---
Zingend Geloven
Deel 1, genummerd 101 t/m 163
Deel 2, genummerd 201 t/m 271
Deel 3, genummerd 301 t/m 388
Deel 4, genummerd 401 t/m 478
Deel 5, genummerd 501 t/m 588
Deel 6, genummerd 601 t/m 709
---
*101
#5
1
Toen Israel geboren is
en uit huis der duisternis
geheven aan het levens licht,
toen is de nacht voorgoed gezwicht.
2
De zee die hen bedolven had
met al haar golven werd een pad,
waardoor zij gingen onverlet,
van dood en onverlaat gered.
3
De vrijheid is een zandwoestijn,
maar 's Heren hand zou met hen zijn
en het gesluierde gelaat
waarmee Hij voor zijn naam in staat.
4
De wereld kent de tekens niet
waarmee de Heer zijn vrede biedt:
de wolk waarin wij zijn gedoopt,
het vuur dat voor zijn volk uitloopt,
5
hoe ons zijn hand het manna reikt
en water uit de steenrots breekt,
die rots die met ons medegaat:
Christus, een vaste toeverlaat.
---
*102
#10
1
Uit nacht en ontij komen wij,
de lange winter is voorbij,
wij zijn geboren in de doop
en voor ons ligt een land van hoop,
een land van melk en honing,
het rijk van onze koning.
2
Het is een lange tocht erheen,
een exodus door zand en steen,
maar zo is Abraham gegaan
en Israel naar Kanaan,
het land van melk en honing,
het rijk van onze koning.
3
Door de woestijn en langs de berg
waar God zich toont en zich verbergt,
het huis van Sion tegemoet
waar Hij de deur wijd open doet,
de deuren van zijn woning
in 't land van melk en honing.
4
Daar wordt de maaltijd aangericht,
daar vloeit de wijn, daar straalt het licht.
Het is een lange tocht, een tijd
van arbeid en van bitterheid,
maar zoet is de beloning,
de goedheid van zijn woning.
5
Hij is het zelf, die als door vuur
ons binnenhaalt te elfder uur
en door de zee en door de wolk
verwelkomt als het oude volk,
het volk van onze koning,
in 't land van melk en honing.
6
Hoe is het in Israel gegaan?
God liet hen niet ten onder gaan
in 't huis van duisternis en dood:
Egypte was de moederschoot
waaruit de oudste zoon ging,
het volk van onze koning.
7
De zee die hen bedolven had
met al haar golven werd een pad
waardoor zij gingen onverlet,
een paasgemeente voor de wet
op weg naar God de koning
in 't land van melk en honing.
8
De wereld kent de tekens niet
waarmee de Heer zijn gunst gebiedt,
de wolk waarin wij zijn gedoopt,
het vuur dat voor zijn volk uitloopt
naar 't land van melk en honing,
het vuur van God de koning.
9
Hoe ons zijn hand het manna reikt
en water uit de steenrots breekt,
de rots die met ons medegaat:
Christus, een vaste toeverlaat,
een priester en een koning,
wiens bloed is wijn en honing.
10
Uit nacht en ontij komen wij,
de Allerhoogste maakt ons vrij,
wij zullen voor zijn ogen staan
in 't heilig land, in Kanaan,
geboren en getogen,
dank zij God in de hoge!
---
*103
#10
1
Wij gaan met heel Gods volk
op weg achter de wolk
een pad dwars door de zee
en God gaat met ons mee.
Refrein:
O Heer die ons bevrijdde,
ons uit het diensthuis leidde,
wijs ons met uitgestrekte hand
de weg naar het beloofde land!
2
Wij eten hemels brood,
wij leven in de dood
van manna, dag en dag;
het valt op Gods gezag.
3
Wij slaan de vijand neer;
wie bidden tot de Heer
geeft Hij standvastigheid,
volharding in de strijd.
4
Wij horen het gebod:
de heiligheid van God
wil dat wij allen rein
en heilig voor Hem zijn.
5
Wij dansen om een stier,
een gouden kalf, een dier
dat stom is, ziet noch hoort,-
maar God gaat met ons voort.
6
Wij spreken door de Geest,
getuigen onbevreesd,
want God maakt ons bekwaam:
profeten in zijn Naam.
7
Wij krijgen dorst, wij zijn
het moe in de woestijn.
Maar Mozes, boos en trots,
slaat water uit de rots.
8
Wij kijken naar de slang,
verhoogd voor elk die bang
het komend oordeel vreest;
en wie gelooft geneest.
9
Wij gaan door de Jordaan
en dragen stenen aan
voor heel het nageslacht,
een teken van Gods macht.
10
Wij juichen, de bazuin
blaast muren neer tot puin.
God geeft ons, man voor man,
een huis in Kanaan.
---
*104
#5
1
Al wie in de renbaan loopt,
moet zichzelf kastijden,
al wie op de zege hoopt
moet daar ook om strijden.
Niet om werelds loon,
om een aardse zegekroon,-
om de gunst van God de Zoon
moet gij allen strijden.
2
Loopt dan wat gij lopen kunt,-
wilt u moeite geven,
dan is u de krans gegund:
eeuwig zult gij leven.
Al wie ijdel hoopt
omdat God u heeft gedoopt:
weet dat gij verloren loopt,
dat gij niet zult leven.
3
't Volk dat, in de wolk gewijd,
redding had verworven,
deed aan ongerechtigheid:
velen zijn gestorven.
Water, wolk en brood:
maar hun zonden waren groot
en hun werken waren dood,
velen zijn gestorven.
4
Gij die God uw werk aanbiedt,
opdat gij moogt voortgaan,
laat uw verbinding niet
op uw werken voorstaan.
Hij die 't wonder waagt,
u zijn woord en werk opdraagt,
Hij beloont zo 't Hem behaagt:
zondaars doet hij voorgaan.
5
Mensen die ter elfder uur
naar zijn woord wilt leven,
hoopt op Hem die rust en duur
aan zijn volk wil geven.
God, uw goed en bloed,
omdat zo de liefde doet,
God, ons aller overvloed,
schenkt om niet zijn leven.
---
*105
#7
1
Doe vroeg zijn aangeworven,
van die wordt veel gevraagd:
zij zwoegen van de morgen
tot midden in de nacht.
Die later zijn gekomen,
die krijgen veel te veel,
ze vragen met de vromen
en evenredig deel.
2
De vroegen zijn de vroeden,
de pioniers vanouds,
die God reeds vroeg ontmoetten,
zijn stem is hun vertrouwd.
Die later zijn gekomen,
die krijgen evenveel,
de daders en de dromers
een evenredig deel.
3
De werkers van het elfde,
het late avonduur,
die krijgen toch hetzelfde
als elke pionier.
Die later zijn gekomen,
die krijgen evenveel,
de vaders en de zonen
een evenredig deel.
4
Wat is er niet verdragen?
Wat is er niet geduld?
De hitte van de dagen,
de wroeging van de schuld!
Die later zijn gekomen
verwachten evenveel,
zij laten het zich lonen
met evenredig deel.
5
De dag is haast gestorven,
de as bedekt het vuur,
de nacht verwekt de morgen
en wij, wij staan te huur.
Die later zijn gekomen,
die krijgen evenveel,
de slaven en de slomen
een evenredig deel.
6
Wij hebben lang gezwegen,
wij vragen uit een mond:
geef ons het loon des levens,
geef ons het volle pond!
Die later zijn gekomen,
die geeft Hij evenveel,
die slapen en die sloven
een evenredig deel.
7
De alleroudste vaders,
de allerjongste zoon,
zij krijgen Gods genade,
dat is het volle loon.
Die later zijn gekomen,
die krijgen evenveel,
genade zal hun lonen
een evenredig deel.
---
*106
#6
1
Waak op, verlaat ons niet, o Heer,
waak op en slaap niet langer meer.
Gij zult toch in de hemel niet
vergeten al het aards verdriet?
2
Ons lichaam juicht niet tot uw lof
ons leven buigt zich in het stof-
daarom, waak op, treed in het licht
en openbaar uw aangezicht!
3
Want Gij alleen, ja Gij zijt goed,
een God die grote dingen doet.
Gij zult toch in de hemel niet
vergeten al het aards verdriet?
4
Wij gaan ten onder als een zaad
dat Gij ter aarde vallen laat,
opdat het stierf en vruchten droeg,
want uw genade is genoeg.
5
"Hij roept tot Mij, hij roept tot Mij,
Ik hoor hem aan en maak hem vrij,
zijn hulpgeschrei word Ik niet moe,
Ik deel hem tijd van leven toe."
6
Wie in de hoede van de Heer
zijn ziel beveelt en legt zich neer,
zal in de schut en schaduw van
de Almacht Gods ter ruste gaan.
---
*107
#5
1
Voorzanger:
Wie als een god wil leven hier op aarde,
Allen:
Wie als een god wil leven hier op aarde,
Voorzanger:
hij moet de weg van alle zaad
en zo vindt hij genade.
Allen:
en zo vindt hij genade.
2
Hij gaat de weg van alle aardse dingen,
hij leeft het lot met hart en ziel
van alle stervelingen.
3
Hij wordt aan zon en regen prijsgegeven,
het kleinste zaad in weer en wind
moet sterven om te leven.
4
De mensen moeten sterven voor elkander,
het kleinste zaad wordt levend brood,
zo voedt de een de ander.
5
En zo heeft onze God zich ook gedragen
en zo is Hij het leven zelf
voor iedereen op aarde.
---
*108
#7
1
Toen Jezus kwam van de Jordaan,
om naar Jeruzalem te gaan
toen riep een blinde man hem aan:
Kyrieleis!
2
Die blinde zat er doodalleen,
de scharen stroomden langs hem heen,
toen klemde hij zich vast aan een:
Kyrieleis!
3
Want Hij maakt alle dingen nieuw
en Hij kan zorgen dat ik zie
de morgen van de profetie,
kyrieleis!
4
Ze zeiden dat ik zwijgen zou,
maar Jezus vroeg mij wat ik wou
en mijn geloof werd mijn behoud,
kyrieleis!
5
Gij koning op des Vaders troon,
Gij hogepriester, Davids' Zoon,
profeet die ons de Schrift aantoont,
kyrieleis!
6
Op U is onze hoop gericht,
geloof in U geeft ons gezicht,
uw liefde is ons levenslicht,
Kyrieleis!
7
0 mensen, geeft dan Gode lof!
Hij maakt ons ziende door geloof,
maar zonder dat is alles dof,
kyrieleis!
---
*109
#4
1
Alles wat over ons geschreven is
gaat Gij volbrengen in de veertig dagen,
de tien geboden en de veertig slagen,
dit hele leven dat geen leven is.
2
De schepping die voor ons gesloten was
ontsluit Gij weer, Gij opent onze ogen.
O Zoon van David, wees met ons bewogen,
het vuur van bloed en ziel brandde tot as.
3
Maar, Heer, de haard van uw aanwezigheid
zal in ons hart een vreugdevuur ontsteken;
Gij waart met ons, Gij zult ons niet ontbreken,
Gij Hogepriester in der eeuwigheid.
4
Gij onderhoudt de vlam van ons bestaan,
aan U, o Heer, ontleent het brood zijn leven.
Ons is een loflied in de mond gegeven,
sinds Gij de weg van 't offer zijt gegaan.
---
*110
#5
1
Getrouwe Schepper, hoor ons aan,
zie hoe wij smekend voor U staan
en hoe wij veertig dagen lang
vasten met tranen en gezang.
2
Gij kent de diepten van het hart,
hoe zwak het is en hoe verward.
Zegen met uw verzoening weer
het hart dat naar U hunkert, Heer.
3
Wij hebben zeer veel kwaad gedaan
maar diep berouw, - o zie ons aan!
Ziek zijn wij: geef ons medicijn,
opdat uw naam geloofd mag zijn.
4
En maak ons aardse lichaam vrij
van zinnelijke heerschappij,
opdat de geest in zuiverheid
dan vasten kan van zonde en strijd.
5
Drieeenheid, ene God, gedenk
uw kinderen met dit geschenk,
dat onze vasten vruchtbaar is
en liefelijke lafenis.
---
*111
#7
1
Wij gaan de veertig dagen in
van onze Heer, die het begin
van alle tijd en leven is:
aan wie het Boek gegeven is.
2
Hij volgt de Schrift en nauwgezet
gaat Hij de wegen van de Wet,
Hij schrijft de sporen in het zand
die wijzen naar zijn Kanaan.
3
Hij leest de dolenden bijeen,
die zwerven als verbrokkeld steen,
Hij opent aan de koele rots
het hart van de verkwikking Gods.
4
Al wat door vromen wordt geroemd,
de weg, de waarheid wordt genoemd:
hun hoogheid en hun harde wil,
daalt in zijn graf, de dag wordt kil.
5
Maar uit de stenen die Hij schiep,
vonken de namen die Hij riep,
toen Hij aan vader Abraham
de sterren wees en tot ons kwam.
6
Hij gaat de veertig dagen in:
leer toch dat sterven is gewin
en dat Hij tot zijn erven kiest
alwie zijn eigen ziel verliest.
7
Gij sterke, die uzelf verhoogt:
wat God niet zaait wordt niet geoogst,
maak u niet recht, buig voor de Knecht
die 'Abba - Vader' heeft gezegd.
---
*112
#4
1
Veertig dagen, veertig nachten
op de hoge berg alleen:
Mozes heeft op God gewacht en
droeg zijn woord gedrukt in steen
naar de mensen daar beneden
in hun taal,
maar zij waren hem vergeten
en verdwaald.
2
Aan de mensen daar beneden,
aan de kudde zonder land,
wil God het gepaste geven,
ja, het beste van zijn hand,
al de sterkte van zijn arm en
zijn goed woord,
maar zij hebben zijn erbarmen
niet gehoord.
3
Al hun sieraad en vermogen,
alles wat een mens verblijdt,
wat zijn feesten moet verhogen
hebben zij het beest gewijd:
edel goud van goed gehalte
werd verdaan
en die woedende gestalte
kreeg Gods naam.
4
Veertig dagen, veertig nachten
zijn de louterende duur
dat wij God alleen verwachten,
goud moet smelten in het vuur.
Zouden wij de macht aanbidden
van een stier,
als het Lam is in ons midden?
God is hier!
---
*113
#10
1
Het waren tien geboden
die God schreef in de steen,
het waren tien geboden,
voor elke vinger een.
2
De wind blaast in vier streken,
wie weet waar hij behoort,
de wind blaast in vier streken
de tien geboden voort.
3
en vier maal tien is veertig,
het tijdperk van de Geest
en al die tijd is Mozes
met God alleen geweest.
4
Maar Mozes is gestorven
op weg naar Kanaan
en Isrel heeft gezworven
vier maal tien jaren lang;
5
Elia heeft gelopen
tot hij bij Horeb kwam,
Elia heeft gelopen
vier maal tien dagen lang;
6
en Mozes en Elia
zijn op de berg geweest,
waar boven in de hemel
de Geest genesteld is.
7
Maar Jezus is beneden,
een lange vastentijd,
maar Jezus is beneden
verzocht in de woestijn,
8
en hier heeft Hij geleden
de wijsheid van de slang
en hier heeft Hij gestreden
vier maal tien dagen lang;
9
en Hij heeft overwonnen,
haast zal het Pasen zijn,
dan springen nieuwe bronnen
omhoog in de woestijn,
10
dan zullen wij U loven
vier maal tien dagen lang,
dan zullen wij U loven,
ons hart in vuur en vlam.
---
*114
#3
1
Wie zeggen de mensen dat Jezus is?
Zij zeggen: een profeet.
En wie zegt Petrus dat Hij is?
Wel, Simon Petrus weet:
Hij is de Christus, Zoon van God,
de Levende.
Refrein:
Geloven, hopen, weten,
eens staan daar zij aan zij
apostelen, profeten
en mensen zoals wij.
2
Jij, Simon Barjona, zo zegt de Heer,
jij man van vlees en bloed,
bent zalig, want, zo zegt de Heer,
je woord is wijs en goed.
Mijn Vader heeft je dat geleerd,
de Levende.
Refrein
3
Ik zeg het je, dat je een rots zult zijn:
een stevig fundament
voor mijn gemeente zul je zijn,
want jij hebt Mij herkend.
Jij bent de steun der kindren Gods,
de Levenden.
Refrein
---
*115
#5
1
Jezus, diep in de woestijn,
eenzaam en vol vragen,
voerde daar een zware strijd
veertig lange dagen.
2
veertig dagen zonder brood,
Hij is niet bezweken
- ook al was de honger groot -
voor zijn tegenspreker.
3
Alle rijkdom, alle macht
lagen in zijn handen,
als Hij maar een knieval bracht
voor zijn tegenstander.
4
Jezus zei: Ik kniel niet neer,
want er staat geschreven:
Bid alleen tot God de Heer,
dien Hem heel je leven.
5
Jezus, diep in de woestijn,
veertig lange dagen,
bleef het in de zware strijd
met Gods woorden wagen.
---
*116
#4
1
O God en Heer almachtig,
Gij hebt U steeds ontfermd,
wees thans ook weer indachtig
uw schepping onbeschermd!
2
De wereld gaat te gronde,
gedenk de mens, o God,
en red ons van de zonde
en red ons van de dood!
3
Zij die naar vrede vragen
zijn nauwelijks in tel,
behoed hun levensdagen,
o God van Israel!
4
Tot U heeft zich verheven
de stem van Abels bloed,
het roept, o Here Jezus,
dat Gij verschijnen moet!
---
*117
#10
(ook wijs gezang 289)
1
Op de berg van het verbond
daalt een vuur, een licht van boven
uit de open hemelmond
en een wolk ervoor geschoven;
en het volk erom geschaard
staat en staart.
2
Want net licht der eeuwigheid
is voor ons gezicht verborgen:
Gij in uw barmhartigheid
geeft ons daglicht elke morgen
en wij leven op gezag
dag aan dag.
3
Midden in de wereldtijd,
in het heilig evangelie,
staat Gij in uw heerlijkheid
schoon en blinkend als een lelie,
zelfs geen koning Salomo
straalde zo.
4
Davids Zoon en Zoon van God:
deze zal Messias heten,
ons bevrijden uit de dood
naar de wet en de profeten.
Mozes en Elia gaan
naast Hem staan.
5
Alle eng'len loven Hem,
want Hij zal de tocht volbrengen
in de stad Jeruzalem
en het vuur zal Hem verzengen
en de duisternis als steen
om Hem heen.
6
Ach uw lieve christenheid
weet niet beter dan te dromen
van een tempel in de tijd,
onderdak en onderkomen,
maar het ware Israel
weet: Vaarwel.
7
Want het duister sluit zich weer
en wij zijn alleen gelaten,
mens tot mens met onze Heer.
Christus wandelt in de straten
en de armen zoekt Hij op,
arm als Job.
8
Zonder uitzicht op de troon,
slechts het woord in onze oren:
"Dit is mijn geliefde Zoon,
hoort Hem, Hij is uitverkoren",
gaan wij mee door de woestijn,
't moest zo zijn.
9
Maar met zijn verzekering:
heel dit ondermaanse leven
voer Ik tot verheerlijking,
de vergeefsheid is vergeven,
alle dagen, zevenmaal
zevenmaal.
10
Als het eenmaal Pasen is,
heeft de aarde Hem voor ogen
die de eerst_en laatste is
en zij looft Hem opgetogen,
want de uittocht is volbracht
uit de nacht.
---
*118
#4
1
Die in de hoogte woont,
sprak uit de wolkkolom,
heeft U aan ons getoond,
zeggende: "Hoort naar Hem!
Dit is Mijn Zoon!"
2
Heer, tot uw heerlijkheid
zijn wij te vroeg ontwaakt.
Meldt niet de wolk de tijd,
dat U de dood aanraakt,
Heer, - dat Gij lijdt?
3
Toen Gij ons medenaamt
naar uw sneeuwwit visioen,
wat hebben wij beraamd?
Ach, wat wij wilden doen
maakt ons beschaamd.
4
Berg van de heerlijkheid
wordt voor U Golgotha.
Gij ziet de heerlijkheid
achter de schaduwwolk,
Heer, als Gij lijdt.
---
*119
#2
1
Mijn ogen zijn gevestigd
op God, of Hij mij redt.
Mijn hart, hoezeer onrustig,
heb ik op Hem gezet.
Kan ik de nacht verduren,
waarin Gij verre zijt?
Gij zult mijn voeten sturen
in 't duister van de tijd.
2
Maar wees mij dan genadig
en richt mijn leven op,
dat ik opnieuw gestadig
kan gaan in 's levens loop.
Mijn hart, hoezeer onrustig,
heb ik op U gezet,
mijn ogen zijn gevestigd
op U, tot Gij mij redt.
---
*120
#5
1
De leugenaar van den beginne,
die geest van moord en brand
zoekt ons te tergen, te verslinden
o Heer, wil uw aartsvijand binden
met sterke hand.
2
0 Heer, stel uw gemeente veilig,
maak ons uw koninkrijk.
Een boze geest heeft ons ontheiligd,
een geest van tweedracht en van twijfel -
drijf hem toch uit.
3
Wat Gij in liefde hebt verbonden
slaat hij weer uit elkaar.
Hij zaait verwarring en onvrede -
Gij hebt het meest van hem geleden,
maar hem weerstaan.
4
Kwam ooit de zonde overmatig,
tot groter overvloed?
Kome voor allen uw genade!
Jezus, verlos ons van het kwade
en van de dood.
5
Zalig de borst die U mocht voeden,
zalig die moederschoot!
Godzalig wie, opnieuw geboren,
uw woord in deemoed mag aanhoren
en het bewaart!
---
*121
#5
1
Weest blijde nu, in 't midden van het lijden,
verheugt u, want gij zijt niet vruchteloos!
De Koning komt de vredesstad bevrijden
en de woestijn zal bloeien als een roos.
2
Jeruzalem, verheug u in de vrijheid,
stad van de Heer, die zeer te loven is!
Wij heffen 't hoofd omhoog, o Sion, gij zijt
ons aller moeder, stad die boven is.
3
Jeruzalem, de stad van de belofte,
verwacht een nieuw bestaan van hogerhand.
De Zoon daalt van de Vader uit de hoogte
en maakt de aarde tot zijn vaderland.
4
Daar zal zijn zegen zich alom verbreiden,
in heel de wereld overvloed van brood.
Zo zal het zijn aan 't einde van de tijden:
de dageraad van God is rozerood.
5
Die in uw lijden zijt terneergezeten,
leeft uw verlosser gretig tegemoet,
want deze tijden zijn U toegemeten,
maar als Hij komt, dan maakt Hij alles goed.
---
*122
#3
1
O Jezus Christus, Zoon van God,
geef ons het dagelijkse brood,
geef ons de zegen van het Woord
en het geloof, dat daarbij hoort,
dat in ons Geest en leven zij,
waardoor Uw naam geprezen zij!
2
Messias, manna uit Gods hand
en hemels koren op ons land,
maak Gij de stenen harten mild,
zodat de honger wordt gestild
en wat elkeen te geven heeft
aan allen samen leven geeft!
3
Dan staat de tafel toebereid
voor alle mensen wijd en zijd,
op aarde voor ons allemaal
een hemels heerlijk avondmaal;
dan zal er vreugde en vrede zijn
en God alom aanbeden zijn!
---
*123
#5
1
Dit is het land dat de Heer belooft:
houdt het goed voor ogen.
Zie wat een ruimte God zij geloofd!
waar wij wonen mogen!
2
Een land van broden, een land van vis:
leeftocht voor zovelen!
Hij die uw Heer en uw Herder is
zal zijn zegen delen.
3
Een land van honing, een land van melk:
God wil het u geven.
Zie wat een zicht op toekomst voor elk
die hier eens zal leven.
4
Dit is het land waar zijn hand op rust:
wijsheid groeit in woorden
die, door de Geest in uw mond gelegd,
nieuw worden geboren.
5
Dit is het land dat de Heer belooft:
open gaan uw ogen!
Maakt u gereed - de harten omhoog! -
en zingt opgetogen!
---
*124
#6
1
Lof zij den Here,
die, zijn naam ter ere,
ons hart verheugt aan 't maal van zijn genade,
ons moed geeft in het machtsgebied van 't kwade.
Lof zij den Here!
2
Gij die het smalle
pad gaat met ons allen,
Gij God met ons, die deelt in onze noden
Gij breekt ons 't brood, - dit is geen weg ten dode!
Lof zij den Here!
3
Gij deelt Gods vrede
hier reeds aan ons mede.
Waar Gij ons roept te zijn in uw nabijheid,
daar is voor ons een stad van vrede_en vrijheid.
Lof zij den Here!
4
Gij die uw leven
voor ons hebt gegeven,
o levend brood gebroken voor onze ogen,
sterk onze moed, dat we_U gelijken mogen.
Lof zij den Here!
5
Laat ons, uw jongren,
zijn bij hen die hongren,
opdat wij niet voor nu en alle tijden,
Christus, de weg verliezen van uw lijden.
Lof zij den Here!
6
Doe, Heer, ons heden
in uw voetspoor treden
en laat ons met U als Gods vrije zonen
en dochters in uw stad van vrede wonen!
Lof zij den Here!
---
*125
#3
1
Wie zal voor God verschijnen?
Wie gaat er voor ons uit?
Wie raakt aan Gods geheimen
in alle eenzaamheid?
Het is de hogepriester
die alles voor ons doet:
't is onze Here Christus,
Hij reinigt ons met bloed.
2
De Heer is voortgevaren
de grote tempel door
van buiten bij de schare
tot binnen bij Gods oor.
Daar brengt Hij de gebeden,
daar plengt Hij onze schuld.
Hij won voor ons de vrede
Hij heeft de Wet vervuld.
3
Hoe staat het voorgeschreven
in 't Oude Testament?
Een dier boet met zijn leven,
een dier dat God niet kent.
Maar Hem, het Lam, zij ere,
dat eeuwig is geslacht!
Wij moeten ons bekeren,
ons offer is gebracht.
---
*126
#7
(ook wijs Psalm 51)
1
O visioen van 't heiligdom omhoog,
paleis, gebouwd uit alleroudste stralen,
waar englen in ontzaggelijke zalen
als kandelaren branden voor Gods oog.
En elke voorhang is een reiner lied
en elke trap geduchter zaligheden.
Hoe zou een sterveling door dit gebied
het heilige der heiligen betreden?
2
En toch: " Zit aan mijn rechterhand, uw recht
zal met de eeuw'ge morgen zegepralen
en naar uw maat zal ik het al bepalen", -
dat is tot geen der engelen gezegd.
Het is des mensen zoon, aan wie 't gezag
gegeven wordt, de hoogste aller namen.
En elke wervelende vleugelslag
der hemelkoren moet zijn macht beamen.
3
O boze droom van helse majesteit
waarin wij zijn ontvangen en geboren,
oeroude nacht, gaan wij dan niet verloren
aan schijn en schaduw, schande_en schamelheid?
En ieder wagen is een dieper val
en ieder winnen groter onvermogen.
Wie uit de massa der verworp'nen zal
menswaardig treden voor zijn scheppers ogen?
4
De eeuw'ge zoon, Gods en der mensen slaaf!
Hij droeg zijn lichtwoord in de nacht der tijden,
Hem werd tot leerschool het onzinnigst lijden,
Hij, meest geschondene, bleef waarlijk gaaf.
Hij ging getrouw waar alles ophield voort,
tot het tumult der cherubim Hem groette.
Hij schreed door zaal na zaal, door poort na poort
om met zijn leven onze dood te boeten.
5
Laat ons vrijmoedig treden in het licht.
Gods rechterstoel is zetel der genade.
De grote hogepriester slaat ons gade.
Hij pleit voor ons, en zo zijn wij gericht -
en gerechtvaardigd, zo belijden wij
zijn hoge waardigheid, zijn hoge orde.
En ieder schepsel zucht, tot wij als Hij
Gods zonen, waarlijk mensen, mogen worden.
6
We weten wel, dat heel de schepping kermt.
Wij zuchten zelf. Hoe zouden wij niet zuchten?
Wij moesten voor Gods stem nog altijd vluchten,
als Hij zich niet als vader had ontfermd.
Omdat de zoon in 't ongenaakbaar vuur
voor ons en al het zijnde is getreden,
mogen wij lust en leed der creatuur
vertalen in een kinderlijke bede.
7
O visioen van 't hoge heiligdom,
kristallen weerklank, hartstocht van gezangen,
waar alle eng'len branden van verlangen,
totdat de zoon de woorden spreekt: "Ik kom"!
Aloude deuren oop'nen zich daar wijd
naar vele woningen, naar koele gaarden.
Zo wordt het nieuw Jeruzalem bereid,
een mensenstad, een Godsstad voor de aarde.
---
*127
#7
1
God heeft Abraham verkoren,
maar het Woord dat tot hem sprak,
dat de stilte onderbrak,
is in Bethlehem geboren.
2
Zo is het verhaal begonnen,
want de ware Abraham
voor hem was en n hem kwam
water uit zijn eigen bronnen.
3
God heeft Abraham gevonden
maar de roeping in zijn oor
ging hem door de tijden voor,
in de windselen gewonden.
4
Alle bomen staan geworteld,
maar de planting Abraham
is geent op eigen stam,
want het Woord is vlees geworden.
5
God heeft Abraham geroepen,
maar de stem van zijn behoud
is gebroken op het hout
en gewikkeld in de doeken.
6
Want het zaad moet zijn begraven,
zal het naar de aardse wet
in de aarde ingebed,
voor de hemel vruchten dragen.
7
God heeft Abraham gezegend
uit het Zaad van Abraham,
en de schapen uit het Lam,
en de bron uit zon en regen.
---
*128
#4
1
Klim in de hoogste bomen,
pluk alle takken kaal;
de Koning onzer dromen
zal naar het paasfeest komen,
begroet Hem allemaal,
begroet Hem allemaal.
2
Roep uit op alle wegen,
dat Hij in aantocht is.
Hij brengt ons heil en zegen,
geen vijand houdt Hem tegen,
geen macht die sterker is. (bis)
3
Vlag met de groene twijgen
en maak voor Hem ruim baan!
Wij, die naar vrede hijgen,
wij kunnen niet meer zwijgen:
zijn koninkrijk breekt aan! (bis)
4
Gooi nu maar opgetogen
de mantels op de grond:
"Hosanna in de hoge! "
Wij maken erebogen:
"Gezegend Hij die komt! " (bis)
---
*129
#12
1
O mensen, hoort wat is geschied,
het is palmzondag, zo ge ziet,
wanneer men God zijn vrede biedt,
hosanna in de hoogte!
2
De eerste dag, de laatste week,
o luister wat de Heer toen deed,
hoe Hij Jeruzalem inreed, -
hosanna den Zoon van David!
3
Gij weet, Hij had er twee gestuurd,
die zouden vinden op zijn woord.
Zo is het allemaal gebeurd, -
hosanna in de hoogte!
4
Dat dorp, daar zijn ze heengegaan,
daar vonden zij de ezel staan,
de ezel is hun toegestaan, -
hosanna den Zoon van David!
5
Hoe laag en wankel is de troon
van deze hoge koningszoon!
Hij houdt de schepping bij de toom,
hosanna in de hoogte!
6
De mensen hebben recht en slecht
hun kleren op de grond gelegd,
toen is uit aller mond gezegd:
hosanna den Zoon van David!
7
Gezegend die daar nader komt,
uit naam van God de Vader komt,
de boze vijand staat verstomd, -
hosanna in de hoogte!
8
0 ziet, de zoon van Abraham!
0 ziet, de ezel draagt het Lam!
Dit is de nieuwe Bileam!
Hosanna den Zoon van David!
9
Zij riepen: leve de profeet!
Gij maakt U voor de dood gereed,
de dag die nu Palmzondag heet, -
hosanna in de hoogte!
10
Uw statie, dat is toorn en pijn,
er zal een kroon van doornen zijn,
zoudt Gij daartoe geboren zijn? -
hosanna den Zoon van David!
11
O mensen, weet wat is geschied
na deze zondag, na dit lied:
God is het, die u vrede biedt! -
hosanna in de hoogte!
12
Rij' voort, o koning, door de tijd
tot midden in het dodenrijk;
dat is de grote lijdensweek, -
hosanna den Zoon van David!
---
*130
#10
1
Dochter Sions, hoe vol verlangen
waart ge om als uw koning te ontvangen
Jezus, die omzag naar uw leed!
2
Op een ezel kwam Hij gereden,
needrig en zachtmoedig en vol vrede,
naar 't heilig woord van de profeet.
3
Al uw volk juichte opgetogen,
want daar was hij voor een ieders ogen:
de held die grote dingen doet!
4
Maar waar bleven hun vreugd, hun hulde?
Onverhoeds werd wat hun hart vervulde
tot blinde haat, die dorst naar bloed.
5
Die geen koning naar uw behagen
wilde zijn, hebt ge aan een kruis geslagen,
buiten uw poort, Jeruzalem!
6
Ach, die heden hosanna zingen
zullen morgen, om Hem samendringen
en krijsen: Aan het kruis met hem!
7
Wilt dan, christenen, Hem ontvangen
naar Hij wenst, wilt Hem in uw gezangen
huldigen op de rechte wijs.
8
Om als koning Hem te herkennen,
moet ge u aan de wond're weg gewennen
die Hij gaat naar zijn hoog paleis.
9
Leer ons, Christus, onszelf dan wijden
aan uw zaak en U te allen tijde
ridderlijk volgen in de strijd.
10
Wie U dienen als uw getrouwen,
doe hen eens in waarheid U aanschouwen:
koning van tijd en eeuwigheid!
---
*131
#6
1
Een droeve stem, met druk en pijn bevangen,
in 't midden van de vrolijke gezangen
der schare, die van blijdschap juicht en springt
en in 't gelijk het schoon Hosanna zingt.
2
Gij hoort, voorwaar, uw Schepper angstig stenen,
gij ziet hier uwen lieven Heiland wenen, -
een zwaar verdriet benauwt zijn harte zeer,
een tranenvloed daalt langs zijn wangen neer.
3
Hij zocht zijn volk als een zachtmoedig koning,
Hij komt tot hen als tot zijn eigen woning,
Hij komt, opdat Hij hen verlossen zou,
en nochtans maakt Hij zulk een groten rouw!
4
Hij wist, dat zij Hem zochten te verrassen
met listigheid, opdat zij mochten wassen
hun handen in bet bloed van Godes Zoon,
die tot hen komt uit 's hemels hogen troon.
5
Gij bloedstad, die zoveel profeten doodde,
gij stenigt hen, die u ter bruiloft noden, -
maar zo de Heer beweent uw boze daad,
laat ik te meer zien op mijn eigen staat.
6
Wee hem, wiens hart blijft hard gelijk de stenen,
waar hij zijn God en Schepper zelf ziet wenen,
wee hem, die niet tot boete wordt geleid,
als hij aanziet, dat Christus om hem schreit!
---
*132
#6
1
Die rechtens God gelijk
komt van de Vader voort,
de Koning van zijn Rijk,
Gods beeld en scheppend woord.
2
Hij heeft zichzelf ontdaan
van alle heerschappij,
Hij kwam in ons bestaan,
Hij werd een mens als wij.
3
Hij werd ons aller knecht,
zijn deemoed was zo groot.
Hij stond voor ons terecbt,
gehoorzaam totterdood.
4
Maar God heeft Hem gesteld
hoog aan zijn rechterhand.
God heeft zijn naam gemeld
aan hemel,,zee en land@
5
opdat zijn macht verstaan
al wie Hij 't aanzijn geeft,
opdat in Jezus' naam
zich buige al wat leeft, -
6
opdat wij met elkaar
God geven alle eer,
belijdend voor elkaar
dat Jezus is de Heer!
---
*133
#6
1
Hij ging van stad tot stad, Hij sprak:
"Tot u ben ik gezonden."
Voor zieken en gewonden
had Hij een woord, een onderdak.
2
Refrein:
Alles heeft Hij welgedaan;
tot wie zou ik anders gaan?
3
Hij gaf aan blinden het gezicht,
de nacht heeft Hij verdreven,
gaf doden weer het leven, -
waar Hij voorbij ging werd het licht.
Refrein
4
Daags voordat Hij gestorven is,
heeft Hij het brood genomen:
"Hiertoe ben Ik gekomen,
doet dit tot mijn gedachtenis."
Refrein
5
En al wie Jezus' naam belijdt,
zal wonderen verrichten
en als een lamp verlichten
de lange gang van deze tijd.
Refrein
6
En wie aan zondemacht en dood
in Jezus' naam ontkwamen,
zij komen hier tesamen
en eten van hetzelfde brood!
Refrein
---
*134
#5
1
Allen:
Neemt Gods woord met hart en mond,
eet en drinkt zijn nieuw verbond,
gedenkt uw Heer totdat Hij wederkomt.
Koor:
Gij hebt ons toegesproken tot in de diepste nood.
Uw lichaam werd gebroken, uw vlees is waarlijk brood.
Na strofe 1 herhalen allen het refrein.
2
Waar velen zijn gestorven, hebt Gij ons honderdvoud
een nieuw bestaan verworven - Gij zijt ons lijfsbehoud.
3
Gij roept ons uit de zonde, Gij maakt ons brood en wijn,
om met elkaar verbonden opnieuw uw volk te zijn.
Refrein Neemt Gods woord met hart en mond,
eet en drinkt zijn nieuw verbond,
gedenkt uw Heer totdat Hij wederkomt.
4
O lichaam ons gegeven, o Heer van ons bestaan,
geef dat wij van U leven en niet verloren gaan.
5
Heer God, hier in ons midden, maak uw belofte waar;
nu laat uw woord geschieden en schenk ons aan elkaar.
Refrein
---
*135
#3
1
Vannacht zal het wonder gebeuren,
wij hebben het lam reeds geslacht,
zijn bloed streken wij aan de deuren,
Egypte zal huis aan huis treuren,
maar wij gaan op reis, deze nacht,
maar wij gaan op reis, deze nacht.
2
Wij moeten ons brood haastig eten.
Het is weliswaar niet goed gaar,
maar wat hindert dat, nu wij weten
dat de Heer ons niet heeft vergeten,
met mantels al aan staan wij klaar,
met mantels al aan staan wij klaar.
3
Vannacht komen wij weer tot leven,
en gaan in een lange stoet,
naar 't land dat de Heer ons zal geven,
waar geen zweep meer wordt opgeheven,
waar wij leven in overvloed,
waar wij leven in overvloed.
---
*136
#7
1
Hoort, mensenbroeders die hier nu zijt:
waarom zijt gij gekomen,
om te waken of te dromen?
Nu waakt en bidt om redding uit uw slavernij,
God weet gaat u de engel van de dood voorbij.
2
Wie voert ons weg uit het slavenhuis?
Wie komt er ons bevrijden
en wie doet ons uitgeleide?
't Is God de Heer, en wat Hij doet is welgedaan:
op droge voeten zullen wij de zee doorgaan.
3
Heer God, wij hebben U kwaad gedaan,
maar laat U toch verbidden,
sla uw tent op in ons midden.
En mochten wij genade vinden in uw oog,
dan zult Gij ons uw glorie tonen van omhoog.
4
"Ik spaar het volk dat Ik sparen wil.
Gij kunt Mij niet aanschouwen,
maar mijn woord moet gij vertrouwen.
Ik sluit vandaag een nieuw verbond met u voorgoed:
Ik zal mij aan u geven met mijn vlees en bloed."
5
Wie wijst de weg naar het vaderland?
Wie zal de wolken spreiden
om bij dag ons te geleiden?
Wie zal bij nacht ons voorgaan als een zuil van licht,
die in het aarde-duister onze schreden richt?
6
Slaat op de rotsen, - het water stroomt.
Ziet, brood om van te leven
uit de hemel ons gegeven!
En komen wij behouden aan de overkant,
een land van melk en honing wordt ons vaderland.
7
Vader, wij hebben U nooit gezien,
maar Jezus heeft gesproken
en het woord voor ons gebroken.
Die eeuwig met U samen is en met uw Geest,
Heer God, alleen uw Zoon is onze gids geweest.
---
*137
#5
1
Toen Jezus in zijn uur gekomen was,
om deze wereld te verlaten,
heeft Hij ten einde toe ons liefgehad.
De veel geliefde Zoon van God de Vader
wordt een slaaf die onze voeten wast,
wordt een slaaf die onze voeten wast.
2
Toen Jezus met zijn vrienden maaltijd hield,
nam Hij het brood, nam Hij de beker.
Hij heeft zijn leven aan ons uitgedeeld,
zijn bloed voor deze wereld prijsgegeven, -
teken van de geest die Hem bezielt. (bis)
3
Ik ben de wijnstok, heeft Hij toen gezegd,
gij zijt voorgoed met Mij verbonden.
Ik ben uw waarheid en Ik ben de weg,
Ik ben die ben, vergeving van uw zonden,
vrede geef ik u, heeft Hij gezegd. (bis)
4
Toen Jezus naar zijn Vader toe zou gaan,
heeft Hij gebeden voor zijn vrienden.
Vader, bad Hij, bewaar hen in uw naam,
mogen zij allen een zijn in de liefde,
dat zij doen wat ik hun heb gedaan. (bis)
5
Toen Jezus in de hof gekomen was,
heeft Hij in grote angst gebeden,
- niemand was er, die Hem antwoord gaf.
Een vriend heeft Hem verkocht en uitgeleverd,
toen Hij in zijn uur gekomen was. (bis)
---
*138
#6
1
Toen Jezus met de zijnen at,
heeft Hij ten eind toe liefgehad.
Hij nam het water, knielde neer
en wies hun voeten als hun Heer.
Refrein:
Wie is rein van wandel?
Wie kan U ontmoeten
rein van hoofd en handen?
Heer, was ons de voeten!
2
"Wat doet Gij, Meester? Geeft het pas,
dat Gij mij nu de voeten wast?"
"Gij zult het later wel verstaan,
wat Ik u heden heb gedaan."
Refrein
3
"Neen, Heer, ik laat niet toe dat Gij
mijn voeten wast in eeuwigheid!"
"Zou Ik het laten, zo hebt gij
geen deel aan Mij in eeuwigheid."
Refrein
4
"Heer, niet alleen de voet behoeft
dat Gij hem wast, ook hand en hoofd!"
"Wie Ik de voeten was, zal rein
in zijn gehele lichaam zijn."
Refrein
5
Hij zat weer met de zijnen aan
en vroeg: "Hebt gij het nu verstaan,
wat Ik, uw Meester, deed? Voorwaar,
doet ook hetzelfde aan elkaar."
Refrein
6
Gij vroegt het toen, Gij vraagt het weer:
"Meester of dienaar, wie is meer?
Gij die Mij Heer en Meester heet,
doet nu hetzelfde als Ik deed."
Refrein
---
*139
#4
1
Met Hem in ons midden die de Meester is,
eten wij de maaltijd der verrijzenis,
uit de zee van doden, slavernij en noden:
ongezuurde broden der gedachtenis.
2
Van Hem in ons midden gaat het leven uit:
woorden om te bidden, liefde voor de bruid,
wijsheid uit de dagen van tweemaal vijf plagen,
't groen van welbehagen in het bitter kruid.
3
Hij is in ons midden en ligt met ons aan,
Hij reikt onder bidden ons de schotel aan.
Een zal Hem verkopen, die het brood zal dopen
in diezelfde schotel: zo wordt Hij verdaan.
4
Hij is in ons midden, wij zijn aan zijn hart.
In de kring van minne is de Heer benard.
Wie zal tot zijn schade brood en wijn versmaden?
Wie kent geen genade? Wie is zo vervaard?
---
*140
#4
1
Gij die ver voor ons uit
doordrong in 't land der angst,
help ons in 't donker, o
Heer, U te vinden.
2
Gij die al onze schuld
in uw vergeving draagt,
wees onze vrede, o
Jezus, voor eeuwig.
3
Gij die met levensbrood
door tijd en ruimte gaat,
geef alle dagen, o
Christus, dit brood ons.
4
Gij die ver voor ons uit
in deze wereld zijt,
zend ons met vrede_en brood,
Heer, tot de mensen.
---
*141
#3
1
Nadat zij zongen, God ten lof,
ging Hij naar de olijvenhof
en nam de twaalven met zich mee
tot aan de plaats Gethsemane.
Toen zei Hij tot de negen: "Zit
hier neer terwijl Ik ga en bid",
maar tot de drie: "Ik word beproefd,
mijn ziel is tot de dood bedroefd."
Refrein:
Heer, laat ons met U waken,
laat ons niet van U wijken!
Of allen U verzaken,
wij zullen niet bezwijken!
2
Hij ging een steenworp langs het pad,
wierp zich ter aarde neer en bad,
kwam weer waar Hij zijn vrienden liet,
maar vond ze slapend van verdriet.
"Ach, waart gij om met Mij tezaam
een uur te waken niet bekwaam?
Waakt, bidt, de geest is wel bereid,
maar 't vlees is zwak en licht verleid."
Refrein
O laat ons met U waken,
laat ons niet van U wijken!
Als allen U verzaken,
laat ons dan niet bezwijken!
3
En nog twee malen ging Hij heen,
sprak tot de Vader als voorheen
en keerde tot zijn vrienden, maar
hun oog bleef van het slapen zwaar.
"Slaap maar en rust, want zie, die Mij
zal overgeven is nabij.
Wat God wil, dat is goedgedaan.
Ik zal het doen. Kom, laat ons gaan."
Refrein:
Kunnen wij dan niet waken?
Zullen wij van U wijken?
Zullen wij U verzaken?
Heer, laat ons niet bezwijken!
---
*142
#5
1
Kent gij uw goede Herder?
Hij gaat een steenworp verder,
drie dagen voor ons uit.
Daar lopen vele wegen;
een is er doodgezwegen,
die heeft Hij heel alleen bereid.
2
Want God is onnaspeurlijk
en bovenmate heerlijk:
Hij wees een smalle baan, -
een bloedspoor door de tijden.
Zijn woord moest door de tijden
ten dode opgeschreven staan.
3
Het staat in oude boeken,
dat men het Woord moet zoeken
in doodsangst en in pijn.
O diepgekwelde zinnen,
o mond die wil beminnen, -
daar moet Gods lieve Lichaam zijn.
4
De Herder werd geslagen;
de letters zijn als schapen
verstrooid uiteen gegaan.
Wij razen allerwege
en spreken de aarde tegen:
de duisternissen zien ons aan.
5
Maar Jezus, onze Heiland,
geeft ons het groene weiland
waar wij vergaderd zijn.
O Kruispunt van de wegen,
o Alpha en Omega, -
laat ons in U te lezen zijn!
---
*143
#6
1
O Christus, onze koning,
wat is uw rijk ons ver!
Gezalfde, gold uw kroning
niet voor een and're ster,
een schone, tijdeloze,
wij zien alleen zijn schijn;
waarom laat Gij de Boze
heer dezer wereld zijn?
2
Ik wou wel voor U strijden,
ik had mijn zwaard al klaar,
om 't aan uw zaak te wijden
en als een ijveraar
uw rijk, Heer, te verhaasten,
al was het maar een dag, -
maar Gij wees me als mijn naaste,
die 'k als uw vijand zag.
3
Waarom hebt Gij uw vrienden
zozeer teleurgesteld,
die graag onder U dienden,
U volgend als hun held?
Judas heeft U verraden, -
Christus, waart Gij het niet,
die door uw schroom voor daden,
Gods eigen rijk verried?
4
Ik wil wel voor U leven,
maar maak uw woorden waar,
niet hemels en ontheven;
maar aards en openbaar,
sticht eindlijk in ons midden
uw rijk van vrede en recht, -
o Koning, zie wij bidden
U om het laatst gevecht!
5
Hoe zullen wij aanvaarden
wat Gij ten antwoord geeft:
geen groot geweld van zwaarden,
geen macht die toekomst heeft,
alleen de stille krachten
die sluim'ren in het zaad...?
- Is er nog tijd, te wachten,
wat uit uw dood opstaat?!
6
Geef, Koning, dat wij heden
niet zoeken, hier of daar,
uw rijk van recht en vrede
bij een geweldenaar.
Haast U, ons deel te geven
aan uw zeer vreemd geduld,
opdat uw eigen leven
zich in uw volk vervult!
---
*144
#4
1
In de mantel van het duister,
in het donker van de nacht,
onder leugens en gefluister
wordt Hij naar zijn kruis gebracht.
Rechters zeg mij, zeg, wie is Hij,
heden is Hij in uw macht.
2
Laster zal u toch niet baten,
zwijgend spreekt Hij zijn gelijk.
Rechters, gij meet met de maten,
die de doem zijn van uw rijk.
Rechters, zeg mij, zeg, wie is Hij?
Geef van uw geweten blijk!
3
Jezus staat voor zijn belagers,
voor wie Hij een broeder is.
Van hun schuld is Hij de drager,
man van smart en droefenis.
Rechters, zeg mij, zeg, wie is Hij,
die zijns broeders hoeder is?
4
Rechters, kunt gij onderscheiden
't goede kwaad dat gij Hem doet,
als gij oordeelt tot zijn lijden
en blijft vragen om zijn bloed?
In het uur van zijn verscheiden
maakt Hij voor u 't kwade goed.
---
*145
#6
1
Daar is een koning opgestaan
zoals geen mens op aarde:
die als een knecht is rondgegaan,
een wonderlijke herder.
2
Hij zetelt aan Gods rechterhand,
maar Hij wies onze voeten,
Hij wijst de wegen naar het land,
zijn wandel zal ons hoeden.
3
Zijn weg is, dat Hij zelf volbracht
de wil van God zijn Vader,
ter aarde heeft Hij overmacht
om over ons te waken.
4
Geen stenen geeft Hij ons voor brood,
geen schorpioen van lijden,
Hij was gehoorzaam tot de dood:
het Woord is onze weide.
5
De last die ons wordt opgelegd
vraagt dat wij Hem geloven,
zijn juk is, dat wij opgewekt
schouder aan schouder lopen.
6
Daar is een herder voorgegaan,
die doet ons heerlijk wonen,
zo heeft Hij alles welgedaan,
een wonderlijke koning!
---
*146
#8
1
Neem ter harte 't kruis des Heren,
gij die leeft naar uw begeren,
laat de hele wereld gaan,
om het kruis te overdenken,
al uw liefde het te schenken,
want het gaat uw leven aan.
2
Overdenk met vrees en beven,
hoe zich Christus heeft gegeven,
hoe het kruis uw trooster is.
Christen, ween om Christus' lijden,
uw verdriet is uw verblijden
en uw dorst uw lafenis.
3
In uw arbeid alle dagen,
in het lot dat gij moet dragen,
in uw vreugde en uw smart,
in uw gaan en in uw komen,
in uw waken en uw dromen,
houdt het kruis steeds in uw hart.
4
In het kruis is overwinnen,
alle heil'gen treden binnen
door die poort van 't paradijs.
Waar het kruis staat opgerezen,
wordt de wereld weer genezen
tot des hemels lof en prijs.
5
In het kruis is onze vrede,
als een spiegel, waar het heden
in voltooid wordt en verlicht.
Hoe vertroostend, hoe volkomen
staat het kruis in 't hart der vromen
als een sieraad opgericht.
6
Ja, het kruis staat opgeheven
als een boom die blinkt van leven,
door des Heren bloed gedrenkt.
En zijn vrucht is drank en spijze
in des hemels paradijzen
voor wie God het leven schenkt.
7
Geef, Gekruisigde, mij krachten,
dat ik meelijd in gedachten,
dat ik meeleef in uw nood.
Met U draag ik pijn en wonden,
innerlijk met U verbonden,
o Geliefde, in de dood.
8
Neem ter harte 't kruis des Heren,
houd het heilig kruis in ere,
waaraan Hij geleden heeft,
om de vrede ons gegeven,
om het eeuwig zalig leven
in het licht dat God ons geeft.
---
*147
#10
1
Jezus' kruis, zijn angst en pijn,
't lijden van de Here,
laat u, mens, tot lering zijn,
zo zult gij Hem eren.
Weet, hoe Hij geleden heeft,
weet, hoe Hij moest sterven
om voor u, opdat gij leeft,
leven te verwerven.
2
Jezus, Gods beminde zoon;
op aarde verschenen,
die al in zijn jeugd begon
als een knecht te dienen,
legde af zijn majesteit
en verborg zijn wezen;
als een mens in menslijkheid
was Hij ons ten zegen.
3
Jezus heeft zijn ambt vervuld
voor zijn volk op aarde,
totdat Hij om onze schuld
moest de dood aanvaarden.
Hij sprak met zijn jongeren,
waste hun de voeten,
wilde door het nachtmaal hun
't bitter kruis verzoeten.
4
Jezus heeft met hart en ziel
in de hof gebeden,
dat Hij erbij nederviel, -
zo heeft Hij geleden;
en tot God de Vader riep
Hij beangst van harte,
dat Hem langs de slapen liep
't bloedig zweet der smarte.
5
Jezus wist: Dit is de tijd, -
en Hij werd gevangen
voor de joodse raad geleid,
tot spreken gedwongen,
werd bespot en werd bespuwd,
jammerlijk geslagen,
leugens heeft men niet geschuwd
om Hem aan te klagen.
6
Jezus werd naar de Romein
Pilatus gezonden,
maar naar menslijk recht werd geen
schuld in Hem gevonden;
toch moest Hij de doornenkroon,
toch het spotkleed dragen,
lijden onder haat en hoon,
onder geselslagen.
7
Jezus zweeg en werd hierna
tot de dood veroordeeld,
droeg zijn kruis naar Golgotha,
hing daaraan ten voorbeeld,
hing daaraan drie uren lang
in de felste smarten,
bitt're edik was zijn drank, -
neem het, mens, ter harte.
8
Jezus, in de grootste nood,
scheen door God verraden,
riep: "Waarom, waarom, mijn God,
hebt Gij mij verlaten?
Hij is barmhartig geweest
voor hen die Hem smaadden
en beval op 't laatst zijn geest
in de hand des Vaders.
9
Jezus is de korrel graan,
in de grond gevallen,
want Hij stierf om op te staan,
Hij brengt voor ons allen
eeuwig rijke vruchten voort;
Hij heeft ons ten leven,
die geloven in Gods woord,
goed en bloed gegeven.
10
Jezus, Gij doorbreekt de grens
die de dood ons stelde, -
dood in ons de oude mens,
die te lang ons kwelde;
schenk aan ons het leven weer,
dat we, in U herboren,
enkel leven tot uw eer
en God toebehoren.
---
*148
#5
1
O Jezus, Man van Smart,
gesmaad, bespuwd, geslagen,
heb dank voor al wat Gij
om ons hebt willen dragen:
uw doornenkroon, uw kruis,
uw ketenen, de nood
der godverlatenheid,
uw bitt're, bitt're dood.
2
Ach, het is onze schuld,
't is de uitkomst van ons falen,
waarvoor in onze plaats
Gij moest de tol betalen;
ach, onze zonde heeft
U aan het kruis gebracht, -
o vlekloos, schuldloos lam,
daarvoor zijt Gij geslacht.
3
Uw strijd is ons tot heil,
uw dood is ons tot leven,
in uwe banden is
de vrijheid ons gegeven,
door uwe wonden wordt
ons leven weer geheeld,
uw bloed is 't losgeld voor
wie 't leven heeft verspeeld.
4
Maak, Jezus, nu ook ons
bereid het kruis te dragen,
schenk kracht ons van uw kracht,
opdat wij niet versagen;
uw angst kome ons te goed,
wanneer ons angst bevangt,
uw doodsstrijd geve_ons moed,
wanneer Gij het verlangt.
5
Laat door uw banden, Heer,
ons zijn aan U gebonden,
laat aan uw kruis toch zijn
gekruisigd onze zonden.
Verhoed, o Jezus, dat
door uw kruis, angst en pijn
uw lijden, kruis en angst
voor ons vergeefs zou zijn.
---
*149
#4
1
Hier zwijgt het hoge denken:
God trad in ons gemis
om volheid ons te schenken,
zijn dorst bracht lafenis.
2
Die liefhad bovenmate,
die zich gevangen gaf,
bevrijdt ons uit ons haten,
breekt onze ikzucht af.
3
Zijn zwijgen voor de rechter
wordt nog door ons gehoord:
voor ons het pleit beslechtend
als zijn vrijsprekend woord.
4
Die vol was van genade
is onze weg gegaan,
het spoor van onze daden
klaagt ons niet langer aan.
---
*150
#4
1
Gij zijt op aarde neergedaald
tot in het diepste van het duister,
tot waar geen zon of ster meer straalt,
beroofd van alle glans en luister.
2
Gij zijt het vleesgeworden woord
dat in de wereld is gekomen,
dat men gekend heeft noch gehoord, -
Gij zijt geloofd noch aangenomen.
3
Gij zijt gekomen van omhoog
temidden van hen, die U haatten.
Gij die men kuste en bedroog,
Gij zijt van God en mens verlaten.
4
Gij gaf Uzelf en alles prijs,
opdat Gij alles ons kon geven:
Gij opent ons het paradijs,
Gij opent ons het eeuwig leven.
---
*151
#5
1
Zingenderwijze wilt uw Heiland prijzen,
nu geeft uw stem.
Van alle tijden draagt Hij het lijden,
nu geeft uw stem, uw woord aan Hem.
2
Heiland verstoten, zijn bloed vergoten,
zijn woord verstomd, -
o Lam onschuldig, dat zwijgt geduldig,
nooit een kwaad woord kwam uit uw mond.
3
Eenzaam wij zwerven, nameloos wij sterven,
ten einde raad.
Hem die wij smaden heeft God beladen
met onze dood, met al ons kwaad.
4
Gods dienaar leve! Glorie zij gegeven
aan Hem, de Heer.
Hoog zal Hij stijgen, Gods naam verkrijgen, -
maar Hij heeft nu niets menslijks meer.
5
Mochten wij samen Jezus' woord beamen,
zijn weg opgaan.
Leidsman ten leven, zult Gij ons geven,
nu uit de doden op te staan?
---
*152
#3
1
Nu Gij de dood zijt ingegaan,
zie ik uw kruis, o Christus, staan
in 't hart der aarde: 's mensen haat
weerstaat Gods liefde metterdaad.
2
O Heer, ik wist niet wat ik deed,
wist niet dat alles wat Gij leed
om onzentwille is geweest, -
ik weet het niet dan door Gods Geest
3
Die heeft geroepen om uw bloed,
een vijand Gods, - hij vond voorgoed
zich in uw dood herboren tot
een mens die vrede heeft met God.
---
*153
#6
1
Straf mij in uw gramschap niet,
God, wil naar mij horen!
Wie Gij loon naar werken biedt,
is voorgoed verloren.
Ach, ik bid
U om dit:
dat G' om Christus' wille
uwen toorn wilt stillen.
2
Wie zou midden in de dood
weten van uw zoetheid?
Red mij, red mij uit de nood,
toon mij, dat Gij goed zijt!
Dan zal 'k blij,
vrank en vrij,
U ten jongsten dage
lof en dank toedragen.
3
Vader, heb met mij geduld,
richt mij in genade.
Ik ben zwak en ziek van schuld, -
red mij van het kwade.
Richt mij weer
op, o Heer,
balsem Gij mijn wonden,
ach, vergeef mijn zonden.
4
Hoe lang laat Ge mij nog zijn
in mijzelf gevangen,
in zwaarmoedigheid en pijn
naar uw heil verlangen?
Here, kom!
Ach, waarom
breekt Gij niet mijn kluister?
Geef mij licht in 't duister!
5
Wijk nu, vijand, wijk van mij:
God heeft u weersproken.
AI uw macht en razernij,
Satan, is gebroken.
Al wat gij
tegen mij
ooit hebt ondernomen, -
't is van God gekomen.
6
Lof zij God de Vader nu
en ten laatsten dage.
Eeuwig dank, o Zoon, aan U,
die mijn ogen zagen.
U zij eer,
Geest, die teer
mijn dood hart aanraakte
en mij levend maakte.
---
*154
#4
1
Geboren zijt Ge
voor alle tijden,
geboren uit de
mond van God.
2
Ons is beschoren
van Adamswege
allen te lijden
aan de dood.
3
Met ons verloren
diep in de aarde
hebt Gij geleden
alle schuld.
4
O Gij beginnend
licht van de hemel,
Woord van de Vader,
wees vervuld!
---
*155
#4
1
O Lichaam van het Woord,
dat riep in den beginne,
nu gaat Gij onverhoord
de mond der aarde binnen.
2
De lippen der natuur
zijn achter U gesloten,
dit is het laatste uur, -
het eerste uur der doden.
3
Zij gaan U tegemoet,
Gij geeft hun taal en teken,
Gij geeft hun vlees en bloed,
zij mogen niet ontbreken.
4
Gij die verzwegen zijt,
Gij kunt het roepen horen
van de verleden tijd
in uw gestorven oren.
---
*156
#5
1
O God die boven wolken troont,
uw Woord heeft onder ons gewoond,
Gij hebt het met uw hand gezaaid
zo ver uw Geest en adem waait;
van U is alle vruchtbaarheid
van vrede en gerechtigheid.
2
Maar al wat in de aarde viel
moet zwijgen en het land ligt stil
het is in duisternis gehuld
totdat Gij U ontfermen zult:
ontferm U over vlees en bloed
dat naamloos is en zwijgen moet.
3
Een vreemde bodem is de tijd
die van uw aangezicht ons scheidt,
maar midden in dit ballingsoord
verscheen uw vastberaden Woord
dat eenzaam in de aarde viel,
omdat het volle schoven wil.
4
O God die eigen erf bewaakt,
die sterven doet en levend maakt,
Gij roept ons uit de moedergrond
en zij zal spreken mond voor mond
van waar uw Geest en adem waait
de namen die Gij hebt gezaaid.
5
Uw Woord dat op de aarde kwam,
en al het sterven op zich nam,
dat gaat en keert niet ijdel weer,
Hij is de eersteling, de Heer.
Hij wenkt de maaiers aan zijn zij
en zegt: de zomer is nabij!
---
*157
#10
1
Heel de schepping, prijs de Heer!
Al zijn werken, geef Hem eer!
En gij, engelen in koor,
zingt uw gloria ons voor.
2
Zegen Hem, gij zon en maan,
sterren in uw vaste baan,
laat uw licht in volle schijn
voor de Heer een loflied zijn.
3
Alle wind en alle weer,
alles wat er gaat tekeer,
angstaanjagend in uw kracht,
wees de weerklank van Gods macht.
4
Licht en donker, dag en nacht,
strenge winter, zomer zacht,
ieder op zijn eigen tijd,
zingt een lied de Heer gewijd.
5
Berg en heuvel, rots en dal,
klaterende waterval,
geeft luidkeels de echo weer
van de jubel tot zijn eer.
6
Alles wat op aarde groeit,
wat ontkiemt en wat er bloeit,
wees een kleurig lofgedicht
voor zijn vriend'lijk aangezicht.
7
Vogels, vissen, wild en vee,
dieren hoog en laag, doe mee,
ieder met uw eigen stem,
in het feestconcert voor Hem.
8
En gij mensen, allen saam,
zegent nu de hoge Naam,
voegt u in het grote koor
van zijn volk de eeuwen door.
9
Want in 't dodelijke uur
gaat Hij voor ons door het vuur
en Hij zal ons op doen staan
om Hem achterna te gaan.
10
Al wat leeft, wees welgemoed,
loof de Heer, want Hij is goed.
Zegent Hem dan, hier en nu,
want zijn goedheid zegent u.
---
*158
#3
1
Met Mozes zijn wij meegegaan,
omdat de Heer ons riep.
Wij zijn op weg naar Kanaan,
maar 't water is zo diep.
En farao in onze rug,
hij wil zijn slaven weer terug.
Daar komen de soldaten al,
wij zitten in de val.
2
O Mozes, roep toch tot de Heer,
het water is zo diep.
Er is voor ons geen uitweg meer,
het water is zo diep.
Waar is 't beloofde paradijs?
Is dit het einde van de reis
dat wij verdrinken in de zee?
Waarom nam jij ons mee?
3
Maar Mozes heft zijn staf omhoog:
al is het water diep,
de wind steekt op, de zee wordt droog.
En Hij, die zelf ons riep,
Hij brengt ons naar de overkant,
Hij leidt ons naar 't beloofde land.
Maar farao, met heel zijn stoet
gaat onder in de vloed.
---
*159
#6
1
De koning van Egypteland trok
al zijn legers saam.
Ons lot was echter in Gods hand.
Geprezen zij zijn Naam!
REFREIN:
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
2
Hun ruiters zaten hoog te paard,
hun wagens reden snel.
Maar hoger nog verheven is
die streed voor Israel.
Refrein.
3
De aarde dreunde van geweld,
de lucht zag zwart van stof.
Maar met ons was de sterkste held.
Zing, Israel, zijn lof.
Refrein.
4
Zijn adem baande ons een pad.
de wind werd bondgenoot.
De vijand echter vond zijn graf
in 't water van de dood.
Refrein.
5
Voor altijd worden man en paard
verzwegen in de vloed.
Maar rondom is de naam vermaard
van Hem die wond'ren doet.
Refrein.
6
Looft nu de Heer met snarenspel
en heft de tamboerijn,
want Hij verloste Israel.
Geprezen moet Hij zijn.
Refrein.
---
*160
#2
1
Ik zing van de wijngaard van Die ik bemin,
hoort wat ik u zing!
Ik zing u het lied van zijn wijngaard, die stond
op veilige, vruchtbare grond.
Hij groef in die grond, deed de stenen aan kant
en koos zich als wijnstok een edele plant.
Hij bouwde een toren, niets dat Hij niet deed,
Hij maakte een kuip om te persen gereed
en wachtte de vrucht van zijn spitten en graven,
zijn zorgen en slaven.
2
Ik zing u het lied van de wijngaard, ik zing
van Die ik bemin.
Hij vraagt u: Wat kon Ik nog verder doen aan
mijn tuin, dat Ik niet heb gedaan?
Hij vraagt u: Wat gaf Mij de vruchtbare grond
aan druiven te zamelen, zoet in de mond?
Wat groeide er binnen mijn veilige muur
dan druiven der wildernis, weinig en zuur?
Hij vraagt u de vrucht van zijn spitten en graven,
zijn zorgen en slaven.
---
*161
#3
1
Dit huis dat God gevestigd heeft
en dat van zijn genade leeft,
dit huis van onze koning,
waar tussen broeders in 't gericht
duurzame vrede wordt gesticht,
dit huis is onze woning.
Hier zal
niemand
zonder troost en
rust verpozen, -
vol erbarmen
spreidt de Erfgenaam zijn armen.
2
Hier wil een enkel woord volstaan:
de poorten zullen opengaan,
hier wil de vrede heersen,
en die zijn schuld niet heeft betaald
wordt op een heerlijk feest onthaald,
de laatsten zijn de eersten.
Koning,
vrolijk
zijn uw gasten,
alle last is
hun ontnomen,
want uw Knecht is aangekomen!
3
Dit huis dat God ons heeft gebouwd
weert alle tranen, alle rouw,
hier is het leed geleden;
al heugt ons op de weg zijn dood,
Hij reikt de beker en het brood
aan pelgrims hier beneden.
Gastmaal,
Pascha,
na de uittocht
wacht de bruiloft;
hier wordt Jezus,
Zoon van David, hoog geprezen.
---
*162
#5
1
De hemel trekt te velde,
een grote witte held.
God zal de zege melden
van wonder en geweld,
2
een stormwind die de blaren,
de grote bomen schudt.
In zijn slagorde scharen
wij ons in het gelid.
3
De diepe weg door gingen
wij in het holst der nacht.
Nu staan wij hier en zingen,
dat ons de zege wacht.
4
De liederen, gebeden
staan in de lichte lucht
als vaandels van zijn vrede,
de laatste vijand vlucht.
5
Hij heeft al overwonnen,
toen Hij verloren heeft.
De hemel staat vol zonnen,
het kruis ontbloeit en leeft.
---
*163
#1
1
Geef ons genadig, Here God,
dat wij nu gaan in vrede.
Geen ander is aan onze zij
een God, een schild, een licht als Gij!
Ga zelf, o God, met ons mede.
Amen.
---
*201
#4
1
Dit huis, gereinigd en versierd,
waar Gods gemeente bruiloft viert,
staat voor de eredienst gereed,
wij komen hier in lief en leed.
2
Wie voor ons leefden gingen heen.
Dit oude huis van hout en steen
bleef staan als een gebed tot U.
Wij bidden mee, - verhoor ons nu!
3
In geest en waarheid bidden wij,
dat Christus in ons midden zij.
Hem love al wat adem heeft!
Hem love wat op aarde leeft!
4
En laat eendrachtig samenzijn
op ons gebed het 'amen' zijn.
Kom haastig, Here Jezus, kom
en maak ons tot uw heiligdom!
---
*202
#4
1
Niet meer op verre bergen,
niet in een oude stad
wilt Gij U eerbied vergen,
of offering van schat.
De heil'ge muren vielen,
de bergen liggen stom.
Wie maar gelovig knielen
zijn in uw heiligdom.
2
En drukt ons het alleenzijn,
Gij roept ons toch tezaam.
Hoe goed is het bijeenzijn,
vergaderd in uw Naam!
Gewis, ons lot is zeker,
uw bondstrouw wankelt niet.
Bij Godswoord, brood en beker
dankt U ons innig lied.
3
Schijnt soms uw zaak verloren
door d' ontrouw van uw kerk,
niets kan uw plan verstoren:
Gij doet een machtig werk.
't Moet alles tot U komen,
de volken, wijd en zijd.
Wij hebben 't weer vernomen
uw Rijk is wereldwijd.
4
Eens sticht, op heil'ge bergen,
de Heer een nieuwe stad,
die heerlijkheid gaat bergen,
der volken rijke schat.
Geen tempel is daarbinnen:
Gods volk, uit alle stam,
schaart zich, verrukt van zinnen,
om 't glorierend Lam.
---
*203
#6
1
Hier is de plaats waar God ons wil ontmoeten,
waar wij met eerbied en ontzag
zijn heiligheid begroeten de eerste dag.
2
Hier vraagt Hij ons Hem toegewijd te wezen,
het boek des levens op te slaan,
zijn heilig woord te lezen
en te verstaan.
3
Hier mogen wij de kindren laten dopen
en zelf weer worden als een kind
met onze harten open
en welgezind.
4
Hier noodt God ons met uitgestrekte armen
om gasten aan zijn dis te zijn
en schenkt in zijn erbarmen
ons brood en wijn.
5
Hier zingen wij de zalige gezangen.
Hij is ons zingen zeer nabij.
Ons eeuwige verlangen
verzadigt Hij.
6
Hier mogen wij elkaar als mens ontmoeten
en allen samen groot en klein
als heiligen begroeten
zoals wij zijn.
---
*210
#3
1
Het koninkrijk is voor een kind dat zorg'loos speelt
en dat zich in de wereldtijd nog niet verveelt;
en ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk,
die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk;
2
De mensen willen macht en eer en voeren strijd
en vroeg of laat ontdekken zij: 't is ijdelheid;
maar ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk,
die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk.
3
Laat onbezorgd de kinderen tot Jezus gaan
en sluit u, grote mensen, dankbaar bij hen aan;
want ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk,
die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk.
---
*211
#4
1
Toen Mozes was geboren
toen werd hij in het water gelegd.
Zo was het van tevoren
allang voorzegd.
Want Noach had gevaren,
gevaren op de vloed,
met de dieren die waren
wat de mensen niet waren,
want de dieren die waren
goed!
2
En Israel is getrokken,
getrokken door de wateren heen,
want zo was er gesproken
allang voorheen.
Want Mozes was gevonden,
gevonden in de Nijl,
om de mensen hun zonden
in de doeken gewonden,
want de mensen verstonden
geen heil!
3
Naaman is genezen,
genezen in de doodsjordaan,
zo heeft het moeten wezen
van toen voortaan.
Want de Joden zijn gereinigd
in de Rode Zee,
alle man en alle vrouw
en de koning in de rouw
en ieder kind dat wou
mocht mee!
4
Maar Jezus staat gebogen,
gebogen onder dopershand,
een stem daalt uit den hoge,
klinkt over 't land.
Zo zal het altijd wezen
door leven en door dood,
als de kinderen komen
en het water gaat stromen
en wij worden zonen
van God!
---
*212
#4
1
De wereld is zo groot,
het water is zo diep,
zo onverbiddelijk de dood,
als niet een stem ons riep,
2
ons riep om op te staan,
en dat is Jezus' stem.
Tot wien zouden wij anders gaan?
Wij horen toch bij Hem.
3
De Here Jezus gaat
met zijn beminden mee
door al wat staat en wat vergaat
en door de diepe zee,
4
vanaf de moederschoot,
het allereerst begin,
en door de doop en door de dood
het hele leven in.
---
*213
#3
1
God heeft ons gegeven
een teken van leven van onze Heer.
Het teken van lijden dat wil ons bevrijden:
God rekent het kwade niet meer.
2
Aan ons die het dragen geeft God alle dagen
een nieuw begin.
Hij heeft ons vergeven en ons nieuwe leven
zet Hij voor zijn koninkrijk in.
3
God zal door de tijden dit teken verbreiden,
de mens ten spijt.
Zo krijgt deze aarde zijn godd'lijke waarde
en toekomst in eeuwigheid.
---
*214
#5
1
Jouw leven staat aan het begin,
het heeft nog geen herinnering,
het is zo weerloos en zo klein,
je weet nog niet hoe het zal zijn.
refrein:
O Heer, bevestig ons bestaan,
noem ons bij onze naam.
2
Jij weet nog niet wat leven is,
wat liefde is en wat gemis.
Jij weet nog niet van nee en ja
van ondergang en gloria.
refrein
3
Je huilt nog van verwondering,
maar jij hoort hier, in onze kring.
Het water wacht, die diepe zee
geeft jou een taal, een teken mee.
refrein
4
Dat teken is een heilgeheim:
God wil met jou verbonden zijn.
Hij is nabij waar jij ook bent,
omdat Hij je bij name kent.
refrein
5
Zo komt jouw leven aan het licht,
zo krijgt het zin, zo krijgt het zicht.
Gods adem heeft je aangeraakt
en jou tot bondgenoot gemaakt.
refrein
---
*215
#7
1
O God die uit het water
in het begin
de aarde hebt geroepen
de grote toekomst in:
Refrein:
Heer, ontferm U over ons
en over onze kinderen.
2
O God die uit net water,
de grote vloed,
een ark vol leven hebt gered
en alles was weer goed ...
Refrein
3
O God die door het water,
de Rode Zee,
uw volk de vrije doortocht gaf,
uw wolk trok met hen mee...
Refrein
4
O God die uit het water
van de Jordaan
de vreemdeling Naaman
herboren op deed staan...
Refrein
5
O God die in het water,
de zee verstoord,
de dwaze vlucht'ling Jona
bewaard hebt voor uw woord...
Refrein
6
O God die in het water
van de Jordaan
uw Zoon hebt aangewezen
om allen voor te gaan...
Refrein
7
O God die in het water
van onze doop
wie Jezus willen volgen
doet opstaan tot de hoop...
Refrein
---
*216
#4
1
Johannes doopte bij de Jordaan
en riep: 'Je moet opnieuw beginnen,
wie durft te verliezen die zal winnen,
wie achter is staat straks vooraan.
2
Hij doopte Jezus in de Jordaan.
Zo is de Heer opnieuw begonnen
en heeft Hij als kleinste mens gewonnen,
de Heer gaat als een knecht vooraan.
3
En iedereen die zo wordt gedoopt
mag met Hem mee op weg naar morgen,
hij hoeft er alleen maar voor te zorgen,
niet te vergeten wat hij hoopt.
4
Hij hoopt dat alles nieuw worden zal,
dat al wat bang maakt zal verdwijnen
en dat in het duister licht zal verschijnen.
Dan is de kleinste mens in tel.
---
*217
#5
1
Hoog in de hemelen heeft God gesproken,
daar is mijn naam uitgezegd;
hier op aarde, hier ben ik ontloken,
zijn woord bracht mijn leven terecht.
2
Niemand der mensen had mij kunnen denken,-
heeft mij God zelf niet geplant?
Hij wilde leven en geest aan mij schenken:
zo ben ik het werk van zijn hand.
3
Zaaide de Heer mij als zaad in de vore,
nu ben ik graan in de grond;
uit een gebaar van de Zaaier geboren,
leef ik uit het woord van zijn mond.
4
Woekert het kruid van het kwaad op de aarde
en steelt zijn loof alle licht,
dan wacht ik stil op de Heer van de gaarde,
die komt met zijn heilig gericht.
5
Steeds zal de zon van Gods liefde verschijnen,
regent zijn trouw op elk blad.
Nooit laat de Zaaier zijn zaden verkwijnen:
Hij houdt in zijn hand mij gevat.
---
*218
#7
1
Nu wij naad'ren tot het water
staan ook wij voor de Zee
die door moest laten
wie in het diensthuis zaten
want Gods macht ging met hen mee.
2
Nu wij naad'ren tot het water,
wacht ook ons de woestijn:
veertig de jaren
en duizend de gevaren,
maar een God zal met ons zijn.
3
Nu wij naad'ren tot het water,
zien wij uit naar de wolk
die alle dagen
van vrezen en van vragen
voorgaat: God geleidt zijn volk.
4
Nu wij naad'ren tot het water,
zien wij op naar het vuur
dat alle nachten
van waken en van wachten
licht geeft in het donkerst uur.
5
Nu wij naad'ren tot het water,
hong'ren wij naar het brood
dat ons verzadigt,
het manna dat steeds klaarligt,
wonder bij het morgenrood.
6
Nu wij naad'ren tot het water,
dorsten wij naar de rots
die ons zal laven
met alle goede gaven
van de frisse mildheid Gods.
7
Nu wij naad'ren tot het water,
wacht ons op de Jordaan:
hier liet zich dopen
Gods Zoon en hier gaat open
't eeuwig groene Kanaan.
---
*219
#5
1
Water, water van de doop,
taal en teken van de hoop:
zie, wij komen bij u staan,
wijs ons Gods beloften aan!
2
Water, water van de vloed
die de ark wel dragen moet,
hoog staat daar de regenboog:
God maakt heel de aarde droog!
3
Water, water van de Nijl,
draag het scheepje van het heil -
biezen mandje in het riet:
God vergeet de zijnen niet!
4
Water, water der Jordaan,
alle schuld is weggedaan,
onze zonden draagt de Heer,
zie: de duif daalt op Hem neer!
5
Water, water van de doop,
uit uw bron ontspringt de hoop -
God bevrijdt en Hij geneest -
lof zij Vader, Zoon en Geest!
---
*220
#3
1
Nog maar nauw'lijks uitgeslapen,
nog niet aan bestaan gewend,
werd je zichtbaar. Zie je bent
naar Gods eigen beeld geschapen.
2
Kwetsbaar aan het licht gekomen
deel je tastbaar ons bestaan,
onze liefde. Wij verstaan
in ons hart je diepste dromen.
3
Onze harten kloppen samen,
leven uit geloof, uit hoop,
in het teken van de doop,
teken der gemeenschap. Amen.
---
*230
#4
1
Het woord tot ons gesproken
keer op keer
is brood, dat wordt gebroken
voor menigten steeds meer.
2
De garven zijn vergaderd
hier en nu:
wie arm is wordt verzadigd,
de wereld wacht zijn uur.
3
De weldaad ons bewezen,
rood als bloed,
is wijn die wordt geprezen
de liefde wordt begroet.
4
De liefde groeit in ranken
tot de oogst:
de schepping vreugdedronken
staat op en smaakt haar troost.
---
*231
#3
1
Eens aten de vaderen in de woestijn
brood uit de hemel gegeven,
toch vonden zij allen de dood.
Wie eet van het Brood dat Gij ons wilt geven
vindt eeuwig leven.
Refrein:
Brood ten leven
levend brood.
2
Gij komt in een wereld vol honger en pijn
manna, gedaald uit de hemel,
vermalen als graan in de dood.
Gij hebt ons tot brood uw lichaam gegeven,
uw eigen leven.
Refrein
3
Gebroken het brood, vergoten de wijn
lichaam en bloed voor de wereld,
zo leeft Gij, gewekt uit de dood,
in voedsel en drank aan allen gegeven.
onsterflijk leven.
Refrein
---
*232
#5
1
Refrein:
Al wat er nodig is om te bestaan,
vraag dat, vraag dat in Jezus Naam.
Brood om te eten en wijn van de vreugd,
woord om te weten, wat niemand heugt.
Refrein
2
Zaad om te sterven tot ons behoud
dertig- en zestig- en honderdvoud;
Refrein
3
Jezus, die brood zijt van onze dis,
leven en dood zijt, gelijkenis;
Refrein
4
Jezus, die zaad zijt, water en wijn,
die woord en daad zijt, al wat wij zijn.
Refrein
5
Vader, wij bidden in Jezus' Naam,
God in ons midden, houd ons tesaam.
Refrein
---
*233
#7
1
Het brood, het goede brood,
dat redt ons van de dood
en houdt ons in het leven;
het is van God gegeven.
2
Het brood dat God ons gaf,
dat groeit van boven af,
het is uit hemels koren,
het is uit God geboren.
3
Het dauwt in de woestijn,
het moet wel manna zijn.
Christus wordt ingehuldigd,
het brood vermenigvuldigd.
4
De ganse aarde is
zijn koninklijke dis,
de kleinen en de groten
elkanders huisgenoten.
5
Dit is Jeruzalem:
een eeuwig Bethlehem,
een huis van brood en zegen,
God is ons toegenegen!
6
En wat er overschoot
van dit verdeelde brood
voor ons bestaan gestorven,
dat vulde zeven korven.
7
O Brood, o hemels Brood,
Gij redt ons van de dood
met menigvuldig leven,
de dagen alle zeven.
---
*234
#9
1
Bij God is geen schijn of schaduw,
geen zweem van verandering,
sinds Hij in Mozes' dagen
naar Kanaan toeging.
Keervers:
Alle goede gave en volmaakte gift
komt van God de Vader, onbereikbaar licht.
2
Toen deed Hij het water knielen,
Hij liep als een vuur vooraan,
de zee likte zijn hielen,
de vijand kwam tot staan.
3
Het regende brood van boven,
maar in het beloofde land,
daar staan de korenschoven
als kinderen hand aan hand.
4
En daar vloeien melk en honing
en daar rijpt de rode wijn,
daar kiest de grote koning
zijn koninklijk domein.
5
Daar heeft Hij aan ons gegeven
Zijn Woord en dat is het brood
voor aller mensen leven
in alle aardse nood.
6
Want zo heeft de Heer gesproken
Mijn lichaam is waarlijk spijs,
het is voor u verbroken,
een vrucht van 't paradijs.
7
En waarlijk om u te laven
vergiet ik mijn bloed en ziel,
de allervolmaaktste gave
die uit de hemel viel.
8
Dus daar zullen wij van zingen,
wij zijn aan het licht gebracht
door God als eerstelingen
van een nieuw nageslacht!
9
Keervers na laatste strofe:
Alle goede gave en volmaakte gift
komt van God de Vader, mond van alle waarheid,
bron van levenlicht.
---
*235
#3
1
O Vader die het daag'lijks brood
uw kinderen wilt geven,
geef dat wij voor die gunst zo groot
dankbaar op aarde leven.
2
Maar, Here Jezus, zoudt niet Gij
het brood ten leven wezen,
nog zou 't hier nood zijn en geschrei,
honger niet te genezen.
3
O Heil'ge Geest, leer Gij ons door
Hem die zichzelf niet spaarde
dankbaar ons brood te breken voor
de naaste hier op aarde.
---
*236
#5
1
Als wij weer het brood gaan breken
dat Gij, Heer, ons geeft,
leer ons dan met hem te delen
die geen deel van leven heeft.
2
Als wij van de feestwijn drinken
die Gij, Heer, ons geeft,
leer ons dan om te gedenken
wie een lege beker heeft.
3
Als wij samen in de kring staan
om wat Gij ons geeft,
leer ons dan om vast te houden
wie geen hand in handen heeft.
4
Als wij weer de lofzang zingen
om wat Gij ons geeft,
leer ons dan voor hem te roepen
die geen stem meer over heeft.
5
Als wij zo de toekomst vieren
die Gij, Heer, ons geeft,
leer ons dan vandaag te zorgen
voor wie zelfs geen morgen heeft.
---
*237
#5
1
Hij nam de Schrift, Hij las en zei:
De Geest des Heren rust op mij.
Hij ging zijn land wel-doende rond,
genas de zieken die Hij vond.
Refrein:
Heer, ik ben onwaardig, heb U niets te geven.
Maar uw woord is vaardig om mij te genezen.
2
Meer dan de spijs waar gij van leeft,
ben Ik het die u sterkte geeft.
Voor alle mensen, recht en slecht,
ben Ik het brood, heeft Hij gezegd.
Refrein
3
Hij nam het brood. En wat Hij deed?
Dit is mijn lichaam, neemt en eet.
Doet dit tot mijn gedachtenis
en leeft zolang er leven is.
Refrein
4
Hij nam de beker met de wijn:
Mijn bloed zal tot vergeving zijn
van al uw kwaad en uw tekort,
opdat gij nieuwe mensen wordt.
Refrein
5
Brengen wij dank van harte zeer
daan God, door Jezus onze Heer,
die doden opwekt om voortaan
met Hem een nieuwe weg te gaan.
---
*238
#4
1
Gedenken wij dankbaar de daden des Heren,
zijn leven, zijn dood en verrijzenis;
en dat wij oprecht ons tot Jezus bekeren,
die onze God en leidsman ten leven is.
2
Hoe hadden wij onze bestemming vernomen,
was Jezus de weg niet ten einde gegaan.
Wie zouden wij zijn, als Hij niet was gekomen
om in zijn lichaam onze dood te doorstaan.
3
Hoe zouden wij ooit voor elkaar kunnen leven,
had Hij ons de liefde niet voorgeleefd,
die tot de dood zich prijs heeft willen geven,
die, Zoon van God, ons aller slaaf is geweest.
4
Gij eerste der mensen, die weerloos en eenzaam
als graan in de aarde gestorven zijt,
Gij wordt ons brood, maak ons met U gemeenzaam,
van harte maak tot wederdienst ons bereid.
---
*239
#2
1
Wie zijn leven niet wil geven,
niet wil delen met zovelen,
met een ander,
gaat verloren.
2
Wie wil geven wat hij heeft,
die zal leven, opgegeten,
die zal weten
dat hij leeft.
---
*240
#4
1
Reizend naar het land van ons verlangen
staan wij in de kring voor even stil,
om de goede gaven te ontvangen
die God onderweg al geven wil.
2
Reikend naar de rijpe volle vruchten,
die ons wachten in 't beloofde land,
laten w' onze lege handen vullen
met een gulle voorgift uit Gods hand.
3
Staande in de kring van wie op reis ziJn,
eten wij het ene levensbrood,
wetend: waar wij nog in de woestijn zijn,
overleven wij daarmee de dood.
4
Reikend aan elkaar de ene beker
vol van 't wonder van de ware wijn,
sluiten wij de kring, al is 't voor even,
wijzend naar wat ginds volmaakt zal zijn.
---
*241
#3
1
Onuitputtelijke korven,
voorraad die geen voorraad is:
overvloed van brood en vis,
onbetast en onbedorven.
Jezus nodigt aan zijn dis
wie Hem op zijn woord geloven
en Hem uit het hart beloven
om te delen wie er is.
2
Neem tot spijs de vis, de broden,
eet wat u tot manna is,
breek het brood en deel de vis:
God voorziet in onze noden.
Volheid schept Hij uit gemis,
weinig is genoeg voor velen
die bereid zijn om te delen,
om te delen wat er is.
3
Land en zee om van te leven,
scholen vis en schuren graan,
om te delen in de naam
van de Heer, Hij heeft gegeven
overvloed van brood en vis,
voorraad die Hij ons bereidde,
opdat niemand honger lijde.
Laat ons delen brood en vis.
---
*250
#1
1
O Heer, die onze meester zijt,
breng ons tot deze maaltijd samen.
Gij hebt het goede ons bereid,
laat ons uw goedheid niet beschamen.
Wees met de woorden die wij spreken,
wees met het brood in onze mond,
dat zij ons worden tot een teken,
waarin Gij zelve tot ons komt.
---
*251
#2
1
Om het voedsel ons gegeven,
om uw zorg voor heel ons leven
willen wij U dank bewijzen,
bidden wij, uw naam ten prijze:
Here zegen deze spijze,
Amen.
2
Om het offer, om het leven
dat zich voor ons heeft gegeven,
doe ons, Jezus' naam ten prijze,
eten op de rechte wijze.
Here, zegen deze spijze.
Amen.
---
*255
#2
1
God laat ons volop leven,
wij komen aan het licht,
Hij heelt wat heilloos is,
Hij is een God van vrede.
Wij mogen vrolijk vieren
een onbedreigd bestaan,
God heeft teniet gedaan
de afstand die wij schiepen.
2
God roept ons tot de orde
van zijn barmhartigheid,
wie eenmaal is bevrijd
zal vredestichter worden.
Geraakt door Gods genade
doet hij gerechtigheid,
wetend dat wereldwijd
het goede wint van 't kwade.
---
*256
#6
1
Door de wereld gaat een woord
en het drijft de mensen voort:
'Breek uw tent op, ga op reis
naar het land dat Ik u wijs'.
Refrein:
Here God wij zijn vervreemden
door te luist'ren naar uw stem.
Breng ons saam met uw ontheemden
naar het nieuw Jeruzalem.
2
Door de wereld gaat een stoet
die de ban brak van het bloed,
die bij wat op aarde leeft
nu geen burgerrecht meer heeft.
Refrein
3
Menigeen ging zelf op pad,
daar hij thuis geen vrede had.
Eeuwig heimwee spoort hem aan,
laat ook hem het woord verstaan.
Refrein
4
Door de wereld klinkt een lied.
Tegen angsten en verdriet,
tegen onrecht, tegen dwang
richten pelgrims hun gezang.
Refrein
5
Velen, die de moed begaf
blijven staan of dwalen af,
hunk'rend naar hun oude land.
Reisgenoten, grijpt hun hand.
Refrein
6
Door de wereld gaat een woord
en het drijft de mensen voort:
'Breek uw tent op, ga op reis
naar het land dat Ik u wijs'.
Refrein
---
*257
#7
1
Samen op de aarde,
dat beloofde land,
God zal ons bewaren,
want Hij houdt in stand
2
wat Hij heeft geschapen
met zijn hand, zijn woord.
Hij zal niet verlaten
wat Hem toebehoort.
3
't Westen en het Oosten,
voor- en nageslacht,
om zijn Naam te troosten
zijn zij aangebracht;
4
om zijn Naam te prijzen
gaf Hij zon en maan,
wijzen en onwijzen
gunt Hij het bestaan.
5
Israel, Egypte,
stem en tegenstem,
hoogtepunt en diepte
alles zegent Hem;
6
want Hij zal verzoenen
wat vijandig is,
nieuwe namen noemen,
voor een oud gemis;
7
kerk en wereld samen,
vasteland en zee,
worden ja en amen,
ja uit ja en nee.
---
*258
#8
1
O Babylon, o Babylon,
o grote wereldstad,
daar wijkt de waarheid voor een droom
en wordt het woord verward.
2
Wat liefde is, geloof en hoop,
en Wie de Geest uitzendt
die als een vuur op aarde loopt,-
daar is het niet bekend.
3
Daar leest men: al het leven gaat
in eeuwig evenwicht
en dat ons lot geschreven staat
in gloeiend spijkerschrift.
4
Het lot is onveranderbaar,
het staat onaangetast,
almachtig en onwankelbaar
voor alle eeuwen vast.
5
O Babylon, o Babylon,
o grote godenstad,
uw toren is de grote boom
die God verboden had,
6
daar is de draak, de oude slang,
gewikkeld om de schors
en spreekt met een gespleten tong
van eeuwigheid en dorst
7
en doet de mens vergeten hoe
hij op de aarde staat,
zijn ogen naar de toekomst toe,
waar God zich raden laat.
8
O Babylon, gij zult vergaan,
gij wordt verleden tijd
die u te buiten zijt gegaan
aan bloed en eeuwigheid.
---
*259
#12
1
De wortel bloeit, de stam loopt uit.
Uit Jesse's oud geslacht
ontspringt de koninklijke spruit
waarop de wereld wacht.
2
De Geest des Heren rust op hem
van wijsheid en verstand,
de Geest die troost legt in zijn stem
en macht legt in zijn hand.
3
de Geest die hem in waarheid leidt,
de vrees des Heren leert,
zijn nederige majesteit
met hoge gaven eert.
4
Als een die diep bewogen is
spreekt hij zijn richtend woord,
niet aanziend wat voor ogen is
of wat het oor slechts hoort.
5
Hij staat voor de verdrukten in
met zijn gerechtigheid,
voor wie zachtmoedig zijn van zin,
voor al het volk dat lijdt.
6
Hoor hoe zijn stem de aarde slaat
en 't grote oordeel spreekt,
als hij omgord met recht het kwaad
rondom in stukken breekt.
7
O bloei uit Davids oude stam,
o vrede overal,
wanneer de wolf speelt met het lam,
een kind ze weiden zal.
8
Wanneer de koe met de berin
in 't gras terneder ligt,
o paradijselijk begin,
o zalig vergezicht.
9
De vrede die voorgoed begint
wordt eindelijk aanschouwd,
zie hoe in 't nest der slang een kind
zijn kleine handje houdt.
10
De berg van 's Heren heiligheid
zal vol van liefde zijn,
want niemand haat en niemand strijdt,
en niemand lijdt meer pijn.
11
Zoals de wateren de zee
vervullen wijd en zijd,
deelt zich aan heel de aarde mee
des Heren heerlijkheid.
12
Wanneer de wijsheid van omhoog
het wereldrond verlicht,
staat Jesse's stam voor ieders oog
als teken opgericht.
---
*260
#4
1
Voor hen die ons regeren,
de hoofden van het land,
bidden wij God de Here
om ootmoed en verstand,
dat zij bewaren hecht en recht
al de getuigenissen,
die ons zijn aangezegd.
2
De sterken, die bewaken
de wegen met hun woord:
dat zij ook zullen dragen
de zwakken in de poort!
Want hoofd en lichaam zijn in pijn
en niemand wordt behouden,
als die verlaten zijn!
3
Wij bidden ook om vrede,
de aftocht van geweld:
Heer,- dat wij niet vergeten,
hoe Gij de namen telt!
Bewaar het land voor overmoed
en voor het blinde razen,
de stemmen van het bloed!
4
O God, - Gij moet regeren
tegen het onverstand;
wij dienen vele heren
tot schade van het land.
Gij zijt genade! Uw bevel
doet leven en vergeven,
o Zoon van Israel.
---
*261
#6
1
Ach Heer, geef vrede aan het land,
maak ons het moorden moe,
neem Gij ons leven weer ter hand,
de twisten nemen toe.
2
De vogels vluchten voor 't geweld,
uw kudde is verstrooid;
dat angstig blaten op het veld:
hoort Gij die schapen nooit?
3
Gij voert toch liefde in uw schild,
uw vuur is tederheid,
uw overmacht is, dat Gij wilt
blussen de broedernijd.
4
Gij zelf hebt in uw eigen stad
de poort des doods gezien,
die brede scheur, die bres van haat:
Gij zelf staat voor ons in!
5
Zo kom dan tot ons, stel niet uit,
kom tot Jeruzalem,
uw huis, uw wijngaard en uw bruid:
zij kent geen and're stem.
6
Laat haar geen hoge vesting zijn,,
geen ongastvrije muur,
maar pelgrimsoord, waar vensters zijn,
zolang uw toekomst duurt!
---
*262
#4
1
Scheur toch de wolken weg en kom.
Breek door de blinde muur en kom.
Doodsnacht regeert ons her en der.
De tijd is vol, uw Naam is ver.
2
Een vloed van tranen komt tot U.
Bloed uit de aarde roept tot U.
AI uw verworpen kind'ren staan
op uit hun graf en zien U aan.
3
Mocht het toch waar zijn dat Gij hoort.
Dat niet vergeefs dit mensenwoord,
o God sinds mensenheugenis,
dat niet vergeefs dit lijden is.
4
Mochten wij zien dat Gij bevrijdt,
dat Gij geen god van doden zijt.
Breek door de blinde muur en kom.
Scheur toch de wolken weg en kom.
---
*263
#3
1
Wij die met eigen ogen
de aarde zien verscheurd
maar blind en onmeedogend
ontkennen wat gebeurt:
dat oorlog is geboden
en vrede niet mag zijn,
dat mensen mensen doden
dat wij die mensen zijn.
2
Wij die nog mogen leven
van hoop en vrees vervuld,
aan machten prijsgegeven
aan meer dan eigen schuld,
wij die god weet hoe verder
tot hiertoe zijn gespaard,
dat wij toch nooit erkennen
het recht van vuur en zwaard.
3
Dat wij toch niet vergeten
waartoe wij zijn gemaakt,
dat diep in ons geweten
opnieuw het licht ontwaakt,
dat in ons wordt herschapen
de geest die overleeft,
dat onze lieve aarde
nog kans op redding heeft.
---
*264
#4
1
Hoe zal het hier ooit vrede zijn,
zoals wij vrede wensen?
Uw aarde is toch veel te klein
voor mensen als wij mensen:
elk vechtend voor zijn grondgebied
-vasthoudend, maar 't behoort ons niet -
tot over d' eigen grenzen.
2
Gij die de Heer zijt van 't bestaan,
Almogende, - de sterken
die ons verschrikken met hun waan,
doen niets dan onze werken:
de aarde is hun veel te klein,
zij twisten om het mijn en dijn
tot buiten 's werelds perken.
3
Hoe lang nog, ach hoe lang nog, Heer,
duldt Gij, dat z' ons verdrukken,
hoe lang nog, dat wij telkens weer
eerbiedig voor hen bukken,
dat elk van ons vertrouwen stelt
in macht en kracht, in goed en geld?
Breek onze trots aan stukken!
4
Bekeer ons, Here God, tot Hem
die niets voor zich bewaarde,
tot Hem die in Jeruzalem
't koningschap zal aanvaarden
en heersen met wie bij Hem hoort,
opdat het eind'lijk naar uw woord
vrede zal zijn op aarde.
---
*265
#5
1
Een stad van vrede zoeken wij,
een stad ver weg, een stad dichtbij,
een stad waar woorden wonen,
woorden die waar zijn en oprecht
voor man en vrouw, voor heer en knecht,
voor dochters en voor zonen.
Refrein:
Glorie glanst in vredes naam
voor wie in Gods licht wil staan.
2
Een volk van vrede zoeken wij,
een volk ver weg, een volk dichtbij,
van her en der gekomen,
gekomen op het Woord van God
van oost en west naar zijn gebod:
zo hebben wij vernomen.
Refrein
3
Een lied van vrede zingen wij,
een lied voor u, een lied voor mij,
een lied om uit te zingen
dat HIJ - gezegend zij zijn naam! -
voor alle mensen heeft gedaan
zo vele goede dingen.
Refrein
4
Een mens van vrede zoeken wij,
een mens als God. Wie is als HIJ ? -
De hemel kiest het kleine,
waaruit de naam des HEREN groeit
en vrede op de aarde bloeit.
HIJ brengt ons in het reine.
Refrein
5
Het rijk van vrede maakt ons vrij.
De Zoon van God voert heerschappij,
zal duisternis verlichten.
Gods rijk komt met gerechtigheid
van nu aan tot in eeuwigheid. -
De machten moeten zwichten!
Refrein
---
*266
#3
1
God, schenk ons de kracht
dicht bij U te blijven,
dan zal ons geen macht
uit elkander drijven.
Zijn wij in U een,
samen op uw wegen
dan wordt ons tot zegen
lachen en geween.
2
Niemand kan alleen,
Heer, uw zegen dragen;
zegen drijft ons heen
naar wie vrede vragen.
Wat Gij schenkt wordt meer
naar gelang wij delen,
horen, helpen, helen, -
vruchtbaar in de Heer.
3
Vrede, vrede laat
Gij in onze handen,
dat wij die als zaad
dragen door de landen,
zaaiend dag aan dag,
zaaiend in den brede,
totdat in uw vrede
ons hart rusten mag.
---
*267
#4
1
Gij die de wereld hebt gemaakt
en alles hebt gegrond
die mensen in het leven riep
met adem uit Uw mond: geef vrede, Heer.
Refrein:
Geef vrede, Heer, de wereld wacht,
een woord vol hoop en levenskracht.
2
Gij die de mensen hebt gezien
en onze broedermoord,
maar die ons nieuwe adem geeft
een vredelievend woord, geef nieuwe hoop.
Refrein
3
Gij die het leven hebt gewild
en niet ons aller dood,.
laat ons de weg naar vrede zien
in het gebroken brood: geef levenskracht.
Refrein
4
Gij die een mens gezonden hebt
die alleman bemint,
schenk ons zijn geest van vrede, Heer
en maak een nieuw begin: de wereld wacht.
Refrein
---
*268
#5
1
Houden van mensen
is rijk zijn in nood
elkander geven
het dagelijks brood.
2
Houden van mensen:
bevrijdend geheim,
om voor een ander
een woonplaats te zijn.
3
Houden van mensen
is warmte en licht:
elkander tonen
je ware gezicht.
4
Houden van mensen
is spelenderwijs
aarde herscheppen
tot nieuw paradijs.
5
Houden van mensen
zoals Hij het deed
die met ons deelde
ons lief en ons leed.
---
*269
#4
1
Refrein:
Wanneer zal uw dag van bevrijding komen:
het einde der dromen, de zevende dag?
Dat mensen op aarde geen heersers zijn:
elkaar bewaren om vrij te zijn
zo dat het geen droom is?
Refrein
2
Dat armen en rijken geen vreemden zijn:
elkaar bereiken om vrij te zijn
zo dat het geen droom is?
Refrein
3
Dat doodslag en woede verdwenen zijn
en mensen hoeders van vrede zijn
zo dat het geen droom is?
Refrein
4
Dat recht en genade geboren zijn
en mensen dragers van toekomst zijn
zo dat het geen droom is?
Refrein
---
*270
#3
1
Jeruzalem, zo zegt de Heer,
wanneer Ik in uw midden woon,
als Koning zit, hoop op mijn troon,
als Ik tot Sion wederkeer,
dan wordt, o stad, uw naam genoemd
en hemelhoog uw trouw geroemd,
Sion wordt dan alom geprezen,
omdat de Heer zijn heiligheid
op deze berg heeft uitgespreid -
hier zal Hij God en Koning wezen!
2
Dan zitten weer bijeengeschaard
mannen en vrouwen langs de kant,
krukken en stokken in de hand,
ouden van dagen, hoogbejaard.
Rondom zien zij Gods heerschappij:
de kinderen, weer vrij en blij,
jongens en meisjes, allerwegen,
die spelen daar, verrukt van vreugd
en lachen luid - Gods lieve jeugd
heeft hier de toekomst weergekregen.
3
Al is dat voor wie dan nog leeft
een wonder, ondoorgrondelijk,
voor God is niets te wonderlijk.
Dit is wat Hij gesproken heeft:
Ik breng voorgoed mijn volk naar huis,
in Sion is het waarlijk thuis;
op recht en trouw bouw Ik uw woning,
o volk, Ik breng van oost en west
u thuis, - dat is het allerbest.
Jeruzalem, daar woont uw Koning!
---
*271
#3
1
Hoger dan men ooit bergen zag
rijst Sion op de jongste dag;
hoort wat er gaat gebeuren!
Het huis des Heren, hemelhoog,
verheft zich dan voor ieders oog,
wijd open gaan de deuren.
Dan hoort men overal de stem:
Komt, gaat nu naar Jeruzalem,
beklimt de berg des Heren.
God zelf wijst ons de wegen aan;
de paden die wij moeten gaan
zal Hij ons allen leren.
2
De volken voor Gods aangezicht
verstommen dan in dat gericht,
God zal zijn stem verheffen.
Dan zal de strijd gestreden zijn;
geen angst, geen honger en geen pijn
zal dan nog mensen treffen.
Gods vrede daalt op aarde neer
om ieder zwaard en elke speer
tot ploegen om te smeden.
De oorlog wordt niet meer geleerd,
de haat die volkeren verteert
behoort tot het verleden.
3
Vervuld is dan de oude droom,
als ieder onder eigen boom
in vrede zal verkeren.
De vijgeboom zal bloeien gaan,
de wijnstok weer vol vruchten staan -
zo spreekt de Heer der heren.
De volkeren, zij dwalen voort;
hun god, die naar hun stem niet hoort,
bevrijdt en redt hen nimmer.
Laat ons dan wandelen met God,
een lamp, een licht is zijn gebod
voor altoos en voor immer.
---
*301
#6
1
Zal er ooit een dag van vrede,
zal er ooit bevrijding zijn
voor een volk dat zonder reden
levenslang op weg moet zijn?
2
Zal er ooit een blijvend heden
vol van goede vrede zijn
waar geen pijn meer wordt geleden:
levenslang gebroken zijn.
3
Zie de takken aan de bomen
waar het jonge groen ontluikt
tot een stralend nieuwe zomer
waar de vredesbloesem ruikt.
4
Zie de sterren aan de hemel
waar het duister van de nacht
door hun schijnsel wordt verdreven
tot een nieuwe dag die lacht.
5
Zoals bomen mensen tonen
dat er kracht tot groeien is
zal de zoon der mensen komen
die de boom des levens is.
6
Zoals sterren mensen melden
dat geen nacht te donker is
zal een kind ons komen redden
dat het licht der wereld is.
---
*302
#6
1
Allen:
Wat heeft Maria ons bewaard,
van toen Hij werd ontvangen?
Solo
"Toen heeft mij God geopenbaard:
De maagd wordt zwanger en zij baart.
Dit heb ik in mijn hart bewaard:
van zijn Woord werd ik zwanger".
2
Allen:
Wat van toen zij uit Nazareth
zicb naar Judea spoedde?
Solo:
"Hoe juichte toen Elisabeth:
Gezegend zijt gij, vrouwe, met
uw vrucbt! O waaraan dank ik het,
dat komt mijns Heren moeder!"
3
Allen:
Wat heeft Maria ons verteld
van toen Hij was geboren?
Solo
"De herders lieten in bet veld
hun wacbt, zij kwamen toegesneld
en hebben 't hemels lied gemeld
dat voortzong in bun oren."
4
Allen:
Wat van toen Simeon Hem dicht
heeft aan zijn hart gehouden?
Solo:
"Gij laat, Heer, naar Uw woord Uw knecht
in vrede gaan, nu bij Uw licht
voor aller volken aangezicht,
Uw heerlijkheid aanschouwde!"-
5
Allen:
En wat verhaalde zij ons nog
van toen Hij kind was later?
Solo:
'Toen wij Hem misten op de tocbt,
vroeg Hij: Wat hebt gij Mij gezocht?
Want Ik moest doen, gij wist dat toch,
de dingen van mijn Vader. "
6
Allen:
Wie heeft van zo nabij gehoord,
wat God sprak tot de aarde?
Solo:
Maria, moeder van het woord,
spreekt ook in onze oren door
wat zij van God ontving in 't oor
en in haar hart bewaarde.
---
*303
#4
1
Als die koning zal verschijnen,
als hij komt met groot gezag,
worden wij voorgoed de zijnen,
niet meer kinderen van de nacht:
mensen van een nieuwe morgen,
van een nieuwe dageraad
die ons nu nog blijft verborgen
door een horizon van haat.
2
Want een teken is gerezen
en dat heet gerechtigheid.
Wie de nieuwe taal kan lezen
leest: ik kom, houd u gereed!
Wie de nieuwe zon wil groeten
die al aan de einder staat
moet zich blindelings verzoenen:
wie wil winnen is te laat.
3
Vrede zal de aarde kleuren
groen en rood en levend goud
als het gras en als het koren,
als de zon die ons behoudt,
die niet dalen zal en doven
tot een onverschillig zwart
zolang iemand blijft geloven
met zijn bloed en met zijn hart.
4
Liefde zal het leven heten
en de tijd is niet meer boos,
angst en argwaan zijn vergeten,
al wat leeft leeft argeloos,
aller ogen staan als sterren
aan de hemel van die dag.
Wie zal hem de weg versperren
als hij komt? Hij komt vannacht.
---
*304
#11
1
Cantorij:
Heden zult gij zijn glorie aanschouwen
hier is uw God.
2
Allen:
Heden is onze Heiland geboren, Christus de Heer.
3
Cantorij:
God heeft gesproken: Gij zijt mijn zoon,
Ik heb u heden voortgebracht,
koning zijt gij op de dag van uw geboorte.
4
Allen:
Heden zult gij het licht aanschouwen; hier is uw God.
5
Cantorij:
Heden is onze heiland geboren
Christus de Heer.
6
Licht van licht, uit de mensen genomen,
kind ons geboren, zoon ons gegeven.
Hij zal genoemd worden: vrede op aarde.
7
Vrede op aarde voor alle mensen
ere zij God.
8
Allen:
Heden is onze heiland geboren
Christus de Heer.
9
Cantorij:
Zoals de zeebodem bedekt is met water
zo zal de aarde met vrede bedekt zijn.
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt.
10
Wij verkondigen u vol vreugde:
hier is uw God.
11
Allen:
Heden is onze heiland geboren
Christus de Heer.
---
*305
#5
1
In den beginne was het woord.
God, die van eeuwigheid bestond,
stond op en opende zijn mond,
zijn stem wordt tot vandaag gehoord.
2
In den beginne was het woord,
dat alles wat op aarde leeft
met sterke stem geschapen heeft,
waar alle ding aan toebehoort.
3
In den beginne was het woord.
Het liep uit het volmaakte licht
dat glansde om Gods aangezicht,
het heeft de duisternis doorboord.
4
In den beginne was het woord,
dat voor de mensen leven is
en liefelijke lafenis
die binnenin het hart bekoort.
5
Het woord dat vlees geworden is,
het groot en goddelijk begin
dat loopt tussen de mensen in,
dat overwint de duisternis.
---
*306
#3
1
Heer van leven en van dood,
om uw komst in onze nood,
in de kommer van ons lijf,
in ons schuldig wanbedrijf,
om uw stem ons tegemoet,
stamelen wij, wees gegroet.
2
Bron van liefde en geluk,
om uw komst in onze druk,
in de chaos van de tijd,
in de nacht van ons beleid,
om uw lach ons tegemoet,
stamelen wij: wees gegroet.
3
Mens van vrede en van recht,
om uw komst zoals voorzegd,
om uw wandel naar Gods wil,
om uw Rijk, zo sterk en stil,
dat ons drijft U tegemoet,
stamelen wij: wees gegroet.
---
*307
#4
1
Waren wij niet geboren,
hadden wij nooit het licht ervaren,
dan zou alles anders zijn,
heel de wereld valse schijn?
Het geheim van ons bestaan
ligt verborgen in een naam.
2
Kozen wij niet het leven
vol van de hoop op 't wereldwonder?
Grepen wij de kans niet aan
op een onvervalst bestaan?
Elke mens die ademt is
levende geschiedenis.
3
Niemand die wordt geboren
gaat aan het leven zelf ten onder.
Onze schuld en onze spijt
horen bij de werklijkheid.
leder gaat met kwaad en goed
zijn bestemming tegemoet.
4
Vrede! Nu is gekomen
't kind dat de aarde nieuw zal maken.
Een is er die eeuwig leeft
en zijn Zoon gegeven heeft.
Jezus Christus is zijn naam.
Hij, de Heer van ons bestaan.
---
*308
#4
1
God komt op aarde en jij bent het teken;
ons was de medemens niet meer genoeg.
Refrein:
Kind in de kribbe, wij hebben geen woorden;
Kind van God, daarom gezongen dit lied.
2
Weet je wat jou staat te wachten op aarde;
in deze wereld van angst en van pijn?
Refrein
3
Kind van de hoop, je wilt ons laten weten
dat God ons ziet; ons lot trekt Hij Zich aan.
Refrein
4
Help ons elkaar weer als mens te aanvaarden.
Christus, Gods Zoon, geef ons leven weer zin!
Refrein
---
*309
#4
1
Een engel heeft het zelf gezegd:
blijf zorgen voor je bruid.
En Jozef heeft zich neergelegd
bij 't goddelijk besluit.
Ja, Jozef heeft het graag gedaan
en is naar Bethlehem gegaan.
Maria reed op de ezel mee
en hoopte op een legerstee.
2
Een legerstee was nergens meer,
er was alleen een stal.
Daar kwam het kindje, onze Heer
die ons verlossen zal.
En Jozef dacht aan de eerste nood,
hij ging om melk, hij ging om brood.
Maria weende blij en moe
en Jozef dekte 't kindje toe.
3
De wijzen waren weggegaan.
Toen, in de droom bij nacht,
sprak de engel Jozef nogmaals aan:
ontvlucht Herodes' macht.
Naar 't land Egypte ging de reis
en Jozef dacht aan drank en spijs.
Maria reed op de ezel weer
en zorgde voor de lieve Heer.
4
O Jozef, beste timmerman,
de Heer vergeet je niet.
Je gaat, de engel weet ervan,
als alles is geschied,
ons voor naar het beloofde rijk
om met Maria tegelijk
te staan voor Jezus als Hij zegt:
wel u, gij vaderlijke knecht.
---
*310
#4
1
De winter is vergangen,
de aarde rekt zich uit,
zij wacht reeds met verlangen
de volheid van de tijd,
want daar staat Hij gerezen,
de grote Bruidegom,
Zijn naam zal zijn geprezen
al zij 't als in een droom.
2
Hij staat er ons ten goede
in deze slechte tijd,
wij moeten Hem begroeten,
Zon der gerechtigheid;
wij moeten Hem aanbidden,
Zoon Gods en evenknie,
zoals Hij staat temidden
van wet en profetie.
3
De bergen zullen dragen
vrede en zaligheid,
wanneer Gij op komt dagen
die Zoon van David zijt,
o laatste Zoon van Adam,
en eerste Zoon van God,
die door zijn Levensadem
zal opstaan uit de dood.
4
Dit lage mensenleven,
vernederd en veracht,
hoog zal het zijn verheven;
looft God uit alle macht!
De schepping vol verlangen
reikhalst en rekt zich uit;
de winter is vergangen,
Gods mare wordt verbreid.
---
*311
#10
1
Palmzondag
Het lastdier van de vrede draagt mijn Heer,
Gods knecht ten voeten uit rijdt hij ons binnen.
Zal nu de aangename tijd beginnen
en neemt voorgoed de vijandschap een keer?
2
Stille Week
De eigenmacht van mensen is nog groot,
het lijfsbehoud verblindt ons aller ogen.
Dat hier Gods weg gegaan wordt blijft verborgen
en loopt gehoorzaamheid aan Hem dan dood?
3
Door deze dagen heen voert ons de weg
van Hem, die toont hoe vrede bloeit uit lijden.
Waar rondom Hem verraad en leugen strijden
wordt Hij ons als de waarheid aangezegd.
4
Witte Donderdag
Hoe leren wij ontvangen uit zijn hand
wanneer wij tastend nemen om te delen
en eten van het brood, dat ons kan helen,
de beker drinken, vol tot aan de rand.
5
Te kostbaar in Gods ogen is zijn bloed.
Hij maakte het tot drager van het leven.
Wij mogen hoopvol ons op weg begeven
totdat Hij komt als koning. Wees gegroet!
6
Goede Vrijdag
Gestorven is er nu aan alle macht,
en onze pijn, die wij door 't leven dragen.
Waar wij elkaar mee blijven overvragen,
is door Hem afgebroken en volbracht.
7
Stille Zaterdag
In ademloze stilte stokt de tijd.
De zon verbergt zich, wachtend op een teken.
Zal Hij de koude kerkers openbreken,
de dood beroven van zijn liefste buit?
8
Paasnacht
Ons dwalen in de dood is nu gestuit!
Nog zoeken wij er, zonder goed te weten
hoe wij de levenswoorden zijn vergeten
waarmee God de verlorenheid ontsluit.
9
God blaast zijn Geest door onze doodsvallei
en roept: Jij mensenkind, sta op je voeten!
Verrezen zal de Heer ons komen groeten.
De Schriften zijn vervuld, de weg is vrij!
10
Herboren nu, als kind'ren van het licht
zijn wij met Hem begraven en verrezen.
Gods trouw is nu voor altijd af te lezen
aan Hem, die hier een nieuwe schepping sticht.
---
*312
#3
1
Die onze nood is ingegaan,
de pijn van doodalleen te staan,
opdat Hij ons zal vinden,
is als de Helende gekeerd,
Een die de schatten Gods beheert
en deelt met zijn beminden.
2
Die onze nood is ingegaan,
de diepte in bij God vandaan,
opdat Hij ons zou vinden,
is uitgetogen, Jezus leeft
en wie geen deel van leven heeft
herleeft als Zijn beminde.
3
Laat ons nu Hem ten dienste staan
daar waar Hij wacht: Hij roept ons aan
in wie geen helper vinden;
want wie bevrijd is, die bevrijdt
tot iedereen is uitgeleid,
een volk van koningskind'ren.
---
*313
#3
1
Stil ligt de tuin rondom het witte graf
waar zich de Heer voor ons verloren gaf,
vrouwen en vrienden gaan rouwend in het zwart.
Zwaar als een steen weegt droefheid op hun hart.
Hoop is vervlogen en vriendschap weggevlucht.
Alles wat leeft, ja heel de schepping zucht.
2
Drie dagen is zijn stem niet meer gehoord.
Ademloos wacht de wereld op het woord.
Waar is de God die hemel en aarde schiep:
Waar is zijn Zoon die ons bij name riep:
Waarom verlaat Hij nu wat zijn hand begon?
Duisternis overmant het licht der zon.
3
Eeuwige, uw gerechtigheid is groot.
Wek uw Gezalfde, wek Hem uit de dood.
Mogen wij hopen dat bij de dageraad
wij Hem herkennen als Hij voor ons staat:
Wordt dan uw hemelse vrederijk gesticht
hier op de aarde in het morgenlicht:
---
*314
#4
1
De morgen der herschepping gloort.
Het dodenrijk ontsluit zijn poort.
De Zoon des mensen treedt aan 't licht.
Nu is de oude slang gezwicht.
2
De graftuin wordt een paradijs,
waar, naar sinds lang verstoorde wijs,
God zelf de creatuur ontmoet,
als was het op gelijke voet.
3
De kring van bloeien en vergaan
zal niet in eeuwigheid bestaan.
De aarde is geen draak die blind
wat zij gebaard heeft weer verslindt.
4
De nieuwe Adam neemt het woord
en iedereen die bij Hem hoort
die noemt Hij met een nieuwe naam.
Zo brengt Hij aarde en hemel saam.
---
*315
#18
1
Wij loven U met man en macht,
o God van Abrahams geslacht,
uw Naam zij alle roem gebracht
in eeuwigheid.
2
Gij zetelt in uw heiligdom
op cherubijnen in triomf,
de diepten prijzen U alleen
in eeuwigheid.
3
Geloofd Gij op uw troon van vuur,
waar Gij Uw koninkrijk bestuurt.
Het wankelt niet, Gij rekt zijn duur
in eeuwigheid.
4
Gij werken door de Heer gemaakt,
looft Hem, gij engelen die waakt,
loof Hem, gij hemeldak dat blaakt
in eeuwigheid.
5
De waterbogen bovenaan,
de sterren en gij zon en maan:
beschrijft Hem in uw hoofse baan
in eeuwigheid.
6
Daar stijgen druppels uit de zee,
regen en dauw, gij trilt gedwee
en zingt met alle winden mee
in eeuwigheid.
7
Gij wilde vlagen van het weer,
met al uw luimen op en neer,
zomer en winter, juicht de Heer
in eeuwigheid.
8
De rijm die 's nachts de aarde dekt,
het licht dat onze dagen wekt,
prijst God, die alle tijd voltrekt
in eeuwigheid.
9
De kou maakt klein en ingekeerd,
Gods majesteit wordt ons geleerd
door ijs en sneeuw, Hij zij geeerd
in eeuwigheid.
10
Davert de donder door de lucht,
zweepslagen op de wolkenrug,
het onweer roemt de Heer geducht
in eeuwigheid.
11
De aarde glooit, een golvend lied
stijgt boven 't hoogste berggebied,
de kleinste bloem vergeet Hem niet
in eeuwigheid.
12
Fonteinen heffen hymnen aan,
de zeeen, de rivieren gaan in koor,
gestuwd door Liwjathan
in eeuwigheid.
13
De vogels zijn steeds hoog van toon,
het vee beneden is wat loom,
maar loeit en blaat gepast en vroom
in eeuwigheid.
14
Mensen, looft God, leeft van de wind,
weest niet bezorgd, weest welgezind
en zingt met Israel, Gods kind
in eeuwigheid.
15
Gij priesters in het heilig huis,
gij knechten van de offerspijs
die voorgaat: houdt de goede wijs
in eeuwigheid.
16
Gij zielen die aan God behaagt
of die de boze eeuw verdraagt:
Looft God, die trouw en ootmoed vraagt
in eeuwigheid.
17
En wij gedrieen in het vuur,
de hel was bij ons in dit uur.
Aanbidt de Heer; zijn bijstand duurt
in eeuwigheid.
18
Hij heeft ons uit de dood geleid,
de God der goden wint het pleit.
Looft Hem in zijn weldadigheid
in eeuwigheid.
Amen.
---
*316
#3
1
De eerste dag der week,
de wereld is begonnen.
De baaierd raakt van streek,
de hemel staat vol zonnen.
Wat ons het oog bericht
staat in ons hart te lezen.
Wij zien het levenslicht,
nu Christus is verrezen.
2
Het water van de vloed
stond ons al aan de lippen,
het wrakhout van de moed
brak krakend op de klippen,
toen steeg de vogel hoop
op vleugels hooggeprezen;
wij vieren onze doop
nu Christus is verrezen.
3
Wij delen brood en wijn.
Al waren onze zonden
zo rood als karmozijn
ons beeld blijft ongeschonden
Het graf, de moederschoot
zal niet het einde wezen.
Wij leven uit de dood
nu Christus is verrezen.
---
*317
#4
1
Tussen waken, tussen dromen,
in het vroege morgenlicht,
wordt de steen van 't graf genomen,
horen vrouwen het bericht,
dat door dood en duisternis
Jezus leeft en bij ons is.
2
Zij die zich als eersten buigen
over leven in haar schoot,
zijn op Pasen kroongetuigen
van nieuw leven uit de dood.
Vrouwen hebben Hem ontmoet,
weten zich bevrijd voorgoed.
3
Uit een sprakeloos verleden
weggeschoven, ongehoord,
wordt een nieuwe tuin betreden,
open is de laatste poort,
sluiers worden weggedaan:
het is tijd om op te staan.
4
Lente kleurt de kale bomen,
door het leven aangeraakt
bloeien bloemen aan de zomen,
zo wordt alles nieuw gemaakt.
Juichend stemt het leven in
met de toon van het begin.
---
*318
#7
1
Het pure witte licht
van Gods aanwezigheid
is als een bliksemschicht,
een keerpunt in de tijd.
2
In stilte, ongezien
en stralend, onverwacht,
herrijst de Levende
uit dood en donk're nacht.
3
De kruiden van de dood,
zij kunnen weggedaan.
De Opgestane leeft
en spreekt Maria aan.
4
H aar blij getuigenis
zet zich onstuitbaar voort,
dit ongelooflijk nieuws
wordt tot vandaag verwoord.
5
De werkelijkheid van God
breekt in ons leven in
als ruimte, perspektief,
geeft alles nieuwe zin.
6
Waar leven triomfeert,
het dode overwint,
daar bloeit de wereld op
en heel de schepping zingt.
7
Waar Pasen wordt gevierd
is dood voorbijgegaan,
daar wortelt weer de hoop
in 't menselijk bestaan.
---
*319
#10
1
Zeg het aan ieder dat Hij leeft,
en waarlijk opgestaan! -
temidden van de mensen leeft
om zo ons voor te gaan.
2
Laat allen weten, geef het door:
dit hoopvol nieuw bericht,
hoe Hij een hemels koninkrijk
op heel de aarde sticht.
3
Een wereld in dit nieuwe licht
is ons beloofde land.
De goede aarde wordt voltooid,
ontvangen uit Zijn hand.
4
Het nieuwe leven legt beslag
op heel het wereld rond.
Weet, dat het goed is, voor altijd,
klinkt uit Gods eigen mond.
5
Aan 't diepe water van de dood
is nu een grens gesteld.
Een stralend lichtend morgenrood
beschijnt het groene veld.
6
De derde dag: Gods roepend woord
kleurt heel de aarde in.
Een groene lente plant zich voort
zoals in het begin.
7
Als d' aarde op de derde dag
haar rijpe vruchten draagt,
richt zich het leven stralend op
zoals het God behaagt.
8
Het scheidend woord van God gebood!
Aan banden zijn gelegd
de donk're machten van de dood;
Gods hand doet wat Hij zegt.
9
De Heer gaat voor ons allen uit
en brengt ons aan de dag.
Een feest bereidt Hij voor zijn bruid:
het grote paasmaal wacht!
10
Wie zijn gestorven met de droom
en rusten in de nacht:
hun trouw is met dit licht bekroond,
God is het die hen wacht!
---
*320
#4
1
't Zal Pasen zijn
in de woestijn.
Laat dat aan allen weten:
wie buiten de gemeenschap leeft
zal delen in wat God ons geeft,
geen vreemdeling meer heten.
2
't Zal Pasen zijn
in de woestijn,
ook voor wie later komen.
En zelfs de dood verhindert niet
dat God het volle uitzicht biedt
op 't land om in te wonen.
3
't Zal Pasen zijn
in de woestijn.
God zal de weg ons wijzen.
Hij overschaduwt dag en nacht
het volk, dat op zijn roepen wacht,
gereed om af te reizen.
4
't Zal Pasen zijn
in de woestijn:
de vrijheid is verkregen.
Ligt alle macht in hinderlaag
en worden onze voeten traag,
Hij stelt de toekomst zeker.
---
*321
#5
1
Wij loven U, o God, die door het duister
zo liefelijk ons leidt,
Gij gaat ons voor in wolk en vuur,
uw luister verduurt de wereldtijd.
2
Wij zijn op aarde, ons geringe leven
ligt onder het gericht,
terwijl het in de hemel is geheven,
in 't ontoeganklijk licht.
3
Wij zijn maar mensen in onszelf
verloren en door de schijn verblind,
terwijl wij toch als heiligen behoren
bij U, die ons bemint.
4
Wij zijn al dood, wij leven al, wij kijken
over de grenzen heen.
Wij zijn de kinderen van twee koninkrijken,
en God houdt ze bijeen.
5
Wij zijn al dood en worden opgeschreven
in de geschiedenis,
terwijl wij zijn in Christus en ons leven
in God geborgen is.
---
*322
#5
1
De toekomst is al gaande,
lokt ondanks tegenstand
ons weg uit het bestaande
naar eens te vinden land.
2
De toekomst is al gaande,
schept doorgang door de vloed,
dwars door het ongebaande
een pad dat voortgaan doet.
3
De toekomst is al gaande,
een bron in de woestijn
zingt tegen het vergaan in:
de dood zal niet meer zijn.
4
De toekomst is al gaande,
verborgen en gezien,
een stem die te verstaan is,
een God die draagt en dient.
5
De toekomst houdt ons gaande,
voert ondanks tegenstand
ons uit het doods bestaande
naar nieuw, bewoonbaar land.
---
*323
#4
1
Zingt jubilate voor de Heer,
hemel en aarde, looft uw Vader,
engelen, goden, mens en dier,
sterren en stenen, jubilate!
2
Zingt jubilate, dat is goed,
vogels en vissen, licht en water,
bloemen en bomen, vlees en bloed,
lichaam en ziel, zingt jubilate!
3
Zingt jubilate voor de Zoon,
dat hij de hemel heeft verlaten,
dat hij de zonden heeft verzoend,
Jezus Messias, jubilate!
4
Zingt jubilate voor de Geest,
offert de vogel Geest uw adem,
dat hij uw hart met vuur geneest,
weest God indachtig, jubilate!
---
*324
#6
1
Wie op de bodem van de stroom
trouw bleef aan zon en vogeldroom,
die overwint de duisternis,
komt aan het licht zoals een vis.
2
Gezegend die het oppervlak
van dood en duisternis doorbrak,
over de zee gewandeld heeft
en naar het woord van vrede leeft.
3
De mens die redder wordt genoemd,
heeft zich alleen op God beroemd,
was man en vrouw en kind en Geest,
is ons tot troost en kracht geweest.
4
Geloven wij de vogelvis
die uit de dood verrezen is,
die door de deuren is gegaan,
de poorten van de oceaan.
5
Wanneer het water voren had,
bonden wij onze korenschat,
maar nu het diep en dreigend is
geloven wij de vogelvis.
6
Seraf die met ons zij aan zij
gaat aan de ondergang voorbij,
wijs ons hoe langs de vogelbaan
reigers van licht terzijde staan.
---
*325
#5
1
Zwoegend volk van zwervelingen,
die de hand van God vertrouwt;
weldra zult gij vrolijk zingen
als het land van zegeningen
wordt ontvouwd.
2
Wie in 't horen was geduldig
mag zich haasten naar dit oord
met zijn gaven menigvuldig:
hem is God zijn feesten schuldig
woord voor woord.
3
Al zijn dagen zullen lengen
zalig als de zomertijd
als de zon haar goud zal mengen
om de volle oogst te brengen
wijd en zijd.
4
Vurig leven van beminnen
naam tot naam, het oud verhaal
brengt de daden ons te binnen
van het Woord in den beginne,
nieuw van taal.
5
Nieuwe taal van stervelingen,
erfenis van man op man,
ja, dit voortgeplante zingen
is het land van zegeningen:
Kanaan!
---
*326
#4
1
O Pinksterdag,
paasfeest in 't goud:
God heeft ons niet verlaten;
zijn Geest getuigt
zeventigvoud,
brengt ons in alle staten.
2
O hemelvuur
stormende kracht,
als duif hier neergestreken,
brand ons vooruit
door diepe nacht,
de aarde tot een teken.
3
O pracht van God
kolom van licht,
zelf aan het Licht onttogen,
o warmte van
Gods aangezicht:
door U zijn wij bewogen.
4
O Trooster lief
berg ons in U,
wij waren haast verloren:
waar blijft de hoop
als wij niet nu
uit U worden herboren?
---
*327
#3
1
O Vogel Heil'ge Geest,
neerdalend op de hoofden
van wie de Heer beloofde:
'Ik laat u niet verweesd,
in rouw en droefheid achter' -
o Trooster, wie verwachtt' er
een zo verrukkend feest!
2
Want Gij zijt zelf de Heer
die van ons werd genomen,
nu tot ons weergekomen,
een vogel, schoon en teer,
die naar ons toe gedreven
wil nest'len in ons leven
voor nu en immermeer.
3
Leer in ons, Heil'ge Geest,
woon vogel, in ons midden.
ons zingen en ons bidden,
onmachtig en bevreesd,
wil 't op uw wieken dragen
tot aan Gods hart, dit vragen
wij U het allermeest.
---
*328
#4
1
Taal op de tong,
een loflied op de lippen,
prijs ik de dag
voordat het avond is.
2
Gij die uw naam
eer aandoet op de aarde,
ik zing de lof
van uw verrijzenis.
3
Gaat er een licht
de duisternis te boven,
een zon die nacht
en nevel overwint, -
4
ik loof het vuur
dat neerdaalt uit de hoogte
en ook in mij
een nieuwe dag begint.
---
*329
#4
1
Wij ploegen en wij zaaien,
wij zorgen voor het land,
maar groeien en gedijen
zijn in des Heren hand.
Zijn zoele winden raken
de akkertjes zacht aan
en 't leven gaat ontwaken:
zo kiemt en groeit het graan.
Refrein:
Vader in de hemel,
die al het goede geeft,
wij danken U, wij danken U
met al wat leeft.
2
Dan komen dauw en regen
en 't licht van zon en maan:
die dragen ons de zegen
van God de Vader aan.
De vruchtbaarheid der landen,
het rijpe graan, het brood
zijn 't werk van onze handen
en komen toch van God.
Refrein
3
God is begin en einde
van al, dichtbij en ver,
het grootste en het kleinste,
de korrel zand, de ster.
De grashalm en de bomen,
de druppel, de oceaan,
zij zijn van God gekomen,
van Hem komt ooft en graan.
Refrein
4
Hij laat de zon ons schenken
zijn warmte, welgezind,
de wolken de aarde drenken
en Hij bestuurt de wind.
Zo komt Hij ons verblijden
met gaven wondergroot.
Hij geeft de beesten weide
en mensenkind'ren brood.
Refrein
---
*330
#4
1
Zolang wij ademhalen
schept Gij in ons de kracht
om zingend te vertalen
waartoe wij zijn gedacht:
elkaar zijn wij gegeven
tot kleur en samenklank.
De lofzang om het leven
geeft stem aan onze dank.
2
Al is mijn stem gebroken,
mijn adem zonder kracht,
het lied op and're lippen
draagt mij dan door de nacht.
Door ademnood bevangen
of in verdriet verstild:
het lied van Uw verlangen
heeft mij aan 't licht getild!
3
Het donker kan verbleken
door psalmen in de nacht.
De muren kunnen vallen:
zing dan uit alle macht!
God, laat het nooit ontbreken
aan hemelhoog gezang,
waarvan de wijs ons tekent
dit lieve leven lang.
4
Ons lied wordt steeds gedragen
door vleugels van de hoop.
Het stijgt de angst te boven
om leven dat verloopt.
Het zingt van vergezichten,
het ademt van Uw Geest.
In ons gezang mag lichten
het komend bruiloftsfeest.
---
*331
#9
1
Voortgedreven waait de Geest des Heren
en maakt zo geschiedenis.
Vuur verdeelt zich zonder te verteren,
sprekende gelijkenis
van de daden Gods voor alle mensen
boven bidden, boven alle wensen.
Klinkende van mond tot mond,
sprekend in een taalverbond.
2
Aan het einde, in de laatste dagen
komt Gods Geest bij u terecht.
Kinderen en knechten, zij gewagen
van het heil aan u voorzegd.
Ouderen die dromen nieuwe dingen
om de toekomst helder in te zingen
als de dag des HEREN komt,
licht in duisternis vermomd.
3
Zon en maan, de lichten van de Schepping,
staan niet langer hoog en stil:
moeten, na een tijdperk van verheffing,
buigen naar des HEREN wil.
Duisternis en bloed, zij gaan verschijnen
in hun plaats, hun licht zal dan verdwijnen.
Wie de naam Gods klinken doet
blijft behouden, leeft voorgoed.
4
David was een koning en een herder,
die de Heer voor ogen had.
En Gods wegen leidden hem steeds verder
op een vrolijk levenspad.
Aan het dodenrijk niet prijsgegeven,
had hij zicht op toekomst en op leven.
David, koning en profeet,
die voor God en mensen streed.
5
Zoon van David, Jezus, de bevrijder,
zittend aan Gods rechterhand,
broeder van de mensen, medestrijder,
schrijver in het losse zand.
Hij, Die zonder zonde is gebleven,
staat niet eenmaal mensen naar het leven.
Zijn belofte die geneest.
Keer u om, ontvang Zijn Geest.
6
Laat u leiden in de dienst des HEREN,
in gemeenschap, onderricht,
en wil onbetwistbaar allen leren,
hoe men biddersdienst verricht,
hoe men brood zal breken ten behoeve
van de mensen, zonder te bedroeven
wie bevreesd is wat hij doet
en verdelen have en goed.
7
Goud en zilver is ons niet gegeven,
maar wij zeggen: sta toch recht
in de naam van Jezus, Die Zijn leven
in de waagschaal heeft gelegd.
Niet door eigen kracht en godsvrucht zullen
uw aloude wensen zich vervullen,
maar uw leven vangt pas aan
als u opstaat in Zijn naam.
8
Gij zijt kinderen van de profeten,
kinderen van Gods verbond,
dat aan Abraham werd toegemeten
en uit zegening bestond.
Alle volken krijgen heil en zegen
wanneer zij zich metterdaad bewegen
langs het voorgeschreven spoor:
Gods gezalfde ging u voor.
9
Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer,
houd Gij bij ons uw intocht, Heer,
Kom Schepper, Geest!
---
*332
#4
1
De nacht is voorbij,
de morgen breekt aan,
de dag waarop wij
de stad binnengaan.
Geen lamp is daar nodig,
de maan is te klein,
de zon overbodig,
geen nacht zal daar zijn.
Refrein:
De maan zal verbleken,
de zon dooft haar vlam
als God zal ontsteken
het licht van het Lam.
2
Het licht dat er straalt
verlicht dag en nacht
en niemand verdwaalt,
het Lam houdt de wacht.
De poorten staan open
en gaan niet meer dicht
want wie er zal lopen
die wandelt in 't licht.
Refrein
3
God zelf komt en Hij
treedt ons tegemoet
en zegt wat Hij zei,
Hij zegt: Het is goed!
Het duister moet zwichten
de dageraad lacht,
het Lam zal verlichten
wie gaan in de nacht.
Refrein
4
O stad van het licht
en straten van goud,
looft Hem die u sticht,
de Heer die u bouwt!
Daal neer op de wolken
de hemelen uit,
getooid voor de volken,
o stralende bruid!
Refrein
---
*333
#6
1
God, die ons ooit bevrijdde,
wilt Gij ons verder leiden,
gaat Gij nog lichtend voor?
Zijn wij uw trouw indachtig
of blijven wij onmachtig,
verzand in 't zelfgenoegzaam spoor?
2
Gij zijt ons bijgebleven!
Met vrijheid om te leven
hebt Gij God, ons bedacht.
Die weldaad te gedenken
is levensruimte schenken
wie rechteloos wordt omgebracht.
3
Een haven voor de vreemde,
een huis voor de ontheemde,
een veilig toevluchtsoord,
een vrijplaats van vertrouwen:
God, laat uw kerk zo bouwen
aan 't erfdeel, dat U toebehoort.
4
Gij hebt de wraak beteugeld
en hoedt onder uw vleugels
het vluchtend mensenkind.
Zijn adem is u heilig;
waar anders is hij veilig?
Zo waar uw Naam bij ons weerklinkt!
5
Hoor van de aarde schreeuwen
het bloed van zoveel eeuwen,
zo kostbaar in uw oog.
Zult Gij het recht beperken
van machtigen en sterken?
Maak klein, o God, wie zich verhoogt.
6
Wees dan omlaag gebeden,
gij gouden stad van vrede
en anker u op aard.
Jeruzalem, wij dromen
van u als onderkomen
waar God ons voor de dood bewaart!
---
*334
#4
1
Een kwetsbaar onderkomen
staat opgericht.
De sterren doen er dromen
van groter licht.
De koele avondwind waait
de loofhut door.
Wij schuilen er als pelgrims
op 't goede spoor.
2
Wij zingen zeven dagen
de goede wijs
en dromen van het einde
van deze reis.
De palmen wuiven vrede
naar alle kant:
Hosanna, help ons Heer,
Uw woord gestand.
3
Wij vlechten deze dagen
in zekerheid
dat God ons thuis zal vragen
aan 't eind der tijd.
De loofhut van Zijn vrede
op vaste grond,
als Hij een huis zal bouwen
de wereld rond.
4
God, doe uw hemel open,
geef vergezicht!
Wij zien niet, maar verwachten
een berg van licht.
Uw tent is over allen
dan uitgebreid:
U zelf zult bij hen wonen
in eeuwigheid!
---
*335
#5
1
De vreugde die het hart verwarmt
wordt als Gods liefste woord omarmd,
ontsluiert ons het leven.
De bruiloft van zijn woord en wet
heeft ons tot dansen aangezet,
de volle maat gegeven.
2
Refrein:
Kom, Vreugde, laat je drinken!
Kom Vreugde, smaak zo zoet,
dat ik wel dansen moet!
Kom, Vreugde, laat je drinken,
dat ik wel dansen moet!
3
Wij putten water uit de rots.
Wij drinken van de adem Gods
geknield aan levend water
en zien weerspiegeld naar Zijn Beeld
hoe Gods genade mensen heelt
en bloeien doet op aarde.
Refrein
4
Geworteld aan de waterkant
vinden wij, rond de bron geplant
tegen de dood bescherming.
Bekroond met leven dragen wij
takken vol vruchten wijd en zijd:
een loofhut van ontferming.
Refrein
5
Een schuilplaats zijn wij voor elkaar:
en recht en vrede bloeien waar
wij zijn tora begroeten.
De hemel spreekt zijn woord van licht,
ons oog ziet in een vergezicht
een weg voor onze voeten!
Refrein
---
*336
#6
1
Schuldig staan wij voor U, Heer.
Schuldig, onweersproken.
Tel de duizendmaal dat wij
U hebben ontbroken.
Zie ons aan:
onze naam
had Gij opgeschreven
in uw boek des levens.
2
Hoezeer hebben wij ontzegd
doorgang aan het leven.
Mensen hebben wij ontrecht,
steen voor brood gegeven.
Keer op keer
ziet Gij, Heer,
't werk van onze handen
vruchteloos verzanden.
3
Schuilend in de eigen schuld,
toevend in het duister,
proeven wij uw groot geduld,
weten wij: Gij luistert
en Gij ziet ons verdriet.
Gij hoort al ons klagen
om verloren dagen.
4
Zwijgen zullen wij dit uur,
uw verdwijnen duchten.
Kent uw trouw nog lange duur
als wij u ontvluchten?
Maar Gij wacht
en de nacht,
vol van bange vragen,
wilt Gij van ons dragen.
5
Onze ontrouw hebt Gij ver
achter U geworpen.
Nu is ons uw aangezicht
als een nieuwe morgen.
Uw gericht
schept ons licht,
heeft voor onze zonden
vrijspraak weer gevonden.
6
Nu Gij ons gereinigd hebt
en als nieuw herschapen,
reikt Gij ons het leven weer,
dauwend van genade.
God, uw gloed
doet ons goed!
Laat ons adem halen
in uw zonnestralen.
---
*337
#1
1
Hoor, herder, hoor, Gij die Jozef leidt,
Gij die op de cherubs troont,
verschijn ons nu, o Herder van Israel.
---
*338
#11
1
solo: Gij, eens een bevrijder,
zult Gij ons nu nog horen?
Gij, ooit in ons midden,
keert Gij U weer naar ons toe?
koor: Laat Uw oog weer op ons rusten.
Geef ons niet prijs aan onze wildernis!
Gaan wij U niet meer ter harte?
2
Allen: Ontferm U, Heer naar de maat van Uw liefde!
Ontferm U toch met de ruimte van Uw hart!
3
solo: Hoe hoopvol heeft Uw oog ons gezocht;
doof bleven wij
voor de roep van Uw trouw.
Wij dachten te vinden
een nieuw geluk
buiten bereik van Uw liefde;
wij vonden de dood,
vogelvrij en verlaten.
4
koor: Laat Uw oog weer op ons rusten.
Geef ons niet prijs aan onze wildernis!
Gaan wij U niet meer ter harte?
5
Allen: Ontferm U, Heer naar de maat van Uw liefde!
Ontferm U toch met de ruimte van Uw hart!
6
solo: Over de grenzen van Uw genade
is er geen leven:
dat weten wij nu.
Eigenzinnig ons verlangen,
zelfgenoegzaam onze gangen:
zochten wij andere goden,
onderdrukkers hebben wij gevonden.
Nergens de vrede voluit, als bij U.
Zijn wij dan reddeloos?
Is het te laat nu Uw Naam nog te noemen?
7
koor: Laat Uw oog weer op ons rusten.
Geef ons niet prijs aan onze wildernis!
Gaan wij U niet meer ter harte?
8
Allen: Ontferm U, Heer naar de maat van Uw liefde!
Ontferm U toch met de ruimte van Uw hart!
9
solo: U hebben wij verlaten,
Uw stem liet ons onberoerd.
Gij hebt Uw handen van ons afgetrokken,
Gij hebt U verborgen
achter de wolken van Uw verdriet,
en ons bedekt met het donker van Uw verdwijnen.
Is er een weg die ons weer bij U thuis brengt?
Is er een ruimte onder Uw aangezicht?
10
koor: Laat Uw oog weer op ons rusten.
Geef ons niet prijs aan onze wildernis!
Gaan wij U niet meer ter harte?
11
Allen: Ontferm U, Heer naar de maat van Uw liefde!
Ontferm U toch met de ruimte van Uw hart!
---
*339
#3
1
Heer, spreek mij aan, zodat ik hoor,
ik buig mijn hoofd, ik neig mijn oor.
Trek door de akker van mijn hart,
trek door mijn zonden, zwaar en zwart,
uw langgerekte, diepe voor.
2
Heer, spreek mij aan zodat ik hoor,
maak open mijn gesloten oor;
Gij zaait uw woord als zuiver zaad,
uw Geest is als de wind die waait,
uw Rijk het koren dat Gij maait.
3
Heer, spreek mij aan zodat ik hoor,
spreek zacht in mijn ontsloten oor.
Al zie ik U, o Zaaier, niet,
ik hoor U wel, Gij zaait een lied
dat hoger groeit dan mijn verdriet.
---
*340
#10
1
Laat ons bidden uit gemis
tot God die liefde is
en Hem om ontferming smeken,
want het lijden is zo groot
en Hem vragen recht te spreken,
want de wereld is in nood.
2
Laat ons bidden voor het kind
dat zijn leven pas begint;
voor de kind'ren aller landen
van wie God de namen weet,
dat hun toekomst niet zal stranden
op de klip die oorlog heet.
3
Voor de zieke man of vrouw
die verlangt naar onze trouw;
voor wie eenzaam is gebleven
of wie eenzaam is gemaakt,
dat zij met de kus des vredes
heden worden aangeraakt.
4
Voor de mensen die in nood
zoeken naar de goede dood,
die door iedereen verlaten,
heel alleen met hun verdriet,
niet meer hopen, niet meer praten,
Heer, vergeet ook dezen niet.
5
Voor wie doodsangst overmant,
dat zij vallen in Uw hand.
Laat een engel hen geleiden
uit het duister naar het licht;
toon hen als voorgoed bevrijden
uw genadig aangezicht.
6
Voor de zwakken die ontdaan
macht'loos door de wereld gaan;
voor de doven en de blinden,
voor de mensen zonder stem,
dat zij eigen wegen vinden
naar het nieuw Jeruzalem.
7
Voor wie angstig en beducht
voor zijn leven is gevlucht,
en een vreemdeling moet wezen,
tegen haat en nijd bestand,
dat het heimwee zal genezen
naar zijn lief geboorteland.
8
Voor al wie geworpen is
diep in de gevangenis,
dat hun naam niet wordt vergeten,
als voor ons de zon opgaat.
Geef de wereld een geweten,
en verlos ons van het kwaad.
9
Voor het volk dat wordt gekweld
door de macht van bruut geweld,
dat met al de droefenissen
van het heilloos onrecht leeft
en in plaats van brood en vissen
tranen tot zijn spijze heeft.
10
Here, sluit Uw oren niet
voor dit kleine mensenlied.
Gij kent al die duizendtallen
die het zingen wordt belet.
Heer, erbarm U over allen.
Heer, verhoor ons smeekgebed
---
*341
#3
1
Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen.
Ons hart is aan de Eeuwige gewijd,
die hoger is verheven dan de wolken
en als een helper neerdaalt in de tijd.
2
Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen.
Hij houdt de hele wereld in zijn hand.
Hij is de grote Koning van de volken
en zeer nabij de kleinen in het land.
3
Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen.
Wij gaan de pleinen op, de straten in
om menselijk zijn liefde te vertolken.
Dit is de dag, het uur, een nieuw begin.
---
*342
#3
1
God, die mij riep, nog voor ik in mijn moederschoot
door Uw volmaakte hand tot mens-zijn werd geweven;
toen Gij mij schiep wist Gij van leven en van dood,
mijn aardse vaderland, de dagen van mijn leven.
2
Ik roep tot U, ik ben getekend met uw Naam
het water op mijn hoofd, de woorden van mijn leven.
Blijf met mij nu, ook als ik moet de dood ingaan,
van hoop en licht beroofd, de dag van vrees en beven.
3
Nu komt het kwaad, dat schuilgaat in gestalten schoon
en mij om U begeert: mijn leven is omstreden.
Maar om mij staat de schare van uw lieve Zoon
die 't kwade van mij weert door smeken en gebeden.
---
*343
#3
1
Christus ging als eerste
waar het water stond,
waar de diepte heerste
schiep Hij vaste grond.
Refrein:
Al wat wij misdeden
is met Hem vergaan,
wie gelooft is heden
met Hem opgestaan.
2
Christus trok als eerste
door de doodsjordaan,
wat als scheiding heerste
kan niet meer bestaan.
Refrein
3
Christus staat als eerste
voor Gods aangezicht,
waar de doodsnacht heerste
wenkt en lacht het licht.
Refrein
---
*344
#6
1
De schepper spreekt, maakt scheiding en geeft namen.
De aarde voegt zich naar zijn verre stem.
Maar met de mens komt hij vertrouw'lijk samen.
Van hoe nabij beroert zijn adem hem.
2
Hij trekt hem eigenhandig uit de aarde.
Hij stelt hem door zijn woord op zijn gemak.
Hij meet hem toe een afgemeten gaarde.
Hij geeft hem tijd en taak en onderdak.
3
Waar dieren naar hun aard zich laten noden
wordt hij geroepen als Gods evenbeeld.
Zijn wereld is bevrijd van vreemde goden.
De afgrond is een draak waar God mee speelt.
4
Maar in de ribben die zijn hart omsluiten
slaat God een bres die Hij bedekt met huid,
die hem genaakbaar, kwetsbaar maakt naar buiten,
een breuk die hem verenigt met zijn bruid.
5
Het schepsel spreekt, ontdekt de ware namen.
Ook hij houdt dag en duisternis uiteen.
Laat God en mens nu mensen maken samen,
al stamt het samenzijn uit God alleen.
6
Gezegend hij die zich zijn plaats laat wijzen!
Zijn wereld blijft tegen het niets bestand.
Na elke nacht zal hij de zon zien rijzen.
Door water heen vindt hij het goede land.
---
*345
#7
1
Als enkeling noem ik de namen,
waarmee ik een ander bemin.
God zelf voegt die namen tezamen
en schenkt ze een diepere zin.
2
Om samen de dagen te delen,
de nachten, het donker en licht,
om mijn hulpeloosheid te helen
heeft God ons elkaar toegedicht.
3
Wij zijn naar Zijn beeld uitgesproken,
Hij heeft ons op liefde gebouwd;
met woorden - nog nimmer verbroken
Zijn aarde aan ons toevertrouwd.
4
Waar liefde bevrijdt tot de vrede
geschiedt ons God zelf ongehoord!
De taal van ons lichaam als bede:
ons vlees heeft Zijn liefde verwoord.
5
Elkaar als genade te lezen,
als toekomst in handen gespeeld
voorbij aan ons eenzaam verleden:
die vreugde wordt samen gedeeld.
6
En waar wij ons blijven verhullen,
de schaamte armzalig bedekt,
heeft God, om Zijn Naam te vervullen,
vergeving tot leven gewekt.
7
O adem van God, doe ons leven
en wek in ons blijvend het vuur!
Gij hebt onze harten beschreven
met trouw voor de langere duur.
---
*346
#4
1
Het Woord brengt de waarheid teweeg.
Het veranderde in den beginne
een aarde die woest was en leeg
tot een lusthof voor ziel en zinnen.
2
Het Woord dat de wereld schiep
is het Woord dat klonk door de eeuwen,
is het woord dat Abraham riep
en Daniel tussen de leeuwen.
3
Het Woord dat God was bij God,
tussen mensen een mens werd op aarde,
dat in het armzaligste lot
zijn heerlijkheid openbaarde.
4
Het onvergelijkelijk Woord
met een hemelse hand geschreven
wordt in onze harten gehoord:
onze weg, onze waarheid, ons leven.
---
*347
#5
1
Nooit lichter ving de lente aan
dan toen uw hand ons volk bevrijdde.
Hoe hebben w' in dat schoon getijde
verheugd maar huiverend verstaan:
Gods vijanden vergaan.
2
De winter leek voorgoed voorbij
en voor ons lag de volle zomer;
de macht was eindlijk aan de dromer,
de nieuwe mens, zo droomden wij,
verbrak de slavernij.
3
Maar winters werd het in dit land;
't is kil rondom en in ons midden,
in onze mond verstart het bidden,
doodskou gaat uit van onze hand
naar mens en dier en plant.
4
O God, wat zijn wij dwaas geweest,
dat we aan de vrijheid zo gewenden,
dat wij de vijand niet herkenden,
in opstand tegen U, het meest
in eigen hart en geest.
5
Vergeef het ons! Raak ons weer aan
met levensadem, lente-tijding,
en doe met krachten ter bevrijding
ons hier in Christus' vrijheid staan.
God, laat ons niet vergaan!
---
*348
#5
1
Het bloed van Abel roept
omhoog van onze aarde.
Roept het om wraak of zoekt
het hemelse genade
voor hem die is vervloekt?
2
Het bloed schrijft op de grond
het raadsel van het leven,
tot in het hart gewond,
ten dode opgeschreven
al in de morgenstond.
3
De mens die naar Gods beeld
in goedheid was geschapen
vervallen aan geweld,
tegen de mens te wapen,
tegen zichzelf verdeeld.
4
Jezus schrijft in het zand
de wonderlijke woorden
die in het zinsverband
der schepping thuisbehoren
en Hij doet ze gestand.
5
Zijn bloed schrijft op de grond:
er komt een nieuwe aarde.
Het roept uit elke wond
het wonder der genade.
Zijn bloed komt over ons.
---
*349
#3
1
Wat vrolijk over U geschreven staat:
dat Gij zijt de gloed van al wat leeft,
de ziel die vonkt of als een brand uitslaat,
de adembron die ons te drinken geeft.
2
wat vurig staat geschreven: dat Gij komt
"redden wat verloren is," dat woord,
dat Gij het hart hebt, ogen, dat Gij hoort,
"Ik zal er zijn," zonsopgang, nieuw verbond,
3
dat hoge woord, geschreven wit op zwart,
trouw van trouw, hoe heeft het ons bevrijd,
beschaamd, vervoerd, getroost, dan weer getart
Hoe dorsten wij te weten wie Gij zijt.
---
*350
#4
1
Heer Jezus, denk aan mij,
delg uit mijn zware schuld;
maak mij van binnen rein en vrij,
geheel van U vervuld.
2
Heer Jezus, denk aan mij
en laat mij niet alleen;
maar loods mij naar uw overzij
door nacht en nevel heen.
3
Heer Jezus, denk aan mij
wanneer de storm opsteekt
en het tumult van wind en tij
alle aardse houvast breekt
4
Heer Jezus, denk aan mij
opdat ik, na de vloed,
uw eeuwig licht aanschouw en gij
mijn haven zijt voorgoed.
---
*351
#5
1
Geen plaats voor zijn hoofd,
geen grond voor zijn voeten,
een doorn in het oog,
wie wil hem ontmoeten.
2
Geen hol als de vos
geen nest als de vogels
een man zonder God
hij maakt je wanhopig.
3
Geen deur en geen weg
geen mens onder mensen
geen vrijheid geen recht
wie zou hem zich wensen.
4
Een vlam in de nacht
een stem door de stilte
een hand op je hart
een storm in ons midden.
5
Ons dagelijks brood
een broeder van verre
een redder in nood
hij zal voor ons sterven.
---
*352
#4
1
Geef, o Heer, dat onze namen
in Uw licht te lezen zijn,
zoals lijnen in de ramen
door het zonlicht zichtbaar zijn.
2
Als de dag dreigt weg te dromen,
als de nacht zich binnendringt
en niet aan het licht doet komen
dat Gij ons bestaan omringt,
3
schrijf dan onze namen over
met uw stift van louter licht,
laat de letters - ach, hoe pover -
lijnen zijn van uw gezicht!
4
Straal vandaag door alle ramen
met uw zomerzonneschijn;
Heer, dan zullen onze namen
in uw licht te lezen zijn.
---
*353
#5
1
Vroeg ik mijn denken
of God wel bestond -
kreeg ik tot antwoord
alleen een niet weten.
2
Vroeg ik mijn voeten
zo lang al op pad -
wisten zij enkel
van kuilen en stenen.
3
Vroeg ik mijn handen.
wat is er rondom -
wisten zij enkel
van grijpen in leegte.
4
vroeg ik mijn ogen,
op wacht aan hun deur -
wisten zij enkel:
bet licbt is geweken.
5
Vroeg ik mijn oren -
eindlijk gehoor
weet ik verwonderd:
daar is Hij, hoor: spreken.
---
*354
#3
1
Zo vriendelijk en veilig als het licht
zoals een mantel om mij heengeslagen
zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht,
ik roep zijn naam, bestorm Hem met mijn vragen,
dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.
Wil mij behoeden en op handen dragen.
2
Want waar ben ik, als Gij niet wijd en zijd
waakt over mij en over al mijn gangen.
Wie zou ik worden, waart Gij niet bereid
om, als ik val, mij telkens op te vangen.
Ik leef niet echt, als Gij niet met mij zijt.
Ik moet in lief en leed naar U verlangen.
3
Spreek Gij het woord, dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.
Ontsteek die vreugde die geen einde heeft,
wil alle liefde aan uw mens besteden.
Wees Gij vandaag mijn brood, zowaar Gij leeft -
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.
---
*355
#4
1
Toen onze moeder Sara was gestorven
heeft Abraham voor haar een graf verworven.
Dat was voor hem van het beloofde land
een onderpand.
2
De vaders van het volk zijn daar begraven
en ook de moeders, die het leven gaven
aan het geslacht, dat hoort naar Gods bevel,
Gods Israel.
3
Wij bergen onze doden in de aarde,
waarover God zijn heilsplan openbaarde.
De grond, waarin zij rusten, ongestoord
het is Gods Woord.
4
Het Woord, dat hier belovend heeft geklonken,
krijgt van omhoog vervulling ingeschonken.
Straks roept de Here Christus tot zijn bruid:
liefste, kom uit!
---
*356
#3
1
Zij is een vrouw van naam in Israel.
Zij is een vrouw die volkeren mag schragen.
Zij draagt haar naam op goddelijk bevel:
Sara, gezegend tot in onze dagen.
Hoe donker ook de wegen en hoe smal,
vrouwen van Naam, zij zullen niet versagen.
2
Al blijft vergeefs ons zoeken naar het woord
dat uit den hoge tot u werd gesproken,
vrouw die het ongehoorde hebt gehoord,
zwervend terzijde in uw tent gedoken -
een lach, een wenk, een samenhang verstoord
vrouw, naar een nieuwe toekomst opgebroken
3
Hoog heeft de Heilige uw woord geschat:
'In alles wat zij zegt, wil naar haar horen.'
Uit u, die om uw volk geleden had
zijn koningen van volkeren geboren.
Aartsmoeder Sara, sterre op ons pad,
in wie de glans van Israel mocht gloren.
---
*357
#3
1
"Ik droomde een droom",
heeft Jozef zijn broeders verteld.
"Het koren was af
en we bonden de schoven op 't veld.
Toen bogen de schoven
zich rij aan rij voor de
schoof die bleef staan,
de schoof van mij!"
2
"Ik droomde een droom",
heeft Jozef zijn broeders gezegd,
"de nacht was gedaald,
en de aarde te slapen gelegd.
Toen bogen de sterren
met zon en maan
zich vol eerbied ter neer,
mijn ster bleef staan!"
3
"Wat droom jij voor droom?"
heeft Jakob aan Jozef gevraagd,
"die droom van vannacht
van de sterren was veel te gewaagd."
Toch buigen zij allen
van groot tot klein,
want de dromer van nu
zal Koning zijn!
---
*358
#5
1
Langs de luchten snelt een spoor:
in zijn grootheid onbeteugeld
kiest een arend
zelf zijn banen
op de breedte van zijn vleugels.
In zijn vrijheid hemelhoog
plotseling de diepte zoekend
op de wieken van de wind
doet zijn schaduw
enkel raden
waar hij zijn bestemming vindt.
2
Weg uit hun geborgenheid
kiezen jongen zelf de wegen.
Zij ontglippen
naar de diepte
tot hij breeduit aan komt zweven.
Van de bodemloze dood
redt hij hen - zij zijn omgeven,
nooit verloren uit zijn oog.
Vleugelslagen
die hen dragen,
opgeheven tot omhoog.
3
Boven al mijn kennen uit
wordt God tastend uitgesproken.
Hem vermoed ik
en Hem zoek ik
uit mijn woorden weggebroken.
Maar ik vind Hem zeer nabij
mensen in hun bloei gebroken,
ruw verbrijzeld, vol van pijn.
Hen omarmt Hij
en verwarmend
wil Hij hen ter hulpe zijn.
4
God toch is mijn wegen voor.
Denk ik mij alleen gelaten
- hard geslagen,
vol van vragen
aan een schaduw, die voorbijging -
komt Hij, kruist mijn stuurloos spoor,
tilt mij op uit de bedreiging.
Ik ontdek Hem heel nabij.
Opgeheven
tot het leven
in de vrijheid, draagt Hij mij.
5
Zo doet God zijn kind'ren goed,
wil Hij van zich laten spreken.
Hij bewaart ons
als een arend,
klaar om onze val te breken.
Hij wil ons de goede moed
en vernieuwde krachten geven.
Zullen wij niet - opgestaan,
in Zijn handen
opgevangen -
als op vleugels verder gaan?
---
*359
#10
1
De aangewezen weg,
een nieuw geschapen plek,
een huis onder de mensen
is onze God,
en wie zich tot
zijn aangezicht wil wensen,
wordt bij zijn gaan en staan verlicht,
in heelheid opgericht.
2
Keervers:
Heilig zult gij zijn,
want Ik, uw God ben heilig!
Leef samen in bevrijd gebied:
daar zijn uw wegen veilig!
3
Wij dragen vruchten aan
en danken ons bestaan
aan Hem, die 't heeft gegeven.
Ons offer is
vol van gemis,
vol van geschonden leven
dat Hij vervult en weer geneest,
beademt met Zijn Geest.
Keervers
4
Ons leven wordt verlamd
door macht van eigen hand.
Wij zijn zover te zoeken.
Vanuit Gods tent
roept ons Zijn stem
om naderbij te komen,
opdat Hij ons verzoening schenkt
en bij elkander brengt.
Keervers
5
Hier vinden wij de weg
en komen wij terecht:
ons leven wordt een antwoord.
En keer op keer
leggen wij neer
de daden onzer dagen;
wij delen rondom Gods altaar
het leven met elkaar.
Keervers
6
Een scheiding tussen rein
en onrein zal er zijn
opdat de mensen weten
dat doodsheid kleeft
aan veel dat leeft
aan wat zij doen en spreken.
Ons leven zal gelouterd zijn
en onze lippen rein.
Keervers
7
Ikzelf heb u bevrijd,
de slaafsheid uitgeleid,
hoe zoudt gij dan benemen
de ruimte van
elk ander man,
niet troosten hen, die wenen?
Waar wordt geleefd met open hand
is Mijn beloofde land.
Keervers
8
Weest werkzaam op uw tijd
maar vier Mijn heiligheid
als kroon op al uw dagen.
Want eenmaal zal
ook overal
een feest van vrijheid dagen.
Gedenk, opdat ge nooit vergeet
alwat ik voor u deed!
Keervers
9
Alwat geschapen is
en telt als uw bezit
blijft rusten in Mijn handen.
Want mens noch dier,
de akker hier
ligt ooit voorgoed aan banden.
Hergeef het recht om vrij te zijn:
want het is alles MIJN!
Keervers
10
God is het Woord van het begin;
het blaast de mens nieuw leven in.
---
*360
#2
1
De aangewezen weg,
een nieuw geschapen plek,
een huis onder de mensen
is onze God
en wie zich tot
zijn aangezicht wil wensen
wordt bij zijn gaan en staan verlicht,
in heelheid opgericht.
2
Keervers:
Heilig zult gij zijn,
want Ik, uw God ben heilig!
Leef samen in bevrijd gebied:
daar zijn uw wegen veilig!
---
*361
#6
1
Groot en geducht is HIJ,
Die goedertieren is
en de verbintenis
met mensen recht en slecht
heeft toegezegd.
2
Refrein:
Gedenk mij, mijn God!
Neem mij onder Uw hoede,
Gedenk mij, mijn God!
Gedenk mij, God ten goede.
3
Groot en geducht is HIJ,
Die hoog verheven is
en de gedachtenis
aan woorden ons ten baat
niet sterven laat.
Refrein
4
Groot en geducht is HIJ,
Die steeds rechtvaardig is
en vol vergiffenis
van harte kwaad vergeeft
aan alwie leeft.
Refrein
5
Groot en geducht is HIJ,
Die nooit geweken is,
Wiens naam het teken is
van wat HIJ vraagt of schenkt
en samenbrengt.
Refrein
6
Groot en geducht is HIJ,
Die ons genegen is
in licht en duisternis,
ons met Zijn goede Geest
voorgoed geneest.
Refrein
---
*362
#7
1
Een huis moet zijn gebouwd,
gebouwd om in te wonen
terwille van de naam
die God zijn volk wil tonen.
2
Een huis, een plaats van licht
en God, gehuld in duister,
verbergt zijn aangezicht.
Zijn naam verschijnt in luister.
3
Een huis voor iedereen
die bij Gods gunst wil leven,
om gaven HEM alleen
te gunnen en te geven.
4
Een huis om welgemoed
de dagen in te zingen
De koning tegemoet,
het kwade te bedwingen.
5
Een huis dat zich verdeelt
als het zich uit wil breiden,
dat wonden niet meer heelt,
moet pijn en moeite lijden.
6
Een huis dat zonneklaar
een heilig huis wil wezen:
de HERE God is daar.
Dient HEM nu en na dezen
7
Een huis - om onverdacht
de liefde aan te vuren -
moet men met alle kracht,
hart en verstand besturen!
---
*363
#3
1
Ontferming heeft God toegezegd,
een nieuwe naam voor wie was zoekgeraakt;
de sterke kent zijn eigen recht,
maar Hij heeft het verachte groot gemaakt:
een herder niet bedacht
op eigen winst en macht,
die weer de schapen voeren zal
naar 't lieflijk dal
waar eigenwaan
heeft afgedaan.
2
De Davidsnaam, opnieuw van kracht,
is door God reddend in het veld gebracht.
Voor wie nog zelfgenoegzaam dacht
komt nu een einde aan zijn wrede macht.
Waar men nog mensen knecht
herneemt de Heer het recht;
Hij heeft zich over hen ontfermd,
henzelf beschermd.
Hij richt omhoog
wat zich nog boog.
3
Een herder, die zijn schapen roept,
hun namen noemt met diepe innigheid,
die voor hen uit de ruimte zoekt
en hen voorgoed naar hun bestemming leidt.
Hij brengt ze in het veld
waar, vrij van macht en geweld,
de groene lente wordt gedeeld;
de wonden zijn
met alle pijn
voorgoed geheeld.
---
*364
#7
1
Mijn lief plantte een wijngaard aan en deed
er duizend ranken staan
aan eedle stokken, fijn van blad,
het beste dat de aarde had.
2
Mijn lief gunde zich rust noch duur
en werkte tot het laatste uur
met hak en hamer, mes en spa,
dat komt een goede gaard te sta!
3
Een perskuip hieuw hij, voor de vrucht,
een stapeltoren, in de lucht,
om uit te zien naar welke dief
de gaard zou roven van mijn lief.
4
Zo zwoegde hij een lente lang;
maar toen de tijd der vruchten kwam,
bloeide de gaarde wild en zuur,
geen tros was goed binnen haar muur.
5
Wat zal hij doen, mijn lief, mijn God,
doet hij zijn gaard verworden tot
een wildernis vol netelbrand,
een wijkplaats voor het wild van 't land?
6
Het zou zijn goede recht zijn, want
hij is de eigenaar van 't land
en jij bent zelf, Jeruzalem,
de tuin, het eigendom van Hem.
7
Let goed op wat voor vrucht je draagt,
en of je wel mijn lief behaagt
met duizend ranken, tot zijn eer,
o wijngaard van de lieve Heer!
---
*365
#4
1
Troost, troost mijn volk! zo zegt uw God,
zit langer niet terneder;
roep, alle droefenis ten spot:
"Jeruzalem, 't is vrede!
Uw lijdenstijd is om, vat moed,
de schuld is u vergeven;
God heeft u toch in overvloed,
ja dubbel weer gegeven
het kwaad door u bedreven".
2
Er roept een stem: "Bereidt den Heer
een weg door woestenijen!"
Heft u, gij dalen, buigt u neer,
gij bergen, tot valleien
voor Hem, die bij ons in de tijd,
gelijk Hij sprak, wil wonen.
Straks zal de Heer zijn heerlijkheid
aan alle volken tonen,
hen maken tot zijn zonen.
3
Een stem zegt: "Roep". Maar ach, wat zal
ik roepen, waarin roemen?
Want alle vlees is gras en al
zijn schoonheid broos als bloemen.
Het gras verdort, de bloem valt af,
als d' ademtocht des HEREN
daarover waait, - ons wacht het graf.
Gods Woord slechts, hoog te eren,
zal alle storm trotseren.
4
Klim op een berg, verhef uw stem
o Sion, vreugdebode!
Zeg tot uw volk, Jeruzalem:
"Hier is de God der goden!"
Hij komt! - zie, zijn vergelding gaat
voor Hem uit door de tijden
Uw God is 't, die de vorsten slaat.
Maar u zal Hij bevrijden
en als een herder weiden.
---
*366
#7
1
Zo zegt de Here u, der goden God:
"Ik ben de eerste en Ik ben de laatste,
ja, buiten Mij is er voorwaar geen God,
niemand die Israel in 't leven plaatste.
Weest niet verschrikt, de Here is uw rots,
o, welke god wilt gij dan als mijn naaste?"
2
Die beelden maken scheppen ijdelheid;
hun maaksels zijn slechts nutteloze wezens:
zij weten niets, hun hoofd is ledigheid,
hun ogen zijn van glas, dus zonder leven.
Wie op hen hoopt, hoopt op een stenen hart -
wie zou zijn eigen hart aan zoiets geven?
3
De smid bewerkt het ijzer in de gloed,
en met zijn hamer modelleert hij goden.
Hij werkt tot 's avonds laat soms, als het moet,
want voor zo'n god wordt hem veel geld geboden
Dan eet hij weinig, en zijn arm wordt moe
tot hem de kracht tenslotte is ontvloden.
4
De timmerman kleedt dan zo'n beeld nog aan,
bewerkt de god met schaven en met beitels,
geeft hem de beeltenis van liefst een man,
een mens, een pronkstuk, want wie is niet ijdel?
Hij maakt een huis waarin die god mag staan
om straks in optocht door de stad te rijden.
5
Is niemand ziende, zijn zij allen blind?
Is dit in niemands hart ooit opgekomen:
zo'n god moest zich al buigen voor de wind
toen hij in 't bos behoorde tot de bomen;
dat brandhout maakt de mensen welgezind
om bij het vuur hun grote droom te dromen.
6
Het overblijvend hout dat niet verrot
verwerkt gij tot een beeld om voor te knielen.
Ge spreekt het aan: "Red mij, gij zijt mijn god!
Wil toch mijn dode hart opnieuw bezielen!"
Zegt gij dan niet: mijn hand is vol bedrog,
wat zou ik voor een houtblok nederknielen?
7
Zo zegt de Here ons, der goden God:
"Ik ben de eerste en Ik ben de laatste.
Ja buiten mij is er voorwaar geen God
die zich voorgoed gemaakt heeft tot uw naaste."
Wij zijn bevrijd van alle god en lot,
en zullen niemand op dat voetstuk plaatsen.
---
*367
#16
1
Wie wil uit zijn hokje komen
op het klinken van Gods stem?
Wie wil van de goedheid dromen
en de vriend'lijkheid van Hem?
2
Jona, jij bent aangewezen
om een man van God te zijn,
om het kwaad de les te lezen
in de stad van schone schijn.
3
Allen
Jona, wil je dienaar wezen
van het goddelijke woord?
Jona, kies je angst en vrezen?
Gooi jij alles overboord?
4
Tegenstem bij 3e couplet:
Jona, Jona, Jona met zijn stad
Jona, Jona, Gooi jij alles overboord?
5
Bij het schip, waarmee Jona verdween:
Schepen varen op de golven,
tussen wind en water door,
soms wordt daar hun graf gedolven,
gaan zij ongezien teloor.
6
En als schepen mensen dragen,
zoekend naar het vasteland,
koersen zij naar 't welbehagen
van Gods goede, vaste hand.
7
Allen
Jona, wil je Noach heten,
in de ark van 't goddlijk woord?
Wil je van geen naam meer weten?
Ga je liever overboord?
8
Tegenstem bij 3e couplet:
Jona, Jona, Jona bij het schip
Jona, Jona, Ga jij liever overboord?
9
Bij de vis, waarin Jona verdween:
Vissen zwemmen in de diepte
van de grondeloze zee.
Niemand was er die hen riep en
slechts de dood zwemt met hen mee.
10
Tot Gods woorden zullen klinken
die tot op de bodem gaan
en de vissen hen die zinken
in de reddingsboeien slaan.
11
Allen:
Jona, wil je alles missen,
vluchten naar dit doden-oord?
En een prooi zijn voor de vissen?
Is met jou niets overboord?
12
Tegenstem bij 3e couplet:
Jona, Jona, Jona bij de vis
Jona, Jona, Is met jou niets overboord?
13
Bij de wonderboom, waaronder Jona zat:
Bomen groeien uit de aarde
naar de hoge hemel toe.
Bladerdak- en vruchtendragend
worden zij hun last niet moe.
14
Bomen kunnen mensen geven
wetenschap van goed en kwaad.
't Is in aards en hemels leven
waar de boom in 't midden staat.
15
Allen:
Jona, wil je rustig wonen
in de schaduw van Gods woord?
Wil je God niet dankbaar lonen
dat Hij 't aardse klagen hoort?
16
Tegenstem bij 3e couplet:
Jona, Jona, Jona bij de boom
Jona, Jona, Hoe God 't aardse klagen hoort!
---
*368
#3
1
Meisje, sta op, want je slaapt niet meer,
je droomde, je dagdroomde even.
Meisje, sta op, want je droomt niet meer;
een hand neemt je mee in het leven.
In een regen van kleur,
in een zonvloed van leven
strooien de fluitspelers bloemen voor jou.
2
Meisje, sta op, want je slaapt niet meer,
een stem riep je weg uit je dromen.
Luister, dan hoor je de woorden weer.
de wind zingt ze na door de bomen.
Want het licht wil je zien
en de wind wil je strelen,
speel met de wind in het licht van de zon.
3
Meisje, sta op, want je slaapt niet meer,
je droomde, je dagdroomde even.
Meisje, sta op, want je droomt niet meer,
veel meer dan een droom is het leven.
Nee je droomt niet, je leeft
in het huis van je vader,
huis om te leven en kind in te zijn.
---
*369
#5
1
Talitha koem! Je hebt het speelkwartier vergeten
en je vriendinnen, moet je weten,
verwachten al zolang hun kameraad,
met al dat dromen wordt het veel te laat.
2
Talitha koem! Je hebt je poppen opgeborgen,
en slaapt tot aan een verre morgen,
waaraan geen heelmeester een einde kent,
alsof je van een vreemde wereld bent.
3
Talitha koem! Er is een hinkelbaan getekend,
en er wordt vast op je gerekend;
de hond holt blaffend om het stille huis,
wordt wakker toch en blijf niet langer thuis.
4
Talitha koem! Er is een rabbi aangekomen,
die men verteld heeft van je dromen;
Hij heeft geglimlacht en Hij sprak ons aan:
heb wat geduld nog en laat Mij begaan.
5
Talitha koem! Sta op, het spel kan weer beginnen;
begroet je vrienden en vriendinnen.
Te lang heerste een diepe stilte hier.
Maar nu begint het nieuwe speelkwartier!
---
*370
#5
1
Wat zijt gij uitgegaan?
Wat wilt ge gaan aanschouwen:
een rots om op te bouwen,
een man Gods te vertrouwen,
het manna der woestijn?
2
Een riet dat in de wind
wordt heen en weer bewogen?
Een windstoot uit den hoge,
een koning voor uw ogen,
een koning of een kind?
3
Die gaan om praal en pracht,
die weten wel te huizen
in weelde van paleizen,
zij willen zich bewijzen
en leven van de macht!
4
Maar gij zijt uitgegaan
om het geluid te horen
dat opgaat in uw oren,
het Woord van lang te voren,
de tale Kanaans.
5
De wind waait in net riet:
gij gaat niet in den blinde,
maar om het spoor te vinden
van God en Zijn beminde,
de Stad in het verschiet.
---
*371
#5
1
Voorstrofe:
Een man, alleen op reis gegaan
naar Jericho kwam daar nooit aan.
Hem werd groot onrecht aangedaan.
Wie heeft dat kwaad bedreven?
Er kwamen rovers op zijn pad.
Zij namen al wat hij bezat
en hij heeft nog geluk gehad
dat zij hem lieten leven.
2
Wie zal hem helpen, deze man,
die zelf niet eens meer lopen kan?
De priester uit Jeruzalem
kon het niet doen met goed fatsoen..
3
Voorstrofe
Wie zal hem helpen, deze man,
die zelf niet eens meer lopen kan?
Ik niet, dacht de leviet, ik niet.
Er is een wet die 't mij belet.
4
Voorstrofe
Wie zal hem helpen, deze man,
die zelf niet eens meer lopen kan?
De bevende Samaritaan
is goddank niet voorbij gegaan.
5
Melodie voorstrofe
De naaste dat is ieder mens
die goed is voor een ander mens
en altijd weer, naar Jezus' wens
zijn warme hart laat spreken.
Zo maken wij elkander heel
en valt ons het geluk ten deel
een mens te zijn naar Christus' beeld:
een vrolijk levensteken.
---
*372
#4
1
De waarheid is het huis waarin wij wonen.
Wij zijn er vrij, wij gaan er in en uit.
Wij zijn geen slaven meer, maar wij zijn zonen.
Het woord heeft ons gezegd wat dat beduidt.
2
Dingend naar taal en talend naar de dingen,
wordt alles onverborgen en vertrouwd.
Het samen spreken van de stervelingen
heeft op de aarde een verblijf gebouwd.
3
De ware zoon is wezenlijk gestorven
en leeft in wezen. Alwie naar Hem hoort
heeft Hij het leven uit de dood verworven,
de volle zeggenschap, het vrije woord.
4
't Is toevertrouwd aan sterfelijke monden,
ijler dan ijl, de adem spreekt ervan
om in de tijd het blijvende te gronden,
het huis waarin de mensheid wonen kan.
---
*373
#6
1
Demetrius smeedde zijn zilveren sier,
hij maakte gestalten van mens en van dier,
hij goot er zijn beelden uit zilver en goud,
zo heeft hij zijn eigen goden gebouwd.
2
Refrein:
De beitel is bot en de smeltkroes kapot,
en de zaag is verroest en versleten.
Maar de duif vliegt uit en keert niet weer,
door de wereld gaat het woord van de Heer
en de goden der mensen zijn vergeten.
3
Toen hij van de boodschap van Paulus vernam
verzamelde hij in de stad alleman:
"Weest wakker en waakzaam, gij broeders in 't vak
want deze man steelt ons het geld uit de zak!"
Refrein
4
Zij liepen in draf naar 't theater te hoop
en vroegen elkander. "Wat is er te koop?"
"Een zekere Paulus verkondigt een woord
waarvan in Efeze nog nooit is gehoord".
Refrein
5
En Paulus verkondigde 't woord van de Heer,
hij sprak van de weg en verbreidde Zijn leer.
Hij laakte hun goden, hun maaksels van steen
en daarom was iedere man op de been.
Refrein
6
Toen trok Paulus verder en reisde alleen.
Het woord van de Heer wees hem telkens waarheen.
Demetrius heeft nog veel goden gebouwd,
maar 't waren slechts goden van zilver en goud.
Refrein
---
*374
#6
1
Hoor, God, ons roepen, of wij gaan verloren.
Laat ons volharden, wij, die U toebehoren.
Wanneer de wereld alle hoop ziet doven,
doe ons geloven.
2
Ons leven sterft aan wat wij zelf verdienen.
Wij leren uitzien naar het ongeziene.
Zo vaak het zicht ons daarop wordt benomen,
geef ons dan dromen!
3
Zullen wij dan alleen onszelf beklagen,
blinden, die rondgaan, tastend door de dagen?
Adem van God, vertaal ons onvermogen
tot in de hoge!
4
God, die ons kent en ziet in het verborgen:
geef toch uw eigen stem aan onze zorgen.
Schep weer het licht, wil dagen in ons midden
en leer ons bidden.
5
Als wij in hulploos zwijgen blijven steken
doet ons uw Geest weer nieuwe woorden spreken,
brengt ons uw Adem, die het hart kan raken,
bij U ter sprake.
6
Geest, pleit voor allen, die verlossing wachten.
Geef, God, hun stem, hun hart weer nieuwe krachten.
Doe onze wegen door de diepte, Here,
ten goede keren!
---
*375
#4
1
Christus heeft het pleit gewonnen:
goede moed!
Weest voorgoed
aan ZIjn hart gebonden.
Zeker zullen wij vertrouwen
dat de macht
van de nacht
nu geen stand kan houden.
2
Duizend malen, dat wij breken
doen ons pijn,
maar wij zijn
van Gods liefde zeker.
Alle zorgen zijn geborgen:
Hij bemint
ons en vindt
voor ons uit de morgen.
3
Alle leven is omgeven
door de dood,
maar zo groot
is geen macht verheven
dat hij ons van Hem kan scheiden.
Zal Hij niet
ons verdriet
keren in verblijden?
4
Alle weggeworpen leven
- opgejaagd,
uitgevaagd -
zal Hij adem geven.
Onze val breekt in Gods armen
en het feest
van Zijn Geest
zal het hart verwarmen.
---
*376
#5
1
Maak ons Uw liefde, God,
tot opmaat van het leven!
Wij zijn geroepen om haar
zingend door te geven.
De wereld zegt ons niet
de goede woorden aan.
Vernieuw ons hart en doe
ons Uw beleid verstaan.
2
Wij zijn aaneengevoegd,
bedacht met uw genade.
Op liefde hebt Gij ons
gebouwd, bedeeld met gaven.
En wat wij zijn draagt bij
tot welzijn van elkaar.
In onze eenheid wordt
uw liefde openbaar.
3
Elkaar bidden wij toe:
volhard in het geloven,
verlies uw vreugde niet
en kom uw pijn te boven,
Laat lichten uw gezicht
over de duisternis
waarin de ander in
gemis gevangen is.
4
Zeg toch het goede aan,
ook wie u kwaad toewensen.
De zon gaat op in uw
nabijheid bij de mensen.
Hun vreugden en verdriet
zullen u niet ontgaan;
in uw omarming heeft
eenzaamheid afgedaan.
5
God, laat geen mensenkind
uit uw ontferming vallen.
Weer met uw ruime hart
het kwade van ons allen.
Gij zijt te goeder trouw
geweest van het begin.
Vasthoudend blijft Gij tot
uw liefde overwint.
---
*377
#3
1
Uit uw verborgenheid,
voorbij aan onze grenzen,
straalt lichte eeuwigheid
als daglicht voor de mensen.
Uw wijde hemel welft
zich rond over de aarde.
Gij zult op vaste grond
ons voor het donker sparen.
2
Hult niet uw oogopslag
ons in de witte wade
tot Christus' evenbeeld,
Uw voorbedachte rade?
Zo hebt Gij ons gewild,
het zicht op U gegeven
als vader, voor wie wij
niet tevergeefs meer leven!
3
Ontvouw de weg breeduit
die eenmaal zal bereiken
wat uit verborgenheid
tot bloei nog moet ontluiken.
De verste verte buigt
zich naar het stralend midden
en zingt bevrijd het lied
om Christus te aanbidden!
---
*378
#6
1
Die ons in 't hart geschreven staan
en onze dagen deelden,
ons in de dood zijn voorgegaan,
zij lieten ons de beelden
van zoet en droef herinneren,
van zoeken, hopen, wachten.
Zal in de starre, koude dood
hun naam nog overnachten?
2
Uw droefheid is niet bodemloos:
God houdt zijn handen open.
Het brekend leven, doods en broos
draagt Hij door vrees en hopen.
Herinnert Hij zich niet hun naam
als wachters op de morgen?
Die in de nacht zijn voorgegaan
zijn in Gods trouw geborgen.
3
De naam, waarmee zij zijn genoemd
staat in Gods hand geschreven
en zal door alle donker heen
toch onuitwisbaar blijven.
In Christus is hun naam bewaard,
naar Hem blijven zij heten.
Hij wekt hen uit de slaap en zal
hen van de dood genezen.
4
Ons leven wacht wat nog niet is,
wordt niet vergeefs gelopen.
God zelf daalt af in ons gemis
en breekt de kluisters open:
van alle vragen eens bevrijd,
van hopeloze zorgen.
In dood en leven groeit de tijd
voor wachters op de morgen.
5
Gedenkt hen, die gestorven zijn;
Gods licht zal voor hen dagen,
en alle tranen, alle pijn
zal Hij zich eigen maken,
totdat de droom verkeert in zien,
verwachten wordt tot weten
en wij in zijn volmaakte licht
voorgoed in Christus leven.
6
Voorts, weest krachtig in de Heer,
en in de sterkte van zijn macht.
---
*379
#10
1
Aan de voeten van het Woord
als een leerling neergezeten,
wordt mij op het lijf geschreven
wat de Geest zaait in mijn oor.
2
Sprake is er van dit Woord
als mijn tong trilt van Gods adem.
Doven zullen zich verbazen,
door de lichte taal bekoord.
3
Schepen op de oceaan
stuurt de wind over de golven,
maar zie hen gewillig volgen
waar een hand het roer doet gaan
4
Zo kan ook een kleine tong
als een handlanger van 't kwade,
scherp Gods klare taal verraden,
vol van dodelijk venijn.
5
Blijf aan 't water van Gods wet
toch de zoete woorden drinken;
klare klanken zullen klinken,
zuiv're tonen ingezet!
6
't Woord wordt op mijn tong gelegd
om - tot klinken aangeblazen -
te volharden in 't vertolken
van Gods uitgesproken weg.
7
Kan mijn mond terzelfdertijd
dat Gods glorie wordt bezongen
toch Zijn mensenkind verwonden
met de taal van haat en nijd?
8
Wordt ook niet de paardekracht
door een band in toom gehouden?
En door vuur vergingen wouden
waar een vlam de dood in bracht.
9
't Allerkleinste instrument
kan de dood ter sprake brengen,
hele werelden verzengen,
door het onrecht overstemd.
10
Put uw woorden uit de Bron.
Helder wordt dan alle spreken.
Onze taal wordt tot een teken
van Gods liefste woord: Zijn zoon.
---
*380
#5
1
Wij wensen onszelf vele jaren
in huizen die duurzaam zijn,
bezitten een eigen domein
gevuld met wat viel te vergaren.
2
Refrein:
Heer, hebben wij geen verweer?
Is er voor ons geen vrijspraak meer?
Verspelen die daden ons recht op genade?
Heer, hebben wij geen verweer?
3
Wij blijven de dagen bezaaien
met hoop op een hoge winst.
En steeds als de oogsttijd begint
staan wij op ons recht om te maaien.
Refrein
4
Vergeten de dagen te tellen
en slapend in onze sleur,
zal 't roepen van buiten de deur
ons na middernacht eerst ontstellen?
Refrein
5
De band, die ons hielp, is vergeten;
de scburen meer dan gevuld.
Wie weet, dat God niet langer duldt
het knechten van wie naar Hem heten
Refrein
---
*381
#3
1
Het oude woord, door Christus
als nieuw aan 't licht gebracht,
geeft onze blinde dromen
een uitzicht ongedacht.
De luister van zijn liefde,
de stralen van zijn dag
hebben de weg gewezen
die nog verduisterd lag.
2
Wij leven van die liefde
en ademen baar in.
Wij zijn elkaars omarming,
het scheppende begin
uit God opnieuw geboren,
geroepen in het licht.
Zijn zegenende glimlach
heeft ons weer opgericht.
3
De liefde is door Christus
als beeld van God getoond.
Zo kennen wij de Vader
aan 't leven van de Zoon.
De liefde is het antwoord
dat ieder verder draagt,
waarin God zich laat kennen
aan al wie naar Hem vraagt.
---
*382
#5
1
Hoe leesbaar is
ons onderlinge leven,
als Christus' brief
voor anderen geschreven?
Is ons zijn erfenis
niet in het hart gegrift?
Zijn wij te kennen
als zijn eigenhandig schrift?
2
Wie kan in ons
die brief van Christus lezen?
Zo sprakeloos zijn wij
in heel ons wezen
als telkens niet de Geest
ons aan elkander rijgt,
de dode letters weer
tot nieuwe zinnen schrijft?
3
Onleesbaar wordt
ons onderlinge leven
als ook door ons
Zijn Geest is afgeschreven.
Gezonden zijn wij en
gedreven tot de taal
die als bestemming Zijn
genadewoord herhaalt.
4
En metterdaad
dat woord ook te vertalen,
voor mensen Zijn
ontferming te herhalen,
hoe Hij in ons opnieuw
tot leven komt, dat blijft
voor ons bestaan de zin,
geschreven op het lijf.
5
Zie, wij gaan op naar Jeruzalem,
en al wat door de profeten geschreven is,
zal aan de Zoon des mensen,
de Zoon des mensen worden volbracht.
---
*383
#5
1
Als ik groot ben zal ik weten,
hoe de wilde dieren heten;
hoe de bergen zijn ontstaan,
en hoe diep de zeeen gaan.
2
Als ik groot ben zal ik weten
hoe ik alles uit kan meten,
waar de zon is en de maan,
en hoe ver de sterren staan.
3
Als ik groot ben zal ik vragen
waarom God in weinig dagen,
alles maakte, alles schiep,
en de mens tot leven riep.
4
Van God zal ik antwoord krijgen
als de grote mensen zwijgen.
Want ook zij begrijpen niet
wat God in de mensen ziet.
5
Maar nu wil ik nog niet denken
met mijn armen vol geschenken.
Nu geniet ik alle dagen.
Morgen zal ik God wel vragen.
---
*384
#9
1
Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven;
hoe lang mag een mens wel leven?
Zeven dagen heeft een week,
wie ze tellen kan gaat mee
al de dagen van zijn leven.
2
Zondag heeft de hoogste waarde
want toen werd het licht op aarde,
toen is Jezus onverwacht
opgekomen uit de nacht
en de zon schijnt op de aarde.
3
Maandag laat de mensen lopen
om het dagelijks brood te kopen,
maandag is van zessen klaar,
wateren gaan uit elkaar
en God doet de mensen hopen.
4
Dinsdag brengt op de gedachte
dat het goed is af te wachten
als God zaait met gulle hand,
groen is het beloofde Land,
maar men moet geduldig wachten.
5
Woensdag is de dag der dromen:
hoeveel mensen zullen komen
op de bruiloft met het Lam?
Vraag het vader Abraham,
tel de sterren in je dromen!
6
Donderdag is voor de vissen
in de diepe duisternissen,
voor de vogels en hun lied,
roof de jonge nesten niet,
want het lied kan niemand missen.
7
Vrijdag heeft de meeste uren
voor de mensen en de dieren,
toen is Jezus blootgesteld
als een lam aan doodsgeweld
om de wereld te verduren.
8
Zaterdag is om te zingen
van de vele lieve dingen
en het komend paradijs,
leert vandaag een nieuwe wijs,
dan laat God de bomen zingen.
9
Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven;
hoe lang mag een mens wel leven?
Zeven dagen heeft een week,
wie ze tellen kan gaat mee
al de dagen van zijn leven.
---
*385
#4
1
Zeshonderd jaar is Noach oud,
hij bouwt een ark van goferhout
met kamers zonder kieren
en stallen voor de dieren.
De os en de ezel,
de wolf en de wezel,
de tijger en de leeuw,
de merel en de meeuw,
de koekoek en de kaketoe,
de marter en de maraboe.
Zijn eigen sluwe gang
gaat de slang.
Ja, alle dieren gaan er in
en Noachs hele huisgezin.
God wil hen wel bewaren
en voor de zondvloed sparen.
2
Van alle dieren die bestaan
mogen er twee de ark in gaan.
Daar komen ze gelopen,
gevlogen en gekropen:
De aap en de ever,
de beer en de bever,
de krekel en de mier,
de gekko en de gier,
de kikker en de kakkerlak,
de hamster en de huisjesslak.
En helemaal vooraan
kraait de haan.
Alleen de vissen gaan niet mee,
die blijven in de grote zee.
De vissen hebben vinnen,
die hoeven niet naar binnen.
3
De regen valt, de vloed komt op
tot aan de hoogste heuveltop.
Maar Noachs ark kan drijven,
zo zal in leven blijven:
De uil en de emoe,
de zwaan en de zeboe,
de ekster en de kauw,
de panter en de pauw,
de eland en de olifant,
de gibbon en de goudfazant.
En heel gedwee en tam
is het lam.
De zon, de sterren en de maan
die blijven aan de hemel staan.
Die zullen weer gaan schijnen
als 't water gaat verdwijnen.
4
En dan komt eindelijk de dag
dat Noach weer naar buiten mag.
Hij wil zijn redding vieren
met alle lieve dieren.
De eend en de ibis,
de fuut en de fitis,
de buffel en de rat,
de kever en de kat,
de pijlstaart en de pelikaan,
de luiaard en de leguaan.
En boven alles uit
zweeft de duif.
Ontroerd kijkt Noach naar omhoog
en ziet de eerste regenboog,
een teken in de wolken:
God zegent alle volken.
---
*386
#6
1
Refrein:
Paulus, apostel, ga op reis,
door de heuvels en over de zee;
Paulus, apostel, goede reis,
de Heer gaat met u mee.
De velden zijn wit en de oogst is groot
en de tijd is zo kort van duur.
Doe het pantser aan, houd het zwaard ontbloot
en wees waakzaam, want dit is het uur.
2
Paulus, apostel, het schip is gereed
en gunstig is het getij.
Kom aan boord, want het zeil staat bol en breed
en de roeiriemen steken langszij.
3
Paulus, apostel, ga op het dek,
het anker is al gelicht,
van de voormast wappert de vaan van vertrek,
voor de boeg is de branding in zicht.
Refrein
4
Paulus, apostel, wees maar gerust,
de golven dragen u voort,
en een bries gaat vooruit van kust tot kust,
als de waaiende wind van Gods woord.
Refrein
5
Paulus, apostel, spreek dan een woord,
een engel is aan uw zij,
wees niet bang, want Gods stem hebt gij gehoord,
heb vertrouwen, want Hij is nabij.
Refrein
6
Paulus, apostel, begeef u aan land
en predik het woord van de Heer,
als een bode van Hem, als zijn afgezant,
als heraut van Zijn macht en Zijn eer.
Refrein
---
*387
#10
1
Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.
Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant,
om de tijd niet te verliezen,
maar een koning uit te kiezen;
een koning over heel het land,
wie helpt ons uit de brand!
2
Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.
Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant.
O, olijfboom, laat je kiezen;
het kan dooien, het kan vriezen.
Een koning over heel het land,
die helpt ons uit de brand.
3
Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.
Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant.
Vijgeboom, o laat je kiezen;
het kan dooien, het kan vriezen.
Een koning over heel het land,
die helpt ons uit de brand.
4
Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.
Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant.
Wijnstok, wijnstok, laat je kiezen;
het kan dooien, het kan vriezen.
Een koning over heel het land,
die helpt ons uit de brand!
5
Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.
Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant.
Doornstruik, doornstruik, laat je kiezen,
het kan dooien, het kan vriezen.
Een koning over heel het land,
die helpt ons uit de brand!
6
Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.
Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant
om de tijd niet te verliezen
maar een koning uit te kiezen:
een koning over heel het land:
die helpt ons uit de brand!
7
Olijfboom: melodie b:
Nee, ik wil geen koning zijn,
daarvoor, bomen, voel ik geen grein.
Moet ik boven jullie zweven?
Nee, nee, nee, nooit van mijn leven.
Mijn olie die moet stromen, stromen.
Laat een ander koning zijn,
ja, laat een ander komen.
8
Vijgeboom: (Melodie B)
Nee, ik wil geen koning zijn,
daarvoor, bomen, voel ik geen grein.
Moet ik boven jullie zweven?
Nee, nee, nee, nooit van mijn leven;
mijn zoetheid, die moet stromen, stromen.
Laat een ander koning zijn,
ja, laat een ander komen!
9
Wijnstok: (Melodie B)
Nee, ik wil geen koning zijn,
daarvoor, bomen, voel ik geen grein.
Moet ik boven jullie zweven?
Nee, nee, nee, nooit van mijn leven;
mijn wijn die moet tocb stromen, stromen.
Laat een ander koning zijn,
ja, laat een ander komen!
10
Doornstruik: (Melodie B)
Ja; voor nu en altijd weer
wil ik koning zijn en heer!
Schaduw zal ik zeker geven,
heersen over dood en leven,
want anders moet je branden, branden;
ben je ergens nergens meer
en knars je met je tanden.
---
*388
#3
1
Wij delen ons hart met elkaar,
omdat Jezus zijn geest er doet wonen,
Die leven en liefde bewaart
en alleen maar dat ene is nodig.
Refrein:
Wij delen en spelen voor God in bet licbt,
de hemel is open, gaat nooit meer dicht.
Wij delen en spelen voor God in bet licbt,
de hemel is open, gaat nooit meer dicht.
2
Wij delen ons brood met elkaar,
omdat Jezus bet betere brood is,
dat leven en liefde bewaart,
en alleen maar dat ene is nodig.
Refrein
3
Wij delen een droom met elkaar,
omdat Jezus voor ons heeft gekozen,
die leven en liefde bewaart
en alleen maar dat ene is nodig.
Refrein
Amen, amen.
---
*401
#8
1
Licht in onze ogen,
redder uit de nacht,
geldt uw mededogen
nog wie U verwacht?
2
Als der mensen trooster
roepen wij U aan:
noem de namelozen
met een nieuwe naam!
3
Herder, wil behoeden,
wie in 't duister valt.
Keer hun lot ten goede,
Licht, dat stralen zal!
4
Bloesem in de winter,
roze dageraad,
wees ons teken dat de
Zon verschijnen gaat!
5
Regen uw gerechtigheid
en bevrucht de aard,
tot de trouw ontkiemt en
vrede bloeien gaat!
6
Kyrie eleison,
dat Gij U erbarmt,
onze kille koude
met uw licht verwarmt!
7
Christe eleison,
nog is niet verstomd
ons verlangend roepen
dat Gij spoedig komt!
8
Kyrie eleison,
wees genadig, Heer!
Breng ons naar de morgen
wacht niet langer meer!
---
*402
#5
1
Uit uw verborgenheid
hebt Gij ons aangesproken,
de weerstand van de nacht
met heilig vuur gebroken.
Gij brandt uw eigen naam
voorgoed in onze dagen
en schrijft in ons bestaan
uw woord van welbehagen.
2
Uit uw verborgenheid
voorbij aan onze grenzen,
straalt lichte eeuwigheid
als daglicht voor de mensen.
Uw wijde hemel welft
zich rond over de aarde.
Gij zult op vaste grond
ons voor het donker sparen.
3
Uit uw verborgenheid
nu aan de dag getreden,
hebt Gij uw heil gezocht
bij mensen, hier en heden.
Zoals Gij kwam om ons
met vrede te ontmoeten,
laat het ook vrede zijn
waarmee wij U begroeten.
4
Uit uw verborgenheid
ons zo te na gekomen,
deelt Gij in onze nacht
en zaait er nieuwe dromen.
Zolang het donker duurt,
de moed ons wordt ontnomen,
voed ons dan met de hoop
dat Gij voorgoed zult komen.
5
Uit uw verborgenheid
ontsteekt Gij licht op aarde.
Wilt Gij ons warmen met
de gloed van uw genade.
Wij delen met elkaar
het licht, het lied, de zegen.
Wij zijn uw kandelaar,
wij gaan het donker tegen!
---
*403
#6
1
Wij zingen door de tranen heen,
ver boven onze macht,
omdat in ongekende nacht
als blijvend teken van de dag
een ster ons tegenlacht.
Refrein:
Kom en word opnieuw geboren,
ster waarop de wereld wacht.
Breek het donker met uw stralen;
met uw warmte: breek de nacht!
2
Een lied voor mensen, nameloos,
verstoken van elk licht,-
de hemel doof, geen God te zien,
geen droom en alle toekomst dicht,
geen woord, geen vergezicht:
Refrein
3
Dan toch, door onze tranen heen,
ver boven onze macht:
God heeft naar mensen omgezien!
Dit Kind, hier aan het licht gebracht:
zo heeft Hij ons gedacht!
Refrein
4
Wij zingen, want zo straalt ons toe:
God is het, die ons zoekt!
En alles, wat Hem tegenspreekt,
en vloekt met wat Hij heeft gezegd,
wordt zingende weerlegd.
Refrein
5
Ons lied voert over alle nacht
de hoogste boventoon,-
verwonderd omdat in een kind
God zijn gezicht aan mensen toont,
en in hun wereld woont.
Refrein
6
Ons zingen roept de hemel aan,
een lied uit alle macht!
En wie zichzelf verloren waant
vindt hier een nieuw en lichtend spoor,
vindt bij God zelf gehoor!
Refrein
---
*404
#9
1
Straks verkillen alle vuren
en de aarde wordt een steen,
wie zal nog het leven vieren
nu de nacht staat om ons heen?
2
In de sterren staat geschreven
niets dan doodskou en gemis,
welke ster belooft ons leven
dat van harte leven is?
3
Ster van David, ster van David
sta niet bij de hemel stil,
wees een lopend vuur op aarde,
wees een vuur dat warmte wil!
4
Zal geweld niet meer behoren
tot de tekens van de tijd,
worden wij opnieuw geboren,
leven wij dood in dood uit?
5
Samen als de nieuwe blaren
aan een godverlaten boom,
samen hier op deze aarde,
voedingsbodem van de hoop?
6
Ster van David, ster van David,
sta niet bi j de hemel stil,
wees een lopend vuur op aarde,
wees een vuur dat warmte wil!
7
Zal de aarde weer gaan bloeien
als een bongerd in de Mei,
zal er levend water vloeien,
is de wereld niet voorbij?
8
Ja, de mensenboom zal leven
en de schepping gaat vrijuit
en de ontrouw is vergeven
en de aarde is de bruid!
9
Ster van David, ster van David,
stond niet aan de hemel stil,
werd een sterveling op aarde,
werd een zaad, een ster die viel!
---
*405
#4
1
Het feest gaat nu beginnen.
Weest vrolijk allemaal
en wilt elkaar beminnen
in teken, toon en taal.
Gij zult nooit meer vervallen
aan 't kwade om u heen.
Roept vrede toe aan allen
en zegent iedereen.
2
De engelen zij zingen
de glorie voor ons uit.
Wie kan zich nu bedwingen?
Het is hoog aan de tijd,
de tijd om te gaan vieren
dat in dit kleine kind
voor mensen, planten, dieren
de schepping weer begint!
3
Het land komt weer tot leven,
het was de dood nabij.
De bomen hoog verheven,
de bloemen in de wei,
de bergen en de velden
die bloeien eens te meer
om gloria te melden
aan Hem, uw God en Heer.
4
De stad is vol van vreugde
met mensen in de zon
en kinderen verheugen
de hoge ouderdom.
God zelf wil bij hen wonen
als bij zijn huisgezin.
Aan allen wil Hij tonen
een heilzaam nieuw begin.
---
*406
#5
1
O stad van David, Bethlehem
hoe klein, verhef met kracht uw stem,
want hier is Hij, die koning is,
wiens land vol melk en honing is.
2
O stad van Rachel, van uw graf
wentelt dit Kind de grafsteen af;
Maria heeft een zoon gezoogd:
Gods rechterhand, die tranen droogt.
3
O stad van Ruth, o huis van brood,
hier is het zaad, dat in de dood
ontkiemt en oprijst, hoog als graan -
uw akker zal vol koren staan!
4
O stad van herders, zie het lam
dat al uw zonden op zich nam;
gij schapen, deze herdersvorst
verjaagt uw honger en uw dorst.
5
O stad van David, Bethlehem,
voorbode van Jerusalem,
al is uw wieg en woning klein,
hier zal Gods liefde koning zijn!
---
*407
#7
1
Allen:
Koning naaste, waar kom jij vandaan?
2
Solo:
Ik kom uit de verte uit Gods goedheid aan
in het land van Juda, daar bij de Jordaan.
3
Koning naaste, wat kom jij daar doen?
In de strijd mij wagen, om het recht te doen.
Pais staat in mijn wapen, vree in mijn blazoen.
4
Koning naaste, zeg mij, wat is recht?
Recht, dat zijn de woorden, eeuwenlang voorzegd;
waren ze verloren, ik breng ze terecht.
5
Koning naaste, voor wie kom jij dan?
Ik kom voor de kleine die niet spelen kan,
zieke en onreine, jan en alleman.
6
Koning naaste, waar is jouw paleis?
Needrig is mijn woning, simpel is mijn wijs,
vreugde mijn beloning, 't woord van God mijn spijs.
7
Koning naaste, kom, de wereld wacht,
doe het kwaad verdwijnen, liefdevol en zacht,
kom toch helder schijnen in de donk're nacht.
---
*408
#4
1
Toen midden in de wintertijd geen vogel werd gehoord,
verlieten eng'len zingende de hoge hemelpoort.
Zij daalden langs de sterren neer.
Hun lied ging over God de Heer,
dat Hij mensen bemint, mensen bemint,
in excelsis gloria.
2
De herders in het open veld gezeten rond hun vuur,
vernamen zo dat Jezus was geboren in dat uur,
de Heiland eeuwenlang verwacht.
De eng'len zongen in de nacht,
dat Hij vrede ons brengt, vrede ons brengt,
in excelsis gloria.
3
Drie oude koningen van ver trotseerden weer en wind
op zoek naar de geheimen van dit pasgeboren kind.
Zij bogen zich voor Jezus neer
en zij verstonden: Hij is Heer
over leven en dood, leven en dood,
in excelsis gloria.
4
Wij kind'ren van een nieuwe tijd vieren het oude feest
van Hem die na ons komen zal en voor ons is geweest.
Hij is geboren in de nacht
en heeft de wereld 't licht gebracht.
Zingt nu, Ere zij God, ere zij God,
in excelsis gloria.
---
*409
#4
1
De hemel doet het horen,
dat Jezus is geboren,
der mensen Welgezinde
laat als een kind zich vinden.
Hij wil als mens verschijnen,
een heiland zijn der kleinen.
Refrein
Halleluja, halleluja,
want Jezus is geboren.
2
De engelen begroeten
wie zij op aard ontmoeten
met licht en lof en vrede.
De herders hier beneden,
zij mogen samen dragen
het godd'lijk welbehagen.
Refrein
3
De duisternissen schromen
om aan de dag te komen.
Nu heerst de vorst der lichten,
die vreed' en recht zal stichten.
En als het ochtendgloren
van heil is Hij geboren.
Refrein
4
Wilt allen dan bezingen
de wonderlijke dingen,
die God heeft ondernomen:
de Christus is gekomen,
om onder mens'lijk lijden
de boze te bestrijden.
Refrein
---
*410
#7
1
De koning van het sterrelicht
de vorst van vrede is geboren.
Het kind dat in de kribbe ligt
het zal de duisternis verstoren.
Refrein:
Vrede op aarde, eer zij God.
Komt laat ons Gode glorie zingen.
2
Het is gedaan met nacht en dood,
en ook de stilte moet verdwijnen.
Nu schijnt een licht, zo stralend groot:
de Zon der zonnen zoekt de zijnen.
Refrein
3
Brachten de engelen de glans
der hoge hemel met zich mede,
als kleine ster betreedt nochtans
het kwetsbaar Kind zijn baan van vrede.
Refrein
4
En al wie wankelt ziet het licht,
de richting waarin hij moet lopen,
totdat hij vindt het aangezicht,
het baken dat hem weer doet hopen.
Refrein
5
Het is het Kind, dat met ons deelt
wat wij aan schuld en zorgen dragen;
de Godszoon die de wonden heelt,
de wetten draagt van de tien plagen.
Refrein
6
Vanwege Hem richten zich op
de dromers van de donkre dromen,
omdat zij in hun duister lot
het helder licht van God zien komen.
Refrein
7
Nu breekt een luide jubel uit
sinds lang verstomde mensenmonden;
een ster verrijst, een zon ontspruit,
het licht der schepping is hervonden.
Refrein
---
*411
#5
1
Geboren in een stal,
begroet door mens en dier,
bracht hij het rijk van God
van hemel hoog naar hier.
2
Getogen als een kind,
een Zoon van Israel,
was hij van meet af aan
ons aller metgezel.
3
Gehoorzaam aan Gods Woord,
een ware Zoon der Wet,
heeft hij zich metterdaad
voor armen ingezet.
4
Gestorven aan een kruis,
door iedereen gesmaad,
heeft hij ten toon gespreid
hoe ver vergeving gaat.
5
Verrezen uit de dood
in heerlijkheid en pracht
heeft hij al laten zien
wat eens de wereld wacht.
---
*412
#3
1
O ster van David, morgenster,
heraut van wat zal komen,
gij schijnt - en daarom kan ik er
stoutmoedig over dromen:
de hemel, stralend als een bruid,
het zaad, dat uit de aarde spruit,
de bloesem aan de bomen!
2
O ster van David, morgenster,
hoe blijf ik op u hopen;
zolang gij schijnt, zolang is er
een lamp om bij te lopen.
AI wacht ik op het zonnelicht,
al is de nacht rondom mij dicht,
gij doet de ochtend open!
3
O ster van David, morgenster,
heraut van wat zal komen,
gij straalt - en daarom zal ik er
al zingende van dromen:
een land waar liefde huizen bouwt
een lachend kind, een dag van goud,
het paradijs - volkomen!
---
*413
#8
1
Invocabit:
In veertig dagen van beproeven,
vol van woestijnwind en van Geest,
waar duivelslist de leugen leest
zal Iemand in Gods Naam hier toeven
ons ten behoeve.
2
Reminiscere:
En het geschiedde in die dagen
dat hij in heerlijkheid verscheen.
Een stralend licht om allen heen,
die naar des Heren welbehagen
Gods glorie zagen.
3
Oculi:
De boze geesten moeten wijken
voor Hem die in de hemel woont
en Die zijn goedheid aan ons toont.
Machten, zij zullen - zo zal blijken -
hun vlaggen strijken.
4
Laetare:
De broederschap, niet toegenegen,
verkiest voortijdig part en deel
in enkelvoud, wat niet zoveel
is om te gaan gebaande wegen
van God verkregen.
5
Judica:
Wie onverdacht en goed wil leven
moet leven in verbondenheid
met iedereen te juister tijd
en niet te snel een oordeel geven
in vrees en beven.
6
Palmarum:
De Mensenzoon gaat tot het einde
Zijn gang door de geschiedenis.
Temidden van de duisternis
en stervensmoe van al het zijnde
komt Jezus' wende.
7
Pasen:
Christus is uit de dood verrezen:
Wie zoekt het leven bij de dood?
Het Licht staat op in wijn en brood,
het heeft voorgoed de weg gewezen
en ons genezen.
8
Christus is uit de dood verrezen;
ten derden dage opgestaan
heeft Hij voor allen ingestaan.
Laten wij daarom vrolijk wezen:
GOD ZIJ GEPREZEN!
---
*414
#6
1
Christus staat in majesteit
door een stralenkrans omgeven
op de berg der heerlijkheid,
licht uit licht en eeuwig leven.
Halleluja.
2
Mozes en Elia zijn
zijn getuigen, want zij weten:
Hij voltooit de lange lijn
van de wet en de profeten.
Halleluja.
3
Daarom spreken zij met Hem
van zijn uitgang en zijn lijden
later te Jerusalem
in de volheid van de tijden.
Halleluja.
4
Uit de hemel komt een stem
die het visioen komt schragen:
Deze is mijn Zoon; op Hem
rust mijn eeuwig welbehagen.
Halleluja.
5
Zo wordt God in glans gekend;
Hij, het licht van ons verlangen,
woont niet in een aardse tent,
maar op onze lofgezangen.
Halleluja.
6
Vrede is het woord
dat wij mogen spreken.
Vrede is het brood
dat wij mogen breken.
---
*415
#7
1
Wij houden maaltijd op, dit uur.
God is nabij, een zuil van vuur,
waaronder wij verzameld zijn
om uit te delen brood en wijn.
2
De uittocht is nog maar begin,
wij trekken voort de toekomst in
en wat ons toekomt ligt altijd
in tekens binnen handbereik.
3
Van dood naar leven onderweg
zijn wij met Christus en hij legt
zijn leven neer in brood en wijn,
zo wil Hij in ons midden zijn.
4
Treed met Hem uit de slavernij,
Hij deelt zich uit in deze rij.
Hij weet de weg, Hij is de wolk
voor heel het messiaanse volk.
5
Hij wil ons levensteken zijn,
Hij richt ons op met brood en wijn,
een voorproef van een nieuw bestaan,
wij delen vrede in zijn naam.
6
Hij gaat ons voor en sluit de rij,
Hij is ons allen zeer nabij,
zijn heil gaat voort van mond tot mond,
geen kind valt buiten zijn verbond.
7
Wij houden maaltijd op dit uur.
God is nabij, een zuil van vuur
waaronder wij verzameld zijn
om uit te delen brood en wijn.
---
*416
#4
1
Op de avond toen de uittocht
uit Egypte werd gevierd,
en de matse werd gebroken
en de wijn werd ingeschonken,
toen heeft Jezus aan zijn mensen
een geheim geleerd:
Refrein:
Wij gaan met het brood,
wij gaan rond met de wijn,
want ieder mag leven
en vrolijk zijn.
2
Op die avond van het paasfeest,
heeft hijzelf ons uitgelegd,
dat het brood ons werd gegeven
als een teken van zijn leven,
dat hij uitdeelt aan zijn mensen,
dat heeft hij gezegd.
Refrein
3
Op die avond, toen de beker
werd gezegend door de Heer,
zei hij: wat jullie misdeden,
dat is nu voorgoed verleden,
je mag leven van vergeving,
nu en telkens weer.
Refrein
4
Op die maaltijd van het paasfeest,
op de avond voor zijn dood
zei hij: zelf zal ik er bij zijn
op het feest waar jullie vrij zijn,
op de maaltijd, die God aanricht,
en dat feest wordt groot!
Refrein
---
*417
#5
1
Door wat voor grote eenzaamheden
is Hij aan ons voorbij gegaan,
wij hebben wel zijn naam beleden
maar niet zijn stem verstaan.
2
De laatste drie die Hem behoorden
die sliepen in Gethsemane;
en wij, wij waken wel met woorden,
maar gaan niet met hem mee.
3
Onder het duister van zijn Vader
vernedert Hij zich in het stof,
en niemand, niemand komt Hem nader
daar in de donkre hof.
4
Wij kunnen wel bij Hem verwijlen
met onze woorden en ons lied,
maar kunnen niet zijn lijden peilen,
zijn duisternissen niet.
5
Wij stuwen wel met vrome wensen
en met gebeden om Hem heen.
Maar de verlossing van de mensen
die lijdt Hij heel alleen.
---
*418
#5
1
Nacht op de middag als de grote zon
beschaamd de handen voor de ogen houdt,
opdat zij deze schande niet aanschouwt,
gebeuren ziet wat niet gebeuren kon:
2
de nederlaag van God, de mens die lijdt,
die aan het hoge hout gehangen is,
het bloedend hart van de geschiedenis,
het raadsel van de godverlatenheid.
3
Hoe wonderlijk behoren wij daarbij,
wij zijn de mensen om de heuvel heen,
de menigte met lachen en geween,
de vrouwen en soldaten, dat zijn wij.
4
Aan Hem wordt heel ons menszijn openbaar,
aan ons zijn godheid en zijn eenzaamheid.
Wij zijn de mensen tussen wie Hij lijdt,
de goede en de slechte moordenaar.
5
En toch houdt Hij de armen uitgestrekt,
om te omarmen wie de zijnen zijn,
de gasten aan zijn dis van brood en wijn.
Toch wordt het licht, wij worden opgewekt.
---
*419
#7
1
Wij komen in witte kleren
uit de Rode Zee aan wal.
Een Lam zal ons regeren,
dat ons ook voeden zal.
Wij zingen Christus ter ere,
wij krijgen een koningsmaal.
2
Zijn liefde zal ons laven,
zijn bloed heeft Hij veil gehad.
Zijn lichaam is de gave
die alle goeds bevat.
In ons daalt Hij ten grave,
uit liefdes overdaad.
3
Het bloed aan de deur gesprenkeld
schrikt de verschrikking af.
Voorbij gaat de zwarte engel,
voorbij de zware straf.
De zee wordt zelfs gegrendeld,
de vijand vindt zijn graf.
4
Ons Paaslam uitverkoren
en ons Paasoffer is
Christus, dat hemels koren
en brood van onze dis,
het woord voor wie wil horen
waar geen bedrog in gist.
5
Gij offer van den hemel,
Gij maakt ons leven goed.
Ons hart is onderhevig
aan 't gisten van ons bloed.
Maar Gij loopt met uw leven
de dood onder de voet.
6
Gij hebt ons een naam gegeven,
Gij hebt een vaan ontvouwd.
De ban is opgeheven,
de hemel toevertrouwd.
De duivel weet van uw zege,
hoezeer hij zich verstout.
7
O laat ons de vrijheid ontvangen,
het licht dat de dood bescheen.
Houd onze harten brandend
door alle tijden heen.
Gij olie in onze lampen,
Gij vuur door merg en been.
---
*420
#7
1
Brandend van verlangen,
witte toorts van licht,
midden in een lange
doodsnacht opgericht.
Keervers:
Kaars van God gegeven,
schitter in dit uur,
Christus, wees ons leven,
wees ons vreugdevuur.
2
Duister zijn de dagen,
donker is de tijd,
haast niet te verdragen
wat ten hemel schreit -
Keervers
3
Waakvlam van de vrede,
wachter in de nacht,
vuurkolom die heden
waakt en op ons wacht -
Keervers
4
Fakkel van verzoening,
druipend uit de doop,
recht naar Gods bedoeling,
breekbaar als de hoop -
Keervers
5
Licht dat uit de doden,
uit de nacht verrijst,
vlam die niet te doven
naar de dag verwijst -
Keervers
6
Hunkerend naar boven
smelt Gij aan de vlam,
sterft Gij zienderogen,
korte, stompe stam -
Keervers
7
Brandend van verlangen
toont Gij Gods gezicht:
liefde, onbevangen,
vrolijk levenslicht!
Keervers
---
*421
#2
1
Christus is uit de dood verrezen:
Wie zoekt het leven bij de dood?
Het Licht staat op in wijn en brood
het heeft voorgoed de weg gewezen
en ons genezen.
2
Christus is uit de dood verrezen:
ten derden dage opgestaan
heeft Hij voor allen ingestaan.
Laten wij daarom vrolijk wezen:
GOD ZIJ GEPREZEN!
---
*422
#4
1
Als kinderen nieuw geboren
zo moet gij begerig zijn
om het woord van de Heer te horen
uw melk en uw medicijn.
Refrein:
Het woord van de Heer is weldadig,
het woord van de Heer maakt rein;
het woord van de Heer verzadigt
wie dorstig en hongerig zijn.
2
Het is aan de mensen beschoren
begerig te zijn naar God,
naar een God, die als mens geboren
kwam uit een aardse schoot.
Refrein
3
Het is aan de mensen geschonken
te proeven de zoetheid Gods;
want het Leven heeft zelf gedronken
de bittere gal des doods.
Refrein
4
Nu drinkt dan en weest begerig
en groeit in de zaligheid,
en weest ook wederkerig
voor God en Zijn Zoon bereid.
Refrein:
Het Woord van de Heer is geduldig,
het sterft en staat op als brood;
het brood wordt vermenigvuldigd
en redt van de bittere dood.
---
*423
#5
1
Gods adem waait zijn woorden uit de hoge
en David rijgt ze tot een nieuw gedicht.
De herder plukt de sterren van de hemel
en vlecht ze tot een vrolijk lied van licht.
Refrein:
Zing en zaai een lied van vrede!
Zing en bouw een huis van licht!
Zing en bid dat hier en heden
God zijn wonderen verricht!
2
Dit lied ontwapent alle harde handen,
roept lente uit in een bevroren land,
geeft vuur en vlam aan ons verkild verlangen
en zegent alle vlees van hogerhand.
Refrein
3
De godverlaten wolken zullen wijken
en breken zal de schemer van verdriet.
De eenzaamheid, gehuld in boos verwijten.
verliest zijn hart aan een genadig lied.
Refrein
4
En zingend wordt de dag opnieuw geboren.
De vale vlerken van een bange nacht
worden verjaagd. De angstdroom heeft verloren
Het lied geneest, wist alle tranen af.
Refrein
5
De Geest van God wiekt dansend van de snaren
en geeft als maat de hartslag van zijn trouw.
De wijs vertoont een vergezicht van kleuren;
de boventoon vertolkt de Stad van goud.
Refrein
---
*424
#6
1
Als heimwee is de Geest zo sterk;
naar huis verlangend roept de kerk,
zij roept als bruid haar bruidegom:
Kom haastig, Here Jezus, kom!
2
De stemmen stormen op ons aan:
waarom toch is Hij heengegaan?
Waarom Zijn wij verweesd, verward?
Waarom dat heimwee in ons hart?
3
Waarom die wond, waarom die pijn,
wat kan de zin van ziekte zijn,
van liefde, als het bloed zo rood,
verloren in een vroege dood?
4
Zo zucht de Geest door alles heen,
hij laat ons, zuchtend, niet alleen;
de Geest is het die voor ons pleit
en met de schepping mede lijdt.
5
Als heimwee is de Geest zo sterk:
naar huis, naar huis verlangt de kerk,
naar Hem die ons een plaats bereidt -
geen mens die daar nog schade lijdt.
6
Daar vraagt de bruid niet meer waarom,
daar komt de bruiloftstijd weerom,
daar wordt het liJden weggekust
en al het heimwee komt tot rust.
---
*425
#3
1
Boven de chaos van de watervloeden
broedde de Geest en schiep de schone aarde.
Zo rees de tweede Adam uit de groeve
in glans en glorie.
2
Het is dezelfde Geest die ons verenigt
met het volmaakte lichaam van de Heiland,
die met een nieuwe schepping ons verheerlijkt
tot eeuwig leven.
3
Het is dezelfde Geest die ons leert bidden
tot God de Schepper, Heiland en Vertrooster,
wiens heerlijkheid in hemel en op aarde
geopenbaard wordt.
---
*426
#3
1
De liefde gaat ons voor
van den beginne;
zij is een lichtend spoor,
een vuur van binnen
dat straalt.
2
De noop die in ons is
en ons doet leven,
dat is een erfenis
om door te geven
voorgoed.
3
Wij houden ons bereid
om te ontvangen
de Geest die ons geleidt
en ons verlangen
vervult.
---
*427
#7
1
In de ongerepte morgen,
uit het duister naar het licht,
is de toekomst nog verborgen
onbekend Uw aangezicht.
2
Roepende ben ik geboren,
woorden zonder klank of zin,
wachtende wie mij zal horen,
kind nog, in een pril begin.
3
Stemmen hoor ik om mij spreken,
nauwelijks tot mij gericht;
dwalende in taal en teken
tast ik naar een lief gezicht.
4
Als het dan begint te dagen
en ik mens word, levenslang,
en er listen zijn en lagen
en ik zwak ben en ook bang,
5
kom dan, levenslicht der mensen,
in mijn kwetsbare bestaan,
als een wachter aan de grenzen;
laat mijn licht niet ondergaan.
6
Spreek steeds duidelijker woorden,
die mij richten op uw Naam;
laat mij aan u toebehoren,
maak mij tot uw lof bekwaam.
7
Als de avond dan zal komen
en de dag wordt als de dood,
reken mij dan bij de vromen
die vertoeven in uw schoot.
---
*428
#3
1
Doop ons, Heer, in levend water,
open oog en oor en mond;
wie zich baadt in uw genade
hoort en ziet en zingt terstond.
2
Ziende zijn wij blind geboren,
Sprekend stom en horend doof,
opgesloten en verloren
in ons donker ongeloof.
3
Uit uw Geest opnieuw geboren
zien wij ver in het verschiet,
horen wij met eigen oren
hoe wij zingen: een nieuw lied!
---
*429
#2
1
Verheugt u allen samen,
leeft allen eensgezind
en wilt voor God beamen
dat gij elkaar bemint
met vrede na uw smarten
tot boven uw verstand.
Neemt woorden Gods ter harte
en brood en wijn ter hand.
2
Wij allen moeten leren
als kinderen voor God,
dat wij ons gaan bekeren
van eigen leed en lot.
De harten moeten buigen
en delen lief en leed.
Zo zullen wij getuigen
van Hem die Vader heet.
---
*430
#4
1
Zoals Tobias met een engel mee
gaan wij op reis naar een verborgen land,
naar vreemde heuvels en een verre zee,
maar met een engel mee, maar hand in hand.
2
Mee met een engel en voorgoed op reis,
samen op reis en met elkaar alleen
op zoek naar het verloren paradijs,
het ligt als een belofte om ons heen.
3
God weet wat onderweg te wachten is
aan bitterheid en aan betovering,
maar onze engel deelt met ons de vis,
de ware spijs van de verzadiging.
4
Zo worden wij elkander toevertrouwd,
de engel wijst de weg en waar wij gaan
worden wij gaandeweg verwonderd oud
en al maar inniger wordt ons bestaan.
---
*431
#4
1
Kom, God, en schrijf uw eigen Naam
als licht over hen uit!
De Naam, die, dag en nacht vooraan,
de hoogste weg wijst om te gaan,
de Naam die liefde luidt!
2
O God, die al uw liefde hecht
aan wie van liefde leeft,
omvat de trouw hier toegezegd.
Dat Gij uw zegen op hen legt,
uw vrede aan hen geeft!
3
Verlaat niet, wat uw hand begon,
o God, ontbreek hun niet!
Verlicht hun dagen als de zon,
wees van hun liefde zelf de bron,
de adem van hun lied!
4
Laat zonneklaar te lezen zijn
uw beeld, in ons geprent!
Gij komt en schenkt de beste wijn
waar wij elkaar tot zegen zijn,
tot liefde voorbestemd.
---
*432
#3
1
Vergeet niet hoe wij heten:
naar U zijn wij genoemd.
Zoudt Gij ons niet meer weten
dan waren wij gedoemd
te sterven aan uw leven;
maar zo Gij ons gedenkt
is er een eeuwig even,
een ogenblik gegeven
een paasdag die ons wenkt.
2
Zij raken niet vergeten
die over zijn gegaan
tot u, want in uw heden
bewaart gij hun bestaan.
Hun namen zijn verzekerd
in uw gedachtenis,
gij zult ze blijven spreken
tot die Dag aan zal breken
waarop het wachten is.
3
Vergeet niet hoe wij heten,
wij heten naar uw naam.
Uit duizenden gebeden
stelt zich uw eenvoud saam.
Want zo zijt gij gebroken,
gelijk het ene licht,
van naam tot naam gesproken,
van dag tot dag ontloken,
zo zien wij uw gezicht.
---
*433
#5
1
De dag gaat open voor het Woord des Heren,
Zon die wij zoeken, kracht die wij ontberen,
bron die wij horen als wij tot Hem keren,
vroeg in de morgen.
2
Voor wij bestonden, riep Hij ons bij name,
voor wij ontwaakten en ter wereld kwamen,
zag Hij ons aan en bracht Hij ons tesamen,
God onze Vader.
3
Door U geschapen om uit U te leven;
hartslag en adem hebt Gij ons gegeven,
land waar wij wonen, licht waarnaar wij streven,
oorsprong en toekomst.
4
Wilt Gij vandaag en tot het eind der dagen
ons doen en laten zuiveren en dragen,
dan stijgt de vreugde van uw welbehagen
in onze wereld.
5
Aan U ons loflied: glorie aan de Vader,
dank aan de Zoon die ons bestaan aanvaardde,
zijn Geest geleide ons en onze aarde
naar de voltooiing.
---
*434
#3
1
Gods goedheid blijft zijn schepping wel besturen
met bloei en vruchtbaarheid voor al wat leeft
maar om zijn oogst met rechte dank te vieren
moeten wij delen met wie honger heeft.
2
moeten wij op de toekomst blijven hopen,
bidden en werken voor een wijs beleid,
met een groot hart voor heel de wereld open
en voor het rijk van zijn gerechtigheid,
3
totdat de aarde op Gods tuin zal lijken,
een liefelijke mensenmaatschappij,
waar alle bomen in de hemel reiken
voor al Gods kinderen en u en mij.
---
*435
#4
1
Kom uit de hemel tot ons neer,
vervul ons met uw Geest, o Heer,
Gij, die uw kinderen bevrijdt
om U te dienen, wereldwijd.
2
Bewaar hen, die hier voor U staan,
dat zij hun weg met vreugde gaan;
geef aan uw engelen bevel
hun trouw te zijn als metgezel.
3
Dat zij uw volk, de honger moe,
op handen dragen, naar U toe,
om na verzoeking en woestijn
met overvloed gevoed te zijn.
4
Kom Heiland, die ons hart geneest;
kom Vader, Zoon en Heilge Geest
en maak ons vrolijk in dit uur,
o bron, o brood, o vreugdevuur!
---
*436
#7
1
Wie ons is voorgegaan
door al die jaren heen
is maar een schaduw van
het Licht en van de Man
die als een zon verscheen.
2
Eens ging een lopend vuur
een volk voor in de nacht,
eens was er in elk huis
van pelgrims voor de reis
een lam dat werd geslacht.
3
Toen gaf een man van licht
zich over als een lam
en 't vuur werd uitgedoofd,
maar 't is voor wie gelooft
gaan lichten als een vlam.
4
Gods Woord van aanbegin
ligt nu in mensenmond
bestorven, maar het zal
trotserend leven, taal
van een nieuw verbond.
5
Behartig dat geheim,
voorganger die daar staat!
en voer dat hoogste Woord,
kom ons met God aan boord,
wij zijn ten einde raad.
6
Laat klapwieken de duif,
draag vuur op uit de as,
geef ons het Brood dat voedt,
het overwinnend Bloed,
want alle vlees is gras.
7
Degene die ons bindt
om samen kerk te zijn,
dat is de Heer, de Geest,
die ons ontvoert, geneest
en nieuw met ons begint.
---
*437
#5
1
Het vuur dat nu ontstoken wordt
ontvonkte aan het woord van God,
het is een vlam die vleugels vond
en licht verspreidde in het rond
voordat de aarde zelf ontstond.
2
Onder bescherming van dit licht
kreeg heel de aarde haar gezicht,
maar voor het zich genesteld had,
een vogel langs het voorjaarspad,
verscheen de mens die het vertrad.
3
Het licht heeft zich opnieuw ontvouwd
toen het zich Hem had toevertrouwd
in braamstruik en in vuurkolom
en op de bergtop in de zon
waar Mozes eenzaam verder klom.
4
Dit is het licht Ezechiel,
de ziener van de levenswel
die in het dal opnieuw ontsprong
en stroomde door de dorre grond,
een lied de doden in de mond.
5
Het vuur dat nu ontstoken wordt
ontvonkte aan het woord van God,
een vuursteen in de duisternis,
licht dat de nacht heeft uitgewist,
de Christus die verrezen is.
---
*438
#4
1
Wanneer ik zoek naar woorden en niets dan stilte vind
dan weet ik: Heer, Gij hoorde een stem - uw eigen kind.
Uw adem wekt mijn leven, uw liefde kleurt mijn bloed;
mijn stilte is vergeven, mijn zwijgen keurt Gij goed.
2
Wanneer ik zoek naar zinnen en bid om een gebed,
niet weet hoe te beginnen, niet spreek, in stil verzet,
dan roep ik mij te binnen uw stem, o Christus - Gij;
Gij zult eens overwinnen de tegenstem in mij.
3
Wanneer ik zoek te zeggen al wat er in mij leeft
maar zich niet uit laat leggen en zich niet open geeft,
dan ben ik al gevonden voordat ik U niet vind;
dan bidt met duizend monden de Geest, vol vuur en wind.
4
Wanneer ik zoek naar woorden is uw Woord mij genoeg;
dat Woord, dat wij eens hoorden, dat Woord, dat mij al droeg
dat zal mij blijven dragen - mij maakt geen stilte bang;
slechts dit wilt Gij mij vragen: dat ik naar U verlang.
---
*439
#9
1
Uit diepten ongemeten
die geen betreden kan dan de Beminde
gekruisigd en verrezen
om ons voor U te winnen,
schept Gij het licht waarvan wij mogen drinken.
2
Het licht door U geschapen,
dat in de nacht van lijden leek verdwenen,
laat zich als vruchten rapen
in de vervulde beemden
waar God aan God en mensen is verschenen.
3
Dit licht wordt nooit meer donker.
Het is de liefde die haar dag gaat spreiden
met een fontein van vonken,
een brandend lichtgetijde,
dat zon en maan verenigt ongescheiden.
4
Verblindende Beminde,
U bent mij liever dan de rijkste dagen
die ik voorheen mocht vinden
zo zwanger van het vragen
wat toch de zin was om mijn pijn te dragen.
5
Hiervoor werd ik geboren:
om deze vlam te zien en te ontvangen.
U ging in licht verloren
om met U te omhangen
de schepselen die branden van verlangen.
6
U hebt het licht ontketend
dat door de dood geroofd was en gebonden
en dit is ons het teken:
wij moeten van U spreken,
er gloeit een kool van vuur op onze monden.
7
Jesaja heeft gesproken:
de vlaspit flakkert maar zij zal niet doven,
het riet wordt niet gebroken,
wij gaan de nacht te boven,
geknakt wilt U ons binden in uw schoven.
8
Wij zijn het lichtend koren
dat wuift op door de wind bevlogen velden,
totdat U ons komt oogsten
en U ons zult vergelden
zovele korrels onze aren telden.
9
Licht boven alle lichten,
verlicht de wereld en herschep haar krachten
om zich op U te richten,
Gij aan het licht gebrachte
ster die blijft klimmen tot het eind der nachten
---
*440
#3
1
Lieve God, kom toch ter sprake
als wij zwijgen diep verstomd.
Waar uw Geest ons hart oprakelt
bloeit het lied in onze mond.
In het midden
van de winter
weten wij: de zomer komt!
Refrein:
Niet wat voor ogen is, vult onze dromen,
niet wat voor handen is, wijst ons de weg.
Maar Gij, ons hart op het spoor gekomen,
hebt ons de toekomst aangezegd!
2
Sterft het lied zijn duizend doden,
wijkt de vrede voor geweld,
zijn wij dan de lenteboden
waarin Gij vertrouwen stelt?
Enkelingen
blijven zingen
waar liet visioen nog telt.
Refrein
3
Levend met een wankel weten,
een vermoeden van geloof,
groeien wij de nacht te boven,
aangewakkerd door de hoop.
Gij zult zorgen
dat ook morgen
nog uw lamp niet is gedoofd!
Refrein
---
*441
#3
1
Het licht heeft overwonnen,
straalt als de dageraad
ons tegemoet,
waar nog het dreigen van de nacht
ons vrezen doet.
2
Maar Gij bestraft het duister
als eens de golven en
de hoge wind.
Gij spreekt de boze dromen aan,
de vrede wint.
3
En waar wij zijn gevangen
in meer dan angst en pijn,
ontroostbaar zijn,
omringt Gij ons met tederheid,
die ons verblijdt.
---
*442
#1
1
Cantorij: slechts het water dat wij te drinken geven
Allen: zal ons verkwikken.
Cantorij: Slechts het brood dat wij te eten geven
allen: zal onze honger stillen.
Cantorij: Slechts het gewaad dat wij wegschenken
allen: zal ons bekleden.
Cantorij: Slechts het woord dat leed verzacht
allen: zal ons troosten.
Cantorij: Slechts de zieke die wij bezoeken
allen: zal ons genezen.
Cantorij: Slechts de gevangene die wij verlossen
allen: zal ons bevrijden.
---
*443
#6
1
Waar wegen kruisen in de tijd
klinkt luider dan de valse toon
van rassenhaat en klassenstrijd
uw zuiv're stem, o Mensenzoon.
2
Waar honger zich genesteld heeft
en angst zich hoog heeft opgericht,
waar hebzucht loert op al wat leeft,
daar zien wij uw betraand gezicht.
3
Van 't zwoegen voor het daaglijks brood,
het schreien van het hulploos kind,
de pijn der vrouw in barensnood
hebt Gij u nimmer afgewend.
4
De beker water, koel en fris,
voluit geschonken tot uw eer,
weerspiegelt nog de lafenis
van uw erbarmen, lieve Heer.
5
Daal haastig van de hoogte af,
o Meester die geneest de pijn.
Ga door de straten van de stad
op zoek naar wie verloren zijn.
6
Ga ons weer voor, tot wij vervuld
van liefde wegdoen alle kwaad;
en als een beeld dat wordt onthuld
de Godsstad ons voor ogen staat.
---
*444
#4
1
O God die troont op de gezangen
van Israel,
er gaat een eindeloos verlangen
om eerherstel
2
van lied tot lied vanaf die dagen
tot aan vandaag,
een hunkren, een hartstochtelijk klagen,
een bittre vraag,
3
waarom uw wereld zo geschonden,
geteisterd wordt,
waarom het leed, waarom de wonden,
al ons tekort?
4
Herstel ons Here, hoor ons zingen,
ons groot waarom,
dat op de hemel aan blijft dringen:
o Jezus, kom!
---
*445
#6
1
God die met naam en toenaam is
een daad in de geschiedenis,
een leider die zijn volk bevrijdt,
een koning in zijn majesteit.
2
Als Jozua die zon en maan
hoog in de hemel stil liet staan
en Jericho's geduchte wal
geslecht heeft met bazuingeschal,
3
zo Jezus hangend aan het kruis
bij zon en maan en sterren thuis,
die stervend van ontferming spreekt,
de oude graven openbreekt.
4
Als David met zijn harp, zijn spel
de herder van heel Israel,
de koning van het vrederijk,
een messiaanse droom gelijk,
5
zo Christus die de psalmen zingt
door zijn discipelen omringd,
de nacht voor Hij verheven wordt,
zijn koninklijke bloed gestort,
6
zo de Messias die ons leidt,
zijn rijk herstelt in deze tijd.
Hij gaat door de geschiedenis
omdat Hij altijd bij ons is.
---
*446
#6
1
Van ver, van oudsher aangereikt,
een Woord dat toch niet van ons wijkt,
nabij en nieuw ons aangedaan,
weer vlees geworden, opgestaan!
2
Uit Woord komt tot ons op de wind.
Het zoekt een huis, een wijs. Het vindt
gehoor bij mensen, onderdak.
Dit Woord, dat God van oudsher sprak.
3
Dit Woord blijft leven in een lied.
Waar mensen zingen sterft het niet,
als adem die de harten voedt,
als lente die ons bloeien doet!
4
Dit lied dat onze nacht verstoort
wordt keer op keer als nieuw gehoord.
Het breekt zich baan in morgenlicht,
een nieuwe dag, een vergezicht!
5
Van ver, van oudsher aangezegd,
een Naam, opnieuw op ons gelegd,
een Woord, dat onze monden vult,
een lied, dat Gods gelaat onthult.
6
O Woord, zo lang ons toegedaan,
zet ons opnieuw tot zingen aan:
Gezegend, hier en overal
die is, die was, die komen zal!
---
*447
#2
1
Zij is mij lief; de ware kerk.
In haar ben ik herboren,
gedoopt draag ik haar watermerk,
haar mag ik toebehoren.
Ik heb haar hoog: haar wakend oog
ziet hoe 't mij gaat, treft mij het kwaad,
zij keert het toch ten goede.
Dan staat zij mij met raad terzij
en metterdaad een moeder
spreekt zij van vrees mij vrij.
2
Zij is mij lief; de ware kerk.
In haar ben ik getogen.
Met brood en wijn houdt zij mij sterk
ondanks mijn onvermogen.
Ik houd het maar bij dat gebaar
dat krachtig is: gedachtenis
van Hem die bracht het leven.
Zo zendt zij mij de wereld in
om daar het brood te delen
met vriend en vreemdeling.
---
*448
#4
1
Refrein:
Vier seizoenen heeft het jaar,
vier gestalten, klip en klaar.
In de winter als de dagen
kort zijn en de nachten lang,
is het Kerstfeest, vrolijk Kerstfeest,
vol van licht en van gezang.
2
Refrein
Als de lucht is schoongeblazen
en de lente in het land,
vieren wij het feest van Pasen
en wij dansen hand in hand.
3
Refrein
Is de zomertijd gekomen,
vieren wij het Pinksterfeest.
Als een vogel in je dromen
klapwiekend de Heilge Geest.
4
Refrein
In het laatste der seizoenen,
in de herfst wordt alles stil;
tijd voor wie met God en ere
door het leven wandlen wil.
---
*449
#4
1
De profeten die je kent
uit het oude testament,
als Jesaja en Elia,
Daniel en Jeremia,
Jona en Ezechiel,
en er zijn er nog veel meer,
waren knechten van de Heer,
van de God van Israel.
2
En zoals je ook wel weet
was het werk van een profeet
om te spreken met de woorden
die hij uit de hemel hoorde,
om te zeggen wat hij zag
als hij in een visioen
leerde wat de Heer zou doen
nu en op de jongste dag.
3
Zeker heb je ook geleerd:
een profeet werd niet geeerd.
In de dorpen en de steden
sprak hij van de lieve vrede
en van de gerechtigheid;
maar hij vond er geen geloof,
want de mensen bleven doof
voor zijn woord. Zij wilden strijd.
4
Nu zijn de profeten dood.
Maar hun woorden blijven groot.
Als je iets van God wilt weten
luister dan naar de profeten,
want zij hebben Hem gekend.
En wat zij hebben gezegd
is voor altijd vastgelegd
in het oude testament.
---
*450
#7
1
Allen: Refrein:
Dat wij als wachters op de muren zijn,
geroepen om het zwijgen te verbreken,
een klein begin van opstanding, een teken.
Koor/voorzang:
Nog heerst verhuld de slavernij
van man en macht: een maatschappij
die in haar schild het onrecht voert
van leven dat wordt ingesnoerd.
Maak, God, om Christus' wil ons vrij.
Refrein.
2
Nog duurt een ongelijk gevecht:
de sterke die zijn wil oplegt
aan de verliezer - op dood spoor
gaat hij verarmd de dagen door.
God, wie verschaft de zwakke recht?
Refrein
3
Nog wordt net gouden kalf vereerd
van nooit genoeg en altijd meer.
Maar schrijnend is het tegendeel:
de rekening voor ons teveel.
God, zegen wie het onrecht keert.
Refrein
4
Nog heerst het drogbeeld van de staat:
er is een vijand die men haat,
nooit is een wapen sterk genoeg.
O God, bevrijd ons van de vloek
die eens geen leven overlaat.
Refrein
5
Zie nog de mens die wordt bespot,
al is hij beelddrager van God,
zijn bondgenoot. Samaritaan,
ontrechte mens, leer ons verstaan
wat liefde is naar zijn gebod.
Refrein
6
Nog zucht de schepping doodsbenauwd,
aan onze zorgen toevertrouwd.
Het spansel rond de aarde barst,
door mensenhanden aangetast.
Bekeer ons, God, tot haar behoud.
Refrein
7
Nog houdt de kerk uw naam verdeeld:
wij maken ons van U een beeld,
gesneden uit ons eigen hout,
wij zoeken in onszelf behoud.
O God, geef dat uw Geest ons heelt.
Refrein
---
*451
#7
1
Refrein:
Bron van het zijnde, groot zijt gij:
eeuwig oneindig, en zo nabij.
Solo:
In het begin was er duister,
over de wateren waakte uw Geest;
toen klonk uw stem: "Er zij licht!" -
nooit is de nacht meer blijvend geweest.
Refrein
2
Gij hebt de hemel geschapen:
veilige koepel boven ons hoofd,
opdat wij vrij mogen leven
hier in het land dat Gij hebt beloofd.
Refrein
3
Water verzameld tot zeeen;
aarde, niet langer bedreigd door de vloed,
kon nu haar vruchten gaan geven:
bomen en bloemen, - zie het was goed.
Refrein
4
Zon om de dagen te voeden,
maan om te hoeden over de nacht,
sterren om ons te doen weten
wanneer de lente mag worden verwacht.
Refrein
5
Zee, waar het wemelt van leven:
grote gedrochten en klein gekrioel;
hemel vol vogels, - gezegend:
heel hun uitbundig bestaan is uw doel.
Refrein
6
Dieren, zij mogen hier wonen;
zij zijn uw werk, met als kroon: de mens,
manlijk en vrouwlijk als Gij, -
liefde uw waagstuk, uw diepste wens.
Refrein
7
Zo hebt Gij alles geschapen;
het was zeer goed, toen Gij het bezag.
En omdat voortaan te vieren
zegende Gij de zevende dag.
Refrein (2x)
---
*452
#3
1
Een boog van licht en leven
stond hoog onder de zon
om glans en gloed te geven
aan Gods vernieuwd verbond.
De duif, vol geest van vreugde,
zat in de levensboom.
De aarde die verheugde
zich in een vredesdroom.
2
De boog is nu gebroken
door menselijk misbaar.
Het licht is nu geloken,
het leven niet meer waar,
gerechtigheid verdwenen,
de schepping aangetast.
Het onheil is verschenen,
onvrede leidt tot last.
3
De boog zal zich herstellen
tot aan de horizon,
als mensen weer vertellen
en leven uit de bron,
waaruit een gave schepping
eenmaal is opgericht:
uit chaos de verheffing
van al wat leeft in 't licht.
---
*453
#4
1
Refrein:
Kom, laten wij opstaan en opgaan, vertrekken
vanuit de valleien van angst en van dood.
Laten wij opstaan en opgaan, vertrekken
naar vruchtbare vlakten,
vlakten van leven en hoop.
Uittocht uit duisternis, uit zwijgen, benauwenis;
intocht in warmt' en licht, God zien in elkaars gezicht.
Refrein
2
Uittocht uit niet-bestaan, in schaduw verloren gaan;
intocht in overvloed, levens vol kracht en moed.
Refrein
3
Uittocht uit eenzaamheid, uit twijfel, onzekerheid;
intocht in samenzijn, voorbij aan de levenspijn.
4
Refrein:
Kom, laten wij opstaan en opgaan, vertrekken
vanuit de valleien van angst en van dood.
Laten wij opstaan en opgaan, vertrekken,
laten wij gaan
met haastige spoed.
---
*454
#12
1
Tien woorden zijn gegeven
al ver voor ons bestaan
als onderricht ten leven
als weg om op te gaan.
2
Gij zult geen and're goden
vertrouwen dan de Heer
die voor al zijn geboden
u gaf zijn woord van eer.
3
Gij zult geen beeld u maken
van God en zijn domein,
maar horen naar de woorden
die opgetekend zijn.
4
Gij zult de naam des Heren
ook in uw vroomheid niet
misbruiken maar hem eren
tot in uw hoogste lied.
5
Gij zult steeds heilig achten
de rustdag van de Heer
in dankbaarheid indachtig
zijn daden van weleer.
6
Gij zult uw ouders eren
die u zijn voorgegaan,
elkander wederkerig
in eerbied toegedaan.
7
Gij zult in woord noch daden
ooit heulen met de dood
uw naaste nimmer schaden
maar helpen uit de nood.
8
Gij zult de trouw niet breken
die mensen samenbindt
maar bouwen aan de vrede
tot zegenen gezind.
9
Gij zult van niemand stelen
zijn have en zijn goed
maar met de armen delen
uw eigen overvloed.
10
Gij zult geen mens verraden
met list of lasterpraat
maar weren al het kwade
opdat hij vrijuit gaat.
11
Gij zult geen ding begeren
dat van uw naaste is
maar steeds ten goede keren
zijn leegte en gemis.
12
Tien woorden zijn gegeven -
hun zin is ons onthuld
toen Een ze in de liefde
volkomen heeft vervuld.
---
*455
#7
1
Zij hebben Mozes nagekeken
toen hij alleen de berg beklom
tot in de witte wolken om
onzichtbaar met zijn God te spreken.
2
Maar alle hoop werd hun ontnomen,
het wachten duurde al te lang.
Zij werden boos en daarna bang.
Wie weet, wat hem was overkomen!
3
Had hij hen soms voorgoed verlaten?
De mensen voelden zich alleen
in een woestijn van zand en steen
en gingen met Aaron praten.
4
Wij willen met ons goud betalen
voor goden, die wij kunnen zien,
een stier, een koe, een kalf misschien.
Aaron liet zich overhalen.
5
Hij smolt het goud en voor hun ogen
heeft hij daarvan een kalf gesmeed,
een gouden kalf, een afgodsbeeld,
en heel het volk was opgetogen.
6
Zij hebben het tot god verheven;
het feest was al in volle gang.
Zo hebben zij met dans en zang
hun angst en eenzaamheid verdreven.
7
Maar Mozes, die het wel kon weten,
heeft de twee tafelen van steen
waarop Gods wet stond, een voor een
in grote woede stukgesmeten.
---
*456
#10
1
Wanneer Hij roept, dan worden woorden waar,
gaven gegeven voor een heilig leven.
Bloed tot bedekking stromend om het even
en alle mensen komen tot elkaar.
2
Zo roept de Heer - gezegend zij zijn naam! -
voorgangers om zijn volk te gaan behoeden.
Volgave dieren moeten voor ons bloeden,
in onze plaats moeten zij ondergaan.
3
Vuur van de hemel heeft de schuld verteerd:
toenadering als gave en een teken
dat het aan vrede niemand zal ontbreken,
wanneer het heil zich naar de mens toekeert.
4
Nadert de Heer in alle heiligheid,
opdat het kwade niet kan overwinnen.
Laat wat onrein is nooit naar binnen dringen:
zo spreekt het Woord een nieuwe Schepping uit.
5
Eens - en - voor - al treedt iemand voor ons in
om alle droeve daden te bedekken.
Onder een wolk van heil wil God verwekken
een nieuwe naam, een gaaf en goed begin.
6
Heiligt uw leven hier en overal,
waar zich de ander aan u zal vertonen.
Doet ieder recht, want Hij wil bij u wonen,
wiens Naam het allerheiligst is van al.
7
Neemt alle ordeningen wel in acht,
zo is er plaats en ruimte om te leven.
Aan u wordt land en huis en hof gegeven
vrede en vrijheid voor wie Hem verwacht.
8
Dan wordt de tijd in vreugde weg-gevierd
en zullen wij de lofzang vrolijk zingen.
Heel het verleden, de verbitteringen,
worden in feestgetijden weg-gesierd.
9
Doet met uw land naar Godes wil en wet
en als een vreemde zult gij gaan op aarde.
Landheer is Hij, die deze grond bewaarde,
toen gij in ketenen waart vastgezet.
10
Wanneer Hij roept, dan worden woorden waar:
in zijn beloften kiemt het nieuwe leven.
In brood en beker wordt het u gegeven,
Hij maakt het in de Zoon des mensen waar!
---
*457
#6
1
Mozes is gestorven.
Jozua zijn knecht
moet ons verder leiden,
zo heeft God gezegd.
Alle oude woorden
worden morgen waar.
't Land van melk en honing
ligt al voor ons klaar.
Refrein:
De bevrijding gaat beginnen.
Hier is het beloofde land.
Alle mensen mogen binnen,
de bevrijding gaat beginnen;
is gelegd in onze hand.
2
Zouden wij wel durven,
tegen Jericho?
Kijk eens naar die muren,
sterk en torenhoog!
Maar de twee verspieders
brengen goed bericht:
Jericho's soldaten
zijn nu al gezwicht.
Refrein
3
Wat God heeft gegeven
nemen wij ter hand;
trekken door het water
naar de overkant.
Laten wij niet bang zijn,
God gaat zelf vooraan
om de weg te wijzen
dwars door de Jordaan.
Refrein
4
Weet je nog: Egypte,
't land van slavernij?
Al dat bitter lijden
is voorgoed voorbij.
Nu vieren wij Pasen,
brood in overvloed.
Hier kunnen wij vrij zijn,
want dit land is goed.
Refrein
5
Jericho zal vallen
zonder slag of stoot.
Blaas op de trompetten!
Zing de muur kapot!
Tel zeven maal zeven,
wees niet meer bevreesd.
Wij zijn uitgenodigd
op het Pinksterfeest.
Refrein
6
Al wat ons bedreigde,
wat geen toekomst heeft
is voor ons verdreven,
door de God, die leeft.
Zouden wij verlaten
Hem, die ons bevrijdt?
Hij zal onze heer zijn
nu en voor altijd.
Refrein
---
*458
#5
1
Wij reizen rusteloos naar waar de vrede woont
en zoeken levenslang wat onze moeiten loont.
God kent ons onvermogen
en schept ons zienderogen
een ruime weg die Hij met uitzicht kroont.
2
De volle breedte van de aarde is het land
waar Hij Zijn goedheid zaait met koninklijke hand.
Hij koestert ons zorgvuldig
en rondom rijpt geduldig
de vrucht van vrede nu aan alle kant.
3
Wij mogen wonen in de weldaad van zijn woord.
Dan bloeit tiet leven zonnewaarts en ongestoord.
Zijn trouw straalt ongebroken,
het duister blijft weersproken
en God staat ons met heel zijn hart te woord.
4
Wij mogen rusten in de goedheid van de Heer.
Er is een einde aan de moeiten van weleer.
Niet langer onverzadigd
herleven wij weldadig,
genieten zijn genade meer en meer.
5
Laat vrede gaan van hand tot hand
deelt haar in daden uit
totdat zij reikt van land tot land
en heel de aard' omsluit.
---
*459
#6
1
Zegevierend komt hij schijnen
als een zon bij dageraad,
nacht en nevel moet verdwijnen,
al het Filistijnse kwaad;
Simson met z'n zeven lokken
als een vloed,
Simson met z'n hartsgeheimen
en hun gloed.
2
Kiest het bijenvolk een woning
in de koning der natuur,
die een prooi was, proeft de honing
van het overwinningsuur.
Wat is sterker dan een roofdier,
jong en fel?
Dat wat zoeter is dan honing,
wonderwel!
3
Vossen, kleine rode honden,
vlekken op de huid van 't land,
doen in allerijl de ronde,
paarsgewijze, moord en brand.
't Staande koren ging verloren
toen hij kwam:
toom van een gekrenkte liefde,
vuur en vlam.
4
Door geen duisternis te keren
- zonne der gerechtigheid -
door geen dodenwacht te weren
- heft uw hoofden, poorten wijd -
stelt hij deuren aan de hemel,
zonneklaar,
stelt de stad in alle diepte
openbaar.
5
Die de vossen heeft gebonden
en de leeuw heeft aangevat,
doet ten einde zelf de ronde,
draaiend in het grote rad;
Simson, vorst onder de mensen,
zonnekind,
die gekust werd en verraden,
stekeblind.
6
Wat van Simson staat geschreven
in de heilige Schriftuur,
van de zon, het licht der wereld,
die de mensen doopt met vuur.
zegevierend gaat hij onder
in de nacht
die z'n leven als een offer
heeft volbracht.
---
*460
#6
1
De boeren worden nieuw geboren,
zij groeiden door het vergezicht.
Zij zagen hoe de zon het koren
kwam dopen met een handvol licht.
2
Het zilveren bidden van de zaaiers
bracht door het wonder van elk jaar
Gods gouden antwoord aan de maaiers.
Zij stonden als een leger klaar.
3
Zij trokken uit en zongen psalmen
en sloegen met de zeis de maat.
God boog zich als de rijpe halmen
en als de zon was zijn gelaat.
4
Ruth uit de schaduw opgedoken,
stond eensklaps in het felle licht,
-een hert dat water heeft geroken,
de kop verlangend opgericht.
5
En voet voor voet is zij het juichen
der maaiers achterna gegaan,
om zwijgend naar de grond te buigen
als zaad dat sterft om op te staan.
6
Zij boog, zij had geen andere rechten
dan wat haar toeviel van het lot,
maar 't was als baanden Boaz' knechten
voor haar een pad naar Israels God.
---
*461
#5
1
Mijn hart is vrolijk om jou,
je bent als een rots te vertrouwen,
je heft mij op tot een lied.
Je bent een God van vrouwen
die zich met hart en mond
verheugen. De vijand verstomt.
Refrein:
Van de toekomst moet je zingen,
Hanna, een bevrijdingslied.
Laat je niet tot zwijgen dwingen
door de vaste gang der dingen.
Wie jou hoort vergeet het niet.
2
Geen God, geen macht die het haalt
bij jou, die als rechter van allen
de grootspraak oordeelt en toetst.
De trotsen zullen vallen,
de Heer voert zijn geding,
zijn troon is het lied dat ik zing.
Refrein:
Van de vrede moet je zingen,
Hanna, een nieuw mensenlied.
Tegen wapens die ons dwingen,
tegen honger moet je zingen,
tegen doodsmacht en verdriet.
3
Het heldenwapen breekt stuk.
Wie struikelde zal weer verrijzen.
Wie hongert krijgt vandaag brood.
Ontrechte vrouwen prijzen
de dag, het morgenrood.
Het leven staat op uit de dood.
Refrein
Roep te voorschijn nieuwe tijden,
Hanna, held're stem, bezing
waarom wij ons in Gods wijde
schepping weer mogen verblijden,
levend van verwondering.
4
Het volk der armen staat op.
Geluk voor gebukten gaat dagen
zo waar als het fundament
der aarde ons blijft dragen.
De trouw wordt onze macht.
De onmens verdwijnt in de nacht.
Refrein
Jouw muziek wordt ons een teken,
Hanna, van het koninkrijk
dat zal komen en zal breken
met het onheil. Wij ontsteken
licht zodat het duister wijkt.
5
Gerechtigheid breekt zich baan.
Het brute geweld maakt geen helden:
de hemel zal ze weerstaan
en ons de vrede melden:
er treedt een koning aan,
Messias, gezegend zijn naam.
Refrein
Van die koning mag je zingen,
Hanna, een bevrijdingslied.
Laat je niet tot zwijgen dwingen
door de vaste gang der dingen.
Wie jou hoort vergeet het niet.
---
*462
#5
1
Mijn God, uw volk, gevallen is het nu,
hoe zijn de helden thans uiteengeslagen,
hoe moeten wij het feestgejoel verdragen,
want in de straten lacht men straks om U.
2
Zon, word verduisterd, heuvels toom u in,
want weggeworpen is het schild der helden.
Een enkel mens kwam mij de rampspoed melden
dat velen zijn gesneuveld zonder zin.
3
Saul onze koning, Jonathan mijn vriend,
zij waren onafscheidelijk tezamen,
ik roep maar steeds hun liefelijke namen:
O Jonathan, hoe heb ik je bemind!
4
O Jonathan! de boog die jou behoort,
snel en trefzeker was hij in je handen,
hoe mooi was jij als je het wapen spande,
O Jonathan, o vriend die ik verloor.
5
Heer in de hemel, help mij door het dal
nu ik de last van dit verdriet moet dragen.
Wil naast mij gaan in deze donkere dagen:
ik weet dat eens uw Geest mij troosten zal.
---
*463
#6
Refrein 1:
Boog van de hemel staat tegendraads
boven de aarde benedenmaats.
Refrein 2:
Aarde beneden, lot en gebod,
mens tegen mensen, God tegen God.
1
Van horen zeggen weten wij
- God sta ons bij -
dat elke tegenstander
vermetel zwerft van vroeg tot laat
en zwelgt in 't kwaad
bedreven aan de ander.
2
Van horen zeggen weten wij
- God sta ons bij -
dat leven wordt genomen
zoals het ook gegeven wordt.
Het gras verdort
zoals het op kan komen.
Refrein 2
3
Van horen zeggen weten wij
- God sta ons bij -
dat in het diepste duister
als licht voorgoed is uitgedoofd
Hij wordt geloofd
Wiens naam verschijnt in luister.
Refrein 1
4
Van horen zeggen weten wij
- God sta ons bij -
dat niet altijd een teken
gegeven wordt in alle nood
of in de dood. -
Is God van ons geweken?
Refrein 2
5
Van horen zeggen weten wij
- God sta ons bij -
dat mensen eenzaam blijven
in hun geboorte en hun dood.
Het leed is groot,
geen pen kan het beschrijven.
Refrein 1
6
Van horen zeggen weten wij
- God sta ons bij -
dat wie verhaal wil halen
uit 's levens last en list en lot
zijn Heer en God
ontmoet te enen male.
Refrein 2
---
*464
#7
1
Hoe heerlijk, Heer, breidt overal op aarde
uw naam zijn luister en verrukking uit.
Ik zing uw glorie, die de wolken klaarde,
uw zegepraal, die alle ding omsluit.
2
Het prilste leven trilt van al uw zegen,
en kinderen, stemt gij uw loflied aan,
opdat uw vijand zwijgt, en allerwege
uw haters langs verloren wegen gaan.
3
Ik zie de hemel, door uw kracht geslagen,
de maan, de sterren, op uw wenk gerijd.
Wat is de mens dan, dat Gij hem wilt dragen,
het mensenkind, dat Gij hem Vader zijt?
4
Haast als een godheid hebt Gij hem verheven,
bijna U zelf gelijk, vlam van uw vuur,
met licht gekroond, met fonkeling omgeven,
in U ontstijgend aan bestek en duur.
5
In U geroepen tot bewust regeren
van wat uw hand de zijne achterliet,
de wereld aan zijn voeten wacht uw zegen,
als hij in uw naam alle stof gebiedt.
6
En schapen, koeien, redeloze dieren,
getemd, of dravend in het open veld,
en vogels die door 't vrije luchtruim zwieren,
de vissen in de zeeen, ongeteld,
7
zij allen zijn het, die uw heil hem spaarde,
zijn lof, zijn dienstbaarheid, zijn macht, zijn buit.
Hoe heerlijk, Heer, breidt overal op aarde
uw naam zijn luister en verrukking uit.
---
*465
#7
1
Een zwaluw op de vlucht voor winterstormen
is niet zo zeker van een verre weide
als wij verzekerd zijn van uw erbarmen.
Voor de vervolgden bent U vrijgeleide,
U draagt de pijn van hen, die weerloos strijden.
U bent het vuur waaraan wij ons verwarmen.
2
Al heb ik pijn, toch ben ik niet verslagen.
Ik koos uw weg en vond U aan mijn zijde.
Nog voor ik om uw zegening kon vragen
had U uw arm al om mij heengeslagen.
U deelt de pijn van hen die om u lijden.
Geen vijand of U waagt ons te bevrijden.
3
Zij spotten dat ik niet van U kan scheiden.
Maar Gij genadige, mij zo nabije,
wie ben ik dat ik U nog zou bekoren.
Ik kan mijn onrecht voor U niet verzwijgen,
en dat ik niet geleefd heb naar uw woorden.
Ik ben een mens die niet van U wil horen.
4
Wie is gestorven heeft tenminste vrede,
maar ik ben als een dode die moet dolen.
Niemand gedenkt mij meer in zijn gebeden.
Zij kunnen lachen die mij altijd meden.
Mijn ogen hebben alle glans verloren.
Een glas in scherven is niet zo gebroken.
5
Mijn God, laat toch de morgen mogen komen
waarin gerechtigheid heeft overwonnen,
waarin mijn ziel zich aan uw lichte zomen
vlijt als een zwaluw die is thuisgekomen
en laten allen die mij kooien konden
verbijsterd in hun eigen nacht verstommen.
6
Wie U aanbidden zullen U ervaren.
Wij zijn als korven die U zelf wilt vullen
met zongerijpte vruchten, goede zaden
die het volkomen oogsten nog verhullen.
Geen ander kan ons uit de diepte tillen
dan Gij die ons omarmt en wil bewaren.
7
Ontredderd als geen redding wordt geboden
zijn wij, weerloos voortgaan langs uw wegen:
herinner U uw volk en kom ons tegen.
U bent toch levend, en geen God van doden!
---
*466
#3
1
De steppe zal bloeien,
de steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan
vanaf de dagen der schepping,
staan vol water, maar dicht,
de rotsen gaan open.
Het water zal stromen,
het water zal tintelen, stralen,
dorstigen komen drinken.
De steppe zal drinken,
de steppe zal bloeien,
de steppe zal lachen en juichen.
2
De ballingen keren.
Zij keren met blinkende schoven.
Die gingen in rouw
tot aan de einden der aarde,
een voor een, en voorgoed,
die keren in stoeten.
Als beken vol water,
als beken vol toesnellend water,
schietend omlaag van de bergen.
Met lachen en juichen -
die zaaiden in tranen,
die keren met lachen en juichen.
3
De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan
en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op,
het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
een stem zal ons roepen: Ik open
hemel en aarde en afgrond.
En wij zullen horen,
en wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven.
---
*467
#6
1
Strooi uw brood op het water,
verdeel het in zevenvoud:
gij zult het weervinden later
na dagen, uw lijfsbehoud!
2
Wolken storten in stromen
hun regen op aarde uit -
een boom ontwortelt, volkomen.
door niets in zijn val gestuit!
3
Wie steeds oplet: hoe boven
de wind draait, de lucht betrekt -
bindt nimmer halmen-aan-schoven:
zijn kiemzaad blijft ongewekt!
4
Wat weet gij van het rijpen,
het zaad in de moederschoot?
Hoe kunt gij God dan begrijpen,
die graan verandert in brood?
5
Zaai uw zaad in de morgen -
tot slaap uw oogleden drukt:
de toekomst houdt nog verborgen,
waarvan gij de vruchten plukt!
6
Uit uw verborgenheid
blijft Gij het licht ontsteken.
Breek alle duisternis
en wees ons vredesteken!
Wij zijn uw kandelaar,
wij gaan het donker tegen!
---
*468
#6
1
Wij zijn geroepen tot het feest
dat God heeft aangericht,-
de Heer, die onze dagen telt,
met liefde onze namen spelt,
de schepper van het licht.
Refrein:
Zing van de liefde, sterk als de dood.
Goddelijk vuur, wees ons dagelijks brood.
2
De schepping maakt zich feestlijk op;
de winter is gevlucht.
Wanneer zijn Geest mijn hof doorwaait,
Hij zich in mij heeft uitgezaaid,
dan draagt zijn liefde vrucht.
Refrein
3
Hij zoekt waar wij verscholen zijn
en kiest ons als zijn bruid.
Hij kust ons tot zijn geesteskind,
beademt ons met lentewind.
Ons hart gaat naar Hem uit!
Refrein
4
Wij zijn voor Hem beminnenswaard;
Hij hecht aan ons zijn trouw.
Zijn hart heeft Hij voor ons bewaard,
zijn liefde blijvend ons verklaard,
ons op elkaar gebouwd.
Refrein
5
Wij bloeien op, wanneer zijn stem
ons in de oren klinkt.
De dood zelfs blust zijn liefde niet
en in ons hart legt hij het lied
dat van zijn liefde zingt.
Refrein
6
De liefde is een godsgeschenk,
ons tot een lieve lust.
Met lijf en ziel haar toegedaan
zijn wij van harte opgestaan,
tot leven weer gekust.
Refrein
---
*469
#7
1
Hij die de hoge bomen
geveld heeft door zijn kracht,
Hij liet een loot opkomen
uit Isai's geslacht.
De afgehouwen tronk,
geworteld in Gods aarde,
gaat bloeien in de nacht.
2
Een twijgje is gesproten
aan Davids dorre boom,
Gods Geest is uitgegoten
op Davids grote Zoon:
inzicht en goed beleid
en wijsheid en vermogen
spreidt deze Spruit ten toon.
3
Zo zal de dienst des HEREN
zijn lust en leven zijn.
Hij zal naar recht regeren
wie arm en needrig zijn:
want niet de schone schijn,
de praal van loze woorden,
Recht zal zijn richtsnoer zijn.
4
Wie zich onschendbaar waanden,
kastijdt Hij met zijn mond;
de hitte van zijn adem
brengt de verdrukkers om.
Hij is met trouw omgord,
het recht is om zijn heupen,
vrede regeert rondom.
5
De schapen en de wolven
zijn samen in de wei;
de panter en het bokje,
zij grazen zij aan zij:
een jongen die ze hoedt.
Een zuigeling mag spelen
met adders op de hei.
6
Koe en berin, zij delen
in vrede haar bestaan;
haar tere jongen spelen
in Gods landouwen saam.
En niemand doet nog kwaad,
want kennis van de HERE
bedekt de aard voortaan.
7
Het twijgje, eens ontsproten
aan Isai's geslacht,
rijst op voor aller ogen
als teken van Gods macht.
De volken zoeken Hem.
Wie in zijn schaduw schuilen
wordt vrede toegebracht.
---
*470
#7
1
Opmaat
De wachters zijn blind; zij allen hebben geen kennis,
zij zijn allen stomme honden, die niet kunnen blaffen;
dromend liggen zij neer, zij hebben de sluimering lief.
Jes. 56:10
2
Het recht hebt Gij aan uw zijde, Here, als ik met U
zou twisten; toch wil ik over rechtszaken met U spreken:
Waarom is de weg der goddeLozen voorspoedig,
en zijn zonder zorg allen, die zich trouweloos gedragen?
Jer. 12:1
3
Gij hebt mij overreed, Here, en ik heb mij laten
overreden. Gij zijt mij te sterk geweest en hebt
overmacht.
Jer. 20:7
4
De wakers zijn stomme honden:
zij blaffen niet eens voor een dief!
zij leggen zich op hun sponde;
zij hebben de sluimering lief!
5
De wakers zijn onverzadigd:
zij spoeden zich naar hun gewin!
voor niemand zijn zij genadig;
zij spinnen in listen zich in!
6
"Komt, laten wij wijn gaan halen
en zwelgen de godganse dag! "
zo klinkt er; alle etmalen
zijn vol van gebral en gelach!
7
De wijze komt om het leven;
waar niemand, geen hond acht op slaat!
hij ga in vrede - geschreven
in 't hart, woest en moe, desolaat!
---
*471
#5
1
Het recht is aan uw zijde
- ik wil er niet over strijden -
maar waarom gaat de weg van de boze
mensen over rozen?
Refrein:
Kyrie eleison, kyrie eleison.
2
Ik wil alleen maar vragen
- ik mag er niet over klagen -
maar waarom kunnen listen en lagen
naar hun toeleg slagen?
Refrein: Kyrie
3
Ik wil alleen maar weten
- ik mag mijn plaats niet vergeten -
maar waarom mag in Gods naam men liegen,
iedereen bedriegen?
Refrein: Kyrie
4
Ik wil alleen maar pleiten
- ik maak er u geen verwijten -
ze daarom hart en botten te breken!
onrecht zoet te wreken -
Refrein: Kyrie
5
Het land ligt te verdorren
- ik wil er niet over morren -
maar vanwege hun boos hart, verdorven,
is het uitgestorven...
Refrein: Kyrie
---
*472
#4
1
O God, o God is mij de baas geworden:
hier sta ik voor de horde, een zot, ten spot!
Refrein:
Kyrie, kyrie, kyrie eleison.
2
Ik schreeuw het uit!
Ik moet het onderdrukken,
maar dat wil maar niet lukken:
de noodklok luidt!
Refrein: Kyrie
3
Ik nam mij voor.
ik wil er niet aan denken,
geen aandacht er aan schenken!
Sloot oog en oor -
Refrein: Kyrie
4
Ocharm, mij hart,
dat liet zich niet bedotten:
het vuur schoot in mijn botten!
geplaagd, gesard!
Refrein: Kyrie
---
*473
#10
1
Gij werken des Heren, zegent de Heer,
ja looft en verheft Hem in eeuwigheid.
2
Gij engelen, hemelse machten,
gij sterren des hemels, gij zon en gij maan,
zegent de Heer.
3
Gij winden van God en gij regen,
gij sneeuw en gij ijs en gij hitte en vuur,
zegent de Heer.
4
Gij bliksems en donkere wolken,
gij nachten en dagen, gij duister en licht,
zegent de Heer.
Refrein:
Gij aarde des Heren, zegent de Heer,
ja looft en verheft Hem in eeuwigheid.
5
Gij bergen en glooiende heuvels,
rivieren en zeeen en gij oceaan,
zegent de Heer.
6
Gij bomen, gij gras en gij bloemen,
gij vissen en wat er in het water bestaat,
zegent de Heer.
7
Gij vogels omhoog en gij dieren,
gij mensen die over de aarde krioelt,
zegent de Heer.
Refrein:
Gij Israel, volk van God, zegent de Heer,
ja looft en verheft Hem in eeuwigheid.
8
Gij priesters en dienaars des Heren,
gij geesten en zielen der kinderen Gods,
zegent de Heer.
9
Die nederig zijt in het leven,
looft God, want Hij heeft ons bevrijd uit de hel,
zegent de Heer.
10
Bevrijd uit de laaiende vlammen,
Hananja, Asarja en Misael,
zegent de Heer.
Refrein:
De Heer is verheven, zegent de Heer,
ja looft en verheft Hem in eeuwigheid.
---
*474
#12
1
Jona wilde vluchten,
vluchten voor het Woord,
had een storm te duchten
en ging overboord.
2
Eenmaal buiten westen
viel de duisternis
die hem toen nog restte
in de grote vis.
3
Jona ongeboren
drijvend in de dood
waande zich verloren
in die moederschoot
4
en hij riep in donker
onder Gods gericht
en de HEER die schonk hem
weer het levenslicht.
5
Jona zocht de stad op
oostwaarts oostenvroeg,
hij had er geen vat op
dat zij hem verdroeg,
6
want hij profeteerde
schade voor de stad
als zich niet bekeerde
wie gezondigd had.
7
En de mensen bogen
heel hun hart en ziel,
zodat voor hun ogen
de stad niet ommeviel.
8
Jona was verbolgen
over Gods berouw:
Nineve verzwolgen,
dat was wat hij wou.
9
En hij vroeg de HERE
om een goede dood,
wilde zich niet keren,
naar het morgenrood.
10
God de HEER beschikte
toen een wonderboom
die in vuur verstikte:
einde van een droom.
11
Jona wilde sparen
een gedroomd bestaan
en voorgoed bewaren
eigen wijsheidswaan.
12
Spaar de stad vol namen,
groeiend als een boom
en beleef tezamen
Gods volmaakte droom.
---
*475
#3
1
Gij ziet ons vechten met de macht
van dood en chaos, angst en nacht.
Gij komt ons reddend tegemoet
en treedt de golven met uw voet.
2
Maar wij herkennen niet uw gaan
en zien u voor een spookbeeld aan,
want mateloos zijn wij verblind
in ons gevecht met storm en wind.
3
Heer, dwing de stormwind weg te gaan
en raak ons met uw geestkracht aan,
opdat wij over 't boze tij
het land zien aan de overzij.
---
*476
#4
1
Zoals het witte bliksemlicht
dat in het Oosten is ontstaan
de hemelen is doorgegaan
en naar het Westen is gericht,
2
zo zal de komst zijn van Gods Zoon,
Hem die de Zoon des mensen is,
een flits in de geschiedenis,
een schittering verblindend schoon
3
een snelle, felle tekening
van alles wat onmooglijk scheen
rondom de grote aarde heen
een nieuwe hoop, een hunkering,
4
een glans die Oost en West verbindt
en oude en nieuwe wereld saam
verenigt in de ene naam
van Christus die zijn Rijk begint.
---
*477
#8
1
Ik heb vannacht een mooie droom gehad:
ik liep te zingen in de nieuwe stad.
Het was een vrolijk lied van louter vrede,
van liefde tot in alle eeuwigheden.
Keervers:
En daar is God de Heer
een groot en stralend licht.
Het duister is niet meer,
de dag gaat niet meer dicht.
2
De stad, die als een diamantsteen straalt
was uit de hoge hemel neergedaald.
Een engel heeft haar lengte en haar breedte
toen met een gouden meetstok opgemeten.
Keervers
3
Een zuiver vierkant was de nieuwe stad,
die ook een muur met wel twaalf poorten had,
en al die poorten stonden altijd open,
zodat ik zingend in en uit kon lopen.
Keervers
4
Opmaat
En hij toonde mij een rivier van water des levens,
helder als kristal, ontspringende uit de troon van God
en van het Lam.
5
Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier
staat het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht
draagt, iedere maand zijn vrucht gevende en de
bladeren van het geboomte zijn tot genezing der
volkeren.
6
En niets vervloekts zal er meer zijn. En de troon van God
en van het Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten
zullen Hem vereren,
7
en zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun
voorhoofden zijn.
8
En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht
van een lamp of licht der zon van node, want de Here
God zal hen verlichten en zij zullen als koningen
heersen tot in alle eeuwigheden.
Openbaring 22:1-5
---
*478
#10
1
Ik zag een wonderlijke stroom
van zuiver water in mijn droom
het bruiste in een stad van goud:
een stroom van leven en behoud.
2
En met haar druppels van kristal
bracht zij verkwikking, overal,
ik zag de bron waaruit zij kwam:
de troon van God en van het Lam.
3
Toen zag ik op het grote plein,
waar ook de vele mensen zijn,
zoals het was in het begin:
de boom des levens middenin.
4
Die goede boom gaf goede vrucht,
daar werd van maand tot maand geplukt,
twaalf keren was het, welgeteld:
zo bloeit de stam van Israel.
5
O stad van vrede en van lust,
waar al de toom is uitgeblust,
geen wet is tegen u gekeerd,
en daar is geen vervloeking meer.
6
Geen hoge raad en geen gericht
weerstaan ons in het aangezicht,
want waar God troont is ook het Lam,
dat dood en oordeel op zich nam.
7
Zo mogen al de knechten vrij!
Goeden en slechten, zij aan zij,
gaan opgetogen door de poort:
zij groeten God en doen zijn Woord.
8
AI doende zien zij 't witte licht
dat uitstraalt van zijn aangezicht
en op hun voorhoofd blinkt zijn Naam
EMMANUEL in alle taal!
9
O volk dat vredelievend lacht,
daar komt geen avond meer, geen nacht,
dat gij met lampen door de straat
bang uitziet naar de dageraad.
10
Want 's Heren woord is in uw mond
en God is goud, is morgenstond,
gij zult regeren, en voortaan
zal nooit de zon meer ondergaan!
---
*501
#7
1
De vreugde voert ons naar dit huis
waar 't Woord aan ons geschiedt.
God roept zijn Naam over ons uit
en wekt in ons het lied.
2
Dit huis van hout en steen, dat lang
de stormen heeft doorstaan,
waar nog de wolk gebeden hangt
van wie zijn voorgegaan,
3
dit huis, dat alle sporen draagt
van wie maar mensen zijn,
de pijler die het alles schraagt,
wilt Gij die voor ons zijn?
4
Zal dit een huis, een plaats zijn waar
de hemel open gaat,
waar Gij ons met uw eng'len troost,
waar Gij U vinden laat?
5
Onthul ons dan uw Aangezicht,
uw Naam, die met ons gaat
en heilig ons hier met uw licht,
uw voorbedachte raad.
6
Vervul ons met een nieuw verstaan
van 't Woord, waarin Gij spreekt,
en reik ons zelf als leeftocht aan
het Brood, dat Gij ons breekt.
7
Dit huis slijt met ons aan de tijd,
maar blijven zal de kracht
die wie hier schuilen verder leidt
tot alles is volbracht.
---
*502
#5
1
Laat lichten, Heer, uw aangezicht!
Doe ons vandaag uw goedheid proeven.
Op uw gezag wijkt weer de nacht
voor 't morgenlicht:
uw trouw, het huis waarin wij toeven.
2
Geen mens doorziet het hart der zon
zonder zijn ogen te verblinden.
Wij zien U niet. Maar alle licht
kent U als bron.
Gij ziet ons tasten. Laat U vinden!
3
Komt Gij tot ons stormenderhand?
Wilt Gij dat wij ons overgeven?
Wij wachten U in 't suizen van
een koele wind,
die 't land beademt met nieuw leven.
4
Gij zijt zo ver, zo ongekend;
alle verstand gaat Gij te boven.
Maar 't mensenhart dat naar U zoekt
kiest Gij als tent.
Dat wij U op uw woord geloven!
5
Oneindig groot zijt Gij en toch
laat Gij U bij de kleinsten vinden.
In hun nabijheid straalt het licht
van uw gezicht.
Roep ons met hen tot uw beminden!
---
*503
#3
1
Wij komen als geroepen
en aan het licht gebracht.
Het leven te begroeten
heeft God ons toegedacht.
Wij komen als geroepen,
getekend met een naam,
van ongeweten toekomst
de mede erfgenaam.
2
Geroepen om te leven,
gehouden aan zijn woord
van uitgesproken vrede,
van liefde ongehoord.
Herboren, uitgetogen
uit de toevalligheid,
bestemd voor de genade,
het donker al voorbij!
3
Getekend voor ons leven
als kind'ren van het licht,
gezaaid op hoop van zegen,
de dag als vergezicht.
God, breng ons zelf op Adem
en treed in ons bestaan.
Bezegel onze vreugde
hier met uw eigen Naam!
---
*504
#3
1
Dat uw ogen nacht en dag
rond dit huis geopend zijn
en uw woord zich met gezag
laat verstaan voor groot en klein.
Gun het licht aan uw gemeente
in het duister van de tijd,
opdat edel dit gesteente
stralen mag in eeuwigheid.
2
Dat uw handen wereldwijd
zijn gevouwen om uw volk.
Gij die nadert in de tijd
overdek ons met uw wolk.
Onherbergzaam is het leven
sinds de mens vertrouwen brak,
maar Gij wilt bescherming geven,
in uw naam een onderdak.
3
Dat uw adem leven wekt
zodat mensen niet vergaan,
maar het wonder zich voltrekt,
stenen levend zijn voortaan.
Wij zijn been van uw gebeente;
Gij geeft vorm en Gij versiert.
Bouw uw hofstad, uw gemeente,
tot een bruid die hoogtij viert.
---
*505
#4
1
Het eerste licht raakt Jacob aan:
Ik ben.
Er is een lange weg te gaan.
Maar waar geen reisgenoot meer is,
behoudt een naam betekenis:
Ik ben.
2
De Naam die afdaalt in de nacht:
Ik ben,
die in een droom op Jacob wacht.
Ik ben het Woord dat naar u taalt,
u voorgaat en u achterhaalt,
Ik ben.
3
Hij is op deze plaats geweest:
Ik ben.
De schepping ademt nog zijn geest.
Zelfs in een steen weerklinkt zijn Naam,
de kracht die mensen op doet staan:
Ik ben.
4
O onuitsprekelijk geheim,
Ik ben.
Wil ons ook tegenwoordig zijn.
Hoe ontzagwekkend is de plaats
waar Gij op ons te wachten staat.
Ik ben.
---
*506
#6
1
De man die uit den vreemde
kwam bij de grensrivier
heeft vorstelijk gestreden
en heeft gezegevierd.
2
Een weergekeerde balling,
maar kind aan huis bij God,
ontmoet een zwarte engel,
een broeder van de dood,
3
en worstelt om de zegen,
om het geboortelicht,
verheffing van het leven
en van Gods aangezicht.
4
Gods ridder hier beneden,
de zoon van het verbond,
heeft totterdood gebeden
tot aan de morgenstond.
5
De zon is hem verrezen
toen hij zijn doortocht hield,
zijn leven is genezen,
zijn honger is gestild.
6
De doden zullen opstaan,
want Hij gaat voor ze uit.
Als zij de ogen opslaan,
de zon staat op hun huid.
---
*507
#1
1
Spelbreker die beslag
legt op mij en mijn leven
god stikdonkere god
voortaan iedere dag
die gij me nog zult geven
god stikdonkere god
zal ik U haten, gij
tot ge me kleingekregen
hebt met uw liefde tot
ik tegen dat gezag
ben uitgevochten tegen
die naam niets meer vermag
en uw genadeslag
aanvaard heb als uw zegen
god stikdonkere god.
---
*508
#8
1
Een kind wordt gered uit de vloed.
Zijn naam, een belofte voor later:
'Getrokken is hij uit het water'.
Zijn zuster ziet toe. God is goed!
En Mirjam zingt zacht
en speelt als hij lacht,
op haar tamboerijn.
2
Een zuster, die God heeft vertrouwd.
Zij staat aan de wieg van het wonder:
niet reddeloos gaat hier ten onder
wat wordt: Isrels ark van behoud.
Nu juicht zij voluit
bij 't rinklend geluid
van haar tamboerijn.
3
Een volk haast zich weg uit de dood.
Ooit hoorde de hemel het schreien.
Maar nu mag het dansen in reien
om Hem, die het water gebood.
En Mirjam verlaat
de nacht op de maat
van haar tamboerijn.
4
Een slavenvolk is het geweest.
Maar morgenlicht kleurt nu de oever.
De toekomst begint en zij proeven
de vrijheid, een goddelijk feest!
En Mirjams hand roert
in vreugde vervoerd,
weer haar tamboerijn.
5
Een naam zal nu dankgebed zijn:
'De Heer trok ons zelf uit het water'
zingt ieder en Mirjam, zij slaat er
de maat van dit vrolijk refrein,
zodat elke voet
nu wel dansen moet
bij de tamboerijn.
6
Een lied zingt de reien door.
'God heeft, - hoog is Hij en verheven!
het paard en zijn ruiter verdreven!'
Zo antwoorden vrouwen in koor.
En boven hen uit
klinkt helder en luid
Mirjams tamboerijn.
7
Een lied is in zwijgen vergaan.
Dit volk, zijn bevrijder vergeten,
heeft God al zijn moeiten verweten.
En weer staat ook Mirjam vooraan.
Haar zonde is groot,
en zwaarder dan lood
weegt haar tamboerijn.
8
Een graf rest haar in de woestijn.
En, ooit profetes onder vrouwen,
vond zij toch opnieuw het vertrouwen
dat God haar Bevrijder zou zijn.
Nu is het de wind
die dit refrein zingt
in haar tamboerijn ...
---
*509
#3
1
De mens met een geopend oog
zal niet verwoesten, maar van zegeningen spreken,
al is de vogel van de vijand niet neergestreken
die vechtend om gewin uitvloog.
2
De mens die wat God zegt ook hoort
en weet wat van de Allerhoogste is te weten,
zal nimmermeer de grote leefregels vergeten
die wegen wijzen, woord voor woord.
3
De mens leeft op als hij aanschouwt
dat God de Heer geweldig is in doen en laten,
in tegenstanders soms, gezonden ons ten bate;
engel of dier, tot ons behoud.
---
*510
#5
1
Veel hoger dan Abraham klom
en hoger dan Jakob kon dromen,
ontsteeg hij de vlakte rondom
om zichtbaar in vrede te wonen.
Hij was uit het water gehaald
en had langs Gods wegen gedwaald.
2
De ogen vervuld van Gods licht
stond Mozes begerig te staren.
Hij las het beloofde gedicht
van palmen en wuivende aren.
Het water van d' achterste zee
rees op en deed handklappend mee.
3
Met oren vervuld van het woord
dat God zijn belofte zal houden,
mocht Mozes een tuin ongehoord,
Gods plan met zijn landschap aanschouwen.
Maar de donkere arm, de Jordaan,
weerhield hem er binnen te gaan.
4
Hij daalde de berg niet meer af.
Hij is in de hoogte gebleven,
God legde hem neer in het graf:
dit werd hem een teken van leven.
Bevrijder van 't duister gericht
verdronk in de zee van het licht.
5
Veel hoger dan Mozes toen klom
is Christus de aarde ontstegen,
uit hemelse tuinen rondom
komt Hij in de liefde ons tegen:
Hij wijst ons waar wateren staan,
de wegen om verder te gaan.
---
*511
#5
1
De vogels brengen brood
en water is voorhanden,
al staat de zon te branden,
al gaan de mensen dood.
Refrein:
Elia, man van naam,
hij heeft zich prijsgegeven,
roept woorden uit ten leven:
Elia is zijn naam.
2
Geen regen en geen dauw,
de Heer houdt zich verborgen,
gebleven zijn de zorgen
voor kind en man en vrouw.
Refrein
3
Wie is de Here God?
Wie moeten wij zo noemen?
Een vuurvlam zal Hem roemen:
daar is de Here God!
Refrein
4
Een doodlopende weg,
een leven niet te dragen -
In stilte komen vragen
uit op de goede weg.
Refrein
5
De geest waait als de wind
tot aan de overzijde
en maakt voor alle tijden
de mensen goedgezind.
Refrein
---
*512
#6
1
Heer, onze Heer, hoe heerlijk is
uw Naam in de geschiedenis,
op heel de aarde, wijd en zijd.
De hemel zingt uw majesteit.
2
Het eerste kinderlijk geluid
roept glorieus uw sterkte uit.
Met onze kwetsbaarheid vertrouwd
ontwapent Gij wat ons benauwt.
3
Zie ik uw sterren in de nacht,
die hemelhoog geschapen pracht,
wat is dan niet het mensenkind,
dat Gij het kent en zo bemint.
4
Geen sterrenhemel houdt hem klein;
de mens mag vorst der aarde zijn.
Gij kroont hem als uw bondgenoot
en maakt hem bijna godd'lijk groot.
5
Al wat op aarde is laat Gij
zich buigen voor zijn heerschappij.
De dieren komen in een stoet
hem hoog en breed al tegemoet.
6
HEER, onze Heer, hoe heerlijk is
uw Naam in de geschiedenis,
want op de aard' is wijd en zijd
het mensenkind uw majesteit.
---
*513
#4
1
Uw Woord omvat mijn leven
en tilt het aan het licht.
Hebt Gij zo door uw spreken
niet alles opgericht?
Uw Woord zet mij op vaste grond
en vult met louter leven
de woorden in mijn mond.
2
Op U laat ik mij voorstaan,
ik ben aan U gehecht.
Waar Gij betrouwbaar voorgaat
ontvouwt zich weer een weg.
De paden die ik zelf bedacht
zijn doelloos doodgelopen.
Zij voerden in de nacht.
3
Uw woorden te herhalen
is honing in mijn mond.
Mij raakt niet meer het smalen
dat ik mij aan U bond.
Ik weet dat zwerven bitter smaakt,
maar heel mijn zoekend leven -
Gij hebt het zoet gemaakt.
4
God, laat mij nooit verliezen
de vreugde om uw woord,
de moed mijn weg te kiezen
waar ik uw voetstap hoor.
En overtuig mij dag aan dag
dat Gij mij hebt geroepen,
ja, dat ik leven mag!
---
*514
#3
1
Vol tranen zien wij hoe de tijd
verglijdt op Babels stromen.
Ons hart is in Jeruzalem,
ons thuis, waarvan wij dromen.
Geen hand, die nog een snaar beroert,
geen lied, dat ooit nog ons vervoert.
Doelloos vergaan de dagen.
De heersers in dit vreemde land
drukken op ons met harde hand,
meer dan wij kunnen dragen.
2
De wachters in dit heilloos oord
hebben ons willen dwingen
het lied, dat thuis vaak werd gehoord,
opnieuw voor hen te zingen.
Op vreemde grond ontbreekt de kracht,
zolang mijn hart naar Sion smacht.
Jij blijft mijn vreugde heten!
Als 'k jou vergat, Jeruzalem,
ik werd beroofd van spraak en stem.
Mijn hand zou mij vergeten.
3
Bewaar, God, in herinnering
hoe Sion is gevallen!
Hoe steen voor steen zij onderging,
beroofd werd van haar wallen.
Breek Babels trotse hoogmoed stuk.
Vernietig het, tot ons geluk,
en wil haar stralen doven.
Niet langer kan zij voortbestaan!
Gezegend, wie haar kan weerstaan,
haar goed en bloed zal roven.
---
*515
#4
1
Wat brengt een mens het zwoegen op?
Een hand gevuld met lucht.
Niets kan hij doen, dat blijvend is.
Hij zoekt geluk maar vindt gemis
en nooit komt hij tot rust.
2
Gods gang lijkt ondoorgrondelijk,
een duister zinsverband.
Al blijven duizend vragen staan
en klagen wij de hemel aan,
wij leven uit zijn hand.
3
God heeft de tijden vastgesteld,
en alles heeft zijn uur.
Geniet van wie uw nachten deelt,
beproef wat tong en zinnen streelt
zolang de zomer duurt.
4
Het levenslicht verduistert snel;
God blijft de klare bron.
Door 't wankel dak boven ons hoofd
melden de sterren: Hij belooft
iets nieuws onder de zon.
---
*516
#7
1
Ik breng een rechter aan het licht,
zo spreekt de Heer en zijn gericht
zal over alle volken gaan,
de tirannie heeft afgedaan.
2
Een koning bij de gratie Gods,
het onrecht breekt hij en de trots
van die grootspreken in hun waan
en kleinen naar het leven staan.
3
Hij is geen schreeuwer in de straat,
geen holle klank, geen potentaat,
de roep van zijn verlossend woord
wordt in het verste land gehoord.
4
Een riet dat buigt in weer en wind,
zo is mijn knecht, een mensenkind,
wat is geknakt, verbreekt hij niet
zijn adem heelt gelijk een lied.
5
Is hij een lamp die helder schijnt,
hij dooft de vlam niet die verkwijnt,
mijn knecht geeft gloed aan het bestaan,
hij wakkert het geringe aan.
6
Hij is het eerste morgenlicht,
de blinde ziet een vergezicht,
de dove hoort een nieuw geluid,
de aangeklaagde gaat vrijuit.
7
De vorst der vorsten is een knecht,
de volken komen tot hun recht,
vrijheid en vrede eren hem
die 't hart is van Jeruzalem.
---
*517
#6
1
Mijn dienstknecht mijn geliefde
mijn geest op jou gelegd.
Die woorden zul je weten.
Een leven zwaar te dragen
heeft Hij je aangezegd.
2
Geschaduwd zal je worden,
gewantrouwd om zijn woord,
om wat je weet dat recht is -
en zou je het volbrengen
god weet, je werd vermoord.
3
Dat hebben onze ogen
gezien: hoe 't een verging
die slaven wou bevrijden,
hoe als een slaaf gekruisigd
hij toen te sterven hing.
4
Zo zal ook wie het onrecht
wil inzien en weerstaan,
door nachten van niet weten,
niet durven, niet meer kunnen,
door zeven hellen gaan.
5
Ik zag een mens, geslagen,
met onverwoest gezicht
uit nacht te voorschijn komen.
Ik dacht: Hoe kan het lijden
een weg zijn naar het licht?
6
Ik vroeg, maar kreeg geen antwoord.
De woorden waren heen.
Toen zag ik nog een ander:
die ene droeg de ander,
de ander droeg de een.
---
*518
#4
1
De Geest des Heren is op hem
die tot verkondiging verkoren,
ons aanspreekt zodat wij het horen
als hoorden wij Gods eigen stem.
2
Wat is het dat hij aan ons meldt?
De blijde boodschap voor de armen:
het overweldigend erbarmen
dat ons gebroken hart herstelt.
3
Dat de gevangenen bevrijdt
en ons verlost uit schand' en schade
en meldt het jaar van Gods genade,
zijn recht en zijn barmhartigheid.
4
Wij danken God voor deze stem
die heeft geklonken in ons midden,
ons aangevuurd heeft bij het bidden
met uitzicht op Jeruzalem.
---
*519
#9
1
Gestuurd op wegen ongedacht,
als eenzaam vechter in de nacht
draag ik de mantel van profeet.
Met Gods verdriet ben ik bekleed.
Refrein:
Stem, die ons uitdaagt,
vind bij ons gehoor!
Woord als daglicht,
altijd laaiend vuur,
woon op onze lippen,
adem in ons oor!
2
Ik riep: Gij vraagt te veel van mij.
Gij zijt te groot, ga mij voorbij!
Maar spreken moest ik, aangeraakt
ben ik nu tot zijn stem gemaakt.
3
Zijn woorden ploegen door mijn grond.
Zij leggen bloot. Ze slaan een wond.
Hij roept om ons en klaagt ons aan.
Kan Hij niet zonder ons bestaan?
Refrein
4
Zo ongelegen komt zijn woord,
een fluistering die ongehoord
zich in mijn bloed gedrongen heeft,
als liefde waar ik mij aan geef.
5
Hij is een woord dat niet verwaait,
een vuur waarin de liefde laait,
een hamer die de rotsen splijt,
een God die aan ons mensen lijdt.
6
Hij striemt de vrome zekerheid,
maar streelt de twijfels en de strijd.
Wij buigen ons voor zijn gericht
en vinden zo zijn aangezicht.
Refrein.
7
Ik bande Hem uit hart en hoofd.
Zijn Naam dacht ik in mij gedoofd.
Vergeefs ontliep ik zijn geluid,
want als een vlam slaat Hij mij uit.
8
Verliet ik dan de moederschoot
alleen voor leven totterdood?
Was zij, die mij het leven gaf,
mij maar geworden tot een graf.
9
Ik ben gevangen in zijn stem,
mijn leven spreekt alleen van Hem,
mijn God; Hij zit mij in het bloed.
Dat maakt mijn bitter leven zoet.
Refrein.
---
*520
#6
1
Voortaan zal Ik zelf omzien naar mijn schapen.
Waar zij ook zijn verspreid,
mijn koninklijk beleid
zoekt hen te redden. Weet: uw Hoeder zal niet slapen!
2
Mijn woede geldt wie wel op herders lijken,
maar weiden om het geld
en met hun grof geweld
zichzelf ten koste van mijn kinderen verrijken.
3
Zij zijn vertrapt, maar Ik kom tussenbeide.
Aan wie verdreven is
vergoed Ik het gemis.
Baanbrekend zal Ik zijn. Een ware vrijgeleide!
4
Vasthoudend zoek Ik naar wie was verloren.
Ik bied een warm onthaal
aan wie is afgedwaald.
Hoe ver zij zijn verstrooid, mijn stem bereikt hun
5
Ik zelf zal hun opnieuw een weg bereiden
en drenken bij de bron.
Ik maak hen weer gezond
en voer hen naar de weelde van een groene weide.
6
Weer thuis gehaald naar liefelijke dreven,
en uit een zwarte nacht
voorgoed bijeengebracht,
zullen zij weer met opgeheven hoofden leven.
---
*521
#6
1
Zo dor en doods,
zo levenloos
verlamd, uiteengeslagen,
zonder hoop en zonder troost
slijten wij de dagen.
2
God, zie ons dan
teloor gegaan,
versteend en doodgezwegen,
levend waar geen dag meer is,
nacht aan nacht geregen.
3
Zijt Gij het, Heer,
die weet wanneer
wij ooit zullen herleven?
Met uw adem kunt Gij toch
ons het leven geven?
4
Kom dan en spreek
Uw woord en breek
zo onze graven open.
Wil ons met de Geesteskracht
van uw adem dopen.
5
Wek ons voorgoed!
Zet met uw gloed
ons recht op onze voeten.
Vol van leven zullen wij
't morgenlicht begroeten.
6
Blaas met uw Geest
in ons het feest
dat allen zal verwarmen.
Open ons het vergezicht
op uw groot erbarmen!
---
*522
#10
1
Een volk eet weer het bitter brood,
moet leven bij de dag,
als bannelingen uitgestrooid
onder een vreemde vlag,
2
maar in de as van het verdriet
brandt nog een lopend vuur
van beter weten, ongezien,
dat deze nacht verduurt.
3
De ballingschap, een nacht waarin
het zaad ontkiemen moet,
tot het gerijpt de nieuwe dag
met goede vrucht begroet,
4
want wat met tranen is gezaaid
wordt juichend ingehaald.
Verstrooid als graan, geoogst tot brood
waarnaar de wereld taalt.
Refrein.
5
Een volk dat, blindelings verdwaald,
zich keert naar Gods gezicht
en zien zal, eenmaal thuis gehaald,
als in het volle licht,
6
met ogen, die als vensters zijn
tot op Jeruzalem,
als doden, toch weer opgestaan,
geroepen door de Stem.
Refrein.
7
Een Woord als stok en staf ter hand,
aanvaarden wij de reis.
Wij tasten naar het goede land,
doorlopen de woestijn.
8
Jeruzalem van boven is
de droom die allen leidt.
De voeten gaan de goede weg
van de gerechtigheid.
Refrein.
9
Wij zijn elkaar tot reisgezel,
tot engelen van trouw,
zoals die onder vrienden telt
en tussen man en vrouw,
10
als pelgrims naar de Vredesstad
die zingen: "God is goed!"
om Hem, die ons geroepen had
tot leven in de dood.
Refrein.
Refrein:
Laat uw liefde ons bevrijden,
die nog lijden aan de nacht,
als een engel ons geleiden,
als een licht dat wacht.
---
*523
#6
1
Het is Gods eigen hand
die ons krachtdadig leidt,
de hand die ons kastijdt
en brengt naar het beloofde land,
de hand die ons de afgrond toont
en wijst waar onze vrede woont.
2
Getuigen van die kracht
zijn wij, de wereld rond
verstrooid op vreemde grond.
De spertijd van de bange nacht
zal God doorbreken. En voorgoed
komt Hij ons lichtend tegemoet.
3
Ook in den vreemde klinkt
mijn lied. Ik geef Hem stem.
Volmondig prijs ik Hem
die met ontferming naar ons ziet.
Ik weet dat zijn barmhartigheid
de tarwe van het onkruid scheidt.
4
Jeruzalem, vier feest!
Versier u als een bruid!
Hij komt en roept u uit
tot woning voor zijn Woord en Geest.
De volken neigen voor uw vaan
en zullen voor uw poorten staan.
5
Dan zal het vrede zijn!
En wie ook in verdriet
u toch niet eenzaam liet,
wordt deelgenoot in uw festijn.
De grenzen zullen opengaan;
dan roept God ons om in te gaan.
6
Jeruzalem, gebouwd
als nieuw en nooit gedacht,
een stad van pure pracht
die duurzaam torent, glanst als goud,
stad, waar God op de lofzang troont,
de Zon die in ons midden woont.
---
*524
#7
1
Zij boog het hoofd
en stemde in
met woorden, groter dan zijzelf
De Heer zag naar haar om
bij monde van
de engel Gabriel
2
Zij werd gegroet
en was ontroerd,
zo blij als Sions dochter zelf.
"De Heer zal bij je zijn!"
Zo sprak haar aan
de engel Gabriel.
3
Haar is gevraagd
te buigen voor
de schaduw van de goede God.
Zijn Geest roerde haar ziel
en raakte haar
met zijn aanwezigheid.
4
Zij gaf zich in
haar woord van eer:
"Laat mij geschieden naar uw woord".
Want zij had in de groet
de echo van
de hemel zelf gehoord.
5
Een dienares
draagt in haar schoot
de toekomst van heel Israel.
Genade werd haar deel
uit handen van
de engel Gabriel.
6
Geen woord van God
zal vruchteloos
vergaan, verwaaien op de wind.
"De Heer zal bij je zijn"
wordt vlees en bloed
hier in Maria's kind.
7
"Wees dan gegroet,
genadevol!
De Eeuwige, Hij is met jou!
De Zoon, in jou gewekt,
gezegend Hij,
dit teken van zijn trouw".
---
*525
#14
1
Jij, dochter van Jeruzalem,
begroet door Gabriel,
jij gaf aan de verwachting stem
als moeder Israels.
2
Jij hebt het hoge Woord vertolkt
dat God Bevrijder is.
Maria, stem van Abrams volk,
ontving zijn erfenis.
3
De vrede is je toegezegd,
de hemel sprak je aan.
Het woord, als zaad in jou gelegd,
is in jou opgestaan.
4
Niet ledig is het weergekeerd,
niet in woestijn verwaaid.
Opdat de uittocht werd volbracht
heeft het zich uitgezaaid.
5
De toekomst dient zich in jou aan;
dit Woord heeft vrucht gezet.
Jou wijst ons als een moeder aan
de ware Zoon der wet.
6
Maria, tent en tempel waar
God zelf de mens ontmoet,
die in het Woord, dat jou geschiedt
ons met genade groet.
7
Om Hem zing jij je lied, want Hij
heeft naar je omgezien.
Met hart en ziel maak jij Hem groot;
Hij was van jou gediend.
8
Jouw kleingehouden leven is
door Hem aan 't licht getild.
De rijke ziet zijn macht vergaan,
maar honger wordt gestild.
9
Goede Vrijdag
Maria, moeder bij het kruis,
een zwaard sneed door jouw hart
waarin jij de gedachtenis
aan vrede had bewaard.
10
Jouw Zoon, verloren aan de dood,
zo anders dan gedacht,
rust van zijn moeiten in jouw schoot;
de uittocht is volbracht.
11
Pasen
In de woestijn was jij de roos
die bloeit bij 't open graf.
Jouw liefde wortelt in de hoop
van hemelse komaf.
12
(Kana)
Jij hebt niet tevergeefs zo lang
de ure afgewacht:
hier wordt het bloed dat heeft gevloeid
als bruiloftswijn van kracht.
13
Pinksteren
Wanneer de Geest in ons ontvlamt
ben jij ten voeten uit
de tempel waar het vuur in brandt,
een ware Pinksterbruid.
14
De eersteling, die jou ontsproot
en van Gods Geest gedijt,
vermenigvuldigt zich als oogst
van zijn barmhartigheid.
---
*526
#5
1
Looft God! Mijn ziel en zinnen
zijn tot zijn lof ontwaakt,
zodat ik blij wil zingen
van redding die mij raakt.
Mijn geest wordt welbespraakt
want Hij doet grote dingen
nu Hij de allerminste
tot een beminde maakt.
2
Hoe heilig en bijzonder,
hoe machtig handelt Hij.
Nu spreken alle tongen
van groot geluk voor mij
Een woord zo ongerijmd,
een raadsel doet de ronde.
Ik draag voortaan verwonderd
een ongerept geheim.
3
Barmhartig en genadig
heeft God zijn kracht getoond:
geringen geeft Hij waarde,
geeft Hij het hoogste loon.
Maar waar geen eerbied woont,
waar trots zich openbaarde
bij machtigen der aarde,
stort hoogmoed van de troon.
4
God laat zijn liefde blijken
aan wie ten onder gaan,
aan hen die honger lijden:
zij winnen grond en graan.
Maar winst verkeert in waan
als rinkelende rijken,
die de verliezers blijken,
met lege handen staan.
5
Zo wil God zich verbinden
aan Israel zijn knecht,
aan Abraham en kind'ren,
zoals Hij heeft gezegd.
Looft God die zo oprecht
de mensen wil beminnen,
die zich van den beginne
voorgoed aan mensen hecht.
---
*527
#5
1
De vissen scholen samen,
de zee is veel te wijd,
zij hebben nog geen namen,
ze zijn verleden tijd.
2
Zij hebben nog geen namen,
ze leven uit het licht,
van eeuwigheid tot amen
buiten Gods aangezicht.
3
Van eeuwigheid tot amen,
de schepping gaat voorbij,
het eind zal hen beschamen,
ze leven in dood tij.
4
Het eind zal ons beschamen,
God haalt de netten op.
De vissen scholen samen.
Hij vangt ons in de doop.
5
De vissen zijn gevangen,
ze komen binnen boord.
Het lied van Gods verlangen
wordt overal gehoord.
---
*528
#5
1
Hij kwam ons tegemoet
toen wij in diep verdriet
niet wisten wat te doen;
toen ons het licht verliet
kwam Hij ons tegemoet.
2
Maar wij herkenden niet
toen Hij vlakbij ons was
Zijn stem, Zijn woord van hoop.
Zelfs toen Hij met ons sprak
herkenden wij Hem niet.
3
Als vreemdeling die ons
op weg al had verrast
bleef Hij bij ons in huis.
Zo werd Hij onze gast
als vreemdeling bij ons.
4
Hij brak met ons het brood
zoals Hij had gedaan
met al wie honger had
en reikte ons het aan.
Zo brak Hij voor ons brood.
5
Hij komt ons tegemoet
nu wij de nieuwe dag
Zijn dag hebben gezien.
Wij weten: onverwachts
komt Hij ons tegemoet.
---
*529
#4
1
Op de derde scheppingsdag
groent de groene aarde,
uit het water van de nacht
opgewekt, aan 't licht gebracht.
God zal ons bewaren!
2
Op de derde bruiloftsdag
wordt de trouw beklonken.
Waar de vreugd verloren lag
schenkt de bruidegom weer kracht.
Daar mag op gedronken!
3
Op de derde scheppingsdag
wordt het graf ontsloten
waar de Zoon gevangen lag.
Dag, waarop het leven lacht,
dag, zonovergoten!
4
Op de achtste scheppingsdag
zal de wijn weer stromen,
als de wereld rusten mag
en wij onder Sions vlag
zijn bijeengekomen.
---
*530
#5
1
Steenlichaam
dat alle levenden draagt:
riffen gebeenten, keienvelden,
zand van kristallen.
2
Lichtlichaam
dat alle levenden drenkt:
golven van kleuren, zielevonken,
uitziende ogen.
3
Woordlichaam
dat alle levenden voedt:
klank van geboorte, stervenskreten,
namen van doden.
4
Ik-lichaam
dat alle levenden zijn:
deze versteende, licht omfloerste
woordblinde aarde.
5
Geestlichaam
die alle levenden leeft:
in wie bestaan en eeuwig worden
wij, deze mensen.
---
*531
#4
1
ster van david
hoog aan de hemel geschreven
nooit meer los van de nacht
duizend doden gestorven brandend geel
schimmen van mensen bloedrode maan
2
zwijgend heelal
lege schelp echo van woorden
jouw zaad het zou maar hoe
wij in elkaar verdwaalden
wie zijn wij
wie zal verhalen
wie geeft gehoor
3
schaamte voorgoed
bitter de smaak van het water
klacht onder het altaar
hakend in ons geweten
kyrieleis
geef de verstrooiden
sieraad voor as
4
veel te oud licht
hoe zul je ooit achterhalen
wat zo wreed werd geknecht
dagrest in onze dromen
woord in het wit
beelden van morgen
overbelicbt
---
*532
#7
1
Glorie zij gegeven
aan de Heer voortaan:
Hij sprak en het leven
leefde in zijn naam.
Refrein:
De Here God is heilig,
De Albeheerser, heilig is Hij,
Die was en Die is, en Die komt,
ja, heilig is Hij, ja Hij!
2
't Lam, dat wilde kopen
leven voor de dood,
deed de boekrol open
voor de Here God.
Refrein
3
En het openbaarde
in een lang verhaal
hoe de mens op aarde
leefde in de taal.
Refrein
4
Daarom lof en ere
aan Hem en het Lam,
Hem, de Heer der Heren,
Lam uit Juda's stam.
Refrein
5
Heerlijkheid en sterkte,
wijsheid, macht en dank
aan Wie heil bewerkte
voor een wereld lang.
Refrein
6
Koning zal Hij wezen
over groot en klein,
over wie Hem vrezen,
dienstbaar willen zijn.
Refrein
7
Laat een feestlied klinken
en maak u gereed,
smetteloos en blinkend
in het bruiloftskleed!
Refrein
---
*533
#5
1
Gij die aangeroepen wordt,
die wij God nomen en Vader,
Ongeziene, kom ons nader,
tooi de aarde met uw licht,
open ons een vergezicht.
2
Gij die uitgeschreven staat
in de heldere taal der sterren,
hoogtij, lichtende van verre -
Morgenster, treed uit uw baan
en kom in ons midden staan.
3
Gij die uitgesproken zijt
de Geliefde, Woord van leven
in der minne ons gegeven,
Naam, die oplicht in de nacht,
kom en klink in volle pracht.
4
Gij die opgetekend staat
in de heilige schrifturen
die der eeuwen loop verduren,
uw gelofte is ons lied,
onze mond uw taalgebied.
5
Gij die ons zijt toegezegd:
God met ons en Mens van vrede,
deel U aan de wereld mede,
kom tevoorschijn uit het licht,
liefde, toon uw Aangezicht.
---
*534
#7
1
In de duisternis verwachten
wij het licht dat komen zal,
Hem, die in de nacht der nachten
wordt geboren in een stal.
2
Onze hunkerende ogen
blijven op een doel gericht,
op de Opgang uit den Hoge,
de verschijning van het licht,
3
op zijn lieflijke verschijnen
in het midden van de tijd,
in de harten van de zijnen,
in de wereld wijd en zijd,
4
op de wereldwijde vrede,
als Hij werk'lijk komen zal,
te beginnen in het heden,
te beginnen in de stal.
5
Want een Kind is ons gegeven,
want een Zoon staat ons terzij,
op zijn lippen eeuwig leven,
op zijn schouders heerschappij.
6
Op zijn wonderlijke namen -
Vader, Raadsman, Vredevorst -
is ons antwoord ja en amen,
daar ons hart naar vrede dorst.
7
Al zijn namen die wij noemen,
stralen in volmaakte pracht
als een tuin vol voorjaarsbloemen,
als de sterren in de nacht.
---
*535
#4
1
Als groen dat in de wintertijd
aan onze bomen hangen blijft,
als zaad dat in de koude grond
moet wachten tot de lente komt:
Refrein:
Zo is het Koninkrijk
midden onder ons.
2
Een kind dat klein en ademloos
nog sluimert in de moederschoot,
totdat het, uit zijn slaap verlost,
als mens aan ons gegeven wordt:
Refrein
3
Een stem die zonder groot geweld
gerechtigheid en vrede meldt;
de kleinen zullen het verstaan
en samen nieuwe wegen gaan:
Refrein
4
Een naam die ons wordt doorgezegd,
Hij die herkend wordt onderweg,
die komt en gaat en komen blijft
tot in het einde van de tijd:
Refrein
---
*536
#4
1
Het zal geschieden in de laatste dagen
dat God verschijnt met macht en majesteit
en in zijn licht de dageraad laat komen
die onze duisternissen weg doet stromen.
Zijn huis, hoog op de berg, staat vast in wijs beleid
als onderkomen van zijn welbehagen.
2
Het zal geschieden in de laatste dagen
dat de Gezalfde Gods de vrede sticht
die alle boosheid breekt en doet bedaren,
om in de Geest des Heren te bewaren
wat groeit in groot geduld en in het glanzend licht
van Vaderlijke troost het leed zal dragen.
3
Het zal geschieden in de laatste dagen
dat de woestijn zal bloeien als een bloem
en zich verblijdt om de gebaande wegen,
om vruchten, die, gerijpt in zon en regen,
vertellen van bevrijding na gericht en doem
als antwoord op veel levenslange vragen.
4
Het zal geschieden in de laatste dagen
dat God een teken geeft diep in de dood
of boven in den hoge van genade
en vrede voor wie in des Heren daden
het woord Immanuel herkent dat, in de schoot
verborgen van de tijd, nu wordt voldragen.
---
*537
#7
1
O Heer, hoe zijt ge daar:
een pasgeboren kind,
licht op de kandelaar
dat blootstaat aan de wind.
2
Licht op de kandelaar
dat van de hemel kwam,
in duister en gevaar
een kleine witte vlam.
3
In duister en gevaar
een vlam die zich verteert,
wij geven aan elkaar
licht van de lieve Heer.
4
Wij geven aan elkaar
het vuur dat zich verdeelt,
het vuur, die martelaar,
waarmee de nachtwind speelt.
5
Het vuur, die martelaar,
het licht der wereld, kwam
zo smetteloos en klaar
en weerloos als een lam
6
Zo smetteloos en klaar,
brandend in wind en weer;
maak mij een kandelaar
o Jesu, lieve Heer.
7
Licht op de kandelaar,
dat flakkert in de wind,
o Heer, hoe zijt Ge daar.
een pasgeboren kind.
---
*538
#4
1
Antifoon:
Neerdalen als dauw uit de hemel,
als regen uit zware wolken
zal de gerechte.
2
Gij die voor mij de ruimte schiep,
aarde en hemel bij name riep,
die alles deed wat moest gedaan
opdat een mens maar zou bestaan.
3
Woestijn waar eens te leven was.
Uw naam verstoven als stof en as.
Geen lover schaduwrijk, geen bron,
alsof Gij nooit met ons begon.
4
Keer nog uw aangezicht tot hier.
Verzacht mijn hart, wek mijn ogen weer.
Dat niet wat Gij hebt aangeplant
wordt uitgeroeid door mensenhand.
---
*539
#5
1
Dit is de nacht dat God ons vindt,
alleluja!
Hij verschijnt ons in een Kind,
alleluia!
zegt ons in de duisternis
dat de nacht niet blijvend is.
Zingt dan allen: alleluia!
2
Hij woont verheven in het licht, alleluia!
Sterren zien zijn aangezicht, alleluia!
Hij, die over alles heerst,
heeft het stro als troon begeerd.
Zingt dan allen: alleluia!
3
Zijn glans en glorie afgelegd, alleluia,
wordt Hij als de minste knecht, alleluia,
die naar kleine mensen vraagt
en hun last met liefde draagt.
Zingt dan allen: alleluia!
4
De schepping zingt met luide stem, alleluia!
om dit kind van Bethlehem, alleluia!
Aarde, stem vol vreugde in
met dit hemels nieuw begin.
Zingt dan allen: alleluia!
5
Aan Vader, Zoon en Heilge Geest, alleluia!
komt de lof toe op dit feest, alleluia!
voor dit kostelijk geschenk
dat ons heil en vrede brengt.
Zingt dan allen: alleluia!
---
*540
#4
1
Als een ster in lichte luister,
als een vurig verschiet
straalt Gij ons tegen.
Terwijl de nacht nog huivert
daagt Gij op als ons nieuw lied!
2
Als een morgen aangebroken,
als het licht zonneklaar,
roos in de winter, in de woestijn ontloken,
als belofte bloeit Gij daar.
3
Als een kind tot ons gekomen,
zijt Gij ons ongedacht
nader, nabijer dan wij ooit durven dromen.
Liefde heet uw overmacht.
4
Als een woord dat, eens gegeven,
nog de morgen ontbiedt,
zegt Gij ons aan de nacht niet meer te vrezen,
want uw ster verlaat ons niet.
---
*541
#3
1
Het woord dat op Gods lippen lag
liet van zich horen als het Licht,
als uitgeproken nieuwe dag.
Zo zegent ons zijn aangezicht,
zijn oogopslag!
2
Dit Licht, waar alles uit begon,
baant zich een weg in onze nacht,
verwijst ons leven naar de bron.
Het heeft ons stralend opgewacht,
is onze zon!
Refrein
3
Dit Woord werd vlees. Het was een mens
die Gods gelaat aan ons onthult.
Hij was het Licht, ons toegewend
en heeft als eersteling vervuld
Gods hartewens!
Refrein
Refrein:
Licht spreekt de taal
van Gods gezicht
sinds het begin.
Licht luidt voor ons
de morgen in:
geboortegrond
en land in zicht,
een leven licht uit Licht!
---
*542
#8
1
Christus daalt tot ons terneer,
o weest blijde.
Als een roos ontbloeit de Heer,
o weest blijde.
Refrein:
Hij, zo hoog verheven
wordt aan ons gegeven
deelt ons mens'lijk leven.
2
Door profeten aangezegd,
o weest blijde,
is Hij met ons recht en slecht,
o weest blijde.
Refrein
3
Uit de hemel daalde Hij,
o weest blijde,
om een mens te zijn als wij,
o weest blijde.
Refrein
4
Goliath heeft Hij geveld,
o weest blijde,
Davids Zoon is onze held,
o weest blijde.
Refrein
6
Sta ons met uw kracht terzij,
uw genade,
weer van ons de heerschappij
van het kwade.
Refrein
Om uw Zoon, gezonden
als een kostlijk wonder,
Heer, erbarm U onzer.
8
Ga, o trouwe Jezus zoet
met ons mede,
want dan is het einde goed,
is het vrede.
Refrein
God voor ons geboren;
als wij U behoren
gaan wij niet verloren.
---
*543
#4
1
O mensenzoon, geboren uit het licht,
o bron van vreugde, vriend'lijk aangezicht,
Gij zijt van God de Vader uitgegaan,
o vredeskind, daal neer in ons bestaan.
2
Kwetsbaar en schamel zijt Gij ons nabij,
met lieve vrede komt uw heerschappij.
Betrek ons huis, de staat waarin wij zijn,
met aarde aards, met grote mensen klein.
3
Troost met uw tranen 's mensen bange klacht,
ontsteek uw licht in 't midden van de nacht.
Bestrijd de reus, gij Davidszoon en held,
behaal de zege op het oorlogsveld.
4
De sterren wank'len als uw vuur ontbrandt,
Gij zijt de Heiland in ons eenzaam land.
Gij zijt verschenen uit het witte licht,
o licht der lichten, lieflijk aangezicht!
---
*544
#4
1
Wees voor mij een beschuttende rots,
vaste bodem onder mijn voeten,
sterke wal waar de vijand zal moeten
zwichten, o wees voor mij
een beschuttende rots!
2
Ga vooraan, ga met mij barrevoets,
veertig jaar in hete woestijnen,
waar ik hongeren moet en verkwijnen
dorstend, o wees voor mij
een verkwikkende rots!
3
Wees de rots die behoudt en die laaft,
onaantastbaar, mild en meegaande,
wees de gids die een doortocht mij baande,
toekomst, o wees voor mij
levengevend mijn rots!
4
Wees de rots van 't Aloude Verbond,
vaste grond, bewegelijk leven -
die mij rust en vertroosting kan geven,
Christus, o wees voor mij
geest en lafenis: God!
---
*545
#7
1
Driewerf een gloria
voor wie in hoge staat
daar op een ezel gaat
dienaar en toeverlaat
driewerf hosanna,
driewerf hosanna,
driewerf hosanna.
Refrein:
Waaier van palmen ons
lied U gewijd,
vorstelijk kleed door een
koning betreden:
onze gebeden, ten
voeten gespreid.
2
Ster die uit Davids hand
straalt over donker land
herder zo goed als lam
komende in de Naam,
als de verwachte.
Refrein
3
Dans voor Gods aangezicht
in hemels evenwicht
koor voor uw woord gezwicht
hier in getemperd licht
staan wij en zingen.
Refrein
4
Volk naar uw hart en naam
joodse mens Jesjoea
jubelt en volgt U na
strekt U tot palmenlaan
driewerf Hosanna.
Refrein
5
Volk dat met U verbeidt
nacht van de eenzaamheid
doortocht en Pesachtijd
kudde die met U weidt
een in uw lijden.
Refrein
6
Vreugde hebt gij gesmaakt
aan al wie bij U waakt
zie ook mij aangeraakt
tot de rechtschapen daad
koning der aarde.
Refrein
7
Jood van geboorte niet
maar doordat U ons riep
dwars door een zee van riet
tot in het brongebied
liefde uit liefde.
Refrein
---
*546
#8
1
Solo:
Vanavond zullen wij weten
wie onze bevrijder is.
2
Allen:
Vanavond zullen wij weten
wie onze bevrijder is.
3
Solo:
Oogwenkend licht, gezaaid in de nacht.
4
Allen:
Vanavond zullen wij weten
wie onze bevrijder is
5
Solo:
en morgen zullen wij zien.
6
Allen:
Dit vuur van God in een mens als wij.
7
Solo:
Het ijs gebroken de kilte
ons lijf en de wereld uit.
8
Allen:
Vanavond zullen wij weten
en morgen zullen wij zien
wie onze bevrijder is.
---
*547A
#3
1
De winter haast vergangen,
maar jij bent weggegaan,
geen antwoord op verlangen,
geen licht op ons bestaan;
gewoon als alle mensen
verdwaald in tijd en dood,
als rozen die verflensen,
als water door de goot.
2
De vragen zullen blijven,
ook twijfel, ergernis,
wat woorden die beklijven
Wat rest is oud gemis.
Geen laatste licht te vinden,
niets dat ons leven leert;
de blinde leidt de blinde,
en eenoog triomfeert.
3
Was jij het die moest komen
als iemand die bevrijdt,
die onze oudste dromen
vertaalt in werk'lijkheid?
De winter haast vergangen
en licht trilt in het raam;
herinnering blijft hangen,
de schaduw van jouw naam.
---
*547B
#3
1
Wie opstaat neemt het leven
op goed vertrouwen aan.
De kilte duurt maar even;
wij moeten verdergaan.
Van ver was jij gekomen,
ging weer van ons vandaan...
Wij blijven van jou dromen -
wat heb jij ons gedaan?
2
De winterwinden wijken
en reeds ontkiemt het graan;
wij leren verder kijken:
de toekomst is geen waan.
Een leven buiten mate
heb jij ons voorgedaan.
Voorgoed door jou verlaten
zijn wij in jou ontstaan.
3
Wie opstaat geeft het teken
dat hij het heeft verstaan:
het leven stroomt bij beken,
jouw geest breekt in ons baan.
Van ver zijn wij gekomen,
hoe ver zullen wij gaan?
Dit ochtendlicht blijft stromen
in wie zijn opgestaan.
---
*548
#3
1
Een is tot ons gezonden
omwille van het Rijk.
Hij werd de mens gelijk
en om de mens geschonden.
2
Met woorden en met wonden
heeft Hij ons vrijgepleit,
gekruisigd wereldwijd
heeft Hij de schuld ontbonden.
3
Die niet meer hopen konden
op aantocht van het Rijk,
wij werden Hem gelijk,
bloed van zijn bloed bevonden
---
*549
#3
1
Graan, dat in de aarde,
in het graf neerdaalt,
is als zaad, dat stervend
naar de morgen taalt.
Liefde staat op, al
sliep zij totterdood.
Liefde groeit als koren,
halmen groen en groot.
2
Met geweld begraven
werd de liefde Gods.
Rest haar niets dan rusten
in de harde rots?
Jezus is dood,
geen weg lijkt meer te gaan
Liefde groeit als koren,
als het groene graan.
3
Zaad van God, verloren
in de harde steen,
en ons hart, in doornen
vruchteloos alleen, -
heen is de nacht,
de derde dag breekt aan.
Liefde groeit als koren,
als het groene graan.
---
*550
#6
1
Dat uur tussen nacht en morgen,
wanneer de dageraad
nog achter de kim verborgen
reeds aan de hemel staat -
2
en weer, tussen dood en leven,
dat uur ternauwernood
als het kind wordt uitgedreven
buiten de moederschoot -
3
die dag, tussen andere dagen
een schemering gelijk,
dat Christus lag begraven
in 't midden van de tijd -
4
zo moet zich een doortocht banen
God naar zijn koninkrijk,
door angst en bloed en tranen -
zo wordt de oogst bereid!
5
Het graan in de zwarte akker
brengt gouden aren voort,
de haan roept de harten wakker,
de liefde is aan het woord.
6
Een mens, aan het licht gekomen,
wordt met een lach begroet.
Wanneer de Geest gaat stromen,
maakt hij het wachten goed.
---
*551
#2
1
Christus in het graf geborgen
is verrezen in de morgen.
Hij passeert de dodenwacht,
breekt het zegel van de nacht,
breekt de regel van de dood.
Looft de Heer, want Hij is groot.
2
Christus aan het licht gekomen
heeft de zijnen meegenomen.
Hij verschijnt met groot gezag,
draagt de doden naar de dag,
draagt ons Gode tegemoet.
Looft de Heer, want Hij is goed.
---
*552
#4
1
Koor of Allen:
Maria, hoe zo welgemoed?
Wie hebt gij op de weg ontmoet?
Wat blijdschap is u overkomen?
2
Maria:
Ik ben tot Christus' graf gegaan,
ik vond Hem weder opgestaan,
ik heb zijn glorie daar vernomen.
3
Maria:
Een glorie als een held betaamt,
die dood en helle heeft beschaamd,
en spijts hen beide is verrezen.
Twee eng'len hebben 't graf bewaard;
die hebben 't zelfde ook verklaard,
en mij zijn doeken aangewezen.
4
Koor of Allen:
Wij weten dus, o Offerlam,
dat Gij genageld aan een stam
zijt opgerezen van de doden.
En bidden U, o Hemelheer,
wil in erbarming ons een keer
ook aan het hemels Paasmaal noden.
---
*553
#5
1
Messias van ons allen
die onze liefde zijt,
gij woord in alle talen
die 't al heb toebereid
en mens ten enen male
in 't laatste van de tijd!
2
Door steeds naar ons te vragen
hebt gij ons God onthuld,
gij hebt de schuld gedragen,
gij hebt de dood geduld
en onze levensdagen
met levenslicht vervuld.
3
Ter hel zijt gij gevaren,
het klooster van de dood.
Die daar gevangen waren
hebt gij met heil begroet.
Nu gaat gij naar de Vader
de toekomst tegemoet.
4
Ter rechterhand gezeten,
een mens die zegeviert,
zo wordt gij aangebeden
door ons op aarde hier.
Geef ons een geest van vrede,
de hemel op een kier.
5
Uw leven is een leven
dat ons te boven gaat,
uw zegening een zegen
die vrijheid overlaat,
gij kunt ons vreugde geven
die nooit meer overgaat.
---
*554
#5
1
Wanneer de Trooster komt
die Ik tot U zal zenden,
licht uit het oosten komt,
een einde aan ellende;
2
die Geest der waarheid zal
van God omlaag gevaren
in alle klaarheid al
wat Ik u zei verklaren
3
en gij zult dan, ook gij
getuige zijn en spreken
Mijn naam, al zullen zij
u buigen doen en breken;
4
al zullen zij u slaan
en totterdood toe jagen
om Gode te weerstaan
of Gode te behagen;
5
want ziende zijn ze blind,
horende doof gebleven;
de Geest van vuur en wind
alleen doet mensen leven!
---
*555
#4
1
Ik weet van een vogel,
die vliegt heen en weer,
die springt uit den hoge
en stijgt naar de Heer,
2
die brengt in zijn snavel
aan ons allemaal
het brood van de tafel,
ons heilige maal,
3
die brengt langs de ladder
van Jakob omhoog
aan God onze Vader
een wenk van geloof.
4
Die vogel van vrede,
die heilige duif,
die brengt ons uit Eden
een tak van olijf.
---
*556
#9
1
Die licht geeft aan het oog,
het oor gehoorzaamheid,
neerdalend van omhoog
de voeten voorwaarts leidt.
2
die adem aan de borst,
taal aan de lippen leent,
die water uit de rots
en vuur slaat uit de steen,
3
die vliegt gelijk de wind,
wie weet waarheen hij gaat,
en door een wiegekind
de vijand wederstaat,
4
die als een stormvlaag woedt
en als een vlam verzengt,
die als een vogel broedt,
de kiem tot leven brengt,
5
die God het spoor bereidt,
der mensen laatste hoop:
de Tegenwoordigheid
in avondmaal en doop,
6
die Christus heeft gekroond
en dreef in de woestijn
om waar de ongeest woont
een en al Geest te zijn,
7
die aan het offer kracht,
de liefde leven geeft,
die Jezus in de nacht
overgegeven heeft,
8
die Adam in de hof
heeft Eva toevertrouwd,
die geeft aan het geloof
dat het de Heer aanschouwt,
9
het is en altijd weer
zal zijn dezelfde Geest
die leeft en die regeert:
God op het pinksterfeest!
---
*557
#3
1
Gelukkig en geheiligd zijn zij allen
die zijn bevrijd van al het oude zeer,
want nooit meer aan de tweede dood vervallen
leven zij eens voor al bij God de Heer.
Refrein:
Een gast in het huis van de Heer
heeft altijd het grote geluk aan zijn zij, -
een gast in het huis van de Heer
die weet dat de tijd is nabij.
2
Gelukkig en geheiligd, want zij delen
in de beloften van het paradijs.
Dat maakt hen priesters die voor talloos velen
middelaar zijn op koninklijke wijs.
Refrein
3
Gelukkig en geheiligd duizend jaren,
waarin een wereldtijd verstrijken zal,
zijn zij die willen horen en bewaren
woorden vol heil en zegen na de val.
Refrein
---
*558
#4
1
Het jaar neigt zich tot stille groet,
heb rijpte een zomer lang tot zin,
nu in de herfst houdt het zich in
en spreekt uit volheid: God is goed.
2
Maar wij, de mensen, zijn te klein.
Wij doen of het het onze is
wat God ons geeft. Of aan 't gemis
der naasten wij niet schuldig zijn.
3
De honger gaat de wereld rond,
wij danken God voor overvloed.
O geef, Heer, dat de hand toch doet
wat wordt beleden met de mond,
4
en niet meer neemt, maar voluit geeft
aan alle mensen in de nood,
zoals Gijzelf u in de dood
hebt uitgedeeld, o brood dat leeft.
---
*559
#7
1
Dag der dagen, als de tijden
zich tot heil zullen verwijden
voor wie bovenmate lijden.
2
Dag van eindeloos erbarmen
en gerechtigheid aan armen
die aan recht zich zullen warmen
3
Dag van glorie voor verdrukten
en verheffing van wie bukten,
alle aan het stof ontrukten.
4
Dag van vinden van diegenen
die door grof geweld verdwenen,
om wie mensen nu nog wenen.
5
Dag van brood en herverdelen,
voedsel voor ontelbaar velen,
diepe wonden zullen helen.
6
Dag van zon en dag van vrede,
alle droefheid is verleden
in een onaantastbaar heden.
7
Dag van vreugde en verbazen
om het zien van wat wij lazen:
Er was licht, het licht van Pasen.
---
*560
#3
1
Vrienden die zijn overleden,
al wie ons zijn voorgegaan,
vouw ze samen in de vrede
van uw ene naam.
2
Laat ze niet tot niets bevriezen
in de ijskou van voorbij,
laat hun namen nieuw geschieden
aan uw overzij.
3
Allen die zo, zonder adem
biddende, zijn voorgegaan,
bind ze samen in het amen
van uw vaste naam.
---
*561
#2
1
Gij kent bij hoog en laag in uw domein
hen die ontslapen zijn.
Zoals een vogel aan het nest ontstegen
gaat op geheime wegen,
zoals een zaad van ongekende waarde
gezaaid wordt in de aarde,
zo keert de levensadem tot U weer,
zo daalt het lichaam neer.
2
Gij kent de mens, uw eeuwig eigendom,
al slaat de bladzij om.
Komen en gaan: de keerkring van het leven
staat in uw boek geschreven.
Gij legt uw hand op wie U toebehoren;
zij zijn als nieuw geboren.
Uw liefde, Heer, vanaf de moederschoot
is sterker dan de dood.
---
*562
#7
1
Vreemden zijn wij,
ooit geroepen,
uitgetogen
en geen plek waar
wij al thuis zijn.
Refrein:
Ongeziene
ooit beloofde
verre verten
zoeken wij op
hoop van zegen.
2
Niet voortijdig
hier geworteld,
voort en verder,
niet gehecht aan
wat zich voordoet.
Refrein
3
Spoor van mensen
door de eeuwen,
die gegaan zijn
totdat alles
eens volbracht is.
Refrein
4
Wij die leven
wij verwachten
met wie gingen
dat de hemel
ooit zal aarden.
Refrein
5
Ongeziene
ooit beloofde
verre verten
zoeken wij op
hoop van zegen.
Refrein
6
Waar de vrede
glanst als daglicht,
en God Zelf woont
bij de mensen,
onze Zon is.
Refrein
7
Dageraad die
ons dan toekomt,
Godgegeven -
eindelijk zijn
wij dan thuis!
Refrein
---
*563
#4
1
De hemel reikt ons leeftocht aan:
een mens wordt ons tot levend brood.
In liefde is Hij voorgegaan,
zich brekend heeft Hij ons geheeld
en goed gedaan!
2
Hij heeft ons zoekende bestaan
gekend, zich onder ons gezaaid
als graan dat niet verloren gaat.
Gods adem wekt het uit de dood
om op te staan.
3
Want graan dat in de aarde valt
moet sterven, slapen tot de dag
waarop het vruchten dragen zal.
Geef dat ons leven, dat zo wacht,
ontwaken zal.
4
De Zoon is in ons uitgezaaid,
Gods Vadernaam ons toegezegd.
Wij leven door het Licht geraakt,
dankzij de Geest die adem schept
en levend maakt!
---
*564
#3
1
Wij geloven met hart en mond
het woord dat gestorven is
in stilte en duisternis
het zaad dat kiemt in de grond.
2
Wij geloven met hand en tand
het brood van de heilige dis
dat met pasen geboren is
de wijn onze bloedverwant.
3
Wij geloven met hart en ziel
het hart en de ziel van hem
die brak in onze stem
en opstaat in onze keel
---
*565
#3
1
Wij krijgen elkander lief
als de bladeren van een boom
de aderen van een stroom
de letters van een brief.
2
Wij heten dezelfde naam
wij nemen dezelfde loop
langs groene oevers van de hoop
wij hebben dezelfde stam.
3
De vader heeft ons geplant
en de zoon plant ons voort
de heilige geest legt het woord
van God in onze hand.
---
*566
#4
1
Het zal niet lang meer duren,
de dagmaat van de uren
wordt mettertijd voltooid.
Voor mensen moegelopen
gaan dan de woorden open
in stilten, met een krans getooid.
2
Bekeer u tot uw Vader,
dan staat Hij u steeds nader
en komt u zeer te baat.
De nacht is voor de vromen
en biedt een onderkomen
aan zegen, die Hij achterlaat.
3
Verheug u in den Here
en jubel Hem ter ere,
want Hij verlicht de nacht. -
Houd vast wat God bedoeld heeft
en wat Hij voor u nastreeft.
Uw zwakheid wendt Hij tot een kracht.
4
Loop nimmer in den blinde
en gij zult ondervinden
dat God de Heer regeert. -
Hij laat de nachten komen
om dagen te omzomen,
opdat zijn vrede glorieert.
---
*567
#3
1
De avond vult de uren met het weten
dat onze Heer
mij in zijn vrijheid stelt en doet vergeten
het oude zeer
en dat Hij heiligt in zijn overmacht
de lange nacht.
2
De Heer heeft mij geroepen en Hij zuivert
van uur tot uur
met wind van Geest de tijd waarvoor men huivert
in langen duur,
omdat in die beklemming 't diepste zwart
mij altijd tart.
3
AI knaagt de twijfel en al hebben zorgen
de overhand,
de avond bergt een dageraad voor morgen
en is verwant
aan stilte, die de donk're uren voedt
met nieuwe moed.
---
*568
#6
1
De nacht valt. Onze wereld is
nu klein en stil, vol duisternis.
God, die niet slaapt, U zoeken wij:
wees ons een wachter, sta ons bij!
2
Als deze dag ten einde gaat,
staan wij, verward in goed en kwaad,
voor U. O God, wij weten niet
waar onder ons uw wil geschiedt.
3
De onrust blijft. Fel is de gloed
van alle angst en overmoed.
Ons hart wil zwerven, zoeken tot
het rust hervindt in U, o God.
4
Het licht, dat in ons midden brandt
houdt levend hoe van hogerhand
de nacht aan banden is gelegd.
Gij hebt de morgen toegezegd.
5
Gij houdt het donker en het licht
omvat. Gij houdt uw oog gericht
op wie vervallen aan de nacht,
op wie geen mens, geen vriend meer wacht.
6
Gij, die ons redt van ons tekort,
geef dat de nacht een doorgang wordt
naar leven, dat door U bezield
niet langer voor de machten knielt.
---
*569
#2
1
Bijna is de dag ten einde,
maar de stilte wil niet komen:
buiten, binnen onze muren
blijft het luide leven duren
tot in onze diepste dromen
tot ver achter onze einder.
Heer, bevrijd ons tot Uw wil,
geef ons vrede, maak ons stil!
2
Bijna leggen w' ons ter ruste,
maar wie kan zich overgeven
om te slapen zonder zorgen?
Wacht ons nog een nieuwe morgen?
Eindig is het mensenleven
met zijn lasten en zijn lusten.
Heer, ontferm U, blijf ons bij,
geef ons vrede, maak ons vrij.
---
*570
#4
1
De dag, geboren uit het duister,
verliest zich hier weer aan de nacht.
De stilte zoeken wij. Zij fluistert
ons in het hart, dat Gij ons wacht.
2
Laat niet de dag ons achtervolgen
alsof de zon niet onderging.
Maar laat ons rusten in uw hoede;
herken in elk van ons uw kind.
3
Voor licht en leven ooit geschapen
zijn wij. Zo hebt Gij ons gedacht.
Wij geven ons aan U; wij slapen
gerust, want Gij bewaakt de nacht.
4
En laat de morgen voor ons dagen
zoals Gij doet sinds het begin.
Roep uit uw licht en al ons vragen
vindt in uw liefde nieuwe zin.
---
*571
#4
1
Wees bij ons, wees ons een geleide
bij het verdwijnen van de dag.
Wij wachten U, begin en einde,
in wie ons leven rusten mag.
2
Als boze dromen ons belagen,
wij eenzaam vechten met onszelf,
laat niet de nacht dan angst aanjagen,
niet een verleden dat ons knelt.
3
U kennen wij als een bevrijder,
Gij hoort het mensenkind dat schreit.
Ook als de nacht valt, blijf ons leiden,
troost ons met uw barmhartigheid.
4
Geef ons elkaar tot licht en liefde,
waarmee het donker wordt weerstaan.
En zingend gaan wij door het duister
tezamen op uw morgen aan!
---
*572
#3
1
De dag raakt in de nacht vergeten.
Wat blijft ons bij dat weerklank vindt?
Laat het genoeg zijn, Heer, te weten
dat Gij de nieuwe dag begint.
2
Wij zouden niet gerust gaan slapen,
vertrouwend nu de nacht ingaan,
als wij niet steeds uw trouw hervonden
die ons als zonlicht op wil gaan.
3
Geef dat wij nieuwgeboren heten
wanneer de dag opnieuw begint,
ons door het licht geroepen weten
en Gij ons aan uw zijde vindt.
---
*573
#5
1
Die ons schiep,
en ook nu nog
- als hier de nacht ons
overmant -
houdt in de holte
van Uw hand,
2
die ons zoekt
in het duister,
die ons de dag hebt
toegezegd,
spreek in de stilte
tot Uw knecht.
3
Die ons hoedt
in Uw schaduw,
onder Uw vleugels
toegedekt,
liefde, die ons tot
leven wekt,
4
ken ons hart,
zo onrustig,
vol van zichzelf
is het verblind,
totdat het rust in
U weer vindt.
5
Kom tot ons
als de morgen.
Ga over ons op
als het licht.
Zegen ons met Uw
aangezicht.
---
*574
#4
1
Op de dag toen de wereld nog woestijn was,
struiken niet ontsproten waren
op de aarde,
toen er nog geen planten leefden,
God geen regen had gegeven
en geen mens een akker maakte,
steeg er uit de diepte water.
2
Op de dag toen de grond nog dor en droog was,
al les nog werd doodgezwegen
in de lege
hopeloosheid zonder einde,
vormde God het stof tot mensen,
blies hun monden vol met adem
om te leven met Hem samen.
3
Op de dag toen het nieuwe lied verstomd was
en geen mens meer kon geloven
in de hoge
hemel, peilloos en gesloten,
toen de blinden en de doven
niet meer zochten naar genezing,
is het mensenkind verrezen.
4
Op de dag die de wereld tegemoet gaat,
als de mens in vrees en beven
om het leven
dat teloor gaat, roept om bergen,
heuvels om hem te bedekken,
op die dag spreekt God genadig
oordeel over heel de aarde.
---
*575
#4
1
Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon,
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond,
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons lied naar U, o God van vrede.
2
Lof zij uw Naam die oplicht in de nacht,
uw luister staat geschreven in de sterren,
zo hoog van eer, een uitstraling zo zacht,
taal van genegenheid, tijding van verre.
Wij zien verwonderd naar de stille pracht,
zou ooit een mens die heerlijkheid verwerven?
3
In sierlijk schrift, hoog aan de hemeltrans,
hebt Gij de nacht uw signatuur gegeven.
Wij zijn geschreven met dezelfde hand,
dezelfde gratie wekt ook ons tot leven.
De Morgenster, zozeer aan U verwant,
Hij heeft het uur der duisternis verdreven.
4
God van ons hart, Gij die ons zingen doet,
uw mensen zijn wij, maaksel van uw handen,
uw adem geeft ons innigheid en gloed,
o leid ons uit het huis van schade en schande -
Gij schenkt de sterveling een vergezicht,
uw stad van licht daalt neer over de landen.
---
*576
#3
1
Nu laat Gij, Heer, mijn leven lente zijn -
ik hoor al vroeg de bomen vrolijk zingen:
een cantorij van vogels groot en klein,
de schepping kan haar vreugde niet bedwingen; -
mijn hart stroomt vol van louter zonneschijn,
ik ben zo blij om alle goede dingen!
2
IJskoude dood, zwijg stil - ik weet het wel;
jij doet de herfst, de barre winter komen,
jij speelt met ons het liefst een ijzig spel,
jij hebt al menigmaal de vrede ons ontnomen:
maar zie, opnieuw ontluikt op Gods bevel
het groene gras, de bloesem van de bomen!
3
Reeds groeit er hoop uit omgeploegde pijn:
alles wordt nieuw, nog beter dan te voren;
nacht wordt weer dag en water zoete wijn -
straks heeft de dood zijn macht voorgoed verloren,
dan zal de zomer zonder einde zijn
en heel de aarde wederom geboren!
---
*577
#5
1
In de schoot van mijn moeder geweven,
als een wonder bereid,
aan het licht toegewijd,
gaf Jouw liefde al vorm aan mijn leven.
2
Lang voor ik van Jouw woorden kon weten,
eer de dag nog begon,
ging Jij op als de Zon
die mijn licht en mijn leven wilt heten.
3
Voordat ik aan het licht ben gekomen
was Jij met mij vertrouwd,
heb Jij mij al gebouwd
en mijn naam op Jouw lippen genomen.
4
In de mond, die nog nauwlijks kon spreken
is de toon al gezet,
is het lied al gelegd
dat voorgoed door de stilte kan breken.
5
Jij, die kleinen Jouw grootheid doet zingen,
laat het lied om Jouw Naam
heel mijn leven bestaan
om de dreigende nacht te bedwingen.
---
*578
#3
1
Hebt Gij ons niet gedacht
als gasten op uw grote feest?
Van het begin ben ik
daartoe door U bestemd geweest.
Maar ik zoek rusteloos
elk ander doel en heb geen weet
hoe Gij uw rust mij gunt,
uw liefde hemelsbreed.
2
Spreek toch met groter kracht
dan wat ik zelf te zeggen weet.
AI wat mijn hart bedenkt
wordt door uw aanspraak scherp ontleed.
Als ik mij van U keer
- in eigenzinnigheid verhard -
haal dan mijn muren neer,
doorlicht wat mij verwart.
3
Gij, die van liefde spreekt
waar ik mij tegen U verweer, -
als Gij mij openbreekt:
mijn onvermogen telt niet meer!
Als ik U zelf zal zien,
de schaduwen zijn afgelegd,
omhul mij dan en reik
een feestkleed aan uw knecht.
---
*579
#3
1
Hij die gesproken heeft een woord dat g t,
een tocht door de woestijn, een weg ten leven,
een spoor van licht dat als een handschrift staat
tegen de zwartste hemel aangeschreven:
Hij schept ons hier een nieuwe dageraad,
Hij roept ons aan: `Ik zal jou niet begeven.'
2
Hij die ons in zijn dienstwerk heeft gewild,
die het gewaagd heeft onze hand te vragen;
die ons uit angst en doem heeft weggetild
en ons tot hier op handen heeft gedragen;
Hij die verlangen wekt, verlangen stilt -
vrees niet, Hij gaat met ons, een weg van dagen.
3
Van U is deze wereld, deze tijd.
Gij hebt uw stem tot op vandaag doen klinken.
Uw naam is hartstocht voor gerechtigheid,
uw woord de bron waaruit wij willen drinken.
Gij die tot hiertoe onze toekomst zijt -
dat wij niet in vertwijfeling verzinken.
---
*580
#4
1
Wat vraagt de Heer nog meer van ons
dan dat wij recht doen
en trouw zijn
en wandelen op zijn weg.
2
Wat vraagt de aarde meer van ons
dan dat wij dienen
en hoeden
als mensen naar Gods beeld?
3
Wat vragen mensen meer van ons
dan dat wij breken
en delen
als ons is voorgedaan?
4
Het is de Geest die ons beweegt
dat wij Gods wil doen
en omzien
naar alles wat er leeft.
---
*581
#3
1
Te doen gerechtigheid
hebt Gij ons aangezegd.
Dat woord heeft ons bevrijd,
elk ander ons geknecht.
Geef dat ons niets weerhoudt
die lange weg te gaan.
Dat elk zich nu verstout
uw richting in te slaan.
2
Wier dagen Gij bezocht,
wier harten Gij doorgrondt,
voor wie Gij hebt gewrocht
de aarde en de zon;
wier toekomst is in U,
Gij maakt hun leven waar -
mocht Gij hen hier en nu
bekeren tot elkaar.
3
Dat niemand hen kleineert
die Gij wilt maken groot,
voor wie Gij hebt geslaakt
de boeien van de dood.
Opdat wij zouden staan
vrij voor uw aangezicht,
getekend met uw Naam,
en leven in uw licht.
---
*582
#5
1
Wij roepen U, God
ons leven verloopt!
Uw scheppingslicht wordt
hier langzaam gedoofd.
Als ons zienderogen
geen toekomst meer wacht,
wat blijft ons voor morgen
dan eeuwige nacht?
2
Hebt Gij niet vanouds
uw grenzen gesteld
aan chaos en dood,
aan wapengeweld?
Gij kiest ons het leven
als enige zorg.
Gij staat met uw liefde
voor ons allen borg.
3
Wij roepen om moed,
om daadkracht die telt,
die weet van protest,
en alle geweld
ontwapent met liefde,
met hoop, met geloof.
Zo hebt Gij aan mensen
de toekomst beloofd!
4
Wij bidden voor hen
die voor moeten gaan:
dat waarheid alleen
voor alles zal gaan.
Aan mensen die recht doen,
aan wie vrede sticht,
geeft Gij U te kennen
vol leven en licht.
5
Gij die ons begin
vanouds zijt geweest:
verhoor ons gebed
en adem uw Geest
in allen die zoeken
naar vrede en recht.
Aan hen is uw liefde
toch blijvend gehecht?
---
*583
#3
1
Dit land, uit wind en water voortgekomen,
dit lage land, gekleurd met groene zomen,
land waar weleer voor vrijheid is gestreden,
bloeien zal het: een vrijplaats voor de vrede.
Heldhaftig, zij aan zij,
werd in een boos getij
de tyrannie verdreven.
Land, dat het onrecht keert,
dat ons de vrede leert,
waarin wij mogen leven.
2
Dit land, waar nooit voorgoed de nacht kon vallen,
is vaste grond, een open huis voor allen;
zo vaak het uit het donker is verrezen,
blijft het een land om waarlijk thuis te wezen
En vastberaden gaan
wij op de toekomst aan
als goede erfgenamen
van de geschiedenis,
opdat er morgen is
voor allen die hier kwamen.
3
Dit land dat ademt onder wijdse luchten,
biedt ruimte wie in ademnood moest vluchten.
Hier wordt de vreemde met een naam gezegend,
zoals wij zelf het donker steeds ontstegen.
Als koninklijk beleid
staat de barmhartigheid
boven de poort geschreven.
Nog is gerechtigheid
inzet van alle strijd,
opdat wij zullen leven!
---
*584
#7
1
Jij die je boog in wolken spant,
geen wapen houd je in de hand
waarmee je mens en dieren kwelt.
't Zijn wij de zonen van geweld.
't Zijn wij die onze legermacht
nog niet tot staan hebben gebracht.
Refrein:
Dochters en zonen van Noach,
bouw deze aarde tot ark
waarin wat leeft is geborgen
tot aan de lichtende morgen
die heel de schepping bevrijdt.
2
Jij die de regen dauwen doet
en maakt de aardse honing zoet,
jij zoekt naar vrienden in de hof
om te verzorgen tot je lof
de granen goud, de wijnen puur,
de ceders groen tegen azuur.
Refrein
3
Zonen en dochters van Noach,
bouw deze aarde tot ark
waarin wat leeft is geborgen
tot aan de lichtende morgen
die heel de schepping bevrijdt.
4
Van horizon tot horizon
de boog die welft van het verbond
en vloeit van rood naar violet.
Hij vraagt getijden van gebed
en uit de reinheid van de geest
de ene daad die ons geneest.
Refrein
5
Dochters en zonen van Noach,
bouw deze aarde tot ark
waarin wat leeft is geborgen
tot aan de lichtende morgen
die heel de schepping bevrijdt.
6
Jij boog die in de wolken staat
met bovenaardse regelmaat,
jij zegt ons de belofte aan
dat wij niet in de vloed vergaan.
Stort het veelkleurig licht ons in
dat straalt sinds werelds oerbegin
en maak dat wij de wachters zijn
van dit verduisterend terrein.
Refrein
7
Zonen en dochters van Noach,
bouw deze aarde tot ark
waarin wat leeft is geborgen
tot aan de lichtende morgen
die heel de schepping bevrijdt.
---
*585
#6
1
Liefde, eenmaal uitgesproken
als uw Woord van het begin,
Liefde, wil ons overkomen
als geheim en zegening.
2
Liefde, die ons hebt geschapen,
vonk, waarmee Gijzelf ons raakt,
allesoverwinnend wapen,
laatste woord, dat vrede maakt.
3
Liefde luidt de Naam der namen
waarmee Gij U kennen laat.
Liefde vraagt om ja en amen,
ziel en zinnen metterdaad.
4
Liefde waagt zichzelf te geven,
ademt op van goede trouw.
Liefde houdt ons in het leven, -
daarop hebt Gij ons gebouwd.
5
Liefde laat zich voluit schenken
als de allerbeste wijn.
Liefde blijft het feest gedenken
waarop wij uw gasten zijn.
6
Liefde boven alle liefde,
die zich als de hemel welft
over ons: wil ons genezen,
Bron van liefde, Liefde zelf!
---
*586
#3
1
God heeft gesproken in de tijd,
Hij heeft zijn Woord gezonden,
zijn rede en zijn raadsbesluit
gaan vast en onomwonden.
Die sloopt de leugen en de leus
en grootspraak brengt tot zwijgen:
Hij bouwt zijn waarheid sterk en klaar,
heil sticht hij allerwege!
2
Waar Hij gehoord wordt en verstaan
doet Hij de armen hopen,
de steppe komt in bloei te staan,
de dorre twijg gaat open.
Wie ging gebukt wordt opgewekt,
Hij vult de lege handen,
en zingen zal het groot getal
der stillen in den lande.
3
Weest niet kleinmoedig in de tijd
van tegenspraak en leugen;
het Woord geschiedt! Zo roept dan luid:
Hosanna in den hoge!
Weest Hem gezind. Hij overwint,
gij komt dit uur te boven;
de eeuw vergaat, maar 't stervend zaad
heeft honderdvoud van schoven.
---
*587
#6
1
De krachten die mij naar het leven stonden,
zij zijn gebroken en zij zijn vernederd;
rondom is ruimte.
2
Nu moet ik gaan als voor het eerst gezonden.
Nu wordt verwacht dat ik zal tegentreden:
Vijanden. Vrienden.
3
Nog is wat sterk moet zijn in mij geschonden
Nog trilt mijn stem soms weerloos en verlegen
Tijd komt en heelt mij.
4
Alleen wat niet zal helen zijn mijn wonden.
Ik draag ze in mijn zij en in mijn leden.
Pijn brandt en kroont mij.
5
Daarom hebben de spotters mij gevonden
en dansen zij als narren in mijn schreden,
totdat zij vallen.
6
Zij gaan en gingen een voor een ten onder,
de krachten die mij naar bet leven stonden.
En ik zal leven.
---
*588
#4
1
Wij zullen leven, God zij dank,
genoemd als dochters en als zonen:
de erfgenamen van een land
dat nooit meer vruchteloos verzandt,
waar onrecht nimmermeer zal wonen.
2
Niet meer zijn wij door angst geknecht
en aan de dood zijn wij ontheven.
Nu wordt uw Geest op ons gelegd,
in vrijheid brengt Gij ons terecht.
Een nieuwe naam is ons gegeven.
3
Verheugd herkennen wij Uw Naam,
roepen U aan als onze Vader.
Uw hart spreekt onze harten aan,
uw aangezicht doet ons bestaan.
In Christus komt Gij zelf ons nader.
4
In dood gedompeld waren wij,
nu met Hem stralend nieuw verschenen!
Geen rouw om het bestaan, maar blij
bekleed met Hem: de weg is vrij,
de nacht is voor het licht verdwenen.
---
*601
#5
1
Eeuwenoude woorden
boordevol geheim
boeken vol verhalen:
God wil bij ons zijn.
Refrein:
Mirjam, Maria,
de Heer is nabij.
Mirjam, Maria,
gezegend ben jij.
2
Eeuwenoude woorden
naar jou toegewaaid
goede grond gevonden
door de Geest gezaaid.
Refrein
3
Eeuwenoude woorden
in jouw schoot ontkiemd
wachten in het donker
groeiend ongezien.
Refrein
4
Eeuwenoude woorden
in jouw hart bewaard
aan het licht gekomen
God geopenbaard.
Refrein
5
Eeuwenoude woorden
Allerhoogste Kracht,
Jezus, bron van leven
heb jij voortgebracht.
Refrein
---
*602
#5
1
Als kleine mensen offers brengen,
maar alles blijft zoals het was,
als hoge heren domineren
en iedereen loopt in de pas,
Refrein:
dan klinkt het lied van ommekeer.
Vanouds gaat er iets nieuws beginnen.
God brengt ons het verhaal; te binnen.
In deze tijden daagt het weer.
2
Als kleine mensen vruchtloos leven,
als vreugde plaats maakt voor verdriet,
als het paleis en zelfs de tempel
de naam van God geen ruimte biedt,
Refrein
3
Als kleine mensen samenkomen,
niet langer buigen voor de macht,
als de verwachting van nieuw leven
voor hen een licht wordt in de nacht,
Refrein
4
Als oude mensen God gaan loven
om 't kind, een teken in de tijd,
omdat het zwijgen wordt doorbroken
en God veelzeggend ons bevrijdt,
Refrein
5
Voor kleine en voor grote mensen,
voor ieder die Gods Woord verstaat,
voor wie in duisternis gezeten
het licht herkent dat schijnen gaat,
Refrein:
klinkt nu het lied van ommekeer,
vanouds gaat er iets nieuws beginnen.
God brengt ons het verhaal te binnen.
In deze tijden daagt het weer.
---
*603
#4
1
Een ster gaat op te middernacht
en heeft de wereld licht gebracht.
Ere zij God in den hoge!
2
Een licht zo groot, het vult de lucht.
De duisternis is weggevlucht.
Ere zij God in den hoge!
3
Een licht zo sterk als Gods geduld.
Het doet verbleken alle schuld.
Ere zij God in den hoge!
4
Een licht zo ver, een licht zo wijd,
het leidt ons naar de eeuwigheid.
Ere zij God in den hoge!
---
*604
#4
1
Werd jij ooit bij ons geboren
als een kindje vreemd en klein,
zou ik dan je stem wel horen
en een goede gastheer zijn?
Jij, de koning van 't heelal
werd geboren in een stal.
2
Had je bij ons willen slapen,
moe van de geboortepijn,
had ik jou dan toegelaten
in mijn bedje van satijn?
Jij, de koning, lag in 't strooi
bij de beesten van de kooi.
3
Was jij met ons komen spelen,
zou ik hebben meegedaan
en mijn speelgoed willen delen,
een paar beurten overslaan?
Jij, de koning, was alleen
toen geen engel meer verscheen.
4
Jij bent ooit bij ons geboren
om een licht voor ons te zijn,
aan wie allen toebehoren:
jij bent groot en wij zijn klein.
Jezus, koning van 't heelal,
werd geboren in een stal.
---
*605
#7
1
Zij lazen de loop van de sterren
als lot van het aardse bestaan,
de wijzen die mensen beduidden
waarlangs zij hun weg moesten gaan.
2
Toen is hun, gezeten in 't duister,
een stralende ster opgegaan.
Zijn licht wekte al hun verlangen
hun paden te buiten te gaan.
Refrein:
Wij hebben zijn ster gezien!
Wij hebben het Licht ontmoet.
Geen weg zal meer dezelfde zijn
waar deze ster ons pad beschijnt,
de hemel zelf ons groet.
3
Hun wereld werd opengebroken;
de ster bleef bij 't oude niet staan.
Dit hemelse licht bracht hun leven
voorgoed in een andere baan.
4
De wijzen, zij reisden vol vragen
naar teken en taal in de nacht.
Voorbij aan bestaande paleizen
heeft hen deze ster toen gebracht.
refrein
5
Zo lopen de wegen op aarde
niet dood in de duisternis,
sinds zij nieuwe wijsheid vergaarden
in 't broodhuis, dat Bethlehem is.
6
De paden, gebaand en getreden,
die hebben zij voortaan gekruist.
Zij gingen langs andere wegen
en brachten het licht mee naar huis.
refrein
7
Een ster die ons nieuw doet geloven,
een glimlach van God in de nacht.
Wij komen ons lot weer te boven.
Hij wijst ons de weg naar de dag!
refrein
---
*606
#5
1
De morgenster licht op en flonkert.
Dit is het uur! Nu breekt het donker.
Boven de bergen wijkt de nacht. -
De hemel zingt het uit met alle macht.
2
Ontwaakt! Roept ons een stem. Wij horen
de wachters zingen op de toren:
'dit is de aangename tijd:
De bruidegom verschijnt! Weest voorbereid!'
3
Zijn wij in zoete slaap gevangen,
ons wekt de stem van Gods verlangen,
ons kust het eerste morgenrood.
Waarom nog langer slapen totterdood?
4
Als Woord van God van den beginne
wil Christus onze wereld winnen.
De schepping tintelt van Gods lof,
want Hij hervond voor ons de open hof.
5
O Morgenster, gij stralend schone,
bezongen op verhoogde tonen,
reik met uw stralen fier en ver!
Verlicht ook ons, o Christus, Morgenster!
---
*607
#4
1
Een ezelrijder! Kijk, een ezelrijder!
Komt z¢ een koning op bezoek?
Je zult je oren niet geloven:
met niets stuurt hij de rijken weg,
maar armen krijgen overvloed.
2
Een wonderdoener! Kijk, een wonderdoener!
De mensen hollen voor hun heil!
De wereld als de Hof van Eden!
'Hosanna' golft door heel de stad,
als hartekreet in ieders mond.
3
De vredeskoning! Kijk, de vredeskoning!
Geen zwaard of speer is in zijn hand;
hij sticht zijn vrede puur met woorden.
Hosanna blijft de echo die
de hemel zingt boven het land.
4
Een ezelrijder! Kijk, een ezelrijder!
De meute, hoog te paard, die lacht -
Het volk blijft met de palmtak zwaaien.
'Hosanna' roept het, 'Help toch, Heer!
De hoop moet morgen aan de macht!'
---
*608
#5
1
Refrein:
Zie, wij gaan op naar Jeruzalem,
de stad, door bergen omgeven,
waar God is als een wal van trouw
rondom wie in haar willen leven.
Hij die uit God geboren is
waagt zich nu aan de duisternis,
omarmt de nacht, ontwijkt die niet
en drinkt daar in het doodsgebied
de beker vol verdriet.
Refrein
2
Hij gaat ons voor, is ons vooruit
in eenzaamheid. Maar niemand stuit
zijn vast geloof dat deze weg
ten einde toe wordt afgelegd
als aller mensen knecht.
Refrein
3
In brood en wijn gedenken wij
hoe Hij uit dood en slavernij
ons heeft geleid. De weg is vrij.
Nog vraagt Hij: waakt en bidt met mij
de duisternis voorbij.
Refrein
4
Hij die de uittocht heeft volbracht,
de doodszee trad in diepe nacht -
wij waken, bidden, wachten Hem.
De zon gaat op, dan klinkt zijn stem:
Hier is Jeruzalem!
Refrein
5
De stad die nu nog boven is,
verborgen in de duisternis, -
die komen zal in deze tijd,
een bruid, Gods liefde toegewijd,
een hemel wereldwijd.
Refrein
---
*609
#4
1
Toen Jezus wist: nu is gekomen
het uur om door de nacht te gaan,
heeft Hij een linnen doek genomen
en water in een schaal gedaan.
2
Hij gaf ons zwijgende een teken
en kwam ons voet voor voet nabij,
Hij deed het water van zich spreken,
het stort zich uit en reinigt mij.
3
Zo is de Heer een knecht geworden
en tot de bodem toe gegaan
om ons met ootmoed te omgorden,
Hij doet ons zijn geringheid aan.
4
Heer van mijn hart, U bent gekomen
de nacht door naar uw grote dag,
ik heb in eenvoud aangenomen
dat ik U daarin volgen mag.
---
*610
#4
1
Niets droeg hem meer,
voor hem de afgrond nog,
geen woord of kreet, geen spons azijn,
de mens is uitgegoten,
hem wacht geen engel meer.
2
Zo hangen zij
en levend dood ook wij,
mislukt, vergeten, uitgebeend,
de mens vloeit leeg in leegte,
in 't blinde niemandsland.
3
Het duister wijkt,
de blindeman ontwaakt:
het brood, het kruis, het tuinmanswoord,
zij dragen godlijk leven,
een wereld weer geheeld.
4
Wat draagkracht geeft:
God neemt de grenzen weg,
verdriet, een kreet, de eenzaamheid,
de stukgestoten zijde,
zij zijn van ons, van hem.
---
*611
#4
1
Refrein a:
Wie gezaaid wordt in de aarde,
staat op in grenzenloos gebied;
wie zonder aanzien ondergaat
komt op in glans en luister.
U zien wij oog in oog.
De velden van de massadood
vol beenderen: een dorre schoot.
Hier is de vraag laar leven wrang,
hier heerst de kille ondergang.
2
Een leeg gebied, geen huis of haard,
wat zijn profetenwoorden waard?
U weet het, God: als U het zegt,
gaan mensen weer aaneengehecht.
Refrein b:
Kom, adem, van vier streken,
op de vleugels van de wind.
Blaas de doden leven in,
wek ons op en wij trekken uit:
een ademtocht.
3
Uw adem is het die bezielt
en heilzaam bindt wat is vernield.
Wat is verstard maakt U weer zacht,
U wekt in ons uw milde kracht.
4
U wijst de weg uit dodenland,
en maakt ons tot uw geestverwant.
Woestijn van vrees wordt bloemenzee;
angst gaat voorbij, U trekt toch mee.
Refrein a
---
*612
#4
1
De zee trekt zich terug, het land valt langzaam droog,
een zachte waas van groen, gewassen, gaaf en schoon.
De aarde maakt zich op: een bruidstooi onvermoed.
God ziet haar en geniet. De derde dag is goed.
2
Een bruiloft zonder wijn, een vreugdeloos verbond.
De vrees voor schaarste heerst, het uur van Jezus komt:
Hij reinigt ons van angst, wij drinken klare wijn.
De derde dag toont Hij, hoe God met ons kan zijn.
3
Een zachte waas van groen, teer licht, de derde dag.
Geen sluier van de dood, ontsloten is het graf.
Hier wordt de mens gered, zozeer heeft God ons lief.
Wie dat geloven durft, betreedt een nieuw gebied.
4
Wat brood, een beker wijn, de vreugde van 't verbond.
U wenkt ons naderbij, uw woord gaat wervend rond.
Wij maken ons nu op, voltooien deze tijd.
Ons wacht het liefdesmaal, ons wacht uw heerlijkheid.
---
*613
#5
1
De lichtvorst, de ontluisterde,
verheft zijn aangezicht,
de zon die wij verduisterden
breekt uit in stralend licht.
2
De glorie van de dageraad
verleent een hof zijn pracht,
geweken is het rouwgewaad,
de smartelijke nacht.
3
Nu ons een licht is opgegaan,
gewenteld onze steen,
komen wij oog in oog te staan,
niet langer dood-alleen.
4
O teken dat zijn handpalm siert,
zijn hartstreek en zijn voet,
zijn onmacht heeft gezegevierd,
de onschuld van zijn bloed.
5
De liefde toont zijn aangezicht,
een zonnelied breekt aan,
vandaag zien wij het levenslicht,
de Heer is opgestaan.
---
*614
#11
1
Een duif van alzo hoge
daalt op ons neer
en maakt het hart bevlogen
van God de Heer.
2
Een vogel zet de baaierd
tot leven aan
in rozerode waaiers:
de dag breekt aan.
3
De chaos wordt beteugeld,
de watervloed
voor altijd overvleugeld
met Gods tegoed.
4
Een duif boven het water,
een regenboog:
God houdt de goede aarde
voor mensen hoog.
5
Voor Noach draagt de wijnstok,
bloeit de olijf,
en klapwiekend van vrede
is daar de duif.
6
Een duif is het die liefde
tot leven wekt;
een engel die zijn vleugels
tot vrede strekt.
7
Hij draagt het Woord op wieken
en zingt het voort.
Zijn woorden zetten vrucht in
Maria's oor.
8
Een duif boven het water
van de Jordaan:
die wijst er onder mensen
de ware aan.
9
Het ruisen van zijn vleugels
doet God verstaan:
de ware weg te leven
wordt hier gegaan.
10
Een duif van alzo hoge
daalt op ons neer
en maakt het hart bevlogen
van God de Heer.
11
O vogel, kom gevlogen,
breng ons de Geest:
God, die om ons bewogen
de harten leest.
---
*615
#8
1
Dit is de dag, dit is het uur
dat liefde oplaait als een vuur
en mensen aansteekt, hoofd voor hoofd.
Dit is de dag door God beloofd!
2
Dit is de dag dat welgeteld
de oogst van Pasen allen geldt.
Gods eersteling is opgestaan
en raakt ons met zijn zegen aan.
3
Dit is het uur dat wij verstaan:
God vuurt ons met zijn Adem aan.
Wat Hem beweegt sinds het begin
blaast ons bestaan nieuw leven in.
4
Dit is het uur: de dag begint
op vleugels van een nieuwe wind.
De grenzen hebben afgedaan,
nu zullen wij elkaar verstaan.
5
Dit is de dag dat onze mond
niet sprakeloos meer is, verstomd,
maar weet heeft van het hoogste Woord.
Het wordt in ieders taal gehoord.
6
Wat nog ontbreekt, ten dele is,
wordt heel: de Geest vult ons gemis.
De raadsels zullen ogen gaan.
Ten volle zullen wij verstaan.
7
Ecn oude droom, een nieuw gezicht:
een wereld die wordt opgericht
en door een nieuwe wind geschoond
tot vrijplaats waar de liefde woont.
8
Dit is de dag dat groot en klein
bezield van Geest en leven zijn.
De liefde wordt een lopend vuur.
Dit is de dag, dit is het uur!
---
*616
#4
1
Heilige Geest,
Gij zijt als de wind,
kom dan, waai door onze harten,
reinig ons.
2
Heilige Geest,
Gij zijt als het vuur,
kom dan, vuur ons aan tot liefde,
beziel ons.
3
Heilige Geest,
Gij zijt als de dauw,
kom dan, laaf ons met uw goedheid,
vervul ons.
4
Heilige Geest,
Gij zijt als het licht,
kom dan, wek ons tot nieuw leven,
herschep ons.
---
*617
#3
1
Wij wachten op het uur dat Gij
Uzelf ons openbaart en wij
met U bezield ontwaken,
in vuur en vlam geraken.
2
Kom dan, o Geest, beroer de tong
van uw gemeente en verjong
de woorden die wij spreken
tot frisse waterbeken
3
opdat wij zijn tot lafenis,
tot bron voor al wie dorstig is.
Kom, adem Gods, wij smeken
U om dit levensteken.
---
*618
#3
1
Geschenk uit de hemel, wolken en vuur:
fakkel doorgegeven,
Woord om mee te leven,
wijzer op de lange duur.
2
Geschenk uit de hemel, tongen van vuur:
talen om te spreken
van Gods levensteken.
Woord dat klopt en vindt gehoor.
3
Geschenk uit de hemel, mensen van vuur,
door de Geest bewogen
met Gods Rijk voor ogen.
Kom, vervul ons Geest, dit uur.
---
*619
#5
1
Slechts uit de verte zagen zij,
die ons zijn voorgegaan.
Op hoop van zegen gingen zij,
droegen zichzelf als stenen aan
voor de beloofde stad, waarvan
de fundamenten lang
al in Gods eigen dromen staan.
2
Refrein:
Ons hart vertrouwt op hoop van zegen:
de stad van goud die God ons bouwt,
dat land van ooit
dat Hij voor ons voltooit.
3
Zij hebben naar het land gezocht
waar vrede daglicht is.
Hun leven was een blijvend nee
tegen de nacht van duisternis,
tegen de angst die mensen knecht.
Hun wortels nooit gehecht
in wat alom voorhanden is.
Refrein
4
Zij waren vreemden en geen plek
werd ooit voorgoed hun thuis.
Hun hart was hun vooruitgesneld,
zij waren kind bij God aan huis.
De horizon van wat ons wacht
is dichterbij gebracht:
wij komen samen met hen thuis!
Refrein
5
Als vreemdelingen gaandeweg
vervolgen wij hun spoor.
Zij zijn gestorven met de droom.
Wij zoeken nog, geven gehoor
de Stem, die hen geroepen had
naar de gedroomde stad,
want n¢g gaat God ons daarheen voor.
Refrein
---
*620
#4
1
Licht, verlaat ons niet,
nu de avond is gekomen
voor de nacht, die vol van dromen
visioenen ziet.
In het donker groeit het licht.
2
Licht, groei in de nacht
en wil ons voor kwaad behoeden
in genade, ons ten goede
met uw levenskracht.
In het donker wordt het licht.
3
Licht, dat ons geneest
in de schemer van het scheiden,
blijf gerechtigheid verspreiden
voor wie liefde leest.
In het donker glanst het licht.
4
Licht, gezegend vuur,
in de naam van God de Vader
komt de Zoon des mensen nader
in het zwartste uur.
Door de Geest zien wij het licht.
---
*621
#4
1
De avondwind draagt deze dag,
nog overvol van licht en duister,
op brede wieken van ons weg
2
en tilt die tot waar God hem telt
en van de zwaarte van de wereld
met liefdevolle hand bevrijdt.
3
Wat is een dag - een ademtocht!
Waar blijft het licht en waar het duister?
Een dankgebed, een hart dat zucht -
4
dan valt de nacht - en welbewaard
rust deze dag al in Gods handen,
waarin Hij alle tijden houdt.
---
*622
#1
1
Weer is een dag voorbij, nu ben ik moe.
Ik kom U danken voordat ik ga slapen.
De avond zet zich als een vogel op de daken
Vleugels van donker,dekken alles toe
en in dat donker blijft uw liefde waken.
---
*623
#5
1
O God, behoed ons in de nacht,
U bent het morgenlicht dat wacht,
als wij verstijfd en blind en doof
in duister leven, levenddood.
2
Die ons de weg naar vrede wees
is wreed vermoord. Wij zijn bevreesd.
Hij was ons licht, hij is gedoofd;
wij hebben tevergeefs gehoopt.
3
Wij leven met de luiken dicht.
In angst verschanst en zonder licht,
zijn wij begraven, dood, alleen
en zien geen weggerolde steen.
4
Breek, Jezus, door de onmacht heen,
sta in ons op, rol weg de steen
die ons weerhoudt ook op te staan
en geef ons vrede in uw naam.
5
Geloofd zij God om scheppend licht
en Jezus om zijn droomgezicht
van recht en vrede en de Geest
die ons van dood en angst geneest.
---
*624
#9
1
Refrein:
Wie gaf de haan besef?
Wie gaf de haan zijn lef?
Wie maakte hem tot bode
van leven uit de doden?
Wij danken alles Gode!
Allengs verbleekt de maan,
de zon die op wil staan
is nog in nacht verborgen.
Wij wachten op de morgen.
2
Dan klinkt een fel signaal,
een stem van schel metaal
scheurt alle dromen open,
gebeurt nu wat wij hopen?
Refrein
3
De haan is een heraut,
de vaan die hij ontvouwt,
een vlag van lofgezangen,
doet ons te meer verlangen.
Refrein
4
verlangen naar de dag
dat alles wat niet mag
verdaan is en verdwenen.
De haan staat op zijn tenen;
5
de dag die op wil staan
moedigt hij dapper aan.
Wij moeten spoedig maken
dat wij voorgoed ontwaken.
Refrein
6
Zijn stem laait als een vuur,
hij kraait het nieuwe uur,
het uur dat wordt geboren
om bij de Heer te horen.
7
Ons leven hult zich nog
in dromen van bedrog,
maar 't Rijk van Alvermogen
zal opstaan voor onze ogen.
8
Wat riep de haan? Hij riep:
'Geloofd zij Wie u schiep!
Wat blijf je ongeschapen
dan nog in donker slapen?'
9
Gij die het daglicht zijt
van de rechtvaardigheid,
bevestig ons verwachten,
verdamp de kwade nachten!
Refrein
---
*625
#3
1
Ik heb U lief, ik kan niet leven
zonder de adem van uw Geest
die boven 't water is geweest
om aan de sterveling te geven
uw hoop van zegen.
2
Ik heb geen vrees, want ik mag horen
uw stem die tot de doden spreekt,
uw woord dat uit de diepte breekt,
en ik ontwaak als nooit tevoren,
opnieuw geboren.
3
Ik heb U lief, ik moet geloven,
dat al mijn haat geleden is,
dat er voor mij gebeden is
en dat geen macht dit vuur kan doven
dat komt van boven.
---
*626
#2
1
Niet is het laatste woord gesproken,
er klinkt een lied, al is het nacht.
Onzeker gaan wij, lotgenoten,
op weg met wie ons samenbracht.
Wat komen zal is nog verborgen,
God weet, wat ons te wachten staat:
het stille licht, een nieuwe morgen,
waarmee ik mij verzoenen laat.
2
Wie als het water uitgegoten
de dorre grond tot bloeien brengt;
wie als de dauw daalt in de morgen
en schepping teer met licht doordrenkt,
leeft niet vergeefs, gaat niet verloren
in duisternis van niemandsland.
Een naam klinkt in het wuivend koren:
belofte van het nieuwe land.
---
*627
#10
1
Gij hemelhoog verheven,
zo ver en zo nabij,
zozeer ons toegenegen
en zo veeleisend, gij,
2
kunt gij het kwaad verhoeden
dat alom wordt begaan
of ooit het leed vergoeden,
uw schapen aangedaan.
3
Uw naam Ik-zal-nabij-zijn
gaat heel de wereld rond -
wilt gij ook zijn waar wij zijn,
hier, in dit Babylon?
4
Hebt gij ons afgeschreven,
hebt gij ons uitgedaagd?
Dit menselijke leven,
wie heeft er om gevraagd?
5
Als ik word afgebroken,
als ik ben uitgedoofd,
wordt dan het woord gesproken
waarin ik heb geloofd?
6
Zult gij het licht vergaren
dat hier ten einde gaat
om zo te openbaren
uw gave dageraad?
7
Hier zal de hoop vervliegen,
geloof zal zijn gedaan -
wat overblijft is liefde.
Breekt zo de morgen aan?
8
De schaduw en de schuld zijn
ten laatste afgelegd.
Zullen wij dan gehuld zijn
in u, gij levend licht?
9
De waarheid wint gestalte,
de duisternis verdween.
Gij slaat uw eigen mantel
der liefde om ons heen.
10
De vragen zijn vergeten
en opgelost als mist.
Wij zullen zeker weten
wat gij al eeuwig wist.
---
*628
#3
1
Ik zoek U in den blinde
en tast de hemel af.
De lucht blijft leeg. Ik wacht
totdat Gij mij zult vinden
in dit verlaten land.
Refrein:
Draag mij op uw vleugels
de vrijheid tegemoet.
2
Ik zie U in de verte.
Gij komt steeds dichterbij,
machtige majesteit.
Uw schaduw overdekt me
met troost en tederheid.
refrein
3
Gij, verre en nabije,
ik voel uw zachte bries
als Gij mij zoekt en ziet.
Gij aan de hemel, wijs me
uw hoopvol nieuw verschiet.
refrein
---
*629
#6
1
Ja, ook ik zou het liefst,
als die andere drammers,
God tot ingrijpen dwingen
met al die almacht van Hem,
2
en ik houd stiekem hoop
op de heer van de machten,
een reusachtige redder
van een wereld in nood.
3
Kijk, hier is dan de mens
en ik kijk in een spiegel,
zie het lijden, de onmacht,
mijn armzalig gezicht.
4
'k Bal mijn vuist en ik schreeuw
ach, wat is dan dat mensje,
zonder redding van boven?
Brengt een mens ons soms heil?
5
Ja, ook ik bid het liefst
tot die God om erbarmen
met de ogen naar boven
met de blik afgewend.
6
Ik huil mee met het volk,
ik ben blind met de blinden,
ik ben blind voor het teken
in een mensengezicht.
---
*630
#6
1
Hoor ook ik niet bij hen
die de hemel bestormen
en tot God blijven roepen
om zijn krachtige hand,
2
met een laatste vonk hoop
op het uur van de waarheid,
op zijn grootse verschijnen
in een wereld in nood.
3
Maar ik hoor 'Zie de mens!'
en niets staat mij voor ogen
dan mijn eigen gebroken
en onmachtig bestaan.
4
En ik schud met mijn vuist:
moet die mens ons dan redden,
zonder hulp van de hemel?
Wie verlost ons dan God?
5
Ja, ook ik hoor bij hen
die maar hemelwaarts smeken
om ontferming van boven.
Ja, daar sta ik vooraan.
6
Ik roep luid met hen mee,
en ben blind met de blinden;
maar versta niet de tekens
in het mens'lijk gelaat.
---
*631
#4
1
Mensen lopen af en aan,
keren om of blijven staan.
Samen en soms ook alleen
gaan ze ergens nergens heen.
Refrein:
Wij lopen naar de and're kant,
de overkant, het goede land,
een land van horen zeggen.
Een land waar God, die grote God,
de hand op zal gaan leggen.
2
Mensen leven bij de hand,
delen lief en leed en land.
Samen in een lange rij
zijn ze waarom daarom blij.
refrein
3
Mensen zonder water, brood,
lopen langzaam zeker dood.
Samen eten is zo goed
voor wie hierheen daarheen moet.
refrein
4
Mensen roepen, roepen luid
namen om te leven uit.
God geeft iedereen zijn deel.
Iets voor niets is al zo veel.
refrein
---
*632
#4
1
U komt mij, lieve God,
zo nederig nabij,
in dagen van gemis
en moeite vindt U mij.
2
U daalt het duister in,
U deelt mijn angst en pijn,
zo dodelijk bedroefd
als maar een mens kan zijn,
3
een man van smarten die
ter aarde valt en schreit,
een lotgenoot, een vriend, -
o Heer die bij mij zijt,
4
ik bid U, laat het licht
dat doorbrak in uw smart,
de zon die Pasen heet,
ook dagen in mijn hart.
---
*633
#5
1
Wat woest en leeg is, ongericht,
wordt door uw Woord ontgonnen.
In den beginne riep U: 'Licht!',
de chaos was bedwongen.
Leer ons verstaan uw scheppend Woord,
wees licht voor onze voeten,
zodat wij U ontmoeten.
2
Gebeiteld staan met licht in steen
tien woorden van bevrijding.
Die wet is recht, de wet is ‚‚n
haag tegen de verleiding.
Begaanbaar spoor naar vruchtbaar land,
dat Mozes mocht aanschouwen,
de grond waarop wij bouwen.
3
Tot stem gebald uit vuur en licht,
Elia moet wel spreken.
Profetenwoord dat onrust sticht
in ons bezwaard geweten.
Een weeklacht over het geslacht,
dat najaagt valse goden,
vervreemd van uw geboden.
4
Geboren uit het eeuwig licht,
voorzegd door de profeten,
de nieuwe mens die vrede sticht:
Jezus, uw Woord gegeven.
Dit is mijn zeergeliefde Zoon,
de lichtweg door het duister.
Ga met hem mee en luister.
5
Ontwaakt zijn wij in morgenlicht,
wij moeten van U spreken.
Die dood was leeft nu, opgericht,
uw Woord is recht gebleken.
Leer ons verstaan uw Woord van trouw,
wees licht voor onze voeten,
zodat wij U ontmoeten.
---
*634
#3
1
Ons heeft de Heer met liefde neergeschreven,
leesbaar voor mensen als zijn erfenis.
Ons leven mag zich voluit laten lezen,
herkenbaar als zijn eigenhandig schrift.
2
Wie kan in ons een brief van Christus lezen,
als niet de Geest ons aan elkander rijgt,
die ons als dode, levenloze letters
beademt en tot nieuwe zinnen schrijft?
3
Om woord voor woord zijn liefde te vertalen,
dat blijft voor ons bestaan het doel, de zin.
Om mensen zijn ontferming te herhalen
zijn wij gezonden, deze wereld in.
---
*635
#5
1
Refrein:
Breng ons weer thuis uit de ballingschap,
dan zal het zijn alsof wij dromen.
Want wat met tranen is gezaaid
wordt juichend gebonden tot schoven.
De mensenzoon brengt met gezag
het koningschap van God nabij.
Hij is ons als een nieuwe dag
en maakt ons onder Sions vlag
van ons verleden vrij.
Refrein
2
In Galilea bij de zee,
de diepte van de wereldnacht
begint de weg die Hij betreedt
en wij gaan zingend met Hem mee.
Een wonder dat ons wacht!
refrein
3
Hij heeft het Woord van kracht gemaakt,
het leven dat was lamgelegd
met Gods ontferming aangeraakt,
en aan wie opstaat en ontwaakt
de toekomst toegezegd.
refrein
4
Tot in de holten van de dood
zoekt Hij wie breken aan de pijn.
Hun schreien blijft niet ongehoord.
Zijn eerste en zijn laatste woord
zal Gods genade zijn.
refrein
5
Hij oogst met koninklijke hand
de vruchten van een nieuw seizoen
en reikt het liefdesbrood als pand.
Een sabbat gloort! Hier is het land
dat God ons geeft te doen.
refrein:
Wij komen thuis uit de ballingschap,
zoals het was in onze dromen.
Wat ooit met tranen werd gezaaid
wordt juichend gebonden tot schoven.
---
*636
#2
1
Dat ik adem, dat ik leef,
dat uw Geest mij wil bezielen
doet mij dankbaar voor u knielen
omdat Gij mij alles geeft.
2
Als ik mij dan aan U geef
om uw goedheid te beamen,
ben ik met een ieder samen
die uw adem in zich heeft.
---
*637
#6
1
Zoals rivieren van de bergen stromen,
bronnen geslagen door Gods sterke hand;
zo is ons leven aan het licht gekomen:
een watergang uit het geboorteland.
2
Ik wilde wel voor altijd daar vertoeven,
hoog in de bergen, zonder vrije val,
om vrolijk van Gods eeuwig heil te proeven:
een rustig bergmeer zonder lager wal.
3
Nu stort ik mij verwoed in 't dal der tranen,
waarbij ik rotsen met mijn massa's ets
en bressen sla om mij een weg te banen
en roekeloos de groene oevers kwets.
4
Het slijpend water kleurt met slib mijn flanken
beschamend rood, van zonden oeverloos.
Onder mijn huid vorm ik verborgen banken
en maak de stuurman blind en hulpeloos.
5
Dan komt opeens een brede, stille wijdte,
de woede wijkt en mijn onstuimigheid;
het slib wordt afgezet, mijn schulden wijken
en God herschept een nieuwe vruchtbaarheid.
6
Nu mag ik gerechtvaardigd verder stromen
op weg naar mijn eertijds beloofde lot;
met grote blijdschap mag ik binnenkomen
als een rivier in zee, in Hem, bij God.
---
*638
#5
1
Als een schip op het water
varen wij
op het scherp van ons getij.
Koersend naar het morgenlicht
leven wij de nacht voorbij,
dromend van later,
van een gouden vergezicht,
als een schip op het water.
2
Als een boom aan de stromen,
altijd groen,
blakend van een nieuw seizoen,
diep geworteld in uw woord,
raken wij in goede doen:
leven volkomen -
nieuwe bronnen aangeboord
als een boom aan de stromen.
3
Als een gast aan uw tafel
weten wij
het beloofde land nabij,
vieren wij de overvloed
hecht geschouderd, zij aan zij,
proeven de gaven -
delen wij in uw tegoed
als een gast aan uw tafel.
4
Als een bron van genade
voor elkaar:
brood, welsprekend handgebaar,
wijn, geschenk vol lafenis.
Zo verheugen wij elkaar
meer dan verzadigd -
smaken wij wat nog niet is
als een bron van genade.
5
Als uw huis in de wereld
steen voor steen
schuilplaats waar uw Geesteswind
ons verlangen wakker maakt,
uw belofte weerklank vindt.
levende stenen -
lichaam, dat de liefde mint
als uw huis in de wereld.
---
*639
#8
1
Solo:
U die mij ooit de sterren wees,
mij zegende en eer bewees,
U voerde mij uit oergebied,
ik volg uw woord, verlaat mij niet.
2
allen:
God rekent Abraham dit aan
en heeft zijn woord gestand gedaan:
er spelen kind'ren in het zand,
zij eten vruchten van het land.
3
Solo:
Geen tranen had ik meer, geen brood;
mij wachtte met mijn kind de dood.
Dan klinkt uw woord in mensentaal:
deel wat je hebt, je laatste maal.
4
allen/koor:
God geeft de weduwe haar recht
en Hijvervult wat is gezegd:
een overvloed van olie, meel,
een kind krijgt hier het leeuwendeel.
5
solo:
Vanuit de diepte roep ik U:
mijn kind is ziek, genees het, nu.
Neem onze doodsangst weg, kom,vlug;-
een woord van U en ik ga terug.
6
allen/koor:
Wie op een woord geloven kan,
onttroont de dood, doorbreekt de ban.
Een opgeluchte vader spoedt
het nieuwe leven tegemoet.
7
solo:
Verdraaide klanken, onze taal;
verwarde zinnen, loze praal.
Spreek toch uw woord dat richting geeft,
dat echt en louter is, doorleefd.
8
allen/koor:
Wie geloof hecht aan dat woord,
gaat een verbond aan, gaat akkoord
met nieuwe schepping die begint
waar uw woord in ons weerklank vindt.
---
*640
#4
1
Cantorij:
Zoals de regen onverwacht
een moede aarde op nieuwe krachten brengt,
zoals een bedding leeg en dor
plotseling volstroomt en leven brengt,
2
allen:
zo is mijn God,
zo overkomt Hij mij,
een bron die uitbreekt
in mijn woestijn;
ik adem op,
de dood ontkomen.
3
Cantorij:
Zoals het daglicht te middernacht
zo onvoorstelbaar ondenkbaar lijkt,
maar in de morgen stralend nieuw
de zon weer opgaat, de nacht aan banden legt, -
4
Allen:
zo is mijn God,
zo overkomt Hij mij,
een licht dat uitbreekt
ik hef het hoofd,
en ik sta op,
de dood ontkomen.
---
*641
#2
1
Aan U, Heer, brengen wij de dank
van al wat leeft
en geven stem aan wat geen klank
of weerklank geeft.
De groene weiden geuren fris,
de bloemen bloeien en er is
een zacht geruis:
de stilte zingt U stilheid toe.