---
Zolang er mensen zijn ...
100 liederen
Gebruik CTRL F om te zoeken
---
*1
#5
1
Zolang er mensen zijn op aarde,
zolang de aarde vruchten geeft,
zolang zijt Gij ons aller Vader,
wij danken U voor al wat leeft.
2
Zolang de mensen woorden spreken,
zolang wij voor elkaar bestaan,
zolang zult Gij ons niet ontbreken,
wij danken U in Jezus' naam.
3
Gij voedt de vogels in de bomen,
Gij kleedt de bloemen op het veld,
o Heer, Gij zijt mijn onderkomen
en al mijn dagen zijn geteld.
4
Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven,
Gij redt de wereld van de dood.
Gij hebt uw zoon aan ons gegeven,
zijn lichaam is het levend brood.
5
Daarom moet alles U aanbidden,
uw liefde heeft het voortgebracht,
Vader, Gijzelf zijt in ons midden,
o Heer, wij zijn van uw geslacht.
---
*2
#5
1
Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
en hoe onzegbaar ons nabij.
Gij zijt gestadig met ons bezig
onder uw vleugels rusten wij.
2
Gij zijt niet ver van wie U aanbidden
niet hoog en breed van ons vandaan.
Gij zijt zo mens'lijk in ons midden
dat Gij dit lied wel zult verstaan.
3
Gij zijt onzichtbaar voor onze ogen
en niemand heeft U ooit gezien.
Maar wij vermoeden en geloven
dat Gij ons draagt, dat Gij ons dient.
4
Gij zijt in alles diep verscholen
in al wat leeft en zich ontvouwt.
Maar in de mensen wilt Gij wonen
met hart en ziel aan ons getrouwd.
5
Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
waar ook ter wereld mensen zijn.
Blijf zo genadig met ons bezig,
tot wij in U volkomen zijn.
---
*3
#3
1
Verheft uw hart, weest welgemoed,
verhoopt de dag die daagt voorgoed.
Gedenk uw Heer en zijn verbond
in woord en brood, totdat Hij komt.
2
Totdat Hij komt, bestaan wij hier
wakend en wetend dag noch uur,
elkander dragend in geloof,
Gods woord verwachtend van omhoog.
3
Heer God, die immer komen zult
in dood en mensennood gehuld,
geef dat wij U vandaag verstaan,
troostend elkander in uw naam.
---
*4
#5
1
Omdat Hij niet ver wou zijn
is de Heer gekomen.
Midden in wat mensen zijn
heeft Hij willen wonen.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
Refrein:
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
2
Overal nabij is Hij
mens'lijk allerwegen.
Maar geen mens herkent Hem, Hij
wordt gewoon verzwegen.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Refrein.
3
God van God en licht van licht
aller dingen hoeder
heeft een menselijk gezicht
aller mensen broeder.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Refrein.
4
Wilt daarom elkander doen
alle goeds geduldig.
Weest elkaar om zijnentwil
niets dan liefde schuldig.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Refrein.
5
Weest verheugd, van zorgen vrij:
God die wij aanbidden
is ons rakelings nabij,
wonend in ons midden.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Refrein.
---
*5
#3
1
Zomaar een dak boven wat hoofden
deur die naar stilte openstaat.
Muren van huis, ramen als ogen
speurend naar hoop en dageraad.
Huis dat een levend lichaam wordt
als wij er binnengaan
om recht voor God te staan.
2
Woorden van ver, vallende sterren,
vonken verleden hier gezaaid.
Namen voor Hem, dromen, signalen
diep uit de wereld aangewaaid.
Monden van aarde horen en zien,
onthouden, spreken voort
Gods vrij en lichtend woord.
3
Tafel van Een, brood om te weten
dat wij elkaar gegeven zijn.
Wonder van God, mensen in vrede,
oud en vergeten nieuw geheim.
Breken en delen, zijn wat niet kan,
doen wat ondenkbaar is,
dood en verrijzenis.
---
*6
#4
1
Looft de Heer, al wat gemaakt is, prijst zijn Naam.
Verheft Hem voor eeuwig, dankt voor uw bestaan.
Looft Hem die gezeten is op tronen van gezang.
Zingt als rivieren mee voor God: Hij leve lang.
2
Storm en aarde, bomen, stromen, zon en vuur
gij wolken en dromen, nachten, dag en duur,
licht en donker, dood en leven, wereld, mensenzaad
weest mondig en volmaakt, looft Hem met woord en daad.
3
Dauw en regen, vorst en koude, ijs en sneeuw,
de slang en de vis, de vogels en de leeuw,
geesten in de hemel en gij mensen met uw stem:
gelooft Hem op zijn woord, dat gij bestaat in Hem.
4
Looft Hem, ook wie zondigt, looft Hem kwaad en goed.
Looft Hem, die zijn Woord in u mens worden doet.
Looft uw God en Vader, die zijn Geest geschonken heeft.
Looft Hem omdat gij zijt, ja looft Hem, want Hij leeft.
---
*7
#3
1
Zo vriendelijk en veilig als het licht
zoals een mantel om mij heen geslagen
zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht
ik roep zijn naam, bestorm hem met mijn vragen,
dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.
Wil mij behoeden en op handen dragen.
2
Want waar ben ik, als Gij niet wijd en zijd
waakt over mij en over al mijn gangen
Wie zou ik worden, waart Gij niet bereid om,
als ik val, mij telkens op te vangen.
Ik leef niet echt, als Gij niet met mij zijt.
Ik moet in lief en leed naar U verlangen.
3
Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.
Ontsteek die vreugde die geen einde heeft,
wil alle liefde aan uw Mens besteden.
Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft.
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.
---
*8
#7
1
Wie heeft zijn geld verloren,
het goed waarvan hij leeft
en zoekt niet uit en treure
tot hij gevonden heeft.
2
Wie heeft een kind verloren
en zoekt niet overal
met handen, ogen, oren
en tranen zonder tal.
3
Wie heeft zijn God verloren
en zoekt niet her en der
op aarde, in de hemel,
geen verte gaat te ver.
4
Als zo de mensen leven
en zoeken is hun lot
en vinden is hun zegen:
hoeveel te meer dan God.
5
Hij ziet ons al van verre
omdat Hij ons bemint
en liever dan de sterren
is Hem een mensenkind.
6
En voordat wij Hem zoeken
zijn wij gezocht door Hem
en nu wij om Hem roepen
geeft Hij ons deze stem.
7
En wie het wordt gegeven,
bespeurt Hem overal
in woorden allerwegen,
in mensen zonder tal
---
*9
#3
1
De Heer heeft mij gezien en onverwacht
ben ik opnieuw geboren en getogen.
Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht
gaf mij een levend hart en nieuwe ogen,
zo komt Hij steeds met stille overmacht
en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.
2
Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit.
Hij heeft in zijn handen onze naam geschreven.
De Heer wil ons bewonen als zijn huis,
plant als een boom in ons zijn eigen leven,
wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid
en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.
3
Gij geeft het uw beminden in de slaap,
Gij zaait uw Naam in onze diepste dromen.
Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt
zoals de regen neerdaalt in de bomen,
zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat,
zo zult Gij uw beminden overkomen.
---
*10
#3
1
Ik sta voor U in leegte en gemis.
Vreemd is uw naam, onvindbaar zijn uw wegen.
Zijt Gij mijn God, sinds mensenheugenis,
dood is mijn lot, hebt Gij and're zegen?
Zijt Gij de God bij wie mijn toekomst is?
Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen?
2
Mijn dagen zijn door twijfel overmand,
ik ben gevangen in mijn onvermogen.
Hebt Gij mijn naam geschreven in Uw hand,
zult Gij mij bergen in uw mededogen?
Mag ik nog levend wonen in uw land,
mag ik nog eenmaal zien met nieuwe ogen?
3
Spreekt Gij het woord dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.
Open die wereld die geen einde heeft,
wil alle liefde aan Uw Zoon besteden.
Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.
---
*11
#3
1
De Geest des Heren heeft
een nieuw begin gemaakt,
in al wat groeit en leeft
zijn adem uitgezaaid.
De Geest van God bezielt
wie koud zijn en versteend,
herbouwt wat is vernield,
maakt een wat is verdeeld.
2
Wij zijn in Hem gedoopt
Hij zalft ons met zijn vuur.
Hij is een bron van hoop
in alle dorst en duur.
Wie weet vanwaar Hij komt
wie wordt zijn licht gewaar?
Hij opent ons de mond
en schenkt ons aan elkaar.
3
De geest die ons bewoont
verzicht en smeekt naar God
dat Hij ons in de Zoon
doet opstaan uit de dood.
Opdat ons leven nooit
in weer en wind bezwijkt,
kom Scheper Geest, voltooi
wat Gij begonnen zijt.
---
*12
#3
1
God die ons heeft voorzien
en kent bij onze naam,
die ons ten leven riep
en houdt in het bestaan.
Hij heeft ons voorbestemd
te lijken op zijn Zoon
die mens is zoals wij
en in ons midden woont.
2
Hij heeft zijn eigen Zoon
geen enkel leed bespaard.
Hij heeft ten einde toe
zijn geest geopenbaard.
Als God zo voor ons is
wie zal dan tegen zijn?
Al wat ons overkomt
zal hoop en zegen zijn.
3
Wie zal ons scheiden ooit
van God ons goed en bloed.
Geen toekomst en geen dood
bedreigt ons meer voorgoed.
Genadig en getrouw
wil Hij mijn vrede zijn.
Geen mens die Hem weerhoudt
om onze God te zijn.
---
*13
#3
1
God die in het begin
uit aarde, naar zijn beeld,
de mensen voor elkaars
geluk geschapen heeft,
Hij doet u samen zijn,
Hij maakt u man en vrouw,
elkanders brood en wijn,
elkanders woord van trouw.
2
Zoals van meet af aan
een mens geen antwoord vindt,
als hij niet door een mens,
ten diepste wordt bemind,
zo zult gij nu voortaan
in liefde en in leed
elkanders antwoord zijn,
n lichaam en n geest.
3
Zoals ten einde toe
de mensen twee aan twee
hun lange wegen gaan
en God gaat met hen mee,
zo zal Hij met u zijn
in leven en in dood,
Hij wordt uw brood en wijn,
en dit geheim is groot.
---
*14
#5
1
V. Wie als een god wil leven hier op aarde
A. Wie als een god wil leven hier op aarde
V. Hij moet de weg van alle zaad
En zo vindt hij genade
A. En zo vindt hij genade.
2
Hij gaat de weg van alle aardse dingen
Hij heeft het lot met hart en ziel
van alle stervelingen
3
Hij wordt aan zon en regen prijsgegeven
het kleinste zaad in weer en wind
moet sterven om te leven.
4
De mensen moeten sterven voor elkander
het kleinste zaad wordt levend brood
zo voedt de een de ander.
5
En zo heeft onze God zich ook gedragen
en zo is Hij het leven zelf
voor iedereen op aarde.
---
*15
#5
1
Wie oren om te horen heeft
hore naar de wet die God hem geeft:
gij zult geen vreemde goden
maar Mij alleen belijden voortaan.
Hoort, Isral, mij geboden.
2
Bemint uw Heer te allen tijd.
Dient Hem met alles wat gij zijt.
Aanbidt Hem in uw daden.
Dit is het grootste en eerste gebod,
de wil van God, uw Vader.
3
- Biedt uw naaste de helpende hand.
Spijzigt de armen in uw land,
een woning wilt hen geven.
Het tweede gebod is het eerste gelijk;
doet dit, en gij zult leven.
4
De macht der liefde is zo groot,
geen water blust haar vuren uit
wanneer zij is ontstoken.
Nu wilt ontbranden aan liefdes woord,
God heeft het tot ons gesproken.
5
De liefde spreekt haar eigen taal,
alle kwaad bedekt zij duizendmaal -
vergeeft alwie u griefde.
Dit lied zal in de lucht opgaan
maar blijve in ons de liefde.
---
*16
#7
1
Het brood in de aarde gevonden
het brood door handne gemaakt,
het brood van tranen en zorgen,
dat brood dat naar mensen smaakt.
2
Het brood van oorlog en vrede,
dat dagelijks eendere brood,
het vreemde brood van de liefde,
het stenen brood van de dood.
3
Het brood dat wij duur verdienen,
ons lichaam, ons geld, ons goed,
het brood van ons samen leven,
die schamele overvloed.
4
Een oogst uit kostbare gaarden,
de wijn die het hart verblijdt,
de vrucht van hemel en aarde,
een voorsmaak van eeuwigheid.
5
De wijn die de geest betekent
van een nieuw mensenverbond,
de beker die ons zegent -
de Naam van mond tot mond.
6
Dat brood dat wij moeten eten
om niet verloren te gaan.
Wij delen het met elkander
ons hele mensenbestaan.
7
Gij deelt het met ons, zo deelt Gij
U zelf aan ons uit voorgoed,
een mens om nooit te vergeten,
een God van vlees en bloed.
(laatste twee coupletten uit eerdere bundel)
---
*17
#3
1
Overal zijt Gij onzichtbaar gegeven,
sprekend nabij, de stilte verwacht U,
mensen bestaan U, zien en beleven U.
2
Mensen van vlees, van licht en gesteente,
hard en van bloed, een vloed niet te stelpen,
mensen uw volk, uw stad hier op aarde.
3
Aarde is al wat wij zijn, wat wij maken,
adem ons open, maar ons uw aarde,
uw nieuwe hemel, vrede op aarde.
---
*18
#4
1
Wij groeten U, o Koningin, o Maria:
U moeder vol van tedere min, o Maria:
Refrein: Groet haar, o Cherubijn;
prijs haar, o Serafijn
prijst met ons uw Koningin:
salve, salve, salve, Regina.
2
O Moeder van barmhartigheid, o Maria:
en troost in alle bitterheid, o Maria:
Refrein:
3
Ons leven, zoetheid, hoop en vreugd, o Maria:
leidt gij ons op de weg der deugd, o Maria:
Refrein:
4
Toon ons in ' t uur van onze dood, o Maria:
de zoete vrucht van uwe schoot, o Maria:
Refrein:
---
*19
#8
1
A. Neemt Gods woord met hart en mond,
eet en drinkt zijn nieuw verbond,
gedenkt uw Heer totdat Hij wederkomt.
2
K. Gij hebt ons toegesproken tot in de diepste nood.
Uw lichaam werd gebroken, uw vlees is waarlijk brood.
3
Waar velen zijn gestorven hebt Gij ons honderdvoud
een nieuw bestaan verworven Gij zijt ons lijfsbehoud.
4
Gij roept ons uit de zonde, Gij maakt ons brood en wijn,
om met elkaar verbonden opnieuw uw volk te zijn.
5
A. Neemt Gods woord met hart en mond,
eet en drinkt zijn nieuw verbond,
gedenkt uw Heer totdat Hij wederkomt.
6
K. O lichaam ons gegeven o Heer van ons bestaan,
geef dat wij van U leven en niet verloren gaan.
7
Heer God, hier in ons midden, maak uw belofte waar.
Nu laat uw woord geschieden en schenk ons aan elkaar.
8
K. Gij hebt ons toegesproken tot in de diepste nood.
Uw lichaam werd gebroken, uw vlees is waarlijk brood.
---
*20
#4
1
Zoals de mensen leven
doen vogens niet.
Die schuilen in de bomen
en vluchten in hun lied.
Die zaaien niet maar dromen
en de dood is hun verschiet.
2
Zoals het water stroomt, zo
doen de mensen niet.
Het water stroomt maar verder
en dorsten doet het niet.
Zo vluchtig en zo wijd als water
zijn de mensen niet.
3
Zo oud en wijs als mensen
zijn de muren niet.
Die kraken in hun voegen
maar hebben geen verdriet.
De mensen moeten zwoegen
en dat doen de stenen niet.
4
Zoals de bomen vallen
vallen mensen niet.
De mensen dragen woorden,
herleven in hun lied.
De bomen zullen sterven
maar zo sterven mensen niet.
---
*21
#7
1
Niet als een storm, als een vloed,
niet als een bijl aan de wortel
komen de woorden van God,
niet als een schot in het hart.
2
Maar als een glimp van de zon,
een groene twijg in de winter,
dorstig en hard deze grond-
zo is het koninkrijk Gods.
3
Stem die de stilte niet breekt,
woord als een knecht in de wereld,
naam zonder klank zonder macht,
vreemdeling zonder geslacht.
4
Kinderen, armen van geest,
mensen gelouterd tot vrede,
horen de naam in hun hart,
dragen het woord in hun vlees.
5
Blinden herkennen de hand,
dovemansoren verstaan Hem.
Zalig de man die gelooft,
zalig de vrouw aan de bron.
6
Niet in het graf van voorbij,
niet in en tempel van dromen,
hier in ons midden is Hij,
hier in de schaduw der hoop.
7
Hier in dit stervend bestaan
wordt Hij voor ons geloofwaardig,
worden wij mensen van God,
liefde op leven en dood.
---
*22
#5
1
Uit uw hemel zonder grenzen
komt Gijn tastend aan het licht
met een naam en een gezicht
even weerloos als wij mensen.
2
Als een kind zijt Gij gekomen,
als een schaduw die verblindt,
onnaspeurbaar als de wind
die voorbijgaat in de bomen.
3
Als een vuur zijt Gij verschenen,
als een ster gaat Gij ons voor,
in den vreemde wijst uw spoor,
in de dood zijt Gij verdwenen.
4
Als een bron zijt Gij begraven,
als een mens in de woestijn.
Zal er ooit een ander zijn,
ooit nog vrede hier op aarde?
5
Als een woord zijt Gij gegeven,
als een nacht van hoop en vrees,
als een pijn die ons geneest,
als een nieuw begin van leven.
---
*23
#5
1
Wat werd verhoopt en allen tijde,
dit eigen uur komt het ervan,
komt zich de Heer aan mensen wijden
mensen opent uw ogen dan.
2
Wat David ons heeft toegezongen
en in zoveel psalmen voorzegd,
is deze nacht voorgoed begonnen,
in een kribbe neergelegd.
3
Herders komen hem bezoeken.
de laatsten zullen de eersten zijn.
Vinden een kind in arme doeken,
zo wil God genomen zijn.
4
Vreemde heren met geschenken -
het verre Oosten komt tot Hem!
Hij schiep een ster om hen te wenken
naar de stede Bethlehem.
5
Hij hangt zijn ster in alle nachten,
vrede op aarde is zijn Naam.
Hij is de mens die wij verwachten.
Tot wie zouden wij anders gaan.
---
*24
#6
1
ref.: De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij
Het volk dat woont in duisternis
zal weten wie zijn heiland is.
Onverwacht komt van heide en ver
de mensenzoon, de morgen ster.
2
Tekens aan sterren, zon en maan,
hoe zal de aarde dat bestaan?
Zo spreekt de Heer: verheft u vrij
want uw verlossing is nabij.
3
Wanneer de zee bespringt uw land
en slaat u 't leven uit de hand,
weet in uw angst en stervenspijn:
uw dood zal niet voor eeuwig zijn.
4
Ziet naar de boom, die leeg en naakt
in weer en wind te schudden staat;
de lente komt, een twijg ontspruit,
zijn oude takken lopen uit.
5
Een twijgje, weerloos en ontdaan,
- zonder gestalte, zonder naam.
Maar wie gelooft verstaat het wel.
Dat twijgje heet: Emmanuel.
6
Die naam zal ons ten leven zijn.
Een zoon zal ons gegeven zijn.
Opent uw poorten metterdaad
dat uw Verlosser binnengaat.
---
*25
#8
1
Kwam van Godswege
een man in ons bestaan,
een stem om te getuigen,
Johannes was zijn naam.
Man van Godswege,
Johannes was zijn naam.
2
Zo staat geschreven:
de heuvel moet geslecht,
geen kwaad mag zijn bedreven,
maak alle paden recht
Zo staat geschreven:
maak alle paden recht
3
Doper, wat liep je
in kemelharen pij,
als een profeet, wat riep je
daar in die woestenij?
Doper, wat riep je
daar in die woestenijn?
4
'Dat wij omkeren,
verlaten ons domein,
beleven 't woord des Heren
en niet weerbarstig zijn.'
Dat wij omkeren
en niet weerbarstig zijn.
5
Doper, wat moeten
wij doen totdat Hij komt?
'In hoop en vrees doet boete,
gelooft in zijn verbond.'
Doper, wat moeten
wij doen totdat Hij komt?
6
'Deelt met elkander
het brood van alledag,
opdat in u de ander
Gods heil aanschouwen mag.'
Deelt met elkander
het brood van deze dag.
7
Volk uitentreure
gezeten in de nacht;
Gods woord zal u gebeuren
zolang gij Hem verwacht
Sta te gebeuren,
kom, woord, in onze nacht.
8
Volk uitverkoren
om in het licht te gaan:
een kind wordt u geboren
Messias is zijn naam.
Kind ons geboren
jouw licht zal met ons gaan.
---
*26
#5
1
Uit het duister hier gekomen
mensen van de wereldnacht
onbestemd verward in dromen
niet vermoedend wie hen wacht
zoekend of een woord opgaat
als een ster van dageraad.
2
In een sleur van ongenade
in elkaar verward en blind
slepen wij ons voort ten kwade
als niet En ons zoekt en vindt.
Als niet Gij de nacht bezweert
onze gang ten goede keert
3
Nacht waarin zou zijn geboren
die de naam heeft dat Gij redt -
morgentaal in onze oren
hemel op ons hoofd gezet
ogenwenkend woord van U
nieuw getijde dat is nu.
4
Gij die nieuw zijt alle dagen
bron en hartslag van de tijd,
kunt Gij n moment verdragen
dat Gij niet mijn toekomst zijt? -
die gezegd hebt 'Ik zal zijn'
en 'de dood zal niet meer zijn'.
5
Zeg ons dat Gij niet zult slapen
Eerste Stem die nimmer zweeg
Zie de mens door U geschapen,
waarom zijn wij woest en leeg
als de dood zo zwaar en dicht?
Spreek ons open naar Uw licht.
---
*27
#3
1
Komt ons in diepe nacht ter ore:
de morgenster is opgegaan,
een mensenkind voor ons geboren
God zal ons redden, is zijn Naam.
Opent uw hart, gelooft uw ogen,
vertrouwt u toe aan wat gij ziet:
hoe 't woord van God van alzo hoge
hier menselijk aan ons geschiedt.
2
Geen ander teken ons gegeven
geen licht is onze duisternis
dan deze mens om mee te leven
een God die onze broeder is.
Zingt voor uw God, Hij openbaarde
in Jezus zijn menslievendheid.
Zo wordt de wereld nieuwe aarde
en alle vlees aanschouwt het heil.
3
Zoals de zon komt met zijn zegen
Een bruidegom van licht en vuur,
zo komt de koning van de vrede
voorgoed gekomen is zijn uur.
Hij huwt de mensen aan elkander
zijn liefde gaat van mond tot mond.
Hij geeft zijn lichaam ons in handen.
Zo leven wij zijn nieuw verbond.
---
*28
#9
1
De sterren zijn verzwonden
waarheen gegaan?
De dauw valt op de gronden
de eerste dag komt aan.
2
Een mens komt uit zijn moeder.
Het zonlicbt stijgt
Een mens vermoordt zijn broeder.
De aarde zwijgt.
3
De duizenden in treinen
ter dood gestuurd -
de zon is blijven schijnen
de aarde duurt.
4
Ik heb het aan de avond
de nacht gevraagd.
Die zeiden: vraag het morgen
de dageraad.
5
Waarom de wereld zo is,
waarom de dood,
vroeg ik de dag, hij vluchtte
in avondrood.
6
De nacht was vol van sterren,
zij zwegen diep
en glimlachten van verre
boe zeer ik riep.
7
Maar een van also hooghe
van also veer
heeft zich naar mij gebogen
en daalde neer.
8
Ach mochten 411en vinden
een mens als hij,
de wereld was niet zo meer,
en angst voorbij.
9
En hier al in dit aertryc
zou vrede zijn,
de pracht van alle sterren
hier beneden zijn.
---
*29
#3
1
Vanwaar zijt Gij gekomen,
wij wisten niets van U.
In onze stoutste dromen
was God nooit hier en nu.
Een nieuwe God zijt Gij
die onder ons wilt wonen,
zo ver weg, zo dichtbij.
2
Gij zijt ons doorgegeven
een naam, een oud verbaal
uw woorden uitgeschreven
in ied're mensentaal.
Ons eigen levenslot
met uw geluk verweven,
zo zijt Gij onze God.
3
Gij zijt in ons verloren
wij durven u niet aan,
uw stem in onze oren,
uw komst in ons bestaan.
Een woord van vlees en bloed
een kind voor ons geboren.
een mens die sterven moet.
---
*30
#10
1
Dit lied gaat over Jezus,
die man van lang geleden,
het dorp waar hij vandaan komt,
is klein, heet Nazareth.
Zijn naam is alle eeuwen
tot hier toe doorverteld.
2
Hij was een zoon der mensen
geboren en getogen
uit arme Joodse ouders
een twijg uit Davids stam
een kind van de belofte
een zoon van Abraham.
3
Hij was een jaar of dertig
toen hij van zich deed horen
de mensen schoolden samen
als vissen om hem heen.
Zijn moeder en zijn broeders
begrepen niets van hem.
4
De tijd is vol, bekeert u
en weest het zout der aarde
weest voor elkaar barmhartig
zoals mijn vader is
op zoek in deze wereld
naar wat verloren is.
5
Ben jij niet voor je kind'ren
zo goed als je maar zijn kunt
geeft jij een ander stenen
wanneer hij vraagt om brood?
Als wij gewone mensen -
hoeveel te meer dan God.
6
Met tollenaars en zondaars
dronk hij dezelfde beker
hij kwam een dode tegen
en nam hem bij de hand.
De naam van God herleefde
in heel het Joodse land.
7
De goden van het duister
de geest van kwaad tot erger
die mensen houdt gevangen,
heeft hij teniet gedaan.
Hij heeft hun macht ervaren
maar als een man weerstaan.
8
Zo doende wat hij doen kon
ten dienste van de mensen
viel hij in mensenhanden
vond veel te jong de dood.
Er zijn er nog die zeggen:
Hij is de zoon van God.
9
Wij gaan met dichte ogen
als vreemdelingen verder
waarom is hij gekruisigd -
wij hadden zo gehoopt
Wie zal de schrift verklaren
wie breekt voor ons het brood.
10
Er is nog meer te zeggen
te veel om te bewaren
de wereld zal te klein zijn
als alles helder wordt
Als wij het moesten zingen,
wij kwamen stem te kort.
---
*31
#4
1
Hij ging van stad tot stad, hij sprak:
"tot u ben Ik gezonden"
Voor zieken en gewonden
had hij een woord, een onderdak.
Refr.
Alles heeft hij welgedaan.
Tot wie zou ik anders gaan.
2
Hij gaf aan blinden het gezicht,
De nacht heeft Hij verdreven,
Gaf doden weer het leven,
Waar Hij voorbijging werd het licht.
Refr.
3
Daags voordat Hij gestorven is
heeft Hij het brood genomen:
"Hiertoe ben ik gekomen,
doet dit tot mijn gedachtenis,"
Refr.
4
En alwie Jezus' naam belijdt
zal wonderen verrichten
en als een lamp verlichten
de lange gang van onze tijd.
---
*32
#5
1
Gij zijt een mensenzoon, Gij komt van ver,
bloed van ons bloed, uit ons zijt Gij genomen.
2
Gij hebt mijn lief en leed, mijn dag gedeeld;
Gij zijt voor mij geen vreemde God gebleven.
3
Toen ik nog nergens was, maar levend dood,
hebt Gij en Gij alleen mijn licht ontstoken.
4
Licht van uw licht zijn wij, van uw geslacht,
mensen van licht maar duister onze wegen.
5
Mensen van vlees en steen, van hoop en vrees,
breng ons toch thuis, in godsnaam geef ons vrede.
---
*33
#6
1
Die rechtes God gelijk
komt van de Vader voort,
de Koning van zijn Rijk,
Gods beeld en scheppend woord.
2
Hij heeft zichzelf ontdaan
van alle beerscbappij,
Hij kwam in ons bestaan,
Hij werd een mens als wij.
3
Hij werd ons aller knecht,
zijn deemoed was zo groot.
Hij stond voor ons terecbt,
gehoorzaam totterdood.
4
Maar God heeft Hem gesteld
hoog aan zijn rechterhand.
God heeft zijn naam gemeld
aan hemel,,zee en land@
5
opdat zijn macht verstaan
al wie Hij 't aanzijn geeft,
opdat in Jezus' naam
zich buige al wat leeft, -
6
opdat wij met elkaar
God geven alle eer,
belijdend voor elkaar
dat Jezus is de Heer!
---
*34
#5
1
Toen Jezus in zijn uur gekomen was,
om deze wereld te verlaten,
heeft Hij ten einde toe ons liefgehad.
De veel geliefde Zoon van God de Vader
wordt een slaaf die onze voeten wast,
2
Toen Jezus met zijn vrienden maaltijd hield,
nam Hij het brood, nam Hij de beker.
Hij heeft zijn leven aan ons uitgedeeld,
zijn bloed voor deze wereld prijsgegeven, -
teken van de geest die Hem bezielt. (bis)
3
Ik ben de wijnstok, heeft Hij toen gezegd,
gij zijt voorgoed met Mij verbonden.
Ik ben uw waarheid en Ik ben de weg,
Ik ben die ben, vergeving van uw zonden,
vrede geef ik u, heeft Hij gezegd. (bis)
4
Toen Jezus naar zijn Vader toe zou gaan,
heeft Hij gebeden voor zijn vrienden.
Vader, bad Hij, bewaar hen in uw naam,
mogen zij allen een zijn in de liefde,
dat zij doen wat ik hun heb gedaan. (bis)
5
Toen Jezus in de hof gekomen was,
heeft Hij in grote angst gebeden,
- niemand was er, die Hem antwoord gaf.
Een vriend heeft Hem verkocht en uitgeleverd,
toen Hij in zijn uur gekomen was. (bis)
---
*35
#3
1
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt en gegeven.
Laat ons Hem loven en danken, verheugd dat wij leven.
Diep in de nacht heeft Hij verlossing gebracht
heeft Hij ons licht aangeheven.
2
Waren wij dood door de zonde verminkt en verloren,
doven van harte, verhard om zijn woord niet te horen,
Hij is zo groot, Hij overmande de dood.
Wij zijn in Jezus herboren.
3
Nu zend uw Geest, als een vuur, als een stem in ons midden
Dat wij van harte elkander verstaan en beminnen.
En zo voortaan eren Gods heilige Naam.
En Hem in waarheid aanbidden.
---
*36
#1
1
Niemand leeft voor zichzelf
niemand sterft voor zichzelf.
Wij leven en sterven voor God onze Heer
aan Hem behoren wij toe,
---
*37
#5
1
Christus is opgestaan,
leeg is het graf, Hij leeft voortaan.
In dat bittere tweegevecht
Sloeg hij de dood, wij zijn terecht
Hallelujah.
2
Christus komt uit de nacht,
licht en vrede ons toegebracht.
Maar nog is oorlog om ons heen,
liet Hij ons toch weer dood alleen?
Hallelujah.
3
Heer, ons geloof bezwijkt
als Gij ooit uit ons midden wijkt.
"Zie, Ik ben, en Ik blijf met U,
heilige geestkracht geef Ik u."
Hallelujah.
4
Leg ons de schriften uit.
Toon ons toch aan dat Gij het zijt!
Voer ons binnen het groot geheim
dat Gij een lijdende mens moest zijn.
Hallelujah.
5
Mijn Heer, mijn God zijt Gij.
Daarom, Christus, gedenken wij
uw verrijzenis uit de dood,
hier in dit breken van het brood.
Hallelujah.
---
*38
#6
1
De Heer die heeft geleid en hoedt
zijn volk op aarde, o herder goed,
o mensenzoon met ons begaan,
getrouwe heiland is uw naam.
2
Als schapen doolden allen rond
geen die nog weide en water vond.
Toen zijt Gij zelf ons voorgegaan,
getrouwe herder is uw Naam.
3
Geen die zijn leven voor ons gaf,
alwie kwam v’’r U, was vreemd en laf.
Geen huurling weidt ons meer voortaan,
Hecr God, betrouwbaar is uw Naam.
4
Die als een lam draagt onze dood,
die breekt zijn lichaam als levend brood,
die om zijn kudde zich liet slaan -
getrouwe herder is zijn Naam.
5
Die maakt dat allen op zijn woord
komen te samen, Hij is de poort;
gij moet door Hem het rijk ingaan,
hoort, want Hij roept u bij uw naam.
6
In dood en leven, Heer, zult Gij
zijn die Gij zijt: uw klein volk nabij.
Gij zult met ons uw wegen gaan,
getrouwe herder is uw Naam.
---
*39
#3
1
Gedenken wij dankbaar de daden des Heren,
zijn leven, zijn dood en verrijzenis,
en dat wij oprecht tot Jezus ons bekeren
die onze God en leidsman ten leven is.
2
Hoe zouden wij ooit voor elkaar kunnen leven,
had Hij ons de liefde niet voorgeleefd,
die tot de dood zich prijs heeft willen geven,
die, Zoon van God, ons aller slaaf is geweest.
3
Gij eerste der mensen, die weerloos en eenzaam,
als graan in de aarde gestorven zijt,
Gij wordt ons brood, maak ons met U gemeenzaam,
van harte maak tot wederdienst ons bereid.
---
*40
#2
1
Wie zijn leven niet wil geven,
niet wil delen met zovelen,
met een ander,
gaat verloren.
2
wie wil geven wat hij heeft,
die zal leven,
op gegeten,
die zal weten dat hij leeft.
---
*41
#8
1
K:mela:
Roept God een mens tot leven, wie weet waarom en hoe,
Hij moet zichzelf prijsgeven, hij leeft ten dode toe.
2
A:mela:
Gods woord roept door de tijden
zijn volk en grijpt het aan
Hij doet het uitgeleide
het moet de zee ingaan
3
K:melb:
Geroepen en verzameld uit dood en slavernij,
gedoopt in woord en water dat volk van God zijn wij.
4
A:mela:
Wij werden nieuw geboren
toen de mens Jezus kwam,
die als een slaaf de zonde
der wereld op zich nam.
5
K:melb:
Met Hem in geest en water
tot zoon van God gewijd,
zijn wij met Hem begraven,
verrezen voor altijd.
6
A:mela:
Gestorven voor de zonde
in Jezus' bloed vereend,
en met elkaar verbonden
levend voor God alleen.
7
K:melb:
Wie Jezus' kelk wil drinken,
zijn doop wil ondergaan,
zal in de dood verzinken
en uit die dood opstaan.
8
A:mela:
Hij zal zijn leven geven
hij maakt zichzelf tot brood,
hij sterft en and'ren leven,
hij overleeft de dood.
---
*42
#3
1
Gij zijt voorbijgegaan,
een steekvlam in de nacht.
De vonken van uw naam
zijn ogen in ons hart.
In flarden hangt uw woord
om onze wereld heen,
wij leven in U voort,
wij zijn_met U bekleed.
2
Gij zijt voorbijgegaan,
een voetspoor in de zee.
Gij zijt te ver gegaan,
Gij zijt een mens te veel.
Gij zijt voorgoed, Gij zijt
verborgen in uw God.
Geen stilte spreekt U uit,
ondenkbaar is uw dood.
3
Gij zijt voorbijgegaan,
een vreemd bekend gezicht,
een stuk van ons bestaan,
een vriend, een spoor van licht.
Uw licht is in mijn bloed,
mijn lichaam is uw dag,
ik hoop U tegemoet
zolang ik leven mag.
---
*43
#5
1
Duisternis troonde hoogverheven,
de mensen vielen stervend neer.
Een woord van licht zou hen doen leven -
de loop der dingen nam een keer.
2
Hij was bereid een woord voor allen,
dat ene woord van licht te zijn,
als zaad in harde grond te vallen -
hij achtte niet de stervenspijn.
3
Zo is hij in de nacht verdwenen
geen engel heeft hem brood gebracht
geen sterrebeeld hem toegeschenen
geen moederschoot hem opgewacht.
4
Om ooit een dag als nieuw geboren
in bloei van stemmen op te staan,
moest hij verstomd en zinverloren
in mensenspraak te gronde gaan.
5
In holle klank van taal verzinken
om kiem van weerklank, zaad van licht
uit onze harten op te klinken
een naam die voor geen duister zwicht.
---
*44
#6
1
Een mens te zijn op aarde,
in eens voorgoed geboren zijn,
is levenslang geboortepijn.
Een mens te zijn op aarde
is leven van de wind.
2
De bomen hebben wortels
de bomen mogen stevig staan
maar mensen moeten verder gaan
de bomen hebben wortels
maar mensen gaan voorbij.
3
De vossen hebben holen
de mensen weten heg noch steg
zijn altijd naar hun huis op weg
de vossen hebben holen
maar wie is onze weg?
4
De mensen hebben zorgen
het brood is duur, het lichaam zwaar
en wij verslijten aan elkaar.
Wie kent de dag van morgen?
De dood komt lang verwacht.
5
Een mens te zijn op aarde
is pijnlijk begenadigd zijn
en zoeken, nooit verzadigd zijn,
is rusten in de aarde
als alles is volbracht
6
Hoe zullen wij volbrengen
wat door de eeuwen duren moet
een mens te zijn die sterven moet?
Wij branden van verlangen
tot alles is voltooid.
---
*45
#3
1
De aarde was nog plat.
Maar 't hart was met zovelen.
Toen kwam door wolken heen.
de zevenkelen man.
2
Hij riep de vogels vrij,
de takken uit de bomen.
Hij zong de stromen los
uit rotsen en woestijn.
3
Hij zong miljoenen mensen
als bloemen uit zijn mond.
Toen ben jij ook geboren.
Toen was de aarde rond.
---
*46
#1
1
Dat wij vol stromen met levensadem
en schreeuwen eindelijk geboren,
en lachen eindelijk geboren,
en weten eindelijk geboren.
---
*47
#3
1
Tijd van vloek en tijd van zegen,
tijd van droogte tijd van regen
dag van oogst en tijd van nood
tijd van stenen tijd van brood.
Tijd van liefde nacht van waken
uur der waarheid dag der dagen
toekomst die gekomen is
woord da vol van stilte is.
2
Tijd van troosten tijd van tranen
tijd van mooi zijn tijd van schamen
tijd van jagen nu of nooit
tijd van hopen dat nog ooit.
Tijd van zwijgen zin vergeten
nergens blijven nergens weten
tijd van kruipen tijd van angst
zee van tijd en eenzaamheid.
3
Wie aan dit bestaan verloren
nieuw begin heeft afgezworen
wie het houdt bij wat hij heeft
sterven zal hij ongeleefd.
Tijd van leven om met velen
brood en ademtocht te delen
wie niet geeft om zelfbehoud,
leven vindt hij honderdvoud.
---
*48
#1
1
Lieve boetseerder, trek me uit de klei.
---
*49
#1
1
Groot is de wereld
en lang duurt de tijd,
maar klein zijn de voeten
die gaan waar geen wegen gaan,
overal heen.
---
*50
#3
1
De wijze woorden en het groot vertoon,
de goede sier van goede werken,
de ijdelheden op hun pauwentroon,
de luchtkastelen van de sterken:
al wat hoog staat aangeschreven
zal gods woord niet overleven;
hij wiens kracht in onze zwakheid woont
beschaamt de ogen van de sterken.
2
Zijn woord wil deze wereld omgekeerd:
dat lachen zullen wij die wenen,
dat wonen zal wie hier geen woonplaats heeft,
dat dorst en honger zijn geleden.
Die onvruchtbaar bleef, zal vruchtbaar zijn,
die geen vader was, zal vader zijn;
mensen zullen and're mensen zijn,
de bierkaai wordt een stad van vrede.
3
Wie denken durft, dat deze droom het houdt,
een vlam die kwijnt maar niet zal doven,
wie zich aan deze dwaasheid toevertrouwt,
al komt de onderste steen boven:
die zal kreunen onder zorgen,
die zal vechten in 't verborgen,
die zal waken tot de morgen dauwt
Hij zal zijn ogen niet geloven.
---
*51
#5
1
Om wat misdaan wordt, ziende blind,
aan grond en lucht, dier en mensenkind,
weegklaagt de aarde, afgeknecht
zij schreeuwt om niet geboorterecht.
2
Wij vluchten weg, wij horen niet.
Wij spelevaren in doodsgebied:
de tijd zo kort, de druiven zoet,
dus plukt de dag, na ons de vloed.
3
Geen taal die nog wat hoop vertolkt
Over ons heen daalt een zwarte wolk.
De regen stroomt, het water stijgt,
een vloed van wee die ons wel krijgt,
4
Wij zullen worden afgedaan
en niets begrijpend ten onder gaan,
met man en macht, met vuur en zwaard.
Wij zijn geen nieuwe aarde waard.
5
Kiest Gij het leven of de dood?
O God, ontketen in onze schoot
een kind dat doet gerechbgheid,
een nieuw mens, een nieuwe tijd.
---
*52
#3
1
Wij die met eigen ogen de aarde zien verscheurd,
maar blind en onmedogend ontkennen wat gebeurt:
dat oorlog is geboden en vrede niet mag zijn,
dat mensen mensen doden, dat wij die mensen zijn.
2
Wij die mogen leven van hoop en vrees vervuld,
aan machten prijs gegeven aan meer dan eigen schuld,
wij die, God weet hoe verder, tot hier toe zijn gespaard:
dat wij toch nooit erkennen het recht van vuur en zwaard.
3
Dat wij toch niet vergeten waartoe wij zijn gemaakt,
dat diep in ons geweten opnieuw het licht ontwaakt.
Dat in ons wordt herschapen de geest die overleeft.
Dat onze lieve aarde nog kans op redding heeft.
---
*53
#3
1
Komen ooit voeten gevleugeld mij melden de vrede,
daalt over smeulende aarde de dauw van de vrede,
wordt ooit gehoord
uit mensenmonden dat woord:
wij zullen rusten in vrede.
2
Dan zal ik huilen en lachen en drinken en slapen;
dromen van vluchten en doden en huivrend ontwaken
Maar niemand vlucht
nergens alarm in de lucht
overal vrede geschapen.
3
Dan zal ik zwaaien naar vreemden, zij zullen mij groeten.
Wie was mijn vijand? lk zal hem in vrede ontmoeten.
Dan zal ik gaan
waar nog geen wegen bestaan -
vrede de weg voor mijn voeten.
---
*54
#5
1
In diepe nacht ben ik gegaan.
Ik zocht in alle straten.
Mijn vriend is van mij heengegaan,
mijn God heeft mij verlaten.
2
lk zocht hem en ik vond hem niet
och wachters op uw ronde,
o aarde, hebt gij uw God gezien?
Toen heeft hij mij gevonden.
3
Ik bracht hem in mijn moeders huis
en waar ik ben geboren.
lk zal mijn naam vernemen daar.
Ik ga in hem verloren.
4
- Liefde is droever dan de dood,
o lichaam, goedertieren,
geen taal verstaat haar wonder groot
verblindend zijn uw vuren.
5
Wek niet de liefde voor haar tijd,
die dorst zal u verteren,
geen water blust de liefde uit,
haar roep is niet te keren.
---
*55
#3
1
Uit vuur en ijzer, zuur en zout,
zo wijd als licht, zo eeuwen oud,
uit alles wordt een mens gebouwd
en steeds opnieuw geboren.
Om ijzer in vuur te zijn,
om zout en zoet en zuur te zijn,
om mens voor een mens te zijn
wordt alleman geboren.
2
Om water voor de zee te zijn,
om anderman een woord te zijn,
om niemand weet hoe groot en klein,
(- gezocht, gekend, verloren -)
om vanavond en morgenland,
om hier te zijn en overkant,
om hand in een andre hand,
om niet te zijn verloren.
3
Om oud en wijs als licht te zijn,
om lippen, water, dorst te zijn,
om alles en om niets te zijn,
gaat iemand tot een ander.
Naar verte die niemand weet,
door vuur dat mensen samensmeedt,
om leven in lief en leed
gaan mensen tot elkander.
---
*56
#2
1
Nu nog met halve woorden, hier en daar,
kijkend in donk're spiegels, bijna waar,
blijven wij vreemden die zien en weer vergeten,
doen in den blinde wat moet, maar ongeweten.
Dan, eenmaal, wordt, wat niet bestaat:
wij zullen open gaan,
en zien en horen, oog in oog,
van mens tot mens verstaan.
2
Weten voorbij aan alle angst en schijn,
en liefde, liefde zal geen woord meer zijn.
Lichaam en zwijgen genoeg, en onze namen
rusten in licht als leeuw en lam tesamen.
Nu nog verslaafd, dan waar en vrij,
ontketend, onverbloemd.
Nu nog in tranen, dan getroost
en met mijzelf verzoend.
---
*57
#3
1
Kom in mij. win. ontwapen mij.
zie mij. doe mij aan.
Weersta mij. wacht mij. delf in mij.
ontdooi mijn naam.
ontraadsel mijn bestaan.
2
Kom in mij. maak geluid in mij.
dood is diep in mij.
versteend mijn stem. ontsta in mij.
doe pijn. doorgloei
mij. leef mij. licht in mij.
3
Kom uit mij. scheur mij. kind van mij.
mens. in mij ontwaakt
ontvang mij. overschaduw mij.
en ga met mij
waar niemand met mij gaat.
---
*58
#10
1
Hierheen, Adem, steek mij aan,
stuur mij uit jouw verste verte
golven licht.
2
Welkom armeluisvader,
welkom opperschenker,
welkom hartenjager.
3
Beste tranendroger
lieve zielsbewoner
mijn vriend, mijn schaduw.
4
Even rusten voor tobbers
en zwoegers, voor krampachtigen
een verademing, ben je.
5
Onmogelijk mooi licht,
overstroom de afgrond van mijn hart,
jou zo vertrouwd.
6
God ben jij, zonder jou
is alles nacht en ontij,
wreedheid, schuld,
7
maar jij maakt schoon.
Verflenst mijn bloem
geef water zalf mijn wonden.
8
Stijf sta ik, toegang verboden,
ijzig ontdooi mij, koester mij.
Vreemd ga ik, zoek mij.
9
Ik zeg ja jij, doe nee.
Vergeld mijn twijfel met vriendschap
zeven maal duizend maal.
10
Niets ben ik zonder jou.
Dood wil ik naar jou toe.
Dan zal ik lachen.
---
*59
#3
1
Jij bent van jou, onachterhaalbaar eigen.
Ik ben van mij, geen ander zal mij krijgen.
Wat ik jou vraag, wat jij mij vraagt
is leeg en zonder zin gevraagd.
En oogwenk ver in vreemd gebied,
ooit verder komen doen wij niet.
2
Ik wou een leven meer, mocht ik jou vinden,
ik bond mij aan je vast, kon ik mij binden.
Ik zou in jou vergaan, en jij
ontstaan in mij, en wij in wij.
Eens lag ik neer, versteend van kou,
ik droomde dat ik vocht met jou.
3
Die nacht werd mij een nieuw naam gegeven.
Geschonken werd mij nog een tijd van leven.
En even, tot de morgen daagt,
is wat ik vraag en wat jij vraagt,
vervuld en n. Toen ging jij heen
en bleef ik met mijn droom alleen.
---
*60
#3
1
Uit staat en stand en wijheid losgewoeld,
omgewaaid, ontwortelde plataan.
Toen heeft hij licht onder zijn schors gevoeld,
een vlaag van knoppen die op springen staan.
2
Uit jij en jou en woorden weggevlucht
Ergens heen gejaagd. Boomgrens voorbij.
Op adem komen in de dunne lucht,
je eigen hartslag horen. Vogelvrij.
3
Uit eigen aard en huid naar iemand toe,
onontkoombaar. En niet wonen meer,
tot ik Hem, Hij mij vinden zal. En hoe -
een zee van dromen gaat in mij tekeer
---
*61
#5
1
Als boten uit het niets vandaan
gedreven over 't water
door storm en luwte heengegaan
gezonken in de haven,
2
als huizen scheef en uitgewoond
zelfs niemand komt ze kraken
hun vloer hun fundament gesloopt
het weer valt door de daken,
3
zo zijn de doden doof en diep
verzonken in hun voren
doorploegd bemest maar niet ontkiemd
hun oogst nog ongeboren.
4
of zweven zij voor dag en dauw
op vleugels van een reiger
niet mensen meer geen man of vrouw -
hoe zou ik antwoord krijgen.
5
Wij gaan en niemand weet waarheen
als water uitgegoten
verstilt en koud in merg en been
en zonder reisgenoten.
---
*62
#10
1
Hier is een stad gebouwd
overal om ons heen,
huizen en bomen en
mensen van licht en steen.
2
Huizen van vrede voor
mensen van vlees en bloed.
Veilig onveilig, zo
leven zij bitterzoet.
3
Overal haast en ver-
keer dai geen richting heeft
wolken lawaai als een
vuur dat geen warmte geeft
4
Woorden gaan over en
weer, waar de mensen zijn.
Woorden zijn lief en leed
rouw en geboortepijn.
5
ledereen wil wel een
ander, maar weet niet hoe.
ledereen gaat zo zijn
weg, wie weet waar naar toe.
6
Mensen gaan twee aan twee,
overvloed en woestijn.
Zoeken een woning en
willen geborgen zijn.
7
Een stad is man en vrouw
opstaan en slapen gaan,
mensen die dagelijks
doodgaan en voortbestaan.
8
Leven is liefde doen,
gaan in het oude spoor.
mensen zijn ouder en kind
en dat gaat maar door.
9
Leven is overal
tussen fabriek en flat,
bloemen en kinderspel,
licht op muziek gezet.
10
Is er een stad zonder
dood zonder duisternis?
Komt er een stad waar de
zon niet meer nodig is?
---
*63
#3
1
Wonen overal nergens thuis,
aarde, mijn aarde, mijn moeders huis.
Vallende sterren, de schim van de maan,
mensen die opstaan en leven gaan,
mensen veel geluk.
2
Wonen overal even thuis
handel en wandel en huis na huis
loven en bieden op waarheid en waan
wagen en winnen en verder gaan
mensen veel geluk.
3
Wonen overal bijna thuis
aarde mijn hemel mijn vadershuis
stijgende sterren de lach van de maan
mensen die dromend een stem verstaan
mensen veel geluk.
---
*64
#1
1
Die mij droeg op adelaarsvleugels,
die mij hebt geworpen in de ruimte,
en als ik krijsend viel, mij ondervangen
met uw wieken en weer opgegooid,
totdat ik vliegen kon
op eigen kracht.
---
*65
#1
1
Een schoot van ontferming is onze God.
Hij heeft ons gezocht en gezien
zoals de opgaande zon aan de hemel.
Hij is ons verschenen toen wij in
duisternis waren, in schaduw van dood.
Hij zal onze voeten richten
op de weg van de vrede.
---
*66
#4
1
Scheur toch de wolken weg en kom.
Breek door de blinde muur en kom.
Doodsnacht regeert ons her en der.
De tijd is vol, uw Naam is ver.
2
Een vloed van tranen komt tot U.
Bloed uit de aarde roept tot U.
AI uw verworpen kind'ren staan
op uit hun graf en zien U aan.
3
Mocht het toch waar zijn dat Gij hoort.
Dat niet vergeefs dit mensenwoord,
o God sinds mensenheugenis,
dat niet vergeefs dit lijden is.
4
Mochten wij zien dat Gij bevrijdt,
dat Gij geen god van doden zijt.
Breek door de blinde muur en kom.
Scheur toch de wolken weg en kom.
---
*67
#3
1
Jij die voor alle namen wijkt
geen weg die in jouw vertre reikt
geen woord kan jou aanbidden.
Jij die niet hoog verheven troont
licht dat in nacht en wolken woont
een dode in ons midden.
Jij komt, wij weten dag noch uur
jij gaat voorbij, een dovend vuur
een stilte in de bomen.
Roepend van ver, stem van dichtbij
niet overal niet hier ben jij
niet god die wij ons dromen.
2
Geen veilig pad om langs te gaan
geen plek geen been om op te staan
geen rots om op te bouwen.
Geen bron die uit de rotsen breekt
geen bloed dat stuwt geen hart dat spreekt
geen ziel om in te schouwen.
Geen gulden regel, rond getal,
geen laatst gericht in dit heelal
onwrikbaar onbewogen.
Maar mensen die verminkt en klein
ontheemd ontkend toch mensen zijn
roepend om mededogen.
3
Roepende stilte, verre stem,
als jij bestaat, besta in hen,
in mensen in ons midden.
Wees onbestaanbaar ongehoord,
besta in mij, onvindbaar woord
niet god die wij aanbidden.
Jij die mij kent, jij die mij boeit
ik die jou jij noem onvermoeid,
en nog niet kan vergeten,
zouden wij ik-en-niemand zijn
ontheemd ontkend ontroostbaar zijn
en van elkaar niet weten?
---
*68
#1
1
Het woord dat Ik u heden geef
is niet te zwaar voor u
het ligt niet buiten uw bereik.
Het is niet in de hemel, zeg dus niet:
wie haalt het voor ons uit de hemel.
Het is niet overzee, zeg dus niet:
wie haalt het voor ons van overzee.
Het woord is dichtbij
in uw mond in uw hart
gij kunt het volbrengen.
---
*69
#1
1
Gij wacht op ons
totdat wij opengaan voor U.
Wij wachten op uw woord
dat ons ontvankelijk maakt.
Stem ons af op uw stem
op uw stilte.
---
*70
#3
1
Stem als een zee van mensen
om mij, door mij heen.
Stem van die drenkeling,
van dat stuk wrakhout
dat een mens blijkt
als hij mij aankijkt.
2
Stem die mij roept: wie ben je,
mens waar is je broer?
Stem die mijn vliezen breekt
en mij bevrijdt, die
vuur uit steen slaat,
jij die mij ik maakt
3
Stem die geen naam heeft nog niet,
mensen zonder stem.
Stem als een specht die klopt
aan mijn gehoorbeen.
Woord dat aanhoudt.
God die mij vasthoudt.
---
*71
#3
1
Jij bent de god die mij gegeven is,
de beker die voor mij ingeschonken staat.
Mijn levenslot rust in jouw hand,
goed land is mij ten deel gevallen.
2
Jij bent het lot dat mij beschoren is,
mijn schaduw, de engel die mij troost mij kwelt -
laat deze kelk aan mij voorbijgaan, gauw,
ik kan geen mensen drinken.
3
Wie ben je, jij die mij te drinken vraagt?
Je aarzelt nog aan mijn deur, je klopt en wacht
een dorstig hert - en ik een lege bron
dorstend naar stromen regen.
---
*72
#3
1
Zij die stom zijn, ver heen, koud, steen in steen,
zij die in doodswoestijn onvindbaar zijn:
Wie weet hun naam, wat heeft men hen gedaan
die genoemd wordt Gij, onvoorstelbaar Gij,
die 't verloren kind schreiend zoekt en vindt,
die het leven zelf uit de dood opdelft.
2
Hoe in duisternis dit bestaan ook is,
hoe zwart mijn verdriet, wanhoop wordt het niet,
omdat Gij God zijt die mijn leven leidt,
Gij volstaat voor mij, zijt mijn zekerheid.
Van uw aangezicht straalt mijn ogenlicht
Komen zal de dag dat ik rusten mag.
3
Die rampzalig zijn, zullen zalig zijn.
Die verworpen zijn, zullen in U zijn.
Die zich keerden van U, zij vinden U.
Onbeminden, om niet bemind door U.
Lachen wordt gehoord als uw laatste woord
dit verscheurd heelal prachtig maken zal.
---
*73
#1
1
Onze Vader in het verborgene
uw naam moet worden gekend en volbracht
uw rijk van vrede zal worden gevestigd
uw wil geschiede; hemel op aarde.
Geef ons vandaag ons brood, en morgen,
scheld kwijt onze schulden
zoals wij kwijtschelden een ander zijn schuld.
En beproef ons niet boven onze kracht.
En bevrijd ons uit de macht van onrecht.
---
*74
#3
1
Verdoofd en schamper van gemis
herkomst en doel verloren
dit leven dat geen leven is
nog dood nog ongeboren.
Doe open Gij die woont in licht
dat niet ter dood gedoemd zijn
wij die naar U genoemd zijn.
2
Uw nu ons eertijds aangezegd
volhardt in onze oren
opdat wij doen het volste recht
en zijn uit U geboren
'de minste mens een naaste zijn'-
dat woord heeft zin gegeven
ons angstbeladen leven.
3
Die gaan de wegen van uw woord
geen lot is hen beschoren
dan Gij, Gij plant hun adem voort
uw land zal hen behoren.
Woestijnen gaan in dauw gedrenkt
geluk zal wedervaren
aan wie verworpen waren.
---
*75
#3
1
Zijn alsof niet, hart blind geboren.
oor dat geen woord verstaat.
hand die niet doet. mond dichtgevroren.
ik dat niet opengaat.
de dood gezocht. de nacht verwensen
waarin wij zijn ontwaakt.
zijn alsof nooit. alsof niet mensen
voor mensen zijn gemaakt.
2
Zijn alsof toch, op hoop van zegen:
een hand die handen groet.
Alsof een mens mag overleven,
wel sterft maar niet voorgoed.
Ooit even waar te zijn, ontkomen
aan klacht en troost en schijn:
ontwaken, licht geraakt genomen,
gekend zoals wijzijn.
3
Zijn - en dat niets mij ooit kan scheiden
van God die in mij leeft.
Onschendbaar zijn, onnoembaar lijden,
en niets dat reden geeft
en niemand die mijn hoop rechtvaardigt,
en niemand weet van mij
dan Gij alleen die in mij ademt.
Mijn levensdag ben Jij.
---
*76
#3
1
Die chaos schiep tot mensenland
die mensen riep tot zinsverband
Hij schreef, ons tot bescherming,
zijn handvest van ontferming,
Hij schreef ons vrij, met eigen hand.
Schrift die mensenoorsprong schrijft.
Woord dat trouw blijft.
2
Dat boek waarin getekend staan
gezichten, zielen, naam voor naam,
hun overslaande liefde
hun overgaande liefde
hun ween die niet overgaan.
Schrift dat mensendagen schrijft.
Licht dat aanblijft.
3
Zijn onverganklijk testament:
dat Hij ons in de dood nog kent
de dagen van ons leven
ten dode opgeschreven
ten eeuwig leven omgewend.
Schrift die mensentoekomst schrijft.
Naam die trouw blijft.
---
*77
#4
1
Met niets van niets zijt Gij begonnen,
hebt sprakeloos het licht gezegd,
de tijd bepaald, het land gewonnen,
de zeen op hun plaats gelegd.
2
De ban der duistemis gebroken
en het werd morgen, dag na dag,
een wereld in het licht gesproken,
een mensheid die beginnen mag.
3
Geen eind in zicht. Geen rust gevonden.
Het langste deel nog niet gegaan.
Geen engel met ons mee gezonden
om nacht en onbj te verslaan.
4
Met licht van licht hebt Gij geschreven
uw boek dat ons het leven redt
de woorden van uw trouw gegeven.
En van dit lied de toon gezet.
---
*78
#1
1
Klankresten van een oud verhaal.
Steenlettergrepen, sporen in woestijnzand.
Lichtwoorden, ooit ontvangen, maar van wie
Hij zal niet slapen, Israls behoeder.
---
*79
#3
1
Dat woord, waarin ons richting werd gegeven,
dat onze gang bepaald heeft bij het leven,
dat in ons zwijgt en waakt en weet,
de wereld trouw in lief en leed,
dat ons de dood doet tegengaan:
dat was bij God, van meet af aan.
2
Alleen was God in stilte ongebroken,
volmaakt zichzelf, onnoembaar, onweersproken.
Toen heeft Hij in zijn hart gehoord
de klank en aandrift van dat woord.
Nog voor Hij enig mens gewoon,
nog voor het opgaan van de zon.
3
Dat woord stond Hem met raad en daad terzijde,
toen Hij het licht de zee, de aarde spreidde.
Het werd zijn liefste gezellin,
het spreekt Hem moed en liefde in,
opdat niet ooit zijn hart bezwijkt,
zijn naam van deze wereld wijkt.
---
*80
#3
1
Wat geen oog heeft gezien,
geen oor heeft gewaagd te horen,
wat ons vaderen niet durfden dromen,
zijn wij...dia di dia...
geworden: deze wereld.
2
Doden onbegraven,
n woestenij uw stad.
Opgejaagd, prijsgeschoten,
als kleinwild afgeslacht
dia di dia...
uw allerliefste mensen.
3
Door stormen van geweld,
voortgejaagden, zijn wij.
Aan molenstenen vastgeklonken,
als verdoemden zijn wij:
Dia di dia...
zijn wij: deze wereld.
---
*81
#5
1
De vloed van voor de tijd
van v’’r Gij hebt gesproken,
de nacht van v’’r het licht,
de dood van v’’r uw Naam.
2
Wat wilt Gij dat ik ben?
Een wrakhout op de golven?
Wie weet ik dat Gij zijt?
de ark van mijn behoud.
3
Van v’’r de vloed zijt Gij.
Nog eer ik werd geboren
had Gij mijn koers gezet
door deze diepten heen.
4
En na de vloed komt Gij.
Uw boog staat in de wolken,
uw uitgestrekte ann,
uw hand die ons bevrijdt.
5
En ooit zal hoog en droog
op gouden fundamenten
uw stad voor eeuwig staan.
En dood zal niet meer zijn.
---
*82
#3
1
Ze zijn van vlees en van gebeente
ze zijn als wij maar hoog ten troon
zij flonkren van goedkoop gesteente
hun droom is lucht hun schijn is schoon.
Hun weg is kort: een ster die stort
de hemel uit, de afgrond in,
weg rover, moordenaar, dag duivelin.
2
Hun hand doet zonder meededogen
de minste slaaf zijn ketens om.
Vervlogen pluizen zijn hun ogen,
hun oren leeg, hun monden stom.
Hun godenrijk n dodenrijk,
nog spelen zij hun partituur,
o wee zij weten dag noch uur.
3
Die dag kruipt n, halfdood geboren
uit drek omhoog en staat rechtop,
een klank van vrijheid in zijn oren,
een droom van leven in zijn kop.
En bang of niet, hij fluit zijn lied
tegen de hoogste muren aan,
als wist hij dat ze op instorten staan.
---
*83
#3
1
Geen koning onze god
geen leuzen en geen vaandel
geen bodem en geen bloed
geen god dan Gij alleen.
2
De zee verheft haar stem
de golven staan in horden -
daarbovenuit uw Naam
die storm en vloed weerstaat.
3
Van eeuwigheid uw woord
als een kompas onfeilbaar.
Gij spreekt ons in de tijd
een weg die niet verwaait.
---
*84
#9
1
Het was een nacht door merg en been
het werd een nacht van lichten
van waterwel uit woeste steen
van vuur en vergezichten.
2
Een klank de doodse stilte brak
een woord verwachting zaaide
een stem uit hoge vlammen sprak
een storm de zee verwaaide.
3
Het vuur versteende tot woestijn,
de zee ook kwam met wrake
en roofde alle woorden weg
die ons nog moed inspraken.
4
Het einde komt, vlucht weg van hier,
zo schreeuwden van hun tronen
de dochters van het goud vertier
en hun vergulde zonen.
5
Een langzaam einde spint ons in,
een web van doemgedachten:
geen vergezicht, geen nieuw begin,
geen god staat ons te wachten.
6
Maar die in schenen, stof en as
verbruikt ter neder lagen,
die wisten dat het niet zo was,
dat nieuw begin zou dagen.
7
Het is de nacht van voor de tijd,
geen klank van stem te horen -
uit doodse stille uitgeleid
zijn wij maar pas geboren.
8
Het werd een dag zoals daarvoor
miljoenen dagen kwamen:
het rad voor ogen draaide door,
het duister spande samen.
9
Die op hun tronen tieren voort,
die in hun graven zwijgen.
Op onze lippen ligt een woord
dat klank en stem zal krijgen.
---
*85
#5
1
Een land in onweer verward
een stad verdwaald in zijn stegen,
twee mensen wachtend op wie,
een kin dat huilend ontwaakt.
2
Er komen dagen aan
dat wij de nacht zullen prijzen,
dat wij vergeten het licht,
dat wij verspelen elkaar.
3
Er zal geen huis meer zijn
dat niet weeklaagt om zijn dode.
Dan zal er stilte zijn
zo hard en koud als de dood.
4
Er zal een stilte zijn
zo licht als zee in de verte -
er zal vermoeden zijn,
een waas van ander weer.
5
Er zullen woorden zijn,
oeroude stenen die spreken.
Er zal nog weten zijn,
een kind dat lacht in zijn droom.
---
*86
#3
1
Hoor. Maar ik kan niet horen.
Mijn oren dicht gestopt.
Mijn adem opgekropt.
Mijn hart van leeg te zwaar.
Ik ben nog niet geboren.
Ik ben niet ik. Niet waar.
2
Hoor. Maar ik wil niet horen.
Zou ik uw woord verstaan,
ik moest uw wegen gaan,
U volgen hier en nu.
Ik durf niet zijn geboren
en leven toe naar U.
3
Hoor, roept Gij in mijn oren
en jaagt mijn angst uiteen.
O stem door merg en been
verwek mij uit het graf,
uw mens opnieuw geboren.
O toekomst, laat niet af.
---
*87
#5
1
De hemel mag horen.
Maar luchtruim en wolken,
zon maan en sterren,
hebben geen oren.
Zomin als de aarde
met bomen en dalen
en bergen en stromen -
jij, mens, hebt de oren, het hart.
Nu geef Hem gehoor,
wees niet langer in dromen,
in vluchtige dromen verward.
2
Hij leerde je woorden.
Hij heeft ze gegeven,
van zuiden tot noorden
een land om te leven -
van westen tot oosten
van zee tot zonsopgang
je rots en je vader.
Hij spoorde je op in de nacht.
Hij heeft je gevlogen,
Hij leerde je vliegen,
Hij strekte je vleugels met kracht.
3
Je wou Hem verlaten
voor levende doden.
Hem tarten, je redder,
met krengen van goden.
Maar dat zal je weten:
in duizelingwekkende
diepte getuimeld,
vervloekten, zo ver van de zon.
Zijn woorden vergeten
is dorsten en sterven.
Zijn woorden alleen zijn de bron.
4
Je kinderen zullen
hun kinderen verslinden,
de moeder de dochter,
de dochters hun zonen.
Een sleep van gedierte
zal over je komen,
een lente van zwavel,
een eeuw van ontzetting en rouw.
Maar keer je je hart
naar mij om, uit de dood,
ik zal mij bekeren tot jou.
5
Nu kies dan het leven.
Het daalt uit de hemel
als dauw op de aarde,
als licht uit het donker.
Het komt als een stormwind
met stoten en vlagen -
jij kunt het volbrengen
in vlagen van donker en licht.
Gezegend je nachten,
gezegend je dagen,
je hart, je verstand, je gezicht.
---
*88
#3
1
Wij wisten dat het moest bestaan.
Wij zijn niet blind de weg gegaan.
Al stierven in ons duizend dromen.
Wat steil en ver was, zonder naam,
is lieflijk naar ons toe gekomen.
2
Doorwaadbaar was de doodsrivier.
Hoe anders zou het dat wij hier
U ondervinden aan den lijve -
O zon sta stil dit morgenuur,
opdat de hemel open blijve.
3
Mijn ziel in mij een lied dat treurt
om zoveel vergezicht verscheurd,
genadeloze levensdagen,
uw woord in ons dat niet gebeurt,
uw mens in mij nog onvoldragen.
---
*89
#5
1
Terzake Gij die leeft, geef hier aanwezig
uw eerste woorden, roep ons uit de leegte,
kome ter sprake uw verbond voor eeuwig
volheid van tijd uw koninkrijk nabij.
2
Verduister niet uw licht - dat wij ons wanen
diep in de aarde, spoorloos, en ons schamen
hoe wij op hoop van zegen ooit gegaan zijn
achter U aan, tot ver in de woestijn.
3
Onthoud ons niet uw Naam. Laat ons niet over
aan stand van sterren, vloed en maangetover,
aan wat ons hoog omfluistert en doet dromen
dat zou bestaan een andere god dan Gij.
4
Ontneem mij niet het vuur dat Gij gegeven,
Gijzelf mij ingestort hebt, dat ik leven,
met vuur van hartstocht als een mens zou leven -
dat ik zou geven liefde, dag en uur.
5
Ga open, Gij die leeft - voor nu en later
kome uw geest, uw stromen levend water.
Geef mij een mond waarmee ik U kan drinken.
Dat niet van dorst ik sterf vlak bij de bron.
---
*90
#3
1
Te doen gerechtigheid
hebt Gij ons aangezegd.
Dat woord heeft ons bevrijd,
elk ander ons geknecht.
Geef dat ons niets weerhoudt
die lange weg te gaan.
Dat elk zich nu verstout
uw richting in te slaan.
2
Wier dagen Gij bezocht,
wier harten Gij doorgrondt,
voor wie Gij hebt gewrocht
de aarde en de zon;
wier toekomst is in U,
Gij maakt hun leven waar -
mocht Gij hen hier en nu
bekeren tot elkaar.
3
Dat niemand hen kleineert
die Gij wilt maken groot,
voor wie Gij hebt geslaakt
de boeien van de dood.
Opdat wij zouden staan
vrij voor uw aangezicht,
getekend met uw Naam,
en leven in uw licht.
---
*91
#1
1
Dan nog, dan nog klamp ik mij
klamp ik mij vast aan jou,
of je wil of niet,
op ongenade of genade,
Ik zal red mij, red mij roepen
of zoiets als heb mij lief.
---
*92
#1
1
Blijf niet staren op wat vroeger was.
Sta niet stil in het verleden.
Ik, zegt Hij, ga iets nieuws gebinnen.
Het is al begonnen, merk je niet niet?
---
*93
#3
1
Geen taal die hem vertaalt,
geen lied dat bij hem haalt,
geen god aan hem gewaagd.
Zijn handen spelen in
op ieder nieuw begin,
geen ander die ons draagt.
Die in de stilte sprak,
het noodlot onderbrak
en baande nieuwe wegen,
hij is nog niet verstomd,
hij zoekt naar ons,
hij komt in mens na mens ons tegen.
2
Het meeste gaat voorbij
maar meer en meer wordt hij
de toekomst die ons wacht.
Bij hem is geen verraad,
hij zelf heeft ons gemaakt,
hij peilt en proeft ons hart.
Wij leven maar niet echt
zijn land van rust en recht
aanschouwen wij van verre.
Woestijn is om ons heen
en allen, n voor n,
vervreemden, vallen sterven.
3
Als alles is volbracht
zal hij voor ons een stad
van brood en spelen zijn.
De stok die ons regeert
de bek die ons kleineert,
de dood zal niet meer zijn.
Doorschenen van zijn licht,
doorschijnend in ons gezicht,
voltooid inons verleden.
Wensdromen worden waar,
wij spreken met elkaar
een taal van hoop en vrede.
---
*94
#3
1
Licht dat ons aanstoot in de morgen,
voortijdig licht waarin wij staan
koud, n voor n, en ongeborgen,
licht overdek mij, vuur mij aan.
Dat ik niet uitval, dat wij allen
zo zwaar en droevig als wij zijn
niet uit elkaars genade vallen
en doelloos en onvindbaar zijn.
2
Licht, van mijn stad de stedehouder,
aanhoudend licht dat overwint.
Vaderlijk licht, steevaste schouder,
draag mij, ik ben jouw kijkend kind.
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen
of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen
en elk zijn naam in vrede draagt.
3
Alles zal zwichten en verwaaien
wat op het licht niet is geijkt.
Taal zal alleen verwoesting zaaien
en van ons doen geen daad beklijft.
Veelstemmig licht, om aan te horen
zolang ons hart nog slagen geeft.
Liefste der mensen, eerstgeboren,
licht, laatste woord van Hem die leeft.
---
*95
#12
1
Die naar menselijke gewoonte
met een eigen naam genoemd werd
toen hij in een ver verleden
werd geboren, ver van hier
2
die genoemd werd: Jesjoe, Jezus
zoon van Jozef, zoon van David
zoon van Jesse, zoon van Juda
zoon van Jacob, zoon van Abram
zoon van Adam, zoon van mensen
3
die ook zoon van God genoemd wordt,
heiland, visioen van vrede
licht der wereld, weg ten leven
levend brood en ware wijnstok
4
die, geliefd en onbegrepen,
werd bewaard in taal en teken
als een eeuwenoud geheim
als een wachtwoord doorgegeven
als een vreemd vertrouwd verhaal
5
die een naam in mijn geheugen
die de stem van mijn geweten
die mijn waarheid is geworden:
hem gedenk ik hier en noem ik,
als een dode die niet dood is
als een levende geliefde
6
die gekozen heeft te leven
voor de armsten van de armen
helpman, reisgenoot en broeder
van de allerminste mensen
7
die, ten dage dat hij rondging
door de dorpen van zijn landstreek,
mensen aantrok en bezielde,
hen verzoende met elkaar
8
die niet steil en ongenaakbaar
niet hooghartig, als een heerser,
maar in knechtsgestalte leefde
9
die zijn leven voor zijn vrienden
prijsgaf, door een vriend verraden,
die, getergd tot op het kruis,
voor zijn vijand heeft gebeden
die, van God en mens verlaten,
is gestorven als een slaaf
10
die gestrooid is in de akker
als het kleinste van de zaden,
die daar wacht een lange winter
in de stilte van de dood,
die als graan geoogst zal worden
die als brood gedeeld wil worden
om in mensen mens te worden
11
die, verborgen in zijn God,
onze vrede is geworden,
onze ziel tot rust gekomen,
die ons groet vanuit zijn verte
die ons aankijkt van dichtbij
als een kind, een vriend, een ander
12
hem gedenk ik hier, hem noem ik
en beveel hem bij je aan
als je levende geliefde
als de mens die naast je is.
---
*96
#3
1
Hij die gesproken heeft een woord dat g t,
een tocht door de woestijn, een weg ten leven,
een spoor van licht dat als een handschrift staat
tegen de zwartste hemel aangeschreven:
Hij schept ons hier een nieuwe dageraad,
Hij roept ons aan, 'Ik zal jou niet begeven'.
2
Hij die ons in zijn dienstwerk heeft gewild,
die het gewaagd heeft onze hand te vragen:
die ons uit angst en doem heeft weggetild
en ons tot hier op handen heeft gedragen;
Hij die verlangen wekt, verlangen stil -
vrees niet, Hij gaat met ons, een weg van dagen.
3
Van U is deze wereld, deze tijd.
Gij hebt uw stem tot op vandaag doen klinken.
Uw Naam is hartstocht voor gerechtigheid,
uw woord de bron waaruit wij willen drinken.
Gij die tot hiertoe onze toekomst zijt -
dat wij niet in vertwijfeling verzinken.
---
*97
#1
1
Herschep ons hart heradem ons verstand.
dat wij elkaar behoeden en doen leven.
Maak ons tot uw gemeente.
Wees de stem die ons geweten wekt.
Verberg U niet.
---
*98
#3
1
Wat vrolijk over U geschreven staat:
dat Gij zijt de gloed van al wat leeft,
de ziel die vonkt of als een brand uitslaat,
de adembron die ons te drinken geeft.
2
wat vurig staat geschreven: dat Gij komt
"redden wat verloren is," dat woord,
dat Gij het hart hebt, ogen, dat Gij hoort,
"Ik zal er zijn," zonsopgang, nieuw verbond,
3
dat hoge woord, geschreven wit op zwart,
trouw van trouw, hoe heeft het ons bevrijd,
beschaamd, vervoerd, getroost, dan weer getart
Hoe dorsten wij te weten wie Gij zijt.
---
*99
#3
1
Dit huis van steen en woord
van dor en bloeiend hout:
op klanken ooit gehoord.
op rotsen hoop gebouwd:
doorademd en doorwoond,
gevensterd naar uw zon:
ten hemel als een boom,
geworteld aan de bron.
2
Dit schip waarin wij zijn
opvarend naar - Gij weet:
een berg van brood en wijn?
een stad die naar U heet?
Dit ruim in zee van tijd
waarin wij dood-bevreesd
de stormen horen slaan,
de hoefslag van het Beest.
3
Dit lichtdoorschenen lijf
waar onze ziel zich schikt
als in een gastverblijf;
waar Gij ons weegt en wikt
in Uw genade-hand,
Gij ons gebiedt en smeekt
te doen gerechbgheid,
opdat Uw dag aanbreekt
---
*100
#3
1
De steppe zal bloeien,
de steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan
vanaf de dagen der schepping,
staan vol water, maar dicht,
de rotsen gaan open.
Het water zal stromen,
het water zal tintelen, stralen,
dorstigen komen drinken.
De steppe zal drinken,
de steppe zal bloeien,
de steppe zal lachen en juichen.
2
De ballingen keren.
Zij keren met blinkende schoven.
Die gingen in rouw
tot aan de einden der aarde,
n voor n, en voorgoed,
die keren in stoeten.
Als beken vol water,
als beken vol toesnellend water,
schietend omlaag van de bergen.
Met lachen en juichen -
die zaaiden in tranen,
die keren met lachen en juichen.
3
De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan
en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op,
het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
een stem zal ons roepen: Ik open
hemel en aarde en afgrond.
En wij zullen horen,
en wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven.