt gehoord als uw laatste woord

  dit verscheurd heelal prachtig maken zal.

---

*73

#1

1

  Onze Vader in het verborgene

  uw naam moet worden gekend en volbracht

  uw rijk van vrede zal worden gevestigd

  uw wil geschiede; hemel op aarde.

  Geef ons vandaag ons brood, en morgen,

  scheld kwijt onze schulden

  zoals wij kwijtschelden een ander zijn schuld.

  En beproef ons niet boven onze kracht.

  En bevrijd ons uit de macht van onrecht.

---

*74

#3

1

  Verdoofd en schamper van gemis

  herkomst en doel verloren

  dit leven dat geen leven is

  nog dood nog ongeboren.

  Doe open Gij die woont in licht

  dat niet ter dood gedoemd zijn

  wij die naar U genoemd zijn.

2

  Uw nu ons eertijds aangezegd

  volhardt in onze oren

  opdat wij doen het volste recht

  en zijn uit U geboren

  'de minste mens een naaste zijn'-

  dat woord heeft zin gegeven

  ons angstbeladen leven.

3

  Die gaan de wegen van uw woord

  geen lot is hen beschoren

  dan Gij, Gij plant hun adem voort

  uw land zal hen behoren.

  Woestijnen gaan in dauw gedrenkt

  geluk zal wedervaren

  aan wie verworpen waren.

---

*75

#3

1

  Zijn alsof niet, hart blind geboren.

  oor dat geen woord verstaat.

  hand die niet doet. mond dichtgevroren.

  ik dat niet opengaat.

  de dood gezocht. de nacht verwensen

  waarin wij zijn ontwaakt.

  zijn alsof nooit. alsof niet mensen

  voor mensen zijn gemaakt.

2

  Zijn alsof toch, op hoop van zegen:

  een hand die handen groet.

  Alsof een mens mag overleven,

  wel sterft maar niet voorgoed.

  Ooit even waar te zijn, ontkomen

  aan klacht en troost en schijn:

  ontwaken, licht geraakt genomen,

  gekend zoals wijzijn.

3

  Zijn - en dat niets mij ooit kan scheiden

  van God die in mij leeft.

  Onschendbaar zijn, onnoembaar lijden,

  en niets dat reden geeft

  en niemand die mijn hoop rechtvaardigt,

  en niemand weet van mij

  dan Gij alleen die in mij ademt.

  Mijn levensdag ben Jij.

---

*76

#3

1

  Die chaos schiep tot mensenland

  die mensen riep tot zinsverband

  Hij schreef, ons tot bescherming,

  zijn handvest van ontferming,

  Hij schreef ons vrij, met eigen hand.

  Schrift die mensenoorsprong schrijft.

  Woord dat trouw blijft.

2

  Dat boek waarin getekend staan

  gezichten, zielen, naam voor naam,

  hun overslaande liefde

  hun overgaande liefde

  hun wee‰n die niet overgaan.

  Schrift dat mensendagen schrijft.

  Licht dat aanblijft.

3

  Zijn onverganklijk testament:

  dat Hij ons in de dood nog kent

  de dagen van ons leven

  ten dode opgeschreven

  ten eeuwig leven omgewend.

  Schrift die mensentoekomst schrijft.

  Naam die trouw blijft.

---

*77

#4

1

  Met niets van niets zijt Gij begonnen,

  hebt sprakeloos het licht gezegd,

  de tijd bepaald, het land gewonnen,

  de zee‰n op hun plaats gelegd.

2

  De ban der duistemis gebroken

  en het werd morgen, dag na dag,

  een wereld in het licht gesproken,

  een mensheid die beginnen mag.

3

  Geen eind in zicht. Geen rust gevonden.

  Het langste deel nog niet gegaan.

  Geen engel met ons mee gezonden

  om nacht en onbj te verslaan.

4

  Met licht van licht hebt Gij geschreven

  uw boek dat ons het leven redt

  de woorden van uw trouw gegeven.

  En van dit lied de toon gezet.

---

*78

#1

1

  Klankresten van een oud verhaal.

  Steenlettergrepen, sporen in woestijnzand.

  Lichtwoorden, ooit ontvangen, maar van wie

  Hij zal niet slapen, Isra‰ls behoeder.

---

*79

#3

1

  Dat woord, waarin ons richting werd gegeven,

  dat onze gang bepaald heeft bij het leven,

  dat in ons zwijgt en waakt en weet,

  de wereld trouw in lief en leed,

  dat ons de dood doet tegengaan:

  dat was bij God, van meet af aan.

2

  Alleen was God in stilte ongebroken,

  volmaakt zichzelf, onnoembaar, onweersproken.

  Toen heeft Hij in zijn hart gehoord

  de klank en aandrift van dat woord.

  Nog voor Hij enig mens gewoon,

  nog voor het opgaan van de zon.

3

  Dat woord stond Hem met raad en daad terzijde,

  toen Hij het licht de zee, de aarde spreidde.

  Het werd zijn liefste gezellin,

  het spreekt Hem moed en liefde in,

  opdat niet ooit zijn hart bezwijkt,

  zijn naam van deze wereld wijkt.

---

*80

#3

1

  Wat geen oog heeft gezien,

  geen oor heeft gewaagd te horen,

  wat ons vaderen niet durfden dromen,

  zijn wij...dia di dia...

  geworden: deze wereld.

2

  Doden onbegraven,

  ‚‚n woestenij uw stad.

  Opgejaagd, prijsgeschoten,

  als kleinwild afgeslacht

  dia di dia...

  uw allerliefste mensen.

3

  Door stormen van geweld,

  voortgejaagden, zijn wij.

  Aan molenstenen vastgeklonken,

  als verdoemden zijn wij:

  Dia di dia...

  zijn wij: deze wereld.

---

*81

#5

1

  De vloed van voor de tijd

  van v’’r Gij hebt gesproken,

  de nacht van v’’r het licht,

  de dood van v’’r uw Naam.

2

  Wat wilt Gij dat ik ben?

  Een wrakhout op de golven?

  Wie weet ik dat Gij zijt?

  de ark van mijn behoud.

3

  Van v’’r de vloed zijt Gij.

  Nog eer ik werd geboren

  had Gij mijn koers gezet

  door deze diepten heen.

4

  En na de vloed komt Gij.

  Uw boog staat in de wolken,

  uw uitgestrekte ann,

  uw hand die ons bevrijdt.

5

  En ooit zal hoog en droog

  op gouden fundamenten

  uw stad voor eeuwig staan.

  En dood zal niet meer zijn.

---

*82

#3

1

  Ze zijn van vlees en van gebeente

  ze zijn als wij maar hoog ten troon

  zij flonkren van goedkoop gesteente

  hun droom is lucht hun schijn is schoon.

  Hun weg is kort: een ster die stort

  de hemel uit, de afgrond in,

  weg rover, moordenaar, dag duivelin.

2

  Hun hand doet zonder meededogen

  de minste slaaf zijn ketens om.

  Vervlogen pluizen zijn hun ogen,

  hun oren leeg, hun monden stom.

  Hun godenrijk ‚‚n dodenrijk,

  nog spelen zij hun partituur,

  o wee zij weten dag noch uur.

3

  Die dag kruipt ‚‚n, halfdood geboren

  uit drek omhoog en staat rechtop,

  een klank van vrijheid in zijn oren,

  een droom van leven in zijn kop.

  En bang of niet, hij fluit zijn lied

  tegen de hoogste muren aan,

  als wist hij dat ze op instorten staan.

---

*83

#3

1

  Geen koning onze god

  geen leuzen en geen vaandel

  geen bodem en geen bloed

  geen god dan Gij alleen.

2

  De zee verheft haar stem

  de golven staan in horden -

  daarbovenuit uw Naam

  die storm en vloed weerstaat.

3

  Van eeuwigheid uw woord

  als een kompas onfeilbaar.

  Gij spreekt ons in de tijd

  een weg die niet verwaait.

---

*84

#9

1

  Het was een nacht door merg en been

  het werd een nacht van lichten

  van waterwel uit woeste steen

  van vuur en vergezichten.

2

  Een klank de doodse stilte brak

  een woord verwachting zaaide

  een stem uit hoge vlammen sprak

  een storm de zee verwaaide.

3

  Het vuur versteende tot woestijn,

  de zee ook kwam met wrake

  en roofde alle woorden weg

  die ons nog moed inspraken.

4

  Het einde komt, vlucht weg van hier,

  zo schreeuwden van hun tronen

  de dochters van het goud vertier

  en hun vergulde zonen.

5

  Een langzaam einde spint ons in,

  een web van doemgedachten:

  geen vergezicht, geen nieuw begin,

  geen god staat ons te wachten.

6

  Maar die in schenen, stof en as

  verbruikt ter neder lagen,

  die wisten dat het niet zo was,

  dat nieuw begin zou dagen.

7

  Het is de nacht van voor de tijd,

  geen klank van stem te horen -

  uit doodse stille uitgeleid

  zijn wij maar pas geboren.

8

  Het werd een dag zoals daarvoor

  miljoenen dagen kwamen:

  het rad voor ogen draaide door,

  het duister spande samen.

9

  Die op hun tronen tieren voort,

  die in hun graven zwijgen.

  Op onze lippen ligt een woord

  dat klank en stem zal krijgen.

---

*85

#5

1

  Een land in onweer verward

  een stad verdwaald in zijn stegen,

  twee mensen wachtend op wie,

  een kin dat huilend ontwaakt.

2

  Er komen dagen aan

  dat wij de nacht zullen prijzen,

  dat wij vergeten het licht,

  dat wij verspelen elkaar.

3

  Er zal geen huis meer zijn

  dat niet weeklaagt om zijn dode.

  Dan zal er stilte zijn

  zo hard en koud als de dood.

4

  Er zal een stilte zijn

  zo licht als zee in de verte -

  er zal vermoeden zijn,

  een waas van ander weer.

5

  Er zullen woorden zijn,

  oeroude stenen die spreken.

  Er zal nog weten zijn,

  een kind dat lacht in zijn droom.

---

*86

#3

1

  Hoor. Maar ik kan niet horen.

  Mijn oren dicht gestopt.

  Mijn adem opgekropt.

  Mijn hart van leeg te zwaar.

  Ik ben nog niet geboren.

  Ik ben niet ik. Niet waar.

2

  Hoor. Maar ik wil niet horen.

  Zou ik uw woord verstaan,

  ik moest uw wegen gaan,

  U volgen hier en nu.

  Ik durf niet zijn geboren

  en leven toe naar U.

3

  Hoor, roept Gij in mijn oren

  en jaagt mijn angst uiteen.

  O stem door merg en been

  verwek mij uit het graf,

  uw mens opnieuw geboren.

  O toekomst, laat niet af.

---

*87

#5

1

  De hemel mag horen.

  Maar luchtruim en wolken,

  zon maan en sterren,

  hebben geen oren.

  Zomin als de aarde

  met bomen en dalen

  en bergen en stromen -

  jij, mens, hebt de oren, het hart.

  Nu geef Hem gehoor,

  wees niet langer in dromen,

  in vluchtige dromen verward.

2

  Hij leerde je woorden.

  Hij heeft ze gegeven,

  van zuiden tot noorden

  een land om te leven -

  van westen tot oosten

  van zee tot zonsopgang

  je rots en je vader.

  Hij spoorde je op in de nacht.

  Hij heeft je gevlogen,

  Hij leerde je vliegen,

  Hij strekte je vleugels met kracht.

3

  Je wou Hem verlaten

  voor levende doden.

  Hem tarten, je redder,

  met krengen van goden.

  Maar dat zal je weten:

  in duizelingwekkende

  diepte getuimeld,

  vervloekten, zo ver van de zon.

  Zijn woorden vergeten

  is dorsten en sterven.

  Zijn woorden alleen zijn de bron.

4

  Je kinderen zullen

  hun kinderen verslinden,

  de moeder de dochter,

  de dochters hun zonen.

  Een sleep van gedierte

  zal over je komen,

  een lente van zwavel,

  een eeuw van ontzetting en rouw.

  Maar keer je je hart

  naar mij om, uit de dood,

  ik zal mij bekeren tot jou.

5

  Nu kies dan het leven.

  Het daalt uit de hemel

  als dauw op de aarde,

  als licht uit het donker.

  Het komt als een stormwind

  met stoten en vlagen -

  jij kunt het volbrengen

  in vlagen van donker en licht.

  Gezegend je nachten,

  gezegend je dagen,

  je hart, je verstand, je gezicht.

---

*88

#3

1

  Wij wisten dat het moest bestaan.

  Wij zijn niet blind de weg gegaan.

  Al stierven in ons duizend dromen.

  Wat steil en ver was, zonder naam,

  is lieflijk naar ons toe gekomen.

2

  Doorwaadbaar was de doodsrivier.

  Hoe anders zou het dat wij hier

  U ondervinden aan den lijve -

  O zon sta stil dit morgenuur,

  opdat de hemel open blijve.

3

  Mijn ziel in mij een lied dat treurt

  om zoveel vergezicht verscheurd,

  genadeloze levensdagen,

  uw woord in ons dat niet gebeurt,

  uw mens in mij nog onvoldragen.

---

*89

#5

1

  Terzake Gij die leeft, geef hier aanwezig

  uw eerste woorden, roep ons uit de leegte,

  kome ter sprake uw verbond voor eeuwig

  volheid van tijd uw koninkrijk nabij.

2

  Verduister niet uw licht - dat wij ons wanen

  diep in de aarde, spoorloos, en ons schamen

  hoe wij op hoop van zegen ooit gegaan zijn

  achter U aan, tot ver in de woestijn.

3

  Onthoud ons niet uw Naam. Laat ons niet over

  aan stand van sterren, vloed en maangetover,

  aan wat ons hoog omfluistert en doet dromen

  dat zou bestaan een andere god dan Gij.

4

  Ontneem mij niet het vuur dat Gij gegeven,

  Gijzelf mij ingestort hebt, dat ik leven,

  met vuur van hartstocht als een mens zou leven -

  dat ik zou geven liefde, dag en uur.

5

  Ga open, Gij die leeft - voor nu en later

  kome uw geest, uw stromen levend water.

  Geef mij een mond waarmee ik U kan drinken.

  Dat niet van dorst ik sterf vlak bij de bron.

---

*90

#3

1

  Te doen gerechtigheid

  hebt Gij ons aangezegd.

  Dat woord heeft ons bevrijd,

  elk ander ons geknecht.

  Geef dat ons niets weerhoudt

  die lange weg te gaan.

  Dat elk zich nu verstout

  uw richting in te slaan.

2

  Wier dagen Gij bezocht,

  wier harten Gij doorgrondt,

  voor wie Gij hebt gewrocht

  de aarde en de zon;

  wier toekomst is in U,

  Gij maakt hun leven waar -

  mocht Gij hen hier en nu

  bekeren tot elkaar.

3

  Dat niemand hen kleineert

  die Gij wilt maken groot,

  voor wie Gij hebt geslaakt

  de boeien van de dood.

  Opdat wij zouden staan

  vrij voor uw aangezicht,

  getekend met uw Naam,

  en leven in uw licht.

---

*91

#1

1

  Dan nog, dan nog klamp ik mij

  klamp ik mij vast aan jou,

  of je wil of niet,

  op ongenade of genade,

  Ik zal red mij, red mij roepen

  of zoiets als heb mij lief.

---

*92

#1

1

  Blijf niet staren op wat vroeger was.

  Sta niet stil in het verleden.

  Ik, zegt Hij, ga iets nieuws gebinnen.

  Het is al begonnen, merk je niet niet?

---

*93

#3

1

  Geen taal die hem vertaalt,

  geen lied dat bij hem haalt,

  geen god aan hem gewaagd.

  Zijn handen spelen in

  op ieder nieuw begin,

  geen ander die ons draagt.

  Die in de stilte sprak,

  het noodlot onderbrak

  en baande nieuwe wegen,

  hij is nog niet verstomd,

  hij zoekt naar ons,

  hij komt in mens na mens ons tegen.

2

  Het meeste gaat voorbij

  maar meer en meer wordt hij

  de toekomst die ons wacht.

  Bij hem is geen verraad,

  hij zelf heeft ons gemaakt,

  hij peilt en proeft ons hart.

  Wij leven maar niet echt

  zijn land van rust en recht

  aanschouwen wij van verre.

  Woestijn is om ons heen

  en allen, ‚‚n voor ‚‚n,

  vervreemden, vallen sterven.

3

  Als alles is volbracht

  zal hij voor ons een stad

  van brood en spelen zijn.

  De stok die ons regeert

  de bek die ons kleineert,

  de dood zal niet meer zijn.

  Doorschenen van zijn licht,

  doorschijnend in ons gezicht,

  voltooid inons verleden.

  Wensdromen worden waar,

  wij spreken met elkaar

  een taal van hoop en vrede.

---

*94

#3

1

  Licht dat ons aanstoot in de morgen,

  voortijdig licht waarin wij staan

  koud, ‚‚n voor ‚‚n, en ongeborgen,

  licht overdek mij, vuur mij aan.

  Dat ik niet uitval, dat wij allen

  zo zwaar en droevig als wij zijn

  niet uit elkaars genade vallen

  en doelloos en onvindbaar zijn.

2

  Licht, van mijn stad de stedehouder,

  aanhoudend licht dat overwint.

  Vaderlijk licht, steevaste schouder,

  draag mij, ik ben jouw kijkend kind.

  Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen

  of ergens al de wereld daagt

  waar mensen waardig leven mogen

  en elk zijn naam in vrede draagt.

3

  Alles zal zwichten en verwaaien

  wat op het licht niet is geijkt.

  Taal zal alleen verwoesting zaaien

  en van ons doen geen daad beklijft.

  Veelstemmig licht, om aan te horen

  zolang ons hart nog slagen geeft.

  Liefste der mensen, eerstgeboren,

  licht, laatste woord van Hem die leeft.

---

*95

#12

1

  Die naar menselijke gewoonte

  met een eigen naam genoemd werd

  toen hij in een ver verleden

  werd geboren, ver van hier

2

  die genoemd werd: Jesjoe, Jezus

  zoon van Jozef, zoon van David

  zoon van Jesse, zoon van Juda

  zoon van Jacob, zoon van Abram

  zoon van Adam, zoon van mensen

3

  die ook zoon van God genoemd wordt,

  heiland, visioen van vrede

  licht der wereld, weg ten leven

  levend brood en ware wijnstok

4

  die, geliefd en onbegrepen,

  werd bewaard in taal en teken

  als een eeuwenoud geheim

  als een wachtwoord doorgegeven

  als een vreemd vertrouwd verhaal

5

  die een naam in mijn geheugen

  die de stem van mijn geweten

  die mijn waarheid is geworden:

  hem gedenk ik hier en noem ik,

  als een dode die niet dood is

  als een levende geliefde

6

  die gekozen heeft te leven

  voor de armsten van de armen

  helpman, reisgenoot en broeder

  van de allerminste mensen

7

  die, ten dage dat hij rondging

  door de dorpen van zijn landstreek,

  mensen aantrok en bezielde,

  hen verzoende met elkaar

8

  die niet steil en ongenaakbaar

  niet hooghartig, als een heerser,

  maar in knechtsgestalte leefde

9

  die zijn leven voor zijn vrienden

  prijsgaf, door een vriend verraden,

  die, getergd tot op het kruis,

  voor zijn vijand heeft gebeden

  die, van God en mens verlaten,

  is gestorven als een slaaf

10

  die gestrooid is in de akker

  als het kleinste van de zaden,

  die daar wacht een lange winter

  in de stilte van de dood,

  die als graan geoogst zal worden

  die als brood gedeeld wil worden

  om in mensen mens te worden

11

  die, verborgen in zijn God,

  onze vrede is geworden,

  onze ziel tot rust gekomen,

  die ons groet vanuit zijn verte

  die ons aankijkt van dichtbij

  als een kind, een vriend, een ander

12

  hem gedenk ik hier, hem noem ik

  en beveel hem bij je aan

  als je levende geliefde

  als de mens die naast je is.

---

*96

#3

1

  Hij die gesproken heeft een woord dat g  t,

  een tocht door de woestijn, een weg ten leven,

  een spoor van licht dat als een handschrift staat

  tegen de zwartste hemel aangeschreven:

  Hij schept ons hier een nieuwe dageraad,

  Hij roept ons aan, 'Ik zal jou niet begeven'.

2

  Hij die ons in zijn dienstwerk heeft gewild,

  die het gewaagd heeft onze hand te vragen:

  die ons uit angst en doem heeft weggetild

  en ons tot hier op handen heeft gedragen;

  Hij die verlangen wekt, verlangen stil -

  vrees niet, Hij gaat met ons, een weg van dagen.

3

  Van U is deze wereld, deze tijd.

  Gij hebt uw stem tot op vandaag doen klinken.

  Uw Naam is hartstocht voor gerechtigheid,

  uw woord de bron waaruit wij willen drinken.

  Gij die tot hiertoe onze toekomst zijt -

  dat wij niet in vertwijfeling verzinken.

---

*97

#1

1

  Herschep ons hart heradem ons verstand.

  dat wij elkaar behoeden en doen leven.

  Maak ons tot uw gemeente.

  Wees de stem die ons geweten wekt.

  Verberg U niet.

---

*98

#3

1

  Wat vrolijk over U geschreven staat:

  dat Gij zijt de gloed van al wat leeft,

  de ziel die vonkt of als een brand uitslaat,

  de adembron die ons te drinken geeft.

2

  wat vurig staat geschreven: dat Gij komt

  "redden wat verloren is," dat woord,

  dat Gij het hart hebt, ogen, dat Gij hoort,

  "Ik zal er zijn," zonsopgang, nieuw verbond,

3

  dat hoge woord, geschreven wit op zwart,

  trouw van trouw, hoe heeft het ons bevrijd,

  beschaamd, vervoerd, getroost, dan weer getart

  Hoe dorsten wij te weten wie Gij zijt.

---

*99

#3

1

  Dit huis van steen en woord

  van dor en bloeiend hout:

  op klanken ooit gehoord.

  op rotsen hoop gebouwd:

  doorademd en doorwoond,

  gevensterd naar uw zon:

  ten hemel als een boom,

  geworteld aan de bron.

2

  Dit schip waarin wij zijn

  opvarend naar - Gij weet:

  een berg van brood en wijn?

  een stad die naar U heet?

  Dit ruim in zee van tijd

  waarin wij dood-bevreesd

  de stormen horen slaan,

  de hoefslag van het Beest.

3

  Dit lichtdoorschenen lijf

  waar onze ziel zich schikt

  als in een gastverblijf;

  waar Gij ons weegt en wikt

  in Uw genade-hand,

  Gij ons gebiedt en smeekt

  te doen gerechbgheid,

  opdat Uw dag aanbreekt

---

*100

#3

1

  De steppe zal bloeien,

  de steppe zal lachen en juichen.

  De rotsen die staan

  vanaf de dagen der schepping,

  staan vol water, maar dicht,

  de rotsen gaan open.

  Het water zal stromen,

  het water zal tintelen, stralen,

  dorstigen komen drinken.

  De steppe zal drinken,

  de steppe zal bloeien,

  de steppe zal lachen en juichen.

2

  De ballingen keren.

  Zij keren met blinkende schoven.

  Die gingen in rouw

  tot aan de einden der aarde,

  ‚‚n voor ‚‚n, en voorgoed,

  die keren in stoeten.

  Als beken vol water,

  als beken vol toesnellend water,

  schietend omlaag van de bergen.

  Met lachen en juichen -

  die zaaiden in tranen,

  die keren met lachen en juichen.

3

  De dode zal leven.

  De dode zal horen: nu leven.

  Ten einde gegaan

  en onder stenen bedolven:

  dode, dode, sta op,

  het licht van de morgen.

  Een hand zal ons wenken,

  een stem zal ons roepen: Ik open

  hemel en aarde en afgrond.

  En wij zullen horen,

  en wij zullen opstaan

  en lachen en juichen en leven.