---

Zingend Geloven

Deel 1, genummerd 101 t/m 163

Deel 2, genummerd 201 t/m 271

Deel 3, genummerd 301 t/m 388

Deel 4, genummerd 401 t/m 478

Deel 5, genummerd 501 t/m 588

Deel 6, genummerd 601 t/m 709

---

 

*101

#5

1

  Toen Israel geboren is

  en uit huis der duisternis

  geheven aan het levens licht,

  toen is de nacht voorgoed gezwicht.

2

  De zee die hen bedolven had

  met al haar golven werd een pad,

  waardoor zij gingen onverlet,

  van dood en onverlaat gered.

3

  De vrijheid is een zandwoestijn,

  maar 's Heren hand zou met hen zijn

  en het gesluierde gelaat

  waarmee Hij voor zijn naam in staat.

4

  De wereld kent de tekens niet

  waarmee de Heer zijn vrede biedt:

  de wolk waarin wij zijn gedoopt,

  het vuur dat voor zijn volk uitloopt,

5

  hoe ons zijn hand het manna reikt

  en water uit de steenrots breekt,

  die rots die met ons medegaat:

  Christus, een vaste toeverlaat.

---

*102

#10

1

  Uit nacht en ontij komen wij,

  de lange winter is voorbij,

  wij zijn geboren in de doop

  en voor ons ligt een land van hoop,

  een land van melk en honing,

  het rijk van onze koning.

2

  Het is een lange tocht erheen,

  een exodus door zand en steen,

  maar zo is Abraham gegaan

  en Israel naar Kanaan,

  het land van melk en honing,

  het rijk van onze koning.

3

  Door de woestijn en langs de berg

  waar God zich toont en zich verbergt,

  het huis van Sion tegemoet

  waar Hij de deur wijd open doet,

  de deuren van zijn woning

  in 't land van melk en honing.

4

  Daar wordt de maaltijd aangericht,

  daar vloeit de wijn, daar straalt het licht.

  Het is een lange tocht, een tijd

  van arbeid en van bitterheid,

  maar zoet is de beloning,

  de goedheid van zijn woning.

5

  Hij is het zelf, die als door vuur

  ons binnenhaalt te elfder uur

  en door de zee en door de wolk

  verwelkomt als het oude volk,

  het volk van onze koning,

  in 't land van melk en honing.

6

  Hoe is het in Israel gegaan?

  God liet hen niet ten onder gaan

  in 't huis van duisternis en dood:

  Egypte was de moederschoot

  waaruit de oudste zoon ging,

  het volk van onze koning.

7

  De zee die hen bedolven had

  met al haar golven werd een pad

  waardoor zij gingen onverlet,

  een paasgemeente voor de wet

  op weg naar God de koning

  in 't land van melk en honing.

8

  De wereld kent de tekens niet

  waarmee de Heer zijn gunst gebiedt,

  de wolk waarin wij zijn gedoopt,

  het vuur dat voor zijn volk uitloopt

  naar 't land van melk en honing,

  het vuur van God de koning.

9

  Hoe ons zijn hand het manna reikt

  en water uit de steenrots breekt,

  de rots die met ons medegaat:

  Christus, een vaste toeverlaat,

  een priester en een koning,

  wiens bloed is wijn en honing.

10

  Uit nacht en ontij komen wij,

  de Allerhoogste maakt ons vrij,

  wij zullen voor zijn ogen staan

  in 't heilig land, in Kanaan,

  geboren en getogen,

  dank zij God in de hoge!

---

*103

#10

1

  Wij gaan met heel Gods volk

  op weg achter de wolk

  een pad dwars door de zee

  en God gaat met ons mee.

  Refrein:

  O Heer die ons bevrijdde,

  ons uit het diensthuis leidde,

  wijs ons met uitgestrekte hand

  de weg naar het beloofde land!

2

  Wij eten hemels brood,

  wij leven in de dood

  van manna, dag en dag;

  het valt op Gods gezag.

3

  Wij slaan de vijand neer;

  wie bidden tot de Heer

  geeft Hij standvastigheid,

  volharding in de strijd.

4

  Wij horen het gebod:

  de heiligheid van God

  wil dat wij allen rein

  en heilig voor Hem zijn.

5

  Wij dansen om een stier,

  een gouden kalf, een dier

  dat stom is, ziet noch hoort,-

  maar God gaat met ons voort.

6

  Wij spreken door de Geest,

  getuigen onbevreesd,

  want God maakt ons bekwaam:

  profeten in zijn Naam.

7

  Wij krijgen dorst, wij zijn

  het moe in de woestijn.

  Maar Mozes, boos en trots,

  slaat water uit de rots.

8

  Wij kijken naar de slang,

  verhoogd voor elk die bang

  het komend oordeel vreest;

  en wie gelooft geneest.

9

  Wij gaan door de Jordaan

  en dragen stenen aan

  voor heel het nageslacht,

  een teken van Gods macht.

10

  Wij juichen, de bazuin

  blaast muren neer tot puin.

  God geeft ons, man voor man,

  een huis in Kanaan.

---

*104

#5

1

  Al wie in de renbaan loopt,

  moet zichzelf kastijden,

  al wie op de zege hoopt

  moet daar ook om strijden.

  Niet om werelds loon,

  om een aardse zegekroon,-

  om de gunst van God de Zoon

  moet gij allen strijden.

2

  Loopt dan wat gij lopen kunt,-

  wilt u moeite geven,

  dan is u de krans gegund:

  eeuwig zult gij leven.

  Al wie ijdel hoopt

  omdat God u heeft gedoopt:

  weet dat gij verloren loopt,

  dat gij niet zult leven.

3

  't Volk dat, in de wolk gewijd,

  redding had verworven,

  deed aan ongerechtigheid:

  velen zijn gestorven.

  Water, wolk en brood:

  maar hun zonden waren groot

  en hun werken waren dood,

  velen zijn gestorven.

4

  Gij die God uw werk aanbiedt,

  opdat gij moogt voortgaan,

  laat uw verbinding niet

  op uw werken voorstaan.

  Hij die 't wonder waagt,

  u zijn woord en werk opdraagt,

  Hij beloont zo 't Hem behaagt:

  zondaars doet hij voorgaan.

5

  Mensen die ter elfder uur

  naar zijn woord wilt leven,

  hoopt op Hem die rust en duur

  aan zijn volk wil geven.

  God, uw goed en bloed,

  omdat zo de liefde doet,

  God, ons aller overvloed,

  schenkt om niet zijn leven.

---

*105

#7

1

  Doe vroeg zijn aangeworven,

  van die wordt veel gevraagd:

  zij zwoegen van de morgen

  tot midden in de nacht.

  Die later zijn gekomen,

  die krijgen veel te veel,

  ze vragen met de vromen

  en evenredig deel.

2

  De vroegen zijn de vroeden,

  de pioniers vanouds,

  die God reeds vroeg ontmoetten,

  zijn stem is hun vertrouwd.

  Die later zijn gekomen,

  die krijgen evenveel,

  de daders en de dromers

  een evenredig deel.

3

  De werkers van het elfde,

  het late avonduur,

  die krijgen toch hetzelfde

  als elke pionier.

  Die later zijn gekomen,

  die krijgen evenveel,

  de vaders en de zonen

  een evenredig deel.

4

  Wat is er niet verdragen?

  Wat is er niet geduld?

  De hitte van de dagen,

  de wroeging van de schuld!

  Die later zijn gekomen

  verwachten evenveel,

  zij laten het zich lonen

  met evenredig deel.

5

  De dag is haast gestorven,

  de as bedekt het vuur,

  de nacht verwekt de morgen

  en wij, wij staan te huur.

  Die later zijn gekomen,

  die krijgen evenveel,

  de slaven en de slomen

  een evenredig deel.

6

  Wij hebben lang gezwegen,

  wij vragen uit een mond:

  geef ons het loon des levens,

  geef ons het volle pond!

  Die later zijn gekomen,

  die geeft Hij evenveel,

  die slapen en die sloven

  een evenredig deel.

7

  De alleroudste vaders,

  de allerjongste zoon,

  zij krijgen Gods genade,

  dat is het volle loon.

  Die later zijn gekomen,

  die krijgen evenveel,

  genade zal hun lonen

  een evenredig deel.

---

*106

#6

1

  Waak op, verlaat ons niet, o Heer,

  waak op en slaap niet langer meer.

  Gij zult toch in de hemel niet

  vergeten al het aards verdriet?

2

  Ons lichaam juicht niet tot uw lof

  ons leven buigt zich in het stof-

  daarom, waak op, treed in het licht

  en openbaar uw aangezicht!

3

  Want Gij alleen, ja Gij zijt goed,

  een God die grote dingen doet.

  Gij zult toch in de hemel niet

  vergeten al het aards verdriet?

4

  Wij gaan ten onder als een zaad

  dat Gij ter aarde vallen laat,

  opdat het stierf en vruchten droeg,

  want uw genade is genoeg.

5

  "Hij roept tot Mij, hij roept tot Mij,

  Ik hoor hem aan en maak hem vrij,

  zijn hulpgeschrei word Ik niet moe,

  Ik deel hem tijd van leven toe."

6

  Wie in de hoede van de Heer

  zijn ziel beveelt en legt zich neer,

  zal in de schut en schaduw van

  de Almacht Gods ter ruste gaan.

---

*107

#5

1

  Voorzanger:

  Wie als een god wil leven hier op aarde,

  Allen:

  Wie als een god wil leven hier op aarde,

  Voorzanger:

  hij moet de weg van alle zaad

  en zo vindt hij genade.

  Allen:

  en zo vindt hij genade.

2

  Hij gaat de weg van alle aardse dingen,

  hij leeft het lot met hart en ziel

  van alle stervelingen.

3

  Hij wordt aan zon en regen prijsgegeven,

  het kleinste zaad in weer en wind

  moet sterven om te leven.

4

  De mensen moeten sterven voor elkander,

  het kleinste zaad wordt levend brood,

  zo voedt de een de ander.

5

  En zo heeft onze God zich ook gedragen

  en zo is Hij het leven zelf

  voor iedereen op aarde.

---

*108

#7

1

  Toen Jezus kwam van de Jordaan,

  om naar Jeruzalem te gaan

  toen riep een blinde man hem aan:

  Kyrieleis!

2

  Die blinde zat er doodalleen,

  de scharen stroomden langs hem heen,

  toen klemde hij zich vast aan een:

  Kyrieleis!

3

  Want Hij maakt alle dingen nieuw

  en Hij kan zorgen dat ik zie

  de morgen van de profetie,

  kyrieleis!

4

  Ze zeiden dat ik zwijgen zou,

  maar Jezus vroeg mij wat ik wou

  en mijn geloof werd mijn behoud,

  kyrieleis!

5

  Gij koning op des Vaders troon,

  Gij hogepriester, Davids' Zoon,

  profeet die ons de Schrift aantoont,

  kyrieleis!

6

  Op U is onze hoop gericht,

  geloof in U geeft ons gezicht,

  uw liefde is ons levenslicht,

  Kyrieleis!

7

  0 mensen, geeft dan Gode lof!

  Hij maakt ons ziende door geloof,

  maar zonder dat is alles dof,

  kyrieleis!

---

*109

#4

1

  Alles wat over ons geschreven is

  gaat Gij volbrengen in de veertig dagen,

  de tien geboden en de veertig slagen,

  dit hele leven dat geen leven is.

2

  De schepping die voor ons gesloten was

  ontsluit Gij weer, Gij opent onze ogen.

  O Zoon van David, wees met ons bewogen,

  het vuur van bloed en ziel brandde tot as.

3

  Maar, Heer, de haard van uw aanwezigheid

  zal in ons hart een vreugdevuur ontsteken;

  Gij waart met ons, Gij zult ons niet ontbreken,

  Gij Hogepriester in der eeuwigheid.

4

  Gij onderhoudt de vlam van ons bestaan,

  aan U, o Heer, ontleent het brood zijn leven.

  Ons is een loflied in de mond gegeven,

  sinds Gij de weg van 't offer zijt gegaan.

---

*110

#5

1

  Getrouwe Schepper, hoor ons aan,

  zie hoe wij smekend voor U staan

  en hoe wij veertig dagen lang

  vasten met tranen en gezang.

2

  Gij kent de diepten van het hart,

  hoe zwak het is en hoe verward.

  Zegen met uw verzoening weer

  het hart dat naar U hunkert, Heer.

3

  Wij hebben zeer veel kwaad gedaan

  maar diep berouw, - o zie ons aan!

  Ziek zijn wij: geef ons medicijn,

  opdat uw naam geloofd mag zijn.

4

  En maak ons aardse lichaam vrij

  van zinnelijke heerschappij,

  opdat de geest in zuiverheid

  dan vasten kan van zonde en strijd.

5

  Drieeenheid, ene God, gedenk

  uw kinderen met dit geschenk,

  dat onze vasten vruchtbaar is

  en liefelijke lafenis.

---

*111

#7

1

  Wij gaan de veertig dagen in

  van onze Heer, die het begin

  van alle tijd en leven is:

  aan wie het Boek gegeven is.

2

  Hij volgt de Schrift en nauwgezet

  gaat Hij de wegen van de Wet,

  Hij schrijft de sporen in het zand

  die wijzen naar zijn Kanaan.

3

  Hij leest de dolenden bijeen,

  die zwerven als verbrokkeld steen,

  Hij opent aan de koele rots

  het hart van de verkwikking Gods.

4

  Al wat door vromen wordt geroemd,

  de weg, de waarheid wordt genoemd:

  hun hoogheid en hun harde wil,

  daalt in zijn graf, de dag wordt kil.

5

  Maar uit de stenen die Hij schiep,

  vonken de namen die Hij riep,

  toen Hij aan vader Abraham

  de sterren wees en tot ons kwam.

6

  Hij gaat de veertig dagen in:

  leer toch dat sterven is gewin

  en dat Hij tot zijn erven kiest

  alwie zijn eigen ziel verliest.

7

  Gij sterke, die uzelf verhoogt:

  wat God niet zaait wordt niet geoogst,

  maak u niet recht, buig voor de Knecht

  die 'Abba - Vader' heeft gezegd.

---

*112

#4

1

  Veertig dagen, veertig nachten

  op de hoge berg alleen:

  Mozes heeft op God gewacht en

  droeg zijn woord gedrukt in steen

  naar de mensen daar beneden

  in hun taal,

  maar zij waren hem vergeten

  en verdwaald.

2

  Aan de mensen daar beneden,

  aan de kudde zonder land,

  wil God het gepaste geven,

  ja, het beste van zijn hand,

  al de sterkte van zijn arm en

  zijn goed woord,

  maar zij hebben zijn erbarmen

  niet gehoord.

3

  Al hun sieraad en vermogen,

  alles wat een mens verblijdt,

  wat zijn feesten moet verhogen

  hebben zij het beest gewijd:

  edel goud van goed gehalte

  werd verdaan

  en die woedende gestalte

  kreeg Gods naam.

4

  Veertig dagen, veertig nachten

  zijn de louterende duur

  dat wij God alleen verwachten,

  goud moet smelten in het vuur.

  Zouden wij de macht aanbidden

  van een stier,

  als het Lam is in ons midden?

  God is hier!

---

*113

#10

1

  Het waren tien geboden

  die God schreef in de steen,

  het waren tien geboden,

  voor elke vinger een.

2

  De wind blaast in vier streken,

  wie weet waar hij behoort,

  de wind blaast in vier streken

  de tien geboden voort.

3

  en vier maal tien is veertig,

  het tijdperk van de Geest

  en al die tijd is Mozes

  met God alleen geweest.

4

  Maar Mozes is gestorven

  op weg naar Kanaan

  en Isrel heeft gezworven

  vier maal tien jaren lang;

5

  Elia heeft gelopen

  tot hij bij Horeb kwam,

  Elia heeft gelopen

  vier maal tien dagen lang;

6

  en Mozes en Elia

  zijn op de berg geweest,

  waar boven in de hemel

  de Geest genesteld is.

7

  Maar Jezus is beneden,

  een lange vastentijd,

  maar Jezus is beneden

  verzocht in de woestijn,

8

  en hier heeft Hij geleden

  de wijsheid van de slang

  en hier heeft Hij gestreden

  vier maal tien dagen lang;

9

  en Hij heeft overwonnen,

  haast zal het Pasen zijn,

  dan springen nieuwe bronnen

  omhoog in de woestijn,

10

  dan zullen wij U loven

  vier maal tien dagen lang,

  dan zullen wij U loven,

  ons hart in vuur en vlam.

---

*114

#3

1

  Wie zeggen de mensen dat Jezus is?

  Zij zeggen: een profeet.

  En wie zegt Petrus dat Hij is?

  Wel, Simon Petrus weet:

  Hij is de Christus, Zoon van God,

  de Levende.

  Refrein:

  Geloven, hopen, weten,

  eens staan daar zij aan zij

  apostelen, profeten

  en mensen zoals wij.

2

  Jij, Simon Barjona, zo zegt de Heer,

  jij man van vlees en bloed,

  bent zalig, want, zo zegt de Heer,

  je woord is wijs en goed.

  Mijn Vader heeft je dat geleerd,

  de Levende.

  Refrein

3

  Ik zeg het je, dat je een rots zult zijn:

  een stevig fundament

  voor mijn gemeente zul je zijn,

  want jij hebt Mij herkend.

  Jij bent de steun der kindren Gods,

  de Levenden.

  Refrein

---

*115

#5

1

  Jezus, diep in de woestijn,

  eenzaam en vol vragen,

  voerde daar een zware strijd

  veertig lange dagen.

2

  veertig dagen zonder brood,

  Hij is niet bezweken

  - ook al was de honger groot -

  voor zijn tegenspreker.

3

  Alle rijkdom, alle macht

  lagen in zijn handen,

  als Hij maar een knieval bracht

  voor zijn tegenstander.

4

  Jezus zei: Ik kniel niet neer,

  want er staat geschreven:

  Bid alleen tot God de Heer,

  dien Hem heel je leven.

5

  Jezus, diep in de woestijn,

  veertig lange dagen,

  bleef het in de zware strijd

  met Gods woorden wagen.

---

*116

#4

1

  O God en Heer almachtig,

  Gij hebt U steeds ontfermd,

  wees thans ook weer indachtig

  uw schepping onbeschermd!

2

  De wereld gaat te gronde,

  gedenk de mens, o God,

  en red ons van de zonde

  en red ons van de dood!

3

  Zij die naar vrede vragen

  zijn nauwelijks in tel,

  behoed hun levensdagen,

  o God van Israel!

4

  Tot U heeft zich verheven

  de stem van Abels bloed,

  het roept, o Here Jezus,

  dat Gij verschijnen moet!

---

*117

#10

  (ook wijs gezang 289)

1

  Op de berg van het verbond

  daalt een vuur, een licht van boven

  uit de open hemelmond

  en een wolk ervoor geschoven;

  en het volk erom geschaard

  staat en staart.

2

  Want net licht der eeuwigheid

  is voor ons gezicht verborgen:

  Gij in uw barmhartigheid

  geeft ons daglicht elke morgen

  en wij leven op gezag

  dag aan dag.

3

  Midden in de wereldtijd,

  in het heilig evangelie,

  staat Gij in uw heerlijkheid

  schoon en blinkend als een lelie,

  zelfs geen koning Salomo

  straalde zo.

4

  Davids Zoon en Zoon van God:

  deze zal Messias heten,

  ons bevrijden uit de dood

  naar de wet en de profeten.

  Mozes en Elia gaan

  naast Hem staan.

5

  Alle eng'len loven Hem,

  want Hij zal de tocht volbrengen

  in de stad Jeruzalem

  en het vuur zal Hem verzengen

  en de duisternis als steen

  om Hem heen.

6

  Ach uw lieve christenheid

  weet niet beter dan te dromen

  van een tempel in de tijd,

  onderdak en onderkomen,

  maar het ware Israel

  weet: Vaarwel.

7

  Want het duister sluit zich weer

  en wij zijn alleen gelaten,

  mens tot mens met onze Heer.

  Christus wandelt in de straten

  en de armen zoekt Hij op,

  arm als Job.

8

  Zonder uitzicht op de troon,

  slechts het woord in onze oren:

  "Dit is mijn geliefde Zoon,

  hoort Hem, Hij is uitverkoren",

  gaan wij mee door de woestijn,

  't moest zo zijn.

9

  Maar met zijn verzekering:

  heel dit ondermaanse leven

  voer Ik tot verheerlijking,

  de vergeefsheid is vergeven,

  alle dagen, zevenmaal

  zevenmaal.

10

  Als het eenmaal Pasen is,

  heeft de aarde Hem voor ogen

  die de eerst_en laatste is

  en zij looft Hem opgetogen,

  want de uittocht is volbracht

  uit de nacht.

---

*118

#4

1

  Die in de hoogte woont,

  sprak uit de wolkkolom,

  heeft U aan ons getoond,

  zeggende: "Hoort naar Hem!

  Dit is Mijn Zoon!"

2

  Heer, tot uw heerlijkheid

  zijn wij te vroeg ontwaakt.

  Meldt niet de wolk de tijd,

  dat U de dood aanraakt,

  Heer, - dat Gij lijdt?

3

  Toen Gij ons medenaamt

  naar uw sneeuwwit visioen,

  wat hebben wij beraamd?

  Ach, wat wij wilden doen

  maakt ons beschaamd.

4

  Berg van de heerlijkheid

  wordt voor U Golgotha.

  Gij ziet de heerlijkheid

  achter de schaduwwolk,

  Heer, als Gij lijdt.

---

*119

#2

1

  Mijn ogen zijn gevestigd

  op God, of Hij mij redt.

  Mijn hart, hoezeer onrustig,

  heb ik op Hem gezet.

  Kan ik de nacht verduren,

  waarin Gij verre zijt?

  Gij zult mijn voeten sturen

  in 't duister van de tijd.

2

  Maar wees mij dan genadig

  en richt mijn leven op,

  dat ik opnieuw gestadig

  kan gaan in 's levens loop.

  Mijn hart, hoezeer onrustig,

  heb ik op U gezet,

  mijn ogen zijn gevestigd

  op U, tot Gij mij redt.

---

*120

#5

1

  De leugenaar van den beginne,

  die geest van moord en brand

  zoekt ons te tergen, te verslinden

  o Heer, wil uw aartsvijand binden

  met sterke hand.

2

  0 Heer, stel uw gemeente veilig,

  maak ons uw koninkrijk.

  Een boze geest heeft ons ontheiligd,

  een geest van tweedracht en van twijfel -

  drijf hem toch uit.

3

  Wat Gij in liefde hebt verbonden

  slaat hij weer uit elkaar.

  Hij zaait verwarring en onvrede -

  Gij hebt het meest van hem geleden,

  maar hem weerstaan.

4

  Kwam ooit de zonde overmatig,

  tot groter overvloed?

  Kome voor allen uw genade!

  Jezus, verlos ons van het kwade

  en van de dood.

5

  Zalig de borst die U mocht voeden,

  zalig die moederschoot!

  Godzalig wie, opnieuw geboren,

  uw woord in deemoed mag aanhoren

  en het bewaart!

---

*121

#5

1

  Weest blijde nu, in 't midden van het lijden,

  verheugt u, want gij zijt niet vruchteloos!

  De Koning komt de vredesstad bevrijden

  en de woestijn zal bloeien als een roos.

2

  Jeruzalem, verheug u in de vrijheid,

  stad van de Heer, die zeer te loven is!

  Wij heffen 't hoofd omhoog, o Sion, gij zijt

  ons aller moeder, stad die boven is.

3

  Jeruzalem, de stad van de belofte,

  verwacht een nieuw bestaan van hogerhand.

  De Zoon daalt van de Vader uit de hoogte

  en maakt de aarde tot zijn vaderland.

4

  Daar zal zijn zegen zich alom verbreiden,

  in heel de wereld overvloed van brood.

  Zo zal het zijn aan 't einde van de tijden:

  de dageraad van God is rozerood.

5

  Die in uw lijden zijt terneergezeten,

  leeft  uw verlosser gretig tegemoet,

  want deze tijden zijn U toegemeten,

  maar als Hij komt, dan maakt Hij alles goed.

---

*122

#3

1

  O Jezus Christus, Zoon van God,

  geef ons het dagelijkse brood,

  geef ons de zegen van het Woord

  en het geloof, dat daarbij hoort,

  dat in ons Geest en leven zij,

  waardoor Uw naam geprezen zij!

2

  Messias, manna uit Gods hand

  en hemels koren op ons land,

  maak Gij de stenen harten mild,

  zodat de honger wordt gestild

  en wat elkeen te geven heeft

  aan allen samen leven geeft!

3

  Dan staat de tafel toebereid

  voor alle mensen wijd en zijd,

  op aarde voor ons allemaal

  een hemels heerlijk avondmaal;

  dan zal er vreugde en vrede zijn

  en God alom aanbeden zijn!

---

*123

#5

1

  Dit is het land dat de Heer belooft:

  houdt het goed voor ogen.

  Zie wat een ruimte God zij geloofd!

  waar wij wonen mogen!

2

  Een land van broden, een land van vis:

  leeftocht voor zovelen!

  Hij die uw Heer en uw Herder is

  zal zijn zegen delen.

3

  Een land van honing, een land van melk:

  God wil het u geven.

  Zie wat een zicht op toekomst voor elk

  die hier eens zal leven.

4

  Dit is het land waar zijn hand op rust:

  wijsheid groeit in woorden

  die, door de Geest in uw mond gelegd,

  nieuw worden geboren.

5

  Dit is het land dat de Heer belooft:

  open gaan uw ogen!

  Maakt u gereed - de harten omhoog! -

  en zingt opgetogen!

---

*124

#6

1

  Lof zij den Here,

  die, zijn naam ter ere,

  ons hart verheugt aan 't maal van zijn genade,

  ons moed geeft in het machtsgebied van 't kwade.

  Lof zij den Here!

2

  Gij die het smalle

  pad gaat met ons allen,

  Gij God met ons, die deelt in onze noden

  Gij breekt ons 't brood, - dit is geen weg ten dode!

  Lof zij den Here!

3

  Gij deelt Gods vrede

  hier reeds aan ons mede.

  Waar Gij ons roept te zijn in uw nabijheid,

  daar is voor ons een stad van vrede_en vrijheid.

  Lof zij den Here!

4

  Gij die uw leven

  voor ons hebt gegeven,

  o levend brood gebroken voor onze ogen,

  sterk onze moed, dat we_U gelijken mogen.

  Lof zij den Here!

5

  Laat ons, uw jongren,

  zijn bij hen die hongren,

  opdat wij niet voor nu en alle tijden,

  Christus, de weg verliezen van uw lijden.

  Lof zij den Here!

6

  Doe, Heer, ons heden

  in uw voetspoor treden

  en laat ons met U als Gods vrije zonen

  en dochters in uw stad van vrede wonen!

  Lof zij den Here!

---

*125

#3

1

  Wie zal voor God verschijnen?

  Wie gaat er voor ons uit?

  Wie raakt aan Gods geheimen

  in alle eenzaamheid?

  Het is de hogepriester

  die alles voor ons doet:

  't is onze Here Christus,

  Hij reinigt ons met bloed.

2

  De Heer is voortgevaren

  de grote tempel door

  van buiten bij de schare

  tot binnen bij Gods oor.

  Daar brengt Hij de gebeden,

  daar plengt Hij onze schuld.

  Hij won voor ons de vrede

  Hij heeft de Wet vervuld.

3

  Hoe staat het voorgeschreven

  in 't Oude Testament?

  Een dier boet met zijn leven,

  een dier dat God niet kent.

  Maar Hem, het Lam, zij ere,

  dat eeuwig is geslacht!

  Wij moeten ons bekeren,

  ons offer is gebracht.

---

*126

#7

  (ook wijs Psalm 51)

1

  O visioen van 't heiligdom omhoog,

  paleis, gebouwd uit alleroudste stralen,

  waar englen in ontzaggelijke zalen

  als kandelaren branden voor Gods oog.

  En elke voorhang is een reiner lied

  en elke trap geduchter zaligheden.

  Hoe zou een sterveling door dit gebied

  het heilige der heiligen betreden?

2

  En toch: " Zit aan mijn rechterhand, uw recht

  zal met de eeuw'ge morgen zegepralen

  en naar uw maat zal ik het al bepalen", -

  dat is tot geen der engelen gezegd.

  Het is des mensen zoon, aan wie 't gezag

  gegeven wordt, de hoogste aller namen.

  En elke wervelende vleugelslag

  der hemelkoren moet zijn macht beamen.

3

  O boze droom van helse majesteit

  waarin wij zijn ontvangen en geboren,

  oeroude nacht, gaan wij dan niet verloren

  aan schijn en schaduw, schande_en schamelheid?

  En ieder wagen is een dieper val

  en ieder winnen groter onvermogen.

  Wie uit de massa der verworp'nen zal

  menswaardig treden voor zijn scheppers ogen?

4

  De eeuw'ge zoon, Gods en der mensen slaaf!

  Hij droeg zijn lichtwoord in de nacht der tijden,

  Hem werd tot leerschool het onzinnigst lijden,

  Hij, meest geschondene, bleef waarlijk gaaf.

  Hij ging getrouw waar alles ophield voort,

  tot het tumult der cherubim Hem groette.

  Hij schreed door zaal na zaal, door poort na poort

  om met zijn leven onze dood te boeten.

5

  Laat ons vrijmoedig treden in het licht.

  Gods rechterstoel is zetel der genade.

  De grote hogepriester slaat ons gade.

  Hij pleit voor ons, en zo zijn wij gericht -

  en gerechtvaardigd, zo belijden wij

  zijn hoge waardigheid, zijn hoge orde.

  En ieder schepsel zucht, tot wij als Hij

  Gods zonen, waarlijk mensen, mogen worden.

6

  We weten wel, dat heel de schepping kermt.

  Wij zuchten zelf. Hoe zouden wij niet zuchten?

  Wij moesten voor Gods stem nog altijd vluchten,

  als Hij zich niet als vader had ontfermd.

  Omdat de zoon in 't ongenaakbaar vuur

  voor ons en al het zijnde is getreden,

  mogen wij lust en leed der creatuur

  vertalen in een kinderlijke bede.

7

  O visioen van 't hoge heiligdom,

  kristallen weerklank, hartstocht van gezangen,

  waar alle eng'len branden van verlangen,

  totdat de zoon de woorden spreekt: "Ik kom"!

  Aloude deuren oop'nen zich daar wijd

  naar vele woningen, naar koele gaarden.

  Zo wordt het nieuw Jeruzalem bereid,

  een mensenstad, een Godsstad voor de aarde.

---

*127

#7

1

  God heeft Abraham verkoren,

  maar het Woord dat tot hem sprak,

  dat de stilte onderbrak,

  is in Bethlehem geboren.

2

  Zo is het verhaal begonnen,

  want de ware Abraham

  voor hem was en n  hem kwam

  water uit zijn eigen bronnen.

3

  God heeft Abraham gevonden

  maar de roeping in zijn oor

  ging hem door de tijden voor,

  in de windselen gewonden.

4

  Alle bomen staan geworteld,

  maar de planting Abraham

  is geent op eigen stam,

  want het Woord is vlees geworden.

5

  God heeft Abraham geroepen,

  maar de stem van zijn behoud

  is gebroken op het hout

  en gewikkeld in de doeken.

6

  Want het zaad moet zijn begraven,

  zal het naar de aardse wet

  in de aarde ingebed,

  voor de hemel vruchten dragen.

7

  God heeft Abraham gezegend

  uit het Zaad van Abraham,

  en de schapen uit het Lam,

  en de bron uit zon en regen.

---

*128

#4

1

  Klim in de hoogste bomen,

  pluk alle takken kaal;

  de Koning onzer dromen

  zal naar het paasfeest komen,

  begroet Hem allemaal,

  begroet Hem allemaal.

2

  Roep uit op alle wegen,

  dat Hij in aantocht is.

  Hij brengt ons heil en zegen,

  geen vijand houdt Hem tegen,

  geen macht die sterker is. (bis)

3

  Vlag met de groene twijgen

  en maak voor Hem ruim baan!

  Wij, die naar vrede hijgen,

  wij kunnen niet meer zwijgen:

  zijn koninkrijk breekt aan! (bis)

4

  Gooi nu maar opgetogen

  de mantels op de grond:

  "Hosanna in de hoge! "

  Wij maken erebogen:

  "Gezegend Hij die komt! " (bis)

---

*129

#12

1

  O mensen, hoort wat is geschied,

  het is palmzondag, zo ge ziet,

  wanneer men God zijn vrede biedt,

  hosanna in de hoogte!

2

  De eerste dag, de laatste week,

  o luister wat de Heer toen deed,

  hoe Hij Jeruzalem inreed, -

  hosanna den Zoon van David!

3

  Gij weet, Hij had er twee gestuurd,

  die zouden vinden op zijn woord.

  Zo is het allemaal gebeurd, -

  hosanna in de hoogte!

4

  Dat dorp, daar zijn ze heengegaan,

  daar vonden zij de ezel staan,

  de ezel is hun toegestaan, -

  hosanna den Zoon van David!

5

  Hoe laag en wankel is de troon

  van deze hoge koningszoon!

  Hij houdt de schepping bij de toom,

  hosanna in de hoogte!

6

  De mensen hebben recht en slecht

  hun kleren op de grond gelegd,

  toen is uit aller mond gezegd:

  hosanna den Zoon van David!

7

  Gezegend die daar nader komt,

  uit naam van God de Vader komt,

  de boze vijand staat verstomd, -

  hosanna in de hoogte!

8

  0 ziet, de zoon van Abraham!

  0 ziet, de ezel draagt het Lam!

  Dit is de nieuwe Bileam!

  Hosanna den Zoon van David!

9

  Zij riepen: leve de profeet!

  Gij maakt U voor de dood gereed,

  de dag die nu Palmzondag heet, -

  hosanna in de hoogte!

10

  Uw statie, dat is toorn en pijn,

  er zal een kroon van doornen zijn,

  zoudt Gij daartoe geboren zijn? -

  hosanna den Zoon van David!

11

  O mensen, weet wat is geschied

  na deze zondag, na dit lied:

  God is het, die u vrede biedt! -

  hosanna in de hoogte!

12

  Rij' voort, o koning, door de tijd

  tot midden in het dodenrijk;

  dat is de grote lijdensweek, -

  hosanna den Zoon van David!

---

*130

#10

1

  Dochter Sions, hoe vol verlangen

  waart ge om als uw koning te ontvangen

  Jezus, die omzag naar uw leed!

2

  Op een ezel kwam Hij gereden,

  needrig en zachtmoedig en vol vrede,

  naar 't heilig woord van de profeet.

3

  Al uw volk juichte opgetogen,

  want daar was hij voor een ieders ogen:

  de held die grote dingen doet!

4

  Maar waar bleven hun vreugd, hun hulde?

  Onverhoeds werd wat hun hart vervulde

  tot blinde haat, die dorst naar bloed.

5

  Die geen koning naar uw behagen

  wilde zijn, hebt ge aan een kruis geslagen,

  buiten uw poort, Jeruzalem!

6

  Ach, die heden hosanna zingen

  zullen morgen, om Hem samendringen

  en krijsen: Aan het kruis met hem!

7

  Wilt dan, christenen, Hem ontvangen

  naar Hij wenst, wilt Hem in uw gezangen

  huldigen op de rechte wijs.

8

  Om als koning Hem te herkennen,

  moet ge u aan de wond're weg gewennen

  die Hij gaat naar zijn hoog paleis.

9

  Leer ons, Christus, onszelf dan wijden

  aan uw zaak en U te allen tijde

  ridderlijk volgen in de strijd.

10

  Wie U dienen als uw getrouwen,

  doe hen eens in waarheid U aanschouwen:

  koning van tijd en eeuwigheid!

---

*131

#6

1

  Een droeve stem, met druk en pijn bevangen,

  in 't midden van de vrolijke gezangen

  der schare, die van blijdschap juicht en springt

  en in 't gelijk het schoon Hosanna zingt.

2

  Gij hoort, voorwaar, uw Schepper angstig stenen,

  gij ziet hier uwen lieven Heiland wenen, -

  een zwaar verdriet benauwt zijn harte zeer,

  een tranenvloed daalt langs zijn wangen neer.

3

  Hij zocht zijn volk als een zachtmoedig koning,

  Hij komt tot hen als tot zijn eigen woning,

  Hij komt, opdat Hij hen verlossen zou,

  en nochtans maakt Hij zulk een groten rouw!

4

  Hij wist, dat zij Hem zochten te verrassen

  met listigheid, opdat zij mochten wassen

  hun handen in bet bloed van Godes Zoon,

  die tot hen komt uit 's hemels hogen troon.

5

  Gij bloedstad, die zoveel profeten doodde,

  gij stenigt hen, die u ter bruiloft noden, -

  maar zo de Heer beweent uw boze daad,

  laat ik te meer zien op mijn eigen staat.

6

  Wee hem, wiens hart blijft hard gelijk de stenen,

  waar hij zijn God en Schepper zelf ziet wenen,

  wee hem, die niet tot boete wordt geleid,

  als hij aanziet, dat Christus om hem schreit!

---

*132

#6

1

  Die rechtens God gelijk

  komt van de Vader voort,

  de Koning van zijn Rijk,

  Gods beeld en scheppend woord.

2

  Hij heeft zichzelf ontdaan

  van alle heerschappij,

  Hij kwam in ons bestaan,

  Hij werd een mens als wij.

3

  Hij werd ons aller knecht,

  zijn deemoed was zo groot.

  Hij stond voor ons terecbt,

  gehoorzaam totterdood.

4

  Maar God heeft Hem gesteld

  hoog aan zijn rechterhand.

  God heeft zijn naam gemeld

  aan hemel,,zee en land@

5

  opdat zijn macht verstaan

  al wie Hij 't aanzijn geeft,

  opdat in Jezus' naam

  zich buige al wat leeft, -

6

  opdat wij met elkaar

  God geven alle eer,

  belijdend voor elkaar

  dat Jezus is de Heer!

---

*133

#6

1

  Hij ging van stad tot stad, Hij sprak:

  "Tot u ben ik gezonden."

  Voor zieken en gewonden

  had Hij een woord, een onderdak.

2

  Refrein:

  Alles heeft Hij welgedaan;

  tot wie zou ik anders gaan?

3

  Hij gaf aan blinden het gezicht,

  de nacht heeft Hij verdreven,

  gaf doden weer het leven, -

  waar Hij voorbij ging werd het licht.

  Refrein

4

  Daags voordat Hij gestorven is,

  heeft Hij het brood genomen:

  "Hiertoe ben Ik gekomen,

  doet dit tot mijn gedachtenis."

  Refrein

5

  En al wie Jezus' naam belijdt,

  zal wonderen verrichten

  en als een lamp verlichten

  de lange gang van deze tijd.

  Refrein

6

  En wie aan zondemacht en dood

  in Jezus' naam ontkwamen,

  zij komen hier tesamen

  en eten van hetzelfde brood!

  Refrein

---

*134

#5

1

  Allen:

  Neemt Gods woord met hart en mond,

  eet en drinkt zijn nieuw verbond,

  gedenkt uw Heer totdat Hij wederkomt.

  Koor:

  Gij hebt ons toegesproken tot in de diepste nood.

  Uw lichaam werd gebroken, uw vlees is waarlijk brood.

 

  Na strofe 1 herhalen allen het refrein.

2

  Waar velen zijn gestorven, hebt Gij ons honderdvoud

  een nieuw bestaan verworven - Gij zijt ons lijfsbehoud.

3

  Gij roept ons uit de zonde, Gij maakt ons brood en wijn,

  om met elkaar verbonden opnieuw uw volk te zijn.

  Refrein Neemt Gods woord met hart en mond,

          eet en drinkt zijn nieuw verbond,

          gedenkt uw Heer totdat Hij wederkomt.

4

  O lichaam ons gegeven, o Heer van ons bestaan,

  geef dat wij van U leven en niet verloren gaan.

5

  Heer God, hier in ons midden, maak uw belofte waar;

  nu laat uw woord geschieden en schenk ons aan elkaar.

  Refrein

---

*135

#3

1

  Vannacht zal het wonder gebeuren,

  wij hebben het lam reeds geslacht,

  zijn bloed streken wij aan de deuren,

  Egypte zal huis aan huis treuren,

  maar wij gaan op reis, deze nacht,

  maar wij gaan op reis, deze nacht.

2

  Wij moeten ons brood haastig eten.

  Het is weliswaar niet goed gaar,

  maar wat hindert dat, nu wij weten

  dat de Heer ons niet heeft vergeten,

  met mantels al aan staan wij klaar,

  met mantels al aan staan wij klaar.

3

  Vannacht komen wij weer tot leven,

  en gaan in een lange stoet,

  naar 't land dat de Heer ons zal geven,

  waar geen zweep meer wordt opgeheven,

  waar wij leven in overvloed,

  waar wij leven in overvloed.

---

*136

#7

1

  Hoort, mensenbroeders die hier nu zijt:

  waarom zijt gij gekomen,

  om te waken of te dromen?

  Nu waakt en bidt om redding uit uw slavernij,

  God weet gaat u de engel van de dood voorbij.

2

  Wie voert ons weg uit het slavenhuis?

  Wie komt er ons bevrijden

  en wie doet ons uitgeleide?

  't Is God de Heer, en wat Hij doet is welgedaan:

  op droge voeten zullen wij de zee doorgaan.

3

  Heer God, wij hebben U kwaad gedaan,

  maar laat U toch verbidden,

  sla uw tent op in ons midden.

  En mochten wij genade vinden in uw oog,

  dan zult Gij ons uw glorie tonen van omhoog.

4

  "Ik spaar het volk dat Ik sparen wil.

  Gij kunt Mij niet aanschouwen,

  maar mijn woord moet gij vertrouwen.

  Ik sluit vandaag een nieuw verbond met u voorgoed:

  Ik zal mij aan u geven met mijn vlees en bloed."

5

  Wie wijst de weg naar het vaderland?

  Wie zal de wolken spreiden

  om bij dag ons te geleiden?

  Wie zal bij nacht ons voorgaan als een zuil van licht,

  die in het aarde-duister onze schreden richt?

6

  Slaat op de rotsen, - het water stroomt.

  Ziet, brood om van te leven

  uit de hemel ons gegeven!

  En komen wij behouden aan de overkant,

  een land van melk en honing wordt ons vaderland.

7

  Vader, wij hebben U nooit gezien,

  maar Jezus heeft gesproken

  en het woord voor ons gebroken.

  Die eeuwig met U samen is en met uw Geest,

  Heer God, alleen uw Zoon is onze gids geweest.

---

*137

#5

1

  Toen Jezus in zijn uur gekomen was,

  om deze wereld te verlaten,

  heeft Hij ten einde toe ons liefgehad.

  De veel geliefde Zoon van God de Vader

  wordt een slaaf die onze voeten wast,

  wordt een slaaf die onze voeten wast.

2

  Toen Jezus met zijn vrienden maaltijd hield,

  nam Hij het brood, nam Hij de beker.

  Hij heeft zijn leven aan ons uitgedeeld,

  zijn bloed voor deze wereld prijsgegeven, -

  teken van de geest die Hem bezielt. (bis)

3

  Ik ben de wijnstok, heeft Hij toen gezegd,

  gij zijt voorgoed met Mij verbonden.

  Ik ben uw waarheid en Ik ben de weg,

  Ik ben die ben, vergeving van uw zonden,

  vrede geef ik u, heeft Hij gezegd. (bis)

4

  Toen Jezus naar zijn Vader toe zou gaan,

  heeft Hij gebeden voor zijn vrienden.

  Vader, bad Hij, bewaar hen in uw naam,

  mogen zij allen een zijn in de liefde,

  dat zij doen wat ik hun heb gedaan. (bis)

5

  Toen Jezus in de hof gekomen was,

  heeft Hij in grote angst gebeden,

  - niemand was er, die Hem antwoord gaf.

  Een vriend heeft Hem verkocht en uitgeleverd,

  toen Hij in zijn uur gekomen was. (bis)

---

*138

#6

1

  Toen Jezus met de zijnen at,

  heeft Hij ten eind toe liefgehad.

  Hij nam het water, knielde neer

  en wies hun voeten als hun Heer.

  Refrein:

  Wie is rein van wandel?

  Wie kan U ontmoeten

  rein van hoofd en handen?

  Heer, was ons de voeten!

2

  "Wat doet Gij, Meester? Geeft het pas,

  dat Gij mij nu de voeten wast?"

  "Gij zult het later wel verstaan,

  wat Ik u heden heb gedaan."

  Refrein

3

  "Neen, Heer, ik laat niet toe dat Gij

  mijn voeten wast in eeuwigheid!"

  "Zou Ik het laten, zo hebt gij

  geen deel aan Mij in eeuwigheid."

  Refrein

4

  "Heer, niet alleen de voet behoeft

  dat Gij hem wast, ook hand en hoofd!"

  "Wie Ik de voeten was, zal rein

  in zijn gehele lichaam zijn."

  Refrein

5

  Hij zat weer met de zijnen aan

  en vroeg: "Hebt gij het nu verstaan,

  wat Ik, uw Meester, deed? Voorwaar,

  doet ook hetzelfde aan elkaar."

  Refrein

6

  Gij vroegt het toen, Gij vraagt het weer:

  "Meester of dienaar, wie is meer?

  Gij die Mij Heer en Meester heet,

  doet nu hetzelfde als Ik deed."

  Refrein

---

*139

#4

1

  Met Hem in ons midden die de Meester is,

  eten wij de maaltijd der verrijzenis,

  uit de zee van doden, slavernij en noden:

  ongezuurde broden der gedachtenis.

2

  Van Hem in ons midden gaat het leven uit:

  woorden om te bidden, liefde voor de bruid,

  wijsheid uit de dagen van tweemaal vijf plagen,

  't groen van welbehagen in het bitter kruid.

3

  Hij is in ons midden en ligt met ons aan,

  Hij reikt onder bidden ons de schotel aan.

  Een zal Hem verkopen, die het brood zal dopen

  in diezelfde schotel: zo wordt Hij verdaan.

4

  Hij is in ons midden, wij zijn aan zijn hart.

  In de kring van minne is de Heer benard.

  Wie zal tot zijn schade brood en wijn versmaden?

  Wie kent geen genade? Wie is zo vervaard?

---

*140

#4

1

  Gij die ver voor ons uit

  doordrong in 't land der angst,

  help ons in 't donker, o

  Heer, U te vinden.

2

  Gij die al onze schuld

  in uw vergeving draagt,

  wees onze vrede, o

  Jezus, voor eeuwig.

3

  Gij die met levensbrood

  door tijd en ruimte gaat,

  geef alle dagen, o

  Christus, dit brood ons.

4

  Gij die ver voor ons uit

  in deze wereld zijt,

  zend ons met vrede_en brood,

  Heer, tot de mensen.

---

*141

#3

1

  Nadat zij zongen, God ten lof,

  ging Hij naar de olijvenhof

  en nam de twaalven met zich mee

  tot aan de plaats Gethsemane.

  Toen zei Hij tot de negen: "Zit

  hier neer terwijl Ik ga en bid",

  maar tot de drie: "Ik word beproefd,

  mijn ziel is tot de dood bedroefd."

  Refrein:

  Heer, laat ons met U waken,

  laat ons niet van U wijken!

  Of allen U verzaken,

  wij zullen niet bezwijken!

2

  Hij ging een steenworp langs het pad,

  wierp zich ter aarde neer en bad,

  kwam weer waar Hij zijn vrienden liet,

  maar vond ze slapend van verdriet.

  "Ach, waart gij om met Mij tezaam

  een uur te waken niet bekwaam?

  Waakt, bidt, de geest is wel bereid,

  maar 't vlees is zwak en licht verleid."

  Refrein

  O laat ons met U waken,

  laat ons niet van U wijken!

  Als allen U verzaken,

  laat ons dan niet bezwijken!

3

  En nog twee malen ging Hij heen,

  sprak tot de Vader als voorheen

  en keerde tot zijn vrienden, maar

  hun oog bleef van het slapen zwaar.

  "Slaap maar en rust, want zie, die Mij

  zal overgeven is nabij.

  Wat God wil, dat is goedgedaan.

  Ik zal het doen. Kom, laat ons gaan."

  Refrein:

  Kunnen wij dan niet waken?

  Zullen wij van U wijken?

  Zullen wij U verzaken?

  Heer, laat ons niet bezwijken!

---

*142

#5

1

  Kent gij uw goede Herder?

  Hij gaat een steenworp verder,

  drie dagen voor ons uit.

  Daar lopen vele wegen;

  een is er doodgezwegen,

  die heeft Hij heel alleen bereid.

2

  Want God is onnaspeurlijk

  en bovenmate heerlijk:

  Hij wees een smalle baan, -

  een bloedspoor door de tijden.

  Zijn woord moest door de tijden

  ten dode opgeschreven staan.

3

  Het staat in oude boeken,

  dat men het Woord moet zoeken

  in doodsangst en in pijn.

  O diepgekwelde zinnen,

  o mond die wil beminnen, -

  daar moet Gods lieve Lichaam zijn.

4

  De Herder werd geslagen;

  de letters zijn als schapen

  verstrooid uiteen gegaan.

  Wij razen allerwege

  en spreken de aarde tegen:

  de duisternissen zien ons aan.

5

  Maar Jezus, onze Heiland,

  geeft ons het groene weiland

  waar wij vergaderd zijn.

  O Kruispunt van de wegen,

  o Alpha en Omega, -

  laat ons in U te lezen zijn!

---

*143

#6

1

  O Christus, onze koning,

  wat is uw rijk ons ver!

  Gezalfde, gold uw kroning

  niet voor een and're ster,

  een schone, tijdeloze,

  wij zien alleen zijn schijn;

  waarom laat Gij de Boze

  heer dezer wereld zijn?

2

  Ik wou wel voor U strijden,

  ik had mijn zwaard al klaar,

  om 't aan uw zaak te wijden

  en als een ijveraar

  uw rijk, Heer, te verhaasten,

  al was het maar een dag, -

  maar Gij wees me als mijn naaste,

  die 'k als uw vijand zag.

3

  Waarom hebt Gij uw vrienden

  zozeer teleurgesteld,

  die graag onder U dienden,

  U volgend als hun held?

  Judas heeft U verraden, -

  Christus, waart Gij het niet,

  die door uw schroom voor daden,

  Gods eigen rijk verried?

4

  Ik wil wel voor U leven,

  maar maak uw woorden waar,

  niet hemels en ontheven;

  maar aards en openbaar,

  sticht eindlijk in ons midden

  uw rijk van vrede en recht, -

  o Koning, zie wij bidden

  U om het laatst gevecht!

5

  Hoe zullen wij aanvaarden

  wat Gij ten antwoord geeft:

  geen groot geweld van zwaarden,

  geen macht die toekomst heeft,

  alleen de stille krachten

  die sluim'ren in het zaad...?

  - Is er nog tijd, te wachten,

  wat uit uw dood opstaat?!

6

  Geef, Koning, dat wij heden

  niet zoeken, hier of daar,

  uw rijk van recht en vrede

  bij een geweldenaar.

  Haast U, ons deel te geven

  aan uw zeer vreemd geduld,

  opdat uw eigen leven

  zich in uw volk vervult!

---

*144

#4

1

  In de mantel van het duister,

  in het donker van de nacht,

  onder leugens en gefluister

  wordt Hij naar zijn kruis gebracht.

  Rechters zeg mij, zeg, wie is Hij,

  heden is Hij in uw macht.

2

  Laster zal u toch niet baten,

  zwijgend spreekt Hij zijn gelijk.

  Rechters, gij meet met de maten,

  die de doem zijn van uw rijk.

  Rechters, zeg mij, zeg, wie is Hij?

  Geef van uw geweten blijk!

3

  Jezus staat voor zijn belagers,

  voor wie Hij een broeder is.

  Van hun schuld is Hij de drager,

  man van smart en droefenis.

  Rechters, zeg mij, zeg, wie is Hij,

  die zijns broeders hoeder is?

4

  Rechters, kunt gij onderscheiden

  't goede kwaad dat gij Hem doet,

  als gij oordeelt tot zijn lijden

  en blijft vragen om zijn bloed?

  In het uur van zijn verscheiden

  maakt Hij voor u 't kwade goed.

---

*145

#6

1

  Daar is een koning opgestaan

  zoals geen mens op aarde:

  die als een knecht is rondgegaan,

  een wonderlijke herder.

2

  Hij zetelt aan Gods rechterhand,

  maar Hij wies onze voeten,

  Hij wijst de wegen naar het land,

  zijn wandel zal ons hoeden.

3

  Zijn weg is, dat Hij zelf volbracht

  de wil van God zijn Vader,

  ter aarde heeft Hij overmacht

  om over ons te waken.

4

  Geen stenen geeft Hij ons voor brood,

  geen schorpioen van lijden,

  Hij was gehoorzaam tot de dood:

  het Woord is onze weide.

5

  De last die ons wordt opgelegd

  vraagt dat wij Hem geloven,

  zijn juk is, dat wij opgewekt

  schouder aan schouder lopen.

6

  Daar is een herder voorgegaan,

  die doet ons heerlijk wonen,

  zo heeft Hij alles welgedaan,

  een wonderlijke koning!

---

*146

#8

1

  Neem ter harte 't kruis des Heren,

  gij die leeft naar uw begeren,

  laat de hele wereld gaan,

  om het kruis te overdenken,

  al uw liefde het te schenken,

  want het gaat uw leven aan.

2

  Overdenk met vrees en beven,

  hoe zich Christus heeft gegeven,

  hoe het kruis uw trooster is.

  Christen, ween om Christus' lijden,

  uw verdriet is uw verblijden

  en uw dorst uw lafenis.

3

  In uw arbeid alle dagen,

  in het lot dat gij moet dragen,

  in uw vreugde en uw smart,

  in uw gaan en in uw komen,

  in uw waken en uw dromen,

  houdt het kruis steeds in uw hart.

4

  In het kruis is overwinnen,

  alle heil'gen treden binnen

  door die poort van 't paradijs.

  Waar het kruis staat opgerezen,

  wordt de wereld weer genezen

  tot des hemels lof en prijs.

5

  In het kruis is onze vrede,

  als een spiegel, waar het heden

  in voltooid wordt en verlicht.

  Hoe vertroostend, hoe volkomen

  staat het kruis in 't hart der vromen

  als een sieraad opgericht.

6

  Ja, het kruis staat opgeheven

  als een boom die blinkt van leven,

  door des Heren bloed gedrenkt.

  En zijn vrucht is drank en spijze

  in des hemels paradijzen

  voor wie God het leven schenkt.

7

  Geef, Gekruisigde, mij krachten,

  dat ik meelijd in gedachten,

  dat ik meeleef in uw nood.

  Met U draag ik pijn en wonden,

  innerlijk met U verbonden,

  o Geliefde, in de dood.

8

  Neem ter harte 't kruis des Heren,

  houd het heilig kruis in ere,

  waaraan Hij geleden heeft,

  om de vrede ons gegeven,

  om het eeuwig zalig leven

  in het licht dat God ons geeft.

---

*147

#10

1

  Jezus' kruis, zijn angst en pijn,

  't lijden van de Here,

  laat u, mens, tot lering zijn,

  zo zult gij Hem eren.

  Weet, hoe Hij geleden heeft,

  weet, hoe Hij moest sterven

  om voor u, opdat gij leeft,

  leven te verwerven.

2

  Jezus, Gods beminde zoon;

  op aarde verschenen,

  die al in zijn jeugd begon

  als een knecht te dienen,

  legde af zijn majesteit

  en verborg zijn wezen;

  als een mens in menslijkheid

  was Hij ons ten zegen.

3

  Jezus heeft zijn ambt vervuld

  voor zijn volk op aarde,

  totdat Hij om onze schuld

  moest de dood aanvaarden.

  Hij sprak met zijn jongeren,

  waste hun de voeten,

  wilde door het nachtmaal hun

  't bitter kruis verzoeten.

4

  Jezus heeft met hart en ziel

  in de hof gebeden,

  dat Hij erbij nederviel, -

  zo heeft Hij geleden;

  en tot God de Vader riep

  Hij beangst van harte,

  dat Hem langs de slapen liep

  't bloedig zweet der smarte.

5

  Jezus wist: Dit is de tijd, -

  en Hij werd gevangen

  voor de joodse raad geleid,

  tot spreken gedwongen,

  werd bespot en werd bespuwd,

  jammerlijk geslagen,

  leugens heeft men niet geschuwd

  om Hem aan te klagen.

6

  Jezus werd naar de Romein

  Pilatus gezonden,

  maar naar menslijk recht werd geen

  schuld in Hem gevonden;

  toch moest Hij de doornenkroon,

  toch het spotkleed dragen,

  lijden onder haat en hoon,

  onder geselslagen.

7

  Jezus zweeg en werd hierna

  tot de dood veroordeeld,

  droeg zijn kruis naar Golgotha,

  hing daaraan ten voorbeeld,

  hing daaraan drie uren lang

  in de felste smarten,

  bitt're edik was zijn drank, -

  neem het, mens, ter harte.

8

  Jezus, in de grootste nood,

  scheen door God verraden,

  riep: "Waarom, waarom, mijn God,

  hebt Gij mij verlaten?

  Hij is barmhartig geweest

  voor hen die Hem smaadden

  en beval op 't laatst zijn geest

  in de hand des Vaders.

9

  Jezus is de korrel graan,

  in de grond gevallen,

  want Hij stierf om op te staan,

  Hij brengt voor ons allen

  eeuwig rijke vruchten voort;

  Hij heeft ons ten leven,

  die geloven in Gods woord,

  goed en bloed gegeven.

10

  Jezus, Gij doorbreekt de grens

  die de dood ons stelde, -

  dood in ons de oude mens,

  die te lang ons kwelde;

  schenk aan ons het leven weer,

  dat we, in U herboren,

  enkel leven tot uw eer

  en God toebehoren.

---

*148

#5

1

  O Jezus, Man van Smart,

  gesmaad, bespuwd, geslagen,

  heb dank voor al wat Gij

  om ons hebt willen dragen:

  uw doornenkroon, uw kruis,

  uw ketenen, de nood

  der godverlatenheid,

  uw bitt're, bitt're dood.

2

  Ach, het is onze schuld,

  't is de uitkomst van ons falen,

  waarvoor in onze plaats

  Gij moest de tol betalen;

  ach, onze zonde heeft

  U aan het kruis gebracht, -

  o vlekloos, schuldloos lam,

  daarvoor zijt Gij geslacht.

3

  Uw strijd is ons tot heil,

  uw dood is ons tot leven,

  in uwe banden is

  de vrijheid ons gegeven,

  door uwe wonden wordt

  ons leven weer geheeld,

  uw bloed is 't losgeld voor

  wie 't leven heeft verspeeld.

4

  Maak, Jezus, nu ook ons

  bereid het kruis te dragen,

  schenk kracht ons van uw kracht,

  opdat wij niet versagen;

  uw angst kome ons te goed,

  wanneer ons angst bevangt,

  uw doodsstrijd geve_ons moed,

  wanneer Gij het verlangt.

5

  Laat door uw banden, Heer,

  ons zijn aan U gebonden,

  laat aan uw kruis toch zijn

  gekruisigd onze zonden.

  Verhoed, o Jezus, dat

  door uw kruis, angst en pijn

  uw lijden, kruis en angst

  voor ons vergeefs zou zijn.

---

*149

#4

1

  Hier zwijgt het hoge denken:

  God trad in ons gemis

  om volheid ons te schenken,

  zijn dorst bracht lafenis.

2

  Die liefhad bovenmate,

  die zich gevangen gaf,

  bevrijdt ons uit ons haten,

  breekt onze ikzucht af.

3

  Zijn zwijgen voor de rechter

  wordt nog door ons gehoord:

  voor ons het pleit beslechtend

  als zijn vrijsprekend woord.

4

  Die vol was van genade

  is onze weg gegaan,

  het spoor van onze daden

  klaagt ons niet langer aan.

---

*150

#4

1

  Gij zijt op aarde neergedaald

  tot in het diepste van het duister,

  tot waar geen zon of ster meer straalt,

  beroofd van alle glans en luister.

2

  Gij zijt het vleesgeworden woord

  dat in de wereld is gekomen,

  dat men gekend heeft noch gehoord, -

  Gij zijt geloofd noch aangenomen.

3

  Gij zijt gekomen van omhoog

  temidden van hen, die U haatten.

  Gij die men kuste en bedroog,

  Gij zijt van God en mens verlaten.

4

  Gij gaf Uzelf en alles prijs,

  opdat Gij alles ons kon geven:

  Gij opent ons het paradijs,

  Gij opent ons het eeuwig leven.

---

*151

#5

1

  Zingenderwijze wilt uw Heiland prijzen,

  nu geeft uw stem.

  Van alle tijden draagt Hij het lijden,

  nu geeft uw stem, uw woord aan Hem.

2

  Heiland verstoten, zijn bloed vergoten,

  zijn woord verstomd, -

  o Lam onschuldig, dat zwijgt geduldig,

  nooit een kwaad woord kwam uit uw mond.

3

  Eenzaam wij zwerven, nameloos wij sterven,

  ten einde raad.

  Hem die wij smaden heeft God beladen

  met onze dood, met al ons kwaad.

4

  Gods dienaar leve! Glorie zij gegeven

  aan Hem, de Heer.

  Hoog zal Hij stijgen, Gods naam verkrijgen, -

  maar Hij heeft nu niets menslijks meer.

5

  Mochten wij samen Jezus' woord beamen,

  zijn weg opgaan.

  Leidsman ten leven, zult Gij ons geven,

  nu uit de doden op te staan?

---

*152

#3

1

  Nu Gij de dood zijt ingegaan,

  zie ik uw kruis, o Christus, staan

  in 't hart der aarde: 's mensen haat

  weerstaat Gods liefde metterdaad.

2

  O Heer, ik wist niet wat ik deed,

  wist niet dat alles wat Gij leed

  om onzentwille is geweest, -

  ik weet het niet dan door Gods Geest

3

  Die heeft geroepen om uw bloed,

  een vijand Gods, - hij vond voorgoed

  zich in uw dood herboren tot

  een mens die vrede heeft met God.

---

*153

#6

1

  Straf mij in uw gramschap niet,

  God, wil naar mij horen!

  Wie Gij loon naar werken biedt,

  is voorgoed verloren.

  Ach, ik bid

  U om dit:

  dat G' om Christus' wille

  uwen toorn wilt stillen.

2

  Wie zou midden in de dood

  weten van uw zoetheid?

  Red mij, red mij uit de nood,

  toon mij, dat Gij goed zijt!

  Dan zal 'k blij,

  vrank en vrij,

  U ten jongsten dage

  lof en dank toedragen.

3

  Vader, heb met mij geduld,

  richt mij in genade.

  Ik ben zwak en ziek van schuld, -

  red mij van het kwade.

  Richt mij weer

  op, o Heer,

  balsem Gij mijn wonden,

  ach, vergeef mijn zonden.

4

  Hoe lang laat Ge mij nog zijn

  in mijzelf gevangen,

  in zwaarmoedigheid en pijn

  naar uw heil verlangen?

  Here, kom!

  Ach, waarom

  breekt Gij niet mijn kluister?

  Geef mij licht in 't duister!

5

  Wijk nu, vijand, wijk van mij:

  God heeft u weersproken.

  AI uw macht en razernij,

  Satan, is gebroken.

  Al wat gij

  tegen mij

  ooit hebt ondernomen, -

  't is van God gekomen.

6

  Lof zij God de Vader nu

  en ten laatsten dage.

  Eeuwig dank, o Zoon, aan U,

  die mijn ogen zagen.

  U zij eer,

  Geest, die teer

  mijn dood hart aanraakte

  en mij levend maakte.

---

*154

#4

1

  Geboren zijt Ge

  voor alle tijden,

  geboren uit de

  mond van God.

2

  Ons is beschoren

  van Adamswege

  allen te lijden

  aan de dood.

3

  Met ons verloren

  diep in de aarde

  hebt Gij geleden

  alle schuld.

4

  O Gij beginnend

  licht van de hemel,

  Woord van de Vader,

  wees vervuld!

---

*155

#4

1

  O Lichaam van het Woord,

  dat riep in den beginne,

  nu gaat Gij onverhoord

  de mond der aarde binnen.

2

  De lippen der natuur

  zijn achter U gesloten,

  dit is het laatste uur, -

  het eerste uur der doden.

3

  Zij gaan U tegemoet,

  Gij geeft hun taal en teken,

  Gij geeft hun vlees en bloed,

  zij mogen niet ontbreken.

4

  Gij die verzwegen zijt,

  Gij kunt het roepen horen

  van de verleden tijd

  in uw gestorven oren.

---

*156

#5

1

  O God die boven wolken troont,

  uw Woord heeft onder ons gewoond,

  Gij hebt het met uw hand gezaaid

  zo ver uw Geest en adem waait;

  van U is alle vruchtbaarheid

  van vrede en gerechtigheid.

2

  Maar al wat in de aarde viel

  moet zwijgen en het land ligt stil

  het is in duisternis gehuld

  totdat Gij U ontfermen zult:

  ontferm U over vlees en bloed

  dat naamloos is en zwijgen moet.

3

  Een vreemde bodem is de tijd

  die van uw aangezicht ons scheidt,

  maar midden in dit ballingsoord

  verscheen uw vastberaden Woord

  dat eenzaam in de aarde viel,

  omdat het volle schoven wil.

4

  O God die eigen erf bewaakt,

  die sterven doet en levend maakt,

  Gij roept ons uit de moedergrond

  en zij zal spreken mond voor mond

  van waar uw Geest en adem waait

  de namen die Gij hebt gezaaid.

5

  Uw Woord dat op de aarde kwam,

  en al het sterven op zich nam,

  dat gaat en keert niet ijdel weer,

  Hij is de eersteling, de Heer.

  Hij wenkt de maaiers aan zijn zij

  en zegt: de zomer is nabij!

---

*157

#10

1

  Heel de schepping, prijs de Heer!

  Al zijn werken, geef Hem eer!

  En gij, engelen in koor,

  zingt uw gloria ons voor.

2

  Zegen Hem, gij zon en maan,

  sterren in uw vaste baan,

  laat uw licht in volle schijn

  voor de Heer een loflied zijn.

3

  Alle wind en alle weer,

  alles wat er gaat tekeer,

  angstaanjagend in uw kracht,

  wees de weerklank van Gods macht.

4

  Licht en donker, dag en nacht,

  strenge winter, zomer zacht,

  ieder op zijn eigen tijd,

  zingt een lied de Heer gewijd.

5

  Berg en heuvel, rots en dal,

  klaterende waterval,

  geeft luidkeels de echo weer

  van de jubel tot zijn eer.

6

  Alles wat op aarde groeit,

  wat ontkiemt en wat er bloeit,

  wees een kleurig lofgedicht

  voor zijn vriend'lijk aangezicht.

7

  Vogels, vissen, wild en vee,

  dieren hoog en laag, doe mee,

  ieder met uw eigen stem,

  in het feestconcert voor Hem.

8

  En gij mensen, allen saam,

  zegent nu de hoge Naam,

  voegt u in het grote koor

  van zijn volk de eeuwen door.

9

  Want in 't dodelijke uur

  gaat Hij voor ons door het vuur

  en Hij zal ons op doen staan

  om Hem achterna te gaan.

10

  Al wat leeft, wees welgemoed,

  loof de Heer, want Hij is goed.

  Zegent Hem dan, hier en nu,

  want zijn goedheid zegent u.

---

*158

#3

1

  Met Mozes zijn wij meegegaan,

  omdat de Heer ons riep.

  Wij zijn op weg naar Kanaan,

  maar 't water is zo diep.

  En farao in onze rug,

  hij wil zijn slaven weer terug.

  Daar komen de soldaten al,

  wij zitten in de val.

2

  O Mozes, roep toch tot de Heer,

  het water is zo diep.

  Er is voor ons geen uitweg meer,

  het water is zo diep.

  Waar is 't beloofde paradijs?

  Is dit het einde van de reis

  dat wij verdrinken in de zee?

  Waarom nam jij ons mee?

3

  Maar Mozes heft zijn staf omhoog:

  al is het water diep,

  de wind steekt op, de zee wordt droog.

  En Hij, die zelf ons riep,

  Hij brengt ons naar de overkant,

  Hij leidt ons naar 't beloofde land.

  Maar farao, met heel zijn stoet

  gaat onder in de vloed.

---

*159

#6

1

  De koning van Egypteland trok

  al zijn legers saam.

  Ons lot was echter in Gods hand.

  Geprezen zij zijn Naam!

  REFREIN:

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

2

  Hun ruiters zaten hoog te paard,

  hun wagens reden snel.

  Maar hoger nog verheven is

  die streed voor Israel.

  Refrein.

3

  De aarde dreunde van geweld,

  de lucht zag zwart van stof.

  Maar met ons was de sterkste held.

  Zing, Israel, zijn lof.

  Refrein.

4

  Zijn adem baande ons een pad.

  de wind werd bondgenoot.

  De vijand echter vond zijn graf

  in 't water van de dood.

  Refrein.

5

  Voor altijd worden man en paard

  verzwegen in de vloed.

  Maar rondom is de naam vermaard

  van Hem die wond'ren doet.

  Refrein.

6

  Looft nu de Heer met snarenspel

  en heft de tamboerijn,

  want Hij verloste Israel.

  Geprezen moet Hij zijn.

  Refrein.

---

*160

#2

1

  Ik zing van de wijngaard van Die ik bemin,

  hoort wat ik u zing!

  Ik zing u het lied van zijn wijngaard, die stond

  op veilige, vruchtbare grond.

  Hij groef in die grond, deed de stenen aan kant

  en koos zich als wijnstok een edele plant.

  Hij bouwde een toren, niets dat Hij niet deed,

  Hij maakte een kuip om te persen gereed

  en wachtte de vrucht van zijn spitten en graven,

  zijn zorgen en slaven.

2

  Ik zing u het lied van de wijngaard, ik zing

  van Die ik bemin.

  Hij vraagt u: Wat kon Ik nog verder doen aan

  mijn tuin, dat Ik niet heb gedaan?

  Hij vraagt u: Wat gaf Mij de vruchtbare grond

  aan druiven te zamelen, zoet in de mond?

  Wat groeide er binnen mijn veilige muur

  dan druiven der wildernis, weinig en zuur?

  Hij vraagt u de vrucht van zijn spitten en graven,

  zijn zorgen en slaven.

---

*161

#3

1

  Dit huis dat God gevestigd heeft

  en dat van zijn genade leeft,

  dit huis van onze koning,

  waar tussen broeders in 't gericht

  duurzame vrede wordt gesticht,

  dit huis is onze woning.

  Hier zal

  niemand

  zonder troost en

  rust verpozen, -

  vol erbarmen

  spreidt de Erfgenaam zijn armen.

2

  Hier wil een enkel woord volstaan:

  de poorten zullen opengaan,

  hier wil de vrede heersen,

  en die zijn schuld niet heeft betaald

  wordt op een heerlijk feest onthaald,

  de laatsten zijn de eersten.

  Koning,

  vrolijk

  zijn uw gasten,

  alle last is

  hun ontnomen,

  want uw Knecht is aangekomen!

3

  Dit huis dat God ons heeft gebouwd

  weert alle tranen, alle rouw,

  hier is het leed geleden;

  al heugt ons op de weg zijn dood,

  Hij reikt de beker en het brood

  aan pelgrims hier beneden.

  Gastmaal,

  Pascha,

  na de uittocht

  wacht de bruiloft;

  hier wordt Jezus,

  Zoon van David, hoog geprezen.

---

*162

#5

1

  De hemel trekt te velde,

  een grote witte held.

  God zal de zege melden

  van wonder en geweld,

2

  een stormwind die de blaren,

  de grote bomen schudt.

  In zijn slagorde scharen

  wij ons in het gelid.

3

  De diepe weg door gingen

  wij in het holst der nacht.

  Nu staan wij hier en zingen,

  dat ons de zege wacht.

4

  De liederen, gebeden

  staan in de lichte lucht

  als vaandels van zijn vrede,

  de laatste vijand vlucht.

5

  Hij heeft al overwonnen,

  toen Hij verloren heeft.

  De hemel staat vol zonnen,

  het kruis ontbloeit en leeft.

---

*163

#1

1

  Geef ons genadig, Here God,

  dat wij nu gaan in vrede.

  Geen ander is aan onze zij

  een God, een schild, een licht als Gij!

  Ga zelf, o God, met ons mede.

  Amen.

---

*201

#4

1

  Dit huis, gereinigd en versierd,

  waar Gods gemeente bruiloft viert,

  staat voor de eredienst gereed,

  wij komen hier in lief en leed.

2

  Wie voor ons leefden gingen heen.

  Dit oude huis van hout en steen

  bleef staan als een gebed tot U.

  Wij bidden mee, - verhoor ons nu!

3

  In geest en waarheid bidden wij,

  dat Christus in ons midden zij.

  Hem love al wat adem heeft!

  Hem love wat op aarde leeft!

4

  En laat eendrachtig samenzijn

  op ons gebed het 'amen' zijn.

  Kom haastig, Here Jezus, kom

  en maak ons tot uw heiligdom!

---

*202

#4

1

  Niet meer op verre bergen,

  niet in een oude stad

  wilt Gij U eerbied vergen,

  of offering van schat.

  De heil'ge muren vielen,

  de bergen liggen stom.

  Wie maar gelovig knielen

  zijn in uw heiligdom.

2

  En drukt ons het alleenzijn,

  Gij roept ons toch tezaam.

  Hoe goed is het bijeenzijn,

  vergaderd in uw Naam!

  Gewis, ons lot is zeker,

  uw bondstrouw wankelt niet.

  Bij Godswoord, brood en beker

  dankt U ons innig lied.

3

  Schijnt soms uw zaak verloren

  door d' ontrouw van uw kerk,

  niets kan uw plan verstoren:

  Gij doet een machtig werk.

  't Moet alles tot U komen,

  de volken, wijd en zijd.

  Wij hebben 't weer vernomen

  uw Rijk is wereldwijd.

4

  Eens sticht, op heil'ge bergen,

  de Heer een nieuwe stad,

  die heerlijkheid gaat bergen,

  der volken rijke schat.

  Geen tempel is daarbinnen:

  Gods volk, uit alle stam,

  schaart zich, verrukt van zinnen,

  om 't glorierend Lam.

---

*203

#6

1

  Hier is de plaats waar God ons wil ontmoeten,

  waar wij met eerbied en ontzag

  zijn heiligheid begroeten de eerste dag.

2

  Hier vraagt Hij ons Hem toegewijd te wezen,

  het boek des levens op te slaan,

  zijn heilig woord te lezen

  en te verstaan.

3

  Hier mogen wij de kindren laten dopen

  en zelf weer worden als een kind

  met onze harten open

  en welgezind.

4

  Hier noodt God ons met uitgestrekte armen

  om gasten aan zijn dis te zijn

  en schenkt in zijn erbarmen

  ons brood en wijn.

5

  Hier zingen wij de zalige gezangen.

  Hij is ons zingen zeer nabij.

  Ons eeuwige verlangen

  verzadigt Hij.

6

  Hier mogen wij elkaar als mens ontmoeten

  en allen samen groot en klein

  als heiligen begroeten

  zoals wij zijn.

---

*210

#3

1

  Het koninkrijk is voor een kind dat zorg'loos speelt

  en dat zich in de wereldtijd nog niet verveelt;

  en ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk,

  die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk;

2

  De mensen willen macht en eer en voeren strijd

  en vroeg of laat ontdekken zij: 't is ijdelheid;

  maar ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk,

  die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk.

3

  Laat onbezorgd de kinderen tot Jezus gaan

  en sluit u, grote mensen, dankbaar bij hen aan;

  want ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk,

  die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk.

---

*211

#4

1

  Toen Mozes was geboren

  toen werd hij in het water gelegd.

  Zo was het van tevoren

  allang voorzegd.

  Want Noach had gevaren,

  gevaren op de vloed,

  met de dieren die waren

  wat de mensen niet waren,

  want de dieren die waren

  goed!

2

  En Israel is getrokken,

  getrokken door de wateren heen,

  want zo was er gesproken

  allang voorheen.

  Want Mozes was gevonden,

  gevonden in de Nijl,

  om de mensen hun zonden

  in de doeken gewonden,

  want de mensen verstonden

  geen heil!

3

  Naaman is genezen,

  genezen in de doodsjordaan,

  zo heeft het moeten wezen

  van toen voortaan.

  Want de Joden zijn gereinigd

  in de Rode Zee,

  alle man en alle vrouw

  en de koning in de rouw

  en ieder kind dat wou

  mocht mee!

4

  Maar Jezus staat gebogen,

  gebogen onder dopershand,

  een stem daalt uit den hoge,

  klinkt over 't land.

  Zo zal het altijd wezen

  door leven en door dood,

  als de kinderen komen

  en het water gaat stromen

  en wij worden zonen

  van God!

---

*212

#4

1

  De wereld is zo groot,

  het water is zo diep,

  zo onverbiddelijk de dood,

  als niet een stem ons riep,

2

  ons riep om op te staan,

  en dat is Jezus' stem.

  Tot wien zouden wij anders gaan?

  Wij horen toch bij Hem.

3

  De Here Jezus gaat

  met zijn beminden mee

  door al wat staat en wat vergaat

  en door de diepe zee,

4

  vanaf de moederschoot,

  het allereerst begin,

  en door de doop en door de dood

  het hele leven in.

---

*213

#3

1

  God heeft ons gegeven

  een teken van leven van onze Heer.

  Het teken van lijden dat wil ons bevrijden:

  God rekent het kwade niet meer.

2

  Aan ons die het dragen geeft God alle dagen

  een nieuw begin.

  Hij heeft ons vergeven en ons nieuwe leven

  zet Hij voor zijn koninkrijk in.

3

  God zal door de tijden dit teken verbreiden,

  de mens ten spijt.

  Zo krijgt deze aarde zijn godd'lijke waarde

  en toekomst in eeuwigheid.

---

*214

#5

1

  Jouw leven staat aan het begin,

  het heeft nog geen herinnering,

  het is zo weerloos en zo klein,

  je weet nog niet hoe het zal zijn.

  refrein:

  O Heer, bevestig ons bestaan,

  noem ons bij onze naam.

2

  Jij weet nog niet wat leven is,

  wat liefde is en wat gemis.

  Jij weet nog niet van nee en ja

  van ondergang en gloria.

  refrein

3

  Je huilt nog van verwondering,

  maar jij hoort hier, in onze kring.

  Het water wacht, die diepe zee

  geeft jou een taal, een teken mee.

  refrein

4

  Dat teken is een heilgeheim:

  God wil met jou verbonden zijn.

  Hij is nabij waar jij ook bent,

  omdat Hij je bij name kent.

  refrein

5

  Zo komt jouw leven aan het licht,

  zo krijgt het zin, zo krijgt het zicht.

  Gods adem heeft je aangeraakt

  en jou tot bondgenoot gemaakt.

  refrein

---

*215

#7

1

  O God die uit het water

  in het begin

  de aarde hebt geroepen

  de grote toekomst in:

  Refrein:

  Heer, ontferm U over ons

  en over onze kinderen.

2

  O God die uit net water,

  de grote vloed,

  een ark vol leven hebt gered

  en alles was weer goed ...

  Refrein

3

  O God die door het water,

  de Rode Zee,

  uw volk de vrije doortocht gaf,

  uw wolk trok met hen mee...

  Refrein

4

  O God die uit het water

  van de Jordaan

  de vreemdeling Naaman

  herboren op deed staan...

  Refrein

5

  O God die in het water,

  de zee verstoord,

  de dwaze vlucht'ling Jona

  bewaard hebt voor uw woord...

  Refrein

6

  O God die in het water

  van de Jordaan

  uw Zoon hebt aangewezen

  om allen voor te gaan...

  Refrein

7

  O God die in het water

  van onze doop

  wie Jezus willen volgen

  doet opstaan tot de hoop...

  Refrein

---

*216

#4

1

  Johannes doopte bij de Jordaan

  en riep: 'Je moet opnieuw beginnen,

  wie durft te verliezen die zal winnen,

  wie achter is staat straks vooraan.

2

  Hij doopte Jezus in de Jordaan.

  Zo is de Heer opnieuw begonnen

  en heeft Hij als kleinste mens gewonnen,

  de Heer gaat als een knecht vooraan.

3

  En iedereen die zo wordt gedoopt

  mag met Hem mee op weg naar morgen,

  hij hoeft er alleen maar voor te zorgen,

  niet te vergeten wat hij hoopt.

4

  Hij hoopt dat alles nieuw worden zal,

  dat al wat bang maakt zal verdwijnen

  en dat in het duister licht zal verschijnen.

  Dan is de kleinste mens in tel.

---

*217

#5

1

  Hoog in de hemelen heeft God gesproken,

  daar is mijn naam uitgezegd;

  hier op aarde, hier ben ik ontloken,

  zijn woord bracht mijn leven terecht.

2

  Niemand der mensen had mij kunnen denken,-

  heeft mij God zelf niet geplant?

  Hij wilde leven en geest aan mij schenken:

  zo ben ik het werk van zijn hand.

3

  Zaaide de Heer mij als zaad in de vore,

  nu ben ik graan in de grond;

  uit een gebaar van de Zaaier geboren,

  leef ik uit het woord van zijn mond.

4

  Woekert het kruid van het kwaad op de aarde

  en steelt zijn loof alle licht,

  dan wacht ik stil op de Heer van de gaarde,

  die komt met zijn heilig gericht.

5

  Steeds zal de zon van Gods liefde verschijnen,

  regent zijn trouw op elk blad.

  Nooit laat de Zaaier zijn zaden verkwijnen:

  Hij houdt in zijn hand mij gevat.

---

*218

#7

1

  Nu wij naad'ren tot het water

  staan ook wij voor de Zee

  die door moest laten

  wie in het diensthuis zaten

  want Gods macht ging met hen mee.

2

  Nu wij naad'ren tot het water,

  wacht ook ons de woestijn:

  veertig de jaren

  en duizend de gevaren,

  maar een God zal met ons zijn.

3

  Nu wij naad'ren tot het water,

  zien wij uit naar de wolk

  die alle dagen

  van vrezen en van vragen

  voorgaat: God geleidt zijn volk.

4

  Nu wij naad'ren tot het water,

  zien wij op naar het vuur

  dat alle nachten

  van waken en van wachten

  licht geeft in het donkerst uur.

5

  Nu wij naad'ren tot het water,

  hong'ren wij naar het brood

  dat ons verzadigt,

  het manna dat steeds klaarligt,

  wonder bij het morgenrood.

6

  Nu wij naad'ren tot het water,

  dorsten wij naar de rots

  die ons zal laven

  met alle goede gaven

  van de frisse mildheid Gods.

7

  Nu wij naad'ren tot het water,

  wacht ons op de Jordaan:

  hier liet zich dopen

  Gods Zoon en hier gaat open

  't eeuwig groene Kanaan.

---

*219

#5

1

  Water, water van de doop,

  taal en teken van de hoop:

  zie, wij komen bij u staan,

  wijs ons Gods beloften aan!

2

  Water, water van de vloed

  die de ark wel dragen moet,

  hoog staat daar de regenboog:

  God maakt heel de aarde droog!

3

  Water, water van de Nijl,

  draag het scheepje van het heil -

  biezen mandje in het riet:

  God vergeet de zijnen niet!

4

  Water, water der Jordaan,

  alle schuld is weggedaan,

  onze zonden draagt de Heer,

  zie: de duif daalt op Hem neer!

5

  Water, water van de doop,

  uit uw bron ontspringt de hoop -

  God bevrijdt en Hij geneest -

  lof zij Vader, Zoon en Geest!

---

*220

#3

1

  Nog maar nauw'lijks uitgeslapen,

  nog niet aan bestaan gewend,

  werd je zichtbaar. Zie je bent

  naar Gods eigen beeld geschapen.

2

  Kwetsbaar aan het licht gekomen

  deel je tastbaar ons bestaan,

  onze liefde. Wij verstaan

  in ons hart je diepste dromen.

3

  Onze harten kloppen samen,

  leven uit geloof, uit hoop,

  in het teken van de doop,

  teken der gemeenschap. Amen.

---

*230

#4

1

  Het woord tot ons gesproken

  keer op keer

  is brood, dat wordt gebroken

  voor menigten steeds meer.

2

  De garven zijn vergaderd

  hier en nu:

  wie arm is wordt verzadigd,

  de wereld wacht zijn uur.

3

  De weldaad ons bewezen,

  rood als bloed,

  is wijn die wordt geprezen

  de liefde wordt begroet.

4

  De liefde groeit in ranken

  tot de oogst:

  de schepping vreugdedronken

  staat op en smaakt haar troost.

---

*231

#3

1

  Eens aten de vaderen in de woestijn

  brood uit de hemel gegeven,

  toch vonden zij allen de dood.

  Wie eet van het Brood dat Gij ons wilt geven

  vindt eeuwig leven.

  Refrein:

  Brood ten leven

  levend brood.

2

  Gij komt in een wereld vol honger en pijn

  manna, gedaald uit de hemel,

  vermalen als graan in de dood.

  Gij hebt ons tot brood uw lichaam gegeven,

  uw eigen leven.

  Refrein

3

  Gebroken het brood, vergoten de wijn

  lichaam en bloed voor de wereld,

  zo leeft Gij, gewekt uit de dood,

  in voedsel en drank aan allen gegeven.

  onsterflijk leven.

  Refrein

---

*232

#5

1

  Refrein:

  Al wat er nodig is om te bestaan,

  vraag dat, vraag dat in Jezus Naam.

 

  Brood om te eten en wijn van de vreugd,

  woord om te weten, wat niemand heugt.

  Refrein

2

  Zaad om te sterven tot ons behoud

  dertig- en zestig- en honderdvoud;

  Refrein

3

  Jezus, die brood zijt van onze dis,

  leven en dood zijt, gelijkenis;

  Refrein

4

  Jezus, die zaad zijt, water en wijn,

  die woord en daad zijt, al wat wij zijn.

  Refrein

5

  Vader, wij bidden in Jezus' Naam,

  God in ons midden, houd ons tesaam.

  Refrein

---

*233

#7

1

  Het brood, het goede brood,

  dat redt ons van de dood

  en houdt ons in het leven;

  het is van God gegeven.

2

  Het brood dat God ons gaf,

  dat groeit van boven af,

  het is uit hemels koren,

  het is uit God geboren.

3

  Het dauwt in de woestijn,

  het moet wel manna zijn.

  Christus wordt ingehuldigd,

  het brood vermenigvuldigd.

4

  De ganse aarde is

  zijn koninklijke dis,

  de kleinen en de groten

  elkanders huisgenoten.

5

  Dit is Jeruzalem:

  een eeuwig Bethlehem,

  een huis van brood en zegen,

  God is ons toegenegen!

6

  En wat er overschoot

  van dit verdeelde brood

  voor ons bestaan gestorven,

  dat vulde zeven korven.

7

  O Brood, o hemels Brood,

  Gij redt ons van de dood

  met menigvuldig leven,

  de dagen alle zeven.

---

*234

#9

1

  Bij God is geen schijn of schaduw,

  geen zweem van verandering,

  sinds Hij in Mozes' dagen

  naar Kanaan toeging.

  Keervers:

  Alle goede gave en volmaakte gift

  komt van God de Vader, onbereikbaar licht.

2

  Toen deed Hij het water knielen,

  Hij liep als een vuur vooraan,

  de zee likte zijn hielen,

  de vijand kwam tot staan.

3

  Het regende brood van boven,

  maar in het beloofde land,

  daar staan de korenschoven

  als kinderen hand aan hand.

4

  En daar vloeien melk en honing

  en daar rijpt de rode wijn,

  daar kiest de grote koning

  zijn koninklijk domein.

5

  Daar heeft Hij aan ons gegeven

  Zijn Woord en dat is het brood

  voor aller mensen leven

  in alle aardse nood.

6

  Want zo heeft de Heer gesproken

  Mijn lichaam is waarlijk spijs,

  het is voor u verbroken,

  een vrucht van 't paradijs.

7

  En waarlijk om u te laven

  vergiet ik mijn bloed en ziel,

  de allervolmaaktste gave

  die uit de hemel viel.

8

  Dus daar zullen wij van zingen,

  wij zijn aan het licht gebracht

  door God als eerstelingen

  van een nieuw nageslacht!

9

  Keervers na laatste strofe:

  Alle goede gave en volmaakte gift

  komt van God de Vader, mond van alle waarheid,

  bron van levenlicht.

---

*235

#3

1

  O Vader die het daag'lijks brood

  uw kinderen wilt geven,

  geef dat wij voor die gunst zo groot

  dankbaar op aarde leven.

2

  Maar, Here Jezus, zoudt niet Gij

  het brood ten leven wezen,

  nog zou 't hier nood zijn en geschrei,

  honger niet te genezen.

3

  O Heil'ge Geest, leer Gij ons door

  Hem die zichzelf niet spaarde

  dankbaar ons brood te breken voor

  de naaste hier op aarde.

---

*236

#5

1

  Als wij weer het brood gaan breken

  dat Gij, Heer, ons geeft,

  leer ons dan met hem te delen

  die geen deel van leven heeft.

2

  Als wij van de feestwijn drinken

  die Gij, Heer, ons geeft,

  leer ons dan om te gedenken

  wie een lege beker heeft.

3

  Als wij samen in de kring staan

  om wat Gij ons geeft,

  leer ons dan om vast te houden

  wie geen hand in handen heeft.

4

  Als wij weer de lofzang zingen

  om wat Gij ons geeft,

  leer ons dan voor hem te roepen

  die geen stem meer over heeft.

5

  Als wij zo de toekomst vieren

  die Gij, Heer, ons geeft,

  leer ons dan vandaag te zorgen

  voor wie zelfs geen morgen heeft.

---

*237

#5

1

  Hij nam de Schrift, Hij las en zei:

  De Geest des Heren rust op mij.

  Hij ging zijn land wel-doende rond,

  genas de zieken die Hij vond.

  Refrein:

  Heer, ik ben onwaardig, heb U niets te geven.

  Maar uw woord is vaardig om mij te genezen.

2

  Meer dan de spijs waar gij van leeft,

  ben Ik het die u sterkte geeft.

  Voor alle mensen, recht en slecht,

  ben Ik het brood, heeft Hij gezegd.

  Refrein

3

  Hij nam het brood. En wat Hij deed?

  Dit is mijn lichaam, neemt en eet.

  Doet dit tot mijn gedachtenis

  en leeft zolang er leven is.

  Refrein

4

  Hij nam de beker met de wijn:

  Mijn bloed zal tot vergeving zijn

  van al uw kwaad en uw tekort,

  opdat gij nieuwe mensen wordt.

  Refrein

5

  Brengen wij dank van harte zeer

  daan God, door Jezus onze Heer,

  die doden opwekt om voortaan

  met Hem een nieuwe weg te gaan.

---

*238

#4

1

  Gedenken wij dankbaar de daden des Heren,

  zijn leven, zijn dood en verrijzenis;

  en dat wij oprecht ons tot Jezus bekeren,

  die onze God en leidsman ten leven is.

2

  Hoe hadden wij onze bestemming vernomen,

  was Jezus de weg niet ten einde gegaan.

  Wie zouden wij zijn, als Hij niet was gekomen

  om in zijn lichaam onze dood te doorstaan.

3

  Hoe zouden wij ooit voor elkaar kunnen leven,

  had Hij ons de liefde niet voorgeleefd,

  die tot de dood zich prijs heeft willen geven,

  die, Zoon van God, ons aller slaaf is geweest.

4

  Gij eerste der mensen, die weerloos en eenzaam

  als graan in de aarde gestorven zijt,

  Gij wordt ons brood, maak ons met U gemeenzaam,

  van harte maak tot wederdienst ons bereid.

---

*239

#2

1

  Wie zijn leven niet wil geven,

  niet wil delen met zovelen,

  met een ander,

  gaat verloren.

2

  Wie wil geven wat hij heeft,

  die zal leven, opgegeten,

  die zal weten

  dat hij leeft.

---

*240

#4

1

  Reizend naar het land van ons verlangen

  staan wij in de kring voor even stil,

  om de goede gaven te ontvangen

  die God onderweg al geven wil.

2

  Reikend naar de rijpe volle vruchten,

  die ons wachten in 't beloofde land,

  laten w' onze lege handen vullen

  met een gulle voorgift uit Gods hand.

3

  Staande in de kring van wie op reis ziJn,

  eten wij het ene levensbrood,

  wetend: waar wij nog in de woestijn zijn,

  overleven wij daarmee de dood.

4

  Reikend aan elkaar de ene beker

  vol van 't wonder van de ware wijn,

  sluiten wij de kring, al is 't voor even,

  wijzend naar wat ginds volmaakt zal zijn.

---

*241

#3

1

  Onuitputtelijke korven,

  voorraad die geen voorraad is:

  overvloed van brood en vis,

  onbetast en onbedorven.

  Jezus nodigt aan zijn dis

  wie Hem op zijn woord geloven

  en Hem uit het hart beloven

  om te delen wie er is.

2

  Neem tot spijs de vis, de broden,

  eet wat u tot manna is,

  breek het brood en deel de vis:

  God voorziet in onze noden.

  Volheid schept Hij uit gemis,

  weinig is genoeg voor velen

  die bereid zijn om te delen,

  om te delen wat er is.

3

  Land en zee om van te leven,

  scholen vis en schuren graan,

  om te delen in de naam

  van de Heer, Hij heeft gegeven

  overvloed van brood en vis,

  voorraad die Hij ons bereidde,

  opdat niemand honger lijde.

  Laat ons delen brood en vis.

---

*250

#1

1

  O Heer, die onze meester zijt,

  breng ons tot deze maaltijd samen.

  Gij hebt het goede ons bereid,

  laat ons uw goedheid niet beschamen.

  Wees met de woorden die wij spreken,

  wees met het brood in onze mond,

  dat zij ons worden tot een teken,

  waarin Gij zelve tot ons komt.

---

*251

#2

1

  Om het voedsel ons gegeven,

  om uw zorg voor heel ons leven

  willen wij U dank bewijzen,

  bidden wij, uw naam ten prijze:

  Here zegen deze spijze,

  Amen.

2

  Om het offer, om het leven

  dat zich voor ons heeft gegeven,

  doe ons, Jezus' naam ten prijze,

  eten op de rechte wijze.

  Here, zegen deze spijze.

  Amen.

---

*255

#2

1

  God laat ons volop leven,

  wij komen aan het licht,

  Hij heelt wat heilloos is,

  Hij is een God van vrede.

  Wij mogen vrolijk vieren

  een onbedreigd bestaan,

  God heeft teniet gedaan

  de afstand die wij schiepen.

2

  God roept ons tot de orde

  van zijn barmhartigheid,

  wie eenmaal is bevrijd

  zal vredestichter worden.

  Geraakt door Gods genade

  doet hij gerechtigheid,

  wetend dat wereldwijd

  het goede wint van 't kwade.

---

*256

#6

1

  Door de wereld gaat een woord

  en het drijft de mensen voort:

  'Breek uw tent op, ga op reis

  naar het land dat Ik u wijs'.

  Refrein:

  Here God wij zijn vervreemden

  door te luist'ren naar uw stem.

  Breng ons saam met uw ontheemden

  naar het nieuw Jeruzalem.

2

  Door de wereld gaat een stoet

  die de ban brak van het bloed,

  die bij wat op aarde leeft

  nu geen burgerrecht meer heeft.

  Refrein

3

  Menigeen ging zelf op pad,

  daar hij thuis geen vrede had.

  Eeuwig heimwee spoort hem aan,

  laat ook hem het woord verstaan.

  Refrein

4

  Door de wereld klinkt een lied.

  Tegen angsten en verdriet,

  tegen onrecht, tegen dwang

  richten pelgrims hun gezang.

  Refrein

5

  Velen, die de moed begaf

  blijven staan of dwalen af,

  hunk'rend naar hun oude land.

  Reisgenoten, grijpt hun hand.

  Refrein

6

  Door de wereld gaat een woord

  en het drijft de mensen voort:

  'Breek uw tent op, ga op reis

  naar het land dat Ik u wijs'.

  Refrein

---

*257

#7

1

  Samen op de aarde,

  dat beloofde land,

  God zal ons bewaren,

  want Hij houdt in stand

2

  wat Hij heeft geschapen

  met zijn hand, zijn woord.

  Hij zal niet verlaten

  wat Hem toebehoort.

3

  't Westen en het Oosten,

  voor- en nageslacht,

  om zijn Naam te troosten

  zijn zij aangebracht;

4

  om zijn Naam te prijzen

  gaf Hij zon en maan,

  wijzen en onwijzen

  gunt Hij het bestaan.

5

  Israel, Egypte,

  stem en tegenstem,

  hoogtepunt en diepte

  alles zegent Hem;

6

  want Hij zal verzoenen

  wat vijandig is,

  nieuwe namen noemen,

  voor een oud gemis;

7

  kerk en wereld samen,

  vasteland en zee,

  worden ja en amen,

  ja uit ja en nee.

---

*258

#8

1

  O Babylon, o Babylon,

  o grote wereldstad,

  daar wijkt de waarheid voor een droom

  en wordt het woord verward.

2

  Wat liefde is, geloof en hoop,

  en Wie de Geest uitzendt

  die als een vuur op aarde loopt,-

  daar is het niet bekend.

3

  Daar leest men: al het leven gaat

  in eeuwig evenwicht

  en dat ons lot geschreven staat

  in gloeiend spijkerschrift.

4

  Het lot is onveranderbaar,

  het staat onaangetast,

  almachtig en onwankelbaar

  voor alle eeuwen vast.

5

  O Babylon, o Babylon,

  o grote godenstad,

  uw toren is de grote boom

  die God verboden had,

6

  daar is de draak, de oude slang,

  gewikkeld om de schors

  en spreekt met een gespleten tong

  van eeuwigheid en dorst

7

  en doet de mens vergeten hoe

  hij op de aarde staat,

  zijn ogen naar de toekomst toe,

  waar God zich raden laat.

8

  O Babylon, gij zult vergaan,

  gij wordt verleden tijd

  die u te buiten zijt gegaan

  aan bloed en eeuwigheid.

---

*259

#12

1

  De wortel bloeit, de stam loopt uit.

  Uit Jesse's oud geslacht

  ontspringt de koninklijke spruit

  waarop de wereld wacht.

2

  De Geest des Heren rust op hem

  van wijsheid en verstand,

  de Geest die troost legt in zijn stem

  en macht legt in zijn hand.

3

  de Geest die hem in waarheid leidt,

  de vrees des Heren leert,

  zijn nederige majesteit

  met hoge gaven eert.

4

  Als een die diep bewogen is

  spreekt hij zijn richtend woord,

  niet aanziend wat voor ogen is

  of wat het oor slechts hoort.

5

  Hij staat voor de verdrukten in

  met zijn gerechtigheid,

  voor wie zachtmoedig zijn van zin,

  voor al het volk dat lijdt.

6

  Hoor hoe zijn stem de aarde slaat

  en 't grote oordeel spreekt,

  als hij omgord met recht het kwaad

  rondom in stukken breekt.

7

  O bloei uit Davids oude stam,

  o vrede overal,

  wanneer de wolf speelt met het lam,

  een kind ze weiden zal.

8

  Wanneer de koe met de berin

  in 't gras terneder ligt,

  o paradijselijk begin,

  o zalig vergezicht.

9

  De vrede die voorgoed begint

  wordt eindelijk aanschouwd,

  zie hoe in 't nest der slang een kind

  zijn kleine handje houdt.

10

  De berg van 's Heren heiligheid

  zal vol van liefde zijn,

  want niemand haat en niemand strijdt,

  en niemand lijdt meer pijn.

11

  Zoals de wateren de zee

  vervullen wijd en zijd,

  deelt zich aan heel de aarde mee

  des Heren heerlijkheid.

12

  Wanneer de wijsheid van omhoog

  het wereldrond verlicht,

  staat Jesse's stam voor ieders oog

  als teken opgericht.

---

*260

#4

1

  Voor hen die ons regeren,

  de hoofden van het land,

  bidden wij God de Here

  om ootmoed en verstand,

  dat zij bewaren hecht en recht

  al de getuigenissen,

  die ons zijn aangezegd.

2

  De sterken, die bewaken

  de wegen met hun woord:

  dat zij ook zullen dragen

  de zwakken in de poort!

  Want hoofd en lichaam zijn in pijn

  en niemand wordt behouden,

  als die verlaten zijn!

3

  Wij bidden ook om vrede,

  de aftocht van geweld:

  Heer,- dat wij niet vergeten,

  hoe Gij de namen telt!

  Bewaar het land voor overmoed

  en voor het blinde razen,

  de stemmen van het bloed!

4

  O God, - Gij moet regeren

  tegen het onverstand;

  wij dienen vele heren

  tot schade van het land.

  Gij zijt genade! Uw bevel

  doet leven en vergeven,

  o Zoon van Israel.

---

*261

#6

1

  Ach Heer, geef vrede aan het land,

  maak ons het moorden moe,

  neem Gij ons leven weer ter hand,

  de twisten nemen toe.

2

  De vogels vluchten voor 't geweld,

  uw kudde is verstrooid;

  dat angstig blaten op het veld:

  hoort Gij die schapen nooit?

3

  Gij voert toch liefde in uw schild,

  uw vuur is tederheid,

  uw overmacht is, dat Gij wilt

  blussen de broedernijd.

4

  Gij zelf hebt in uw eigen stad

  de poort des doods gezien,

  die brede scheur, die bres van haat:

  Gij zelf staat voor ons in!

5

  Zo kom dan tot ons, stel niet uit,

  kom tot Jeruzalem,

  uw huis, uw wijngaard en uw bruid:

  zij kent geen and're stem.

6

  Laat haar geen hoge vesting zijn,,

  geen ongastvrije muur,

  maar pelgrimsoord, waar vensters zijn,

  zolang uw toekomst duurt!

---

*262

#4

1

  Scheur toch de wolken weg en kom.

  Breek door de blinde muur en kom.

  Doodsnacht regeert ons her en der.

  De tijd is vol, uw Naam is ver.

2

  Een vloed van tranen komt tot U.

  Bloed uit de aarde roept tot U.

  AI uw verworpen kind'ren staan

  op uit hun graf en zien U aan.

3

  Mocht het toch waar zijn dat Gij hoort.

  Dat niet vergeefs dit mensenwoord,

  o God sinds mensenheugenis,

  dat niet vergeefs dit lijden is.

4

  Mochten wij zien dat Gij bevrijdt,

  dat Gij geen god van doden zijt.

  Breek door de blinde muur en kom.

  Scheur toch de wolken weg en kom.

---

*263

#3

1

  Wij die met eigen ogen

  de aarde zien verscheurd

  maar blind en onmeedogend

  ontkennen wat gebeurt:

  dat oorlog is geboden

  en vrede niet mag zijn,

  dat mensen mensen doden

  dat wij die mensen zijn.

2

  Wij die nog mogen leven

  van hoop en vrees vervuld,

  aan machten prijsgegeven

  aan meer dan eigen schuld,

  wij die god weet hoe verder

  tot hiertoe zijn gespaard,

  dat wij toch nooit erkennen

  het recht van vuur en zwaard.

3

  Dat wij toch niet vergeten

  waartoe wij zijn gemaakt,

  dat diep in ons geweten

  opnieuw het licht ontwaakt,

  dat in ons wordt herschapen

  de geest die overleeft,

  dat onze lieve aarde

  nog kans op redding heeft.

---

*264

#4

1

  Hoe zal het hier ooit vrede zijn,

  zoals wij vrede wensen?

  Uw aarde is toch veel te klein

  voor mensen als wij mensen:

  elk vechtend voor zijn grondgebied

  -vasthoudend, maar 't behoort ons niet -

  tot over d' eigen grenzen.

2

  Gij die de Heer zijt van 't bestaan,

  Almogende, - de sterken

  die ons verschrikken met hun waan,

  doen niets dan onze werken:

  de aarde is hun veel te klein,

  zij twisten om het mijn en dijn

  tot buiten 's werelds perken.

3

  Hoe lang nog, ach hoe lang nog, Heer,

  duldt Gij, dat z' ons verdrukken,

  hoe lang nog, dat wij telkens weer

  eerbiedig voor hen bukken,

  dat elk van ons vertrouwen stelt

  in macht en kracht, in goed en geld?

  Breek onze trots aan stukken!

4

  Bekeer ons, Here God, tot Hem

  die niets voor zich bewaarde,

  tot Hem die in Jeruzalem

  't koningschap zal aanvaarden

  en heersen met wie bij Hem hoort,

  opdat het eind'lijk naar uw woord

  vrede zal zijn op aarde.

---

*265

#5

1

  Een stad van vrede zoeken wij,

  een stad ver weg, een stad dichtbij,

  een stad waar woorden wonen,

  woorden die waar zijn en oprecht

  voor man en vrouw, voor heer en knecht,

  voor dochters en voor zonen.

  Refrein:

  Glorie glanst in vredes naam

  voor wie in Gods licht wil staan.

2

  Een volk van vrede zoeken wij,

  een volk ver weg, een volk dichtbij,

  van her en der gekomen,

  gekomen op het Woord van God

  van oost en west naar zijn gebod:

  zo hebben wij vernomen.

  Refrein

3

  Een lied van vrede zingen wij,

  een lied voor u, een lied voor mij,

  een lied om uit te zingen

  dat HIJ - gezegend zij zijn naam! -

  voor alle mensen heeft gedaan

  zo vele goede dingen.

  Refrein

4

  Een mens van vrede zoeken wij,

  een mens als God. Wie is als HIJ ? -

  De hemel kiest het kleine,

  waaruit de naam des HEREN groeit

  en vrede op de aarde bloeit.

  HIJ brengt ons in het reine.

  Refrein

5

  Het rijk van vrede maakt ons vrij.

  De Zoon van God voert heerschappij,

  zal duisternis verlichten.

  Gods rijk komt met gerechtigheid

  van nu aan tot in eeuwigheid. -

  De machten moeten zwichten!

  Refrein

---

*266

#3

1

  God, schenk ons de kracht

  dicht bij U te blijven,

  dan zal ons geen macht

  uit elkander drijven.

  Zijn wij in U een,

  samen op uw wegen

  dan wordt ons tot zegen

  lachen en geween.

2

  Niemand kan alleen,

  Heer, uw zegen dragen;

  zegen drijft ons heen

  naar wie vrede vragen.

  Wat Gij schenkt wordt meer

  naar gelang wij delen,

  horen, helpen, helen, -

  vruchtbaar in de Heer.

3

  Vrede, vrede laat

  Gij in onze handen,

  dat wij die als zaad

  dragen door de landen,

  zaaiend dag aan dag,

  zaaiend in den brede,

  totdat in uw vrede

  ons hart rusten mag.

---

*267

#4

1

  Gij die de wereld hebt gemaakt

  en alles hebt gegrond

  die mensen in het leven riep

  met adem uit Uw mond: geef vrede, Heer.

  Refrein:

  Geef vrede, Heer, de wereld wacht,

  een woord vol hoop en levenskracht.

2

  Gij die de mensen hebt gezien

  en onze broedermoord,

  maar die ons nieuwe adem geeft

  een vredelievend woord, geef nieuwe hoop.

  Refrein

3

  Gij die het leven hebt gewild

  en niet ons aller dood,.

  laat ons de weg naar vrede zien

  in het gebroken brood: geef levenskracht.

  Refrein

4

  Gij die een mens gezonden hebt

  die alleman bemint,

  schenk ons zijn geest van vrede, Heer

  en maak een nieuw begin: de wereld wacht.

  Refrein

---

*268

#5

1

  Houden van mensen

  is rijk zijn in nood

  elkander geven

  het dagelijks brood.

2

  Houden van mensen:

  bevrijdend geheim,

  om voor een ander

  een woonplaats te zijn.

3

  Houden van mensen

  is warmte en licht:

  elkander tonen

  je ware gezicht.

4

  Houden van mensen

  is spelenderwijs

  aarde herscheppen

  tot nieuw paradijs.

5

  Houden van mensen

  zoals Hij het deed

  die met ons deelde

  ons lief en ons leed.

---

*269

#4

1

  Refrein:

  Wanneer zal uw dag van bevrijding komen:

  het einde der dromen, de zevende dag?

 

  Dat mensen op aarde geen heersers zijn:

  elkaar bewaren om vrij te zijn

  zo dat het geen droom is?

  Refrein

2

  Dat armen en rijken geen vreemden zijn:

  elkaar bereiken  om vrij te zijn

  zo dat het geen droom is?

  Refrein

3

  Dat doodslag en woede verdwenen zijn

  en mensen hoeders van vrede zijn

  zo dat het geen droom is?

  Refrein

4

  Dat recht en genade geboren zijn

  en mensen dragers van toekomst zijn

  zo dat het geen droom is?

  Refrein

---

*270

#3

1

  Jeruzalem, zo zegt de Heer,

  wanneer Ik in uw midden woon,

  als Koning zit, hoop op mijn troon,

  als Ik tot Sion wederkeer,

  dan wordt, o stad, uw naam genoemd

  en hemelhoog uw trouw geroemd,

  Sion wordt dan alom geprezen,

  omdat de Heer zijn heiligheid

  op deze berg heeft uitgespreid -

  hier zal Hij God en Koning wezen!

2

  Dan zitten weer bijeengeschaard

  mannen en vrouwen langs de kant,

  krukken en stokken in de hand,

  ouden van dagen, hoogbejaard.

  Rondom zien zij Gods heerschappij:

  de kinderen, weer vrij en blij,

  jongens en meisjes, allerwegen,

  die spelen daar, verrukt van vreugd

  en lachen luid - Gods lieve jeugd

  heeft hier de toekomst weergekregen.

3

  Al is dat voor wie dan nog leeft

  een wonder, ondoorgrondelijk,

  voor God is niets te wonderlijk.

  Dit is wat Hij gesproken heeft:

  Ik breng voorgoed mijn volk naar huis,

  in Sion is het waarlijk thuis;

  op recht en trouw bouw Ik uw woning,

  o volk, Ik breng van oost en west

  u thuis, - dat is het allerbest.

  Jeruzalem, daar woont uw Koning!

---

*271

#3

1

  Hoger dan men ooit bergen zag

  rijst Sion op de jongste dag;

  hoort wat er gaat gebeuren!

  Het huis des Heren, hemelhoog,

  verheft zich dan voor ieders oog,

  wijd open gaan de deuren.

  Dan hoort men overal de stem:

  Komt, gaat nu naar Jeruzalem,

  beklimt de berg des Heren.

  God zelf wijst ons de wegen aan;

  de paden die wij moeten gaan

  zal Hij ons allen leren.

2

  De volken voor Gods aangezicht

  verstommen dan in dat gericht,

  God zal zijn stem verheffen.

  Dan zal de strijd gestreden zijn;

  geen angst, geen honger en geen pijn

  zal dan nog mensen treffen.

  Gods vrede daalt op aarde neer

  om ieder zwaard en elke speer

  tot ploegen om te smeden.

  De oorlog wordt niet meer geleerd,

  de haat die volkeren verteert

  behoort tot het verleden.

3

  Vervuld is dan de oude droom,

  als ieder onder eigen boom

  in vrede zal verkeren.

  De vijgeboom zal bloeien gaan,

  de wijnstok weer vol vruchten staan -

  zo spreekt de Heer der heren.

  De volkeren, zij dwalen voort;

  hun god, die naar hun stem niet hoort,

  bevrijdt en redt hen nimmer.

  Laat ons dan wandelen met God,

  een lamp, een licht is zijn gebod

  voor altoos en voor immer.

---

*301

#6

1

  Zal er ooit een dag van vrede,

  zal er ooit bevrijding zijn

  voor een volk dat zonder reden

  levenslang op weg moet zijn?

2

  Zal er ooit een blijvend heden

  vol van goede vrede zijn

  waar geen pijn meer wordt geleden:

  levenslang gebroken zijn.

3

  Zie de takken aan de bomen

  waar het jonge groen ontluikt

  tot een stralend nieuwe zomer

  waar de vredesbloesem ruikt.

4

  Zie de sterren aan de hemel

  waar het duister van de nacht

  door hun schijnsel wordt verdreven

  tot een nieuwe dag die lacht.

5

  Zoals bomen mensen tonen

  dat er kracht tot groeien is

  zal de zoon der mensen komen

  die de boom des levens is.

6

  Zoals sterren mensen melden

  dat geen nacht te donker is

  zal een kind ons komen redden

  dat het licht der wereld is.

---

*302

#6

1

  Allen:

  Wat heeft Maria ons bewaard,

  van toen Hij werd ontvangen?

  Solo

  "Toen heeft mij God geopenbaard:

  De maagd wordt zwanger en zij baart.

  Dit heb ik in mijn hart bewaard:

  van zijn Woord werd ik zwanger".

2

  Allen:

  Wat van toen zij uit Nazareth

  zicb naar Judea spoedde?

  Solo:

  "Hoe juichte toen Elisabeth:

  Gezegend zijt gij, vrouwe, met

  uw vrucbt! O waaraan dank ik het,

  dat komt mijns Heren moeder!"

3

  Allen:

  Wat heeft Maria ons verteld

  van toen Hij was geboren?

  Solo

  "De herders lieten in bet veld

  hun wacbt, zij kwamen toegesneld

  en hebben 't hemels lied gemeld

  dat voortzong in bun oren."

4

  Allen:

  Wat van toen Simeon Hem dicht

  heeft aan zijn hart gehouden?

  Solo:

  "Gij laat, Heer, naar Uw woord Uw knecht

  in vrede gaan, nu bij Uw licht

  voor aller volken aangezicht,

  Uw heerlijkheid aanschouwde!"-

5

  Allen:

  En wat verhaalde zij ons nog

  van toen Hij kind was later?

  Solo:

  'Toen wij Hem misten op de tocbt,

  vroeg Hij: Wat hebt gij Mij gezocht?

  Want Ik moest doen, gij wist dat toch,

  de dingen van mijn Vader. "

6

  Allen:

  Wie heeft van zo nabij gehoord,

  wat God sprak tot de aarde?

  Solo:

  Maria, moeder van het woord,

  spreekt ook in onze oren door

  wat zij van God ontving in 't oor

  en in haar hart bewaarde.

---

*303

#4

1

  Als die koning zal verschijnen,

  als hij komt met groot gezag,

  worden wij voorgoed de zijnen,

  niet meer kinderen van de nacht:

  mensen van een nieuwe morgen,

  van een nieuwe dageraad

  die ons nu nog blijft verborgen

  door een horizon van haat.

2

  Want een teken is gerezen

  en dat heet gerechtigheid.

  Wie de nieuwe taal kan lezen

  leest: ik kom, houd u gereed!

  Wie de nieuwe zon wil groeten

  die al aan de einder staat

  moet zich blindelings verzoenen:

  wie wil winnen is te laat.

3

  Vrede zal de aarde kleuren

  groen en rood en levend goud

  als het gras en als het koren,

  als de zon die ons behoudt,

  die niet dalen zal en doven

  tot een onverschillig zwart

  zolang iemand blijft geloven

  met zijn bloed en met zijn hart.

4

  Liefde zal het leven heten

  en de tijd is niet meer boos,

  angst en argwaan zijn vergeten,

  al wat leeft leeft argeloos,

  aller ogen staan als sterren

  aan de hemel van die dag.

  Wie zal hem de weg versperren

  als hij komt? Hij komt vannacht.

---

*304

#11

1

  Cantorij:

  Heden zult gij zijn glorie aanschouwen

  hier is uw God.

2

  Allen:

  Heden is onze Heiland geboren, Christus de Heer.

3

  Cantorij:

  God heeft gesproken: Gij zijt mijn zoon,

  Ik heb u heden voortgebracht,

  koning zijt gij op de dag van uw geboorte.

4

  Allen:

  Heden zult gij het licht aanschouwen; hier is uw God.

5

  Cantorij:

  Heden is onze heiland geboren

  Christus de Heer.

6

  Licht van licht, uit de mensen genomen,

  kind ons geboren, zoon ons gegeven.

  Hij zal genoemd worden: vrede op aarde.

7

  Vrede op aarde voor alle mensen

  ere zij God.

8

  Allen:

  Heden is onze heiland geboren

  Christus de Heer.

9

  Cantorij:

  Zoals de zeebodem bedekt is met water

  zo zal de aarde met vrede bedekt zijn.

  Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt.

10

  Wij verkondigen u vol vreugde:

  hier is uw God.

11

  Allen:

  Heden is onze heiland geboren

  Christus de Heer.

---

*305

#5

1

  In den beginne was het woord.

  God, die van eeuwigheid bestond,

  stond op en opende zijn mond,

  zijn stem wordt tot vandaag gehoord.

2

  In den beginne was het woord,

  dat alles wat op aarde leeft

  met sterke stem geschapen heeft,

  waar alle ding aan toebehoort.

3

  In den beginne was het woord.

  Het liep uit het volmaakte licht

  dat glansde om Gods aangezicht,

  het heeft de duisternis doorboord.

4

  In den beginne was het woord,

  dat voor de mensen leven is

  en liefelijke lafenis

  die binnenin het hart bekoort.

5

  Het woord dat vlees geworden is,

  het groot en goddelijk begin

  dat loopt tussen de mensen in,

  dat overwint de duisternis.

---

*306

#3

1

  Heer van leven en van dood,

  om uw komst in onze nood,

  in de kommer van ons lijf,

  in ons schuldig wanbedrijf,

  om uw stem ons tegemoet,

  stamelen wij, wees gegroet.

2

  Bron van liefde en geluk,

  om uw komst in onze druk,

  in de chaos van de tijd,

  in de nacht van ons beleid,

  om uw lach ons tegemoet,

  stamelen wij: wees gegroet.

3

  Mens van vrede en van recht,

  om uw komst zoals voorzegd,

  om uw wandel naar Gods wil,

  om uw Rijk, zo sterk en stil,

  dat ons drijft U tegemoet,

  stamelen wij: wees gegroet.

---

*307

#4

1

  Waren wij niet geboren,

  hadden wij nooit het licht ervaren,

  dan zou alles anders zijn,

  heel de wereld valse schijn?

  Het geheim van ons bestaan

  ligt verborgen in een naam.

2

  Kozen wij niet het leven

  vol van de hoop op 't wereldwonder?

  Grepen wij de kans niet aan

  op een onvervalst bestaan?

  Elke mens die ademt is

  levende geschiedenis.

3

  Niemand die wordt geboren

  gaat aan het leven zelf ten onder.

  Onze schuld en onze spijt

  horen bij de werklijkheid.

  leder gaat met kwaad en goed

  zijn bestemming tegemoet.

4

  Vrede! Nu is gekomen

  't kind dat de aarde nieuw zal maken.

  Een is er die eeuwig leeft

  en zijn Zoon gegeven heeft.

  Jezus Christus is zijn naam.

  Hij, de Heer van ons bestaan.

---

*308

#4

1

  God komt op aarde en jij bent het teken;

  ons was de medemens niet meer genoeg.

 

  Refrein:

  Kind in de kribbe, wij hebben geen woorden;

  Kind van God, daarom gezongen dit lied.

2

  Weet je wat jou staat te wachten op aarde;

  in deze wereld van angst en van pijn?

  Refrein

3

  Kind van de hoop, je wilt ons laten weten

  dat God ons ziet; ons lot trekt Hij Zich aan.

  Refrein

4

  Help ons elkaar weer als mens te aanvaarden.

  Christus, Gods Zoon, geef ons leven weer zin!

  Refrein

---

*309

#4

1

  Een engel heeft het zelf gezegd:

  blijf zorgen voor je bruid.

  En Jozef heeft zich neergelegd

  bij 't goddelijk besluit.

  Ja, Jozef heeft het graag gedaan

  en is naar Bethlehem gegaan.

  Maria reed op de ezel mee

  en hoopte op een legerstee.

2

  Een legerstee was nergens meer,

  er was alleen een stal.

  Daar kwam het kindje, onze Heer

  die ons verlossen zal.

  En Jozef dacht aan de eerste nood,

  hij ging om melk, hij ging om brood.

  Maria weende blij en moe

  en Jozef dekte 't kindje toe.

3

  De wijzen waren weggegaan.

  Toen, in de droom bij nacht,

  sprak de engel Jozef nogmaals aan:

  ontvlucht Herodes' macht.

  Naar 't land Egypte ging de reis

  en Jozef dacht aan drank en spijs.

  Maria reed op de ezel weer

  en zorgde voor de lieve Heer.

4

  O Jozef, beste timmerman,

  de Heer vergeet je niet.

  Je gaat, de engel weet ervan,

  als alles is geschied,

  ons voor naar het beloofde rijk

  om met Maria tegelijk

  te staan voor Jezus als Hij zegt:

  wel u, gij vaderlijke knecht.

---

*310

#4

1

  De winter is vergangen,

  de aarde rekt zich uit,

  zij wacht reeds met verlangen

  de volheid van de tijd,

  want daar staat Hij gerezen,

  de grote Bruidegom,

  Zijn naam zal zijn geprezen

  al zij 't als in een droom.

2

  Hij staat er ons ten goede

  in deze slechte tijd,

  wij moeten Hem begroeten,

  Zon der gerechtigheid;

  wij moeten Hem aanbidden,

  Zoon Gods en evenknie,

  zoals Hij staat temidden

  van wet en profetie.

3

  De bergen zullen dragen

  vrede en zaligheid,

  wanneer Gij op komt dagen

  die Zoon van David zijt,

  o laatste Zoon van Adam,

  en eerste Zoon van God,

  die door zijn Levensadem

  zal opstaan uit de dood.

4

  Dit lage mensenleven,

  vernederd en veracht,

  hoog zal het zijn verheven;

  looft God uit alle macht!

  De schepping vol verlangen

  reikhalst en rekt zich uit;

  de winter is vergangen,

  Gods mare wordt verbreid.

---

*311

#10

1

  Palmzondag

  Het lastdier van de vrede draagt mijn Heer,

  Gods knecht ten voeten uit rijdt hij ons binnen.

  Zal nu de aangename tijd beginnen

  en neemt voorgoed de vijandschap een keer?

2

  Stille Week

  De eigenmacht van mensen is nog groot,

  het lijfsbehoud verblindt ons aller ogen.

  Dat hier Gods weg gegaan wordt blijft verborgen

  en loopt gehoorzaamheid aan Hem dan dood?

3

  Door deze dagen heen voert ons de weg

  van Hem, die toont hoe vrede bloeit uit lijden.

  Waar rondom Hem verraad en leugen strijden

  wordt Hij ons als de waarheid aangezegd.

4

  Witte Donderdag

  Hoe leren wij ontvangen uit zijn hand

  wanneer wij tastend nemen om te delen

  en eten van het brood, dat ons kan helen,

  de beker drinken, vol tot aan de rand.

5

  Te kostbaar in Gods ogen is zijn bloed.

  Hij maakte het tot drager van het leven.

  Wij mogen hoopvol ons op weg begeven

  totdat Hij komt als koning. Wees gegroet!

6

  Goede Vrijdag

  Gestorven is er nu aan alle macht,

  en onze pijn, die wij door 't leven dragen.

  Waar wij elkaar mee blijven overvragen,

  is door Hem afgebroken en volbracht.

7

  Stille Zaterdag

  In ademloze stilte stokt de tijd.

  De zon verbergt zich, wachtend op een teken.

  Zal Hij de koude kerkers openbreken,

  de dood beroven van zijn liefste buit?

8

  Paasnacht

  Ons dwalen in de dood is nu gestuit!

  Nog zoeken wij er, zonder goed te weten

  hoe wij de levenswoorden zijn vergeten

  waarmee God de verlorenheid ontsluit.

9

  God blaast zijn Geest door onze doodsvallei

  en roept: Jij mensenkind, sta op je voeten!

  Verrezen zal de Heer ons komen groeten.

  De Schriften zijn vervuld, de weg is vrij!

10

  Herboren nu, als kind'ren van het licht

  zijn wij met Hem begraven en verrezen.

  Gods trouw is nu voor altijd af te lezen

  aan Hem, die hier een nieuwe schepping sticht.

---

*312

#3

1

  Die onze nood is ingegaan,

  de pijn van doodalleen te staan,

  opdat Hij ons zal vinden,

  is als de Helende gekeerd,

  Een die de schatten Gods beheert

  en deelt met zijn beminden.

2

  Die onze nood is ingegaan,

  de diepte in bij God vandaan,

  opdat Hij ons zou vinden,

  is uitgetogen, Jezus leeft

  en wie geen deel van leven heeft

  herleeft als Zijn beminde.

3

  Laat ons nu Hem ten dienste staan

  daar waar Hij wacht: Hij roept ons aan

  in wie geen helper vinden;

  want wie bevrijd is, die bevrijdt

  tot iedereen is uitgeleid,

  een volk van koningskind'ren.

---

*313

#3

1

  Stil ligt de tuin rondom het witte graf

  waar zich de Heer voor ons verloren gaf,

  vrouwen en vrienden gaan rouwend in het zwart.

  Zwaar als een steen weegt droefheid op hun hart.

  Hoop is vervlogen en vriendschap weggevlucht.

  Alles wat leeft, ja heel de schepping zucht.

2

  Drie dagen is zijn stem niet meer gehoord.

  Ademloos wacht de wereld op het woord.

  Waar is de God die hemel en aarde schiep:

  Waar is zijn Zoon die ons bij name riep:

  Waarom verlaat Hij nu wat zijn hand begon?

  Duisternis overmant het licht der zon.

3

  Eeuwige, uw gerechtigheid is groot.

  Wek uw Gezalfde, wek Hem uit de dood.

  Mogen wij hopen dat bij de dageraad

  wij Hem herkennen als Hij voor ons staat:

  Wordt dan uw hemelse vrederijk gesticht

  hier op de aarde in het morgenlicht:

---

*314

#4

1

  De morgen der herschepping gloort.

  Het dodenrijk ontsluit zijn poort.

  De Zoon des mensen treedt aan 't licht.

  Nu is de oude slang gezwicht.

2

  De graftuin wordt een paradijs,

  waar, naar sinds lang verstoorde wijs,

  God zelf de creatuur ontmoet,

  als was het op gelijke voet.

3

  De kring van bloeien en vergaan

  zal niet in eeuwigheid bestaan.

  De aarde is geen draak die blind

  wat zij gebaard heeft weer verslindt.

4

  De nieuwe Adam neemt het woord

  en iedereen die bij Hem hoort

  die noemt Hij met een nieuwe naam.

  Zo brengt Hij aarde en hemel saam.

---

*315

#18

1

  Wij loven U met man en macht,

  o God van Abrahams geslacht,

  uw Naam zij alle roem gebracht

  in eeuwigheid.

2

  Gij zetelt in uw heiligdom

  op cherubijnen in triomf,

  de diepten prijzen U alleen

  in eeuwigheid.

3

  Geloofd Gij op uw troon van vuur,

  waar Gij Uw koninkrijk bestuurt.

  Het wankelt niet, Gij rekt zijn duur

  in eeuwigheid.

4

  Gij werken door de Heer gemaakt,

  looft Hem, gij engelen die waakt,

  loof Hem, gij hemeldak dat blaakt

  in eeuwigheid.

5

  De waterbogen bovenaan,

  de sterren en gij zon en maan:

  beschrijft Hem in uw hoofse baan

  in eeuwigheid.

6

  Daar stijgen druppels uit de zee,

  regen en dauw, gij trilt gedwee

  en zingt met alle winden mee

  in eeuwigheid.

7

  Gij wilde vlagen van het weer,

  met al uw luimen op en neer,

  zomer en winter, juicht de Heer

  in eeuwigheid.

8

  De rijm die 's nachts de aarde dekt,

  het licht dat onze dagen wekt,

  prijst God, die alle tijd voltrekt

  in eeuwigheid.

9

  De kou maakt klein en ingekeerd,

  Gods majesteit wordt ons geleerd

  door ijs en sneeuw, Hij zij geeerd

  in eeuwigheid.

10

  Davert de donder door de lucht,

  zweepslagen op de wolkenrug,

  het onweer roemt de Heer geducht

  in eeuwigheid.

11

  De aarde glooit, een golvend lied

  stijgt boven 't hoogste berggebied,

  de kleinste bloem vergeet Hem niet

  in eeuwigheid.

12

  Fonteinen heffen hymnen aan,

  de zeeen, de rivieren gaan in koor,

  gestuwd door Liwjathan

  in eeuwigheid.

13

  De vogels zijn steeds hoog van toon,

  het vee beneden is wat loom,

  maar loeit en blaat gepast en vroom

  in eeuwigheid.

14

  Mensen, looft God, leeft van de wind,

  weest niet bezorgd, weest welgezind

  en zingt met Israel, Gods kind

  in eeuwigheid.

15

  Gij priesters in het heilig huis,

  gij knechten van de offerspijs

  die voorgaat: houdt de goede wijs

  in eeuwigheid.

16

  Gij zielen die aan God behaagt

  of die de boze eeuw verdraagt:

  Looft God, die trouw en ootmoed vraagt

  in eeuwigheid.

17

  En wij gedrieen in het vuur,

  de hel was bij ons in dit uur.

  Aanbidt de Heer; zijn bijstand duurt

  in eeuwigheid.

18

  Hij heeft ons uit de dood geleid,

  de God der goden wint het pleit.

  Looft Hem in zijn weldadigheid

  in eeuwigheid.

 

  Amen.

---

*316

#3

1

  De eerste dag der week,

  de wereld is begonnen.

  De baaierd raakt van streek,

  de hemel staat vol zonnen.

  Wat ons het oog bericht

  staat in ons hart te lezen.

  Wij zien het levenslicht,

  nu Christus is verrezen.

2

  Het water van de vloed

  stond ons al aan de lippen,

  het wrakhout van de moed

  brak krakend op de klippen,

  toen steeg de vogel hoop

  op vleugels hooggeprezen;

  wij vieren onze doop

  nu Christus is verrezen.

3

  Wij delen brood en wijn.

  Al waren onze zonden

  zo rood als karmozijn

  ons beeld blijft ongeschonden

  Het graf, de moederschoot

  zal niet het einde wezen.

  Wij leven uit de dood

  nu Christus is verrezen.

---

*317

#4

1

  Tussen waken, tussen dromen,

  in het vroege morgenlicht,

  wordt de steen van 't graf genomen,

  horen vrouwen het bericht,

  dat door dood en duisternis

  Jezus leeft en bij ons is.

2

  Zij die zich als eersten buigen

  over leven in haar schoot,

  zijn op Pasen kroongetuigen

  van nieuw leven uit de dood.

  Vrouwen hebben Hem ontmoet,

  weten zich bevrijd voorgoed.

3

  Uit een sprakeloos verleden

  weggeschoven, ongehoord,

  wordt een nieuwe tuin betreden,

  open is de laatste poort,

  sluiers worden weggedaan:

  het is tijd om op te staan.

4

  Lente kleurt de kale bomen,

  door het leven aangeraakt

  bloeien bloemen aan de zomen,

  zo wordt alles nieuw gemaakt.

  Juichend stemt het leven in

  met de toon van het begin.

---

*318

#7

1

  Het pure witte licht

  van Gods aanwezigheid

  is als een bliksemschicht,

  een keerpunt in de tijd.

2

  In stilte, ongezien

  en stralend, onverwacht,

  herrijst de Levende

  uit dood en donk're nacht.

3

  De kruiden van de dood,

  zij kunnen weggedaan.

  De Opgestane leeft

  en spreekt Maria aan.

4

  H aar blij getuigenis

  zet zich onstuitbaar voort,

  dit ongelooflijk nieuws

  wordt tot vandaag verwoord.

5

  De werkelijkheid van God

  breekt in ons leven in

  als ruimte, perspektief,

  geeft alles nieuwe zin.

6

  Waar leven triomfeert,

  het dode overwint,

  daar bloeit de wereld op

  en heel de schepping zingt.

7

  Waar Pasen wordt gevierd

  is dood voorbijgegaan,

  daar wortelt weer de hoop

  in 't menselijk bestaan.

---

*319

#10

1

  Zeg het aan ieder dat Hij leeft,

  en waarlijk opgestaan! -

  temidden van de mensen leeft

  om zo ons voor te gaan.

2

  Laat allen weten, geef het door:

  dit hoopvol nieuw bericht,

  hoe Hij een hemels koninkrijk

  op heel de aarde sticht.

3

  Een wereld in dit nieuwe licht

  is ons beloofde land.

  De goede aarde wordt voltooid,

  ontvangen uit Zijn hand.

4

  Het nieuwe leven legt beslag

  op heel het wereld rond.

  Weet, dat het goed is, voor altijd,

  klinkt uit Gods eigen mond.

5

  Aan 't diepe water van de dood

  is nu een grens gesteld.

  Een stralend lichtend morgenrood

  beschijnt het groene veld.

6

  De derde dag: Gods roepend woord

  kleurt heel de aarde in.

  Een groene lente plant zich voort

  zoals in het begin.

7

  Als d' aarde op de derde dag

  haar rijpe vruchten draagt,

  richt zich het leven stralend op

  zoals het God behaagt.

8

  Het scheidend woord van God gebood!

  Aan banden zijn gelegd

  de donk're machten van de dood;

  Gods hand doet wat Hij zegt.

9

  De Heer gaat voor ons allen uit

  en brengt ons aan de dag.

  Een feest bereidt Hij voor zijn bruid:

  het grote paasmaal wacht!

10

  Wie zijn gestorven met de droom

  en rusten in de nacht:

  hun trouw is met dit licht bekroond,

  God is het die hen wacht!

---

*320

#4

1

  't Zal Pasen zijn

  in de woestijn.

  Laat dat aan allen weten:

  wie buiten de gemeenschap leeft

  zal delen in wat God ons geeft,

  geen vreemdeling meer heten.

2

  't Zal Pasen zijn

  in de woestijn,

  ook voor wie later komen.

  En zelfs de dood verhindert niet

  dat God het volle uitzicht biedt

  op 't land om in te wonen.

3

  't Zal Pasen zijn

  in de woestijn.

  God zal de weg ons wijzen.

  Hij overschaduwt dag en nacht

  het volk, dat op zijn roepen wacht,

  gereed om af te reizen.

4

  't Zal Pasen zijn

  in de woestijn:

  de vrijheid is verkregen.

  Ligt alle macht in hinderlaag

  en worden onze voeten traag,

  Hij stelt de toekomst zeker.

---

*321

#5

1

  Wij loven U, o God, die door het duister

  zo liefelijk ons leidt,

  Gij gaat ons voor in wolk en vuur,

  uw luister verduurt de wereldtijd.

2

  Wij zijn op aarde, ons geringe leven

  ligt onder het gericht,

  terwijl het in de hemel is geheven,

  in 't ontoeganklijk licht.

3

  Wij zijn maar mensen in onszelf

  verloren en door de schijn verblind,

  terwijl wij toch als heiligen behoren

  bij U, die ons bemint.

4

  Wij zijn al dood, wij leven al, wij kijken

  over de grenzen heen.

  Wij zijn de kinderen van twee koninkrijken,

  en God houdt ze bijeen.

5

  Wij zijn al dood en worden opgeschreven

  in de geschiedenis,

  terwijl wij zijn in Christus en ons leven

  in God geborgen is.

---

*322

#5

1

  De toekomst is al gaande,

  lokt ondanks tegenstand

  ons weg uit het bestaande

  naar eens te vinden land.

2

  De toekomst is al gaande,

  schept doorgang door de vloed,

  dwars door het ongebaande

  een pad dat voortgaan doet.

3

  De toekomst is al gaande,

  een bron in de woestijn

  zingt tegen het vergaan in:

  de dood zal niet meer zijn.

4

  De toekomst is al gaande,

  verborgen en gezien,

  een stem die te verstaan is,

  een God die draagt en dient.

5

  De toekomst houdt ons gaande,

  voert ondanks tegenstand

  ons uit het doods bestaande

  naar nieuw, bewoonbaar land.

---

*323

#4

1

  Zingt jubilate voor de Heer,

  hemel en aarde, looft uw Vader,

  engelen, goden, mens en dier,

  sterren en stenen, jubilate!

2

  Zingt jubilate, dat is goed,

  vogels en vissen, licht en water,

  bloemen en bomen, vlees en bloed,

  lichaam en ziel, zingt jubilate!

3

  Zingt jubilate voor de Zoon,

  dat hij de hemel heeft verlaten,

  dat hij de zonden heeft verzoend,

  Jezus Messias, jubilate!

4

  Zingt jubilate voor de Geest,

  offert de vogel Geest uw adem,

  dat hij uw hart met vuur geneest,

  weest God indachtig, jubilate!

---

*324

#6

1

  Wie op de bodem van de stroom

  trouw bleef aan zon en vogeldroom,

  die overwint de duisternis,

  komt aan het licht zoals een vis.

2

  Gezegend die het oppervlak

  van dood en duisternis doorbrak,

  over de zee gewandeld heeft

  en naar het woord van vrede leeft.

3

  De mens die redder wordt genoemd,

  heeft zich alleen op God beroemd,

  was man en vrouw en kind en Geest,

  is ons tot troost en kracht geweest.

4

  Geloven wij de vogelvis

  die uit de dood verrezen is,

  die door de deuren is gegaan,

  de poorten van de oceaan.

5

  Wanneer het water voren had,

  bonden wij onze korenschat,

  maar nu het diep en dreigend is

  geloven wij de vogelvis.

6

  Seraf die met ons zij aan zij

  gaat aan de ondergang voorbij,

  wijs ons hoe langs de vogelbaan

  reigers van licht terzijde staan.

---

*325

#5

1

  Zwoegend volk van zwervelingen,

  die de hand van God vertrouwt;

  weldra zult gij vrolijk zingen

  als het land van zegeningen

  wordt ontvouwd.

2

  Wie in 't horen was geduldig

  mag zich haasten naar dit oord

  met zijn gaven menigvuldig:

  hem is God zijn feesten schuldig

  woord voor woord.

3

  Al zijn dagen zullen lengen

  zalig als de zomertijd

  als de zon haar goud zal mengen

  om de volle oogst te brengen

  wijd en zijd.

4

  Vurig leven van beminnen

  naam tot naam, het oud verhaal

  brengt de daden ons te binnen

  van het Woord in den beginne,

  nieuw van taal.

5

  Nieuwe taal van stervelingen,

  erfenis van man op man,

  ja, dit voortgeplante zingen

  is het land van zegeningen:

  Kanaan!

---

*326

#4

1

  O Pinksterdag,

  paasfeest in 't goud:

  God heeft ons niet verlaten;

  zijn Geest getuigt

  zeventigvoud,

  brengt ons in alle staten.

2

  O hemelvuur

  stormende kracht,

  als duif hier neergestreken,

  brand ons vooruit

  door diepe nacht,

  de aarde tot een teken.

3

  O pracht van God

  kolom van licht,

  zelf aan het Licht onttogen,

  o warmte van

  Gods aangezicht:

  door U zijn wij bewogen.

4

  O Trooster lief

  berg ons in U,

  wij waren haast verloren:

  waar blijft de hoop

  als wij niet nu

  uit U worden herboren?

---

*327

#3

1

  O Vogel Heil'ge Geest,

  neerdalend op de hoofden

  van wie de Heer beloofde:

  'Ik laat u niet verweesd,

  in rouw en droefheid achter' -

  o Trooster, wie verwachtt' er

  een zo verrukkend feest!

2

  Want Gij zijt zelf de Heer

  die van ons werd genomen,

  nu tot ons weergekomen,

  een vogel, schoon en teer,

  die naar ons toe gedreven

  wil nest'len in ons leven

  voor nu en immermeer.

3

  Leer in ons, Heil'ge Geest,

  woon vogel, in ons midden.

  ons zingen en ons bidden,

  onmachtig en bevreesd,

  wil 't op uw wieken dragen

  tot aan Gods hart, dit vragen

  wij U het allermeest.

---

*328

#4

1

  Taal op de tong,

  een loflied op de lippen,

  prijs ik de dag

  voordat het avond is.

2

  Gij die uw naam

  eer aandoet op de aarde,

  ik zing de lof

  van uw verrijzenis.

3

  Gaat er een licht

  de duisternis te boven,

  een zon die nacht

  en nevel overwint, -

4

  ik loof het vuur

  dat neerdaalt uit de hoogte

  en ook in mij

  een nieuwe dag begint.

---

*329

#4

1

  Wij ploegen en wij zaaien,

  wij zorgen voor het land,

  maar groeien en gedijen

  zijn in des Heren hand.

  Zijn zoele winden raken

  de akkertjes zacht aan

  en 't leven gaat ontwaken:

  zo kiemt en groeit het graan.

 

  Refrein:

  Vader in de hemel,

  die al het goede geeft,

  wij danken U, wij danken U

  met al wat leeft.

2

  Dan komen dauw en regen

  en 't licht van zon en maan:

  die dragen ons de zegen

  van God de Vader aan.

  De vruchtbaarheid der landen,

  het rijpe graan, het brood

  zijn 't werk van onze handen

  en komen toch van God.

  Refrein

3

  God is begin en einde

  van al, dichtbij en ver,

  het grootste en het kleinste,

  de korrel zand, de ster.

  De grashalm en de bomen,

  de druppel, de oceaan,

  zij zijn van God gekomen,

  van Hem komt ooft en graan.

  Refrein

4

  Hij laat de zon ons schenken

  zijn warmte, welgezind,

  de wolken de aarde drenken

  en Hij bestuurt de wind.

  Zo komt Hij ons verblijden

  met gaven wondergroot.

  Hij geeft de beesten weide

  en mensenkind'ren brood.

  Refrein

---

*330

#4

1

  Zolang wij ademhalen

  schept Gij in ons de kracht

  om zingend te vertalen

  waartoe wij zijn gedacht:

  elkaar zijn wij gegeven

  tot kleur en samenklank.

  De lofzang om het leven

  geeft stem aan onze dank.

2

  Al is mijn stem gebroken,

  mijn adem zonder kracht,

  het lied op and're lippen

  draagt mij dan door de nacht.

  Door ademnood bevangen

  of in verdriet verstild:

  het lied van Uw verlangen

  heeft mij aan 't licht getild!

3

  Het donker kan verbleken

  door psalmen in de nacht.

  De muren kunnen vallen:

  zing dan uit alle macht!

  God, laat het nooit ontbreken

  aan hemelhoog gezang,

  waarvan de wijs ons tekent

  dit lieve leven lang.

4

  Ons lied wordt steeds gedragen

  door vleugels van de hoop.

  Het stijgt de angst te boven

  om leven dat verloopt.

  Het zingt van vergezichten,

  het ademt van Uw Geest.

  In ons gezang mag lichten

  het komend bruiloftsfeest.

---

*331

#9

1

  Voortgedreven waait de Geest des Heren

  en maakt zo geschiedenis.

  Vuur verdeelt zich zonder te verteren,

  sprekende gelijkenis

  van de daden Gods voor alle mensen

  boven bidden, boven alle wensen.

  Klinkende van mond tot mond,

  sprekend in een taalverbond.

2

  Aan het einde, in de laatste dagen

  komt Gods Geest bij u terecht.

  Kinderen en knechten, zij gewagen

  van het heil aan u voorzegd.

  Ouderen die dromen nieuwe dingen

  om de toekomst helder in te zingen

  als de dag des HEREN komt,

  licht in duisternis vermomd.

3

  Zon en maan, de lichten van de Schepping,

  staan niet langer hoog en stil:

  moeten, na een tijdperk van verheffing,

  buigen naar des HEREN wil.

  Duisternis en bloed, zij gaan verschijnen

  in hun plaats, hun licht zal dan verdwijnen.

  Wie de naam Gods klinken doet

  blijft behouden, leeft voorgoed.

4

  David was een koning en een herder,

  die de Heer voor ogen had.

  En Gods wegen leidden hem steeds verder

  op een vrolijk levenspad.

  Aan het dodenrijk niet prijsgegeven,

  had hij zicht op toekomst en op leven.

  David, koning en profeet,

  die voor God en mensen streed.

5

  Zoon van David, Jezus, de bevrijder,

  zittend aan Gods rechterhand,

  broeder van de mensen, medestrijder,

  schrijver in het losse zand.

  Hij, Die zonder zonde is gebleven,

  staat niet eenmaal mensen naar het leven.

  Zijn belofte die geneest.

  Keer u om, ontvang Zijn Geest.

6

  Laat u leiden in de dienst des HEREN,

  in gemeenschap, onderricht,

  en wil onbetwistbaar allen leren,

  hoe men biddersdienst verricht,

  hoe men brood zal breken ten behoeve

  van de mensen, zonder te bedroeven

  wie bevreesd is wat hij doet

  en verdelen have en goed.

7

  Goud en zilver is ons niet gegeven,

  maar wij zeggen: sta toch recht

  in de naam van Jezus, Die Zijn leven

  in de waagschaal heeft gelegd.

  Niet door eigen kracht en godsvrucht zullen

  uw aloude wensen zich vervullen,

  maar uw leven vangt pas aan

  als u opstaat in Zijn naam.

8

  Gij zijt kinderen van de profeten,

  kinderen van Gods verbond,

  dat aan Abraham werd toegemeten

  en uit zegening bestond.

  Alle volken krijgen heil en zegen

  wanneer zij zich metterdaad bewegen

  langs het voorgeschreven spoor:

  Gods gezalfde ging u voor.

9

  Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer,

  houd Gij bij ons uw intocht, Heer,

  Kom Schepper, Geest!

---

*332

#4

1

  De nacht is voorbij,

  de morgen breekt aan,

  de dag waarop wij

  de stad binnengaan.

  Geen lamp is daar nodig,

  de maan is te klein,

  de zon overbodig,

  geen nacht zal daar zijn.

 

  Refrein:

  De maan zal verbleken,

  de zon dooft haar vlam

  als God zal ontsteken

  het licht van het Lam.

2

  Het licht dat er straalt

  verlicht dag en nacht

  en niemand verdwaalt,

  het Lam houdt de wacht.

  De poorten staan open

  en gaan niet meer dicht

  want wie er zal lopen

  die wandelt in 't licht.

  Refrein

3

  God zelf komt en Hij

  treedt ons tegemoet

  en zegt wat Hij zei,

  Hij zegt: Het is goed!

  Het duister moet zwichten

  de dageraad lacht,

  het Lam zal verlichten

  wie gaan in de nacht.

  Refrein

4

  O stad van het licht

  en straten van goud,

  looft Hem die u sticht,

  de Heer die u bouwt!

  Daal neer op de wolken

  de hemelen uit,

  getooid voor de volken,

  o stralende bruid!

  Refrein

---

*333

#6

1

  God, die ons ooit bevrijdde,

  wilt Gij ons verder leiden,

  gaat Gij nog lichtend voor?

  Zijn wij uw trouw indachtig

  of blijven wij onmachtig,

  verzand in 't zelfgenoegzaam spoor?

2

  Gij zijt ons bijgebleven!

  Met vrijheid om te leven

  hebt Gij God, ons bedacht.

  Die weldaad te gedenken

  is levensruimte schenken

  wie rechteloos wordt omgebracht.

3

  Een haven voor de vreemde,

  een huis voor de ontheemde,

  een veilig toevluchtsoord,

  een vrijplaats van vertrouwen:

  God, laat uw kerk zo bouwen

  aan 't erfdeel, dat U toebehoort.

4

  Gij hebt de wraak beteugeld

  en hoedt onder uw vleugels

  het vluchtend mensenkind.

  Zijn adem is u heilig;

  waar anders is hij veilig?

  Zo waar uw Naam bij ons weerklinkt!

5

  Hoor van de aarde schreeuwen

  het bloed van zoveel eeuwen,

  zo kostbaar in uw oog.

  Zult Gij het recht beperken

  van machtigen en sterken?

  Maak klein, o God, wie zich verhoogt.

6

  Wees dan omlaag gebeden,

  gij gouden stad van vrede

  en anker u op aard.

  Jeruzalem, wij dromen

  van u als onderkomen

  waar God ons voor de dood bewaart!

---

*334

#4

1

  Een kwetsbaar onderkomen

  staat opgericht.

  De sterren doen er dromen

  van groter licht.

  De koele avondwind waait

  de loofhut door.

  Wij schuilen er als pelgrims

  op 't goede spoor.

2

  Wij zingen zeven dagen

  de goede wijs

  en dromen van het einde

  van deze reis.

  De palmen wuiven vrede

  naar alle kant:

  Hosanna, help ons Heer,

  Uw woord gestand.

3

  Wij vlechten deze dagen

  in zekerheid

  dat God ons thuis zal vragen

  aan 't eind der tijd.

  De loofhut van Zijn vrede

  op vaste grond,

  als Hij een huis zal bouwen

  de wereld rond.

4

  God, doe uw hemel open,

  geef vergezicht!

  Wij zien niet, maar verwachten

  een berg van licht.

  Uw tent is over allen

  dan uitgebreid:

  U zelf zult bij hen wonen

  in eeuwigheid!

---

*335

#5

1

  De vreugde die het hart verwarmt

  wordt als Gods liefste woord omarmd,

  ontsluiert ons het leven.

  De bruiloft van zijn woord en wet

  heeft ons tot dansen aangezet,

  de volle maat gegeven.

2

  Refrein:

  Kom, Vreugde, laat je drinken!

  Kom Vreugde, smaak zo zoet,

  dat ik wel dansen moet!

  Kom, Vreugde, laat je drinken,

  dat ik wel dansen moet!

3

  Wij putten water uit de rots.

  Wij drinken van de adem Gods

  geknield aan levend water

  en zien weerspiegeld naar Zijn Beeld

  hoe Gods genade mensen heelt

  en bloeien doet op aarde.

  Refrein

4

  Geworteld aan de waterkant

  vinden wij, rond de bron geplant

  tegen de dood bescherming.

  Bekroond met leven dragen wij

  takken vol vruchten wijd en zijd:

  een loofhut van ontferming.

  Refrein

5

  Een schuilplaats zijn wij voor elkaar:

  en recht en vrede bloeien waar

  wij zijn tora begroeten.

  De hemel spreekt zijn woord van licht,

  ons oog ziet in een vergezicht

  een weg voor onze voeten!

  Refrein

---

*336

#6

1

  Schuldig staan wij voor U, Heer.

  Schuldig, onweersproken.

  Tel de duizendmaal dat wij

  U hebben ontbroken.

  Zie ons aan:

  onze naam

  had Gij opgeschreven

  in uw boek des levens.

2

  Hoezeer hebben wij ontzegd

  doorgang aan het leven.

  Mensen hebben wij ontrecht,

  steen voor brood gegeven.

  Keer op keer

  ziet Gij, Heer,

  't werk van onze handen

  vruchteloos verzanden.

3

  Schuilend in de eigen schuld,

  toevend in het duister,

  proeven wij uw groot geduld,

  weten wij: Gij luistert

  en Gij ziet ons verdriet.

  Gij hoort al ons klagen

  om verloren dagen.

4

  Zwijgen zullen wij dit uur,

  uw verdwijnen duchten.

  Kent uw trouw nog lange duur

  als wij u ontvluchten?

  Maar Gij wacht

  en de nacht,

  vol van bange vragen,

  wilt Gij van ons dragen.

5

  Onze ontrouw hebt Gij ver

  achter U geworpen.

  Nu is ons uw aangezicht

  als een nieuwe morgen.

  Uw gericht

  schept ons licht,

  heeft voor onze zonden

  vrijspraak weer gevonden.

6

  Nu Gij ons gereinigd hebt

  en als nieuw herschapen,

  reikt Gij ons het leven weer,

  dauwend van genade.

  God, uw gloed

  doet ons goed!

  Laat ons adem halen

  in uw zonnestralen.

---

*337

#1

1

  Hoor, herder, hoor, Gij die Jozef leidt,

  Gij die op de cherubs troont,

  verschijn ons nu, o Herder van Israel.

---

*338

#11

1

  solo: Gij, eens een bevrijder,

        zult Gij ons nu nog horen?

        Gij, ooit in ons midden,

        keert Gij U weer naar ons toe?

 

  koor: Laat Uw oog weer op ons rusten.

        Geef ons niet prijs aan onze wildernis!

        Gaan wij U niet meer ter harte?

2

  Allen: Ontferm U, Heer naar de maat van Uw liefde!

         Ontferm U toch met de ruimte van Uw hart!

3

  solo: Hoe hoopvol heeft Uw oog ons gezocht;

        doof bleven wij

        voor de roep van Uw trouw.

        Wij dachten te vinden

        een nieuw geluk

        buiten bereik van Uw liefde;

        wij vonden de dood,

        vogelvrij en verlaten.

4

  koor: Laat Uw oog weer op ons rusten.

        Geef ons niet prijs aan onze wildernis!

        Gaan wij U niet meer ter harte?

5

  Allen: Ontferm U, Heer naar de maat van Uw liefde!

         Ontferm U toch met de ruimte van Uw hart!

6

  solo: Over de grenzen van Uw genade

        is er geen leven:

        dat weten wij nu.

        Eigenzinnig ons verlangen,

        zelfgenoegzaam onze gangen:

        zochten wij andere goden,

        onderdrukkers hebben wij gevonden.

        Nergens de vrede voluit, als bij U.

        Zijn wij dan reddeloos?

        Is het te laat nu Uw Naam nog te noemen?

7

  koor: Laat Uw oog weer op ons rusten.

        Geef ons niet prijs aan onze wildernis!

        Gaan wij U niet meer ter harte?

8

  Allen: Ontferm U, Heer naar de maat van Uw liefde!

         Ontferm U toch met de ruimte van Uw hart!

9

  solo: U hebben wij verlaten,

        Uw stem liet ons onberoerd.

        Gij hebt Uw handen van ons afgetrokken,

        Gij hebt U verborgen

        achter de wolken van Uw verdriet,

        en ons bedekt met het donker van Uw verdwijnen.

        Is er een weg die ons weer bij U thuis brengt?

        Is er een ruimte onder Uw aangezicht?

10

  koor: Laat Uw oog weer op ons rusten.

        Geef ons niet prijs aan onze wildernis!

        Gaan wij U niet meer ter harte?

11

  Allen: Ontferm U, Heer naar de maat van Uw liefde!

         Ontferm U toch met de ruimte van Uw hart!

---

*339

#3

1

  Heer, spreek mij aan, zodat ik hoor,

  ik buig mijn hoofd, ik neig mijn oor.

  Trek door de akker van mijn hart,

  trek door mijn zonden, zwaar en zwart,

  uw langgerekte, diepe voor.

2

  Heer, spreek mij aan zodat ik hoor,

  maak open mijn gesloten oor;

  Gij zaait uw woord als zuiver zaad,

  uw Geest is als de wind die waait,

  uw Rijk het koren dat Gij maait.

3

  Heer, spreek mij aan zodat ik hoor,

  spreek zacht in mijn ontsloten oor.

  Al zie ik U, o Zaaier, niet,

  ik hoor U wel, Gij zaait een lied

  dat hoger groeit dan mijn verdriet.

---

*340

#10

1

  Laat ons bidden uit gemis

  tot God die liefde is

  en Hem om ontferming smeken,

  want het lijden is zo groot

  en Hem vragen recht te spreken,

  want de wereld is in nood.

2

  Laat ons bidden voor het kind

  dat zijn leven pas begint;

  voor de kind'ren aller landen

  van wie God de namen weet,

  dat hun toekomst niet zal stranden

  op de klip die oorlog heet.

3

  Voor de zieke man of vrouw

  die verlangt naar onze trouw;

  voor wie eenzaam is gebleven

  of wie eenzaam is gemaakt,

  dat zij met de kus des vredes

  heden worden aangeraakt.

4

  Voor de mensen die in nood

  zoeken naar de goede dood,

  die door iedereen verlaten,

  heel alleen met hun verdriet,

  niet meer hopen, niet meer praten,

  Heer, vergeet ook dezen niet.

5

  Voor wie doodsangst overmant,

  dat zij vallen in Uw hand.

  Laat een engel hen geleiden

  uit het duister naar het licht;

  toon hen als voorgoed bevrijden

  uw genadig aangezicht.

6

  Voor de zwakken die ontdaan

  macht'loos door de wereld gaan;

  voor de doven en de blinden,

  voor de mensen zonder stem,

  dat zij eigen wegen vinden

  naar het nieuw Jeruzalem.

7

  Voor wie angstig en beducht

  voor zijn leven is gevlucht,

  en een vreemdeling moet wezen,

  tegen haat en nijd bestand,

  dat het heimwee zal genezen

  naar zijn lief geboorteland.

8

  Voor al wie geworpen is

  diep in de gevangenis,

  dat hun naam niet wordt vergeten,

  als voor ons de zon opgaat.

  Geef de wereld een geweten,

  en verlos ons van het kwaad.

9

  Voor het volk dat wordt gekweld

  door de macht van bruut geweld,

  dat met al de droefenissen

  van het heilloos onrecht leeft

  en in plaats van brood en vissen

  tranen tot zijn spijze heeft.

10

  Here, sluit Uw oren niet

  voor dit kleine mensenlied.

  Gij kent al die duizendtallen

  die het zingen wordt belet.

  Heer, erbarm U over allen.

  Heer, verhoor ons smeekgebed

---

*341

#3

1

  Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen.

  Ons hart is aan de Eeuwige gewijd,

  die hoger is verheven dan de wolken

  en als een helper neerdaalt in de tijd.

2

  Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen.

  Hij houdt de hele wereld in zijn hand.

  Hij is de grote Koning van de volken

  en zeer nabij de kleinen in het land.

3

  Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen.

  Wij gaan de pleinen op, de straten in

  om menselijk zijn liefde te vertolken.

  Dit is de dag, het uur, een nieuw begin.

---

*342

#3

1

  God, die mij riep, nog voor ik in mijn moederschoot

  door Uw volmaakte hand tot mens-zijn werd geweven;

  toen Gij mij schiep wist Gij van leven en van dood,

  mijn aardse vaderland, de dagen van mijn leven.

2

  Ik roep tot U, ik ben getekend met uw Naam

  het water op mijn hoofd, de woorden van mijn leven.

  Blijf met mij nu, ook als ik moet de dood ingaan,

  van hoop en licht beroofd, de dag van vrees en beven.

3

  Nu komt het kwaad, dat schuilgaat in gestalten schoon

  en mij om U begeert: mijn leven is omstreden.

  Maar om mij staat de schare van uw lieve Zoon

  die 't kwade van mij weert door smeken en gebeden.

---

*343

#3

1

  Christus ging als eerste

  waar het water stond,

  waar de diepte heerste

  schiep Hij vaste grond.

  Refrein:

  Al wat wij misdeden

  is met Hem vergaan,

  wie gelooft is heden

  met Hem opgestaan.

2

  Christus trok als eerste

  door de doodsjordaan,

  wat als scheiding heerste

  kan niet meer bestaan.

  Refrein

3

  Christus staat als eerste

  voor Gods aangezicht,

  waar de doodsnacht heerste

  wenkt en lacht het licht.

  Refrein

---

*344

#6

1

  De schepper spreekt, maakt scheiding en geeft namen.

  De aarde voegt zich naar zijn verre stem.

  Maar met de mens komt hij vertrouw'lijk samen.

  Van hoe nabij beroert zijn adem hem.

2

  Hij trekt hem eigenhandig uit de aarde.

  Hij stelt hem door zijn woord op zijn gemak.

  Hij meet hem toe een afgemeten gaarde.

  Hij geeft hem tijd en taak en onderdak.

3

  Waar dieren naar hun aard zich laten noden

  wordt hij geroepen als Gods evenbeeld.

  Zijn wereld is bevrijd van vreemde goden.

  De afgrond is een draak waar God mee speelt.

4

  Maar in de ribben die zijn hart omsluiten

  slaat God een bres die Hij bedekt met huid,

  die hem genaakbaar, kwetsbaar maakt naar buiten,

  een breuk die hem verenigt met zijn bruid.

5

  Het schepsel spreekt, ontdekt de ware namen.

  Ook hij houdt dag en duisternis uiteen.

  Laat God en mens nu mensen maken samen,

  al stamt het samenzijn uit God alleen.

6

  Gezegend hij die zich zijn plaats laat wijzen!

  Zijn wereld blijft tegen het niets bestand.

  Na elke nacht zal hij de zon zien rijzen.

  Door water heen vindt hij het goede land.

---

*345

#7

1

  Als enkeling noem ik de namen,

  waarmee ik een ander bemin.

  God zelf voegt die namen tezamen

  en schenkt ze een diepere zin.

2

  Om samen de dagen te delen,

  de nachten, het donker en licht,

  om mijn hulpeloosheid te helen

  heeft God ons elkaar toegedicht.

3

  Wij zijn naar Zijn beeld uitgesproken,

  Hij heeft ons op liefde gebouwd;

  met woorden - nog nimmer verbroken

  Zijn aarde aan ons toevertrouwd.

4

  Waar liefde bevrijdt tot de vrede

  geschiedt ons God zelf ongehoord!

  De taal van ons lichaam als bede:

  ons vlees heeft Zijn liefde verwoord.

5

  Elkaar als genade te lezen,

  als toekomst in handen gespeeld

  voorbij aan ons eenzaam verleden:

  die vreugde wordt samen gedeeld.

6

  En waar wij ons blijven verhullen,

  de schaamte armzalig bedekt,

  heeft God, om Zijn Naam te vervullen,

  vergeving tot leven gewekt.

7

  O adem van God, doe ons leven

  en wek in ons blijvend het vuur!

  Gij hebt onze harten beschreven

  met trouw voor de langere duur.

---

*346

#4

1

  Het Woord brengt de waarheid teweeg.

  Het veranderde in den beginne

  een aarde die woest was en leeg

  tot een lusthof voor ziel en zinnen.

2

  Het Woord dat de wereld schiep

  is het Woord dat klonk door de eeuwen,

  is het woord dat Abraham riep

  en Daniel tussen de leeuwen.

3

  Het Woord dat God was bij God,

  tussen mensen een mens werd op aarde,

  dat in het armzaligste lot

  zijn heerlijkheid openbaarde.

4

  Het onvergelijkelijk Woord

  met een hemelse hand geschreven

  wordt in onze harten gehoord:

  onze weg, onze waarheid, ons leven.

---

*347

#5

1

  Nooit lichter ving de lente aan

  dan toen uw hand ons volk bevrijdde.

  Hoe hebben w' in dat schoon getijde

  verheugd maar huiverend verstaan:

  Gods vijanden vergaan.

2

  De winter leek voorgoed voorbij

  en voor ons lag de volle zomer;

  de macht was eindlijk aan de dromer,

  de nieuwe mens, zo droomden wij,

  verbrak de slavernij.

3

  Maar winters werd het in dit land;

  't is kil rondom en in ons midden,

  in onze mond verstart het bidden,

  doodskou gaat uit van onze hand

  naar mens en dier en plant.

4

  O God, wat zijn wij dwaas geweest,

  dat we aan de vrijheid zo gewenden,

  dat wij de vijand niet herkenden,

  in opstand tegen U, het meest

  in eigen hart en geest.

5

  Vergeef het ons! Raak ons weer aan

  met levensadem, lente-tijding,

  en doe met krachten ter bevrijding

  ons hier in Christus' vrijheid staan.

  God, laat ons niet vergaan!

---

*348

#5

1

  Het bloed van Abel roept

  omhoog van onze aarde.

  Roept het om wraak of zoekt

  het hemelse genade

  voor hem die is vervloekt?

2

  Het bloed schrijft op de grond

  het raadsel van het leven,

  tot in het hart gewond,

  ten dode opgeschreven

  al in de morgenstond.

3

  De mens die naar Gods beeld

  in goedheid was geschapen

  vervallen aan geweld,

  tegen de mens te wapen,

  tegen zichzelf verdeeld.

4

  Jezus schrijft in het zand

  de wonderlijke woorden

  die in het zinsverband

  der schepping thuisbehoren

  en Hij doet ze gestand.

5

  Zijn bloed schrijft op de grond:

  er komt een nieuwe aarde.

  Het roept uit elke wond

  het wonder der genade.

  Zijn bloed komt over ons.

---

*349

#3

1

  Wat vrolijk over U geschreven staat:

  dat Gij zijt de gloed van al wat leeft,

  de ziel die vonkt of als een brand uitslaat,

  de adembron die ons te drinken geeft.

2

  wat vurig staat geschreven: dat Gij komt

  "redden wat verloren is," dat woord,

  dat Gij het hart hebt, ogen, dat Gij hoort,

  "Ik zal er zijn," zonsopgang, nieuw verbond,

3

  dat hoge woord, geschreven wit op zwart,

  trouw van trouw, hoe heeft het ons bevrijd,

  beschaamd, vervoerd, getroost, dan weer getart

  Hoe dorsten wij te weten wie Gij zijt.

---

*350

#4

1

  Heer Jezus, denk aan mij,

  delg uit mijn zware schuld;

  maak mij van binnen rein en vrij,

  geheel van U vervuld.

2

  Heer Jezus, denk aan mij

  en laat mij niet alleen;

  maar loods mij naar uw overzij

  door nacht en nevel heen.

3

  Heer Jezus, denk aan mij

  wanneer de storm opsteekt

  en het tumult van wind en tij

  alle aardse houvast breekt

4

  Heer Jezus, denk aan mij

  opdat ik, na de vloed,

  uw eeuwig licht aanschouw en gij

  mijn haven zijt voorgoed.

---

*351

#5

1

  Geen plaats voor zijn hoofd,

  geen grond voor zijn voeten,

  een doorn in het oog,

  wie wil hem ontmoeten.

2

  Geen hol als de vos

  geen nest als de vogels

  een man zonder God

  hij maakt je wanhopig.

3

  Geen deur en geen weg

  geen mens onder mensen

  geen vrijheid geen recht

  wie zou hem zich wensen.

4

  Een vlam in de nacht

  een stem door de stilte

  een hand op je hart

  een storm in ons midden.

5

  Ons dagelijks brood

  een broeder van verre

  een redder in nood

  hij zal voor ons sterven.

---

*352

#4

1

  Geef, o Heer, dat onze namen

  in Uw licht te lezen zijn,

  zoals lijnen in de ramen

  door het zonlicht zichtbaar zijn.

2

  Als de dag dreigt weg te dromen,

  als de nacht zich binnendringt

  en niet aan het licht doet komen

  dat Gij ons bestaan omringt,

3

  schrijf dan onze namen over

  met uw stift van louter licht,

  laat de letters - ach, hoe pover -

  lijnen zijn van uw gezicht!

4

  Straal vandaag door alle ramen

  met uw zomerzonneschijn;

  Heer, dan zullen onze namen

  in uw licht te lezen zijn.

---

*353

#5

1

  Vroeg ik mijn denken

  of God wel bestond -

  kreeg ik tot antwoord

  alleen een niet weten.

2

  Vroeg ik mijn voeten

  zo lang al op pad -

  wisten zij enkel

  van kuilen en stenen.

3

  Vroeg ik mijn handen.

  wat is er rondom -

  wisten zij enkel

  van grijpen in leegte.

4

  vroeg ik mijn ogen,

  op wacht aan hun deur -

  wisten zij enkel:

  bet licbt is geweken.

5

  Vroeg ik mijn oren -

  eindlijk gehoor

  weet ik verwonderd:

  daar is Hij, hoor: spreken.

---

*354

#3

1

  Zo vriendelijk en veilig als het licht

  zoals een mantel om mij heengeslagen

  zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht,

  ik roep zijn naam, bestorm Hem met mijn vragen,

  dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.

  Wil mij behoeden en op handen dragen.

2

  Want waar ben ik, als Gij niet wijd en zijd

  waakt over mij en over al mijn gangen.

  Wie zou ik worden, waart Gij niet bereid

  om, als ik val, mij telkens op te vangen.

  Ik leef niet echt, als Gij niet met mij zijt.

  Ik moet in lief en leed naar U verlangen.

3

  Spreek Gij het woord, dat mij vertroosting geeft,

  dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.

  Ontsteek die vreugde die geen einde heeft,

  wil alle liefde aan uw mens besteden.

  Wees Gij vandaag mijn brood, zowaar Gij leeft -

  Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.

---

*355

#4

1

  Toen onze moeder Sara was gestorven

  heeft Abraham voor haar een graf verworven.

  Dat was voor hem van het beloofde land

  een onderpand.

2

  De vaders van het volk zijn daar begraven

  en ook de moeders, die het leven gaven

  aan het geslacht, dat hoort naar Gods bevel,

  Gods Israel.

3

  Wij bergen onze doden in de aarde,

  waarover God zijn heilsplan openbaarde.

  De grond, waarin zij rusten, ongestoord

  het is Gods Woord.

4

  Het Woord, dat hier belovend heeft geklonken,

  krijgt van omhoog vervulling ingeschonken.

  Straks roept de Here Christus tot zijn bruid:

  liefste, kom uit!

---

*356

#3

1

  Zij is een vrouw van naam in Israel.

  Zij is een vrouw die volkeren mag schragen.

  Zij draagt haar naam op goddelijk bevel:

  Sara, gezegend tot in onze dagen.

  Hoe donker ook de wegen en hoe smal,

  vrouwen van Naam, zij zullen niet versagen.

2

  Al blijft vergeefs ons zoeken naar het woord

  dat uit den hoge tot u werd gesproken,

  vrouw die het ongehoorde hebt gehoord,

  zwervend terzijde in uw tent gedoken -

  een lach, een wenk, een samenhang verstoord

  vrouw, naar een nieuwe toekomst opgebroken

3

  Hoog heeft de Heilige uw woord geschat:

  'In alles wat zij zegt, wil naar haar horen.'

  Uit u, die om uw volk geleden had

  zijn koningen van volkeren geboren.

  Aartsmoeder Sara, sterre op ons pad,

  in wie de glans van Israel mocht gloren.

---

*357

#3

1

  "Ik droomde een droom",

  heeft Jozef zijn broeders verteld.

  "Het koren was af

  en we bonden de schoven op 't veld.

  Toen bogen de schoven

  zich rij aan rij voor de

  schoof die bleef staan,

  de schoof van mij!"

2

  "Ik droomde een droom",

  heeft Jozef zijn broeders gezegd,

  "de nacht was gedaald,

  en de aarde te slapen gelegd.

  Toen bogen de sterren

  met zon en maan

  zich vol eerbied ter neer,

  mijn ster bleef staan!"

3

  "Wat droom jij voor droom?"

  heeft Jakob aan Jozef gevraagd,

  "die droom van vannacht

  van de sterren was veel te gewaagd."

  Toch buigen zij allen

  van groot tot klein,

  want de dromer van nu

  zal Koning zijn!

---

*358

#5

1

  Langs de luchten snelt een spoor:

  in zijn grootheid onbeteugeld

  kiest een arend

  zelf zijn banen

  op de breedte van zijn vleugels.

  In zijn vrijheid hemelhoog

  plotseling de diepte zoekend

  op de wieken van de wind

  doet zijn schaduw

  enkel raden

  waar hij zijn bestemming vindt.

2

  Weg uit hun geborgenheid

  kiezen jongen zelf de wegen.

  Zij ontglippen

  naar de diepte

  tot hij breeduit aan komt zweven.

  Van de bodemloze dood

  redt hij hen - zij zijn omgeven,

  nooit verloren uit zijn oog.

  Vleugelslagen

  die hen dragen,

  opgeheven tot omhoog.

3

  Boven al mijn kennen uit

  wordt God tastend uitgesproken.

  Hem vermoed ik

  en Hem zoek ik

  uit mijn woorden weggebroken.

  Maar ik vind Hem zeer nabij

  mensen in hun bloei gebroken,

  ruw verbrijzeld, vol van pijn.

  Hen omarmt Hij

  en verwarmend

  wil Hij hen ter hulpe zijn.

4

  God toch is mijn wegen voor.

  Denk ik mij alleen gelaten

  -  hard geslagen,

  vol van vragen

  aan een schaduw, die voorbijging -

  komt Hij, kruist mijn stuurloos spoor,

  tilt mij op uit de bedreiging.

  Ik ontdek Hem heel nabij.

  Opgeheven

  tot het leven

  in de vrijheid, draagt Hij mij.

5

  Zo doet God zijn kind'ren goed,

  wil Hij van zich laten spreken.

  Hij bewaart ons

  als een arend,

  klaar om onze val te breken.

  Hij wil ons de goede moed

  en vernieuwde krachten geven.

  Zullen wij niet - opgestaan,

  in Zijn handen

  opgevangen -

  als op vleugels verder gaan?

---

*359

#10

1

  De aangewezen weg,

  een nieuw geschapen plek,

  een huis onder de mensen

  is onze God,

  en wie zich tot

  zijn aangezicht wil wensen,

  wordt bij zijn gaan en staan verlicht,

  in heelheid opgericht.

2

  Keervers:

  Heilig zult gij zijn,

  want Ik, uw God ben heilig!

  Leef samen in bevrijd gebied:

  daar zijn uw wegen veilig!

3

  Wij dragen vruchten aan

  en danken ons bestaan

  aan Hem, die 't heeft gegeven.

  Ons offer is

  vol van gemis,

  vol van geschonden leven

  dat Hij vervult en weer geneest,

  beademt met Zijn Geest.

  Keervers

4

  Ons leven wordt verlamd

  door macht van eigen hand.

  Wij zijn zover te zoeken.

  Vanuit Gods tent

  roept ons Zijn stem

  om naderbij te komen,

  opdat Hij ons verzoening schenkt

  en bij elkander brengt.

  Keervers

5

  Hier vinden wij de weg

  en komen wij terecht:

  ons leven wordt een antwoord.

  En keer op keer

  leggen wij neer

  de daden onzer dagen;

  wij delen rondom Gods altaar

  het leven met elkaar.

  Keervers

6

  Een scheiding tussen rein

  en onrein zal er zijn

  opdat de mensen weten

  dat doodsheid kleeft

  aan veel dat leeft

  aan wat zij doen en spreken.

  Ons leven zal gelouterd zijn

  en onze lippen rein.

  Keervers

7

  Ikzelf heb u bevrijd,

  de slaafsheid uitgeleid,

  hoe zoudt gij dan benemen

  de ruimte van

  elk ander man,

  niet troosten hen, die wenen?

  Waar wordt geleefd met open hand

  is Mijn beloofde land.

  Keervers

8

  Weest werkzaam op uw tijd

  maar vier Mijn heiligheid

  als kroon op al uw dagen.

  Want eenmaal zal

  ook overal

  een feest van vrijheid dagen.

  Gedenk, opdat ge nooit vergeet

  alwat ik voor u deed!

  Keervers

9

  Alwat geschapen is

  en telt als uw bezit

  blijft rusten in Mijn handen.

  Want mens noch dier,

  de akker hier

  ligt ooit voorgoed aan banden.

  Hergeef het recht om vrij te zijn:

  want het is alles MIJN!

  Keervers

10

  God is het Woord van het begin;

  het blaast de mens nieuw leven in.

---

*360

#2

1

  De aangewezen weg,

  een nieuw geschapen plek,

  een huis onder de mensen

  is onze God

  en wie zich tot

  zijn aangezicht wil wensen

  wordt bij zijn gaan en staan verlicht,

  in heelheid opgericht.

2

  Keervers:

  Heilig zult gij zijn,

  want Ik, uw God ben heilig!

  Leef samen in bevrijd gebied:

  daar zijn uw wegen veilig!

---

*361

#6

1

  Groot en geducht is HIJ,

  Die goedertieren is

  en de verbintenis

  met mensen recht en slecht

  heeft toegezegd.

2

  Refrein:

  Gedenk mij, mijn God!

  Neem mij onder Uw hoede,

  Gedenk mij, mijn God!

  Gedenk mij, God ten goede.

3

  Groot en geducht is HIJ,

  Die hoog verheven is

  en de gedachtenis

  aan woorden ons ten baat

  niet sterven laat.

  Refrein

4

  Groot en geducht is HIJ,

  Die steeds rechtvaardig is

  en vol vergiffenis

  van harte kwaad vergeeft

  aan alwie leeft.

  Refrein

5

  Groot en geducht is HIJ,

  Die nooit geweken is,

  Wiens naam het teken is

  van wat HIJ vraagt of schenkt

  en samenbrengt.

  Refrein

6

  Groot en geducht is HIJ,

  Die ons genegen is

  in licht en duisternis,

  ons met Zijn goede Geest

  voorgoed geneest.

  Refrein

---

*362

#7

1

  Een huis moet zijn gebouwd,

  gebouwd om in te wonen

  terwille van de naam

  die God zijn volk wil tonen.

2

  Een huis, een plaats van licht

  en God, gehuld in duister,

  verbergt zijn aangezicht.

  Zijn naam verschijnt in luister.

3

  Een huis voor iedereen

  die bij Gods gunst wil leven,

  om gaven HEM alleen

  te gunnen en te geven.

4

  Een huis om welgemoed

  de dagen in te zingen

  De koning tegemoet,

  het kwade te bedwingen.

5

  Een huis dat zich verdeelt

  als het zich uit wil breiden,

  dat wonden niet meer heelt,

  moet pijn en moeite lijden.

6

  Een huis dat zonneklaar

  een heilig huis wil wezen:

  de HERE God is daar.

  Dient HEM nu en na dezen

7

  Een huis - om onverdacht

  de liefde aan te vuren -

  moet men met alle kracht,

  hart en verstand besturen!

---

*363

#3

1

  Ontferming heeft God toegezegd,

  een nieuwe naam voor wie was zoekgeraakt;

  de sterke kent zijn eigen recht,

  maar Hij heeft het verachte groot gemaakt:

  een herder niet bedacht

  op eigen winst en macht,

  die weer de schapen voeren zal

  naar 't lieflijk dal

  waar eigenwaan

  heeft afgedaan.

2

  De Davidsnaam, opnieuw van kracht,

  is door God reddend in het veld gebracht.

  Voor wie nog zelfgenoegzaam dacht

  komt nu een einde aan zijn wrede macht.

  Waar men nog mensen knecht

  herneemt de Heer het recht;

  Hij heeft zich over hen ontfermd,

  henzelf beschermd.

  Hij richt omhoog

  wat zich nog boog.

3

  Een herder, die zijn schapen roept,

  hun namen noemt met diepe innigheid,

  die voor hen uit de ruimte zoekt

  en hen voorgoed naar hun bestemming leidt.

  Hij brengt ze in het veld

  waar, vrij van macht en geweld,

  de groene lente wordt gedeeld;

  de wonden zijn

  met alle pijn

  voorgoed geheeld.

---

*364

#7

1

  Mijn lief plantte een wijngaard aan en deed

  er duizend ranken staan

  aan eedle stokken, fijn van blad,

  het beste dat de aarde had.

2

  Mijn lief gunde zich rust noch duur

  en werkte tot het laatste uur

  met hak en hamer, mes en spa,

  dat komt een goede gaard te sta!

3

  Een perskuip hieuw hij, voor de vrucht,

  een stapeltoren, in de lucht,

  om uit te zien naar welke dief

  de gaard zou roven van mijn lief.

4

  Zo zwoegde hij een lente lang;

  maar toen de tijd der vruchten kwam,

  bloeide de gaarde wild en zuur,

  geen tros was goed binnen haar muur.

5

  Wat zal hij doen, mijn lief, mijn God,

  doet hij zijn gaard verworden tot

  een wildernis vol netelbrand,

  een wijkplaats voor het wild van 't land?

6

  Het zou zijn goede recht zijn, want

  hij is de eigenaar van 't land

  en jij bent zelf, Jeruzalem,

  de tuin, het eigendom van Hem.

7

  Let goed op wat voor vrucht je draagt,

  en of je wel mijn lief behaagt

  met duizend ranken, tot zijn eer,

  o wijngaard van de lieve Heer!

---

*365

#4

1

  Troost, troost mijn volk! zo zegt uw God,

  zit langer niet terneder;

  roep, alle droefenis ten spot:

  "Jeruzalem, 't is vrede!

  Uw lijdenstijd is om, vat moed,

  de schuld is u vergeven;

  God heeft u toch in overvloed,

  ja dubbel weer gegeven

  het kwaad door u bedreven".

2

  Er roept een stem: "Bereidt den Heer

  een weg door woestenijen!"

  Heft u, gij dalen, buigt u neer,

  gij bergen, tot valleien

  voor Hem, die bij ons in de tijd,

  gelijk Hij sprak, wil wonen.

  Straks zal de Heer zijn heerlijkheid

  aan alle volken tonen,

  hen maken tot zijn zonen.

3

  Een stem zegt: "Roep". Maar ach, wat zal

  ik roepen, waarin roemen?

  Want alle vlees is gras en al

  zijn schoonheid broos als bloemen.

  Het gras verdort, de bloem valt af,

  als d' ademtocht des HEREN

  daarover waait, - ons wacht het graf.

  Gods Woord slechts, hoog te eren,

  zal alle storm trotseren.

4

  Klim op een berg, verhef uw stem

  o Sion, vreugdebode!

  Zeg tot uw volk, Jeruzalem:

  "Hier is de God der goden!"

  Hij komt! - zie, zijn vergelding gaat

  voor Hem uit door de tijden

  Uw God is 't, die de vorsten slaat.

  Maar u zal Hij bevrijden

  en als een herder weiden.

---

*366

#7

1

  Zo zegt de Here u, der goden God:

  "Ik ben de eerste en Ik ben de laatste,

  ja, buiten Mij is er voorwaar geen God,

  niemand die Israel in 't leven plaatste.

  Weest niet verschrikt, de Here is uw rots,

  o, welke god wilt gij dan als mijn naaste?"

2

  Die beelden maken scheppen ijdelheid;

  hun maaksels zijn slechts nutteloze wezens:

  zij weten niets, hun hoofd is ledigheid,

  hun ogen zijn van glas, dus zonder leven.

  Wie op hen hoopt, hoopt op een stenen hart -

  wie zou zijn eigen hart aan zoiets geven?

3

  De smid bewerkt het ijzer in de gloed,

  en met zijn hamer modelleert hij goden.

  Hij werkt tot 's avonds laat soms, als het moet,

  want voor zo'n god wordt hem veel geld geboden

  Dan eet hij weinig, en zijn arm wordt moe

  tot hem de kracht tenslotte is ontvloden.

4

  De timmerman kleedt dan zo'n beeld nog aan,

  bewerkt de god met schaven en met beitels,

  geeft hem de beeltenis van liefst een man,

  een mens, een pronkstuk, want wie is niet ijdel?

  Hij maakt een huis waarin die god mag staan

  om straks in optocht door de stad te rijden.

5

  Is niemand ziende, zijn zij allen blind?

  Is dit in niemands hart ooit opgekomen:

  zo'n god moest zich al buigen voor de wind

  toen hij in 't bos behoorde tot de bomen;

  dat brandhout maakt de mensen welgezind

  om bij het vuur hun grote droom te dromen.

6

  Het overblijvend hout dat niet verrot

  verwerkt gij tot een beeld om voor te knielen.

  Ge spreekt het aan: "Red mij, gij zijt mijn god!

  Wil toch mijn dode hart opnieuw bezielen!"

  Zegt gij dan niet: mijn hand is vol bedrog,

  wat zou ik voor een houtblok nederknielen?

7

  Zo zegt de Here ons, der goden God:

  "Ik ben de eerste en Ik ben de laatste.

  Ja buiten mij is er voorwaar geen God

  die zich voorgoed gemaakt heeft tot uw naaste."

  Wij zijn bevrijd van alle god en lot,

  en zullen niemand op dat voetstuk plaatsen.

---

*367

#16

1

  Wie wil uit zijn hokje komen

  op het klinken van Gods stem?

  Wie wil van de goedheid dromen

  en de vriend'lijkheid van Hem?

2

  Jona, jij bent aangewezen

  om een man van God te zijn,

  om het kwaad de les te lezen

  in de stad van schone schijn.

3

  Allen

  Jona, wil je dienaar wezen

  van het goddelijke woord?

  Jona, kies je angst en vrezen?

  Gooi jij alles overboord?

4

  Tegenstem bij 3e couplet:

  Jona, Jona, Jona met zijn stad

  Jona, Jona, Gooi jij alles overboord?

5

  Bij het schip, waarmee Jona verdween:

  Schepen varen op de golven,

  tussen wind en water door,

  soms wordt daar hun graf gedolven,

  gaan zij ongezien teloor.

6

  En als schepen mensen dragen,

  zoekend naar het vasteland,

  koersen zij naar 't welbehagen

  van Gods goede, vaste hand.

7

  Allen

  Jona, wil je Noach heten,

  in de ark van 't goddlijk woord?

  Wil je van geen naam meer weten?

  Ga je liever overboord?

8

  Tegenstem bij 3e couplet:

  Jona, Jona, Jona bij het schip

  Jona, Jona, Ga jij liever overboord?

9

  Bij de vis, waarin Jona verdween:

  Vissen zwemmen in de diepte

  van de grondeloze zee.

  Niemand was er die hen riep en

  slechts de dood zwemt met hen mee.

10

  Tot Gods woorden zullen klinken

  die tot op de bodem gaan

  en de vissen hen die zinken

  in de reddingsboeien slaan.

11

  Allen:

  Jona, wil je alles missen,

  vluchten naar dit doden-oord?

  En een prooi zijn voor de vissen?

  Is met jou niets overboord?

12

  Tegenstem bij 3e couplet:

  Jona, Jona, Jona bij de vis

  Jona, Jona, Is met jou niets overboord?

13

  Bij de wonderboom, waaronder Jona zat:

  Bomen groeien uit de aarde

  naar de hoge hemel toe.

  Bladerdak- en vruchtendragend

  worden zij hun last niet moe.

14

  Bomen kunnen mensen geven

  wetenschap van goed en kwaad.

  't Is in aards en hemels leven

  waar de boom in 't midden staat.

15

  Allen:

  Jona, wil je rustig wonen

  in de schaduw van Gods woord?

  Wil je God niet dankbaar lonen

  dat Hij 't aardse klagen hoort?

16

  Tegenstem bij 3e couplet:

  Jona, Jona, Jona bij de boom

  Jona, Jona, Hoe God 't aardse klagen hoort!

---

*368

#3

1

  Meisje, sta op, want je slaapt niet meer,

  je droomde, je dagdroomde even.

  Meisje, sta op, want je droomt niet meer;

  een hand neemt je mee in het leven.

  In een regen van kleur,

  in een zonvloed van leven

  strooien de fluitspelers bloemen voor jou.

2

  Meisje, sta op, want je slaapt niet meer,

  een stem riep je weg uit je dromen.

  Luister, dan hoor je de woorden weer.

  de wind zingt ze na door de bomen.

  Want het licht wil je zien

  en de wind wil je strelen,

  speel met de wind in het licht van de zon.

3

  Meisje, sta op, want je slaapt niet meer,

  je droomde, je dagdroomde even.

  Meisje, sta op, want je droomt niet meer,

  veel meer dan een droom is het leven.

  Nee je droomt niet, je leeft

  in het huis van je vader,

  huis om te leven en kind in te zijn.

---

*369

#5

1

  Talitha koem! Je hebt het speelkwartier vergeten

  en je vriendinnen, moet je weten,

  verwachten al zolang hun kameraad,

  met al dat dromen wordt het veel te laat.

2

  Talitha koem! Je hebt je poppen opgeborgen,

  en slaapt tot aan een verre morgen,

  waaraan geen heelmeester een einde kent,

  alsof je van een vreemde wereld bent.

3

  Talitha koem! Er is een hinkelbaan getekend,

  en er wordt vast op je gerekend;

  de hond holt blaffend om het stille huis,

  wordt wakker toch en blijf niet langer thuis.

4

  Talitha koem! Er is een rabbi aangekomen,

  die men verteld heeft van je dromen;

  Hij heeft geglimlacht en Hij sprak ons aan:

  heb wat geduld nog en laat Mij begaan.

5

  Talitha koem! Sta op, het spel kan weer beginnen;

  begroet je vrienden en vriendinnen.

  Te lang heerste een diepe stilte hier.

  Maar nu begint het nieuwe speelkwartier!

---

*370

#5

1

  Wat zijt gij uitgegaan?

  Wat wilt ge gaan aanschouwen:

  een rots om op te bouwen,

  een man Gods te vertrouwen,

  het manna der woestijn?

2

  Een riet dat in de wind

  wordt heen en weer bewogen?

  Een windstoot uit den hoge,

  een koning voor uw ogen,

  een koning of een kind?

3

  Die gaan om praal en pracht,

  die weten wel te huizen

  in weelde van paleizen,

  zij willen zich bewijzen

  en leven van de macht!

4

  Maar gij zijt uitgegaan

  om het geluid te horen

  dat opgaat in uw oren,

  het Woord van lang te voren,

  de tale Kanaans.

5

  De wind waait in net riet:

  gij gaat niet in den blinde,

  maar om het spoor te vinden

  van God en Zijn beminde,

  de Stad in het verschiet.

---

*371

#5

1

  Voorstrofe:

  Een man, alleen op reis gegaan

  naar Jericho kwam daar nooit aan.

  Hem werd groot onrecht aangedaan.

  Wie heeft dat kwaad bedreven?

  Er kwamen rovers op zijn pad.

  Zij namen al wat hij bezat

  en hij heeft nog geluk gehad

  dat zij hem lieten leven.

2

  Wie zal hem helpen, deze man,

  die zelf niet eens meer lopen kan?

  De priester uit Jeruzalem

  kon het niet doen met goed fatsoen..

3

  Voorstrofe

  Wie zal hem helpen, deze man,

  die zelf niet eens meer lopen kan?

  Ik niet, dacht de leviet, ik niet.

  Er is een wet die 't mij belet.

4

  Voorstrofe

  Wie zal hem helpen, deze man,

  die zelf niet eens meer lopen kan?

  De bevende Samaritaan

  is goddank niet voorbij gegaan.

5

  Melodie voorstrofe

  De naaste dat is ieder mens

  die goed is voor een ander mens

  en altijd weer, naar Jezus' wens

  zijn warme hart laat spreken.

  Zo maken wij elkander heel

  en valt ons het geluk ten deel

  een mens te zijn naar Christus' beeld:

  een vrolijk levensteken.

---

*372

#4

1

  De waarheid is het huis waarin wij wonen.

  Wij zijn er vrij, wij gaan er in en uit.

  Wij zijn geen slaven meer, maar wij zijn zonen.

  Het woord heeft ons gezegd wat dat beduidt.

2

  Dingend naar taal en talend naar de dingen,

  wordt alles onverborgen en vertrouwd.

  Het samen spreken van de stervelingen

  heeft op de aarde een verblijf gebouwd.

3

  De ware zoon is wezenlijk gestorven

  en leeft in wezen. Alwie naar Hem hoort

  heeft Hij het leven uit de dood verworven,

  de volle zeggenschap, het vrije woord.

4

  't Is toevertrouwd aan sterfelijke monden,

  ijler dan ijl, de adem spreekt ervan

  om in de tijd het blijvende te gronden,

  het huis waarin de mensheid wonen kan.

---

*373

#6

1

  Demetrius smeedde zijn zilveren sier,

  hij maakte gestalten van mens en van dier,

  hij goot er zijn beelden uit zilver en goud,

  zo heeft hij zijn eigen goden gebouwd.

2

  Refrein:

  De beitel is bot en de smeltkroes kapot,

  en de zaag is verroest en versleten.

  Maar de duif vliegt uit en keert niet weer,

  door de wereld gaat het woord van de Heer

  en de goden der mensen zijn vergeten.

3

  Toen hij van de boodschap van Paulus vernam

  verzamelde hij in de stad alleman:

  "Weest wakker en waakzaam, gij broeders in 't vak

  want deze man steelt ons het geld uit de zak!"

  Refrein

4

  Zij liepen in draf naar 't theater te hoop

  en vroegen elkander. "Wat is er te koop?"

  "Een zekere Paulus verkondigt een woord

  waarvan in Efeze nog nooit is gehoord".

  Refrein

5

  En Paulus verkondigde 't woord van de Heer,

  hij sprak van de weg en verbreidde Zijn leer.

  Hij laakte hun goden, hun maaksels van steen

  en daarom was iedere man op de been.

  Refrein

6

  Toen trok Paulus verder en reisde alleen.

  Het woord van de Heer wees hem telkens waarheen.

  Demetrius heeft nog veel goden gebouwd,

  maar 't waren slechts goden van zilver en goud.

  Refrein

---

*374

#6

1

  Hoor, God, ons roepen, of wij gaan verloren.

  Laat ons volharden, wij, die U toebehoren.

  Wanneer de wereld alle hoop ziet doven,

  doe ons geloven.

2

  Ons leven sterft aan wat wij zelf verdienen.

  Wij leren uitzien naar het ongeziene.

  Zo vaak het zicht ons daarop wordt benomen,

  geef ons dan dromen!

3

  Zullen wij dan alleen onszelf beklagen,

  blinden, die rondgaan, tastend door de dagen?

  Adem van God, vertaal ons onvermogen

  tot in de hoge!

4

  God, die ons kent en ziet in het verborgen:

  geef toch uw eigen stem aan onze zorgen.

  Schep weer het licht, wil dagen in ons midden

  en leer ons bidden.

5

  Als wij in hulploos zwijgen blijven steken

  doet ons uw Geest weer nieuwe woorden spreken,

  brengt ons uw Adem, die het hart kan raken,

  bij U ter sprake.

6

  Geest, pleit voor allen, die verlossing wachten.

  Geef, God, hun stem, hun hart weer nieuwe krachten.

  Doe onze wegen door de diepte, Here,

  ten goede keren!

---

*375

#4

1

  Christus heeft het pleit gewonnen:

  goede moed!

  Weest voorgoed

  aan ZIjn hart gebonden.

  Zeker zullen wij vertrouwen

  dat de macht

  van de nacht

  nu geen stand kan houden.

2

  Duizend malen, dat wij breken

  doen ons pijn,

  maar wij zijn

  van Gods liefde zeker.

  Alle zorgen zijn geborgen:

  Hij bemint

  ons en vindt

  voor ons uit de morgen.

3

  Alle leven is omgeven

  door de dood,

  maar zo groot

  is geen macht verheven

  dat hij ons van Hem kan scheiden.

  Zal Hij niet

  ons verdriet

  keren in verblijden?

4

  Alle weggeworpen leven

  - opgejaagd,

  uitgevaagd -

  zal Hij adem geven.

  Onze val breekt in Gods armen

  en het feest

  van Zijn Geest

  zal het hart verwarmen.

---

*376

#5

1

  Maak ons Uw liefde, God,

  tot opmaat van het leven!

  Wij zijn geroepen om haar

  zingend door te geven.

  De wereld zegt ons niet

  de goede woorden aan.

  Vernieuw ons hart en doe

  ons Uw beleid verstaan.

2

  Wij zijn aaneengevoegd,

  bedacht met uw genade.

  Op liefde hebt Gij ons

  gebouwd, bedeeld met gaven.

  En wat wij zijn draagt bij

  tot welzijn van elkaar.

  In onze eenheid wordt

  uw liefde openbaar.

3

  Elkaar bidden wij toe:

  volhard in het geloven,

  verlies uw vreugde niet

  en kom uw pijn te boven,

  Laat lichten uw gezicht

  over de duisternis

  waarin de ander in

  gemis gevangen is.

4

  Zeg toch het goede aan,

  ook wie u kwaad toewensen.

  De zon gaat op in uw

  nabijheid bij de mensen.

  Hun vreugden en verdriet

  zullen u niet ontgaan;

  in uw omarming heeft

  eenzaamheid afgedaan.

5

  God, laat geen mensenkind

  uit uw ontferming vallen.

  Weer met uw ruime hart

  het kwade van ons allen.

  Gij zijt te goeder trouw

  geweest van het begin.

  Vasthoudend blijft Gij tot

  uw liefde overwint.

---

*377

#3

1

  Uit uw verborgenheid,

  voorbij aan onze grenzen,

  straalt lichte eeuwigheid

  als daglicht voor de mensen.

  Uw wijde hemel welft

  zich rond over de aarde.

  Gij zult op vaste grond

  ons voor het donker sparen.

2

  Hult niet uw oogopslag

  ons in de witte wade

  tot Christus' evenbeeld,

  Uw voorbedachte rade?

  Zo hebt Gij ons gewild,

  het zicht op U gegeven

  als vader, voor wie wij

  niet tevergeefs meer leven!

3

  Ontvouw de weg breeduit

  die eenmaal zal bereiken

  wat uit verborgenheid

  tot bloei nog moet ontluiken.

  De verste verte buigt

  zich naar het stralend midden

  en zingt bevrijd het lied

  om Christus te aanbidden!

---

*378

#6

1

  Die ons in 't hart geschreven staan

  en onze dagen deelden,

  ons in de dood zijn voorgegaan,

  zij lieten ons de beelden

  van zoet en droef herinneren,

  van zoeken, hopen, wachten.

  Zal in de starre, koude dood

  hun naam nog overnachten?

2

  Uw droefheid is niet bodemloos:

  God houdt zijn handen open.

  Het brekend leven, doods en broos

  draagt Hij door vrees en hopen.

  Herinnert Hij zich niet hun naam

  als wachters op de morgen?

  Die in de nacht zijn voorgegaan

  zijn in Gods trouw geborgen.

3

  De naam, waarmee zij zijn genoemd

  staat in Gods hand geschreven

  en zal door alle donker heen

  toch onuitwisbaar blijven.

  In Christus is hun naam bewaard,

  naar Hem blijven zij heten.

  Hij wekt hen uit de slaap en zal

  hen van de dood genezen.

4

  Ons leven wacht wat nog niet is,

  wordt niet vergeefs gelopen.

  God zelf daalt af in ons gemis

  en breekt de kluisters open:

  van alle vragen eens bevrijd,

  van hopeloze zorgen.

  In dood en leven groeit de tijd

  voor wachters op de morgen.

5

  Gedenkt hen, die gestorven zijn;

  Gods licht zal voor hen dagen,

  en alle tranen, alle pijn

  zal Hij zich eigen maken,

  totdat de droom verkeert in zien,

  verwachten wordt tot weten

  en wij in zijn volmaakte licht

  voorgoed in Christus leven.

6

  Voorts, weest krachtig in de Heer,

  en in de sterkte van zijn macht.

---

*379

#10

1

  Aan de voeten van het Woord

  als een leerling neergezeten,

  wordt mij op het lijf geschreven

  wat de Geest zaait in mijn oor.

2

  Sprake is er van dit Woord

  als mijn tong trilt van Gods adem.

  Doven zullen zich verbazen,

  door de lichte taal bekoord.

3

  Schepen op de oceaan

  stuurt de wind over de golven,

  maar zie hen gewillig volgen

  waar een hand het roer doet gaan

4

  Zo kan ook een kleine tong

  als een handlanger van 't kwade,

  scherp Gods klare taal verraden,

  vol van dodelijk venijn.

5

  Blijf aan 't water van Gods wet

  toch de zoete woorden drinken;

  klare klanken zullen klinken,

  zuiv're tonen ingezet!

6

  't Woord wordt op mijn tong gelegd

  om  - tot klinken aangeblazen -

  te volharden in 't vertolken

  van Gods uitgesproken weg.

7

  Kan mijn mond terzelfdertijd

  dat Gods glorie wordt bezongen

  toch Zijn mensenkind verwonden

  met de taal van haat en nijd?

8

  Wordt ook niet de paardekracht

  door een band in toom gehouden?

  En door vuur vergingen wouden

  waar een vlam de dood in bracht.

9

  't Allerkleinste instrument

  kan de dood ter sprake brengen,

  hele werelden verzengen,

  door het onrecht overstemd.

10

  Put uw woorden uit de Bron.

  Helder wordt dan alle spreken.

  Onze taal wordt tot een teken

  van Gods liefste woord: Zijn zoon.

---

*380

#5

1

  Wij wensen onszelf vele jaren

  in huizen die duurzaam zijn,

  bezitten een eigen domein

  gevuld met wat viel te vergaren.

2

  Refrein:

  Heer, hebben wij geen verweer?

  Is er voor ons geen vrijspraak meer?

  Verspelen die daden ons recht op genade?

  Heer, hebben wij geen verweer?

3

  Wij blijven de dagen bezaaien

  met hoop op een hoge winst.

  En steeds als de oogsttijd begint

  staan wij op ons recht om te maaien.

  Refrein

4

  Vergeten de dagen te tellen

  en slapend in onze sleur,

  zal 't roepen van buiten de deur

  ons na middernacht eerst ontstellen?

  Refrein

5

  De band, die ons hielp, is vergeten;

  de scburen meer dan gevuld.

  Wie weet, dat God niet langer duldt

  het knechten van wie naar Hem heten

  Refrein

---

*381

#3

1

  Het oude woord, door Christus

  als nieuw aan 't licht gebracht,

  geeft onze blinde dromen

  een uitzicht ongedacht.

  De luister van zijn liefde,

  de stralen van zijn dag

  hebben de weg gewezen

  die nog verduisterd lag.

2

  Wij leven van die liefde

  en ademen baar in.

  Wij zijn elkaars omarming,

  het scheppende begin

  uit God opnieuw geboren,

  geroepen in het licht.

  Zijn zegenende glimlach

  heeft ons weer opgericht.

3

  De liefde is door Christus

  als beeld van God getoond.

  Zo kennen wij de Vader

  aan 't leven van de Zoon.

  De liefde is het antwoord

  dat ieder verder draagt,

  waarin God zich laat kennen

  aan al wie naar Hem vraagt.

---

*382

#5

1

  Hoe leesbaar is

  ons onderlinge leven,

  als Christus' brief

  voor anderen geschreven?

  Is ons zijn erfenis

  niet in het hart gegrift?

  Zijn wij te kennen

  als zijn eigenhandig schrift?

2

  Wie kan in ons

  die brief van Christus lezen?

  Zo sprakeloos zijn wij

  in heel ons wezen

  als telkens niet de Geest

  ons aan elkander rijgt,

  de dode letters weer

  tot nieuwe zinnen schrijft?

3

  Onleesbaar wordt

  ons onderlinge leven

  als ook door ons

  Zijn Geest is afgeschreven.

  Gezonden zijn wij en

  gedreven tot de taal

  die als bestemming Zijn

  genadewoord herhaalt.

4

  En metterdaad

  dat woord ook te vertalen,

  voor mensen Zijn

  ontferming te herhalen,

  hoe Hij in ons opnieuw

  tot leven komt, dat blijft

  voor ons bestaan de zin,

  geschreven op het lijf.

5

  Zie, wij gaan op naar Jeruzalem,

  en al wat door de profeten geschreven is,

  zal aan de Zoon des mensen,

  de Zoon des mensen worden volbracht.

---

*383

#5

1

  Als ik groot ben zal ik weten,

  hoe de wilde dieren heten;

  hoe de bergen zijn ontstaan,

  en hoe diep de zeeen gaan.

2

  Als ik groot ben zal ik weten

  hoe ik alles uit kan meten,

  waar de zon is en de maan,

  en hoe ver de sterren staan.

3

  Als ik groot ben zal ik vragen

  waarom God in weinig dagen,

  alles maakte, alles schiep,

  en de mens tot leven riep.

4

  Van God zal ik antwoord krijgen

  als de grote mensen zwijgen.

  Want ook zij begrijpen niet

  wat God in de mensen ziet.

5

  Maar nu wil ik nog niet denken

  met mijn armen vol geschenken.

  Nu geniet ik alle dagen.

  Morgen zal ik God wel vragen.

---

*384

#9

1

  Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven;

  hoe lang mag een mens wel leven?

  Zeven dagen heeft een week,

  wie ze tellen kan gaat mee

  al de dagen van zijn leven.

2

  Zondag heeft de hoogste waarde

  want toen werd het licht op aarde,

  toen is Jezus onverwacht

  opgekomen uit de nacht

  en de zon schijnt op de aarde.

3

  Maandag laat de mensen lopen

  om het dagelijks brood te kopen,

  maandag is van zessen klaar,

  wateren gaan uit elkaar

  en God doet de mensen hopen.

4

  Dinsdag brengt op de gedachte

  dat het goed is af te wachten

  als God zaait met gulle hand,

  groen is het beloofde Land,

  maar men moet geduldig wachten.

5

  Woensdag is de dag der dromen:

  hoeveel mensen zullen komen

  op de bruiloft met het Lam?

  Vraag het vader Abraham,

  tel de sterren in je dromen!

6

  Donderdag is voor de vissen

  in de diepe duisternissen,

  voor de vogels en hun lied,

  roof de jonge nesten niet,

  want het lied kan niemand missen.

7

  Vrijdag heeft de meeste uren

  voor de mensen en de dieren,

  toen is Jezus blootgesteld

  als een lam aan doodsgeweld

  om de wereld te verduren.

8

  Zaterdag is om te zingen

  van de vele lieve dingen

  en het komend paradijs,

  leert vandaag een nieuwe wijs,

  dan laat God de bomen zingen.

9

  Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven;

  hoe lang mag een mens wel leven?

  Zeven dagen heeft een week,

  wie ze tellen kan gaat mee

  al de dagen van zijn leven.

---

*385

#4

1

  Zeshonderd jaar is Noach oud,

  hij bouwt een ark van goferhout

  met kamers zonder kieren

  en stallen voor de dieren.

  De os en de ezel,

  de wolf en de wezel,

  de tijger en de leeuw,

  de merel en de meeuw,

  de koekoek en de kaketoe,

  de marter en de maraboe.

  Zijn eigen sluwe gang

  gaat de slang.

  Ja, alle dieren gaan er in

  en Noachs hele huisgezin.

  God wil hen wel bewaren

  en voor de zondvloed sparen.

2

  Van alle dieren die bestaan

  mogen er twee de ark in gaan.

  Daar komen ze gelopen,

  gevlogen en gekropen:

  De aap en de ever,

  de beer en de bever,

  de krekel en de mier,

  de gekko en de gier,

  de kikker en de kakkerlak,

  de hamster en de huisjesslak.

  En helemaal vooraan

  kraait de haan.

  Alleen de vissen gaan niet mee,

  die blijven in de grote zee.

  De vissen hebben vinnen,

  die hoeven niet naar binnen.

3

  De regen valt, de vloed komt op

  tot aan de hoogste heuveltop.

  Maar Noachs ark kan drijven,

  zo zal in leven blijven:

  De uil en de emoe,

  de zwaan en de zeboe,

  de ekster en de kauw,

  de panter en de pauw,

  de eland en de olifant,

  de gibbon en de goudfazant.

  En heel gedwee en tam

  is het lam.

  De zon, de sterren en de maan

  die blijven aan de hemel staan.

  Die zullen weer gaan schijnen

  als 't water gaat verdwijnen.

4

  En dan komt eindelijk de dag

  dat Noach weer naar buiten mag.

  Hij wil zijn redding vieren

  met alle lieve dieren.

  De eend en de ibis,

  de fuut en de fitis,

  de buffel en de rat,

  de kever en de kat,

  de pijlstaart en de pelikaan,

  de luiaard en de leguaan.

  En boven alles uit

  zweeft de duif.

  Ontroerd kijkt Noach naar omhoog

  en ziet de eerste regenboog,

  een teken in de wolken:

  God zegent alle volken.

---

*386

#6

1

  Refrein:

  Paulus, apostel, ga op reis,

  door de heuvels en over de zee;

  Paulus, apostel, goede reis,

  de Heer gaat met u mee.

  De velden zijn wit en de oogst is groot

  en de tijd is zo kort van duur.

  Doe het pantser aan, houd het zwaard ontbloot

  en wees waakzaam, want dit is het uur.

2

  Paulus, apostel, het schip is gereed

  en gunstig is het getij.

  Kom aan boord, want het zeil staat bol en breed

  en de roeiriemen steken langszij.

3

  Paulus, apostel, ga op het dek,

  het anker is al gelicht,

  van de voormast wappert de vaan van vertrek,

  voor de boeg is de branding in zicht.

  Refrein

4

  Paulus, apostel, wees maar gerust,

  de golven dragen u voort,

  en een bries gaat vooruit van kust tot kust,

  als de waaiende wind van Gods woord.

  Refrein

5

  Paulus, apostel, spreek dan een woord,

  een engel is aan uw zij,

  wees niet bang, want Gods stem hebt gij gehoord,

  heb vertrouwen, want Hij is nabij.

  Refrein

6

  Paulus, apostel, begeef u aan land

  en predik het woord van de Heer,

  als een bode van Hem, als zijn afgezant,

  als heraut van Zijn macht en Zijn eer.

  Refrein

---

*387

#10

1

  Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.

  Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant,

  om de tijd niet te verliezen,

  maar een koning uit te kiezen;

  een koning over heel het land,

  wie helpt ons uit de brand!

2

  Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.

  Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant.

  O, olijfboom, laat je kiezen;

  het kan dooien, het kan vriezen.

  Een koning over heel het land,

  die helpt ons uit de brand.

3

  Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.

  Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant.

  Vijgeboom, o laat je kiezen;

  het kan dooien, het kan vriezen.

  Een koning over heel het land,

  die helpt ons uit de brand.

4

  Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.

  Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant.

  Wijnstok, wijnstok, laat je kiezen;

  het kan dooien, het kan vriezen.

  Een koning over heel het land,

  die helpt ons uit de brand!

5

  Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.

  Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant.

  Doornstruik, doornstruik, laat je kiezen,

  het kan dooien, het kan vriezen.

  Een koning over heel het land,

  die helpt ons uit de brand!

6

  Wij zijn de bomen, de bomen van het goede land.

  Wij zijn gekomen, gekomen van de overkant

  om de tijd niet te verliezen

  maar een koning uit te kiezen:

  een koning over heel het land:

  die helpt ons uit de brand!

7

  Olijfboom: melodie b:

  Nee, ik wil geen koning zijn,

  daarvoor, bomen, voel ik geen grein.

  Moet ik boven jullie zweven?

  Nee, nee, nee, nooit van mijn leven.

  Mijn olie die moet stromen, stromen.

  Laat een ander koning zijn,

  ja, laat een ander komen.

8

  Vijgeboom: (Melodie B)

  Nee, ik wil geen koning zijn,

  daarvoor, bomen, voel ik geen grein.

  Moet ik boven jullie zweven?

  Nee, nee, nee, nooit van mijn leven;

  mijn zoetheid, die moet stromen, stromen.

  Laat een ander koning zijn,

  ja, laat een ander komen!

9

  Wijnstok: (Melodie B)

  Nee, ik wil geen koning zijn,

  daarvoor, bomen, voel ik geen grein.

  Moet ik boven jullie zweven?

  Nee, nee, nee, nooit van mijn leven;

  mijn wijn die moet tocb stromen, stromen.

  Laat een ander koning zijn,

  ja, laat een ander komen!

10

  Doornstruik: (Melodie B)

  Ja; voor nu en altijd weer

  wil ik koning zijn en heer!

  Schaduw zal ik zeker geven,

  heersen over dood en leven,

  want anders moet je branden, branden;

  ben je ergens nergens meer

  en knars je met je tanden.

---

*388

#3

1

  Wij delen ons hart met elkaar,

  omdat Jezus zijn geest er doet wonen,

  Die leven en liefde bewaart

  en alleen maar dat ene is nodig.

  Refrein:

  Wij delen en spelen voor God in bet licbt,

  de hemel is open, gaat nooit meer dicht.

  Wij delen en spelen voor God in bet licbt,

  de hemel is open, gaat nooit meer dicht.

2

  Wij delen ons brood met elkaar,

  omdat Jezus bet betere brood is,

  dat leven en liefde bewaart,

  en alleen maar dat ene is nodig.

  Refrein

3

  Wij delen een droom met elkaar,

  omdat Jezus voor ons heeft gekozen,

  die leven en liefde bewaart

  en alleen maar dat ene is nodig.

  Refrein

 

  Amen, amen.

---

*401

#8

1

  Licht in onze ogen,

  redder uit de nacht,

  geldt uw mededogen

  nog wie U verwacht?

2

  Als der mensen trooster

  roepen wij U aan:

  noem de namelozen

  met een nieuwe naam!

3

  Herder, wil behoeden,

  wie in 't duister valt.

  Keer hun lot ten goede,

  Licht, dat stralen zal!

4

  Bloesem in de winter,

  roze dageraad,

  wees ons teken dat de

  Zon verschijnen gaat!

5

  Regen uw gerechtigheid

  en bevrucht de aard,

  tot de trouw ontkiemt en

  vrede bloeien gaat!

6

  Kyrie eleison,

  dat Gij U erbarmt,

  onze kille koude

  met uw licht verwarmt!

7

  Christe eleison,

  nog is niet verstomd

  ons verlangend roepen

  dat Gij spoedig komt!

8

  Kyrie eleison,

  wees genadig, Heer!

  Breng ons naar de morgen

  wacht niet langer meer!

---

*402

#5

1

  Uit uw verborgenheid

  hebt Gij ons aangesproken,

  de weerstand van de nacht

  met heilig vuur gebroken.

  Gij brandt uw eigen naam

  voorgoed in onze dagen

  en schrijft in ons bestaan

  uw woord van welbehagen.

2

  Uit uw verborgenheid

  voorbij aan onze grenzen,

  straalt lichte eeuwigheid

  als daglicht voor de mensen.

  Uw wijde hemel welft

  zich rond over de aarde.

  Gij zult op vaste grond

  ons voor het donker sparen.

3

  Uit uw verborgenheid

  nu aan de dag getreden,

  hebt Gij uw heil gezocht

  bij mensen, hier en heden.

  Zoals Gij kwam om ons

  met vrede te ontmoeten,

  laat het ook vrede zijn

  waarmee wij U begroeten.

4

  Uit uw verborgenheid

  ons zo te na gekomen,

  deelt Gij in onze nacht

  en zaait er nieuwe dromen.

  Zolang het donker duurt,

  de moed ons wordt ontnomen,

  voed ons dan met de hoop

  dat Gij voorgoed zult komen.

5

  Uit uw verborgenheid

  ontsteekt Gij licht op aarde.

  Wilt Gij ons warmen met

  de gloed van uw genade.

  Wij delen met elkaar

  het licht, het lied, de zegen.

  Wij zijn uw kandelaar,

  wij gaan het donker tegen!

---

*403

#6

1

  Wij zingen door de tranen heen,

  ver boven onze macht,

  omdat in ongekende nacht

  als blijvend teken van de dag

  een ster ons tegenlacht.

 

  Refrein:

  Kom en word opnieuw geboren,

  ster waarop de wereld wacht.

  Breek het donker met uw stralen;

  met uw warmte: breek de nacht!

2

  Een lied voor mensen, nameloos,

  verstoken van elk licht,-

  de hemel doof, geen God te zien,

  geen droom en alle toekomst dicht,

  geen woord, geen vergezicht:

  Refrein

3

  Dan toch, door onze tranen heen,

  ver boven onze macht:

  God heeft naar mensen omgezien!

  Dit Kind, hier aan het licht gebracht:

  zo heeft Hij ons gedacht!

  Refrein

4

  Wij zingen, want zo straalt ons toe:

  God is het, die ons zoekt!

  En alles, wat Hem tegenspreekt,

  en vloekt met wat Hij heeft gezegd,

  wordt zingende weerlegd.

  Refrein

5

  Ons lied voert over alle nacht

  de hoogste boventoon,-

  verwonderd omdat in een kind

  God zijn gezicht aan mensen toont,

  en in hun wereld woont.

  Refrein

6

  Ons zingen roept de hemel aan,

  een lied uit alle macht!

  En wie zichzelf verloren waant

  vindt hier een nieuw en lichtend spoor,

  vindt bij God zelf gehoor!

  Refrein

---

*404

#9

1

  Straks verkillen alle vuren

  en de aarde wordt een steen,

  wie zal nog het leven vieren

  nu de nacht staat om ons heen?

2

  In de sterren staat geschreven

  niets dan doodskou en gemis,

  welke ster belooft ons leven

  dat van harte leven is?

3

  Ster van David, ster van David

  sta niet bij de hemel stil,

  wees een lopend vuur op aarde,

  wees een vuur dat warmte wil!

4

  Zal geweld niet meer behoren

  tot de tekens van de tijd,

  worden wij opnieuw geboren,

  leven wij dood in dood uit?

5

  Samen als de nieuwe blaren

  aan een godverlaten boom,

  samen hier op deze aarde,

  voedingsbodem van de hoop?

6

  Ster van David, ster van David,

  sta niet bi j de hemel stil,

  wees een lopend vuur op aarde,

  wees een vuur dat warmte wil!

7

  Zal de aarde weer gaan bloeien

  als een bongerd in de Mei,

  zal er levend water vloeien,

  is de wereld niet voorbij?

8

  Ja, de mensenboom zal leven

  en de schepping gaat vrijuit

  en de ontrouw is vergeven

  en de aarde is de bruid!

9

  Ster van David, ster van David,

  stond niet aan de hemel stil,

  werd een sterveling op aarde,

  werd een zaad, een ster die viel!

---

*405

#4

1

  Het feest gaat nu beginnen.

  Weest vrolijk allemaal

  en wilt elkaar beminnen

  in teken, toon en taal.

  Gij zult nooit meer vervallen

  aan 't kwade om u heen.

  Roept vrede toe aan allen

  en zegent iedereen.

2

  De engelen zij zingen

  de glorie voor ons uit.

  Wie kan zich nu bedwingen?

  Het is hoog aan de tijd,

  de tijd om te gaan vieren

  dat in dit kleine kind

  voor mensen, planten, dieren

  de schepping weer begint!

3

  Het land komt weer tot leven,

  het was de dood nabij.

  De bomen hoog verheven,

  de bloemen in de wei,

  de bergen en de velden

  die bloeien eens te meer

  om gloria te melden

  aan Hem, uw God en Heer.

4

  De stad is vol van vreugde

  met mensen in de zon

  en kinderen verheugen

  de hoge ouderdom.

  God zelf wil bij hen wonen

  als bij zijn huisgezin.

  Aan allen wil Hij tonen

  een heilzaam nieuw begin.

---

*406

#5

1

  O stad van David, Bethlehem

  hoe klein, verhef met kracht uw stem,

  want hier is Hij, die koning is,

  wiens land vol melk en honing is.

2

  O stad van Rachel, van uw graf

  wentelt dit Kind de grafsteen af;

  Maria heeft een zoon gezoogd:

  Gods rechterhand, die tranen droogt.

3

  O stad van Ruth, o huis van brood,

  hier is het zaad, dat in de dood

  ontkiemt en oprijst, hoog als graan -

  uw akker zal vol koren staan!

4

  O stad van herders, zie het lam

  dat al uw zonden op zich nam;

  gij schapen, deze herdersvorst

  verjaagt uw honger en uw dorst.

5

  O stad van David, Bethlehem,

  voorbode van Jerusalem,

  al is uw wieg en woning klein,

  hier zal Gods liefde koning zijn!

---

*407

#7

1

  Allen:

  Koning naaste, waar kom jij vandaan?

2

  Solo:

  Ik kom uit de verte uit Gods goedheid aan

  in het land van Juda, daar bij de Jordaan.

3

  Koning naaste, wat kom jij daar doen?

  In de strijd mij wagen, om het recht te doen.

  Pais staat in mijn wapen, vree in mijn blazoen.

4

  Koning naaste, zeg mij, wat is recht?

  Recht, dat zijn de woorden, eeuwenlang voorzegd;

  waren ze verloren, ik breng ze terecht.

5

  Koning naaste, voor wie kom jij dan?

  Ik kom voor de kleine die niet spelen kan,

  zieke en onreine, jan en alleman.

6

  Koning naaste, waar is jouw paleis?

  Needrig is mijn woning, simpel is mijn wijs,

  vreugde mijn beloning, 't woord van God mijn spijs.

7

  Koning naaste, kom, de wereld wacht,

  doe het kwaad verdwijnen, liefdevol en zacht,

  kom toch helder schijnen in de donk're nacht.

---

*408

#4

1

  Toen midden in de wintertijd geen vogel werd gehoord,

  verlieten eng'len zingende de hoge hemelpoort.

  Zij daalden langs de sterren neer.

  Hun lied ging over God de Heer,

  dat Hij mensen bemint, mensen bemint,

  in excelsis gloria.

2

  De herders in het open veld gezeten rond hun vuur,

  vernamen zo dat Jezus was geboren in dat uur,

  de Heiland eeuwenlang verwacht.

  De eng'len zongen in de nacht,

  dat Hij vrede ons brengt, vrede ons brengt,

  in excelsis gloria.

3

  Drie oude koningen van ver trotseerden weer en wind

  op zoek naar de geheimen van dit pasgeboren kind.

  Zij bogen zich voor Jezus neer

  en zij verstonden: Hij is Heer

  over leven en dood, leven en dood,

  in excelsis gloria.

4

  Wij kind'ren van een nieuwe tijd vieren het oude feest

  van Hem die na ons komen zal en voor ons is geweest.

  Hij is geboren in de nacht

  en heeft de wereld 't licht gebracht.

  Zingt nu, Ere zij God, ere zij God,

  in excelsis gloria.

---

*409

#4

1

  De hemel doet het horen,

  dat Jezus is geboren,

  der mensen Welgezinde

  laat als een kind zich vinden.

  Hij wil als mens verschijnen,

  een heiland zijn der kleinen.

 

  Refrein

  Halleluja, halleluja,

  want Jezus is geboren.

2

  De engelen begroeten

  wie zij op aard ontmoeten

  met licht en lof en vrede.

  De herders hier beneden,

  zij mogen samen dragen

  het godd'lijk welbehagen.

  Refrein

3

  De duisternissen schromen

  om aan de dag te komen.

  Nu heerst de vorst der lichten,

  die vreed' en recht zal stichten.

  En als het ochtendgloren

  van heil is Hij geboren.

  Refrein

4

  Wilt allen dan bezingen

  de wonderlijke dingen,

  die God heeft ondernomen:

  de Christus is gekomen,

  om onder mens'lijk lijden

  de boze te bestrijden.

  Refrein

---

*410

#7

1

  De koning van het sterrelicht

  de vorst van vrede is geboren.

  Het kind dat in de kribbe ligt

  het zal de duisternis verstoren.

 

  Refrein:

  Vrede op aarde, eer zij God.

  Komt laat ons Gode glorie zingen.

2

  Het is gedaan met nacht en dood,

  en ook de stilte moet verdwijnen.

  Nu schijnt een licht, zo stralend groot:

  de Zon der zonnen zoekt de zijnen.

  Refrein

3

  Brachten de engelen de glans

  der hoge hemel met zich mede,

  als kleine ster betreedt nochtans

  het kwetsbaar Kind zijn baan van vrede.

  Refrein

4

  En al wie wankelt ziet het licht,

  de richting waarin hij moet lopen,

  totdat hij vindt het aangezicht,

  het baken dat hem weer doet hopen.

  Refrein

5

  Het is het Kind, dat met ons deelt

  wat wij aan schuld en zorgen dragen;

  de Godszoon die de wonden heelt,

  de wetten draagt van de tien plagen.

  Refrein

6

  Vanwege Hem richten zich op

  de dromers van de donkre dromen,

  omdat zij in hun duister lot

  het helder licht van God zien komen.

  Refrein

7

  Nu breekt een luide jubel uit

  sinds lang verstomde mensenmonden;

  een ster verrijst, een zon ontspruit,

  het licht der schepping is hervonden.

  Refrein

---

*411

#5

1

  Geboren in een stal,

  begroet door mens en dier,

  bracht hij het rijk van God

  van hemel hoog naar hier.

2

  Getogen als een kind,

  een Zoon van Israel,

  was hij van meet af aan

  ons aller metgezel.

3

  Gehoorzaam aan Gods Woord,

  een ware Zoon der Wet,

  heeft hij zich metterdaad

  voor armen ingezet.

4

  Gestorven aan een kruis,

  door iedereen gesmaad,

  heeft hij ten toon gespreid

  hoe ver vergeving gaat.

5

  Verrezen uit de dood

  in heerlijkheid en pracht

  heeft hij al laten zien

  wat eens de wereld wacht.

---

*412

#3

1

  O ster van David, morgenster,

  heraut van wat zal komen,

  gij schijnt - en daarom kan ik er

  stoutmoedig over dromen:

  de hemel, stralend als een bruid,

  het zaad, dat uit de aarde spruit,

  de bloesem aan de bomen!

2

  O ster van David, morgenster,

  hoe blijf ik op u hopen;

  zolang gij schijnt, zolang is er

  een lamp om bij te lopen.

  AI wacht ik op het zonnelicht,

  al is de nacht rondom mij dicht,

  gij doet de ochtend open!

3

  O ster van David, morgenster,

  heraut van wat zal komen,

  gij straalt - en daarom zal ik er

  al zingende van dromen:

  een land waar liefde huizen bouwt

  een lachend kind, een dag van goud,

  het paradijs - volkomen!

---

*413

#8

1

  Invocabit:

  In veertig dagen van beproeven,

  vol van woestijnwind en van Geest,

  waar duivelslist de leugen leest

  zal Iemand in Gods Naam hier toeven

  ons ten behoeve.

2

  Reminiscere:

  En het geschiedde in die dagen

  dat hij in heerlijkheid verscheen.

  Een stralend licht om allen heen,

  die naar des Heren welbehagen

  Gods glorie zagen.

3

  Oculi:

  De boze geesten moeten wijken

  voor Hem die in de hemel woont

  en Die zijn goedheid aan ons toont.

  Machten, zij zullen - zo zal blijken -

  hun vlaggen strijken.

4

  Laetare:

  De broederschap, niet toegenegen,

  verkiest voortijdig part en deel

  in enkelvoud, wat niet zoveel

  is om te gaan gebaande wegen

  van God verkregen.

5

  Judica:

  Wie onverdacht en goed wil leven

  moet leven in verbondenheid

  met iedereen te juister tijd

  en niet te snel een oordeel geven

  in vrees en beven.

6

  Palmarum:

  De Mensenzoon gaat tot het einde

  Zijn gang door de geschiedenis.

  Temidden van de duisternis

  en stervensmoe van al het zijnde

  komt Jezus' wende.

7

  Pasen:

  Christus is uit de dood verrezen:

  Wie zoekt het leven bij de dood?

  Het Licht staat op in wijn en brood,

  het heeft voorgoed de weg gewezen

  en ons genezen.

8

  Christus is uit de dood verrezen;

  ten derden dage opgestaan

  heeft Hij voor allen ingestaan.

  Laten wij daarom vrolijk wezen:

  GOD ZIJ GEPREZEN!

---

*414

#6

1

  Christus staat in majesteit

  door een stralenkrans omgeven

  op de berg der heerlijkheid,

  licht uit licht en eeuwig leven.

  Halleluja.

2

  Mozes en Elia zijn

  zijn getuigen, want zij weten:

  Hij voltooit de lange lijn

  van de wet en de profeten.

  Halleluja.

3

  Daarom spreken zij met Hem

  van zijn uitgang en zijn lijden

  later te Jerusalem

  in de volheid van de tijden.

  Halleluja.

4

  Uit de hemel komt een stem

  die het visioen komt schragen:

  Deze is mijn Zoon; op Hem

  rust mijn eeuwig welbehagen.

  Halleluja.

5

  Zo wordt God in glans gekend;

  Hij, het licht van ons verlangen,

  woont niet in een aardse tent,

  maar op onze lofgezangen.

  Halleluja.

6

  Vrede is het woord

  dat wij mogen spreken.

  Vrede is het brood

  dat wij mogen breken.

---

*415

#7

1

  Wij houden maaltijd op, dit uur.

  God is nabij, een zuil van vuur,

  waaronder wij verzameld zijn

  om uit te delen brood en wijn.

2

  De uittocht is nog maar begin,

  wij trekken voort de toekomst in

  en wat ons toekomt ligt altijd

  in tekens binnen handbereik.

3

  Van dood naar leven onderweg

  zijn wij met Christus en hij legt

  zijn leven neer in brood en wijn,

  zo wil Hij in ons midden zijn.

4

  Treed met Hem uit de slavernij,

  Hij deelt zich uit in deze rij.

  Hij weet de weg, Hij is de wolk

  voor heel het messiaanse volk.

5

  Hij wil ons levensteken zijn,

  Hij richt ons op met brood en wijn,

  een voorproef van een nieuw bestaan,

  wij delen vrede in zijn naam.

6

  Hij gaat ons voor en sluit de rij,

  Hij is ons allen zeer nabij,

  zijn heil gaat voort van mond tot mond,

  geen kind valt buiten zijn verbond.

7

  Wij houden maaltijd op dit uur.

  God is nabij, een zuil van vuur

  waaronder wij verzameld zijn

  om uit te delen brood en wijn.

---

*416

#4

1

  Op de avond toen de uittocht

  uit Egypte werd gevierd,

  en de matse werd gebroken

  en de wijn werd ingeschonken,

  toen heeft Jezus aan zijn mensen

  een geheim geleerd:

 

  Refrein:

  Wij gaan met het brood,

  wij gaan rond met de wijn,

  want ieder mag leven

  en vrolijk zijn.

2

  Op die avond van het paasfeest,

  heeft hijzelf ons uitgelegd,

  dat het brood ons werd gegeven

  als een teken van zijn leven,

  dat hij uitdeelt aan zijn mensen,

  dat heeft hij gezegd.

  Refrein

3

  Op die avond, toen de beker

  werd gezegend door de Heer,

  zei hij: wat jullie misdeden,

  dat is nu voorgoed verleden,

  je mag leven van vergeving,

  nu en telkens weer.

  Refrein

4

  Op die maaltijd van het paasfeest,

  op de avond voor zijn dood

  zei hij: zelf zal ik er bij zijn

  op het feest waar jullie vrij zijn,

  op de maaltijd, die God aanricht,

  en dat feest wordt groot!

  Refrein

---

*417

#5

1

  Door wat voor grote eenzaamheden

  is Hij aan ons voorbij gegaan,

  wij hebben wel zijn naam beleden

  maar niet zijn stem verstaan.

2

  De laatste drie die Hem behoorden

  die sliepen in Gethsemane;

  en wij, wij waken wel met woorden,

  maar gaan niet met hem mee.

3

  Onder het duister van zijn Vader

  vernedert Hij zich in het stof,

  en niemand, niemand komt Hem nader

  daar in de donkre hof.

4

  Wij kunnen wel bij Hem verwijlen

  met onze woorden en ons lied,

  maar kunnen niet zijn lijden peilen,

  zijn duisternissen niet.

5

  Wij stuwen wel met vrome wensen

  en met gebeden om Hem heen.

  Maar de verlossing van de mensen

  die lijdt Hij heel alleen.

---

*418

#5

1

  Nacht op de middag als de grote zon

  beschaamd de handen voor de ogen houdt,

  opdat zij deze schande niet aanschouwt,

  gebeuren ziet wat niet gebeuren kon:

2

  de nederlaag van God, de mens die lijdt,

  die aan het hoge hout gehangen is,

  het bloedend hart van de geschiedenis,

  het raadsel van de godverlatenheid.

3

  Hoe wonderlijk behoren wij daarbij,

  wij zijn de mensen om de heuvel heen,

  de menigte met lachen en geween,

  de vrouwen en soldaten, dat zijn wij.

4

  Aan Hem wordt heel ons menszijn openbaar,

  aan ons zijn godheid en zijn eenzaamheid.

  Wij zijn de mensen tussen wie Hij lijdt,

  de goede en de slechte moordenaar.

5

  En toch houdt Hij de armen uitgestrekt,

  om te omarmen wie de zijnen zijn,

  de gasten aan zijn dis van brood en wijn.

  Toch wordt het licht, wij worden opgewekt.

---

*419

#7

1

  Wij komen in witte kleren

  uit de Rode Zee aan wal.

  Een Lam zal ons regeren,

  dat ons ook voeden zal.

  Wij zingen Christus ter ere,

  wij krijgen een koningsmaal.

2

  Zijn liefde zal ons laven,

  zijn bloed heeft Hij veil gehad.

  Zijn lichaam is de gave

  die alle goeds bevat.

  In ons daalt Hij ten grave,

  uit liefdes overdaad.

3

  Het bloed aan de deur gesprenkeld

  schrikt de verschrikking af.

  Voorbij gaat de zwarte engel,

  voorbij de zware straf.

  De zee wordt zelfs gegrendeld,

  de vijand vindt zijn graf.

4

  Ons Paaslam uitverkoren

  en ons Paasoffer is

  Christus, dat hemels koren

  en brood van onze dis,

  het woord voor wie wil horen

  waar geen bedrog in gist.

5

  Gij offer van den hemel,

  Gij maakt ons leven goed.

  Ons hart is onderhevig

  aan 't gisten van ons bloed.

  Maar Gij loopt met uw leven

  de dood onder de voet.

6

  Gij hebt ons een naam gegeven,

  Gij hebt een vaan ontvouwd.

  De ban is opgeheven,

  de hemel toevertrouwd.

  De duivel weet van uw zege,

  hoezeer hij zich verstout.

7

  O laat ons de vrijheid ontvangen,

  het licht dat de dood bescheen.

  Houd onze harten brandend

  door alle tijden heen.

  Gij olie in onze lampen,

  Gij vuur door merg en been.

---

*420

#7

1

  Brandend van verlangen,

  witte toorts van licht,

  midden in een lange

  doodsnacht opgericht.

 

  Keervers:

  Kaars van God gegeven,

  schitter in dit uur,

  Christus, wees ons leven,

  wees ons vreugdevuur.

2

  Duister zijn de dagen,

  donker is de tijd,

  haast niet te verdragen

  wat ten hemel schreit -

  Keervers

3

  Waakvlam van de vrede,

  wachter in de nacht,

  vuurkolom die heden

  waakt en op ons wacht -

  Keervers

4

  Fakkel van verzoening,

  druipend uit de doop,

  recht naar Gods bedoeling,

  breekbaar als de hoop -

  Keervers

5

  Licht dat uit de doden,

  uit de nacht verrijst,

  vlam die niet te doven

  naar de dag verwijst -

  Keervers

6

  Hunkerend naar boven

  smelt Gij aan de vlam,

  sterft Gij zienderogen,

  korte, stompe stam -

  Keervers

7

  Brandend van verlangen

  toont Gij Gods gezicht:

  liefde, onbevangen,

  vrolijk levenslicht!

  Keervers

---

*421

#2

1

  Christus is uit de dood verrezen:

  Wie zoekt het leven bij de dood?

  Het Licht staat op in wijn en brood

  het heeft voorgoed de weg gewezen

  en ons genezen.

2

  Christus is uit de dood verrezen:

  ten derden dage opgestaan

  heeft Hij voor allen ingestaan.

  Laten wij daarom vrolijk wezen:

  GOD ZIJ GEPREZEN!

---

*422

#4

1

  Als kinderen nieuw geboren

  zo moet gij begerig zijn

  om het woord van de Heer te horen

  uw melk en uw medicijn.

 

  Refrein:

  Het woord van de Heer is weldadig,

  het woord van de Heer maakt rein;

  het woord van de Heer verzadigt

  wie dorstig en hongerig zijn.

2

  Het is aan de mensen beschoren

  begerig te zijn naar God,

  naar een God, die als mens geboren

  kwam uit een aardse schoot.

  Refrein

3

  Het is aan de mensen geschonken

  te proeven de zoetheid Gods;

  want het Leven heeft zelf gedronken

  de bittere gal des doods.

  Refrein

4

  Nu drinkt dan en weest begerig

  en groeit in de zaligheid,

  en weest ook wederkerig

  voor God en Zijn Zoon bereid.

 

  Refrein:

  Het Woord van de Heer is geduldig,

  het sterft en staat op als brood;

  het brood wordt vermenigvuldigd

  en redt van de bittere dood.

---

*423

#5

1

  Gods adem waait zijn woorden uit de hoge

  en David rijgt ze tot een nieuw gedicht.

  De herder plukt de sterren van de hemel

  en vlecht ze tot een vrolijk lied van licht.

 

  Refrein:

  Zing en zaai een lied van vrede!

  Zing en bouw een huis van licht!

  Zing en bid dat hier en heden

  God zijn wonderen verricht!

2

  Dit lied ontwapent alle harde handen,

  roept lente uit in een bevroren land,

  geeft vuur en vlam aan ons verkild verlangen

  en zegent alle vlees van hogerhand.

  Refrein

3

  De godverlaten wolken zullen wijken

  en breken zal de schemer van verdriet.

  De eenzaamheid, gehuld in boos verwijten.

  verliest zijn hart aan een genadig lied.

  Refrein

4

  En zingend wordt de dag opnieuw geboren.

  De vale vlerken van een bange nacht

  worden verjaagd. De angstdroom heeft verloren

  Het lied geneest, wist alle tranen af.

  Refrein

5

  De Geest van God wiekt dansend van de snaren

  en geeft als maat de hartslag van zijn trouw.

  De wijs vertoont een vergezicht van kleuren;

  de boventoon vertolkt de Stad van goud.

  Refrein

---

*424

#6

1

  Als heimwee is de Geest zo sterk;

  naar huis verlangend roept de kerk,

  zij roept als bruid haar bruidegom:

  Kom haastig, Here Jezus, kom!

2

  De stemmen stormen op ons aan:

  waarom toch is Hij heengegaan?

  Waarom Zijn wij verweesd, verward?

  Waarom dat heimwee in ons hart?

3

  Waarom die wond, waarom die pijn,

  wat kan de zin van ziekte zijn,

  van liefde, als het bloed zo rood,

  verloren in een vroege dood?

4

  Zo zucht de Geest door alles heen,

  hij laat ons, zuchtend, niet alleen;

  de Geest is het die voor ons pleit

  en met de schepping mede lijdt.

5

  Als heimwee is de Geest zo sterk:

  naar huis, naar huis verlangt de kerk,

  naar Hem die ons een plaats bereidt -

  geen mens die daar nog schade lijdt.

6

  Daar vraagt de bruid niet meer waarom,

  daar komt de bruiloftstijd weerom,

  daar wordt het liJden weggekust

  en al het heimwee komt tot rust.

---

*425

#3

1

  Boven de chaos van de watervloeden

  broedde de Geest en schiep de schone aarde.

  Zo rees de tweede Adam uit de groeve

  in glans en glorie.

2

  Het is dezelfde Geest die ons verenigt

  met het volmaakte lichaam van de Heiland,

  die met een nieuwe schepping ons verheerlijkt

  tot eeuwig leven.

3

  Het is dezelfde Geest die ons leert bidden

  tot God de Schepper, Heiland en Vertrooster,

  wiens heerlijkheid in hemel en op aarde

  geopenbaard wordt.

---

*426

#3

1

  De liefde gaat ons voor

  van den beginne;

  zij is een lichtend spoor,

  een vuur van binnen

  dat straalt.

2

  De noop die in ons is

  en ons doet leven,

  dat is een erfenis

  om door te geven

  voorgoed.

3

  Wij houden ons bereid

  om te ontvangen

  de Geest die ons geleidt

  en ons verlangen

  vervult.

---

*427

#7

1

  In de ongerepte morgen,

  uit het duister naar het licht,

  is de toekomst nog verborgen

  onbekend Uw aangezicht.

2

  Roepende ben ik geboren,

  woorden zonder klank of zin,

  wachtende wie mij zal horen,

  kind nog, in een pril begin.

3

  Stemmen hoor ik om mij spreken,

  nauwelijks tot mij gericht;

  dwalende in taal en teken

  tast ik naar een lief gezicht.

4

  Als het dan begint te dagen

  en ik mens word, levenslang,

  en er listen zijn en lagen

  en ik zwak ben en ook bang,

5

  kom dan, levenslicht der mensen,

  in mijn kwetsbare bestaan,

  als een wachter aan de grenzen;

  laat mijn licht niet ondergaan.

6

  Spreek steeds duidelijker woorden,

  die mij richten op uw Naam;

  laat mij aan u toebehoren,

  maak mij tot uw lof bekwaam.

7

  Als de avond dan zal komen

  en de dag wordt als de dood,

  reken mij dan bij de vromen

  die vertoeven in uw schoot.

---

*428

#3

1

  Doop ons, Heer, in levend water,

  open oog en oor en mond;

  wie zich baadt in uw genade

  hoort en ziet en zingt terstond.

2

  Ziende zijn wij blind geboren,

  Sprekend stom en horend doof,

  opgesloten en verloren

  in ons donker ongeloof.

3

  Uit uw Geest opnieuw geboren

  zien wij ver in het verschiet,

  horen wij met eigen oren

  hoe wij zingen: een nieuw lied!

---

*429

#2

1

  Verheugt u allen samen,

  leeft allen eensgezind

  en wilt voor God beamen

  dat gij elkaar bemint

  met vrede na uw smarten

  tot boven uw verstand.

  Neemt woorden Gods ter harte

  en brood en wijn ter hand.

2

  Wij allen moeten leren

  als kinderen voor God,

  dat wij ons gaan bekeren

  van eigen leed en lot.

  De harten moeten buigen

  en delen lief en leed.

  Zo zullen wij getuigen

  van Hem die Vader heet.

---

*430

#4

1

  Zoals Tobias met een engel mee

  gaan wij op reis naar een verborgen land,

  naar vreemde heuvels en een verre zee,

  maar met een engel mee, maar hand in hand.

2

  Mee met een engel en voorgoed op reis,

  samen op reis en met elkaar alleen

  op zoek naar het verloren paradijs,

  het ligt als een belofte om ons heen.

3

  God weet wat onderweg te wachten is

  aan bitterheid en aan betovering,

  maar onze engel deelt met ons de vis,

  de ware spijs van de verzadiging.

4

  Zo worden wij elkander toevertrouwd,

  de engel wijst de weg en waar wij gaan

  worden wij gaandeweg verwonderd oud

  en al maar inniger wordt ons bestaan.

---

*431

#4

1

  Kom, God, en schrijf uw eigen Naam

  als licht over hen uit!

  De Naam, die, dag en nacht vooraan,

  de hoogste weg wijst om te gaan,

  de Naam die liefde luidt!

2

  O God, die al uw liefde hecht

  aan wie van liefde leeft,

  omvat de trouw hier toegezegd.

  Dat Gij uw zegen op hen legt,

  uw vrede aan hen geeft!

3

  Verlaat niet, wat uw hand begon,

  o God, ontbreek hun niet!

  Verlicht hun dagen als de zon,

  wees van hun liefde zelf de bron,

  de adem van hun lied!

4

  Laat zonneklaar te lezen zijn

  uw beeld, in ons geprent!

  Gij komt en schenkt de beste wijn

  waar wij elkaar tot zegen zijn,

  tot liefde voorbestemd.

---

*432

#3

1

  Vergeet niet hoe wij heten:

  naar U zijn wij genoemd.

  Zoudt Gij ons niet meer weten

  dan waren wij gedoemd

  te sterven aan uw leven;

  maar zo Gij ons gedenkt

  is er een eeuwig even,

  een ogenblik gegeven

  een paasdag die ons wenkt.

2

  Zij raken niet vergeten

  die over zijn gegaan

  tot u, want in uw heden

  bewaart gij hun bestaan.

  Hun namen zijn verzekerd

  in uw gedachtenis,

  gij zult ze blijven spreken

  tot die Dag aan zal breken

  waarop het wachten is.

3

  Vergeet niet hoe wij heten,

  wij heten naar uw naam.

  Uit duizenden gebeden

  stelt zich uw eenvoud saam.

  Want zo zijt gij gebroken,

  gelijk het ene licht,

  van naam tot naam gesproken,

  van dag tot dag ontloken,

  zo zien wij uw gezicht.

---

*433

#5

1

  De dag gaat open voor het Woord des Heren,

  Zon die wij zoeken, kracht die wij ontberen,

  bron die wij horen als wij tot Hem keren,

  vroeg in de morgen.

2

  Voor wij bestonden, riep Hij ons bij name,

  voor wij ontwaakten en ter wereld kwamen,

  zag Hij ons aan en bracht Hij ons tesamen,

  God onze Vader.

3

  Door U geschapen om uit U te leven;

  hartslag en adem hebt Gij ons gegeven,

  land waar wij wonen, licht waarnaar wij streven,

  oorsprong en toekomst.

4

  Wilt Gij vandaag en tot het eind der dagen

  ons doen en laten zuiveren en dragen,

  dan stijgt de vreugde van uw welbehagen

  in onze wereld.

5

  Aan U ons loflied: glorie aan de Vader,

  dank aan de Zoon die ons bestaan aanvaardde,

  zijn Geest geleide ons en onze aarde

  naar de voltooiing.

---

*434

#3

1

  Gods goedheid blijft zijn schepping wel besturen

  met bloei en vruchtbaarheid voor al wat leeft

  maar om zijn oogst met rechte dank te vieren

  moeten wij delen met wie honger heeft.

2

  moeten wij op de toekomst blijven hopen,

  bidden en werken voor een wijs beleid,

  met een groot hart voor heel de wereld open

  en voor het rijk van zijn gerechtigheid,

3

  totdat de aarde op Gods tuin zal lijken,

  een liefelijke mensenmaatschappij,

  waar alle bomen in de hemel reiken

  voor al Gods kinderen en u en mij.

---

*435

#4

1

  Kom uit de hemel tot ons neer,

  vervul ons met uw Geest, o Heer,

  Gij, die uw kinderen bevrijdt

  om U te dienen, wereldwijd.

2

  Bewaar hen, die hier voor U staan,

  dat zij hun weg met vreugde gaan;

  geef aan uw engelen bevel

  hun trouw te zijn als metgezel.

3

  Dat zij uw volk, de honger moe,

  op handen dragen, naar U toe,

  om na verzoeking en woestijn

  met overvloed gevoed te zijn.

4

  Kom Heiland, die ons hart geneest;

  kom Vader, Zoon en Heilge Geest

  en maak ons vrolijk in dit uur,

  o bron, o brood, o vreugdevuur!

---

*436

#7

1

  Wie ons is voorgegaan

  door al die jaren heen

  is maar een schaduw van

  het Licht en van de Man

  die als een zon verscheen.

2

  Eens ging een lopend vuur

  een volk voor in de nacht,

  eens was er in elk huis

  van pelgrims voor de reis

  een lam dat werd geslacht.

3

  Toen gaf een man van licht

  zich over als een lam

  en 't vuur werd uitgedoofd,

  maar 't is voor wie gelooft

  gaan lichten als een vlam.

4

  Gods Woord van aanbegin

  ligt nu in mensenmond

  bestorven, maar het zal

  trotserend leven, taal

  van een nieuw verbond.

5

  Behartig dat geheim,

  voorganger die daar staat!

  en voer dat hoogste Woord,

  kom ons met God aan boord,

  wij zijn ten einde raad.

6

  Laat klapwieken de duif,

  draag vuur op uit de as,

  geef ons het Brood dat voedt,

  het overwinnend Bloed,

  want alle vlees is gras.

7

  Degene die ons bindt

  om samen kerk te zijn,

  dat is de Heer, de Geest,

  die ons ontvoert, geneest

  en nieuw met ons begint.

---

*437

#5

1

  Het vuur dat nu ontstoken wordt

  ontvonkte aan het woord van God,

  het is een vlam die vleugels vond

  en licht verspreidde in het rond

  voordat de aarde zelf ontstond.

2

  Onder bescherming van dit licht

  kreeg heel de aarde haar gezicht,

  maar voor het zich genesteld had,

  een vogel langs het voorjaarspad,

  verscheen de mens die het vertrad.

3

  Het licht heeft zich opnieuw ontvouwd

  toen het zich Hem had toevertrouwd

  in braamstruik en in vuurkolom

  en op de bergtop in de zon

  waar Mozes eenzaam verder klom.

4

  Dit is het licht Ezechiel,

  de ziener van de levenswel

  die in het dal opnieuw ontsprong

  en stroomde door de dorre grond,

  een lied de doden in de mond.

5

  Het vuur dat nu ontstoken wordt

  ontvonkte aan het woord van God,

  een vuursteen in de duisternis,

  licht dat de nacht heeft uitgewist,

  de Christus die verrezen is.

---

*438

#4

1

  Wanneer ik zoek naar woorden en niets dan stilte vind

  dan weet ik: Heer, Gij hoorde een stem - uw eigen kind.

  Uw adem wekt mijn leven, uw liefde kleurt mijn bloed;

  mijn stilte is vergeven, mijn zwijgen keurt Gij goed.

2

  Wanneer ik zoek naar zinnen en bid om een gebed,

  niet weet hoe te beginnen, niet spreek, in stil verzet,

  dan roep ik mij te binnen uw stem, o Christus - Gij;

  Gij zult eens overwinnen de tegenstem in mij.

3

  Wanneer ik zoek te zeggen al wat er in mij leeft

  maar zich niet uit laat leggen en zich niet open geeft,

  dan ben ik al gevonden voordat ik U niet vind;

  dan bidt met duizend monden de Geest, vol vuur en wind.

4

  Wanneer ik zoek naar woorden is uw Woord mij genoeg;

  dat Woord, dat wij eens hoorden, dat Woord, dat mij al droeg

  dat zal mij blijven dragen - mij maakt geen stilte bang;

  slechts dit wilt Gij mij vragen: dat ik naar U verlang.

---

*439

#9

1

  Uit diepten ongemeten

  die geen betreden kan dan de Beminde

  gekruisigd en verrezen

  om ons voor U te winnen,

  schept Gij het licht waarvan wij mogen drinken.

2

  Het licht door U geschapen,

  dat in de nacht van lijden leek verdwenen,

  laat zich als vruchten rapen

  in de vervulde beemden

  waar God aan God en mensen is verschenen.

3

  Dit licht wordt nooit meer donker.

  Het is de liefde die haar dag gaat spreiden

  met een fontein van vonken,

  een brandend lichtgetijde,

  dat zon en maan verenigt ongescheiden.

4

  Verblindende Beminde,

  U bent mij liever dan de rijkste dagen

  die ik voorheen mocht vinden

  zo zwanger van het vragen

  wat toch de zin was om mijn pijn te dragen.

5

  Hiervoor werd ik geboren:

  om deze vlam te zien en te ontvangen.

  U ging in licht verloren

  om met U te omhangen

  de schepselen die branden van verlangen.

6

  U hebt het licht ontketend

  dat door de dood geroofd was en gebonden

  en dit is ons het teken:

  wij moeten van U spreken,

  er gloeit een kool van vuur op onze monden.

7

  Jesaja heeft gesproken:

  de vlaspit flakkert maar zij zal niet doven,

  het riet wordt niet gebroken,

  wij gaan de nacht te boven,

  geknakt wilt U ons binden in uw schoven.

8

  Wij zijn het lichtend koren

  dat wuift op door de wind bevlogen velden,

  totdat U ons komt oogsten

  en U ons zult vergelden

  zovele korrels onze aren telden.

9

  Licht boven alle lichten,

  verlicht de wereld en herschep haar krachten

  om zich op U te richten,

  Gij aan het licht gebrachte

  ster die blijft klimmen tot het eind der nachten

---

*440

#3

1

  Lieve God, kom toch ter sprake

  als wij zwijgen diep verstomd.

  Waar uw Geest ons hart oprakelt

  bloeit het lied in onze mond.

  In het midden

  van de winter

  weten wij: de zomer komt!

 

  Refrein:

  Niet wat voor ogen is, vult onze dromen,

  niet wat voor handen is, wijst ons de weg.

  Maar Gij, ons hart op het spoor gekomen,

  hebt ons de toekomst aangezegd!

2

  Sterft het lied zijn duizend doden,

  wijkt de vrede voor geweld,

  zijn wij dan de lenteboden

  waarin Gij vertrouwen stelt?

  Enkelingen

  blijven zingen

  waar liet visioen nog telt.

  Refrein

3

  Levend met een wankel weten,

  een vermoeden van geloof,

  groeien wij de nacht te boven,

  aangewakkerd door de hoop.

  Gij zult zorgen

  dat ook morgen

  nog uw lamp niet is gedoofd!

  Refrein

---

*441

#3

1

  Het licht heeft overwonnen,

  straalt als de dageraad

  ons tegemoet,

  waar nog het dreigen van de nacht

  ons vrezen doet.

2

  Maar Gij bestraft het duister

  als eens de golven en

  de hoge wind.

  Gij spreekt de boze dromen aan,

  de vrede wint.

3

  En waar wij zijn gevangen

  in meer dan angst en pijn,

  ontroostbaar zijn,

  omringt Gij ons met tederheid,

  die ons verblijdt.

---

*442

#1

1

  Cantorij: slechts het water dat wij te drinken geven

  Allen: zal ons verkwikken.

  Cantorij: Slechts het brood dat wij te eten geven

  allen: zal onze honger stillen.

  Cantorij: Slechts het gewaad dat wij wegschenken

  allen: zal ons bekleden.

  Cantorij: Slechts het woord dat leed verzacht

  allen: zal ons troosten.

  Cantorij: Slechts de zieke die wij bezoeken

  allen: zal ons genezen.

  Cantorij: Slechts de gevangene die wij verlossen

  allen: zal ons bevrijden.

---

*443

#6

1

  Waar wegen kruisen in de tijd

  klinkt luider dan de valse toon

  van rassenhaat en klassenstrijd

  uw zuiv're stem, o Mensenzoon.

2

  Waar honger zich genesteld heeft

  en angst zich hoog heeft opgericht,

  waar hebzucht loert op al wat leeft,

  daar zien wij uw betraand gezicht.

3

  Van 't zwoegen voor het daaglijks brood,

  het schreien van het hulploos kind,

  de pijn der vrouw in barensnood

  hebt  Gij u nimmer afgewend.

4

  De beker water, koel en fris,

  voluit geschonken tot uw eer,

  weerspiegelt nog de lafenis

  van uw erbarmen, lieve Heer.

5

  Daal haastig van de hoogte af,

  o Meester die geneest de pijn.

  Ga door de straten van de stad

  op zoek naar wie verloren zijn.

6

  Ga ons weer voor, tot wij vervuld

  van liefde wegdoen alle kwaad;

  en als een beeld dat wordt onthuld

  de Godsstad ons voor ogen staat.

---

*444

#4

1

  O God die troont op de gezangen

  van Israel,

  er gaat een eindeloos verlangen

  om eerherstel

2

  van lied tot lied vanaf die dagen

  tot aan vandaag,

  een hunkren, een hartstochtelijk klagen,

  een bittre vraag,

3

  waarom uw wereld zo geschonden,

  geteisterd wordt,

  waarom het leed, waarom de wonden,

  al ons tekort?

4

  Herstel ons Here, hoor ons zingen,

  ons groot waarom,

  dat op de hemel aan blijft dringen:

  o Jezus, kom!

---

*445

#6

1

  God die met naam en toenaam is

  een daad in de geschiedenis,

  een leider die zijn volk bevrijdt,

  een koning in zijn majesteit.

2

  Als Jozua die zon en maan

  hoog in de hemel stil liet staan

  en Jericho's geduchte wal

  geslecht heeft met bazuingeschal,

3

  zo Jezus hangend aan het kruis

  bij zon en maan en sterren thuis,

  die stervend van ontferming spreekt,

  de oude graven openbreekt.

4

  Als David met zijn harp, zijn spel

  de herder van heel Israel,

  de koning van het vrederijk,

  een messiaanse droom gelijk,

5

  zo Christus die de psalmen zingt

  door zijn discipelen omringd,

  de nacht voor Hij verheven wordt,

  zijn koninklijke bloed gestort,

6

  zo de Messias die ons leidt,

  zijn rijk herstelt in deze tijd.

  Hij gaat door de geschiedenis

  omdat Hij altijd bij ons is.

---

*446

#6

1

  Van ver, van oudsher aangereikt,

  een Woord dat toch niet van ons wijkt,

  nabij en nieuw ons aangedaan,

  weer vlees geworden, opgestaan!

2

  Uit Woord komt tot ons op de wind.

  Het zoekt een huis, een wijs. Het vindt

  gehoor bij mensen, onderdak.

  Dit Woord, dat God van oudsher sprak.

3

  Dit Woord blijft leven in een lied.

  Waar mensen zingen sterft het niet,

  als adem die de harten voedt,

  als lente die ons bloeien doet!

4

  Dit lied dat onze nacht verstoort

  wordt keer op keer als nieuw gehoord.

  Het breekt zich baan in morgenlicht,

  een nieuwe dag, een vergezicht!

5

  Van ver, van oudsher aangezegd,

  een Naam, opnieuw op ons gelegd,

  een Woord, dat onze monden vult,

  een lied, dat Gods gelaat onthult.

6

  O Woord, zo lang ons toegedaan,

  zet ons opnieuw tot zingen aan:

  Gezegend, hier en overal

  die is, die was, die komen zal!

---

*447

#2

1

  Zij is mij lief; de ware kerk.

  In haar ben ik herboren,

  gedoopt draag ik haar watermerk,

  haar mag ik toebehoren.

  Ik heb haar hoog: haar wakend oog

  ziet hoe 't mij gaat, treft mij het kwaad,

  zij keert het toch ten goede.

  Dan staat zij mij met raad terzij

  en metterdaad een moeder

  spreekt zij van vrees mij vrij.

2

  Zij is mij lief; de ware kerk.

  In haar ben ik getogen.

  Met brood en wijn houdt zij mij sterk

  ondanks mijn onvermogen.

  Ik houd het maar bij dat gebaar

  dat krachtig is: gedachtenis

  van Hem die bracht het leven.

  Zo zendt zij mij de wereld in

  om daar het brood te delen

  met vriend en vreemdeling.

---

*448

#4

1

  Refrein:

  Vier seizoenen heeft het jaar,

  vier gestalten, klip en klaar.

 

  In de winter als de dagen

  kort zijn en de nachten lang,

  is het Kerstfeest, vrolijk Kerstfeest,

  vol van licht en van gezang.

2

  Refrein

  Als de lucht is schoongeblazen

  en de lente in het land,

  vieren wij het feest van Pasen

  en wij dansen hand in hand.

3

  Refrein

  Is de zomertijd gekomen,

  vieren wij het Pinksterfeest.

  Als een vogel in je dromen

  klapwiekend de Heilge Geest.

4

  Refrein

  In het laatste der seizoenen,

  in de herfst wordt alles stil;

  tijd voor wie met God en ere

  door het leven wandlen wil.

---

*449

#4

1

  De profeten die je kent

  uit het oude testament,

  als Jesaja en Elia,

  Daniel en Jeremia,

  Jona en Ezechiel,

  en er zijn er nog veel meer,

  waren knechten van de Heer,

  van de God van Israel.

2

  En zoals je ook wel weet

  was het werk van een profeet

  om te spreken met de woorden

  die hij uit de hemel hoorde,

  om te zeggen wat hij zag

  als hij in een visioen

  leerde wat de Heer zou doen

  nu en op de jongste dag.

3

  Zeker heb je ook geleerd:

  een profeet werd niet geeerd.

  In de dorpen en de steden

  sprak hij van de lieve vrede

  en van de gerechtigheid;

  maar hij vond er geen geloof,

  want de mensen bleven doof

  voor zijn woord. Zij wilden strijd.

4

  Nu zijn de profeten dood.

  Maar hun woorden blijven groot.

  Als je iets van God wilt weten

  luister dan naar de profeten,

  want zij hebben Hem gekend.

  En wat zij hebben gezegd

  is voor altijd vastgelegd

  in het oude testament.

---

*450

#7

1

  Allen: Refrein:

  Dat wij als wachters op de muren zijn,

  geroepen om het zwijgen te verbreken,

  een klein begin van opstanding, een teken.

 

  Koor/voorzang:

  Nog heerst verhuld de slavernij

  van man en macht: een maatschappij

  die in haar schild het onrecht voert

  van leven dat wordt ingesnoerd.

  Maak, God, om Christus' wil ons vrij.

  Refrein.

2

  Nog duurt een ongelijk gevecht:

  de sterke die zijn wil oplegt

  aan de verliezer - op dood spoor

  gaat hij verarmd de dagen door.

  God, wie verschaft de zwakke recht?

  Refrein

3

  Nog wordt net gouden kalf vereerd

  van nooit genoeg en altijd meer.

  Maar schrijnend is het tegendeel:

  de rekening voor ons teveel.

  God, zegen wie het onrecht keert.

  Refrein

4

  Nog heerst het drogbeeld van de staat:

  er is een vijand die men haat,

  nooit is een wapen sterk genoeg.

  O God, bevrijd ons van de vloek

  die eens geen leven overlaat.

  Refrein

5

  Zie nog de mens die wordt bespot,

  al is hij beelddrager van God,

  zijn bondgenoot. Samaritaan,

  ontrechte mens, leer ons verstaan

  wat liefde is naar zijn gebod.

  Refrein

6

  Nog zucht de schepping doodsbenauwd,

  aan onze zorgen toevertrouwd.

  Het spansel rond de aarde barst,

  door mensenhanden aangetast.

  Bekeer ons, God, tot haar behoud.

  Refrein

7

  Nog houdt de kerk uw naam verdeeld:

  wij maken ons van U een beeld,

  gesneden uit ons eigen hout,

  wij zoeken in onszelf behoud.

  O God, geef dat uw Geest ons heelt.

  Refrein

---

*451

#7

1

  Refrein:

  Bron van het zijnde, groot zijt gij:

  eeuwig oneindig, en zo nabij.

 

  Solo:

  In het begin was er duister,

  over de wateren waakte uw Geest;

  toen klonk uw stem: "Er zij licht!" -

  nooit is de nacht meer blijvend geweest.

  Refrein

2

  Gij hebt de hemel geschapen:

  veilige koepel boven ons hoofd,

  opdat wij vrij mogen leven

  hier in het land dat Gij hebt beloofd.

  Refrein

3

  Water verzameld tot zeeen;

  aarde, niet langer bedreigd door de vloed,

  kon nu haar vruchten gaan geven:

  bomen en bloemen, - zie het was goed.

  Refrein

4

  Zon om de dagen te voeden,

  maan om te hoeden over de nacht,

  sterren om ons te doen weten

  wanneer de lente mag worden verwacht.

  Refrein

5

  Zee, waar het wemelt van leven:

  grote gedrochten en klein gekrioel;

  hemel vol vogels, - gezegend:

  heel hun uitbundig bestaan is uw doel.

  Refrein

6

  Dieren, zij mogen hier wonen;

  zij zijn uw werk, met als kroon: de mens,

  manlijk en vrouwlijk als Gij, -

  liefde uw waagstuk, uw diepste wens.

  Refrein

7

  Zo hebt Gij alles geschapen;

  het was zeer goed, toen Gij het bezag.

  En omdat voortaan te vieren

  zegende Gij de zevende dag.

  Refrein  (2x)

---

*452

#3

1

  Een boog van licht en leven

  stond hoog onder de zon

  om glans en gloed te geven

  aan Gods vernieuwd verbond.

  De duif, vol geest van vreugde,

  zat in de levensboom.

  De aarde die verheugde

  zich in een vredesdroom.

2

  De boog is nu gebroken

  door menselijk misbaar.

  Het licht is nu geloken,

  het leven niet meer waar,

  gerechtigheid verdwenen,

  de schepping aangetast.

  Het onheil is verschenen,

  onvrede leidt tot last.

3

  De boog zal zich herstellen

  tot aan de horizon,

  als mensen weer vertellen

  en leven uit de bron,

  waaruit een gave schepping

  eenmaal is opgericht:

  uit chaos de verheffing

  van al wat leeft in 't licht.

---

*453

#4

1

  Refrein:

  Kom, laten wij opstaan en opgaan, vertrekken

  vanuit de valleien van angst en van dood.

  Laten wij opstaan en opgaan, vertrekken

  naar vruchtbare vlakten,

  vlakten van leven en hoop.

 

  Uittocht uit duisternis, uit zwijgen, benauwenis;

  intocht in warmt' en licht, God zien in elkaars gezicht.

  Refrein

2

  Uittocht uit niet-bestaan, in schaduw verloren gaan;

  intocht in overvloed, levens vol kracht en moed.

  Refrein

3

  Uittocht uit eenzaamheid, uit twijfel, onzekerheid;

  intocht in samenzijn, voorbij aan de levenspijn.

4

  Refrein:

  Kom, laten wij opstaan en opgaan, vertrekken

  vanuit de valleien van angst en van dood.

  Laten wij opstaan en opgaan, vertrekken,

  laten wij gaan

  met haastige spoed.

---

*454

#12

1

  Tien woorden zijn gegeven

  al ver voor ons bestaan

  als onderricht ten leven

  als weg om op te gaan.

2

  Gij zult geen and're goden

  vertrouwen dan de Heer

  die voor al zijn geboden

  u gaf zijn woord van eer.

3

  Gij zult geen beeld u maken

  van God en zijn domein,

  maar horen naar de woorden

  die opgetekend zijn.

4

  Gij zult de naam des Heren

  ook in uw vroomheid niet

  misbruiken maar hem eren

  tot in uw hoogste lied.

5

  Gij zult steeds heilig achten

  de rustdag van de Heer

  in dankbaarheid indachtig

  zijn daden van weleer.

6

  Gij zult uw ouders eren

  die u zijn voorgegaan,

  elkander wederkerig

  in eerbied toegedaan.

7

  Gij zult in woord noch daden

  ooit heulen met de dood

  uw naaste nimmer schaden

  maar helpen uit de nood.

8

  Gij zult de trouw niet breken

  die mensen samenbindt

  maar bouwen aan de vrede

  tot zegenen gezind.

9

  Gij zult van niemand stelen

  zijn have en zijn goed

  maar met de armen delen

  uw eigen overvloed.

10

  Gij zult geen mens verraden

  met list of lasterpraat

  maar weren al het kwade

  opdat hij vrijuit gaat.

11

  Gij zult geen ding begeren

  dat van uw naaste is

  maar steeds ten goede keren

  zijn leegte en gemis.

12

  Tien woorden zijn gegeven -

  hun zin is ons onthuld

  toen Een ze in de liefde

  volkomen heeft vervuld.

---

*455

#7

1

  Zij hebben Mozes nagekeken

  toen hij alleen de berg beklom

  tot in de witte wolken om

  onzichtbaar met zijn God te spreken.

2

  Maar alle hoop werd hun ontnomen,

  het wachten duurde al te lang.

  Zij werden boos en daarna bang.

  Wie weet, wat hem was overkomen!

3

  Had hij hen soms voorgoed verlaten?

  De mensen voelden zich alleen

  in een woestijn van zand en steen

  en gingen met Aaron praten.

4

  Wij willen met ons goud betalen

  voor goden, die wij kunnen zien,

  een stier, een koe, een kalf misschien.

  Aaron liet zich overhalen.

5

  Hij smolt het goud en voor hun ogen

  heeft hij daarvan een kalf gesmeed,

  een gouden kalf, een afgodsbeeld,

  en heel het volk was opgetogen.

6

  Zij hebben het tot god verheven;

  het feest was al in volle gang.

  Zo hebben zij met dans en zang

  hun angst en eenzaamheid verdreven.

7

  Maar Mozes, die het wel kon weten,

  heeft de twee tafelen van steen

  waarop Gods wet stond, een voor een

  in grote woede stukgesmeten.

---

*456

#10

1

  Wanneer Hij roept, dan worden woorden waar,

  gaven gegeven voor een heilig leven.

  Bloed tot bedekking stromend om het even

  en alle mensen komen tot elkaar.

2

  Zo roept de Heer - gezegend zij zijn naam! -

  voorgangers om zijn volk te gaan behoeden.

  Volgave dieren moeten voor ons bloeden,

  in onze plaats moeten zij ondergaan.

3

  Vuur van de hemel heeft de schuld verteerd:

  toenadering als gave en een teken

  dat het aan vrede niemand zal ontbreken,

  wanneer het heil zich naar de mens toekeert.

4

  Nadert de Heer in alle heiligheid,

  opdat het kwade niet kan overwinnen.

  Laat wat onrein is nooit naar binnen dringen:

  zo spreekt het Woord een nieuwe Schepping uit.

5

  Eens - en - voor - al treedt iemand voor ons in

  om alle droeve daden te bedekken.

  Onder een wolk van heil wil God verwekken

  een nieuwe naam, een gaaf en goed begin.

6

  Heiligt uw leven hier en overal,

  waar zich de ander aan u zal vertonen.

  Doet ieder recht, want Hij wil bij u wonen,

  wiens Naam het allerheiligst is van al.

7

  Neemt alle ordeningen wel in acht,

  zo is er plaats en ruimte om te leven.

  Aan u wordt land en huis en hof gegeven

  vrede en vrijheid voor wie Hem verwacht.

8

  Dan wordt de tijd in vreugde weg-gevierd

  en zullen wij de lofzang vrolijk zingen.

  Heel het verleden, de verbitteringen,

  worden in feestgetijden weg-gesierd.

9

  Doet met uw land naar Godes wil en wet

  en als een vreemde zult gij gaan op aarde.

  Landheer is Hij, die deze grond bewaarde,

  toen gij in ketenen waart vastgezet.

10

  Wanneer Hij roept, dan worden woorden waar:

  in zijn beloften kiemt het nieuwe leven.

  In brood en beker wordt het u gegeven,

  Hij maakt het in de Zoon des mensen waar!

---

*457

#6

1

  Mozes is gestorven.

  Jozua zijn knecht

  moet ons verder leiden,

  zo heeft God gezegd.

  Alle oude woorden

  worden morgen waar.

  't Land van melk en honing

  ligt al voor ons klaar.

 

  Refrein:

  De bevrijding gaat beginnen.

  Hier is het beloofde land.

  Alle mensen mogen binnen,

  de bevrijding gaat beginnen;

  is gelegd in onze hand.

2

  Zouden wij wel durven,

  tegen Jericho?

  Kijk eens naar die muren,

  sterk en torenhoog!

  Maar de twee verspieders

  brengen goed bericht:

  Jericho's soldaten

  zijn nu al gezwicht.

  Refrein

3

  Wat God heeft gegeven

  nemen wij ter hand;

  trekken door het water

  naar de overkant.

  Laten wij niet bang zijn,

  God gaat zelf vooraan

  om de weg te wijzen

  dwars door de Jordaan.

  Refrein

4

  Weet je nog: Egypte,

  't land van slavernij?

  Al dat bitter lijden

  is voorgoed voorbij.

  Nu vieren wij Pasen,

  brood in overvloed.

  Hier kunnen wij vrij zijn,

  want dit land is goed.

  Refrein

5

  Jericho zal vallen

  zonder slag of stoot.

  Blaas op de trompetten!

  Zing de muur kapot!

  Tel zeven maal zeven,

  wees niet meer bevreesd.

  Wij zijn uitgenodigd

  op het Pinksterfeest.

  Refrein

6

  Al wat ons bedreigde,

  wat geen toekomst heeft

  is voor ons verdreven,

  door de God, die leeft.

  Zouden wij verlaten

  Hem, die ons bevrijdt?

  Hij zal onze heer zijn

  nu en voor altijd.

  Refrein

---

*458

#5

1

  Wij reizen rusteloos naar waar de vrede woont

  en zoeken levenslang wat onze moeiten loont.

  God kent ons onvermogen

  en schept ons zienderogen

  een ruime weg die Hij met uitzicht kroont.

2

  De volle breedte van de aarde is het land

  waar Hij Zijn goedheid zaait met koninklijke hand.

  Hij koestert ons zorgvuldig

  en rondom rijpt geduldig

  de vrucht van vrede nu aan alle kant.

3

  Wij mogen wonen in de weldaad van zijn woord.

  Dan bloeit tiet leven zonnewaarts en ongestoord.

  Zijn trouw straalt ongebroken,

  het duister blijft weersproken

  en God staat ons met heel zijn hart te woord.

4

  Wij mogen rusten in de goedheid van de Heer.

  Er is een einde aan de moeiten van weleer.

  Niet langer onverzadigd

  herleven wij weldadig,

  genieten zijn genade meer en meer.

5

  Laat vrede gaan van hand tot hand

  deelt haar in daden uit

  totdat zij reikt van land tot land

  en heel de aard' omsluit.

---

*459

#6

1

  Zegevierend komt hij schijnen

  als een zon bij dageraad,

  nacht en nevel moet verdwijnen,

  al het Filistijnse kwaad;

  Simson met z'n zeven lokken

  als een vloed,

  Simson met z'n hartsgeheimen

  en hun gloed.

2

  Kiest het bijenvolk een woning

  in de koning der natuur,

  die een prooi was, proeft de honing

  van het overwinningsuur.

  Wat is sterker dan een roofdier,

  jong en fel?

  Dat wat zoeter is dan honing,

  wonderwel!

3

  Vossen, kleine rode honden,

  vlekken op de huid van 't land,

  doen in allerijl de ronde,

  paarsgewijze, moord en brand.

  't Staande koren ging verloren

  toen hij kwam:

  toom van een gekrenkte liefde,

  vuur en vlam.

4

  Door geen duisternis te keren

  - zonne der gerechtigheid -

  door geen dodenwacht te weren

  - heft uw hoofden, poorten wijd -

  stelt hij deuren aan de hemel,

  zonneklaar,

  stelt de stad in alle diepte

  openbaar.

5

  Die de vossen heeft gebonden

  en de leeuw heeft aangevat,

  doet ten einde zelf de ronde,

  draaiend in het grote rad;

  Simson, vorst onder de mensen,

  zonnekind,

  die gekust werd en verraden,

  stekeblind.

6

  Wat van Simson staat geschreven

  in de heilige Schriftuur,

  van de zon, het licht der wereld,

  die de mensen doopt met vuur.

  zegevierend gaat hij onder

  in de nacht

  die z'n leven als een offer

  heeft volbracht.

---

*460

#6

1

  De boeren worden nieuw geboren,

  zij groeiden door het vergezicht.

  Zij zagen hoe de zon het koren

  kwam dopen met een handvol licht.

2

  Het zilveren bidden van de zaaiers

  bracht door het wonder van elk jaar

  Gods gouden antwoord aan de maaiers.

  Zij stonden als een leger klaar.

3

  Zij trokken uit en zongen psalmen

  en sloegen met de zeis de maat.

  God boog zich als de rijpe halmen

  en als de zon was zijn gelaat.

4

  Ruth uit de schaduw opgedoken,

  stond eensklaps in het felle licht,

  -een hert dat water heeft geroken,

  de kop verlangend opgericht.

5

  En voet voor voet is zij het juichen

  der maaiers achterna gegaan,

  om zwijgend naar de grond te buigen

  als zaad dat sterft om op te staan.

6

  Zij boog, zij had geen andere rechten

  dan wat haar toeviel van het lot,

  maar 't was als baanden Boaz' knechten

  voor haar een pad naar Israels God.

---

*461

#5

1

  Mijn hart is vrolijk om jou,

  je bent als een rots te vertrouwen,

  je heft mij op tot een lied.

  Je bent een God van vrouwen

  die zich met hart en mond

  verheugen. De vijand verstomt.

 

  Refrein:

  Van de toekomst moet je zingen,

  Hanna, een bevrijdingslied.

  Laat je niet tot zwijgen dwingen

  door de vaste gang der dingen.

  Wie jou hoort vergeet het niet.

2

  Geen God, geen macht die het haalt

  bij jou, die als rechter van allen

  de grootspraak oordeelt en toetst.

  De trotsen zullen vallen,

  de Heer voert zijn geding,

  zijn troon is het lied dat ik zing.

  Refrein:

  Van de vrede moet je zingen,

  Hanna, een nieuw mensenlied.

  Tegen wapens die ons dwingen,

  tegen honger moet je zingen,

  tegen doodsmacht en verdriet.

3

  Het heldenwapen breekt stuk.

  Wie struikelde zal weer verrijzen.

  Wie hongert krijgt vandaag brood.

  Ontrechte vrouwen prijzen

  de dag, het morgenrood.

  Het leven staat op uit de dood.

  Refrein

  Roep te voorschijn nieuwe tijden,

  Hanna, held're stem, bezing

  waarom wij ons in Gods wijde

  schepping weer mogen verblijden,

  levend van verwondering.

4

  Het volk der armen staat op.

  Geluk voor gebukten gaat dagen

  zo waar als het fundament

  der aarde ons blijft dragen.

  De trouw wordt onze macht.

  De onmens verdwijnt in de nacht.

  Refrein

  Jouw muziek wordt ons een teken,

  Hanna, van het koninkrijk

  dat zal komen en zal breken

  met het onheil. Wij ontsteken

  licht zodat het duister wijkt.

5

  Gerechtigheid breekt zich baan.

  Het brute geweld maakt geen helden:

  de hemel zal ze weerstaan

  en ons de vrede melden:

  er treedt een koning aan,

  Messias, gezegend zijn naam.

  Refrein

  Van die koning mag je zingen,

  Hanna, een bevrijdingslied.

  Laat je niet tot zwijgen dwingen

  door de vaste gang der dingen.

  Wie jou hoort vergeet het niet.

---

*462

#5

1

  Mijn God, uw volk, gevallen is het nu,

  hoe zijn de helden thans uiteengeslagen,

  hoe moeten wij het feestgejoel verdragen,

  want in de straten lacht men straks om U.

2

  Zon, word verduisterd, heuvels toom u in,

  want weggeworpen is het schild der helden.

  Een enkel mens kwam mij de rampspoed melden

  dat velen zijn gesneuveld zonder zin.

3

  Saul onze koning, Jonathan mijn vriend,

  zij waren onafscheidelijk tezamen,

  ik roep maar steeds hun liefelijke namen:

  O Jonathan, hoe heb ik je bemind!

4

  O Jonathan! de boog die jou behoort,

  snel en trefzeker was hij in je handen,

  hoe mooi was jij als je het wapen spande,

  O Jonathan, o vriend die ik verloor.

5

  Heer in de hemel, help mij door het dal

  nu ik de last van dit verdriet moet dragen.

  Wil naast mij gaan in deze donkere dagen:

  ik weet dat eens uw Geest mij troosten zal.

---

*463

#6

  Refrein 1:

  Boog van de hemel staat tegendraads

  boven de aarde benedenmaats.

 

  Refrein 2:

  Aarde beneden, lot en gebod,

  mens tegen mensen, God tegen God.

1

  Van horen zeggen weten wij

  - God sta ons bij -

  dat elke tegenstander

  vermetel zwerft van vroeg tot laat

  en zwelgt in 't kwaad

  bedreven aan de ander.

2

  Van horen zeggen weten wij

  - God sta ons bij -

  dat leven wordt genomen

  zoals het ook gegeven wordt.

  Het gras verdort

  zoals het op kan komen.

  Refrein 2

3

  Van horen zeggen weten wij

  - God sta ons bij -

  dat in het diepste duister

  als licht voorgoed is uitgedoofd

  Hij wordt geloofd

  Wiens naam verschijnt in luister.

  Refrein 1

4

  Van horen zeggen weten wij

  - God sta ons bij -

  dat niet altijd een teken

  gegeven wordt in alle nood

  of in de dood. -

  Is God van ons geweken?

  Refrein 2

5

  Van horen zeggen weten wij

  - God sta ons bij -

  dat mensen eenzaam blijven

  in hun geboorte en hun dood.

  Het leed is groot,

  geen pen kan het beschrijven.

  Refrein 1

6

  Van horen zeggen weten wij

  - God sta ons bij -

  dat wie verhaal wil halen

  uit 's levens last en list en lot

  zijn Heer en God

  ontmoet te enen male.

  Refrein 2

---

*464

#7

1

  Hoe heerlijk, Heer, breidt overal op aarde

  uw naam zijn luister en verrukking uit.

  Ik zing uw glorie, die de wolken klaarde,

  uw zegepraal, die alle ding omsluit.

2

  Het prilste leven trilt van al uw zegen,

  en kinderen, stemt gij uw loflied aan,

  opdat uw vijand zwijgt, en allerwege

  uw haters langs verloren wegen gaan.

3

  Ik zie de hemel, door uw kracht geslagen,

  de maan, de sterren, op uw wenk gerijd.

  Wat is de mens dan, dat Gij hem wilt dragen,

  het mensenkind, dat Gij hem Vader zijt?

4

  Haast als een godheid hebt Gij hem verheven,

  bijna U zelf gelijk, vlam van uw vuur,

  met licht gekroond, met fonkeling omgeven,

  in U ontstijgend aan bestek en duur.

5

  In U geroepen tot bewust regeren

  van wat uw hand de zijne achterliet,

  de wereld aan zijn voeten wacht uw zegen,

  als hij in uw naam alle stof gebiedt.

6

  En schapen, koeien, redeloze dieren,

  getemd, of dravend in het open veld,

  en vogels die door 't vrije luchtruim zwieren,

  de vissen in de zeeen, ongeteld,

7

  zij allen zijn het, die uw heil hem spaarde,

  zijn lof, zijn dienstbaarheid, zijn macht, zijn buit.

  Hoe heerlijk, Heer, breidt overal op aarde

  uw naam zijn luister en verrukking uit.

---

*465

#7

1

  Een zwaluw op de vlucht voor winterstormen

  is niet zo zeker van een verre weide

  als wij verzekerd zijn van uw erbarmen.

  Voor de vervolgden bent U vrijgeleide,

  U draagt de pijn van hen, die weerloos strijden.

  U bent het vuur waaraan wij ons verwarmen.

2

  Al heb ik pijn, toch ben ik niet verslagen.

  Ik koos uw weg en vond U aan mijn zijde.

  Nog voor ik om uw zegening kon vragen

  had U uw arm al om mij heengeslagen.

  U deelt de pijn van hen die om u lijden.

  Geen vijand of U waagt ons te bevrijden.

3

  Zij spotten dat ik niet van U kan scheiden.

  Maar Gij genadige, mij zo nabije,

  wie ben ik dat ik U nog zou bekoren.

  Ik kan mijn onrecht voor U niet verzwijgen,

  en dat ik niet geleefd heb naar uw woorden.

  Ik ben een mens die niet van U wil horen.

4

  Wie is gestorven heeft tenminste vrede,

  maar ik ben als een dode die moet dolen.

  Niemand gedenkt mij meer in zijn gebeden.

  Zij kunnen lachen die mij altijd meden.

  Mijn ogen hebben alle glans verloren.

  Een glas in scherven is niet zo gebroken.

5

  Mijn God, laat toch de morgen mogen komen

  waarin gerechtigheid heeft overwonnen,

  waarin mijn ziel zich aan uw lichte zomen

  vlijt als een zwaluw die is thuisgekomen

  en laten allen die mij kooien konden

  verbijsterd in hun eigen nacht verstommen.

6

  Wie U aanbidden zullen U ervaren.

  Wij zijn als korven die U zelf wilt vullen

  met zongerijpte vruchten, goede zaden

  die het volkomen oogsten nog verhullen.

  Geen ander kan ons uit de diepte tillen

  dan Gij die ons omarmt en wil bewaren.

7

  Ontredderd als geen redding wordt geboden

  zijn wij, weerloos voortgaan langs uw wegen:

  herinner U uw volk en kom ons tegen.

  U bent toch levend, en geen God van doden!

---

*466

#3

1

  De steppe zal bloeien,

  de steppe zal lachen en juichen.

  De rotsen die staan

  vanaf de dagen der schepping,

  staan vol water, maar dicht,

  de rotsen gaan open.

  Het water zal stromen,

  het water zal tintelen, stralen,

  dorstigen komen drinken.

  De steppe zal drinken,

  de steppe zal bloeien,

  de steppe zal lachen en juichen.

2

  De ballingen keren.

  Zij keren met blinkende schoven.

  Die gingen in rouw

  tot aan de einden der aarde,

  een voor een, en voorgoed,

  die keren in stoeten.

  Als beken vol water,

  als beken vol toesnellend water,

  schietend omlaag van de bergen.

  Met lachen en juichen -

  die zaaiden in tranen,

  die keren met lachen en juichen.

3

  De dode zal leven.

  De dode zal horen: nu leven.

  Ten einde gegaan

  en onder stenen bedolven:

  dode, dode, sta op,

  het licht van de morgen.

  Een hand zal ons wenken,

  een stem zal ons roepen: Ik open

  hemel en aarde en afgrond.

  En wij zullen horen,

  en wij zullen opstaan

  en lachen en juichen en leven.

---

*467

#6

1

  Strooi uw brood op het water,

  verdeel het in zevenvoud:

  gij zult het weervinden later

  na dagen, uw lijfsbehoud!

2

  Wolken storten in stromen

  hun regen op aarde uit -

  een boom ontwortelt, volkomen.

  door niets in zijn val gestuit!

3

  Wie steeds oplet: hoe boven

  de wind draait, de lucht betrekt -

  bindt nimmer halmen-aan-schoven:

  zijn kiemzaad blijft ongewekt!

4

  Wat weet gij van het rijpen,

  het zaad in de moederschoot?

  Hoe kunt gij God dan begrijpen,

  die graan verandert in brood?

5

  Zaai uw zaad in de morgen -

  tot slaap uw oogleden drukt:

  de toekomst houdt nog verborgen,

  waarvan gij de vruchten plukt!

6

  Uit uw verborgenheid

  blijft Gij het licht ontsteken.

  Breek alle duisternis

  en wees ons vredesteken!

  Wij zijn uw kandelaar,

  wij gaan het donker tegen!

---

*468

#6

1

  Wij zijn geroepen tot het feest

  dat God heeft aangericht,-

  de Heer, die onze dagen telt,

  met liefde onze namen spelt,

  de schepper van het licht.

 

  Refrein:

  Zing van de liefde, sterk als de dood.

  Goddelijk vuur, wees ons dagelijks brood.

2

  De schepping maakt zich feestlijk op;

  de winter is gevlucht.

  Wanneer zijn Geest mijn hof doorwaait,

  Hij zich in mij heeft uitgezaaid,

  dan draagt zijn liefde vrucht.

  Refrein

3

  Hij zoekt waar wij verscholen zijn

  en kiest ons als zijn bruid.

  Hij kust ons tot zijn geesteskind,

  beademt ons met lentewind.

  Ons hart gaat naar Hem uit!

  Refrein

4

  Wij zijn voor Hem beminnenswaard;

  Hij hecht aan ons zijn trouw.

  Zijn hart heeft Hij voor ons bewaard,

  zijn liefde blijvend ons verklaard,

  ons op elkaar gebouwd.

  Refrein

5

  Wij bloeien op, wanneer zijn stem

  ons in de oren klinkt.

  De dood zelfs blust zijn liefde niet

  en in ons hart legt hij het lied

  dat van zijn liefde zingt.

  Refrein

6

  De liefde is een godsgeschenk,

  ons tot een lieve lust.

  Met lijf en ziel haar toegedaan

  zijn wij van harte opgestaan,

  tot leven weer gekust.

  Refrein

---

*469

#7

1

  Hij die de hoge bomen

  geveld heeft door zijn kracht,

  Hij liet een loot opkomen

  uit Isai's geslacht.

  De afgehouwen tronk,

  geworteld in Gods aarde,

  gaat bloeien in de nacht.

2

  Een twijgje is gesproten

  aan Davids dorre boom,

  Gods Geest is uitgegoten

  op Davids grote Zoon:

  inzicht en goed beleid

  en wijsheid en vermogen

  spreidt deze Spruit ten toon.

3

  Zo zal de dienst des HEREN

  zijn lust en leven zijn.

  Hij zal naar recht regeren

  wie arm en needrig zijn:

  want niet de schone schijn,

  de praal van loze woorden,

  Recht zal zijn richtsnoer zijn.

4

  Wie zich onschendbaar waanden,

  kastijdt Hij met zijn mond;

  de hitte van zijn adem

  brengt de verdrukkers om.

  Hij is met trouw omgord,

  het recht is om zijn heupen,

  vrede regeert rondom.

5

  De schapen en de wolven

  zijn samen in de wei;

  de panter en het bokje,

  zij grazen zij aan zij:

  een jongen die ze hoedt.

  Een zuigeling mag spelen

  met adders op de hei.

6

  Koe en berin, zij delen

  in vrede haar bestaan;

  haar tere jongen spelen

  in Gods landouwen saam.

  En niemand doet nog kwaad,

  want kennis van de HERE

  bedekt de aard voortaan.

7

  Het twijgje, eens ontsproten

  aan Isai's geslacht,

  rijst op voor aller ogen

  als teken van Gods macht.

  De volken zoeken Hem.

  Wie in zijn schaduw schuilen

  wordt vrede toegebracht.

---

*470

#7

1

  Opmaat

 

  De wachters zijn blind; zij allen hebben geen kennis,

  zij zijn allen stomme honden, die niet kunnen blaffen;

  dromend liggen zij neer, zij hebben de sluimering lief.

 

                            Jes. 56:10

2

  Het recht hebt Gij aan uw zijde, Here, als ik met U

  zou twisten; toch wil ik over rechtszaken met U spreken:

  Waarom is de weg der goddeLozen voorspoedig,

  en zijn zonder zorg allen, die zich trouweloos gedragen?

 

                               Jer. 12:1

3

  Gij hebt mij overreed, Here, en ik heb mij laten

  overreden. Gij zijt mij te sterk geweest en hebt

  overmacht.

 

                             Jer. 20:7

4

  De wakers zijn stomme honden:

  zij blaffen niet eens voor een dief!

  zij leggen zich op hun sponde;

  zij hebben de sluimering lief!

5

  De wakers zijn onverzadigd:

  zij spoeden zich naar hun gewin!

  voor niemand zijn zij genadig;

  zij spinnen in listen zich in!

6

  "Komt, laten wij wijn gaan halen

  en zwelgen de godganse dag! "

  zo klinkt er; alle etmalen

  zijn vol van gebral en gelach!

7

  De wijze komt om het leven;

  waar niemand, geen hond acht op slaat!

  hij ga in vrede - geschreven

  in 't hart, woest en moe, desolaat!

---

*471

#5

1

  Het recht is aan uw zijde

  - ik wil er niet over strijden -

  maar waarom gaat de weg van de boze

  mensen over rozen?

 

  Refrein:

  Kyrie eleison, kyrie eleison.

2

  Ik wil alleen maar vragen

  - ik mag er niet over klagen -

  maar waarom kunnen listen en lagen

  naar hun toeleg slagen?

  Refrein: Kyrie

3

  Ik wil alleen maar weten

  - ik mag mijn plaats niet vergeten -

  maar waarom mag in Gods naam men liegen,

  iedereen bedriegen?

  Refrein: Kyrie

4

  Ik wil alleen maar pleiten

  - ik maak er u geen verwijten -

  ze daarom hart en botten te breken!

  onrecht zoet te wreken -

  Refrein: Kyrie

5

  Het land ligt te verdorren

  - ik wil er niet over morren -

  maar vanwege hun boos hart, verdorven,

  is het uitgestorven...

  Refrein: Kyrie

---

*472

#4

1

  O God, o God is mij de baas geworden:

  hier sta ik voor de horde, een zot, ten spot!

 

  Refrein:

  Kyrie, kyrie, kyrie eleison.

2

  Ik schreeuw het uit!

  Ik moet het onderdrukken,

  maar dat wil maar niet lukken:

  de noodklok luidt!

  Refrein: Kyrie

3

  Ik nam mij voor.

  ik wil er niet aan denken,

  geen aandacht er aan schenken!

  Sloot oog en oor -

  Refrein: Kyrie

4

  Ocharm, mij hart,

  dat liet zich niet bedotten:

  het vuur schoot in mijn botten!

  geplaagd, gesard!

  Refrein: Kyrie

---

*473

#10

1

  Gij werken des Heren, zegent de Heer,

  ja looft en verheft Hem in eeuwigheid.

2

  Gij engelen, hemelse machten,

  gij sterren des hemels, gij zon en gij maan,

  zegent de Heer.

3

  Gij winden van God en gij regen,

  gij sneeuw en gij ijs en gij hitte en vuur,

  zegent de Heer.

4

  Gij bliksems en donkere wolken,

  gij nachten en dagen, gij duister en licht,

  zegent de Heer.

 

  Refrein:

  Gij aarde des Heren, zegent de Heer,

  ja looft en verheft Hem in eeuwigheid.

5

  Gij bergen en glooiende heuvels,

  rivieren en zeeen en gij oceaan,

  zegent de Heer.

6

  Gij bomen, gij gras en gij bloemen,

  gij vissen en wat er in het water bestaat,

  zegent de Heer.

7

  Gij vogels omhoog en gij dieren,

  gij mensen die over de aarde krioelt,

  zegent de Heer.

 

  Refrein:

  Gij Israel, volk van God, zegent de Heer,

  ja looft en verheft Hem in eeuwigheid.

8

  Gij priesters en dienaars des Heren,

  gij geesten en zielen der kinderen Gods,

  zegent de Heer.

9

  Die nederig zijt in het leven,

  looft God, want Hij heeft ons bevrijd uit de hel,

  zegent de Heer.

10

  Bevrijd uit de laaiende vlammen,

  Hananja, Asarja en Misael,

  zegent de Heer.

 

  Refrein:

  De Heer is verheven, zegent de Heer,

  ja looft en verheft Hem in eeuwigheid.

---

*474

#12

1

  Jona wilde vluchten,

  vluchten voor het Woord,

  had een storm te duchten

  en ging overboord.

2

  Eenmaal buiten westen

  viel de duisternis

  die hem toen nog restte

  in de grote vis.

3

  Jona ongeboren

  drijvend in de dood

  waande zich verloren

  in die moederschoot

4

  en hij riep in donker

  onder Gods gericht

  en de HEER die schonk hem

  weer het levenslicht.

5

  Jona zocht de stad op

  oostwaarts oostenvroeg,

  hij had er geen vat op

  dat zij hem verdroeg,

6

  want hij profeteerde

  schade voor de stad

  als zich niet bekeerde

  wie gezondigd had.

7

  En de mensen bogen

  heel hun hart en ziel,

  zodat voor hun ogen

  de stad niet ommeviel.

8

  Jona was verbolgen

  over Gods berouw:

  Nineve verzwolgen,

  dat was wat hij wou.

9

  En hij vroeg de HERE

  om een goede dood,

  wilde zich niet keren,

  naar het morgenrood.

10

  God de HEER beschikte

  toen een wonderboom

  die in vuur verstikte:

  einde van een droom.

11

  Jona wilde sparen

  een gedroomd bestaan

  en voorgoed bewaren

  eigen wijsheidswaan.

12

  Spaar de stad vol namen,

  groeiend als een boom

  en beleef tezamen

  Gods volmaakte droom.

---

*475

#3

1

  Gij ziet ons vechten met de macht

  van dood en chaos, angst en nacht.

  Gij komt ons reddend tegemoet

  en treedt de golven met uw voet.

2

  Maar wij herkennen niet uw gaan

  en zien u voor een spookbeeld aan,

  want mateloos zijn wij verblind

  in ons gevecht met storm en wind.

3

  Heer, dwing de stormwind weg te gaan

  en raak ons met uw geestkracht aan,

  opdat wij over 't boze tij

  het land zien aan de overzij.

---

*476

#4

1

  Zoals het witte bliksemlicht

  dat in het Oosten is ontstaan

  de hemelen is doorgegaan

  en naar het Westen is gericht,

2

  zo zal de komst zijn van Gods Zoon,

  Hem die de Zoon des mensen is,

  een flits in de geschiedenis,

  een schittering verblindend schoon

3

  een snelle, felle tekening

  van alles wat onmooglijk scheen

  rondom de grote aarde heen

  een nieuwe hoop, een hunkering,

4

  een glans die Oost en West verbindt

  en oude en nieuwe wereld saam

  verenigt in de ene naam

  van Christus die zijn Rijk begint.

---

*477

#8

1

  Ik heb vannacht een mooie droom gehad:

  ik liep te zingen in de nieuwe stad.

  Het was een vrolijk lied van louter vrede,

  van liefde tot in alle eeuwigheden.

 

  Keervers:

  En daar is God de Heer

  een groot en stralend licht.

  Het duister is niet meer,

  de dag gaat niet meer dicht.

2

  De stad, die als een diamantsteen straalt

  was uit de hoge hemel neergedaald.

  Een engel heeft haar lengte en haar breedte

  toen met een gouden meetstok opgemeten.

  Keervers

3

  Een zuiver vierkant was de nieuwe stad,

  die ook een muur met wel twaalf poorten had,

  en al die poorten stonden altijd open,

  zodat ik zingend in en uit kon lopen.

  Keervers

4

  Opmaat

 

  En hij toonde mij een rivier van water des levens,

  helder als kristal, ontspringende uit de troon van God

  en van het Lam.

5

  Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier

  staat het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht

  draagt, iedere maand zijn vrucht gevende en de

  bladeren van het geboomte zijn tot genezing der

  volkeren.

6

  En niets vervloekts zal er meer zijn. En de troon van God

  en van het Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten

  zullen Hem vereren,

7

  en zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun

  voorhoofden zijn.

8

  En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht

  van een lamp of licht der zon van node, want de Here

  God zal hen verlichten en zij zullen als koningen

  heersen tot in alle eeuwigheden.

 

                                Openbaring 22:1-5

---

*478

#10

1

  Ik zag een wonderlijke stroom

  van zuiver water in mijn droom

  het bruiste in een stad van goud:

  een stroom van leven en behoud.

2

  En met haar druppels van kristal

  bracht zij verkwikking, overal,

  ik zag de bron waaruit zij kwam:

  de troon van God en van het Lam.

3

  Toen zag ik op het grote plein,

  waar ook de vele mensen zijn,

  zoals het was in het begin:

  de boom des levens middenin.

4

  Die goede boom gaf goede vrucht,

  daar werd van maand tot maand geplukt,

  twaalf keren was het, welgeteld:

  zo bloeit de stam van Israel.

5

  O stad van vrede en van lust,

  waar al de toom is uitgeblust,

  geen wet is tegen u gekeerd,

  en daar is geen vervloeking meer.

6

  Geen hoge raad en geen gericht

  weerstaan ons in het aangezicht,

  want waar God troont is ook het Lam,

  dat dood en oordeel op zich nam.

7

  Zo mogen al de knechten vrij!

  Goeden en slechten, zij aan zij,

  gaan opgetogen door de poort:

  zij groeten God en doen zijn Woord.

8

  AI doende zien zij 't witte licht

  dat uitstraalt van zijn aangezicht

  en op hun voorhoofd blinkt zijn Naam

  EMMANUEL in alle taal!

9

  O volk dat vredelievend lacht,

  daar komt geen avond meer, geen nacht,

  dat gij met lampen door de straat

  bang uitziet naar de dageraad.

10

  Want 's Heren woord is in uw mond

  en God is goud, is morgenstond,

  gij zult regeren, en voortaan

  zal nooit de zon meer ondergaan!

---

*501

#7

1

  De vreugde voert ons naar dit huis

  waar 't Woord aan ons geschiedt.

  God roept zijn Naam over ons uit

  en wekt in ons het lied.

2

  Dit huis van hout en steen, dat lang

  de stormen heeft doorstaan,

  waar nog de wolk gebeden hangt

  van wie zijn voorgegaan,

3

  dit huis, dat alle sporen draagt

  van wie maar mensen zijn,

  de pijler die het alles schraagt,

  wilt Gij die voor ons zijn?

4

  Zal dit een huis, een plaats zijn waar

  de hemel open gaat,

  waar Gij ons met uw eng'len troost,

  waar Gij U vinden laat?

5

  Onthul ons dan uw Aangezicht,

  uw Naam, die met ons gaat

  en heilig ons hier met uw licht,

  uw voorbedachte raad.

6

  Vervul ons met een nieuw verstaan

  van 't Woord, waarin Gij spreekt,

  en reik ons zelf als leeftocht aan

  het Brood, dat Gij ons breekt.

7

  Dit huis slijt met ons aan de tijd,

  maar blijven zal de kracht

  die wie hier schuilen verder leidt

  tot alles is volbracht.

---

*502

#5

1

  Laat lichten, Heer, uw aangezicht!

  Doe ons vandaag uw goedheid proeven.

  Op uw gezag wijkt weer de nacht

  voor 't morgenlicht:

  uw trouw, het huis waarin wij toeven.

2

  Geen mens doorziet het hart der zon

  zonder zijn ogen te verblinden.

  Wij zien U niet. Maar alle licht

  kent U als bron.

  Gij ziet ons tasten. Laat U vinden!

3

  Komt Gij tot ons stormenderhand?

  Wilt Gij dat wij ons overgeven?

  Wij wachten U in 't suizen van

  een koele wind,

  die 't land beademt met nieuw leven.

4

  Gij zijt zo ver, zo ongekend;

  alle verstand gaat Gij te boven.

  Maar 't mensenhart dat naar U zoekt

  kiest Gij als tent.

  Dat wij U op uw woord geloven!

5

  Oneindig groot zijt Gij en toch

  laat Gij U bij de kleinsten vinden.

  In hun nabijheid straalt het licht

  van uw gezicht.

  Roep ons met hen tot uw beminden!

---

*503

#3

1

  Wij komen als geroepen

  en aan het licht gebracht.

  Het leven te begroeten

  heeft God ons toegedacht.

  Wij komen als geroepen,

  getekend met een naam,

  van ongeweten toekomst

  de mede erfgenaam.

2

  Geroepen om te leven,

  gehouden aan zijn woord

  van uitgesproken vrede,

  van liefde ongehoord.

  Herboren, uitgetogen

  uit de toevalligheid,

  bestemd voor de genade,

  het donker al voorbij!

3

  Getekend voor ons leven

  als kind'ren van het licht,

  gezaaid op hoop van zegen,

  de dag als vergezicht.

  God, breng ons zelf op Adem

  en treed in ons bestaan.

  Bezegel onze vreugde

  hier met uw eigen Naam!

---

*504

#3

1

  Dat uw ogen nacht en dag

  rond dit huis geopend zijn

  en uw woord zich met gezag

  laat verstaan voor groot en klein.

  Gun het licht aan uw gemeente

  in het duister van de tijd,

  opdat edel dit gesteente

  stralen mag in eeuwigheid.

2

  Dat uw handen wereldwijd

  zijn gevouwen om uw volk.

  Gij die nadert in de tijd

  overdek ons met uw wolk.

  Onherbergzaam is het leven

  sinds de mens vertrouwen brak,

  maar Gij wilt bescherming geven,

  in uw naam een onderdak.

3

  Dat uw adem leven wekt

  zodat mensen niet vergaan,

  maar het wonder zich voltrekt,

  stenen levend zijn voortaan.

  Wij zijn been van uw gebeente;

  Gij geeft vorm en Gij versiert.

  Bouw uw hofstad, uw gemeente,

  tot een bruid die hoogtij viert.

---

*505

#4

1

  Het eerste licht raakt Jacob aan:

  Ik ben.

  Er is een lange weg te gaan.

  Maar waar geen reisgenoot meer is,

  behoudt een naam betekenis:

  Ik ben.

2

  De Naam die afdaalt in de nacht:

  Ik ben,

  die in een droom op Jacob wacht.

  Ik ben het Woord dat naar u taalt,

  u voorgaat en u achterhaalt,

  Ik ben.

3

  Hij is op deze plaats geweest:

  Ik ben.

  De schepping ademt nog zijn geest.

  Zelfs in een steen weerklinkt zijn Naam,

  de kracht die mensen op doet staan:

  Ik ben.

4

  O onuitsprekelijk geheim,

  Ik ben.

  Wil ons ook tegenwoordig zijn.

  Hoe ontzagwekkend is de plaats

  waar Gij op ons te wachten staat.

  Ik ben.

---

*506

#6

1

  De man die uit den vreemde

  kwam bij de grensrivier

  heeft vorstelijk gestreden

  en heeft gezegevierd.

2

  Een weergekeerde balling,

  maar kind aan huis bij God,

  ontmoet een zwarte engel,

  een broeder van de dood,

3

  en worstelt om de zegen,

  om het geboortelicht,

  verheffing van het leven

  en van Gods aangezicht.

4

  Gods ridder hier beneden,

  de zoon van het verbond,

  heeft totterdood gebeden

  tot aan de morgenstond.

5

  De zon is hem verrezen

  toen hij zijn doortocht hield,

  zijn leven is genezen,

  zijn honger is gestild.

6

  De doden zullen opstaan,

  want Hij gaat voor ze uit.

  Als zij de ogen opslaan,

  de zon staat op hun huid.

---

*507

#1

1

  Spelbreker die beslag

  legt op mij en mijn leven

  god stikdonkere god

  voortaan iedere dag

  die gij me nog zult geven

  god stikdonkere god

  zal ik U haten, gij

  tot ge me kleingekregen

  hebt met uw liefde tot

  ik tegen dat gezag

  ben uitgevochten tegen

  die naam niets meer vermag

  en uw genadeslag

  aanvaard heb als uw zegen

  god stikdonkere god.

---

*508

#8

1

  Een kind wordt gered uit de vloed.

  Zijn naam, een belofte voor later:

  'Getrokken is hij uit het water'.

  Zijn zuster ziet toe. God is goed!

  En Mirjam zingt zacht

  en speelt als hij lacht,

  op haar tamboerijn.

2

  Een zuster, die God heeft vertrouwd.

  Zij staat aan de wieg van het wonder:

  niet reddeloos gaat hier ten onder

  wat wordt: Isrels ark van behoud.

  Nu juicht zij voluit

  bij 't rinklend geluid

  van haar tamboerijn.

3

  Een volk haast zich weg uit de dood.

  Ooit hoorde de hemel het schreien.

  Maar nu mag het dansen in reien

  om Hem, die het water gebood.

  En Mirjam verlaat

  de nacht op de maat

  van haar tamboerijn.

4

  Een slavenvolk is het geweest.

  Maar morgenlicht kleurt nu de oever.

  De toekomst begint en zij proeven

  de vrijheid, een goddelijk feest!

  En Mirjams hand roert

  in vreugde vervoerd,

  weer haar tamboerijn.

5

  Een naam zal nu dankgebed zijn:

  'De Heer trok ons zelf uit het water'

  zingt ieder en Mirjam, zij slaat er

  de maat van dit vrolijk refrein,

  zodat elke voet

  nu wel dansen moet

  bij de tamboerijn.

6

  Een lied zingt de reien door.

  'God heeft, - hoog is Hij en verheven!

  het paard en zijn ruiter verdreven!'

  Zo antwoorden vrouwen in koor.

  En boven hen uit

  klinkt helder en luid

  Mirjams tamboerijn.

7

  Een lied is in zwijgen vergaan.

  Dit volk, zijn bevrijder vergeten,

  heeft God al zijn moeiten verweten.

  En weer staat ook Mirjam vooraan.

  Haar zonde is groot,

  en zwaarder dan lood

  weegt haar tamboerijn.

8

  Een graf rest haar in de woestijn.

  En, ooit profetes onder vrouwen,

  vond zij toch opnieuw het vertrouwen

  dat God haar Bevrijder zou zijn.

  Nu is het de wind

  die dit refrein zingt

  in haar tamboerijn ...

---

*509

#3

1

  De mens met een geopend oog

  zal niet verwoesten, maar van zegeningen spreken,

  al is de vogel van de vijand niet neergestreken

  die vechtend om gewin uitvloog.

2

  De mens die wat God zegt ook hoort

  en weet wat van de Allerhoogste is te weten,

  zal nimmermeer de grote leefregels vergeten

  die wegen wijzen, woord voor woord.

3

  De mens leeft op als hij aanschouwt

  dat God de Heer geweldig is in doen en laten,

  in tegenstanders soms, gezonden ons ten bate;

  engel of dier, tot ons behoud.

---

*510

#5

1

  Veel hoger dan Abraham klom

  en hoger dan Jakob kon dromen,

  ontsteeg hij de vlakte rondom

  om zichtbaar in vrede te wonen.

  Hij was uit het water gehaald

  en had langs Gods wegen gedwaald.

2

  De ogen vervuld van Gods licht

  stond Mozes begerig te staren.

  Hij las het beloofde gedicht

  van palmen en wuivende aren.

  Het water van d' achterste zee

  rees op en deed handklappend mee.

3

  Met oren vervuld van het woord

  dat God zijn belofte zal houden,

  mocht Mozes een tuin ongehoord,

  Gods plan met zijn landschap aanschouwen.

  Maar de donkere arm, de Jordaan,

  weerhield hem er binnen te gaan.

4

  Hij daalde de berg niet meer af.

  Hij is in de hoogte gebleven,

  God legde hem neer in het graf:

  dit werd hem een teken van leven.

  Bevrijder van 't duister gericht

  verdronk in de zee van het licht.

5

  Veel hoger dan Mozes toen klom

  is Christus de aarde ontstegen,

  uit hemelse tuinen rondom

  komt Hij in de liefde ons tegen:

  Hij wijst ons waar wateren staan,

  de wegen om verder te gaan.

---

*511

#5

1

  De vogels brengen brood

  en water is voorhanden,

  al staat de zon te branden,

  al gaan de mensen dood.

 

  Refrein:

  Elia, man van naam,

  hij heeft zich prijsgegeven,

  roept woorden uit ten leven:

  Elia is zijn naam.

2

  Geen regen en geen dauw,

  de Heer houdt zich verborgen,

  gebleven zijn de zorgen

  voor kind en man en vrouw.

  Refrein

3

  Wie is de Here God?

  Wie moeten wij zo noemen?

  Een vuurvlam zal Hem roemen:

  daar is de Here God!

  Refrein

4

  Een doodlopende weg,

  een leven niet te dragen -

  In stilte komen vragen

  uit op de goede weg.

  Refrein

5

  De geest waait als de wind

  tot aan de overzijde

  en maakt voor alle tijden

  de mensen goedgezind.

  Refrein

---

*512

#6

1

  Heer, onze Heer, hoe heerlijk is

  uw Naam in de geschiedenis,

  op heel de aarde, wijd en zijd.

  De hemel zingt uw majesteit.

2

  Het eerste kinderlijk geluid

  roept glorieus uw sterkte uit.

  Met onze kwetsbaarheid vertrouwd

  ontwapent Gij wat ons benauwt.

3

  Zie ik uw sterren in de nacht,

  die hemelhoog geschapen pracht,

  wat is dan niet het mensenkind,

  dat Gij het kent en zo bemint.

4

  Geen sterrenhemel houdt hem klein;

  de mens mag vorst der aarde zijn.

  Gij kroont hem als uw bondgenoot

  en maakt hem bijna godd'lijk groot.

5

  Al wat op aarde is laat Gij

  zich buigen voor zijn heerschappij.

  De dieren komen in een stoet

  hem hoog en breed al tegemoet.

6

  HEER, onze Heer, hoe heerlijk is

  uw Naam in de geschiedenis,

  want op de aard' is wijd en zijd

  het mensenkind uw majesteit.

---

*513

#4

1

  Uw Woord omvat mijn leven

  en tilt het aan het licht.

  Hebt Gij zo door uw spreken

  niet alles opgericht?

  Uw Woord zet mij op vaste grond

  en vult met louter leven

  de woorden in mijn mond.

2

  Op U laat ik mij voorstaan,

  ik ben aan U gehecht.

  Waar Gij betrouwbaar voorgaat

  ontvouwt zich weer een weg.

  De paden die ik zelf bedacht

  zijn doelloos doodgelopen.

  Zij voerden in de nacht.

3

  Uw woorden te herhalen

  is honing in mijn mond.

  Mij raakt niet meer het smalen

  dat ik mij aan U bond.

  Ik weet dat zwerven bitter smaakt,

  maar heel mijn zoekend leven -

  Gij hebt het zoet gemaakt.

4

  God, laat mij nooit verliezen

  de vreugde om uw woord,

  de moed mijn weg te kiezen

  waar ik uw voetstap hoor.

  En overtuig mij dag aan dag

  dat Gij mij hebt geroepen,

  ja, dat ik leven mag!

---

*514

#3

1

  Vol tranen zien wij hoe de tijd

  verglijdt op Babels stromen.

  Ons hart is in Jeruzalem,

  ons thuis, waarvan wij dromen.

  Geen hand, die nog een snaar beroert,

  geen lied, dat ooit nog ons vervoert.

  Doelloos vergaan de dagen.

  De heersers in dit vreemde land

  drukken op ons met harde hand,

  meer dan wij kunnen dragen.

2

  De wachters in dit heilloos oord

  hebben ons willen dwingen

  het lied, dat thuis vaak werd gehoord,

  opnieuw voor hen te zingen.

  Op vreemde grond ontbreekt de kracht,

  zolang mijn hart naar Sion smacht.

  Jij blijft mijn vreugde heten!

  Als 'k jou vergat, Jeruzalem,

  ik werd beroofd van spraak en stem.

  Mijn hand zou mij vergeten.

3

  Bewaar, God, in herinnering

  hoe Sion is gevallen!

  Hoe steen voor steen zij onderging,

  beroofd werd van haar wallen.

  Breek Babels trotse hoogmoed stuk.

  Vernietig het, tot ons geluk,

  en wil haar stralen doven.

  Niet langer kan zij voortbestaan!

  Gezegend, wie haar kan weerstaan,

  haar goed en bloed zal roven.

---

*515

#4

1

  Wat brengt een mens het zwoegen op?

  Een hand gevuld met lucht.

  Niets kan hij doen, dat blijvend is.

  Hij zoekt geluk maar vindt gemis

  en nooit komt hij tot rust.

2

  Gods gang lijkt ondoorgrondelijk,

  een duister zinsverband.

  Al blijven duizend vragen staan

  en klagen wij de hemel aan,

  wij leven uit zijn hand.

3

  God heeft de tijden vastgesteld,

  en alles heeft zijn uur.

  Geniet van wie uw nachten deelt,

  beproef wat tong en zinnen streelt

  zolang de zomer duurt.

4

  Het levenslicht verduistert snel;

  God blijft de klare bron.

  Door 't wankel dak boven ons hoofd

  melden de sterren: Hij belooft

  iets nieuws onder de zon.

---

*516

#7

1

  Ik breng een rechter aan het licht,

  zo spreekt de Heer en zijn gericht

  zal over alle volken gaan,

  de tirannie heeft afgedaan.

2

  Een koning bij de gratie Gods,

  het onrecht breekt hij en de trots

  van die grootspreken in hun waan

  en kleinen naar het leven staan.

3

  Hij is geen schreeuwer in de straat,

  geen holle klank, geen potentaat,

  de roep van zijn verlossend woord

  wordt in het verste land gehoord.

4

  Een riet dat buigt in weer en wind,

  zo is mijn knecht, een mensenkind,

  wat is geknakt, verbreekt hij niet

  zijn adem heelt gelijk een lied.

5

  Is hij een lamp die helder schijnt,

  hij dooft de vlam niet die verkwijnt,

  mijn knecht geeft gloed aan het bestaan,

  hij wakkert het geringe aan.

6

  Hij is het eerste morgenlicht,

  de blinde ziet een vergezicht,

  de dove hoort een nieuw geluid,

  de aangeklaagde gaat vrijuit.

7

  De vorst der vorsten is een knecht,

  de volken komen tot hun recht,

  vrijheid en vrede eren hem

  die 't hart is van Jeruzalem.

---

*517

#6

1

  Mijn dienstknecht mijn geliefde

  mijn geest op jou gelegd.

  Die woorden zul je weten.

  Een leven zwaar te dragen

  heeft Hij je aangezegd.

2

  Geschaduwd zal je worden,

  gewantrouwd om zijn woord,

  om wat je weet dat recht is -

  en zou je het volbrengen

  god weet, je werd vermoord.

3

  Dat hebben onze ogen

  gezien: hoe 't een verging

  die slaven wou bevrijden,

  hoe als een slaaf gekruisigd

  hij toen te sterven hing.

4

  Zo zal ook wie het onrecht

  wil inzien en weerstaan,

  door nachten van niet weten,

  niet durven, niet meer kunnen,

  door zeven hellen gaan.

5

  Ik zag een mens, geslagen,

  met onverwoest gezicht

  uit nacht te voorschijn komen.

  Ik dacht: Hoe kan het lijden

  een weg zijn naar het licht?

6

  Ik vroeg, maar kreeg geen antwoord.

  De woorden waren heen.

  Toen zag ik nog een ander:

  die ene droeg de ander,

  de ander droeg de een.

---

*518

#4

1

  De Geest des Heren is op hem

  die tot verkondiging verkoren,

  ons aanspreekt zodat wij het horen

  als hoorden wij Gods eigen stem.

2

  Wat is het dat hij aan ons meldt?

  De blijde boodschap voor de armen:

  het overweldigend erbarmen

  dat ons gebroken hart herstelt.

3

  Dat de gevangenen bevrijdt

  en ons verlost uit schand' en schade

  en meldt het jaar van Gods genade,

  zijn recht en zijn barmhartigheid.

4

  Wij danken God voor deze stem

  die heeft geklonken in ons midden,

  ons aangevuurd heeft bij het bidden

  met uitzicht op Jeruzalem.

---

*519

#9

1

  Gestuurd op wegen ongedacht,

  als eenzaam vechter in de nacht

  draag ik de mantel van profeet.

  Met Gods verdriet ben ik bekleed.

 

  Refrein:

  Stem, die ons uitdaagt,

  vind bij ons gehoor!

  Woord als daglicht,

  altijd laaiend vuur,

  woon op onze lippen,

  adem in ons oor!

2

  Ik riep: Gij vraagt te veel van mij.

  Gij zijt te groot, ga mij voorbij!

  Maar spreken moest ik, aangeraakt

  ben ik nu tot zijn stem gemaakt.

3

  Zijn woorden ploegen door mijn grond.

  Zij leggen bloot. Ze slaan een wond.

  Hij roept om ons en klaagt ons aan.

  Kan Hij niet zonder ons bestaan?

  Refrein

4

  Zo ongelegen komt zijn woord,

  een fluistering die ongehoord

  zich in mijn bloed gedrongen heeft,

  als liefde waar ik mij aan geef.

5

  Hij is een woord dat niet verwaait,

  een vuur waarin de liefde laait,

  een hamer die de rotsen splijt,

  een God die aan ons mensen lijdt.

6

  Hij striemt de vrome zekerheid,

  maar streelt de twijfels en de strijd.

  Wij buigen ons voor zijn gericht

  en vinden zo zijn aangezicht.

  Refrein.

7

  Ik bande Hem uit hart en hoofd.

  Zijn Naam dacht ik in mij gedoofd.

  Vergeefs ontliep ik zijn geluid,

  want als een vlam slaat Hij mij uit.

8

  Verliet ik dan de moederschoot

  alleen voor leven totterdood?

  Was zij, die mij het leven gaf,

  mij maar geworden tot een graf.

9

  Ik ben gevangen in zijn stem,

  mijn leven spreekt alleen van Hem,

  mijn God; Hij zit mij in het bloed.

  Dat maakt mijn bitter leven zoet.

  Refrein.

---

*520

#6

1

  Voortaan zal Ik zelf omzien naar mijn schapen.

  Waar zij ook zijn verspreid,

  mijn koninklijk beleid

  zoekt hen te redden. Weet: uw Hoeder zal niet slapen!

2

  Mijn woede geldt wie wel op herders lijken,

  maar weiden om het geld

  en met hun grof geweld

  zichzelf ten koste van mijn kinderen verrijken.

3

  Zij zijn vertrapt, maar Ik kom tussenbeide.

  Aan wie verdreven is

  vergoed Ik het gemis.

  Baanbrekend zal Ik zijn. Een ware vrijgeleide!

4

  Vasthoudend zoek Ik naar wie was verloren.

  Ik bied een warm onthaal

  aan wie is afgedwaald.

  Hoe ver zij zijn verstrooid, mijn stem bereikt hun

5

  Ik zelf zal hun opnieuw een weg bereiden

  en drenken bij de bron.

  Ik maak hen weer gezond

  en voer hen naar de weelde van een groene weide.

6

  Weer thuis gehaald naar liefelijke dreven,

  en uit een zwarte nacht

  voorgoed bijeengebracht,

  zullen zij weer met opgeheven hoofden leven.

---

*521

#6

1

  Zo dor en doods,

  zo levenloos

  verlamd, uiteengeslagen,

  zonder hoop en zonder troost

  slijten wij de dagen.

2

  God, zie ons dan

  teloor gegaan,

  versteend en doodgezwegen,

  levend waar geen dag meer is,

  nacht aan nacht geregen.

3

  Zijt Gij het, Heer,

  die weet wanneer

  wij ooit zullen herleven?

  Met uw adem kunt Gij toch

  ons het leven geven?

4

  Kom dan en spreek

  Uw woord en breek

  zo onze graven open.

  Wil ons met de Geesteskracht

  van uw adem dopen.

5

  Wek ons voorgoed!

  Zet met uw gloed

  ons recht op onze voeten.

  Vol van leven zullen wij

  't morgenlicht begroeten.

6

  Blaas met uw Geest

  in ons het feest

  dat allen zal verwarmen.

  Open ons het vergezicht

  op uw groot erbarmen!

---

*522

#10

1

  Een volk eet weer het bitter brood,

  moet leven bij de dag,

  als bannelingen uitgestrooid

  onder een vreemde vlag,

2

  maar in de as van het verdriet

  brandt nog een lopend vuur

  van beter weten, ongezien,

  dat deze nacht verduurt.

3

  De ballingschap, een nacht waarin

  het zaad ontkiemen moet,

  tot het gerijpt de nieuwe dag

  met goede vrucht begroet,

4

  want wat met tranen is gezaaid

  wordt juichend ingehaald.

  Verstrooid als graan, geoogst tot brood

  waarnaar de wereld taalt.

  Refrein.

5

  Een volk dat, blindelings verdwaald,

  zich keert naar Gods gezicht

  en zien zal, eenmaal thuis gehaald,

  als in het volle licht,

6

  met ogen, die als vensters zijn

  tot op Jeruzalem,

  als doden, toch weer opgestaan,

  geroepen door de Stem.

  Refrein.

7

  Een Woord als stok en staf ter hand,

  aanvaarden wij de reis.

  Wij tasten naar het goede land,

  doorlopen de woestijn.

8

  Jeruzalem van boven is

  de droom die allen leidt.

  De voeten gaan de goede weg

  van de gerechtigheid.

  Refrein.

9

  Wij zijn elkaar tot reisgezel,

  tot engelen van trouw,

  zoals die onder vrienden telt

  en tussen man en vrouw,

10

  als pelgrims naar de Vredesstad

  die zingen: "God is goed!"

  om Hem, die ons geroepen had

  tot leven in de dood.

  Refrein.

 

  Refrein:

  Laat uw liefde ons bevrijden,

  die nog lijden aan de nacht,

  als een engel ons geleiden,

  als een licht dat wacht.

---

*523

#6

1

  Het is Gods eigen hand

  die ons krachtdadig leidt,

  de hand die ons kastijdt

  en brengt naar het beloofde land,

  de hand die ons de afgrond toont

  en wijst waar onze vrede woont.

2

  Getuigen van die kracht

  zijn wij, de wereld rond

  verstrooid op vreemde grond.

  De spertijd van de bange nacht

  zal God doorbreken. En voorgoed

  komt Hij ons lichtend tegemoet.

3

  Ook in den vreemde klinkt

  mijn lied. Ik geef Hem stem.

  Volmondig prijs ik Hem

  die met ontferming naar ons ziet.

  Ik weet dat zijn barmhartigheid

  de tarwe van het onkruid scheidt.

4

  Jeruzalem, vier feest!

  Versier u als een bruid!

  Hij komt en roept u uit

  tot woning voor zijn Woord en Geest.

  De volken neigen voor uw vaan

  en zullen voor uw poorten staan.

5

  Dan zal het vrede zijn!

  En wie ook in verdriet

  u toch niet eenzaam liet,

  wordt deelgenoot in uw festijn.

  De grenzen zullen opengaan;

  dan roept God ons om in te gaan.

6

  Jeruzalem, gebouwd

  als nieuw en nooit gedacht,

  een stad van pure pracht

  die duurzaam torent, glanst als goud,

  stad, waar God op de lofzang troont,

  de Zon die in ons midden woont.

---

*524

#7

1

  Zij boog het hoofd

  en stemde in

  met woorden, groter dan zijzelf

  De Heer zag naar haar om

  bij monde van

  de engel Gabriel

2

  Zij werd gegroet

  en was ontroerd,

  zo blij als Sions dochter zelf.

  "De Heer zal bij je zijn!"

  Zo sprak haar aan

  de engel Gabriel.

3

  Haar is gevraagd

  te buigen voor

  de schaduw van de goede God.

  Zijn Geest roerde haar ziel

  en raakte haar

  met zijn aanwezigheid.

4

  Zij gaf zich in

  haar woord van eer:

  "Laat mij geschieden naar uw woord".

  Want zij had in de groet

  de echo van

  de hemel zelf gehoord.

5

  Een dienares

  draagt in haar schoot

  de toekomst van heel Israel.

  Genade werd haar deel

  uit handen van

  de engel Gabriel.

6

  Geen woord van God

  zal vruchteloos

  vergaan, verwaaien op de wind.

  "De Heer zal bij je zijn"

  wordt vlees en bloed

  hier in Maria's kind.

7

  "Wees dan gegroet,

  genadevol!

  De Eeuwige, Hij is met jou!

  De Zoon, in jou gewekt,

  gezegend Hij,

  dit teken van zijn trouw".

---

*525

#14

1

  Jij, dochter van Jeruzalem,

  begroet door Gabriel,

  jij gaf aan de verwachting stem

  als moeder Israels.

2

  Jij hebt het hoge Woord vertolkt

  dat God Bevrijder is.

  Maria, stem van Abrams volk,

  ontving zijn erfenis.

3

  De vrede is je toegezegd,

  de hemel sprak je aan.

  Het woord, als zaad in jou gelegd,

  is in jou opgestaan.

4

  Niet ledig is het weergekeerd,

  niet in woestijn verwaaid.

  Opdat de uittocht werd volbracht

  heeft het zich uitgezaaid.

5

  De toekomst dient zich in jou aan;

  dit Woord heeft vrucht gezet.

  Jou wijst ons als een moeder aan

  de ware Zoon der wet.

6

  Maria, tent en tempel waar

  God zelf de mens ontmoet,

  die in het Woord, dat jou geschiedt

  ons met genade groet.

7

  Om Hem zing jij je lied, want Hij

  heeft naar je omgezien.

  Met hart en ziel maak jij Hem groot;

  Hij was van jou gediend.

8

  Jouw kleingehouden leven is

  door Hem aan 't licht getild.

  De rijke ziet zijn macht vergaan,

  maar honger wordt gestild.

9

  Goede Vrijdag

  Maria, moeder bij het kruis,

  een zwaard sneed door jouw hart

  waarin jij de gedachtenis

  aan vrede had bewaard.

10

  Jouw Zoon, verloren aan de dood,

  zo anders dan gedacht,

  rust van zijn moeiten in jouw schoot;

  de uittocht is volbracht.

11

  Pasen

  In de woestijn was jij de roos

  die bloeit bij 't open graf.

  Jouw liefde wortelt in de hoop

  van hemelse komaf.

12

  (Kana)

  Jij hebt niet tevergeefs zo lang

  de ure afgewacht:

  hier wordt het bloed dat heeft gevloeid

  als bruiloftswijn van kracht.

13

  Pinksteren

  Wanneer de Geest in ons ontvlamt

  ben jij ten voeten uit

  de tempel waar het vuur in brandt,

  een ware Pinksterbruid.

14

  De eersteling, die jou ontsproot

  en van Gods Geest gedijt,

  vermenigvuldigt zich als oogst

  van zijn barmhartigheid.

---

*526

#5

1

  Looft God! Mijn ziel en zinnen

  zijn tot zijn lof ontwaakt,

  zodat ik blij wil zingen

  van redding die mij raakt.

  Mijn geest wordt welbespraakt

  want Hij doet grote dingen

  nu Hij de allerminste

  tot een beminde maakt.

2

  Hoe heilig en bijzonder,

  hoe machtig handelt Hij.

  Nu spreken alle tongen

  van groot geluk voor mij

  Een woord zo ongerijmd,

  een raadsel doet de ronde.

  Ik draag voortaan verwonderd

  een ongerept geheim.

3

  Barmhartig en genadig

  heeft God zijn kracht getoond:

  geringen geeft Hij waarde,

  geeft Hij het hoogste loon.

  Maar waar geen eerbied woont,

  waar trots zich openbaarde

  bij machtigen der aarde,

  stort hoogmoed van de troon.

4

  God laat zijn liefde blijken

  aan wie ten onder gaan,

  aan hen die honger lijden:

  zij winnen grond en graan.

  Maar winst verkeert in waan

  als rinkelende rijken,

  die de verliezers blijken,

  met lege handen staan.

5

  Zo wil God zich verbinden

  aan Israel zijn knecht,

  aan Abraham en kind'ren,

  zoals Hij heeft gezegd.

  Looft God die zo oprecht

  de mensen wil beminnen,

  die zich van den beginne

  voorgoed aan mensen hecht.

---

*527

#5

1

  De vissen scholen samen,

  de zee is veel te wijd,

  zij hebben nog geen namen,

  ze zijn verleden tijd.

2

  Zij hebben nog geen namen,

  ze leven uit het licht,

  van eeuwigheid tot amen

  buiten Gods aangezicht.

3

  Van eeuwigheid tot amen,

  de schepping gaat voorbij,

  het eind zal hen beschamen,

  ze leven in dood tij.

4

  Het eind zal ons beschamen,

  God haalt de netten op.

  De vissen scholen samen.

  Hij vangt ons in de doop.

5

  De vissen zijn gevangen,

  ze komen binnen boord.

  Het lied van Gods verlangen

  wordt overal gehoord.

---

*528

#5

1

  Hij kwam ons tegemoet

  toen wij in diep verdriet

  niet wisten wat te doen;

  toen ons het licht verliet

  kwam Hij ons tegemoet.

2

  Maar wij herkenden niet

  toen Hij vlakbij ons was

  Zijn stem, Zijn woord van hoop.

  Zelfs toen Hij met ons sprak

  herkenden wij Hem niet.

3

  Als vreemdeling die ons

  op weg al had verrast

  bleef Hij bij ons in huis.

  Zo werd Hij onze gast

  als vreemdeling bij ons.

4

  Hij brak met ons het brood

  zoals Hij had gedaan

  met al wie honger had

  en reikte ons het aan.

  Zo brak Hij voor ons brood.

5

  Hij komt ons tegemoet

  nu wij de nieuwe dag

  Zijn dag hebben gezien.

  Wij weten: onverwachts

  komt Hij ons tegemoet.

---

*529

#4

1

  Op de derde scheppingsdag

  groent de groene aarde,

  uit het water van de nacht

  opgewekt, aan 't licht gebracht.

  God zal ons bewaren!

2

  Op de derde bruiloftsdag

  wordt de trouw beklonken.

  Waar de vreugd verloren lag

  schenkt de bruidegom weer kracht.

  Daar mag op gedronken!

3

  Op de derde scheppingsdag

  wordt het graf ontsloten

  waar de Zoon gevangen lag.

  Dag, waarop het leven lacht,

  dag, zonovergoten!

4

  Op de achtste scheppingsdag

  zal de wijn weer stromen,

  als de wereld rusten mag

  en wij onder Sions vlag

  zijn bijeengekomen.

---

*530

#5

1

  Steenlichaam

  dat alle levenden draagt:

  riffen gebeenten, keienvelden,

  zand van kristallen.

2

  Lichtlichaam

  dat alle levenden drenkt:

  golven van kleuren, zielevonken,

  uitziende ogen.

3

  Woordlichaam

  dat alle levenden voedt:

  klank van geboorte, stervenskreten,

  namen van doden.

4

  Ik-lichaam

  dat alle levenden zijn:

  deze versteende, licht omfloerste

  woordblinde aarde.

5

  Geestlichaam

  die alle levenden leeft:

  in wie bestaan en eeuwig worden

  wij, deze mensen.

---

*531

#4

1

  ster van david

  hoog aan de hemel geschreven

  nooit meer los van de nacht

  duizend doden gestorven brandend geel

  schimmen van mensen bloedrode maan

2

  zwijgend heelal

  lege schelp echo van woorden

  jouw zaad het zou maar hoe

  wij in elkaar verdwaalden

  wie zijn wij

  wie zal verhalen

  wie geeft gehoor

3

  schaamte voorgoed

  bitter de smaak van het water

  klacht onder het altaar

  hakend in ons geweten

  kyrieleis

  geef de verstrooiden

  sieraad voor as

4

  veel te oud licht

  hoe zul je ooit achterhalen

  wat zo wreed werd geknecht

  dagrest in onze dromen

  woord in het wit

  beelden van morgen

  overbelicbt

---

*532

#7

1

  Glorie zij gegeven

  aan de Heer voortaan:

  Hij sprak en het leven

  leefde in zijn naam.

 

  Refrein:

  De Here God is heilig,

  De Albeheerser, heilig is Hij,

  Die was en Die is, en Die komt,

  ja, heilig is Hij, ja Hij!

2

  't Lam, dat wilde kopen

  leven voor de dood,

  deed de boekrol open

  voor de Here God.

  Refrein

3

  En het openbaarde

  in een lang verhaal

  hoe de mens op aarde

  leefde in de taal.

  Refrein

4

  Daarom lof en ere

  aan Hem en het Lam,

  Hem, de Heer der Heren,

  Lam uit Juda's stam.

  Refrein

5

  Heerlijkheid en sterkte,

  wijsheid, macht en dank

  aan Wie heil bewerkte

  voor een wereld lang.

  Refrein

6

  Koning zal Hij wezen

  over groot en klein,

  over wie Hem vrezen,

  dienstbaar willen zijn.

  Refrein

7

  Laat een feestlied klinken

  en maak u gereed,

  smetteloos en blinkend

  in het bruiloftskleed!

  Refrein

---

*533

#5

1

  Gij die aangeroepen wordt,

  die wij God nomen en Vader,

  Ongeziene, kom ons nader,

  tooi de aarde met uw licht,

  open ons een vergezicht.

2

  Gij die uitgeschreven staat

  in de heldere taal der sterren,

  hoogtij, lichtende van verre -

  Morgenster, treed uit uw baan

  en kom in ons midden staan.

3

  Gij die uitgesproken zijt

  de Geliefde, Woord van leven

  in der minne ons gegeven,

  Naam, die oplicht in de nacht,

  kom en klink in volle pracht.

4

  Gij die opgetekend staat

  in de heilige schrifturen

  die der eeuwen loop verduren,

  uw gelofte is ons lied,

  onze mond uw taalgebied.

5

  Gij die ons zijt toegezegd:

  God met ons en Mens van vrede,

  deel U aan de wereld mede,

  kom tevoorschijn uit het licht,

  liefde, toon uw Aangezicht.

---

*534

#7

1

  In de duisternis verwachten

  wij het licht dat komen zal,

  Hem, die in de nacht der nachten

  wordt geboren in een stal.

2

  Onze hunkerende ogen

  blijven op een doel gericht,

  op de Opgang uit den Hoge,

  de verschijning van het licht,

3

  op zijn lieflijke verschijnen

  in het midden van de tijd,

  in de harten van de zijnen,

  in de wereld wijd en zijd,

4

  op de wereldwijde vrede,

  als Hij werk'lijk komen zal,

  te beginnen in het heden,

  te beginnen in de stal.

5

  Want een Kind is ons gegeven,

  want een Zoon staat ons terzij,

  op zijn lippen eeuwig leven,

  op zijn schouders heerschappij.

6

  Op zijn wonderlijke namen -

  Vader, Raadsman, Vredevorst -

  is ons antwoord ja en amen,

  daar ons hart naar vrede dorst.

7

  Al zijn namen die wij noemen,

  stralen in volmaakte pracht

  als een tuin vol voorjaarsbloemen,

  als de sterren in de nacht.

---

*535

#4

1

  Als groen dat in de wintertijd

  aan onze bomen hangen blijft,

  als zaad dat in de koude grond

  moet wachten tot de lente komt:

 

  Refrein:

  Zo is het Koninkrijk

  midden onder ons.

2

  Een kind dat klein en ademloos

  nog sluimert in de moederschoot,

  totdat het, uit zijn slaap verlost,

  als mens aan ons gegeven wordt:

  Refrein

3

  Een stem die zonder groot geweld

  gerechtigheid en vrede meldt;

  de kleinen zullen het verstaan

  en samen nieuwe wegen gaan:

  Refrein

4

  Een naam die ons wordt doorgezegd,

  Hij die herkend wordt onderweg,

  die komt en gaat en komen blijft

  tot in het einde van de tijd:

  Refrein

---

*536

#4

1

  Het zal geschieden in de laatste dagen

  dat God verschijnt met macht en majesteit

  en in zijn licht de dageraad laat komen

  die onze duisternissen weg doet stromen.

  Zijn huis, hoog op de berg, staat vast in wijs beleid

  als onderkomen van zijn welbehagen.

2

  Het zal geschieden in de laatste dagen

  dat de Gezalfde Gods de vrede sticht

  die alle boosheid breekt en doet bedaren,

  om in de Geest des Heren te bewaren

  wat groeit in groot geduld en in het glanzend licht

  van Vaderlijke troost het leed zal dragen.

3

  Het zal geschieden in de laatste dagen

  dat de woestijn zal bloeien als een bloem

  en zich verblijdt om de gebaande wegen,

  om vruchten, die, gerijpt in zon en regen,

  vertellen van bevrijding na gericht en doem

  als antwoord op veel levenslange vragen.

4

  Het zal geschieden in de laatste dagen

  dat God een teken geeft diep in de dood

  of boven in den hoge van genade

  en vrede voor wie in des Heren daden

  het woord Immanuel herkent dat, in de schoot

  verborgen van de tijd, nu wordt voldragen.

---

*537

#7

1

  O Heer, hoe zijt ge daar:

  een pasgeboren kind,

  licht op de kandelaar

  dat blootstaat aan de wind.

2

  Licht op de kandelaar

  dat van de hemel kwam,

  in duister en gevaar

  een kleine witte vlam.

3

  In duister en gevaar

  een vlam die zich verteert,

  wij geven aan elkaar

  licht van de lieve Heer.

4

  Wij geven aan elkaar

  het vuur dat zich verdeelt,

  het vuur, die martelaar,

  waarmee de nachtwind speelt.

5

  Het vuur, die martelaar,

  het licht der wereld, kwam

  zo smetteloos en klaar

  en weerloos als een lam

6

  Zo smetteloos en klaar,

  brandend in wind en weer;

  maak mij een kandelaar

  o Jesu, lieve Heer.

7

  Licht op de kandelaar,

  dat flakkert in de wind,

  o Heer, hoe zijt Ge daar.

  een pasgeboren kind.

---

*538

#4

1

  Antifoon:

  Neerdalen als dauw uit de hemel,

  als regen uit zware wolken

  zal de gerechte.

2

  Gij die voor mij de ruimte schiep,

  aarde en hemel bij name riep,

  die alles deed wat moest gedaan

  opdat een mens maar zou bestaan.

3

  Woestijn waar eens te leven was.

  Uw naam verstoven als stof en as.

  Geen lover schaduwrijk, geen bron,

  alsof Gij nooit met ons begon.

4

  Keer nog uw aangezicht tot hier.

  Verzacht mijn hart, wek mijn ogen weer.

  Dat niet wat Gij hebt aangeplant

  wordt uitgeroeid door mensenhand.

---

*539

#5

1

  Dit is de nacht dat God ons vindt,

  alleluja!

  Hij verschijnt ons in een Kind,

  alleluia!

  zegt ons in de duisternis

  dat de nacht niet blijvend is.

  Zingt dan allen: alleluia!

2

  Hij woont verheven in het licht, alleluia!

  Sterren zien zijn aangezicht, alleluia!

  Hij, die over alles heerst,

  heeft het stro als troon begeerd.

  Zingt dan allen: alleluia!

3

  Zijn glans en glorie afgelegd, alleluia,

  wordt Hij als de minste knecht, alleluia,

  die naar kleine mensen vraagt

  en hun last met liefde draagt.

  Zingt dan allen: alleluia!

4

  De schepping zingt met luide stem, alleluia!

  om dit kind van Bethlehem, alleluia!

  Aarde, stem vol vreugde in

  met dit hemels nieuw begin.

  Zingt dan allen: alleluia!

5

  Aan Vader, Zoon en Heilge Geest, alleluia!

  komt de lof toe op dit feest, alleluia!

  voor dit kostelijk geschenk

  dat ons heil en vrede brengt.

  Zingt dan allen: alleluia!

---

*540

#4

1

  Als een ster in lichte luister,

  als een vurig verschiet

  straalt Gij ons tegen.

  Terwijl de nacht nog huivert

  daagt Gij op als ons nieuw lied!

2

  Als een morgen aangebroken,

  als het licht zonneklaar,

  roos in de winter, in de woestijn ontloken,

  als belofte bloeit Gij daar.

3

  Als een kind tot ons gekomen,

  zijt Gij ons ongedacht

  nader, nabijer dan wij ooit durven dromen.

  Liefde heet uw overmacht.

4

  Als een woord dat, eens gegeven,

  nog de morgen ontbiedt,

  zegt Gij ons aan de nacht niet meer te vrezen,

  want uw ster verlaat ons niet.

---

*541

#3

1

  Het woord dat op Gods lippen lag

  liet van zich horen als het Licht,

  als uitgeproken nieuwe dag.

  Zo zegent ons zijn aangezicht,

  zijn oogopslag!

2

  Dit Licht, waar alles uit begon,

  baant zich een weg in onze nacht,

  verwijst ons leven naar de bron.

  Het heeft ons stralend opgewacht,

  is onze zon!

  Refrein

3

  Dit Woord werd vlees. Het was een mens

  die Gods gelaat aan ons onthult.

  Hij was het Licht, ons toegewend

  en heeft als eersteling vervuld

  Gods hartewens!

  Refrein

 

  Refrein:

  Licht spreekt de taal

  van Gods gezicht

  sinds het begin.

  Licht luidt voor ons

  de morgen in:

  geboortegrond

  en land in zicht,

  een leven licht uit Licht!

---

*542

#8

1

  Christus daalt tot ons terneer,

  o weest blijde.

  Als een roos ontbloeit de Heer,

  o weest blijde.

 

  Refrein:

  Hij, zo hoog verheven

  wordt aan ons gegeven

  deelt ons mens'lijk leven.

2

  Door profeten aangezegd,

  o weest blijde,

  is Hij met ons recht en slecht,

  o weest blijde.

  Refrein

3

  Uit de hemel daalde Hij,

  o weest blijde,

  om een mens te zijn als wij,

  o weest blijde.

  Refrein

4

  Goliath heeft Hij geveld,

  o weest blijde,

  Davids Zoon is onze held,

  o weest blijde.

  Refrein

6

  Sta ons met uw kracht terzij,

  uw genade,

  weer van ons de heerschappij

  van het kwade.

 

  Refrein

  Om uw Zoon, gezonden

  als een kostlijk wonder,

  Heer, erbarm U onzer.

8

  Ga, o trouwe Jezus zoet

  met ons mede,

  want dan is het einde goed,

  is het vrede.

 

  Refrein

  God voor ons geboren;

  als wij U behoren

  gaan wij niet verloren.

---

*543

#4

1

  O mensenzoon, geboren uit het licht,

  o bron van vreugde, vriend'lijk aangezicht,

  Gij zijt van God de Vader uitgegaan,

  o vredeskind, daal neer in ons bestaan.

2

  Kwetsbaar en schamel zijt Gij ons nabij,

  met lieve vrede komt uw heerschappij.

  Betrek ons huis, de staat waarin wij zijn,

  met aarde aards, met grote mensen klein.

3

  Troost met uw tranen 's mensen bange klacht,

  ontsteek uw licht in 't midden van de nacht.

  Bestrijd de reus, gij Davidszoon en held,

  behaal de zege op het oorlogsveld.

4

  De sterren wank'len als uw vuur ontbrandt,

  Gij zijt de Heiland in ons eenzaam land.

  Gij zijt verschenen uit het witte licht,

  o licht der lichten, lieflijk aangezicht!

---

*544

#4

1

  Wees voor mij een beschuttende rots,

  vaste bodem onder mijn voeten,

  sterke wal waar de vijand zal moeten

  zwichten, o wees voor mij

  een beschuttende rots!

2

  Ga vooraan, ga met mij barrevoets,

  veertig jaar in hete woestijnen,

  waar ik hongeren moet en verkwijnen

  dorstend, o wees voor mij

  een verkwikkende rots!

3

  Wees de rots die behoudt en die laaft,

  onaantastbaar, mild en meegaande,

  wees de gids die een doortocht mij baande,

  toekomst, o wees voor mij

  levengevend mijn rots!

4

  Wees de rots van 't Aloude Verbond,

  vaste grond, bewegelijk leven -

  die mij rust en vertroosting kan geven,

  Christus, o wees voor mij

  geest en lafenis: God!

---

*545

#7

1

  Driewerf een gloria

  voor wie in hoge staat

  daar op een ezel gaat

  dienaar en toeverlaat

  driewerf hosanna,

  driewerf hosanna,

  driewerf hosanna.

 

  Refrein:

  Waaier van palmen ons

  lied U gewijd,

  vorstelijk kleed door een

  koning betreden:

  onze gebeden, ten

  voeten gespreid.

2

  Ster die uit Davids hand

  straalt over donker land

  herder zo goed als lam

  komende in de Naam,

  als de verwachte.

  Refrein

3

  Dans voor Gods aangezicht

  in hemels evenwicht

  koor voor uw woord gezwicht

  hier in getemperd licht

  staan wij en zingen.

  Refrein

4

  Volk naar uw hart en naam

  joodse mens Jesjoea

  jubelt en volgt U na

  strekt U tot palmenlaan

  driewerf Hosanna.

  Refrein

5

  Volk dat met U verbeidt

  nacht van de eenzaamheid

  doortocht en Pesachtijd

  kudde die met U weidt

  een in uw lijden.

  Refrein

6

  Vreugde hebt gij gesmaakt

  aan al wie bij U waakt

  zie ook mij aangeraakt

  tot de rechtschapen daad

  koning der aarde.

  Refrein

7

  Jood van geboorte niet

  maar doordat U ons riep

  dwars door een zee van riet

  tot in het brongebied

  liefde uit liefde.

  Refrein

---

*546

#8

1

  Solo:

  Vanavond zullen wij weten

  wie onze bevrijder is.

2

  Allen:

  Vanavond zullen wij weten

  wie onze bevrijder is.

3

  Solo:

  Oogwenkend licht, gezaaid in de nacht.

4

  Allen:

  Vanavond zullen wij weten

  wie onze bevrijder is

5

  Solo:

  en morgen zullen wij zien.

6

  Allen:

  Dit vuur van God in een mens als wij.

7

  Solo:

  Het ijs gebroken de kilte

  ons lijf en de wereld uit.

8

  Allen:

  Vanavond zullen wij weten

  en morgen zullen wij zien

  wie onze bevrijder is.

---

*547A

#3

1

  De winter haast vergangen,

  maar jij bent weggegaan,

  geen antwoord op verlangen,

  geen licht op ons bestaan;

  gewoon als alle mensen

  verdwaald in tijd en dood,

  als rozen die verflensen,

  als water door de goot.

2

  De vragen zullen blijven,

  ook twijfel, ergernis,

  wat woorden die beklijven

  Wat rest is oud gemis.

  Geen laatste licht te vinden,

  niets dat ons leven leert;

  de blinde leidt de blinde,

  en eenoog triomfeert.

3

  Was jij het die moest komen

  als iemand die bevrijdt,

  die onze oudste dromen

  vertaalt in werk'lijkheid?

  De winter haast vergangen

  en licht trilt in het raam;

  herinnering blijft hangen,

  de schaduw van jouw naam.

---

*547B

#3

1

  Wie opstaat neemt het leven

  op goed vertrouwen aan.

  De kilte duurt maar even;

  wij moeten verdergaan.

  Van ver was jij gekomen,

  ging weer van ons vandaan...

  Wij blijven van jou dromen -

  wat heb jij ons gedaan?

2

  De winterwinden wijken

  en reeds ontkiemt het graan;

  wij leren verder kijken:

  de toekomst is geen waan.

  Een leven buiten mate

  heb jij ons voorgedaan.

  Voorgoed door jou verlaten

  zijn wij in jou ontstaan.

3

  Wie opstaat geeft het teken

  dat hij het heeft verstaan:

  het leven stroomt bij beken,

  jouw geest breekt in ons baan.

  Van ver zijn wij gekomen,

  hoe ver zullen wij gaan?

  Dit ochtendlicht blijft stromen

  in wie zijn opgestaan.

---

*548

#3

1

  Een is tot ons gezonden

  omwille van het Rijk.

  Hij werd de mens gelijk

  en om de mens geschonden.

2

  Met woorden en met wonden

  heeft Hij ons vrijgepleit,

  gekruisigd wereldwijd

  heeft Hij de schuld ontbonden.

3

  Die niet meer hopen konden

  op aantocht van het Rijk,

  wij werden Hem gelijk,

  bloed van zijn bloed bevonden

---

*549

#3

1

  Graan, dat in de aarde,

  in het graf neerdaalt,

  is als zaad, dat stervend

  naar de morgen taalt.

  Liefde staat op, al

  sliep zij totterdood.

  Liefde groeit als koren,

  halmen groen en groot.

2

  Met geweld begraven

  werd de liefde Gods.

  Rest haar niets dan rusten

  in de harde rots?

  Jezus is dood,

  geen weg lijkt meer te gaan

  Liefde groeit als koren,

  als het groene graan.

3

  Zaad van God, verloren

  in de harde steen,

  en ons hart, in doornen

  vruchteloos alleen, -

  heen is de nacht,

  de derde dag breekt aan.

  Liefde groeit als koren,

  als het groene graan.

---

*550

#6

1

  Dat uur tussen nacht en morgen,

  wanneer de dageraad

  nog achter de kim verborgen

  reeds aan de hemel staat -

2

  en weer, tussen dood en leven,

  dat uur ternauwernood

  als het kind wordt uitgedreven

  buiten de moederschoot -

3

  die dag, tussen andere dagen

  een schemering gelijk,

  dat Christus lag begraven

  in 't midden van de tijd -

4

  zo moet zich een doortocht banen

  God naar zijn koninkrijk,

  door angst en bloed en tranen -

  zo wordt de oogst bereid!

5

  Het graan in de zwarte akker

  brengt gouden aren voort,

  de haan roept de harten wakker,

  de liefde is aan het woord.

6

  Een mens, aan het licht gekomen,

  wordt met een lach begroet.

  Wanneer de Geest gaat stromen,

  maakt hij het wachten goed.

---

*551

#2

1

  Christus in het graf geborgen

  is verrezen in de morgen.

  Hij passeert de dodenwacht,

  breekt het zegel van de nacht,

  breekt de regel van de dood.

  Looft de Heer, want Hij is groot.

2

  Christus aan het licht gekomen

  heeft de zijnen meegenomen.

  Hij verschijnt met groot gezag,

  draagt de doden naar de dag,

  draagt ons Gode tegemoet.

  Looft de Heer, want Hij is goed.

---

*552

#4

1

  Koor of Allen:

  Maria, hoe zo welgemoed?

  Wie hebt gij op de weg ontmoet?

  Wat blijdschap is u overkomen?

2

  Maria:

  Ik ben tot Christus' graf gegaan,

  ik vond Hem weder opgestaan,

  ik heb zijn glorie daar vernomen.

3

  Maria:

  Een glorie als een held betaamt,

  die dood en helle heeft beschaamd,

  en spijts hen beide is verrezen.

  Twee eng'len hebben 't graf bewaard;

  die hebben 't zelfde ook verklaard,

  en mij zijn doeken aangewezen.

4

  Koor of Allen:

  Wij weten dus, o Offerlam,

  dat Gij genageld aan een stam

  zijt opgerezen van de doden.

  En bidden U, o Hemelheer,

  wil in erbarming ons een keer

  ook aan het hemels Paasmaal noden.

---

*553

#5

1

  Messias van ons allen

  die onze liefde zijt,

  gij woord in alle talen

  die 't al heb toebereid

  en mens ten enen male

  in 't laatste van de tijd!

2

  Door steeds naar ons te vragen

  hebt gij ons God onthuld,

  gij hebt de schuld gedragen,

  gij hebt de dood geduld

  en onze levensdagen

  met levenslicht vervuld.

3

  Ter hel zijt gij gevaren,

  het klooster van de dood.

  Die daar gevangen waren

  hebt gij met heil begroet.

  Nu gaat gij naar de Vader

  de toekomst tegemoet.

4

  Ter rechterhand gezeten,

  een mens die zegeviert,

  zo wordt gij aangebeden

  door ons op aarde hier.

  Geef ons een geest van vrede,

  de hemel op een kier.

5

  Uw leven is een leven

  dat ons te boven gaat,

  uw zegening een zegen

  die vrijheid overlaat,

  gij kunt ons vreugde geven

  die nooit meer overgaat.

---

*554

#5

1

  Wanneer de Trooster komt

  die Ik tot U zal zenden,

  licht uit het oosten komt,

  een einde aan ellende;

2

  die Geest der waarheid zal

  van God omlaag gevaren

  in alle klaarheid al

  wat Ik u zei verklaren

3

  en gij zult dan, ook gij

  getuige zijn en spreken

  Mijn naam, al zullen zij

  u buigen doen en breken;

4

  al zullen zij u slaan

  en totterdood toe jagen

  om Gode te weerstaan

  of Gode te behagen;

5

  want ziende zijn ze blind,

  horende doof gebleven;

  de Geest van vuur en wind

  alleen doet mensen leven!

---

*555

#4

1

  Ik weet van een vogel,

  die vliegt heen en weer,

  die springt uit den hoge

  en stijgt naar de Heer,

2

  die brengt in zijn snavel

  aan ons allemaal

  het brood van de tafel,

  ons heilige maal,

3

  die brengt langs de ladder

  van Jakob omhoog

  aan God onze Vader

  een wenk van geloof.

4

  Die vogel van vrede,

  die heilige duif,

  die brengt ons uit Eden

  een tak van olijf.

---

*556

#9

1

  Die licht geeft aan het oog,

  het oor gehoorzaamheid,

  neerdalend van omhoog

  de voeten voorwaarts leidt.

2

  die adem aan de borst,

  taal aan de lippen leent,

  die water uit de rots

  en vuur slaat uit de steen,

3

  die vliegt gelijk de wind,

  wie weet waarheen hij gaat,

  en door een wiegekind

  de vijand wederstaat,

4

  die als een stormvlaag woedt

  en als een vlam verzengt,

  die als een vogel broedt,

  de kiem tot leven brengt,

5

  die God het spoor bereidt,

  der mensen laatste hoop:

  de Tegenwoordigheid

  in avondmaal en doop,

6

  die Christus heeft gekroond

  en dreef in de woestijn

  om waar de ongeest woont

  een en al Geest te zijn,

7

  die aan het offer kracht,

  de liefde leven geeft,

  die Jezus in de nacht

  overgegeven heeft,

8

  die Adam in de hof

  heeft Eva toevertrouwd,

  die geeft aan het geloof

  dat het de Heer aanschouwt,

9

  het is en altijd weer

  zal zijn dezelfde Geest

  die leeft en die regeert:

  God op het pinksterfeest!

---

*557

#3

1

  Gelukkig en geheiligd zijn zij allen

  die zijn bevrijd van al het oude zeer,

  want nooit meer aan de tweede dood vervallen

  leven zij eens voor al bij God de Heer.

 

  Refrein:

  Een gast in het huis van de Heer

  heeft altijd het grote geluk aan zijn zij, -

  een gast in het huis van de Heer

  die weet dat de tijd is nabij.

2

  Gelukkig en geheiligd, want zij delen

  in de beloften van het paradijs.

  Dat maakt hen priesters die voor talloos velen

  middelaar zijn op koninklijke wijs.

  Refrein

3

  Gelukkig en geheiligd duizend jaren,

  waarin een wereldtijd verstrijken zal,

  zijn zij die willen horen en bewaren

  woorden vol heil en zegen na de val.

  Refrein

---

*558

#4

1

  Het jaar neigt zich tot stille groet,

  heb rijpte een zomer lang tot zin,

  nu in de herfst houdt het zich in

  en spreekt uit volheid: God is goed.

2

  Maar wij, de mensen, zijn te klein.

  Wij doen of het het onze is

  wat God ons geeft. Of aan 't gemis

  der naasten wij niet schuldig zijn.

3

  De honger gaat de wereld rond,

  wij danken God voor overvloed.

  O geef, Heer, dat de hand toch doet

  wat wordt beleden met de mond,

4

  en niet meer neemt, maar voluit geeft

  aan alle mensen in de nood,

  zoals Gijzelf u in de dood

  hebt uitgedeeld, o brood dat leeft.

---

*559

#7

1

  Dag der dagen, als de tijden

  zich tot heil zullen verwijden

  voor wie bovenmate lijden.

2

  Dag van eindeloos erbarmen

  en gerechtigheid aan armen

  die aan recht zich zullen warmen

3

  Dag van glorie voor verdrukten

  en verheffing van wie bukten,

  alle aan het stof ontrukten.

4

  Dag van vinden van diegenen

  die door grof geweld verdwenen,

  om wie mensen nu nog wenen.

5

  Dag van brood en herverdelen,

  voedsel voor ontelbaar velen,

  diepe wonden zullen helen.

6

  Dag van zon en dag van vrede,

  alle droefheid is verleden

  in een onaantastbaar heden.

7

  Dag van vreugde en verbazen

  om het zien van wat wij lazen:

  Er was licht, het licht van Pasen.

---

*560

#3

1

  Vrienden die zijn overleden,

  al wie ons zijn voorgegaan,

  vouw ze samen in de vrede

  van uw ene naam.

2

  Laat ze niet tot niets bevriezen

  in de ijskou van voorbij,

  laat hun namen nieuw geschieden

  aan uw overzij.

3

  Allen die zo, zonder adem

  biddende, zijn voorgegaan,

  bind ze samen in het amen

  van uw vaste naam.

---

*561

#2

1

  Gij kent bij hoog en laag in uw domein

  hen die ontslapen zijn.

  Zoals een vogel aan het nest ontstegen

  gaat op geheime wegen,

  zoals een zaad van ongekende waarde

  gezaaid wordt in de aarde,

  zo keert de levensadem tot U weer,

  zo daalt het lichaam neer.

2

  Gij kent de mens, uw eeuwig eigendom,

  al slaat de bladzij om.

  Komen en gaan: de keerkring van het leven

  staat in uw boek geschreven.

  Gij legt uw hand op wie U toebehoren;

  zij zijn als nieuw geboren.

  Uw liefde, Heer, vanaf de moederschoot

  is sterker dan de dood.

---

*562

#7

1

  Vreemden zijn wij,

  ooit geroepen,

  uitgetogen

  en geen plek waar

  wij al thuis zijn.

 

  Refrein:

  Ongeziene

  ooit beloofde

  verre verten

  zoeken wij op

  hoop van zegen.

2

  Niet voortijdig

  hier geworteld,

  voort en verder,

  niet gehecht aan

  wat zich voordoet.

  Refrein

3

  Spoor van mensen

  door de eeuwen,

  die gegaan zijn

  totdat alles

  eens volbracht is.

  Refrein

4

  Wij die leven

  wij verwachten

  met wie gingen

  dat de hemel

  ooit zal aarden.

  Refrein

5

  Ongeziene

  ooit beloofde

  verre verten

  zoeken wij op

  hoop van zegen.

  Refrein

6

  Waar de vrede

  glanst als daglicht,

  en God Zelf woont

  bij de mensen,

  onze Zon is.

  Refrein

7

  Dageraad die

  ons dan toekomt,

  Godgegeven -

  eindelijk zijn

  wij dan thuis!

  Refrein

---

*563

#4

1

  De hemel reikt ons leeftocht aan:

  een mens wordt ons tot levend brood.

  In liefde is Hij voorgegaan,

  zich brekend heeft Hij ons geheeld

  en goed gedaan!

2

  Hij heeft ons zoekende bestaan

  gekend, zich onder ons gezaaid

  als graan dat niet verloren gaat.

  Gods adem wekt het uit de dood

  om op te staan.

3

  Want graan dat in de aarde valt

  moet sterven, slapen tot de dag

  waarop het vruchten dragen zal.

  Geef dat ons leven, dat zo wacht,

  ontwaken zal.

4

  De Zoon is in ons uitgezaaid,

  Gods Vadernaam ons toegezegd.

  Wij leven door het Licht geraakt,

  dankzij de Geest die adem schept

  en levend maakt!

---

*564

#3

1

  Wij geloven met hart en mond

  het woord dat gestorven is

  in stilte en duisternis

  het zaad dat kiemt in de grond.

2

  Wij geloven met hand en tand

  het brood van de heilige dis

  dat met pasen geboren is

  de wijn onze bloedverwant.

3

  Wij geloven met hart en ziel

  het hart en de ziel van hem

  die brak in onze stem

  en opstaat in onze keel

---

*565

#3

1

  Wij krijgen elkander lief

  als de bladeren van een boom

  de aderen van een stroom

  de letters van een brief.

2

  Wij heten dezelfde naam

  wij nemen dezelfde loop

  langs groene oevers van de hoop

  wij hebben dezelfde stam.

3

  De vader heeft ons geplant

  en de zoon plant ons voort

  de heilige geest legt het woord

  van God in onze hand.

---

*566

#4

1

  Het zal niet lang meer duren,

  de dagmaat van de uren

  wordt mettertijd voltooid.

  Voor mensen moegelopen

  gaan dan de woorden open

  in stilten, met een krans getooid.

2

  Bekeer u tot uw Vader,

  dan staat Hij u steeds nader

  en komt u zeer te baat.

  De nacht is voor de vromen

  en biedt een onderkomen

  aan zegen, die Hij achterlaat.

3

  Verheug u in den Here

  en jubel Hem ter ere,

  want Hij verlicht de nacht. -

  Houd vast wat God bedoeld heeft

  en wat Hij voor u nastreeft.

  Uw zwakheid wendt Hij tot een kracht.

4

  Loop nimmer in den blinde

  en gij zult ondervinden

  dat God de Heer regeert. -

  Hij laat de nachten komen

  om dagen te omzomen,

  opdat zijn vrede glorieert.

---

*567

#3

1

  De avond vult de uren met het weten

  dat onze Heer

  mij in zijn vrijheid stelt en doet vergeten

  het oude zeer

  en dat Hij heiligt in zijn overmacht

  de lange nacht.

2

  De Heer heeft mij geroepen en Hij zuivert

  van uur tot uur

  met wind van Geest de tijd waarvoor men huivert

  in langen duur,

  omdat in die beklemming 't diepste zwart

  mij altijd tart.

3

  AI knaagt de twijfel en al hebben zorgen

  de overhand,

  de avond bergt een dageraad voor morgen

  en is verwant

  aan stilte, die de donk're uren voedt

  met nieuwe moed.

---

*568

#6

1

  De nacht valt. Onze wereld is

  nu klein en stil, vol duisternis.

  God, die niet slaapt, U zoeken wij:

  wees ons een wachter, sta ons bij!

2

  Als deze dag ten einde gaat,

  staan wij, verward in goed en kwaad,

  voor U. O God, wij weten niet

  waar onder ons uw wil geschiedt.

3

  De onrust blijft. Fel is de gloed

  van alle angst en overmoed.

  Ons hart wil zwerven, zoeken tot

  het rust hervindt in U, o God.

4

  Het licht, dat in ons midden brandt

  houdt levend hoe van hogerhand

  de nacht aan banden is gelegd.

  Gij hebt de morgen toegezegd.

5

  Gij houdt het donker en het licht

  omvat. Gij houdt uw oog gericht

  op wie vervallen aan de nacht,

  op wie geen mens, geen vriend meer wacht.

6

  Gij, die ons redt van ons tekort,

  geef dat de nacht een doorgang wordt

  naar leven, dat door U bezield

  niet langer voor de machten knielt.

---

*569

#2

1

  Bijna is de dag ten einde,

  maar de stilte wil niet komen:

  buiten, binnen onze muren

  blijft het luide leven duren

  tot in onze diepste dromen

  tot ver achter onze einder.

  Heer, bevrijd ons tot Uw wil,

  geef ons vrede, maak ons stil!

2

  Bijna leggen w' ons ter ruste,

  maar wie kan zich overgeven

  om te slapen zonder zorgen?

  Wacht ons nog een nieuwe morgen?

  Eindig is het mensenleven

  met zijn lasten en zijn lusten.

  Heer, ontferm U, blijf ons bij,

  geef ons vrede, maak ons vrij.

---

*570

#4

1

  De dag, geboren uit het duister,

  verliest zich hier weer aan de nacht.

  De stilte zoeken wij. Zij fluistert

  ons in het hart, dat Gij ons wacht.

2

  Laat niet de dag ons achtervolgen

  alsof de zon niet onderging.

  Maar laat ons rusten in uw hoede;

  herken in elk van ons uw kind.

3

  Voor licht en leven ooit geschapen

  zijn wij. Zo hebt Gij ons gedacht.

  Wij geven ons aan U;  wij slapen

  gerust, want Gij bewaakt de nacht.

4

  En laat de morgen voor ons dagen

  zoals Gij doet sinds het begin.

  Roep uit uw licht en al ons vragen

  vindt in uw liefde nieuwe zin.

---

*571

#4

1

  Wees bij ons, wees ons een geleide

  bij het verdwijnen van de dag.

  Wij wachten U, begin en einde,

  in wie ons leven rusten mag.

2

  Als boze dromen ons belagen,

  wij eenzaam vechten met onszelf,

  laat niet de nacht dan angst aanjagen,

  niet een verleden dat ons knelt.

3

  U kennen wij als een bevrijder,

  Gij hoort het mensenkind dat schreit.

  Ook als de nacht valt, blijf ons leiden,

  troost ons met uw barmhartigheid.

4

  Geef ons elkaar tot licht en liefde,

  waarmee het donker wordt weerstaan.

  En zingend gaan wij door het duister

  tezamen op uw morgen aan!

---

*572

#3

1

  De dag raakt in de nacht vergeten.

  Wat blijft ons bij dat weerklank vindt?

  Laat het genoeg zijn, Heer, te weten

  dat Gij de nieuwe dag begint.

2

  Wij zouden niet gerust gaan slapen,

  vertrouwend nu de nacht ingaan,

  als wij niet steeds uw trouw hervonden

  die ons als zonlicht op wil gaan.

3

  Geef dat wij nieuwgeboren heten

  wanneer de dag opnieuw begint,

  ons door het licht geroepen weten

  en Gij ons aan uw zijde vindt.

---

*573

#5

1

  Die ons schiep,

  en ook nu nog

  - als hier de nacht ons

  overmant -

  houdt in de holte

  van Uw hand,

2

  die ons zoekt

  in het duister,

  die ons de dag hebt

  toegezegd,

  spreek in de stilte

  tot Uw knecht.

3

  Die ons hoedt

  in Uw schaduw,

  onder Uw vleugels

  toegedekt,

  liefde, die ons tot

  leven wekt,

4

  ken ons hart,

  zo onrustig,

  vol van zichzelf

  is het verblind,

  totdat het rust in

  U weer vindt.

5

  Kom tot ons

  als de morgen.

  Ga over ons op

  als het licht.

  Zegen ons met Uw

  aangezicht.

---

*574

#4

1

  Op de dag toen de wereld nog woestijn was,

  struiken niet ontsproten waren

  op de aarde,

  toen er nog geen planten leefden,

  God geen regen had gegeven

  en geen mens een akker maakte,

  steeg er uit de diepte water.

2

  Op de dag toen de grond nog dor en droog was,

  al les nog werd doodgezwegen

  in de lege

  hopeloosheid zonder einde,

  vormde God het stof tot mensen,

  blies hun monden vol met adem

  om te leven met Hem samen.

3

  Op de dag toen het nieuwe lied verstomd was

  en geen mens meer kon geloven

  in de hoge

  hemel, peilloos en gesloten,

  toen de blinden en de doven

  niet meer zochten naar genezing,

  is het mensenkind verrezen.

4

  Op de dag die de wereld tegemoet gaat,

  als de mens in vrees en beven

  om het leven

  dat teloor gaat, roept om bergen,

  heuvels om hem te bedekken,

  op die dag spreekt God genadig

  oordeel over heel de aarde.

---

*575

#4

1

  Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon,

  een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,

  ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond,

  zoekt naar het licht en opstaat om te leven,

  zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,

  zo taalt ons lied naar U, o God van vrede.

2

  Lof zij uw Naam die oplicht in de nacht,

  uw luister staat geschreven in de sterren,

  zo hoog van eer, een uitstraling zo zacht,

  taal van genegenheid, tijding van verre.

  Wij zien verwonderd naar de stille pracht,

  zou ooit een mens die heerlijkheid verwerven?

3

  In sierlijk schrift, hoog aan de hemeltrans,

  hebt Gij de nacht uw signatuur gegeven.

  Wij zijn geschreven met dezelfde hand,

  dezelfde gratie wekt ook ons tot leven.

  De Morgenster, zozeer aan U verwant,

  Hij heeft het uur der duisternis verdreven.

4

  God van ons hart, Gij die ons zingen doet,

  uw mensen zijn wij, maaksel van uw handen,

  uw adem geeft ons innigheid en gloed,

  o leid ons uit het huis van schade en schande -

  Gij schenkt de sterveling een vergezicht,

  uw stad van licht daalt neer over de landen.

---

*576

#3

1

  Nu laat Gij, Heer, mijn leven lente zijn -

  ik hoor al vroeg de bomen vrolijk zingen:

  een cantorij van vogels groot en klein,

  de schepping kan haar vreugde niet bedwingen; -

  mijn hart stroomt vol van louter zonneschijn,

  ik ben zo blij om alle goede dingen!

2

  IJskoude dood, zwijg stil - ik weet het wel;

  jij doet de herfst, de barre winter komen,

  jij speelt met ons het liefst een ijzig spel,

  jij hebt al menigmaal de vrede ons ontnomen:

  maar zie, opnieuw ontluikt op Gods bevel

  het groene gras, de bloesem van de bomen!

3

  Reeds groeit er hoop uit omgeploegde pijn:

  alles wordt nieuw, nog beter dan te voren;

  nacht wordt weer dag en water zoete wijn -

  straks heeft de dood zijn macht voorgoed verloren,

  dan zal de zomer zonder einde zijn

  en heel de aarde wederom geboren!

---

*577

#5

1

  In de schoot van mijn moeder geweven,

  als een wonder bereid,

  aan het licht toegewijd,

  gaf Jouw liefde al vorm aan mijn leven.

2

  Lang voor ik van Jouw woorden kon weten,

  eer de dag nog begon,

  ging Jij op als de Zon

  die mijn licht en mijn leven wilt heten.

3

  Voordat ik aan het licht ben gekomen

  was Jij met mij vertrouwd,

  heb Jij mij al gebouwd

  en mijn naam op Jouw lippen genomen.

4

  In de mond, die nog nauwlijks kon spreken

  is de toon al gezet,

  is het lied al gelegd

  dat voorgoed door de stilte kan breken.

5

  Jij, die kleinen Jouw grootheid doet zingen,

  laat het lied om Jouw Naam

  heel mijn leven bestaan

  om de dreigende nacht te bedwingen.

---

*578

#3

1

  Hebt Gij ons niet gedacht

  als gasten op uw grote feest?

  Van het begin ben ik

  daartoe door U bestemd geweest.

  Maar ik zoek rusteloos

  elk ander doel en heb geen weet

  hoe Gij uw rust mij gunt,

  uw liefde hemelsbreed.

2

  Spreek toch met groter kracht

  dan wat ik zelf te zeggen weet.

  AI wat mijn hart bedenkt

  wordt door uw aanspraak scherp ontleed.

  Als ik mij van U keer

  - in eigenzinnigheid verhard -

  haal dan mijn muren neer,

  doorlicht wat mij verwart.

3

  Gij, die van liefde spreekt

  waar ik mij tegen U verweer, -

  als Gij mij openbreekt:

  mijn onvermogen telt niet meer!

  Als ik U zelf zal zien,

  de schaduwen zijn afgelegd,

  omhul mij dan en reik

  een feestkleed aan uw knecht.

---

*579

#3

1

  Hij die gesproken heeft een woord dat g  t,

  een tocht door de woestijn, een weg ten leven,

  een spoor van licht dat als een handschrift staat

  tegen de zwartste hemel aangeschreven:

  Hij schept ons hier een nieuwe dageraad,

  Hij roept ons aan: `Ik zal jou niet begeven.'

2

  Hij die ons in zijn dienstwerk heeft gewild,

  die het gewaagd heeft onze hand te vragen;

  die ons uit angst en doem heeft weggetild

  en ons tot hier op handen heeft gedragen;

  Hij die verlangen wekt, verlangen stilt -

  vrees niet, Hij gaat met ons, een weg van dagen.

3

  Van U is deze wereld, deze tijd.

  Gij hebt uw stem tot op vandaag doen klinken.

  Uw naam is hartstocht voor gerechtigheid,

  uw woord de bron waaruit wij willen drinken.

  Gij die tot hiertoe onze toekomst zijt -

  dat wij niet in vertwijfeling verzinken.

---

*580

#4

1

  Wat vraagt de Heer nog meer van ons

  dan dat wij recht doen

  en trouw zijn

  en wandelen op zijn weg.

2

  Wat vraagt de aarde meer van ons

  dan dat wij dienen

  en hoeden

  als mensen naar Gods beeld?

3

  Wat vragen mensen meer van ons

  dan dat wij breken

  en delen

  als ons is voorgedaan?

4

  Het is de Geest die ons beweegt

  dat wij Gods wil doen

  en omzien

  naar alles wat er leeft.

---

*581

#3

1

  Te doen gerechtigheid

  hebt Gij ons aangezegd.

  Dat woord heeft ons bevrijd,

  elk ander ons geknecht.

  Geef dat ons niets weerhoudt

  die lange weg te gaan.

  Dat elk zich nu verstout

  uw richting in te slaan.

2

  Wier dagen Gij bezocht,

  wier harten Gij doorgrondt,

  voor wie Gij hebt gewrocht

  de aarde en de zon;

  wier toekomst is in U,

  Gij maakt hun leven waar -

  mocht Gij hen hier en nu

  bekeren tot elkaar.

3

  Dat niemand hen kleineert

  die Gij wilt maken groot,

  voor wie Gij hebt geslaakt

  de boeien van de dood.

  Opdat wij zouden staan

  vrij voor uw aangezicht,

  getekend met uw Naam,

  en leven in uw licht.

---

*582

#5

1

  Wij roepen U, God

  ons leven verloopt!

  Uw scheppingslicht wordt

  hier langzaam gedoofd.

  Als ons zienderogen

  geen toekomst meer wacht,

  wat blijft ons voor morgen

  dan eeuwige nacht?

2

  Hebt Gij niet vanouds

  uw grenzen gesteld

  aan chaos en dood,

  aan wapengeweld?

  Gij kiest ons het leven

  als enige zorg.

  Gij staat met uw liefde

  voor ons allen borg.

3

  Wij roepen om moed,

  om daadkracht die telt,

  die weet van protest,

  en alle geweld

  ontwapent met liefde,

  met hoop, met geloof.

  Zo hebt Gij aan mensen

  de toekomst beloofd!

4

  Wij bidden voor hen

  die voor moeten gaan:

  dat waarheid alleen

  voor alles zal gaan.

  Aan mensen die recht doen,

  aan wie vrede sticht,

  geeft Gij U te kennen

  vol leven en licht.

5

  Gij die ons begin

  vanouds zijt geweest:

  verhoor ons gebed

  en adem uw Geest

  in allen die zoeken

  naar vrede en recht.

  Aan hen is uw liefde

  toch blijvend gehecht?

---

*583

#3

1

  Dit land, uit wind en water voortgekomen,

  dit lage land, gekleurd met groene zomen,

  land waar weleer voor vrijheid is gestreden,

  bloeien zal het: een vrijplaats voor de vrede.

  Heldhaftig, zij aan zij,

  werd in een boos getij

  de tyrannie verdreven.

  Land, dat het onrecht keert,

  dat ons de vrede leert,

  waarin wij mogen leven.

2

  Dit land, waar nooit voorgoed de nacht kon vallen,

  is vaste grond, een open huis voor allen;

  zo vaak het uit het donker is verrezen,

  blijft het een land om waarlijk thuis te wezen

  En vastberaden gaan

  wij op de toekomst aan

  als goede erfgenamen

  van de geschiedenis,

  opdat er morgen is

  voor allen die hier kwamen.

3

  Dit land dat ademt onder wijdse luchten,

  biedt ruimte wie in ademnood moest vluchten.

  Hier wordt de vreemde met een naam gezegend,

  zoals wij zelf het donker steeds ontstegen.

  Als koninklijk beleid

  staat de barmhartigheid

  boven de poort geschreven.

  Nog is gerechtigheid

  inzet van alle strijd,

  opdat wij zullen leven!

---

*584

#7

1

  Jij die je boog in wolken spant,

  geen wapen houd je in de hand

  waarmee je mens en dieren kwelt.

  't Zijn wij de zonen van geweld.

  't Zijn wij die onze legermacht

  nog niet tot staan hebben gebracht.

 

  Refrein:

  Dochters en zonen van Noach,

  bouw deze aarde tot ark

  waarin wat leeft is geborgen

  tot aan de lichtende morgen

  die heel de schepping bevrijdt.

2

  Jij die de regen dauwen doet

  en maakt de aardse honing zoet,

  jij zoekt naar vrienden in de hof

  om te verzorgen tot je lof

  de granen goud, de wijnen puur,

  de ceders groen tegen azuur.

  Refrein

3

  Zonen en dochters van Noach,

  bouw deze aarde tot ark

  waarin wat leeft is geborgen

  tot aan de lichtende morgen

  die heel de schepping bevrijdt.

4

  Van horizon tot horizon

  de boog die welft van het verbond

  en vloeit van rood naar violet.

  Hij vraagt getijden van gebed

  en uit de reinheid van de geest

  de ene daad die ons geneest.

  Refrein

5

  Dochters en zonen van Noach,

  bouw deze aarde tot ark

  waarin wat leeft is geborgen

  tot aan de lichtende morgen

  die heel de schepping bevrijdt.

6

  Jij boog die in de wolken staat

  met bovenaardse regelmaat,

  jij zegt ons de belofte aan

  dat wij niet in de vloed vergaan.

  Stort het veelkleurig licht ons in

  dat straalt sinds werelds oerbegin

  en maak dat wij de wachters zijn

  van dit verduisterend terrein.

  Refrein

7

  Zonen en dochters van Noach,

  bouw deze aarde tot ark

  waarin wat leeft is geborgen

  tot aan de lichtende morgen

  die heel de schepping bevrijdt.

---

*585

#6

1

  Liefde, eenmaal uitgesproken

  als uw Woord van het begin,

  Liefde, wil ons overkomen

  als geheim en zegening.

2

  Liefde, die ons hebt geschapen,

  vonk, waarmee Gijzelf ons raakt,

  allesoverwinnend wapen,

  laatste woord, dat vrede maakt.

3

  Liefde luidt de Naam der namen

  waarmee Gij U kennen laat.

  Liefde vraagt om ja en amen,

  ziel en zinnen metterdaad.

4

  Liefde waagt zichzelf te geven,

  ademt op van goede trouw.

  Liefde houdt ons in het leven, -

  daarop hebt Gij ons gebouwd.

5

  Liefde laat zich voluit schenken

  als de allerbeste wijn.

  Liefde blijft het feest gedenken

  waarop wij uw gasten zijn.

6

  Liefde boven alle liefde,

  die zich als de hemel welft

  over ons: wil ons genezen,

  Bron van liefde, Liefde zelf!

---

*586

#3

1

  God heeft gesproken in de tijd,

  Hij heeft zijn Woord gezonden,

  zijn rede en zijn raadsbesluit

  gaan vast en onomwonden.

  Die sloopt de leugen en de leus

  en grootspraak brengt tot zwijgen:

  Hij bouwt zijn waarheid sterk en klaar,

  heil sticht hij allerwege!

2

  Waar Hij gehoord wordt en verstaan

  doet Hij de armen hopen,

  de steppe komt in bloei te staan,

  de dorre twijg gaat open.

  Wie ging gebukt wordt opgewekt,

  Hij vult de lege handen,

  en zingen zal het groot getal

  der stillen in den lande.

3

  Weest niet kleinmoedig in de tijd

  van tegenspraak en leugen;

  het Woord geschiedt! Zo roept dan luid:

  Hosanna in den hoge!

  Weest Hem gezind. Hij overwint,

  gij komt dit uur te boven;

  de eeuw vergaat, maar 't stervend zaad

  heeft honderdvoud van schoven.

---

*587

#6

1

  De krachten die mij naar het leven stonden,

  zij zijn gebroken en zij zijn vernederd;

  rondom is ruimte.

2

  Nu moet ik gaan als voor het eerst gezonden.

  Nu wordt verwacht dat ik zal tegentreden:

  Vijanden. Vrienden.

3

  Nog is wat sterk moet zijn in mij geschonden

  Nog trilt mijn stem soms weerloos en verlegen

  Tijd komt en heelt mij.

4

  Alleen wat niet zal helen zijn mijn wonden.

  Ik draag ze in mijn zij en in mijn leden.

  Pijn brandt en kroont mij.

5

  Daarom hebben de spotters mij gevonden

  en dansen zij als narren in mijn schreden,

  totdat zij vallen.

6

  Zij gaan en gingen een voor een ten onder,

  de krachten die mij naar bet leven stonden.

  En ik zal leven.

---

*588

#4

1

  Wij zullen leven, God zij dank,

  genoemd als dochters en als zonen:

  de erfgenamen van een land

  dat nooit meer vruchteloos verzandt,

  waar onrecht nimmermeer zal wonen.

2

  Niet meer zijn wij door angst geknecht

  en aan de dood zijn wij ontheven.

  Nu wordt uw Geest op ons gelegd,

  in vrijheid brengt Gij ons terecht.

  Een nieuwe naam is ons gegeven.

3

  Verheugd herkennen wij Uw Naam,

  roepen U aan als onze Vader.

  Uw hart spreekt onze harten aan,

  uw aangezicht doet ons bestaan.

  In Christus komt Gij zelf ons nader.

4

  In dood gedompeld waren wij,

  nu met Hem stralend nieuw verschenen!

  Geen rouw om het bestaan, maar blij

  bekleed met Hem: de weg is vrij,

  de nacht is voor het licht verdwenen.

---

*601

#5

1

  Eeuwenoude woorden

  boordevol geheim

  boeken vol verhalen:

  God wil bij ons zijn.

 

  Refrein:

  Mirjam, Maria,

  de Heer is nabij.

  Mirjam, Maria,

  gezegend ben jij.

2

  Eeuwenoude woorden

  naar jou toegewaaid

  goede grond gevonden

  door de Geest gezaaid.

  Refrein

3

  Eeuwenoude woorden

  in jouw schoot ontkiemd

  wachten in het donker

  groeiend ongezien.

  Refrein

4

  Eeuwenoude woorden

  in jouw hart bewaard

  aan het licht gekomen

  God geopenbaard.

  Refrein

5

  Eeuwenoude woorden

  Allerhoogste Kracht,

  Jezus, bron van leven

  heb jij voortgebracht.

  Refrein

---

*602

#5

1

  Als kleine mensen offers brengen,

  maar alles blijft zoals het was,

  als hoge heren domineren

  en iedereen loopt in de pas,

 

  Refrein:

  dan klinkt het lied van ommekeer.

  Vanouds gaat er iets nieuws beginnen.

  God brengt ons het verhaal; te binnen.

  In deze tijden daagt het weer.

2

  Als kleine mensen vruchtloos leven,

  als vreugde plaats maakt voor verdriet,

  als het paleis en zelfs de tempel

  de naam van God geen ruimte biedt,

  Refrein

3

  Als kleine mensen samenkomen,

  niet langer buigen voor de macht,

  als de verwachting van nieuw leven

  voor hen een licht wordt in de nacht,

  Refrein

4

  Als oude mensen God gaan loven

  om 't kind, een teken in de tijd,

  omdat het zwijgen wordt doorbroken

  en God veelzeggend ons bevrijdt,

  Refrein

5

  Voor kleine en voor grote mensen,

  voor ieder die Gods Woord verstaat,

  voor wie in duisternis gezeten

  het licht herkent dat schijnen gaat,

  Refrein:

  klinkt nu het lied van ommekeer,

  vanouds gaat er iets nieuws beginnen.

  God brengt ons het verhaal te binnen.

  In deze tijden daagt het weer.

---

*603

#4

1

  Een ster gaat op te middernacht

  en heeft de wereld licht gebracht.

  Ere zij God in den hoge!

2

  Een licht zo groot, het vult de lucht.

  De duisternis is weggevlucht.

  Ere zij God in den hoge!

3

  Een licht zo sterk als Gods geduld.

  Het doet verbleken alle schuld.

  Ere zij God in den hoge!

4

  Een licht zo ver, een licht zo wijd,

  het leidt ons naar de eeuwigheid.

  Ere zij God in den hoge!

---

*604

#4

1

  Werd jij ooit bij ons geboren

  als een kindje vreemd en klein,

  zou ik dan je stem wel horen

  en een goede gastheer zijn?

  Jij, de koning van 't heelal

  werd geboren in een stal.

2

  Had je bij ons willen slapen,

  moe van de geboortepijn,

  had ik jou dan toegelaten

  in mijn bedje van satijn?

  Jij, de koning, lag in 't strooi

  bij de beesten van de kooi.

3

  Was jij met ons komen spelen,

  zou ik hebben meegedaan

  en mijn speelgoed willen delen,

  een paar beurten overslaan?

  Jij, de koning, was alleen

  toen geen engel meer verscheen.

4

  Jij bent ooit bij ons geboren

  om een licht voor ons te zijn,

  aan wie allen toebehoren:

  jij bent groot en wij zijn klein.

  Jezus, koning van 't heelal,

  werd geboren in een stal.

---

*605

#7

1

  Zij lazen de loop van de sterren

  als lot van het aardse bestaan,

  de wijzen die mensen beduidden

  waarlangs zij hun weg moesten gaan.

2

  Toen is hun, gezeten in 't duister,

  een stralende ster opgegaan.

  Zijn licht wekte al hun verlangen

  hun paden te buiten te gaan.

 

  Refrein:

  Wij hebben zijn  ster gezien!

  Wij hebben het Licht ontmoet.

  Geen weg zal meer dezelfde zijn

  waar deze ster ons pad beschijnt,

  de hemel zelf ons groet.

3

  Hun wereld werd opengebroken;

  de ster bleef bij 't oude niet staan.

  Dit hemelse licht bracht hun leven

  voorgoed in een andere baan.

4

  De wijzen, zij reisden vol vragen

  naar teken en taal in de nacht.

  Voorbij aan bestaande paleizen

  heeft hen deze ster toen gebracht.

  refrein

5

  Zo lopen de wegen op aarde

  niet dood in de duisternis,

  sinds zij nieuwe wijsheid vergaarden

  in 't broodhuis, dat Bethlehem is.

6

  De paden, gebaand en getreden,

  die hebben zij voortaan gekruist.

  Zij gingen langs andere wegen

  en brachten het licht mee naar huis.

  refrein

7

  Een ster die ons nieuw doet geloven,

  een glimlach van God in de nacht.

  Wij komen ons lot weer te boven.

  Hij wijst ons de weg naar de dag!

  refrein

---

*606

#5

1

  De morgenster licht op en flonkert.

  Dit is het uur! Nu breekt het donker.

  Boven de bergen wijkt de nacht. -

  De hemel zingt het uit met alle macht.

2

  Ontwaakt! Roept ons een stem. Wij horen

  de wachters zingen op de toren:

  'dit is de aangename tijd:

  De bruidegom verschijnt! Weest voorbereid!'

3

  Zijn wij in zoete slaap gevangen,

  ons wekt de stem van Gods verlangen,

  ons kust het eerste morgenrood.

  Waarom nog langer slapen totterdood?

4

  Als Woord van God van den beginne

  wil Christus onze wereld winnen.

  De schepping tintelt van Gods lof,

  want Hij hervond voor ons de open hof.

5

  O Morgenster, gij stralend schone,

  bezongen op verhoogde tonen,

  reik met uw stralen fier en ver!

  Verlicht ook ons, o Christus, Morgenster!

---

*607

#4

1

  Een ezelrijder! Kijk, een ezelrijder!

  Komt z¢ een koning op bezoek?

  Je zult je oren niet geloven:

  met niets stuurt hij de rijken weg,

  maar armen krijgen overvloed.

2

  Een wonderdoener! Kijk, een wonderdoener!

  De mensen hollen voor hun heil!

  De wereld als de Hof van Eden!

  'Hosanna' golft door heel de stad,

  als hartekreet in ieders mond.

3

  De vredeskoning! Kijk, de vredeskoning!

  Geen zwaard of speer is in zijn hand;

  hij sticht zijn vrede puur met woorden.

  Hosanna blijft de echo die

  de hemel zingt boven het land.

4

  Een ezelrijder! Kijk, een ezelrijder!

  De meute, hoog te paard, die lacht -

  Het volk blijft met de palmtak zwaaien.

  'Hosanna' roept het, 'Help toch, Heer!

  De hoop moet morgen aan de macht!'

---

*608

#5

1

  Refrein:

  Zie, wij gaan op naar Jeruzalem,

  de stad, door bergen omgeven,

  waar God is als een wal van trouw

  rondom wie in haar willen leven.

 

  Hij die uit God geboren is

  waagt zich nu aan de duisternis,

  omarmt de nacht, ontwijkt die niet

  en drinkt daar in het doodsgebied

  de beker vol verdriet.

  Refrein

2

  Hij gaat ons voor, is ons vooruit

  in eenzaamheid. Maar niemand stuit

  zijn vast geloof dat deze weg

  ten einde toe wordt afgelegd

  als aller mensen knecht.

  Refrein

3

  In brood en wijn gedenken wij

  hoe Hij uit dood en slavernij

  ons heeft geleid. De weg is vrij.

  Nog vraagt Hij: waakt en bidt met mij

  de duisternis voorbij.

  Refrein

4

  Hij die de uittocht heeft volbracht,

  de doodszee trad in diepe nacht -

  wij waken, bidden, wachten Hem.

  De zon gaat op, dan klinkt zijn stem:

  Hier is Jeruzalem!

  Refrein

5

  De stad die nu nog boven is,

  verborgen in de duisternis, -

  die komen zal in deze tijd,

  een bruid, Gods liefde toegewijd,

  een hemel wereldwijd.

  Refrein

---

*609

#4

1

  Toen Jezus wist: nu is gekomen

  het uur om door de nacht te gaan,

  heeft Hij een linnen doek genomen

  en water in een schaal gedaan.

2

  Hij gaf ons zwijgende een teken

  en kwam ons voet voor voet nabij,

  Hij deed het water van zich spreken,

  het stort zich uit en reinigt mij.

3

  Zo is de Heer een knecht geworden

  en tot de bodem toe gegaan

  om ons met ootmoed te omgorden,

  Hij doet ons zijn geringheid aan.

4

  Heer van mijn hart, U bent gekomen

  de nacht door naar uw grote dag,

  ik heb in eenvoud aangenomen

  dat ik U daarin volgen mag.

---

*610

#4

1

  Niets droeg hem meer,

  voor hem de afgrond nog,

  geen woord of kreet, geen spons azijn,

  de mens is uitgegoten,

  hem wacht geen engel meer.

2

  Zo hangen zij

  en levend dood ook wij,

  mislukt, vergeten, uitgebeend,

  de mens vloeit leeg in leegte,

  in 't blinde niemandsland.

3

  Het duister wijkt,

  de blindeman ontwaakt:

  het brood, het kruis, het tuinmanswoord,

  zij dragen godlijk leven,

  een wereld weer geheeld.

4

  Wat draagkracht geeft:

  God neemt de grenzen weg,

  verdriet, een kreet, de eenzaamheid,

  de stukgestoten zijde,

  zij zijn van ons, van hem.

---

*611

#4

1

  Refrein a:

  Wie gezaaid wordt in de aarde,

  staat op in grenzenloos gebied;

  wie zonder aanzien ondergaat

  komt op in glans en luister.

  U zien wij oog in oog.

 

  De velden van de massadood

  vol beenderen: een dorre schoot.

  Hier is de vraag laar leven wrang,

  hier heerst de kille ondergang.

2

  Een leeg gebied, geen huis of haard,

  wat zijn profetenwoorden waard?

  U weet het, God: als U het zegt,

  gaan mensen weer aaneengehecht.

 

  Refrein b:

  Kom, adem, van vier streken,

  op de vleugels van de wind.

  Blaas de doden leven in,

  wek ons op en wij trekken uit:

  een ademtocht.

3

  Uw adem is het die bezielt

  en heilzaam bindt wat is vernield.

  Wat is verstard maakt U weer zacht,

  U wekt in ons uw milde kracht.

4

  U wijst de weg uit dodenland,

  en maakt ons tot uw geestverwant.

  Woestijn van vrees wordt bloemenzee;

  angst gaat voorbij, U trekt toch mee.

  Refrein a

---

*612

#4

1

  De zee trekt zich terug, het land valt langzaam droog,

  een zachte waas van groen, gewassen, gaaf en schoon.

  De aarde maakt zich op: een bruidstooi onvermoed.

  God ziet haar en geniet. De derde dag is goed.

2

  Een bruiloft zonder wijn, een vreugdeloos verbond.

  De vrees voor schaarste heerst, het uur van Jezus komt:

  Hij reinigt ons van angst, wij drinken klare wijn.

  De derde dag toont Hij, hoe God met ons kan zijn.

3

  Een zachte waas van groen, teer licht, de derde dag.

  Geen sluier van de dood, ontsloten is het graf.

  Hier wordt de mens gered, zozeer heeft God ons lief.

  Wie dat geloven durft, betreedt een nieuw gebied.

4

  Wat brood, een beker wijn, de vreugde van 't verbond.

  U wenkt ons naderbij, uw woord gaat wervend rond.

  Wij maken ons nu op, voltooien deze tijd.

  Ons wacht het liefdesmaal, ons wacht uw heerlijkheid.

---

*613

#5

1

  De lichtvorst, de ontluisterde,

  verheft zijn aangezicht,

  de zon die wij verduisterden

  breekt uit in stralend licht.

2

  De glorie van de dageraad

  verleent een hof zijn pracht,

  geweken is het rouwgewaad,

  de smartelijke nacht.

3

  Nu ons een licht is opgegaan,

  gewenteld onze steen,

  komen wij oog in oog te staan,

  niet langer dood-alleen.

4

  O teken dat zijn handpalm siert,

  zijn hartstreek en zijn voet,

  zijn onmacht heeft gezegevierd,

  de onschuld van zijn bloed.

5

  De liefde toont zijn aangezicht,

  een zonnelied breekt aan,

  vandaag zien wij het levenslicht,

  de Heer is opgestaan.

---

*614

#11

1

  Een duif van alzo hoge

  daalt op ons neer

  en maakt het hart bevlogen

  van God de Heer.

2

  Een vogel zet de baaierd

  tot leven aan

  in rozerode waaiers:

  de dag breekt aan.

3

  De chaos wordt beteugeld,

  de watervloed

  voor altijd overvleugeld

  met Gods tegoed.

4

  Een duif boven het water,

  een regenboog:

  God houdt de goede aarde

  voor mensen hoog.

5

  Voor Noach draagt de wijnstok,

  bloeit de olijf,

  en klapwiekend van vrede

  is daar de duif.

6

  Een duif is het die liefde

  tot leven wekt;

  een engel die zijn vleugels

  tot vrede strekt.

7

  Hij draagt het Woord op wieken

  en zingt het voort.

  Zijn woorden zetten vrucht in

  Maria's oor.

8

  Een duif boven het water

  van de Jordaan:

  die wijst er onder mensen

  de ware aan.

9

  Het ruisen van zijn vleugels

  doet God verstaan:

  de ware weg te leven

  wordt hier gegaan.

10

  Een duif van alzo hoge

  daalt op ons neer

  en maakt het hart bevlogen

  van God de Heer.

11

  O vogel, kom gevlogen,

  breng ons de Geest:

  God, die om ons bewogen

  de harten leest.

---

*615

#8

1

  Dit is de dag, dit is het uur

  dat liefde oplaait als een vuur

  en mensen aansteekt, hoofd voor hoofd.

  Dit is de dag door God beloofd!

2

  Dit is de dag dat welgeteld

  de oogst van Pasen allen geldt.

  Gods eersteling is opgestaan

  en raakt ons met zijn zegen aan.

3

  Dit is het uur dat wij verstaan:

  God vuurt ons met zijn Adem aan.

  Wat Hem beweegt sinds het begin

  blaast ons bestaan nieuw leven in.

4

  Dit is het uur: de dag begint

  op vleugels van een nieuwe wind.

  De grenzen hebben afgedaan,

  nu zullen wij elkaar verstaan.

5

  Dit is de dag dat onze mond

  niet sprakeloos meer is, verstomd,

  maar weet heeft van het hoogste Woord.

  Het wordt in ieders taal gehoord.

6

  Wat nog ontbreekt, ten dele is,

  wordt heel: de Geest vult ons gemis.

  De raadsels zullen ogen gaan.

  Ten volle zullen wij verstaan.

7

  Ecn oude droom, een nieuw gezicht:

  een wereld die wordt opgericht

  en door een nieuwe wind geschoond

  tot vrijplaats waar de liefde woont.

8

  Dit is de dag dat groot en klein

  bezield van Geest en leven zijn.

  De liefde wordt een lopend vuur.

  Dit is de dag, dit is het uur!

---

*616

#4

1

  Heilige Geest,

  Gij zijt als de wind,

  kom dan, waai door onze harten,

  reinig ons.

2

  Heilige Geest,

  Gij zijt als het vuur,

  kom dan, vuur ons aan tot liefde,

  beziel ons.

3

  Heilige Geest,

  Gij zijt als de dauw,

  kom dan, laaf ons met uw goedheid,

  vervul ons.

4

  Heilige Geest,

  Gij zijt als het licht,

  kom dan, wek ons tot nieuw leven,

  herschep ons.

---

*617

#3

1

  Wij wachten op het uur dat Gij

  Uzelf ons openbaart en wij

  met U bezield ontwaken,

  in vuur en vlam geraken.

2

  Kom dan, o Geest, beroer de tong

  van uw gemeente en verjong

  de woorden die wij spreken

  tot frisse waterbeken

3

  opdat wij zijn tot lafenis,

  tot bron voor al wie dorstig is.

  Kom, adem Gods, wij smeken

  U om dit levensteken.

---

*618

#3

1

  Geschenk uit de hemel, wolken en vuur:

  fakkel doorgegeven,

  Woord om mee te leven,

  wijzer op de lange duur.

2

  Geschenk uit de hemel, tongen van vuur:

  talen om te spreken

  van Gods levensteken.

  Woord dat klopt en vindt gehoor.

3

  Geschenk uit de hemel, mensen van vuur,

  door de Geest bewogen

  met Gods Rijk voor ogen.

  Kom, vervul ons Geest, dit uur.

---

*619

#5

1

  Slechts uit de verte zagen zij,

  die ons zijn voorgegaan.

  Op hoop van zegen gingen zij,

  droegen zichzelf als stenen aan

  voor de beloofde stad, waarvan

  de fundamenten lang

  al in Gods eigen dromen staan.

2

  Refrein:

  Ons hart vertrouwt op hoop van zegen:

  de stad van goud die God ons bouwt,

  dat land van ooit

  dat Hij voor ons voltooit.

3

  Zij hebben naar het land gezocht

  waar vrede daglicht is.

  Hun leven was een blijvend nee

  tegen de nacht van duisternis,

  tegen de angst die mensen knecht.

  Hun wortels nooit gehecht

  in wat alom voorhanden is.

  Refrein

4

  Zij waren vreemden en geen plek

  werd ooit voorgoed hun thuis.

  Hun hart was hun vooruitgesneld,

  zij waren kind bij God aan huis.

  De horizon van wat ons wacht

  is dichterbij gebracht:

  wij komen samen met hen thuis!

  Refrein

5

  Als vreemdelingen gaandeweg

  vervolgen wij hun spoor.

  Zij zijn gestorven met de droom.

  Wij zoeken nog, geven gehoor

  de Stem, die hen geroepen had

  naar de gedroomde stad,

  want n¢g gaat God ons daarheen voor.

  Refrein

---

*620

#4

1

  Licht, verlaat ons niet,

  nu de avond is gekomen

  voor de nacht, die vol van dromen

  visioenen ziet.

  In het donker groeit het licht.

2

  Licht, groei in de nacht

  en wil ons voor kwaad behoeden

  in genade, ons ten goede

  met uw levenskracht.

  In het donker wordt het licht.

3

  Licht, dat ons geneest

  in de schemer van het scheiden,

  blijf gerechtigheid verspreiden

  voor wie liefde leest.

  In het donker glanst het licht.

4

  Licht, gezegend vuur,

  in de naam van God de Vader

  komt de Zoon des mensen nader

  in het zwartste uur.

  Door de Geest zien wij het licht.

---

*621

#4

1

  De avondwind draagt deze dag,

  nog overvol van licht en duister,

  op brede wieken van ons weg

2

  en tilt die tot waar God hem telt

  en van de zwaarte van de wereld

  met liefdevolle hand bevrijdt.

3

  Wat is een dag - een ademtocht!

  Waar blijft het licht en waar het duister?

  Een dankgebed, een hart dat zucht -

4

  dan valt de nacht - en welbewaard

  rust deze dag al in Gods handen,

  waarin Hij alle tijden houdt.

---

*622

#1

1

  Weer is een dag voorbij, nu ben ik moe.

  Ik kom U danken voordat ik ga slapen.

  De avond zet zich als een vogel op de daken

  Vleugels van donker,dekken alles toe

  en in dat donker blijft uw liefde waken.

---

*623

#5

1

  O God, behoed ons in de nacht,

  U bent het morgenlicht dat wacht,

  als wij verstijfd en blind en doof

  in duister leven, levenddood.

2

  Die ons de weg naar vrede wees

  is wreed vermoord. Wij zijn bevreesd.

  Hij was ons licht, hij is gedoofd;

  wij hebben tevergeefs gehoopt.

3

  Wij leven met de luiken dicht.

  In angst verschanst en zonder licht,

  zijn wij begraven, dood, alleen

  en zien geen weggerolde steen.

4

  Breek, Jezus, door de onmacht heen,

  sta in ons op, rol weg de steen

  die ons weerhoudt ook op te staan

  en geef ons vrede in uw naam.

5

  Geloofd zij God om scheppend licht

  en Jezus om zijn droomgezicht

  van recht en vrede en de Geest

  die ons van dood en angst geneest.

---

*624

#9

1

  Refrein:

  Wie gaf de haan besef?

  Wie gaf de haan zijn lef?

  Wie maakte hem tot bode

  van leven uit de doden?

  Wij danken alles Gode!

 

  Allengs verbleekt de maan,

  de zon die op wil staan

  is nog in nacht verborgen.

  Wij wachten op de morgen.

2

  Dan klinkt een fel signaal,

  een stem van schel metaal

  scheurt alle dromen open,

  gebeurt nu wat wij hopen?

  Refrein

3

  De haan is een heraut,

  de vaan die hij ontvouwt,

  een vlag van lofgezangen,

  doet ons te meer verlangen.

  Refrein

4

  verlangen naar de dag

  dat alles wat niet mag

  verdaan is en verdwenen.

  De haan staat op zijn tenen;

5

  de dag die op wil staan

  moedigt hij dapper aan.

  Wij moeten spoedig maken

  dat wij voorgoed ontwaken.

  Refrein

6

  Zijn stem laait als een vuur,

  hij kraait het nieuwe uur,

  het uur dat wordt geboren

  om bij de Heer te horen.

7

  Ons leven hult zich nog

  in dromen van bedrog,

  maar 't Rijk van Alvermogen

  zal opstaan voor onze ogen.

8

  Wat riep de haan? Hij riep:

  'Geloofd zij Wie u schiep!

  Wat blijf je ongeschapen

  dan nog in donker slapen?'

9

  Gij die het daglicht zijt

  van de rechtvaardigheid,

  bevestig ons verwachten,

  verdamp de kwade nachten!

  Refrein

---

*625

#3

1

  Ik heb U lief, ik kan niet leven

  zonder de adem van uw Geest

  die boven 't water is geweest

  om aan de sterveling te geven

  uw hoop van zegen.

2

  Ik heb geen vrees, want ik mag horen

  uw stem die tot de doden spreekt,

  uw woord dat uit de diepte breekt,

  en ik ontwaak als nooit tevoren,

  opnieuw geboren.

3

  Ik heb U lief, ik moet geloven,

  dat al mijn haat geleden is,

  dat er voor mij gebeden is

  en dat geen macht dit vuur kan doven

  dat komt van boven.

---

*626

#2

1

  Niet is het laatste woord gesproken,

  er klinkt een lied, al is het nacht.

  Onzeker gaan wij, lotgenoten,

  op weg met wie ons samenbracht.

  Wat komen zal is nog verborgen,

  God weet, wat ons te wachten staat:

  het stille licht, een nieuwe morgen,

  waarmee ik mij verzoenen laat.

2

  Wie als het water uitgegoten

  de dorre grond tot bloeien brengt;

  wie als de dauw daalt in de morgen

  en schepping teer met licht doordrenkt,

  leeft niet vergeefs, gaat niet verloren

  in duisternis van niemandsland.

  Een naam klinkt in het wuivend koren:

  belofte van het nieuwe land.

---

*627

#10

1

  Gij hemelhoog verheven,

  zo ver en zo nabij,

  zozeer ons toegenegen

  en zo veeleisend, gij,

2

  kunt gij het kwaad verhoeden

  dat alom wordt begaan

  of ooit het leed vergoeden,

  uw schapen aangedaan.

3

  Uw naam Ik-zal-nabij-zijn

  gaat heel de wereld rond -

  wilt gij ook zijn waar wij zijn,

  hier, in dit Babylon?

4

  Hebt gij ons afgeschreven,

  hebt gij ons uitgedaagd?

  Dit menselijke leven,

  wie heeft er om gevraagd?

5

  Als ik word afgebroken,

  als ik ben uitgedoofd,

  wordt dan het woord gesproken

  waarin ik heb geloofd?

6

  Zult gij het licht vergaren

  dat hier ten einde gaat

  om zo te openbaren

  uw gave dageraad?

7

  Hier zal de hoop vervliegen,

  geloof zal zijn gedaan -

  wat overblijft is liefde.

  Breekt zo de morgen aan?

8

  De schaduw en de schuld zijn

  ten laatste afgelegd.

  Zullen wij dan gehuld zijn

  in u, gij levend licht?

9

  De waarheid wint gestalte,

  de duisternis verdween.

  Gij slaat uw eigen mantel

  der liefde om ons heen.

10

  De vragen zijn vergeten

  en opgelost als mist.

  Wij zullen zeker weten

  wat gij al eeuwig wist.

---

*628

#3

1

  Ik zoek U in den blinde

  en tast de hemel af.

  De lucht blijft leeg. Ik wacht

  totdat Gij mij zult vinden

  in dit verlaten land.

 

  Refrein:

  Draag mij op uw vleugels

  de vrijheid tegemoet.

2

  Ik zie U in de verte.

  Gij komt steeds dichterbij,

  machtige majesteit.

  Uw schaduw overdekt me

  met troost en tederheid.

  refrein

3

  Gij, verre en nabije,

  ik voel uw zachte bries

  als Gij mij zoekt en ziet.

  Gij aan de hemel, wijs me

  uw hoopvol nieuw verschiet.

  refrein

---

*629

#6

1

  Ja, ook ik zou het liefst,

  als die andere drammers,

  God tot ingrijpen dwingen

  met al die almacht van Hem,

2

  en ik houd stiekem hoop

  op de heer van de machten,

  een reusachtige redder

  van een wereld in nood.

3

  Kijk, hier is dan de mens

  en ik kijk in een spiegel,

  zie het lijden, de onmacht,

  mijn armzalig gezicht.

4

  'k Bal mijn vuist en ik schreeuw

  ach, wat is dan dat mensje,

  zonder redding van boven?

  Brengt een mens ons soms heil?

5

  Ja, ook ik bid het liefst

  tot die God om erbarmen

  met de ogen naar boven

  met de blik afgewend.

6

  Ik huil mee met het volk,

  ik ben blind met de blinden,

  ik ben blind voor het teken

  in een mensengezicht.

---

*630

#6

1

  Hoor ook ik niet bij hen

  die de hemel bestormen

  en tot God blijven roepen

  om zijn krachtige hand,

2

  met een laatste vonk hoop

  op het uur van de waarheid,

  op zijn grootse verschijnen

  in een wereld in nood.

3

  Maar ik hoor 'Zie de mens!'

  en niets staat mij voor ogen

  dan mijn eigen gebroken

  en onmachtig bestaan.

4

  En ik schud met mijn vuist:

  moet die mens ons dan redden,

  zonder hulp van de hemel?

  Wie verlost ons dan God?

5

  Ja, ook ik hoor bij hen

  die maar hemelwaarts smeken

  om ontferming van boven.

  Ja, daar sta ik vooraan.

6

  Ik roep luid met hen mee,

  en ben blind met de blinden;

  maar versta niet de tekens

  in het mens'lijk gelaat.

---

*631

#4

1

  Mensen lopen af en aan,

  keren om of blijven staan.

  Samen en soms ook alleen

  gaan ze ergens nergens heen.

 

  Refrein:

  Wij lopen naar de and're kant,

  de overkant, het goede land,

  een land van horen zeggen.

  Een land waar God, die grote God,

  de hand op zal gaan leggen.

2

  Mensen leven bij de hand,

  delen lief en leed en land.

  Samen in een lange rij

  zijn ze waarom daarom blij.

  refrein

3

  Mensen zonder water, brood,

  lopen langzaam zeker dood.

  Samen eten is zo goed

  voor wie hierheen daarheen moet.

  refrein

4

  Mensen roepen, roepen luid

  namen om te leven uit.

  God geeft iedereen zijn deel.

  Iets voor niets is al zo veel.

  refrein

---

*632

#4

1

  U komt mij, lieve God,

  zo nederig nabij,

  in dagen van gemis

  en moeite vindt U mij.

2

  U daalt het duister in,

  U deelt mijn angst en pijn,

  zo dodelijk bedroefd

  als maar een mens kan zijn,

3

  een man van smarten die

  ter aarde valt en schreit,

  een lotgenoot, een vriend, -

  o Heer die bij mij zijt,

4

  ik bid U, laat het licht

  dat doorbrak in uw smart,

  de zon die Pasen heet,

  ook dagen in mijn hart.

---

*633

#5

1

  Wat woest en leeg is, ongericht,

  wordt door uw Woord ontgonnen.

  In den beginne riep U: 'Licht!',

  de chaos was bedwongen.

  Leer ons verstaan uw scheppend Woord,

  wees licht voor onze voeten,

  zodat wij U ontmoeten.

2

  Gebeiteld staan met licht in steen

  tien woorden van bevrijding.

  Die wet is recht, de wet is ‚‚n

  haag tegen de verleiding.

  Begaanbaar spoor naar vruchtbaar land,

  dat Mozes mocht aanschouwen,

  de grond waarop wij bouwen.

3

  Tot stem gebald uit vuur en licht,

  Elia moet wel spreken.

  Profetenwoord dat onrust sticht

  in ons bezwaard geweten.

  Een weeklacht over het geslacht,

  dat najaagt valse goden,

  vervreemd van uw geboden.

4

  Geboren uit het eeuwig licht,

  voorzegd door de profeten,

  de nieuwe mens die vrede sticht:

  Jezus, uw Woord gegeven.

  Dit is mijn zeergeliefde Zoon,

  de lichtweg door het duister.

  Ga met hem mee en luister.

5

  Ontwaakt zijn wij in morgenlicht,

  wij moeten van U spreken.

  Die dood was leeft nu, opgericht,

  uw Woord is recht gebleken.

  Leer ons verstaan uw Woord van trouw,

  wees licht voor onze voeten,

  zodat wij U ontmoeten.

---

*634

#3

1

  Ons heeft de Heer met liefde neergeschreven,

  leesbaar voor mensen als zijn erfenis.

  Ons leven mag zich voluit laten lezen,

  herkenbaar als zijn eigenhandig schrift.

2

  Wie kan in ons een brief van Christus lezen,

  als niet de Geest ons aan elkander rijgt,

  die ons als dode, levenloze letters

  beademt en tot nieuwe zinnen schrijft?

3

  Om woord voor woord zijn liefde te vertalen,

  dat blijft voor ons bestaan het doel, de zin.

  Om mensen zijn ontferming te herhalen

  zijn wij gezonden, deze wereld in.

---

*635

#5

1

  Refrein:

  Breng ons weer thuis uit de ballingschap,

  dan zal het zijn alsof wij dromen.

  Want wat met tranen is gezaaid

  wordt juichend gebonden tot schoven.

 

  De mensenzoon brengt met gezag

  het koningschap van God nabij.

  Hij is ons als een nieuwe dag

  en maakt ons onder Sions vlag

  van ons verleden vrij.

  Refrein

2

  In Galilea bij de zee,

  de diepte van de wereldnacht

  begint de weg die Hij betreedt

  en wij gaan zingend met Hem mee.

  Een wonder dat ons wacht!

  refrein

3

  Hij heeft het Woord van kracht gemaakt,

  het leven dat was lamgelegd

  met Gods ontferming aangeraakt,

  en aan wie opstaat en ontwaakt

  de toekomst toegezegd.

  refrein

4

  Tot in de holten van de dood

  zoekt Hij wie breken aan de pijn.

  Hun schreien blijft niet ongehoord.

  Zijn eerste en zijn laatste woord

  zal Gods genade zijn.

  refrein

5

  Hij oogst met koninklijke hand

  de vruchten van een nieuw seizoen

  en reikt het liefdesbrood als pand.

  Een sabbat gloort! Hier is het land

  dat God ons geeft te doen.

 

  refrein:

      Wij komen thuis uit de ballingschap,

      zoals het was in onze dromen.

      Wat ooit met tranen werd gezaaid

      wordt juichend gebonden tot schoven.

---

*636

#2

1

  Dat ik adem, dat ik leef,

  dat uw Geest mij wil bezielen

  doet mij dankbaar voor u knielen

  omdat Gij mij alles geeft.

2

  Als ik mij dan aan U geef

  om uw goedheid te beamen,

  ben ik met een ieder samen

  die uw adem in zich heeft.

---

*637

#6

1

  Zoals rivieren van de bergen stromen,

  bronnen geslagen door Gods sterke hand;

  zo is ons leven aan het licht gekomen:

  een watergang uit het geboorteland.

2

  Ik wilde wel voor altijd daar vertoeven,

  hoog in de bergen, zonder vrije val,

  om vrolijk van Gods eeuwig heil te proeven:

  een rustig bergmeer zonder lager wal.

3

  Nu stort ik mij verwoed in 't dal der tranen,

  waarbij ik rotsen met mijn massa's ets

  en bressen sla om mij een weg te banen

  en roekeloos de groene oevers kwets.

4

  Het slijpend water kleurt met slib mijn flanken

  beschamend rood, van zonden oeverloos.

  Onder mijn huid vorm ik verborgen banken

  en maak de stuurman blind en hulpeloos.

5

  Dan komt opeens een brede, stille wijdte,

  de woede wijkt en mijn onstuimigheid;

  het slib wordt afgezet, mijn schulden wijken

  en God herschept een nieuwe vruchtbaarheid.

6

  Nu mag ik gerechtvaardigd verder stromen

  op weg naar mijn eertijds beloofde lot;

  met grote blijdschap mag ik binnenkomen

  als een rivier in zee, in Hem, bij God.

---

*638

#5

1

  Als een schip op het water

  varen wij

  op het scherp van ons getij.

  Koersend naar het morgenlicht

  leven wij de nacht voorbij,

  dromend van later,

  van een gouden vergezicht,

  als een schip op het water.

2

  Als een boom aan de stromen,

  altijd groen,

  blakend van een nieuw seizoen,

  diep geworteld in uw woord,

  raken wij in goede doen:

  leven volkomen -

  nieuwe bronnen aangeboord

  als een boom aan de stromen.

3

  Als een gast aan uw tafel

  weten wij

  het beloofde land nabij,

  vieren wij de overvloed

  hecht geschouderd, zij aan zij,

  proeven de gaven -

  delen wij in uw tegoed

  als een gast aan uw tafel.

4

  Als een bron van genade

  voor elkaar:

  brood, welsprekend handgebaar,

  wijn, geschenk vol lafenis.

  Zo verheugen wij elkaar

  meer dan verzadigd -

  smaken wij wat nog niet is

  als een bron van genade.

5

  Als uw huis in de wereld

  steen voor steen

  schuilplaats waar uw Geesteswind

  ons verlangen wakker maakt,

  uw belofte weerklank vindt.

  levende stenen -

  lichaam, dat de liefde mint

  als uw huis in de wereld.

---

*639

#8

1

  Solo:

  U die mij ooit de sterren wees,

  mij zegende en eer bewees,

  U voerde mij uit oergebied,

  ik volg uw woord, verlaat mij niet.

2

  allen:

  God rekent Abraham dit aan

  en heeft zijn woord gestand gedaan:

  er spelen kind'ren in het zand,

  zij eten vruchten van het land.

3

  Solo:

  Geen tranen had ik meer, geen brood;

  mij wachtte met mijn kind de dood.

  Dan klinkt uw woord in mensentaal:

  deel wat je hebt, je laatste maal.

4

  allen/koor:

  God geeft de weduwe haar recht

  en Hijvervult wat is gezegd:

  een overvloed van olie, meel,

  een kind krijgt hier het leeuwendeel.

5

  solo:

  Vanuit de diepte roep ik U:

  mijn kind is ziek, genees het, nu.

  Neem onze doodsangst weg, kom,vlug;-

  een woord van U en ik ga terug.

6

  allen/koor:

  Wie op een woord geloven kan,

  onttroont de dood, doorbreekt de ban.

  Een opgeluchte vader spoedt

  het nieuwe leven tegemoet.

7

  solo:

  Verdraaide klanken, onze taal;

  verwarde zinnen, loze praal.

  Spreek toch uw woord dat richting geeft,

  dat echt en louter is, doorleefd.

8

  allen/koor:

  Wie geloof hecht aan dat woord,

  gaat een verbond aan, gaat akkoord

  met nieuwe schepping die begint

  waar uw woord in ons weerklank vindt.

---

*640

#4

1

  Cantorij:

  Zoals de regen onverwacht

  een moede aarde op nieuwe krachten brengt,

  zoals een bedding leeg en dor

  plotseling volstroomt en leven brengt,

2

  allen:

  zo is mijn God,

  zo overkomt Hij mij,

  een bron die uitbreekt

  in mijn woestijn;

  ik adem op,

  de dood ontkomen.

3

  Cantorij:

  Zoals het daglicht te middernacht

  zo onvoorstelbaar ondenkbaar lijkt,

  maar in de morgen stralend nieuw

  de zon weer opgaat, de nacht aan banden legt, -

4

  Allen:

  zo is mijn God,

  zo overkomt Hij mij,

  een licht dat uitbreekt

  ik hef het hoofd,

  en ik sta op,

  de dood ontkomen.

---

*641

#2

1

  Aan U, Heer, brengen wij de dank

  van al wat leeft

  en geven stem aan wat geen klank

  of weerklank geeft.

  De groene weiden geuren fris,

  de bloemen bloeien en er is

  een zacht geruis:

  de stilte zingt U stilheid toe.