---

Zingende Gezegend (A.F. Troost)

322 liederen

---


*1

#5

1

  Zingende gezegend

  zaaien wij het zaad

  wachtend op de regen

  die het kiemen laat.

2

  Wie het lied vergeten

  zaaien slechts de dood,

  maaien om te eten

  niets dan bitter brood.

3

  Grond zo zwart en donker,

  aarde duisterdiep,

  waarin zonder wonder

  zoveel zaad ontsliep,

4

  diepe dodenakker,

  graf in grauwe grond,

  zie: het zaad wordt wakker,

  zingt met open mond!

5

  Zingende gezegend

  zaaien wij de oogst

  want de hemel regent

  halmen allerhoogst!

---

*2

#5

1

  In zeven kleuren rijst omhoog

  een hemelpoort, een ereboog -

  de wolken wit, de hemel blauw:

  God blijft altijd de aarde trouw.

2

  Hier kust de boog van zijn verbond

  met zeven zegels onze grond;

  de Heer laat ons geen dag alleen,

  zijn trouw breekt door de wolken heen.

3

  Al vallen sterren, zon en maan,

  al rollen golven af en aan,

  de zee ligt in Gods rechterhand,

  zijn handpalm is ons vaderland.

4

  Al laait er in het laatste uur

  een wereldbrand, een zee van vuur,

  geen vlam doet deze boog vergaan -

  vast zal de nieuwe aarde staan!

5

  Wie wandelt met de Heer, die gaat

  vandaag of morgen, vroeg of laat,

  als Noach met zijn huisgezin

  door deze poort Gods toekomst in.

---

*3

#4

1

  Wat moet ik moederziel alleen,

  een zwerver langs de weg -

  wie weet hoelang wie weet waarheen,

  ik ken hier heg noch steg.

  De hemel sluit haar deuren toe,

  geen engel zingt, niet ‚‚n;

  o God, ik word het lopen moe;

  hier lig ik - op een steen.

2

  Ik zie, al zijn mijn ogen dicht,

  de hemel opengaan,

  ik zie in onvoorstelbaar licht

  een hoge ladder staan.

  De engelen, zij klimmen op,

  zij lopen af en aan,

  ze dalen, stijgen weer ten top

  en God staat bovenaan.

3

  Hier spreekt Hijzelf met luider stem

  zijn veelbelovend woord

  en ik geloof wat ik van Hem

  al dromend heb gehoord:

  dat Hij mij nimmermeer verlaat,

  dat Hij ook mij behoedt

  en geven zal voor al mijn zaad

  een land van overvloed.

4

  Ik ga niet langer meer alleen,

  ik ga getroost op weg

  en zegen elke harde steen

  waar ik mijn hoofd op leg.

  Al is de hemel nu weer dicht,

  er staat bij deze rots

  een poort des hemels opgericht,

  een huis, een woning Gods!

---

*4

#5

1

  Uw heil verwacht ik, Here

  wat zou ik meer begeren

  dan nu te ruste gaan

  om als een kind te dromen

  dat moe is thuisgekomen

  en niets meer wil dan slapen gaan.

2

  Gij kwam mij telkens tegen,

  doorkruiste al mijn wegen

  hoe krom, hoezeer verward;

  bedriegend, zelf bedrogen

  staat mij uw trouw voor ogen,

  uw licht ontdekt mijn donker hart.

3

  Gij kwam mij telkens tegen,

  doorkruiste al mijn wegen

  hoe krom, hoezeer verward;

  bedriegend, zelf bedrogen

  staat mij uw trouw voor ogen,

  uw licht ontdekt mijn donker hart.

4

  Ik riep: ik kan niet leven

  tenzij Gij mij wilt geven

  uw zegen ‚‚r Gij gaat!

  Een nieuwe naam ontving ik;

  door U gezegend zing ik

  een loflied in de dageraad.

5

  Laat mij uw heil ontvangen -

  wat zou ik meer verlangen

  dan naar de overkant

  al slapend weg te dromen,

  verloren thuis te komen

  in het door U beloofde land!

---

*5

#10

1

  Wij gaan met heel Gods volk

  op weg achter de wolk

  een pad dwars door de zee

  en God gaat met ons mee.

 

  Refrein:

  O Heer die ons bevrijdde

  ons uit het diensthuis leidde

  wijs ons met uitgestrekte hand

  de weg naar het beloofde land.

2

  Wij eten hemels brood,

  wij leven, in de dood,

  van manna, dag aan dag;

  het valt op Gods gezag.

  Refrein

3

  Wij slaan de vijand neer;

  wie bidden tot de Heer

  geeft Hij standvastigheid,

  volharding in de strijd.

  Refrein

4

  Wij horen het gebod:

  de heiligheid van God

  wil dat wij recht en rein

  en heilig voor Hem zijn.

  Refrein

5

  Wij dansen om een stier,

  een gouden kalf, een dier

  dat stom is, ziet noch hoort;

  toch leidt de Heer ons voort.

  Refrein

6

  Wij spreken door de Geest,

  getuigen onbevreesd,

  want God maakt ons bekwaam

  profeten in zijn naam.

  Refrein

7

  Wij krijgen dorst, wij zijn

  zo moe van de woestijn;

  maar Mozes, boos en trots,

  slaat water uit een rots.

  Refrein

8

  Wij kijken naar de slang,

  verhoogd voor elk die bang

  het komend oordeel vreest;

  en wie gelooft, geneest.

  Refrein

9

  Wij gaan door de Jordaan

  en dragen stenen aan:

  voor heel het nageslacht

  een teken van Gods macht.

  Refrein

10

  Wij juichen, de bazuin

  blaast muren om tot puin.

  God geeft ons allemaal

  een huis in Kana„n!

  Refrein

---

*6

#7

1

  Handvol Isra‰l, hopend op de morgen,

  in de heetste hel, achter bloed bewaard,

  voor de dood gespaard - God zal voor u zorgen!

2

  Mozes, koningskind, / herder, lang verborgen

  tot de stem u vindt - / zie hoe God u leidt,

  uit de angst bevrijdt / Hij zal voor u zorgen!

3

  Pascha! Jong en oud / viert het tot de morgen;

  wie de Heer vertrouwt / weet in deze nacht

  dat de lente lacht: / God zal voor u zorgen!

4

  Klein en kwetsbaar volk, / in Gods hand geborgen

  achter vuur en wolk / droogvoets uitgeleid

  uit de dood bevrijd - / God zal voor u zorgen!

5

  Hoog bevel gaat rond: / Heiligt u voor morgen!

  Dit is zijn verbond! / Heiligt u voor God,

  hoort zijn wijs gebod - / hoort en Hij zal zorgen!

6

  O weerspannig volk! / Zo de wet te worgen!

  Waar is nu de wolk? / Mozes, middelaar,

  bidt - en zie: zowaar / blijft God niet verborgen!

7

  Vader die bevrijdt, / moederlijk wil zorgen,

  laat ons op uw tijd / door de doodsjordaan

  uw rijk binnengaan - / Pasen! - wie weet: morgen!

---

*7

#3

1

  Houdt hoog uw staf tot God geheven,

  boven de woede der woestijn!

  Hoe zou een mens op aarde leven

  als God niet God-met-ons zou zijn?

  Ons leger was geheel verslagen,

  ons leven in de kiem gesmoord,

  begraven in de hinderlagen,

  had God de oorlog niet verstoord.

2

  Nooit mogen wij die dag vergeten -

  ons volk: lafhartig aangerand.

  Hier zweeg de stem van het geweten,

  hier kreeg de haat de overhand.

  Wie vurig bidt het kwaad te keren,

  het onrecht dat ten hemel schreit,

  die zal in Gods naam triomferen,

  al is hij in de minderheid.

3

  Houdt hoog de staf tot God geheven,

  zijn vrede zal ons vaandel zijn!

  Gij zult het lijden overleven,

  vuur gaat u voor door de woestijn.

  Steunt links en rechts elkanders handen,

  weest dapper en bij voorbaat blij,

  juicht voor de Heer in alle landen:

  zijn woord maakt alle volken vrij!

---

*8

#10

1

  Mijn kind, ga niet terug,

  niet weer door de woestijn -

  klim op uw vaders rug

  om vlugger thuis te zijn!

2

  Hij droeg u door de doop

  uit slavernij vandaan,

  bekleedde u met hoop -

  wit zult gij voor Hem staan!

3

  Hij droeg u langs de dood:

  wat zout smaakt, maakt Hij zoet;

  met water en met brood

  zijt gij gelaafd, gevoed.

4

  Mijn kind, ga niet terug

  richting de rode zee,

  daar is geen pad, geen brug,

  daar schreeuwt slechts ach en wee.

5

  Zijn hier de muren hoog,

  de poorten donker, dicht,

  veel hoger reikt Gods boog,

  zijn trouw: een poort van licht.

6

  De volkeren, zo groot,

  zo sterk in eigenwaan,

  hun overmoed loopt dood,

  hun hoogmoed zal vergaan.

7

  0 denk bij wat gij doet

  van God niet veel te klein;

  als druiven, groot en zoet,

  zo zal zijn goedheid zijn!

8

  Dit is uw vaderland,

  de tuin aan u beloofd;

  God geeft met gulle hand

  een overvloed aan ooft!

9

  Ziehier: een groene streek

  en water, een fontein,

  Gods berg, zijn klare beek -

  hier wordt het water wijn!

10

  Mijn kind, ga niet terug!

  Wie roept met zachte stem

  u hoog op vaders rug?

  Moeder Jeruzalem!

---

*9

#3

1

  Hoor Isra‰l, de Here,

  enig is onze God -

  Hem liefhebben, Hem eren

  is u het hoogst gebod!

  Gij zult uw God beminnen,

  Hem dienen, dag en nacht

  met hart en ziel en zinnen

  en met geheel uw kracht.

2

  Laat voor dit woord des Heren

  uw hart een woning zijn,

  laat kinderen het leren,

  Vertel het groot en klein;

  gij zult erover spreken

  waar gij ook zit of staat,

  het worde taal en teken

  daar waar gij komt of gaat.

3

  Gij zult het aan den lijve

  meedragen op uw hand,

  het op uw voorhoofd schrijven

  alom in stad en land,

  op poorten en op posten

  van deuren in uw huis -

  looft God, o gij verlosten,

  looft God! Hij bracht u thuis!

---

*10

#6

1

  Kom, bedroefde vrouw, waarom zou je huilen?

  Kom maar, kom maar gauw, nu je onbekend

  vreemde vogel bent, hier, hier kun je schuilen!

2

  Kom maar op dit veld korenaren lezen.

  Heeft men jou verteld dat God altijd ziet

  honger en verdriet, weduwen en wezen?

3

  Kom - wie zoekt die vindt! Ga door het gezaaide;

  nu de oogst begint is dit land voor jou;

  vogelvrije vrouw, eet van wat ik maaide!

4

  Kom wat dichterbij, bind het graan in schoven,

  neem en eet hier vrij; God heeft zelf gezegd:

  armen hebben recht op de vrucht van boven.

5

  Kom dan op mijn land, jij hoeft niets te vragen,

  neem in elke hand zoveel als je wilt:

  ik geef ruim en mild, meer dan jij kunt dragen

6

  Kom, want in jouw schoot wordt het heil gegeven -

  hier is levend brood; hier in Bethlehem

  klinkt Gods eigen stem: Hier begint het leven!

---

*11

#9

1

  Ik zing u van een herderszoon

  die ging door diepe dalen:

  ik zal van David en zijn troon

  en van zijn Zoon verhalen.

 

  Refrein:

  Ik zeg u: al was David klein,

  geen groter koning heerste -

  want God zei: Deze zal het zijn,

  de laatste wordt de eerste!

2

  Hij komt als herder uit het veld,

  als laatste zoon naar voren;

  gezocht, gezalfd en aangesteld;

  als koning uitverkoren.

  refrein

3

  Hij wordt gevraagd in het paleis

  de snaren zacht te strelen;

  de zieke Saul raakt van de wijs

  en David, die kan spelen!

  refrein

4

  Hij doodt de grote Filistijn

  die niemand durfde doden,

  want Goliath is reuzeklein

  voor God - de God der goden.

  refrein

5

  Dan vlucht hij, vogelvrij verklaard,

  spelonken worden woning;

  daar treft hij Saul - maar David spaart

  zijn vijand: wettig koning.

  refrein

6

  Hij haalt de ark en danst en zingt:

  de Heer komt bij ons wonen!

  Van vreugde huppelt hij en springt,

  al zal zijn vrouw hem honen.

  refrein

7

  En Mefiboseth, slecht ter been,

  mag aan zijn tafel eten;

  diens vader Jonathan ging heen -

  wie zou een vriend vergeten?

  refrein

8

  De koning steelt een schone vrouw -

  hoe kan een dief regeren?

  Alleen als hij in diep berouw

  tot God zich wil bekeren.

  refrein

9

  Ik zing tot slot op hoger toon:

  dit koningschap reikt verder -

  de allergrootste Davidszoon

  is onze goede herder!

  refrein

---

*12

#11

1

  Neemt en gedenkt

  dat God u schenkt:

  zichzelf, in brood en beker.

  Weest, wanneer Hij roept en wenkt,

  van zijn liefde zeker.

2

  O bruidegom,

  gij gastheer, kom

  en toon uw bruid een teken,

  kom om uit uw heiligdom

  tot haar hart te spreken.

3

  Geheel alleen,

  wie weet waarheen,

  vlucht zij voor wie haar haten,

  opgejaagd door iedereen,

  moedeloos verlaten.

4

  Hoor, hoe zij zucht,

  door kwaad gerucht,

  een vrouw, een diepverachte

  bruid in de woestijn gevlucht,

  prooi voor alle machten.

5

  De weg is lang -

  ik ben zo bang!

  Laat mij onder de bomen

  dromend na zonsondergang

  slapend tot U komen!

6

  Al wat ik droeg,

  wat Gij mij vroeg

  is meer dan ik kon dragen;

  neem mij weg, het is genoeg,

  kom mij niets meer vragen.

7

  Maar dan - o God,

  een engel tot

  vertroosting in dit lijden!

  Welgeborgen is mijn lot,

  in uw hand mijn tijden!

8

  In de woestijn

  zult Gij er zijn;

  voor alwie is bezweken

  welt een heldere fontein,

  bron van waterbeken!

9

  Zelfs in de dood

  is waarlijk brood

  tot ons behoud gegeven:

  Christus is het die ons noodt

  brood van eeuwig leven.

10

  Het bruiloftskleed

  ligt reeds gereed,

  het wordt om niet geschonken,

  bruid des Heren, neem en eet,

  word van vreugde dronken!

11

  De gastheer wenkt,

  o komt, gedenkt,

  gedenkt bij brood en beker

  dat de Heer, die het u schenkt,

  trouw is, vast en zeker!

---

*13

#6

1

  Heer, houd mij vast, ik kan niet meer,

  geen kracht heb ik en geen verweer,

  er is geen water, brood noch wijn,

  mijn hart is ‚‚n en al woestijn -

  niet langer wil ik leven, Heer.

2

  Is mijn geloof zo zwak, zo klein?

  Ik dacht: ik zal ten zegen zijn

  meer dan de vaderen van toen -

  ik zal het nog veel beter doen!

  Maar nu blijkt roeping schone schijn.

3

  De dood volgt mij steeds op de voet;

  wanhopig ben ik, alle moed

  is nu verdwenen uit mijn hart;

  hoe ben ik innerlijk verward

  alsof een vuur, een stormwind woedt.

4

  Mijn God, mij raakt uw engel aan:

  Ontwaak, ik zeg u op te staan;

  het leven wenkt u, niet de dood,

  ik schenk u water, hemels brood,

  om veertig dagen door te gaan.

5

  Zo ga ik de woestijntijd door,

  uw woord is al mijn vragen voor:

  ik zoek U omdat Gij mij vond

  en op de berg van uw verbond

  neigt Gij opnieuw tot mij uw oor.

6

  Niet in een storm gaat Gij voorbij

  en niet in vlammend vuur zijt Gij,

  maar in het suizen van de wind,

  het is uw stilte die mij vindt -

  uw vrede maakt mijn vreugde vrij.

---

*14

#4

1

  Generaal Na„man, helemaal melaats,

  rijdt vanuit zijn legerplaats

  naar Elisa, Gods profeet,

  die de weg ten leven weet.

 

  Refrein:

  Keer je om en laat je dopen

  zevenmaal in de Jordaan;

  jij mag op een wonder hopen

  als je eerst wilt ondergaan.

2

  Generaal Na„man, helemaal verbaasd,

  boos en bitter, roept en raast:

  Gaat dat zo in Isra‰l?

  Wat een schande, zo'n bevel!

  refrein

3

  Generaal Na„man, helemaal witheet,

  als je het nu toch eens deed?

  Daal je hier niet liever af

  dan te vallen in een graf?

  refrein

4

  Generaal Na„man, helemaal gezond,

  kijkt verwonderd in het rond,

  nieuwgeboren als een kind -

  wie zichzelf verliest, die wint!

  refrein

---

*15

#3

1

  Opent de vensters van uw ogen,

  opent de deuren van uw hart,

  gij die het recht hebt krom gebogen,

  willens en wetens wetten tart!

  Zie hier wat wij allang ontwaarden:

  een overmacht aan onze kant -

  vurige wagens, felle paarden,

  feiloos bestuurd door hogerhand.

2

  Waarom houdt haat uw hart gevangen?

  Honger naar macht maakt zienden blind.

  Sterren en strepen, rangen, standen,

  niemand klimt hoger dan een kind.

  Ziet hoe gij nu met open ogen

  als ratten in uw eigen val

  het hol der leeuw zijt ingelopen,

  bang dat hij u verscheuren zal!

3

  Opent de vensters van uw ogen,

  opent de deuren van uw hart:

  hier woont een God van mededogen,

  Hij spaart, Hij zegent wie Hem tart.

  Komt, want voor vriend en vijand staat er

  een grote tafel toebereid -

  eet van het brood en drinkt het water,

  proeft: dit is Gods lankmoedigheid!

---

*16

#3

1

  Dit is een dag van goede boodschap,

  vol vreugde zingen wij voor Hem

  die onze doodsangst in het oog had,

  ‚‚n en al oor voor onze stem.

  Wij waren zeker omgekomen

  als niet de vijand in een zucht

  sneller dan wij ooit durfden dromen

  halsoverkop was weggevlucht!

2

  Dit is een dag van grote vreugde,

  houd u in stad en land niet stil,

  laat horen wat uw hart verheugde,

  horen aan alwie horen wil:

  uw tijd van lijden is verleden,

  er is voldoende brood en wijn,

  de gastheer geeft u recht en reden

  vrolijk en vreugdevol te zijn!

3

  Dit is een dag van goede tijding,

  dit is een dag van overvloed -

  dank God: een hemelse bevrijding

  stroomt ons als zonlicht tegemoet!

  Open uw mond, hef op uw handen,

  verberg het voor elkander niet,

  ga rond met boordevolle manden,

  deel uit al wat gij hoort en ziet!

---

*17

#5

1

  Geloofd zijt Gij, God onze Heer,

  in eeuwigheid geprezen!

  U is de majesteit, de eer,

  hoog in uw roem gerezen;

  want al wat in de hemel woont

  en al wat leeft op aarde

  behoort aan U, die hoog gekroond

  het koningschap aanvaardde.

2

  In majesteitelijke pracht

  beheerst Gij al uw werken,

  uw rechterhand heeft alle macht

  het zwakke te versterken;

  wij willen U nu en altijd

  lof, eer en dank bewijzen,

  uw hoge naam, uw heerlijkheid

  om al uw daden prijzen.

3

  Maar wat zou U van onze kant

  aan gaven zijn te geven?

  Wij schenken U wat uit uw hand

  ons eerder was gegeven;

  wijzelf zijn gast en vreemdeling;

  de dagen, de geslachten,

  een schaduw die weer verderging,

  waarvan wij niets verwachten.

4

  Wat Gij, o onze God en Heer,

  ons wilde toevertrouwen,

  dat is van U - Gij krijgt het weer

  om U een huis te bouwen.

  O Heer die onze harten proeft,

  wij zijn oprecht genegen

  te geven wat uw dienst behoeft;

  wij geven van uw zegen.

5

  O God van vader Abraham

  en God van al zijn zonen,

  wij bidden U: laat vuur en vlam;

  uw Geest onder ons wonen;

  dan zullen wij in eeuwigheid

  U dienen in uw woning

  en U volkomen toegewijd

  lofzingen - onze koning!

---

*18

#4

1

  Ik schaam mij om te vragen

  naar schild en zwaard en speer;

  ik wil geen wapen dragen -

  mijn helper is de Heer!

  Mij baat geen machtsvertoning,

  geen pantser en geen paard,

  geen hooggezeten koning,

  geen hooggeheven zwaard.

2

  Ik schaam mij om te vragen

  bescherming onderweg;

  al legt men hinderlagen,

  al weet ik heg noch steg,

  Gods hand is mij ten goede:

  bij al wat onrust baart

  weet ik mij in zijn hoede

  beschut en welbewaard.

3

  Ik schaam mij om te vragen

  om hulp die toch niet helpt:

  hoe zijn die wapens dragen

  daar zelf door overstelpt!

  Hun macht zal toch niet baten,

  al is die nog zo groot;

  zij die de Heer verlaten

  vervallen aan de dood.

4

  Ik schaam mij om te vragen

  om wapens en geweld

  in plaats van het te wagen

  met God, mijn sterke held!

  Gij wolven, leeuwen, beren,

  gij vijand, hoe ontaard,

  ‚‚n lam zal u doen keren -

  een herder zonder zwaard.

---

*19

#4

1

  Het zal ons waarlijk wel gelukken:

  al ligt de stad in duizend stukken,

  de Heer des hemels staat ons bij;

  wij leven in het volst vertrouwen

  dat wij, zijn knechten, zullen bouwen -

  in zijn bewaring wonen wij.

2

  Al leggen haters hinderlagen,

  wij zullen het met liefde wagen,

  hun haat en smaad en spot ten spijt -

  al dreigt de vijand zich te wreken

  en wat wij bouwden af te breken,

  Gods werk verduurt de eeuwigheid.

3

  Al staan wij voor de heetste vuren,

  wij bouwen samen poorten, muren,

  een huis dat gastvrij openstaat -

  een wal die wel het kwaad kan keren,

  een wereld die geweld wil weren,

  maar die de hemel binnenlaat!

4

  Wat u op aarde mag benauwen,

  geloof, dat liefde op zal bouwen

  waar nog de haat geen weg mee weet!

  Al ligt uw hele stad in stukken,

  met hulp van boven zal het lukken -

  Heer, wij zijn tot uw dienst gereed!

---

*20

#4

1

  Waarom toch komt gij voor mijn aangezicht?

  Wie is het die van u verlangt

  dat gij aanhoudend bidt en dankt,

  mijn voorhof plat treedt - wie stelt dat verplicht?

  Uw offers huichelachtig!

  Uw reukwerk leugenachtig!

  Een gruwel is het Mij!

  Sabbat en nieuwe maan,

  mensen gaan af en aan

  maar Mij gaat gij voorbij!

2

  Waarom toch komt gij voor mijn aangezicht?

  Als gij niet eerst uw handen wast

  dan zijn uw dagen Mij een last,

  uw feesten haat Ik - Ik verdraag ze niet!

  Al roept gij naar den hoge,

  Ik sluit voor u mijn ogen

  als gij geen boete doet;

  al bidt gij duizend keer,

  horen doe Ik niet meer -

  uw handen zijn vol bloed!

3

  Waarom toch komt gij voor mijn aangezicht?

  Wast af uw handen, reinigt u!

  Uw boze daden, laat ze nu!

  Leert kwaad met goed vergelden,

  Brengt al uw goddeloosheid aan het licht.

  spreekt recht, houdt op met schelden,

  houdt het geweld in toom!

  Helpt alwie eenzaam leeft,

  helpt wie geen helper heeft -

  dat is pas waarlijk vroom!

4

  Komt, laat ons samen richten, spreekt de Heer,

  al zijn uw zonden nog zo groot,

  al zijn ze zelfs scharlakenrood,

  ze zullen worden als de sneeuw zo wit!

  Hoe schuldig ook bevonden,

  al zijt gij rood van zonden,

  mijn hart is liefdevol!

  Al zou uw zonde zijn

  bloedrood, als karmozijn -

  Ik maak ze wit als wol!

---

*21

#3

1

  Hoger dan men ooit bergen zag

  rijst Sion op de jongste dag;

  hoort wat er gaat gebeuren!

  Het huis des Heren, hemelhoog,

  verheft zich dan voor ieders oog,

  wijd open gaan de deuren.

  Dan hoort men overal de stem:

  Komt, gaat nu naar Jeruzalem,

  beklimt de berg des Heren.

  God zelf wijst ons de wegen aan;

  de paden die wij moeten gaan

  zal Hij ons allen leren.

2

  De volken voor Gods aangezicht

  verstommen dan in dat gericht,

  God zal zijn stem verheffen.

  Dan zal de strijd gestreden zijn;

  geen angst, geen honger en geen pijn

  zal dan nog mensen treffen.

  Gods vrede daalt op aarde neer

  om ieder zwaard en elke speer

  tot ploegen om te smeden.

  De oorlog wordt niet meer geleerd,

  de haat die volkeren verteert

  behoort tot het verleden.

3

  Vervuld is dan de oude droom,

  als ieder onder eigen boom

  in vrede zal verkeren.

  De vijgeboom zal bloeien gaan,

  de wijnstok weer vol vruchten staan -

  zo spreekt de Heer der heren.

  De volkeren, zij dwalen voort;

  hun god, die naar hun stem niet hoort,

  bevrijdt en redt hen nimmer.

  Laat ons dan wandelen met God,

  een lamp, een licht is zijn gebod

  voor altoos en voor immer.

---

*22

#3

1

  Heer, ik zal U loven

  voor uw toorn die boven

  mij is afgekeerd.

  God van mijn vertrouwen,

  wat mij kon benauwen,

  Gij hebt het geweerd!

  Gij, mijn lied, verdrijft verdriet -

  Heer, uw psalm blijft in mij zingen

  en mijn angst bedwingen!

2

  Trekkend door woestijnen

  zie ik daar fonteinen

  blinken in de zon;

  heil dat mij verheugde,

  zie, ik schep met vreugde

  water uit uw bron!

  Prijst tezaam zijn grote naam,

  alle volken, hoort zijn daden,

  groot is zijn genade.

3

  Laat ons Gode zingen,

  maakt de grote dingen

  die Hij deed, bekend!

  Hij heeft zich ten leven,

  groot en zeer verheven,

  naar ons toegewend.

  Zingt ter eer van God de Heer,

  hoog en heilig in ons midden -

  laat ons Hem aanbidden!

---

*23

#4

1

  Het dorre land zal juichen

  en bloeien als een roos,

  ja, jubelend getuigen:

  Gods heil is eindeloos!

  Sterkt dan de slappe handen

  en maakt de knie‰n vast,

  want God verbreekt uw banden

  en Hij verlicht uw last!

2

  Uw ogen en uw oren,

  uw mond zal opengaan,

  de doven zullen horen,

  de blinden zien voortaan,

  de lamme zal dan springen,

  springen zoals een hert,

  wie stom is die zal zingen

  dat hij genezen werd!

3

  Dan zal er water komen,

  ontspringen: een fontein.

  Een beek zal overstromen,

  een tuin wordt de woestijn!

  God zal een weg ons banen:

  zijn weg die heilig is

  en ieder zal beamen

  dat die weg veilig is.

4

  Daar zal geen leeuw meer wezen,

  geen wild, verscheurend dier;

  wie gaat heeft niets te vrezen,

  die wandelt vrij en fier.

  Zo zal het volk des Heren,

  zingend het hoogste lied,

  met vreugde wederkeren,

  want weg vlucht elk verdriet!

---

*24

#3

1

  Laat ons de loopbaan lopen,

  al valt het lopen zwaar,

  wij zien het eind voor ogen,

  ontwijken het gevaar

  en als wij toch nog vallen

  getergd door tegenstand,

  dan struikelen en vallen

  wij in Gods rechterhand!

2

  Wie op de Heiland hopen

  gaan op het smalle pad,

  zij wandelen, zij lopen

  maar worden moe noch mat;

  zij gaan met brede slagen,

  zij wieken op de wind,

  op vleugelen gedragen,

  gekoesterd als een kind.

3

  Houdt oog en oren open

  voor wie zijn voorgegaan;

  zij sporen ons, die lopen,

  in koren zingend aan:

  Legt af de last der zonde,

  houdt hoog uw hoofd gericht.

  de Heer heeft overwonnen -

  Hij maakt het lopen licht!

---

*25

#2

1

  Vrees niet en zie niet angstig rond,

  de Heer heeft u verkoren.

  Mijn volk, Ik zocht u en Ik vond

  u ver, vervreemd, verloren.

  Ik riep u overal vandaan;

  met open monden staarden

  de volkeren Mij zwijgend aan,

  de einden van de aarde.

2

  Vrees niet, mijn volk, wees niet verbaasd,

  die trouw is zal u sterken,

  hoezeer de vijand raast, met haast

  stel Ik hem paal en perken.

  Gij zult de vijand in uw land

  wel zoeken, maar niet vinden;

  Ik neem u bij de rechterhand -

  gij zijt toch mijn beminde!

---

*26

#3

1

  Mijn kind, zo spreekt de Here,

  al gaat het nog zo diep,

  dit lijden zal Ik keren,

  Ik hoorde toen je riep.

  Vrees niet - Ik maak je vrij!

  Ik zal je niet beschamen;

  mijn kind, je bent van Mij,

  Ik riep je toch bij name!

2

  Al ga je door het water,

  door doodsrivieren heen,

  Ik laat je, nu en later,

  geen ogenblik alleen;

  Ik zelf zal als een muur

  de vloed, de vlammen weren;

  al ga je door het vuur,

  het zal je niet verteren.

3

  En als je dan zult komen

  aan water als kristal

  waarbij de levensbomen

  vruchtdragen zonder tal,

  dan heb je dood noch pijn

  noch ziekte meer te vrezen -

  verlost zul je daar zijn,

  eens en voorgoed genezen!

---

*27

#3

1

  Zing welgemoed, mijn volk, mijn eigen bruid,

  zing juichend, breek in luid gejubel uit!

  Al zijt gij nu onvruchtbaar en alleen,

  straks spelen kind'ren vrolijk om u heen.

  Breid uit uw tent; sla dieper nog uw pinnen,

  naar rechts en links zult gij het land ontginnen;

  uw nageslacht zal volkeren regeren,

  herbouwen wat verwoest was - zegt de Here.

2

  Vrees niet. mijn bruid, vrees niet voor haat en smaad,

  vergeten zult gij al het oude kwaad,

  de schande van uw jeugd wordt uitgewist,

  vergeten dat gij Mij ooit hebt gemist.

  Zo waar zijn naam is Here der heerscharen:

  uw maker is uw man - Hij zal u sparen;

  de God der ganse aarde zal Hij heten,

  uw losser zal zijn bruid niet meer vergeten!

3

  Ik riep u uit uw eenzaamheid en rouw:

  een treurende, een diepbedroefde vrouw.

  Niet lang, een ogenblik slechts ging Ik heen,

  verborg Ik mij en liet Ik u alleen;

  nu kom Ik weer, mijn hart is vol erbarmen:

  mijn volk, mijn bruid, Ik neem u in mijn armen!

  Voor even hield Ik mij voor u verborgen,

  eeuwig zal Ik, uw losser, voor u zorgen!

---

*28

#4

1

  Alwie dorst heeft, kom tot Mij!

  Aarzel niet, kom dichterbij,

  alle dingen zijn gereed,

  kom en koop en drink en eet!

 

  Refrein:

  Zie, Ik zal u water geven,

  een hoog springende fontein,

  ja, een bron van eeuwig leven

  zal voor altijd in u zijn!

2

  Geef geen geld voor bitter brood,

  voor het water van de dood,

  voor de overvloed die schaadt,

  voor de vreugde die vergaat.

  refrein

3

  Dwaal niet verder, keer u om,

  bruid, hier is uw bruidegom!

  Hoe gij eertijds hebt geleefd,

  weet dat God uw schuld vergeeft!

  refrein:

4

  Neem dan al wat Ik u bied:

  koop hier zonder geld, om niet

  wijn en melk - o, drink hier vrij,

  alwie dorst heeft, kom tot Mij!

  refrein

---

*29

#5

1

  Sta, mensenkind, recht op uw voeten

  en hoor wie heden tot u spreekt!

  Ik wil in u mijn volk ontmoeten,

  het volk dat mijn verbond verbreekt.

2

  Of zij u volgen of verlaten,

  u voeren ver in de woestijn,

  spreek, ook al zullen zij u haten -

  profeten moeten eenzaam zijn.

3

  Laat niets of niemand u verschrikken,

  wijk niet wanneer men om u lacht,

  wees niet bevreesd voor boze blikken -

  weerspannig is het, dit geslacht.

4

  Als het aan moed u zal ontbreken,

  als mensen vragen wie u zond,

  zeg Ik u zelf wat gij zult spreken:

  Ik leg mijn woorden in uw mond.

5

  Laat voor de Schriften, u gegeven,

  uw binnenste een woning zijn;

  dit woord, hoe bitter ook geschreven,

  zal in uw mond als honing zijn.

---

*30

#3

1

  Ik sta op de oever,

  het strand van de zee,

  ik hoor uit de hemel

  van wel en van wee:

  het woord tot de volken

  doorboort nu de wolken:

  Gods ja en Gods nee.

2

  Zo zie ik de bokken

  verblind in hun waan,

  verslagen, geschrokken,

  wanhopig daar staan -

  voorbij is hun voordeel

  nu God in zijn oordeel

  hen van zich doet gaan.

3

  Ik zie ook de schapen,

  de lammeren klein;

  zij hebben geen wapen,

  zij blaatten van pijn -

  maar nu zijn hun wonden

  zorgvuldig verbonden

  met olie en wijn.

 

  Ik sta op de oever -

  de zee is niet meer!

  Ik hoor uit de hemel

  de stem van de Heer:

  Voorbij is uw lijden,

  Ik zelf zal u weiden,

  uw herder keert weer!

---

*31

#3

1

  Hoor, huis van Isra‰l, / hoor wat ik u vertel,

  zo spreekt de Heer, uw God:

  Ik heilig zelf mijn naam, / die wordt van nu af aan

  niet langer nog bespot!

  De volken worden stil, / maar niet om uwentwil -

  voor Mij zullen zij beven!

  Ik breng u weer tezaam - terwille van mijn Naam

  doe Ik uw hart herleven.

2

  Gij komt van alle kant / naar eigen stad en land

  waar dan de vrede woont;

  gij zult volkomen rein / gewassen, heilig zijn

  van afgoden verschoond.

  Een nieuw hart, dat Mij vreest, / een nieuwe, vaste geest

  geeft richting aan uw leven;

  Ik neem uw hart van steen / om zelf aan iedereen

  een hart van vlees te geven.

3

  Mijn Geest daalt op u neer, / uw binnenste wordt weer

  gereinigd en gered;

  dan wandelt gij voortaan / de weg die elk moet gaan:

  de paden van mijn wet.

  Daar woont gij in het land / door Mij met eigen hand

  uw vaderen gegeven;

  gij zijt mijn volk, houd moed! / Ik ben uw God - voorgoed

  doe Ik uw hart herleven!

---

*32

#3

1

  Een teken aan de wand:

  vingers van hogerhand

  die openbaar beschrijven

  wat niet geheim kan blijven -

  al wat gij hebt misdaan

  zal op de muren staan;

  als God uw harten leegt

  dan blijkt hoe licht gij weegt:

  lucht is uw grootheidswaan!

2

  Lees wat geschreven staat,

  nog is het niet te laat:

  als gij u wilt bekeren

  zal God de vijand weren.

  Laat niet de roes van wijn

  uw laatste toevlucht zijn;

  de macht van goud en geld,

  de nacht van grof geweld

  maken wie groot is klein.

3

  Eerbiedig dan, o mens,

  God en zijn goede grens,

  het spoor van zijn geboden -

  en hoor! Hij zal u noden:

  Mijn tafel staat gereed,

  wijn, brood en bruiloftskleed;

  en aan de hemelwand

  schrijf Ik met eigen hand

  dat Ik u niet vergeet!

---

*33

#4

1

  Ik roep U aan, Heer, hoor naar mijn gebed -

  schreit niet ten hemel wat mijn hart doet huilen?

  Ten einde raad hoop ik dat Gij mij redt!

  In deze grafkuil, vol van leeuwemuilen,

  is het alleen de woning van uw wet

  waarin ik vluchten kan en weg wil schuilen.

2

  Hoe ver van huis, hoe ver bij U vandaan,

  balling in Babel, diep in de ellende,

  toch mag ik, God, ook hier uw stem verstaan;

  ondanks het brullen van een barse bende

  spreekt in mijn ziel een lied van U mij aan,

  Gij zijt niet ver, Gij zijt geen onbekende.

3

  Verrijst dan morgen stralend weer de zon

  dan zal ik uit een land van stille dromen

  ontwaken alsof alles nieuw begon;

  dan wordt de steen boven mij weggenomen

  en zal ik als een lam dat overwon

  uit deze leeuwekuil tot leven komen!

4

  Zo leg ik mij in overgave neer,

  Gij zijt mijn huis, uw wakend woord mijn wapen -

  niet langer gaat mijn bange hart te keer.

  Zingenderwijs word ik tot rust herschapen

  en ga ik tot de grote ommekeer

  de angst voorbij in vrede veilig slapen.

---

*34

#3

1

  In het laatst van alle dagen

  zal al wat leeft van God gewaen,

  het vuur vlamt op, de wind vindt kracht.

  Dan zal Hij, de Geest des Heren,

  uw zonen en uw dochters leren

  te profeteren met gezag.

  Dan zullen bovendien

  uw jongelingen zien

  visioenen,

  een vergezicht -

  in louter licht

  de berg waar God zijn vrede sticht.

2

  Ouden dromen dan hun dromen

  van al wat hun zal overkomen:

  Niemand kan Gods knechten keren,

  slavinnen zullen profeteren -

  de Geest wordt alom uitgestort!

  Hoe zullen in dat uur

  rookwolken, bloed en vuur

  allerwegen

  voor groot en klein

  ten teken zijn:

  de aarde is Gods kroondomein!

3

  Voor die grote dag der dagen

  zal al het licht van schrik vervagen,

  verduisterd worden glans en gloed.

  Dan zal heel de schepping beven,

  de zon haar licht niet langer geven,

  de maan verschijnt zo rood als bloed.

  Maar alwie dan te meer

  de naam roept van de Heer

  wordt behouden!

  Het duister zwicht;

  dan straalt het licht

  van zijn genadig aangezicht!

---

*35

#4

1

  Als een duif, hoog opgevlogen,

  vlieg ik weg van voor uw ogen,

  als een vogel in de lucht

  vlieg ik ver, ver w‚g - ik vlucht.

  Ongehoorzaam aan uw woorden,

  alsof ik uw stem niet hoorde,

  vlieg ik op tot Gijzelf daalt

  en mijn hoogmoed achterhaalt.

2

  O mijn God, wil u ontfermen,

  kom uw arme duif beschermen,

  eigenwijsheid trekt mij mee,

  sleurt mij in het hart der zee.

  Heer, ik val - doet Gij mij zinken,

  moet ik hopeloos verdrinken?

  Drukt mijn schuld mij levensgroot

  in de diepte van de dood?

3

  Trouwe God, Gij zijt te prijzen,

  blij wil ik U dank bewijzen,

  U die mij tevoorschijn riep

  uit de zee, zo donker diep!

  Heer, ik ben in vrees en beven,

  nieuwgeboren om te leven,

  als een dienaar die het Woord

  onweerstaanbaar heeft gehoord.

4

  Als een duif, hoog opgevlogen,

  vlieg ik voortaan voor uw ogen

  om te gaan waar Gij mij vraagt,

  om te doen wat U behaagt.

  Op de wind die waait van boven

  zal ik hemelhoog U loven,

  ga ik door uw Geest getild

  overal waar Gij dat wilt.

---

*36

#4

1

  Al zit ik in het duister,

  Gij, Heiland, zijt mijn licht;

  zelfs in het diepste duister

  zie ik uw aangezicht.

  Geen schaduw scheidt

  ons voor altijd -

  de hemel blijft niet dicht.

2

  Al zit ik in het donker,

  Gij zijt voor mij niet ver,

  geen schijnsel, geen geflonker,

  geen dwaallicht, her en der.

  Gij zijt voor mij

  een licht dichtbij,

  een innerlijke ster.

3

  Al zie ik in gedachten

  de duivel en de dood,

  al sta ik alle nachten

  aan radeloosheid bloot,

  er is geen kracht

  die voor uw macht

  te sterk is en te groot.

4

  Al zit ik in het duister,

  al is er nog zo dicht

  rondom mij heen een kluister

  van oordeel en gericht,

  Gij die mij leidt

  de nacht ten spijt,

  mijn lamp zijt Gij, mijn licht!

---

*37

#3

1

  Als rechter zult Gij reddend komen,

  uw oordeel gaat door merg en been;

  met schrik heb ik uw naam vernomen:

  Gij blaast het kaf rondom ons heen -

  toch wacht ik, hoe de vijand woedt,

  vertrouwend af, wat Gij ook doet.

2

  Al zou de vijgeboom niet bloeien,

  de akker zonder vruchten zijn,

  al zou er geen olijf meer groeien,

  al bleef de wijnstok zonder wijn,

  al had ik niets meer, al met al

  geen schaap, geen rund meer in de stal -

3

  ik zal nochtans weer vreugde vinden

  en juichen in de Heer mijn God!

  Mijn voeten zijn als die der hinden:

  Hij leidt mij op een hoge rots -

  een loflied overstemt de klacht,

  de Heer der heren is mijn kracht!

---

*38

#3

1

  Jeruzalem, zo zegt de Heer,

  wanneer Ik in uw midden woon,

  als Koning zit, hoop op mijn troon,

  als Ik tot Sion wederkeer,

  dan wordt, o stad, uw naam genoemd

  en hemelhoog uw trouw geroemd,

  Sion wordt dan alom geprezen,

  omdat de Heer zijn heiligheid

  op deze berg heeft uitgespreid -

  hier zal Hij God en Koning wezen!

2

  Dan zitten weer bijeengeschaard

  mannen en vrouwen langs de kant,

  krukken en stokken in de hand,

  ouden van dagen, hoogbejaard.

  Rondom zien zij Gods heerschappij:

  de kinderen, weer vrij en blij,

  jongens en meisjes, allerwegen,

  die spelen daar, verrukt van vreugd

  en lachen luid - Gods lieve jeugd

  heeft hier de toekomst weergekregen.

3

  Al is dat voor wie dan nog leeft

  een wonder, ondoorgrondelijk,

  voor God is niets te wonderlijk.

  Dit is wat Hij gesproken heeft:

  Ik breng voorgoed mijn volk naar huis,

  in Sion is het waarlijk thuis;

  op recht en trouw bouw Ik uw woning,

  o volk, Ik breng van oost en west

  u thuis, - dat is het allerbest.

  Jeruzalem, daar woont uw Koning!

---

*39

#4

1

  De Heer openbaarde:

  Ik zal metterdaad

  uiteindelijk scheiden

  het goed van het kwaad;

  de schaduwen wijken,

  de waarheid zal blijken,

  de leugen vergaat.

2

  De dag die zal komen

  als zonlicht zo puur,

  verbrandt alle hoogmoed:

  een oven, een vuur;

  wie niet zich bekeren

  die zullen verteren,

  vergaan in dat uur.

3

  Maar alwie Mij vrezen -

  de zon die verschijnt,

  die zal u genezen,

  die heelt wat nog schrijnt,

  zij zal u bedekken,

  haar vleugelen strekken -

  de winter verdwijnt!

4

  O kom dan naar buiten:

  het zonlicht, dat doet

  het gras weer ontspruiten,

  het leven wordt goed -

  dan zult gij gaan zingen,

  als kalveren springen

  het licht tegemoet!

---

*40

#4

1

  God dank! Er is een koning

  die zorgt voor al wat leeft,

  die zwaluwen een woning,

  de vogels voedsel geeft;

  die als de sneeuw weer smelt,

  doet groeien, doet ontluiken,

  doet bloeien, bomen struiken,

  de bloemen op het veld.

2

  Gelooft dat God u hoorde,

  dat overbodig is

  te bidden met veel woorden -

  God weet wat nodig is.

  Zoek eerst zijn koninkrijk!

  Zou God u dan niet kleden?

  Gij zijt reeds hier en heden

  meer dan een koning rijk!

3

  Wat zouden wij dan klagen

  de lange lieve dag

  en duizend vragen vragen

  en roepen wee en ach!

  vindt gij uzelf te klein?

  Wie zou het zover brengen

  zijn lengte te verlengen

  door lang bezorgd te zijn?

4

  Laat liever vrolijk zingen

  een lied, een nieuw gezang

  al wat wij ontvingen

  ons hele leven lang!

  God zorgt voor goede vrucht:

  wij weten van geen zaaien,

  wij eten zonder maaien

  als vogels in de lucht!

---

*41

#6

1

  Heer, nu Gij hoort

  wat wij hopen en vrezen,

  spreek slechts ‚‚n woord

  en wij zullen genezen.

2

  Spreek slechts een woord,

  want uw woorden zijn daden,

  alwie ze hoort

  die verstaat uw genade.

3

  Gij openbaart

  U aan vrienden en vromen -

  wij zijn niet waard

  dat Gij tot ons zoudt komen.

4

  Wij zijn niet waard,

  hoe godvrezend wij bidden,

  wij zijn niet waard

  dat Gij komt in ons midden.

5

  Spreek dan met kracht

  en het onheil zal wijken,

  spreek, en uw macht

  zal beloftevol blijken!

6

  Spreek altijd voort,

  dat wij immer U vrezen,

  spreek slechts ‚‚n woord

  en wij zullen genezen!

---

*42

#6

1

  De vossen hebben holen,

  de vogelen hun nest,

  verborgen en verscholen -

  zo wonen zij het best.

2

  De mensen hebben steden

  met huizen hooggebouwd,

  maar zijn wij ooit tevreden

  al was ons huis van goud?

3

  Ziedaar: de Zoon des mensen,

  een herder zonder huis;

  zijn wereld kent geen grenzen,

  maar nergens is Hij thuis.

4

  Het lam dat ons verzoende

  wil wonen overal,

  wat stro is al voldoende,

  een onbewoonde stal.

5

  Laat ons dan maar niet vragen

  naar beter, mooier, m‚‚r,

  niet ontevreden klagen -

  ons huis is bij de Heer!

6

  De vossen hebben holen,

  de vogelen hun nest -

  wie schuilt in God verscholen

  die huist het allerbest!

---

*43

#3

1

  Er is geen vis die Hem ontkwam -

  de visser op de zee,

  wiens vangnet ons gevangen nam,

  sleept alle vissen mee

  en trekt het boordevolle net

  omhoog tot in zijn boot,

  en wikt en weegt ze, nauwgezet:

  de vissen, klein en groot.

2

  De visser op de wereldzee

  die telt en keurt en kiest

  ons voor en tegen, wel en wee,

  geen vis die Hij verliest;

  maar al wat niet te eten is,

  niet smaakt zoals het hoort,

  wat ondermaats gemeten is,

  dat werpt Hij overboord.

3

  Heer Jezus, stuurman van uw kerk

  en visser die ons ving,

  wanneer Gij klaar zijt met uw werk

  en wij zijn te gering,

  te klein, onbruikbaar, slecht van soort,

  ach, gooi ons niet in zee

  maar houd ons t¢ch bij U aan boord -

  Heer, neem ons met U mee!

---

*44

#8

1

  Gods liefde is te groot

  voor mensen ‚‚n of twee -

  Hij breekt, Hij deelt het brood,

  de gastheer bij de zee!

2

  Gods liefde is te groot

  voor ‚‚n of twee of drie -

  Hij haat de hongersnood,

  Hij haat de jaloezie.

3

  Gods liefde is te groot

  voor twee of drie of vier -

  al kleurt de hemel rood,

  Hij voedt ons allen hier.

4

  Gods liefde is te groot

  voor drie of vier of vijf -

  wie wil wordt disgenoot:

  God houdt bij ons verblijf.

5

  Gods liefde is te groot

  voor vier of vijf of zes -

  gezegend zij dit brood,

  het heil draagt ons adres.

6

  Gods liefde is te groot

  voor zeven of voor acht -

  wie delen in zijn dood

  die gaan van kracht tot kracht.

7

  Gods liefde is te groot

  voor negen, tien of elf -

  het koren dat ontsproot,

  het brood - dat is Hijzelf!

8

  Gods liefde is te groot:

  wel twaalfmaal duizend keer

  breekt Hij het levensbrood -

  wie liefde deelt, krijgt m‚‚r!

---

*45

#4

1

  Mensen, allemaal aan boord!

  Veilig vaart het scheepje voort,

  zeilt het aan de kust voorbij

  langzaam naar de overzij.

2

  Tot een ruwe storm opsteekt:

  wolken, water, ieder schreeuwt,

  golven, golven af en aan -

  Meester, help ons, wij vergaan!

3

  Hoor, wie is het die daar groet?

  Wees niet bang, houd goede moed!

  Jezus komt! Als Hij het wil

  worden wind en water stil.

4

  Heiland op de hoge zee,

  vaar door nacht en ontij mee.

  als een haven wenkt uw woord -

  Christus, kom bij ons aan boord!

---

*46

#7

1

  Heer, het is goed

  dicht bij U hier te zijn:

  hemelse gloed

  maakt U smetteloos rein!

2

  Warm als de zon

  is uw glanzend gelaat,

  wit als het lucht

  is uw blinkend gewaad.

3

  Sta ons nu toe

  dat wij blijven bij U;

  Gij weet wel hoe

  wij verlangen naar U!

4

  Hoog uit de wolk

  klinkt een hemelse stem:

  Dit, o mijn volk,

  is mijn Zoon, hoor naar Hem!

5

  Wij worden bang

  voor die stem en dat licht,

  ons al te lang

  duurt dit hemels gezicht.

6

  Heiland, voor God

  kan geen zondaar bestaan -

  toch komt Gij tot

  ons en raakt Gij ons aan.

7

  Hier op de berg

  is geen mens om ons heen -

  hier op de berg

  zien wij U, Heer, alleen!

---

*47

#4

1

  Weer is het als ten dage

  van Noach en de vloed;

  het is om God te klagen

  men noemt het kwade goed.

  Staan wij hier dan alleen?

  Als zij die God verlaten

  ons meer en meer gaan haten,

  waar kunnen wij dan heen?

2

  Dan zal het water komen,

  een zondvloed vol gericht;

  gerechtigheid zal stromen

  en stralen: zuiver licht.

  Wie zal voor God bestaan?

  Verschrikte stemmen zullen

  dan stad en land vervullen -

  de wereld zal vergaan.

3

  Godlof! Aan wie zijn leven,

  zijn ziel Hem toevertrouwt,

  heeft Hij zijn Zoon gegeven,

  de ark tot ons behoud.

  Die zal voor aller oog

  ons van de vloek bevrijden,

  ons uit de vloed geleiden -

  zijn liefde houdt ons hoog.

4

  Hij zal het water weren,

  Hij staat er middenin,

  Hij zal de chaos keren,

  Hij schept een nieuw begin.

  Weet dat te zijner tijd,

  als wij verdrinken zouden,

  zijn ark u zal behouden

  zodat gij veilig zijt.

---

*48

#6

1

  O Jezus Christus, bruidegom,

  waarom vertoeft Gij toch, waarom?

  Wij worden moe, wij worden bang!

  Waarom duurt deze nacht zo lang?

2

  Op vreugde zijn wij voorbereid,

  een bruiloftstijd vol vrolijkheid

  waar blijdschap straalt en elk gezicht

  glanst van uw liefde en uw licht.

3

  Waarom, Heer, waarom komt Gij niet?

  Bespaar uw bruid nog meer verdriet!

  Naar wie moet zij dan anders heen?

  Haar liefde komt van U alleen!

4

  Vergeef ons dat wij slapen gaan,

  wij kunnen langer niet meer staan;

  de maan verschijnt, het sterrenlicht -

  wij doen vermoeid de ogen dicht.

5

  Wanneer Gij komt te middemacht,

  door niemand onzer nog verwacht,

  maak ons dan wakker, raak ons aan,

  dat wie gereed is, mee kan gaan.

6

  Blijf liever niet nog langer uit -

  verlangt Gijzelf niet naar uw bruid?

  O Heiland, hoor! Zij roept U: Kom,

  om haastig, kom, mijn bruidegom!

---

*49

#5

1

  Met lampen voor het feest gereed

  gaan wij, in stralend wit gekleed,

  de vreugde vrolijk tegemoet -

  de liefde geeft ons glans en gloed.

2

  En duurt het wachten deze nacht

  veel langer dan dat iemand dacht -

  wij hebben olie, Geest genoeg

  voor vuur en vlam tot morgenvroeg.

3

  Met lampen voor het feest gereed,

  gaan wij, in stralend wit gekleed,

  de vreugde vrolijk tegemoet -

  de wijn zal zuiver zijn en zoet.

4

  Wees waakzaam, gij die met ons gaat,

  God dank, het is nog niet te laat -

  maar wie straks aanklopt na de tijd

  vindt deuren dicht. Dus: wees bereid !

5

  Met lampen voor het feest gereed

  gaan wij, in stralend wit gekleed,

  de vreugde vrolijk tegemoet -

  want God is gul en groot en goed!

---

*50

#5

1

  Gij zult gezegend zijn

  om water, zoet als wijn;

  in tijd van hongersnood

  brak gij met Mij uw brood!

 

  Refrein

  Zit aan mijn rechterzijde,

  de plaats die Ik bereidde -

  hebt gij de minsten bijgestaan,

  zo hebt gij dat aan Mij gedaan!

2

  Ik was een vreemdeling,

  geen mens die Mij ontving,

  bij niemand was Ik thuis -

  maar gij nam Mij in huis.

  refrein

3

  Eens alles kwijtgeraakt,

  verbannen, arm en naakt,

  hebt gij Mij weer gekleed

  niet wetend wat gij deed.

  refrein

4

  Hoe fel de koorts, de pijn,

  gij wilde bij Mij zijn,

  niet haastig ging gij heen,

  gij liet Mij niet alleen.

  refrein

5

  Toen ik gevangen was

  en niemand bij Mij was,

  wie zag er om naar Mij?

  Geen mens - behalve gij!

  refrein

---

*51

#3

1

  Hoort! Een woord van eeuwig leven -

  Christus die ten hemel vaart:

  Mij is alle macht gegeven

  in de hemel en op aard;

  gaat vertolken alle volken

  wat u werd geopenbaard!

2

  Doopt hen in de naam des Heren,

  Vader, Zoon en heil'ge Geest;

  dat zij mijn geboden leren,

  trouw en liefde allermeest.

  Roept hen op zich om te keren,

  roept hen tot het bruiloftsfeest!

3

  Ik ben met u, alle dagen,

  nu en tot in eeuwigheid!

  Van mijn rijk zult gij gewagen -

  gaat dan heen, gaat wereldwijd;

  als gij valt, zal Ik u dragen,

  Ik ben met u, voor altijd!

---

*52

#7

1

  Hier lig ik, Heiland, zonder kracht,

  vier vrienden hebben mij gebracht;

  ik heb geen been om op te staan,

  geen voet om naar U toe te gaan.

2

  De mensen gingen niet opzij -

  Heer, kennen zij geen medelij?

  Juist zij die heel dicht bij U zijn,

  verzwaren mijn verborgen pijn.

3

  God dank! Er is een weg omhoog!

  Gij zag hoe ik voor aller oog

  van boven naar beneden kwam:

  een zieke vogel, vleugellam.

4

  Ik kan niet staan, ik kan niet gaan,

  Heer, zie mij in genade aan,

  ik kan niet verder zonder U,

  genees mij, Heer, genees mij nu!

5

  Hoor ik het goed? Gij zegt tot mij:

  Mijn zoon, houd moed, Ik spreek je vrij!

  Je schuld is weg, van nu voortaan -

  sta op, je kunt naar huis toe gaan!

6

  Verwonderd kom ik op de been

  en zie verbaasd rondom mij heen;

  ik neem mijn bed op en ik ga -

  de Heer is goed, halleluja!

7

  Vergeten zal ik nimmermeer

  de grote daden van de Heer,

  want zijn vergeving, die geneest -

  geloofd zij Vader, Zoon en Geest!

---

*53

#5

1

  Ze was een kind, ze was twaalf jaar

  met mooie ogen, donker haar;

  ze kroop bij moeder ziek op schoot,

  ze ging naar bed en was toe dood.

2

  Haar vader zei: Ik haal een man

  die kan wat zelfs geen dokter kan.

  Die keek hem aan, Hij zei: Houd moed

  geloof alleen, het komt weer goed!

3

  De Heer is met hem meegegaan

  en Hij is naast haar bed gaan staan -

  daar lag ze stil, een bleke pop;

  Hij zei: Talitha, kind, sta op!

4

  Toen is zij uit haar slaap ontwaakt -

  want Jezus had haar aangeraakt.

  Ze kroop bij moeder weer op schoot;

  Ja‹rus, zie, ze is niet dood!

5

  Nu danst ze als een danseres,

  ze lacht en leeft als een prinses -

  ze zingt en speelt en slaapt gerust

  omdat een Prins haar wakker kust!

---

*54

#3

1

  Twee vissen en vijf broden,

  meer was er niet van node

  voor vijfmaal duizend man.

  De Heer zag naar de velen,

  begon het brood te delen

  en ieder at ervan.

2

  Twee vissen en vijf broden,

  meer is er niet van node,

  het is voor God genoeg;

  als wij het onze geven

  dan blijft er om te leven

  nog meer dan Hij ons vroeg.

3

  Twee vissen en vijf broden,

  meer was er niet van node

  daar in het groene gras;

  want op de stille stranden

  stonden twaalf volle manden

  met brood dat over was.

---

*55

#5

1

  Ik ben een blinde bedelaar,

  mijn hand is hoog verheven

  om met een hulpeloos gebaar

  te bedelen om leven.

  Ik zit en staar

  en strek mij naar

  wat anderen mij geven.

2

  Ik bedel om een handvol licht,

  ik hunker naar de zegen

  van mensen die mijn blind gezicht

  herkennen langs de wegen.

  Ik hoor hun groet,

  hun woord klinkt goed,

  hun gaven vallen tegen.

3

  Hoor mij, een blinde bedelaar

  die roept om medelijden:

  Verhoor mij, Heer en kom mij naar

  uw stralend licht geleiden!

  Heer, openbaar

  U zonneklaar -

  kom mij vandaag bevrijden!

4

  Ik bedel: Zoon van David, kom,

  genees mij zienderogen,

  opdat ik in de lieve zon

  uw licht aanschouwen moge.

  Ik bedel om

  voortaan alom

  te zien uw mededogen.

5

  Mij, blinde langs uw lijdensweg,

  kan niemand meer benauwen:

  de nacht, het duister neemt Gij weg,

  ik mag de dag aanschouwen!

  Ik zing en zeg:

  ik volg uw weg

  in blindelings vertouwen.

---

*56

#7

1

  Door de poort van Na‹n gaat

  een lange droeve stoet;

  de kinderen staan stil op straat

  en fluisteren een groet.

2

  Vooraan gaat in zware rouw

  en moederziel alleen

  een diepbedroefde weduwvrouw -

  haar kind, haar zoon ging heen!

3

  Nauwelijks de poort voorbij

  daar nadert nog een stoet;

  het leven komt al dichterbij,

  de dode tegemoet.

4

  Voor de poort van Na‹n staat

  de Heer der wereld stil,

  Hij komt soms vroeg, Hij komt soms laat,

  Hij komt wanneer Hij wil.

5

  Moeder, houd met huilen op,

  de Heer staat - uw kant

  en Hij zegt: Jongeling, sta op,

  Ik neem je bij de hand.

6

  Door de poort van Na‹n gaat

  een opgetogen stoet;

  de kinderen staan langs de straat

  en juichend klinkt hun groet!

7

  Christus, raak ook ons eens -

  als wij straks door de poort

  van deze wereld moeten gaan

  en wek ons, op uw woord!

---

*57

#5

1

  Gaat heen, gaat heen, hebt Gij gezegd,

  gij geesten hebt geen enkel recht

  te binden wie op aarde zijn,

  te martelen in angst en pijn

  een mens, geketend en geknecht.

2

  Ga heen, ga heen, zo klonk uw woord,

  genezen zijt Gij - zeg het voort,

  dat gij van duivelen bevrijd,

  uzelf weer heer en meester zijt.

  vertel wat gij hier ziet en hoort!

3

  Ga heen, ga heen, zo zeiden wij;

  wij willen immers niet dat Gij

  de boze geesten van ons jaagt,

  het kost te veel wat Gij ons vraagt,

  ga heen - en kom niet dichterbij!

4

  Heer, ons gebed, verhoor het niet;

  wanneer Gij ons voorgoed verliet,

  dan stierven wij in ongeloof;

  dus houd U voor ons roepen doof,

  als wij U smeken, luister niet!

5

  Heer, ga niet heen, blijf ons nabij

  en luister niet naar ons als wij

  U vragen om maar weg te gaan,

  ja, zelfs al klagen wij U aan,

  ga niet heen, maar spreek ons vrij!

---

*58

#4

1

  Heer, aan uw voeten kniel ik neer:

  kom bij mij thuis en geef mij weer

  het liefste dat ons wordt ontnomen,

  verbied de dood in huis te komen!

  Ik smeek U: Spreek ‚‚n enkel woord,

  spreek zo dat zelfs de dood het hoort -

  Gij die het heil van God ontsluit,

  strek nu uw hand ten leven uit!

2

  Waarom, Heer, blijft Gij zo lang staan?

  Waarom wilt Gij niet verder gaan

  om wat mij lief is te genezen -

  of moeten wij het ergste vrezen?

  Ik wacht op U, ik ben zo bang,

  mij duurt het wachten veel te lang;

  waarom houdt Gij voor mijn geloof

  uw oren urenlang al doof?

3

  Ach, Meester, nu is het te laat!

  Het heeft geen zin dat Gij nog gaat.

  Nu is de vreugde in mijn leven

  voor altijd met verdriet verweven.

  Waarom raakt U een ander aan

  en laat Gij mij hier wachtend staan?

  Waarom, o Heer, zo roep ik luid,

  waarom steekt Gij uw hand niet uit?

4

  Toch ga ik stil U achteraan,

  verwonderd dat Gij nog wilt gaan;

  waarom komt Gij mijn huis nog binnen?

  Zal toch het leven overwinnen?

  Ik hoor door al mijn tranen heen

  uw stem: Vrees niet, geloof alleen !

  De dood verliest zijn tegenstand -

  mijn kind, sta op, hier is mijn hand!

---

*59

#6

1

  Er is niet ver van Jericho

  een man bijna vermoord,

  maar niemand helpt, al kreunt hij zo

  dat iedereen het hoort.

 

  Refrein:

  Heb medelij, heb medelij

  en ga niet aan elkaar voorbij!

2

  Daar komt een vrome priester aan,

  zou die een naaste zijn?

  Geen sprake van - hij blijft niet staan,

  zijn handen zijn te rein!

  refrein

3

  Dan komt er een leviet - wie weet

  helpt hij, daar is hij voor;

  ook hij doet wat de priester deed:

  plechtstatig loopt hij door.

  refrein

4

  Daar nadert nog een vreemdeling;

  maar hij, Samaritaan,

  doet niet zoals wie voor hem ging -

  in liefde blijft hij staan.

  refrein

5

  Hij is barmhartig! Deze man

  yaat niet verblind voorbij.

  Hij ziet, en zorgt zo goed hij kan -

  wat niemand deed, doet hij!

  refrein

6

  Sta zo vandaag eens even stil

  en kom wat dichterbij

  en zie elkaar om Jezus' wil -

  de naasten, dat zijn wij!

  refrein.

---

*60

#5

1

  Martha, Jezus heeft je lief,

  wil je dat geloven?

  Zelfs je allergrootste grief

  kom je snel te boven,

  als je nu naar Hem toe gaat -

  Hij komt nooit voorgoed te laat.

2

  Martha, daar komt Jezus aan

  om jouw leed te delen,

  troostend wil Hij naast je staan,

  wonden wil Hij helen.

  Ga de Heiland tegemoet,

  hoor hoe Hij zijn vrienden groet!

3

  Martha, vraag Maria maar:

  Waarom blijf je huilen?

  Wenk haar, roep haar, nodig haar:

  Kom toch bij Hem schuilen!

  Vlucht niet weg in je verdriet,

  Jezus komt - en jij komt niet?

4

  Ga met Hem, ga naar het graf,

  Hij is niet te stuiten,

  Hij neemt geen geliefde af -

  broeder, kom naar buiten!

  Christus doet ons levensgroot

  opstaan uit de diepe dood!

5

  Martha, neem Maria mee;

  Hij maakt overbodig

  vragen, klagen, ach en wee -

  ‚‚n ding slechts is nodig:

  los te laten elke grief -

  Martha, Jezus heeft je lief!

---

*61

#4

1

  Als Jozua gekomen,

  door Jericho gegaan

  ziet Jezus in de bomen

  de vrucht Zaches aan:

  als Adam in de struiken,

  als Achan zit hij daar

  zichzelve te verrijken -

  de dief, de tollenaar.

2

  Als Jozua gekomen,

  door Jericho gegaan

  raakt Jezus in de bomen

  de voze vijgen aan:

  de drift om te verdringen,

  de droom om groot te zijn -

  hoog staan slechts de geringen,

  wie overvraagt blijft klein.

3

  Als Jozua gekomen,

  door Jericho gegaan

  prijst Jezus in de bomen

  de rijpe vruchten aan:

  de liefde die doet geven

  wat leugen ooit ontnam,

  die liefde doet herleven

  liet zaad van Abraham!

4

  Als Jozua gekomen,

  door Jericho gegaan

  wijst Jezus in de bomen

  het vruchtbaar kruishout aan.

  Roep Adam uit de struiken,

  roep Eva in de hof,

  dit Pasen doet ontluiken:

  de levensboom - Godlof!

---

*62

#4

1

  Here Jezus heel mijn leven

  is voor U een open boek,

  heel mijn leven staat beschreven:

  elke zegen, elke vloek.

  alle daden, goede, kwade,

  geen gedachte zelfs raakt zoek.

2

  Aan uw liefde zijn geen grenzen,

  Gij staat stil, Gij gaat niet heen;

  anders dan bij vele mensen

  is uw hart geen harde steen:

  ieder fluistert, niemand luistert,

  Gij verstaat mij, Gij alleen.

3

  Gij zoekt op wat ging verloren,

  Gij gaat niet aan mij voorbij,

  maar Gij roept mij: Kom naar voren,

  schuil niet langer weg voor Mij;

  Ik kom heden - uw verleden

  doet geen deuren dicht voor Mij!

4

  Heer, Gij hebt mijn hart gelezen,

  vol van schulden, groot en klein -

  maar nu Gij mijn gast wilt wezen

  stroomt mijn ziel vol zonneschijn:

  heel mijn leven zal ik geven

  nu Gij bij mij thuis wilt zijn!

---

*63

#6

1

  In Kana is het feest vandaag:

  een bruidegom en bruid!

  Zij zingen luid en lachen graag -

  ze zien er stralend uit!

2

  De mensen lopen af en aan,

  het is er heel erg druk;

  ook Jezus is er heengegaan

  en wenst ze veel geluk.

3

  Maar dan - wat is er met de wijn?

  Er is geen wijn genoeg!

  Moet dit dan al het einde zijn?

  Het is nog veel te vroeg!

4

  Waarom zit Jezus daar zo stil?

  Ach, maak Hem geen verwijt,

  Hij komt alleen als Hij het wil,

  Hij komt precies op tijd.

5

  Zie: even later staat de Heer

  bij vaten die daar zijn;

  van water maakt de Heiland weer

  voor elk voldoende wijn.

6

  Als alles op is, vroeg of laat,

  dan zorgt de Heer ervoor

  dat toch de vreugde verdergaat -

  het feest, het feest gaat door!

---

*64

#5

1

  Drink vrolijk, proef de zoete wijn,

  de vrucht van Gods verbond -

  de beker gaat langs groot en klein,

  het heil van mond tot mond.

2

  Maar dan: o God, de wijn is op!

  Er klinkt geen loflied meer,

  de leegte slokt het leven op,

  de liefde lokt niet meer.

3

  Is dit nu het beloofde land,

  het hooggeprezen feest -

  of is er, Heer, aan onze kant

  tekort aan trouw geweest?

4

  Een stem: 'Maak al wat leeg is vol,

  vervul Gods goede wet!'

  Zie hoe de Wijnstok liefdevol

  de ware vreugde redt!

5

  Zeg niet: Er zal geen feest meer zijn,

  leeg is mijn kruik, mijn kan -

  Hij maakt op tijd van water wijn,

  van Kana Kana„n!

---

*65

#8

1

  Johannes bij het water,

  jij lijkt wel een profeet.

  Wat wil je toch, wie gaat er

  zo ruw, zo ruig gekleed?

2

  Johannes, wilde honing

  die geeft jou de woestijn.

  Wie wees jou daar een woning,

  wiens wil doet jou daar zijn?

3

  Johannes? Die moet dopen

  mijn volk in de Jordaan -

  wie ondergaat mag hopen

  ten leven op te staan.

4

  Johannes, laat dan horen:

  de bruidegom! Ga uit!

  Gij zijt zijn uitverkoren,

  zijn zeer beminde bruid!

5

  Johannes bij het water,

  zijn knecht ben jij, zijn vriend -

  die eerder was, komt later,

  die meer is, wordt gediend.

6

  Johannes, wil je leven?

  Dan moet je sterven gaan,

  Hem heel je leven geven -

  wie volgt, komt achteraan.

7

  Johannes, jij moet weten:

  de Heer is m‚‚r dan jij;

  de bruid zal jou vergeten,

  de bruidegom is Hij!

8

  Johannes bij het water,

  jij dienaar, jij profeet,

  wijs aan, wijs   n: Hij st  t er

  die de Messias heet!

---

*66

#5

1

  Meester, kom, ga met mij mee,

  want de dood komt nader,

  en ons kind roept ach en wee,

  roept maar: moeder! vader!

 

  Refrein:

  Ga heen, ga heen, zegt Gij,

  wat gij vraagt zal ik u geven:

  wie gelooft zal leven;

  wie gelooft zal leven!

2

  Maak opnieuw van water wijn;

  schenk die als voor dezen

  nu een heiden, een Romein -

  kom mijn kind genezen!

  refrein

3

  Meester, kom, de strenge dood

  zit ons op de hielen,

  zodat ik niet meer kan doen

  dan eerbiedig knielen.

  refrein

4

  Vanuit Kana stroomt uw bloed,

  stroomt het levend water,

  stroomt uw liefde, rood en zoet,

  stroomt uw levensader!

  refrein

5

  Voortaan dien ik U als knecht,

  Gij alleen zijt koning;

  voortaan is al wat Gij zegt

  wet in onze woning!

  refrein

---

*67

#7

1

  Daar ligt een man op een matras

  al acht-en-dertig jaar,

  want niemand van wie wel genas,

  stond later voor hem klaar.

2

  Hij kan niet staan, hij kan niet gaan

  de lange gangen door -

  een engel raakt het water aan

  maar niemand laat hem voor.

3

  En alle mensen komen thuis,

  maar hij is o zo bang

  dat hij daar in dat ziekenhuis

  moet liggen levenslang.

4

  Maar hoor, een onbekende stem:

  Wil jij weer beter zijn? -

  Wie is die man? Hoe kent hij hem,

  zou dat een broeder zijn?

5

  Hij zegt: Sta op en wandel weer!

  Al heb je dan geen mens,

  al duurt het lang, eens komt de Heer

  en Hij vervult je wens.

6

  Daar gaat de man die niet genas,

  niet langer blijft hij daar,

  hij gaat en draagt zelf zijn matras

  na achtendertig jaar.

7

  Al gaat het anders dan je denkt,

  al kun je niet naar huis,

  als Jezus komt en Hij je wenkt,

  dan kom je zeker thuis!

---

*68

#4

1

  De deur staat wijd open,

  de nacht is nabij -

  wij mogen ons keren

  tot God onze Heer, die

  als herder zal zorgen,

  zijn schapen zijn wij.

2

  De deur wordt gesloten:

  de donkere nacht

  zal hier ons niet deren;

  voor leeuwen en beren

  zijn wij nu geborgen,

  de Heer houdt de wacht.

3

  De deur gaat weer open,

  de nacht is voorbij.

  De schapen des Heren

  die voedsel begeren,

  begroeten de morgen,

  de grazige wei.

4

  De deur is de Heer die

  ons leidt in en uit.

  Wat kan ons nog deren?

  Het kwaad zal Hij keren,

  de zorgen voor morgen -

  Hij opent en sluit.

---

*69

#3

1

  Ik ben, o Heer, ten einde raad,

  Gij komt te laat om mij te helpen!

  De mensen, ach, hoe zullen zij

  met vragen mij straks overstelpen:

  Waar is uw God, die gij verwacht,

  waar is zijn macht zijn kracht gebleven?

  Laat Hij u klagen en steen en been,

  eenzaam, alleen zo verder leven?

2

  Ik heb tot U geroepen, Heer:

  Kom haastig weer, toon uw genade!

  Ik heb op U gehoopt, gewacht,

  ik heb gedacht: Hij slaat mij gade!

  Nu is de tijd voorgoed voorbij -

  Waarom hebt Gij niet willen horen?

  Waarom, Heer, opende Gij niet

  voor mijn verdriet ogen en oren?

3

  Ik zwijg - een stem, een blij gebaar:

  de Heer is daar, Hij laat u groeten!

  Ik ga U haastig tegemoet,

  ik hoor uw groet, ik kus uw voeten.

  Wanneer ik tot U roep wilt Gij

  op mijn geschrei geen antwoord geven,

  maar als ik niet meer roepen kan,

  dan komt Gij, dan roept Gij ten leven!

---

*70

#3

1

  O Vader, die de landman zijt,

  die zelf uw wijngaard toebereidt,

  doe ons als goede vruchten groeien;

  maak wilde ranken klein en kort,

  neem weg wat dood is en verdord,

  kom om wat vrucht draagt te besnoeien -

  Landman, ga heden door uw hof

  en laat ons bloeien tot uw lof.

2

  O Christus, die de wijnstok zijt,

  de stam waaraan de rank gedijt,

  in U, o Heer, zijn wij geborgen.

  De landman die de ranken kent,

  heeft ons de wijnstok inge‰nt,

  Hijzelf zal voor de vruchten zorgen!

  Door U, o Christus, door uw bloed

  zijn onze vruchten groot en goed.

3

  O Geest, van wie de oogst zal zijn,

  de druiven en de zoete wijn,

  doe mij omhoog, naar boven groeien;

  want deze wijnstok die mij draagt,

  het groene hout dat God behaagt,

  doet alom liefde openbloeien -

  Gij landman, die de vruchten leest,

  pluk zelfde vruchten van de Geest!

---

*71

#6

1

  De volgelingen van de Heer,

  gezeten in het zand,

  zij wachten tot de Heiland weer

  zal komen bij het stille meer,

  daar aan de waterkant.

2

  Van hen wil ‚‚n weer vissen gaan,

  hij wordt het wachten moe.

  Hij ziet de anderen eens aan

  en brengt, als elk is opgestaan,

  hen naar de boten toe.

3

  Dan vissen zij de hele nacht

  in diepe duisternis;

  maar als de zon weer wint aan kracht

  zijn alle netten onverwacht

  nog altijd zonder vis.

4

  Ziedaar: op het verlaten strand

  roept hen een vreemdeling.

  Het net, dat zij met moede hand

  uitwierpen aan de rechterkant

  raakt vol met wat het ving.

5

  De vissers op het stille meer,

  zij zien nu als voorheen:

  ginds op de oever staat de Heer

  die nu al voor de derde keer

  na Pasen hen verscheen.

6

  Nu is het als in vroeger tijd:

  gezeten in het zand

  zien zij opnieuw zijn heerlijkheid

  in brood en vis zijn majesteit,

  die morgen op het strand.

---

*72

#4

1

  Heer Jezus, goede herder,

  Gij weet: ik kan niet verder,

  ik kan niet zonder U;

  o herder, blijf mij leiden,

  ik kan mijzelf niet weiden,

  ik kan niet verder zonder U.

2

  Rotsvast zou ik geloven,

  geen mens zou mij ontroven

  mijn onbegrensde trouw -

  maar Heer, Gij ziet mij schromen

  om nu tot U te komen

  met niets dan ootmoed en berouw.

3

  Vergeef mijn grote woorden -

  o, dat ik beter hoorde

  naar wat Gij vroeg van mij:

  mijn hoogmoed op te geven,

  mijn overmoedig leven -

  De goede herder? Dat zijt Gij!

4

  Gij draagt mij in genade,

  Gij vraagt niet naar mijn daden,

  Gij koestert zelfs geen grief;

  Gij vraagt niet te beloven

  weer rotsvast te geloven -

  Gij vraagt alleen: Hebt gij Mij lief?

---

*73

#3

1

  Hoelang laat Gij ons wachten?

  Gaan al onze gedachten

  niet naar uw toekomst uit?

  Laat nu de regen stromen,

  de wind, uw adem komen,

  de stroom die niemand stuit.

2

  Nu Gij zijt opgevaren,

  staan wij omhoog te staren

  en vragen waar Gij blijft.

  Heer, laat ons niet als wezen,

  zend Hem die ons leert lezen

  de woorden die Gij schrijft.

3

  Wolk boven onze hoofden,

  ontsteek wat Gij beloofde:

  het vuur dat ons geleidt!

  Zet ons in lichterlaaie,

  laat Hem ons hart doorwaaien

  die troost en voor ons pleit.

---

*74

#6

1

  Er zit bij de tempelpoort een man

  die niet lopen, niet springen, niet zingen kan;

  verlamd zit hij daar langs de straat

  te bedelen van vroeg tot laat.

2

  Johannes en Petrus gaan voorbij

  en hij roept hen, hij bedelt: Heb medelij!

  Ik kan niet staan, ik kan niet gaan,

  ik ben verlamd van kindsbeen aan.

3

  En Petrus, die op de Heer vertrouwt,

  zegt: Ik geef u geen zilver, geen geld, geen goud,

  maar wat ik heb, dat geef ik u;

  sta op - ik zeg u: wandel nu!

4

  De Heer gaat aan mensen niet voorbij,

  aan wie roept, aan wie bedelt, u u en mij

  geeft Hij de kracht om op te staan

  en juichend in zijn huis te gaan.

5

  Al wie op het woord van God vertrouwt

  krijgt veel meer dan wat zilver, wat geld of goud,

  die krijgt de gave van de Geest,

  die wie niet verder kan, geneest.

6

  Er gaat door de tempelpoort een man

  die nu lopen en springen en zingen kan;

  daar gaat hij langs de tempelstraat

  en looft de Heer van vroeg tot laat!

---

*75

#4

1

  Geef, Heer, uw volk vrijmoedigheid

  uw naam zo uit te spreken,

  dat alle mensen, wereldwijd,

  verstaan uw taal en teken:

  de geestdrift die ons door uw knecht

  in vuur en wind was toegezegd

  en op ons neergestreken!

2

  Beziel ons met uw goede Geest,

  dan loven wij van harte

  die ene naam het allermeest:

  die van de Man van smarten -

  de steen, verstoten en veracht,

  de hoeksteen - Hij verleent ons kracht,

  maar wee wie trots Hem tarten!

3

  Gij leiders, keizers, bruin en blank,

  wat heeft u toch bewogen?

  Is dit uw wil, is dit uw dank,

  kent gij geen mededogen?

  Laat vrij wie op Gods wetten staat -

  als gij niet door de knie‰n gaat

  kan God u niet verhogen.

4

  Geef, Heer, uw volk vrijmoedigheid

  om in uw naam te spreken

  totdat uw stad is toebereid

  en alom is gebleken

  dat niets uw geestkracht tegenhoudt,

  dat leven zal alwie vertrouwt

  dat uw rijk aan zal breken.

---

*76

#4

1

  Ga heen in vrede naar uw huis,

  Gods pelgrims komen zeker thuis:

  gedoopt in water en in bloed,

  de stroom die doden leven doet.

2

  De Geest uw gids, Hij leidt u voort,

  u draagt de wagen van zijn woord;

  de Schrift zal voor u opengaan -

  God is niet ver bij u vandaan.

3

  Al valt de weg u zwaar en lang,

  al maakt de wildernis u bang,

  de tekst behoeft geen uitleg meer.

  gij kent de blijdschap van de Heer.

4

  Zijn vreugde gaat u voor naar huis:

  er bloeien bloemen bij het kruis!

  Reis vrolijk en vol goede moed

  zijn rijk, zijn toekomst tegemoet.

---

*77

#4

1

  Ik zoek naar God, zo goed ik kan

  maar Hij laat zich niet vinden.

  Jeruzalem, is God er dan

  alleen voor zijn beminden?

  Ik ga, ik vlucht

  omdat geen vrucht

  uit mij ooit wordt gevonden;

  verminkt ga ik, geschonden.

2

  Wie legt mij uit wat werd gezegd

  eertijds door de profeten?

  Wanneer het niet wordt uitgelegd

  hoe zal ik het dan weten?

  Wie wijst de weg?

  O, kom en zeg:

  Van wie wordt hier geschreven?

  Welk lam gaf eigen leven?

3

  Geloofd zij God! Hij zendt zijn Geest,

  de Trooster zal mij leiden;

  wie zo van de Messias leest

  weet waarom Hij moest lijden.

  Hij kwam, het lam,

  de dorre stam

  die vruchten heeft gedragen,

  het antwoord op mijn vragen.

4

  Ik reis mijn weg, verbaasd en blij:

  vergeven zijn mijn zonden!

  Niet ik zocht Hem, maar Hij zocht mij

  en Hij heeft mij gevonden!

  Gods goede Geest

  is mij geweest

  een gids - het lam mijn herder.

  Vol vreugde reis ik verder!

---

*78

#4

1

  Heer, wat wilt Gij dat ik doe?

  Christus uit den hoge,

  hemels licht, kom naar mij toe,

  open mij de ogen!

  Ik verdien niet te zien;

  leid mij als een blinde

  om het licht te vinden.

2

  Als een beest ben ik geweest,

  dreigend te vermoorden

  wie gegrepen door uw Geest

  aan U toebehoorde.

  Heer, Gij kwam - als een lam

  bracht Gij mij, verloren,

  in de rechte sporen.

3

  Alles wat ik had aan winst

  houd ik nu voor schade;

  waarde heeft het allerminst

  dankzij uw genade.

  Uw gezicht straalt als licht -

  in de nacht gevangen

  zing ik lofgezangen!

4

  Laat mij van uw koninkrijk

  een getuige wezen;

  arm - maar U, de koning, rijk,

  bang - maar zonder vrezen.

  Heer, voor U leef ik nu

  om met open ogen

  U te kennen mogen!

---

*79

#6

1

  Herder, hoeder van uw schapen, als wij slapen

  houdt Gij over ons de wacht;

  Heer, gedenk aan mij ten goede in de woede

  van de boze in de nacht.

2

  Ik belijd voor U mijn zonden onomwonden;

  mij moest Gij, in angst en leed

  biddend, bloedend voor uw kudde, wakker schudden;

  Heer, vergeef wat ik misdeed!

3

  Houd mij zelf, o God, gevangen; mijn verlangen

  is naar U, die mij behoedt.

  Zo ga ik de nieuwe morgen zonder zorgen

  vol vertrouwen tegemoet.

4

  Gij, mijn wachter op de muren, alle uren

  zijt Gij wakker over mij;

  zo staat Gij, te allen tijde in mijn lijden

  trouw en teder aan mijn zij.

5

  Heer, mijn God, nu ga ik slapen, zie, mijn wapen

  is uw woord, mijn schild en zwaard.

  In uw hart ben ik geborgen; vrij van zorgen

  ben ik in uw hand bewaard.

6

  Houd uw lam, zo bang te moede, in uw hoede;

  doe mij wonen in uw huis.

  Herder, hoeder van uw schaper, ik ga slapen

  in de schaduw van uw kruis!

---

*80

#5

1

  Ook al zitten wij gevangen

  en weet niemand wat ons wacht,

  vrolijk zingen wij gezangen,

  psalmen, midden in de nacht.

 

  Refrein:

  Zing voor de Heer en wees blij -

  alwie God looft is al vrij!

2

  Hard geslagen, vastgeketend,

  met de voeten in een blok,

  zijn wij sterker dan de kerker.

  Hoor: dit lied klinkt als een klok!

  refrein

3

  Open wijd uw beide oren

  voor wat hier gezongen wordt;

  heel de wereld mag nu horen

  hoe Gods Geest is uitgestort.

4

  refrein:

  Zing voor de Heer en wees blij -

  alwie God looft is al vrij!

5

  Alle volken zullen weten:

  muren, dik en hoog rondom,

  waar ze zijn en hoe ze heten,

  vallen voor een loflied om!

  refrein

---

*81

#6

1

  Aan Hem die deze wereld schiep,

  die mens en dier bij name riep,

  is alle macht en kracht gegeven.

  De hemel hoog is zijn domein,

  de lage aarde zijn terrein:

  Hij is de Heer van dood en leven.

2

  Hem past geen huis, hoe schoon gebouwd

  door mensenhand, van steen of hout,

  opdat daarbinnen zou verkeren

  God die ons levensadem geeft

  en niet van mensen nodig heeft

  dat zij Hem dienen en vereren.

3

  Uit ‚‚n mens heeft Hij voortgebracht

  het hele menselijk geslacht

  dat alom wijd en zijd zou wonen.

  Hij heeft de dagen zelf geteld,

  de landen paal en perk gesteld

  om zo zijn overmacht te tonen.

4

  Zo moesten zij, naar zijn gebod,

  al tastend zoeken: waar is God,

  hoe kunnen wij de hemel horen?

  Toch is Hij zeker zeer nabij,

  want in Hem zijn en leven wij -

  wij allen zijn uit Hem geboren.

5

  Daar wij dan zijn van Gods geslacht

  zij iedereen erop bedacht

  geen god van goud of steen te eren.

  Hij ziet aan uw onwetendheid

  voorbij - Hij roept: Dit is de tijd,

  wereld, gij moet u thans bekeren!

6

  De dag heeft Hij al vastgesteld

  waarop het oordeel wordt geveld,

  de rechter heeft Hij al ontboden.

  Van recht en vrede spreekt zijn stem,

  en daarom heeft de Vader Hem

  doen opstaan uit het rijk der doden!

---

*82

#5

1

  Ons paaslam is geslacht!

  Wij eten deze nacht

  de ongezuurde broden;

  dit lam kent geen gebrek -

  zo gaaf en zonder vlek

  heeft God het zelf geboden.

2

  Zo zij van nu af aan

  het zuurdeeg weggedaan:

  wat oud is moet verdwijnen.

  Al dreigt rondom de dood,

  hier voedt het nieuwe brood

  de groten en de kleinen.

3

  Sluit uit het oude kwaad,

  de hardheid en de haat,

  laat niets uw ziel verzuren.

  Dank God die ons bevrijdt -

  de nacht der bitterheid

  zal nu niet lang meer duren!

4

  Wij proeven op dit feest

  de goedheid van de Geest -

  hoe zoet is Gods genade!

  Dit lam maakt frank en vrij,

  leidt uit de slavernij,

  zijn bloed vergoedt de schade.

5

  Ons paaslam is geslacht,

  het offer is gebracht -

  wij leven onder leiding;

  ginds, achter zee en zand,

  lacht het beloofde land -

  wij vieren de bevrijding!

---

*83

#8

1

  Laat ons nu de loopbaan lopen,

  gaan de weg die voor ons ligt,

  lopen met de ogen open,

  lopen met de kroon in zicht.

2

  Zij die lopen gaan in hope,

  want slechts ‚‚n ontvangt de prijs;

  laat ons met die hartstocht lopen

  tot het einde van de reis.

3

  In de wedloop van het leven

  blijft verborgen hoeveel tijd

  ons van boven wordt gegeven

  tot de grens der eeuwigheid.

4

  Maar hoelang het moge duren,

  zie, reeds komt het eind in zicht;

  hoor Hem die u aan wil vuren,

  houd het oog op Hem gericht!

5

  Hoort gij niet rondom u zingen:

  Geef niet op, houd goede moed!?

  Die hun weg al v¢¢r ons gingen

  komen straks ons tegemoet.

6

  Hoeveel hindernissen wachten,

  hoeveel horden, hoog of laag,

  gij ontvangt voldoende krachten

  voor de moeiten van vandaag.

7

  Als de strijd straks is gestreden

  zal God uit zijn paradijs

  ons een kroon van bloemen geven -

  blijdschap is de ereprijs.

8

  Laat ons dan de wedloop lopen

  in geloof van meet af aan

  dat wie deze loopbaan lopen

  pure vreugde binnengaan!

---

*84

#5

1

  Al sprak ik in tongentaal,

  al zou ik mijn lichaam geven,

  ik leek op een schelle cymbaal

  als liefde ontbrak in mijn leven -

 

  Refrein:

  Dus vraag om de vrucht van de Geest,

  maar jaag naar de liefde het meest!

2

  De liefde houdt goede moed,

  zij hoeft zich niet te haasten,

  de liefde doet niets dan goed,

  zij is niet jaloers op de naaste -

  Refrein

3

  De liefde haat schone schijn,

  zij wil geen aandacht vragen,

  zij plaagt niet, zij doet geen pijn,

  zij zoekt niet zichzelf te behagen -

  Refrein

4

  Met liefde wordt alles bedekt,

  de liefde kan alles geloven,

  de hoop wordt door haar gewekt,

  geen last gaat haar draagkracht te boven -

  Refrein

5

  De liefde vergaat nimmermeer;

  verstommen zullen de tongen

  als eens voor het oog van de Heer

  de liefde is opengesprongen -

  Refrein.

---

*85

#3

1

  Weest in de Heer standvastig,

  gij die Hem toebehoort -

  al zijt gij nu armlastig,

  ziet hoe de toekomst gloort:

  het paaslicht, veelbelovend,

  verlicht uw lijdenslast.

  Zingt gaandeweg God lovend -

  Hij maakt uw voeten vast!

2

  Wat u op weg vermoeie,

  houdt stand in de woestijn;

  laat al wat goed is vloeien,

  hoog springe Gods fontein!

  Laat liefde overstromen,

  zaai zegen in het zand

  dan wuiven straks de bomen,

  palmtakken in de hand.

3

  Al wat gij zo op aarde

  in naam van Christus doet

  houdt voor de hemel waarde -

  mensen, hebt goede moed!

  Valt u de vijand lastig,

  gij strijdt niet ongekroond;

  weest in de Heer standvastig -

  uw lijden wordt beloond!

---

*86

#5

1

  Van dag tot dag herboren

  groeit in ons goede moed;

  al gaat ons huis verloren,

  met huid en vlees en bloed,

  de lichte last van heden

  maakt straks de zegen zwaar:

  het lijden wordt verleden,

  de toekomst zonneklaar.

2

  Zodra is afgebroken

  dit huis, de aardse tent,

  zijn wij dan schimmen, spoken,

  zo naakt, zo onbestemd?

  God zal ons overkleden -

  een mantel is zijn huis!

  O, dat dan te betreden,

  een eeuwig, hemels huis!

3

  Zolang wij hier verblijven

  slaakt onze ziel een zucht:

  niet naakt te zullen blijven,

  te staan in open lucht!

  Wie zal de slang verslinden.

  de dood, die dwingeland?

  Het leven zal hem vinden -

  de Geest is onderpand.

4

  Zo zwerven wij, maar zingen;

  wij gaan vol goede moed,

  ontheemden, vreemdelingen,

  Gods woning tegemoet!

  Niets valt hier te aanschouwen -

  wij lopen door een kloof;

  wij trekken in vertrouwen

  langs wegen van geloof.

5

  Al gaande langs de straten

  verlangen wij dit huis,

  ons lichaam, te verlaten,

  te wonen bij Hem thuis;

  dus laat ons, of wij zwerven

  of huizen bij de Heer,

  in leven en in sterven

  Hem geven alle eer!

---

*87

#3

1

  Heer Jezus, uw genade

  is mij genoeg.

  Tot winst maakt Gij de schade

  die ik verdroeg;

  in zwakte zal ik roemen:

  Het is volbracht!

  en zo mijn onmacht noemen

  verborgen kracht.

2

  Heer Jezus, uw genade

  is mij genoeg.

  Toen ik U vastberaden

  tot driemaal vroeg:

  Kan ik niet beter zonder

  die doorn, Heer? -

  toen sprak Gij onomwonden.

  Vraag dat niet meer!

3

  Hoe zwak, toch ben ik machtig

  en sterk in U:

  hoe kwetsbaar, soms neerslachtig,

  toch weet ik nu

  waartoe die doorn mij schaadde,

  die vuist mij sloeg -

  Heer Jezus, uw genade

  is mij genoeg.

---

*88

#5

1

  Laat die gezindheid bij u wezen

  die ook in Christus Jezus was,

  die zich niet schaamde mens te wezen,

  maar kind aan huis op aarde was.

2

  Hij heeft de hemel opgegeven,

  de mensenzoon die was voorzegd,

  om als een slaaf ons voor te leven,

  een heer die knielde als een knecht.

3

  Hij droeg gehoorzaam en geduldig

  de last der zonde, zwaar en groot;

  hoog aan het kruis heeft Hij, onschuldig,

  zichzelf vernederd in de dood.

4

  God heeft Hem daarom uitermate

  verhoogd, Hem met een Naam gekroond

  die niemand ongenoemd kan laten,

  die boven alle namen troont -

5

  opdat zich elke knie zou buigen

  in naam van Jezus, God ter eer,

  en alle tongen zouden juichen:

  geloofd zij Christus, onze Heer

---

*89

#3

1

  Verheugt u in de Heer, altijd,

  dat zich uw hart verblijde;

  en laat daarbij uw vriend'lijkheid

  aan alle mensen blijken.

  De Heer komt weer! - Hij is nabij,

  verheugt u zeer, weest blij, weest blij,

  nu en te allen tijde!

2

  Weest in geen enkel ding bezorgd!

  Is het u bang te moede,

  brengt dan uw wens ‚n dank bij God -

  Hij keert het kwaad ten goede.

  In Christus zal, van hogerhand,

  Gods vrede boven ons verstand

  uw hoofd en hart behoeden.

3

  Verheugt u in de Heer, altijd,

  dat zich uw hart verblijde;

  en dat als licht uw vriend'lijkheid

  zich wijd en zijd verspreide,

  want Christus komt - Hij is nabij,

  verheugt u zeer, weest blij, weest blij,

  weest blij, te allen tijde!

---

*90

#5

1

  Wandel in de Heer, / gij die Hem aanvaardde;

  wortel meer en meer / die in zijn verbond

  goede bodem vond, / grond om in te aarden.

2

  Word gebouwd in Hem: / stenen in zijn tempel;

  stad Jeruzalem, / nieuw door God gesticht,

  volken zien uw licht, / knielen op uw drempel.

3

  Vast en zeker gaan / wie zijn weg vertrouwen;

  op een rotssteen staan, / voor de stormwind doof,

  recht in het geloof, / wie op Christus bouwen.

4

  Wat u is geleerd / heeft geen mens bedrogen;

  wat er wordt beweerd, / houd het goede land

  aan de overkant, / Kana„n voor ogen!

5

  Halleluja, zing / Hem die u verheugde!

  Volg wie voor u ging, / volg Hem onvermoeid,

  volk dat overvloeit, / boordevol van vreugde!

---

*91

#6

1

  Gij allen die naar Christus heet, halleluja,

  weest met zachtmoedigheid bekleed, halleluja!

2

  Verdraagt elkander en vergeeft, halleluja,

  zoals God u vergeven heeft, halleluja!

3

  Doet aan, als door de Heer bemind, halleluja,

  de liefde die ons samenbindt, halleluja!

4

  In Christus ‚‚n, hoezeer benard, halleluja,

  zijn vrede heerse in uw hart, halleluja!

5

  Laat in u wonen Christus' woord, halleluja,

  het loflied stuwt de wereld voort, halleluja!

6

  AI wat gij doet met woord of werk, halleluja,

  geprezen zij de Heer der kerk, halleluja!

---

*92

#5

1

  De dag die straks komt is de dag van de Heer,

  de dag die de nacht zal verdrijven.

  De duisternis wijkt en de Heiland komt weer,

  zoals de apostelen schrijven.

  Die dag komt als niemand de morgen verwacht,

  de dag vande Heer, als een dief in de nacht.

2

  Wie lachend belooft dat er vrede zal zijn

  die gaat met zijn spotlust verloren,

  wanneer onverwacht, als een kind uit de pijn,

  het licht uit de nacht wordt geboren.

  Want niemand die luidkeels de liefde bespot

  ontkomt aan het vonnis, het oordeel van God.

3

  Maar wij dwalen niet in die dreigende nacht,

  het duister zal ons niet omvangen;

  wij gaan in het licht dat de Heer heeft gebracht,

  verwachtend zijn dag met verlangen.

  Als kinderen gaan wij met lampen en licht,

  het oog op die komende morgen gericht.

4

  Dus laat ons niet slapen, verslaafd aan de wijn,

  maar wakker en nuchter steeds waken,

  en laat ons gereed voor de dageraad zijn

  als and'ren in dromen geraken.

  Gij die van de dag zijt, weest wakker en wordt

  met hoop en geloof en met liefde omgord!

5

  Wij zijn niet bestemd tot het oordeel van God,

  Hij wil dat wij zaligheid vinden

  door Christus, gekruisigd, bespuwd en bespot,

  voor u en voor mij, zijn beminden.

  Wij waken of slapen om na het gericht

  te leven met Hem in het eeuwige licht!

---

*93

#5

1

  zingt de Heer een vrolijk lied -

  wie niet zingt verstaat het niet

  dat de Heer de Heiland is,

  Christus, Gods geheimenis.

2

  In een kind dat naar ons aardt

  heeft God zich geopenbaard,

  Hij komt zelf ons tegemoet

  in een mens van vlees en bloed.

3

  Gerechtvaardigd door de Geest,

  kind bij ons aan huis geweest,

  door Gods engelen aanschouwd,

  onze aarde toevertrouwd:

4

  Zoon, de volken voorgesteld,

  Woord, ons letterlijk gespeld,

  licht, door heidenen geloofd,

  opgenomen als ons hoofd!

5

  Groot is dit geheimenis

  dat volstrekt betrouwbaar is,

  opdat wie God waarlijk vreest

  love Vader, Zoon en Geest.

---

*94

#3

1

  Laat ieder die Gods naam belijdt

  van harte blij / en vrolijk wezen!

  De Heer is waarlijk opgestaan,

  vooruitgegaan, / voor ons verrezen.

  Zie, hoe er door zijn sterven is

  een erfenis / voor wie geloven,

  ontvangen op het Pinksterfeest:

  vuur van de Geest / niet uit te doven.

2

  Bewaar het pand u toevertrouwd,

  zo puur als goud, / een schat op aarde;

  bewaar het zuiver en bedenk:

  dit godsgeschenk / heeft grote waarde -

  meer dan een huis, meer dan een kind

  hoezeer bemind / dat moge wezen;

  meer dan de rijkste ooit bezat

  is deze schat / voor wie God vrezen.

3

  O Geest die ons hebt aangeraakt,

  ons levend maakt / om God te loven,

  het feest begint - Gij overwint,

  o vuur, o wind, / o licht van boven;

  maak onze rijkdom zonneklaar,

  maak openbaar / wat staat geschreven:

  dat God de zijnen toevertrouwt

  veel meer dan goud - / het eeuwig leven!

---

*95

#3

1

  Een grote hogepriester

  de hemel doorgegaan,

  is voor de troon gaan staan

  en offert al zijn liefde.

  Hij heeft zichzelf gegeven,

  Hij plengt zijn eigen bloed;

  gelooft het vast, houdt moed;

  zijn dood belooft u leven!

2

  Hij is geen harde priester

  die niet van zwakheid weet;

  dit lam draagt al het leed

  der wereld met zich mede.

  Getrouw is Hij bevonden,

  in de woestijn geweest,

  verzocht, beproefd - Gods Geest

  behoedde Hem voor zonde.

3

  Laat ons dan zeer vrijmoedig

  de weg gaan tot de troon -

  God is om Hem, de Zoon,

  genadig en lankmoedig;

  alwie zijn hulp verlangen

  zullen te Zijner tijd,

  als Hij als priester pleit

  barmhartigheid ontvangen.

---

*96

#7

1

  Door het geloof is Abraham

  gegaan, niet wetend waar hij kwam;

  niet ziende heeft hij toch aanschouwd

  de stad door God voor hem gebouwd.

2

  Door het geloof is Abraham

  die bij het groene Sodom kwam,

  niet naar dat land gegaan als Lot -

  hij wachtte op de stad van God.

3

  Door het geloof werd Abraham

  de vader van een volk, een stam

  als sterren talrijk, als het zand,

  als korrels, talloos op het strand.

4

  Door het geloof heeft Abraham

  zijn zoon geofferd als een lam,

  maar God zij dank: hij kreeg hem weer -

  het Lam is Christus, onze Heer!

5

  Door het geloof heeft Abraham

  in Kana„n, waarin hij kwam,

  het goede land waarheen hij ging,

  gewoond als gast en vreemdeling.

6

  Door het geloof ging Abraham

  verlangen naar wat later kwam:

  de moederstad, het vaderhuis -

  daar komen alle pelgrims thuis!

7

  Door dit geloof van Abraham

  staan wij als hij in vuur en vlam

  en zien wij al, uit hogerhand,

  een beter hemels vaderland.

---

*97

#5

1

  Bezingt Gods lof als nooit tevoren,

  gij die naar zijn barmhartigheid

  in Christus wederom geboren

  ten leven uitverkoren zijt -

  die hoop steekt onze vreugde aan:

  de Heer is waarlijk opgestaan!

2

3

  Gij zult de erfenis verkrijgen

  die in de hemel wordt bewaard -

  als God verbreekt het grote zwijgen,

  wordt eindelijk geopenbaard

  wat onaantastbaar weggelegd

  ons door God zelf is toegezegd.

4

  Weest blij, weest blij, o gij bedroefden,

  hoe vaak gij ook wanhopig vocht,

  gij zijt als goud dat vuur beproefde -

  niemand wordt tevergeefs verzocht!

  Niet lang, nog maar een korte tijd,

  dan komt zijn dag in heerlijkheid.

5

  Gij die Hem zelf nog nooit aanschouwde,

  gij die Hem ongezien bemint,

  Hem op zijn woord alleen vertrouwde,

  weest blij, verheugt u als een kind,

  het grote einddoel is in zicht:

  uw heil komt stralend aan het licht!

---

*98

#5

1

  Wie is het waard de rol te nemen

  die het heil voor ons omsluit?

  Wie kan zeven zegels breken,

  zeggen wat de Schrift beduidt?

  Niemand heeft erin gekeken,

  niemand legt de toekomst uit.

2

  E‚n is waard het boek te lezen

  staande voor Gods hoge troon:

  slechts de leeuw die lam wil wezen,

  koning met een doornenkroon -

  Hij, verrezen, zal genezen;

  wie een slaaf was, werd een zoon!

3

  Erfgenamen, vrijgekochten,

  Hij heeft onze schuld geboet,

  haalde ons, die Hem niet zochten -

  Hij betaalde met zijn bloed.

  Alle stammen, tongen, talen,

  wereldwijd zet Hij zijn voet!

4

  Hij maakt van een knecht een koning,

  maakt ons priesters voor de Heer,

  noemt een tempel onze woning,

  met gezag zegt Hij: Regeer,

  heers als koning! Melk en honing,

  heel het paradijs keert weer!

5

  Zie, het boek van Gods historie

  is ontsloten, en het wacht

  tot het volk van zijn victorie

  zingen zal uit alle macht:

  Lof, aanbidding, wijsheid, glorie,

  zij het lam, voor ons geslacht!

---

*99

#3

1

  Wie zijn het die daar komen

  in stralend wit gekleed?

  Hun rouw is weggenomen,

  de maaltijd is gereed!

  Zij komen, groot en klein,

  uit angsten en verdrukking

  en zingen in verrukking:

  voorbij is alle pijn.

 

  Refrein:

  Halleluja, halleluja,

  halleluja, halleluja.

2

  Zij hebben hun gewaden

  gewassen in het bloed;

  het lam heeft in genade

  voorgoed hun schuld geboet.

  Hun lied klinkt hoog van toon,

  want dag en nacht vereren

  zij God, de Heer der heren,

  lofzingend voor zijn troon.

  Refrein

3

  Gods tent zal bij hen wezen,

  Hijzelf: de vredevorst.

  Daar zal geen hitte wezen,

  geen honger en geen dorst;

  daar zal met stok en staf

  het lam de schapen weiden,

  naar water hen geleiden -

  hun tranen wist Hij af!

  Refrein

---

*100

#4

1

  Zalig, zalig zijn de doden,

  zegt de Geest, van nu af aan!

  Trouw aan God en zijn geboden,

  door het noodlot heengegaan,

  schuilen zij, de nacht ontvloden,

  bij de Heer. Nu kwelt geen pijn,

  geen vermoeidheid meer de doden

  die in Hem gestorven zijn.

2

  Al hun woorden, al hun werken,

  al wat in Hem is gedaan

  zonder dat zij 't zelf bemerken

  gaat het mee, hen achteraan.

  niemand heeft voor niets gesproken,

  niemand heeft voor niets geleefd:

  als Gods dag is aangebroken

  blijkt waarom het waarde heeft.

3

  Zie, hen striemden storm en regen

  van verdrukking en verdriet,

  aangeklaagd en doodgezwegen,

  en waarom? -Zij knielden niet,

  voor geen beeld, voor geen der goden

  die men allerwege ziet.

  Maar hun stem kan niemand doden:

  hoor, ze zingen een nieuw lied!

4

  Zalig, zalig zijn de doden,

  zegt de Geest, van nu af aan!

  Om voorgoed tot rust te komen

  zijn zij van ons heengegaan;

  Christus die hen binnen noodde

  breekt het brood en schenkt de wijn.

  Zalig, zalig zijn de doden

  die in Hem ontslapen zijn!

---

*101

#8

1

  Ik zag het nieuw Jeruzalem

  dat uit de hemel kwam,

  de stad waar in weer klinkt de stem

  van God en van het lam.

2

  Maar wat ik zag, een tempel niet,

  geen licht van zon of maan;

  de tempel is God zelf - het licht

  komt bij het lam vandaan.

3

  De volken komen in dat licht

  met al hun praal en pracht;

  de poorten gaan er nooit meer dicht,

  want nimmer is het nacht.

4

  Daar komt niet in wiens leven is

  vol vuile taal en vloek;

  wiens naam door God geschreven is

  die staat bij Hem te boek.

5

  Een engel sprak: Kom mee, ik toon

  u, helder als kristal,

  het leven dat vanuit Gods troon

  als water stromen zal.

6

  De levensbomen lopen uit,

  staan elke maand vol vrucht:

  genezend groen dat daar ontspruit,

  waar elke vloek voor vlucht.

7

  Alwie God dient en Hem vereert

  die ziet zijn zonneschijn;

  zijn naam die alle zonde weert

  zal op hun voorhoofd zijn.

8

  Wie diende heerst nu mee met Hem

  de nacht verliest het pleit;

  uw licht, o stad Jeruzalem,

  is God, in eeuwigheid!

---

*102

#4

1

  De nacht is voorbij,

  de morgen breekt aan,

  de dag waarop wij

  de stad binnengaan.

  Geen lamp is daar nodig,

  de maan is te klein,

  de zon overbodig,

  geen nacht zal daar zijn.

 

  Refrein:

  De maan zal verbleken,

  de zon dooft haar vlam

  als God zal ontsteken

  het licht van het Lam.

2

  Het licht dat er straalt

  verlicht dag en nacht

  en niemand verdwaalt,

  het Lam houdt de wacht.

  De poorten staan open

  en gaan niet meer dicht

  want wie er zal lopen

  die wandelt in 't licht.

  Refrein

3

  God zelf komt en Hij

  treedt ons tegemoet

  en zegt wat Hij zei,

  Hij zegt: Het is goed!

  Het duister moet zwichten

  de dageraad lacht,

  het Lam zal verlichten

  wie gaan in de nacht.

  Refrein

4

  O stad van het licht

  en straten van goud,

  looft Hem die u sticht,

  de Heer die u bouwt!

  Daal neer op de wolken

  de hemelen uit,

  getooid voor de volken,

  o stralende bruid!

  Refrein

---

*103

#4

1

  Dit is de nacht die vraagt om vreugde

  zegent elkaar met vrolijkheid!

  Laat varen wat voor God niet deugde:

  wanhoop en overmoedigheid.

  Wereld, ten dode opgeschreven,

  de hemel opent wijd een poort,

  zendt u een kind, een duif van vrede

  zie hoe reeds nu de morgen gloort!

2

  Schreeuwend in doodsnood dwaalt de aarde

  vol en vervuild door dit heelal;

  wij die haar in Gods naam bewaarden,

  hoogmoedig kwamen wij ten val:

  onmachtig torenhoog te bouwen,

  verleid om meer dan mens te zijn,

  niet meer in staat tot vast vertrouwen

  onwillig volk in de woestijn.

3

  God lof! Laat dit uw hart verblijden:

  nooit laat Hij los wat Hij begon;

  over de heuvels van ons lijden

  klimt nu zijn liefde als de zon!

  Hijzelf zal bij de mensen wonen,zijn

  Zoon gaat met ons mee op reis

  om ons bij dageraad te tonen:

  Jeruzalem - het paradijs!

4

  Dan zal het dorre hout weer groeien,

  heel de woestijn oase zijn,

  wijnstok en vijgeboom gaan bloeien,

  vloeien zal honing, melk en wijn.

  Dan zal dit kind de koning wezen,

  de wintervorst te gronde gaan,

  zonden en wonden weg, genezen

  zijn zon, zijn zomer opgestaan!

---

*104

#9

1

  Dromen in het donker,

  dromen in de nacht,

  dromen dat de morgen

  licht ontsteekt en lacht!

2

  Dromen - ja, wij dromen,

  dromen dat het kind

  eindelijk zal komen:

  liefde overwint!

3

  Dromen dat de kerken

  voortaan samengaan,

  alle zware zerken

  aan de kant gedaan.

4

  Dromen dat er vrede

  zonder eind zal zijn,

  al het leed geleden,

  weggestreeld de pijn.

5

  Dromen dat de volken

  talend naar elkaar

  metterdaad vertolken:

  oorlog is niet waar!

6

  Dromen dat de dieren,

  spin en slang en spreeuw,

  samen vrede vieren,

  wolf en lam en leeuw.

7

  Dromen dat de zonden

  langer niet bestaan,

  dromen dat de wonden

  gaaf zijn dichtgegaan.

8

  Dromen dat een koning

  delen zal, royaal:

  brood en melk en honing

  voor ons allemaal!

9

  Dromen - ja, wij dromen,

  dromen in de nacht,

  morgen zal Hij komen -

  zingt uit alle macht!

---

*105

#4

1

  O volk, verdwaald, verloren,

  vrees niet, zie hier: uw Knecht!

  God heeft Hem uitverkoren,

  Zijn Geest op Hem gelegd.

  Hij, die de volken richt,

  Hij roept niet uitgelaten,

  Hij schreeuwt niet langs de straten

  Zijn stem is als het licht.

2

  Hij komt - Hij zal niet breken

  het eens geknakte riet,

  Hij komt uw licht ontsteken,

  wat kwijnt, dat dooft Hij niet!

  Die trouw en recht betracht,

  Zijn vlam zal niemand doven,

  Hij zelf wordt niet gebroken

  zolang de wereld wacht.

3

  Zo zegt uw God, de Here

  die aard'en hemel schiep,

  die mens en dier formeerde

  en u tot leven riep:

  Ziehier, Ik heb Mijn Knecht

  al bij de hand genomen,

  in Hem zal tot u komen

  Mijn liefde en Mijn recht.

4

  Hij zal de volken wezen

  een altijd brandend licht!

  Gij blinden zult genezen,

  ontvangt een nieuw gezicht!

  Geboeiden, heft uw hoofd -

  want uit de nacht van lijden

  zal stralend u bevrijden

  het licht dat Hij belooft!

---

*106

#4

1

  Blaas de bazuin en sla de trom

  geboren is Gods kind!

  Laat alle klokken luiden gaan,

  kom zingend rond de kribbe staan,

  zijn koninkrijk begint,

  hosanna, hosanna, zijn rijk begint!

2

  Blaas de bazuin, de loftrompet,

  en richt hoog op uw hoofd;

  de toekomst staat in deze ster,

  nu is de vrede niet meer ver,

  de dag die God belooft,

  hosanna, de dag die God belooft!

3

  Blaas de bazuin - zijn zonnegloed

  laat niemand koud en kil.

  Hier is een mens die liefde doet,

  hier is God zelf in vlees en bloed -

  verwonder u, heel stil,

  hosanna, verwonder u, heel stil.

5

  Blaas de bazuin en sla de trom

  en roep: Victoria!

  Geen leven is nu zonder zin,

  gegeven is: een nieuw begin -

  o zing halleluja,

  hosanna, o zing halleluja!

---

*107

#3

1

  Christuskind van Bethlehem,

  kleine, goede herder,

  koning in Jeruzalem,

  leid uw kudde verder.

  Kom, beklim de oude troon,

  heers als koning, Davids Zoon!

  Ga van Bethlehem naar Jeruzalem -

  Gij die strijdt en bevrijdt,

  Gij geleidt ons verder,

  kleine, goede herder.

2

  Zoon van David, Gij geneest

  zieken en gezonden,

  Gij verdrijft de boze geest

  en vergeeft de zonden.

  Zoon van David, Zoon van God,

  wees bewogen met ons lot -

  Gij die ons geneest van de boze geest,

  jaag het kwaad van de haat,

  jaag het kwaad steeds verder,

  grote, goede herder!

3

  Zoon van David, sterke held,

  satan is verslagen -

  Gij hebt deze reus geveld

  in de dag der dagen!

  Zoon van David, Zoon van God,

  ondanks haat en smaad en spot

  hebt Gij hem geveld als een sterke held;

  iedereen ging toen heen,

  Gij alleen ging verder -

  dank U, goede herder!

---

*108

#4

1

  De toekomst staat geschreven

  in helder sterrelicht,

  de gloed van hoger leven,

  de glans van Gods gezicht.

  De hemel spoort ons aan

  te zoeken zin en zegen

  van onbetreden wegen

  die God met ons wil gaan.

2

  Die hemelhoge lichten

  voorspelden Abraham

  dat God zijn rijk zou stichten,

  een twijg aan dorre stam.

  Al ziet de aarde niet

  de zon die is geweken,

  de sterren kunnen spreken,

  die zien wat niemand ziet.

3

  Een licht ging op aan wijzen,

  de vreemden van zover,

  zij keken op en reisden,

  zij volgden deze ster.

  Denk niet: dit is het eind,

  God is voorgoed geweken -

  ziehier zijn levensteken:

  een glimp die u verschijnt!

4

  Er is een licht verrezen,

  sta op, gij sterrenwacht!

  Uw toekomst staat te lezen

  in deze wereldnacht:

  al is God mijlenver,

  al blijven duizend zorgen,

  al blijft de zon verborgen,

  reeds schijnt uw morgenster!

---

*109

#3

1

  De wereld is opnieuw begonnen:

  God heeft in eigen vlees en bloed

  de oude oerzee overwonnen,

  de woeste oeverloze vloed.

  Licht! spreekt de Heer - en zie: op aarde

  te middernacht een hemels licht, -

  en in het oog van haar die baarde

  weerkaatst de glans van zijn gezicht.

2

  God kan zijn schepping niet vergeten,

  Hij geeft zijn sieraad nimmer prijs;

  wil niemand van zijn wetten weten,

  Hijzelf bewaart het paradijs.

  Geen slang, hoe listig, kan verleiden

  de Zoon die wandelt in de wind;

  ziehier de Mens voor alle tijden,

  welsprekend God - zijn eigen kind!

3

  God dank! Hij is ons trouw gebleven,

  de kerk, die is en blijft zijn bruid!

  Haar naam staat in zijn hand geschreven,

  geen watervloed wist die nog uit.

  De liefde die Hij haar verklaarde

  houdt stand in voor- en tegenspoed -

  zo wordt de wereld nieuwe aarde,

  volkomen en voor altijd goed!

---

*110

#4

1

  Die waarlijk mens geworden zijt,

  om onder ons te wonen

  en alle volken, wereldwijd,

  uw tederheid te tonen -

  verbazingwekkend, zo dichtbij

  komt Gij tot ons, komt Gij tot mij,

  ons lijden zult Gij lonen.

2

  Die waarlijk mens geworden zijt

  om kind aan huis te wezen

  bij wie hier schrijnend onrecht lijdt

  en altijd pijn moet vrezen -

  verbazingwekkend, zo dichtbij

  komt Gij tot ons, komt Gij tot mij,

  de wereld zal genezen!

3

  Die waarlijk mens geworden zijt

  om muren af te breken,

  de dwaze dwang die volken scheidt,

  de drang het kwaad te wreken -

  verbazingwekkend, zo dichtbij

  komt Gij tot ons, komt Gij tot mij,

  uw vlam zal vuur ontsteken!

4

  Die waarlijk mens geworden zijt,

  ons redt van de demonen,

  U zij de lof, de heerlijkheid,

  de glans van gouden kronen!

  Verbazingwekkend, zo dichtbij

  komt Gij tot ons, komt Gij tot mij

  U wil ik eer betonen!

---

*111

#4

1

  Een hemels beeld onthulde

  Gods menselijk gezicht:

  een lam voor onze schulden,

  een lamp, een helder licht -

  geen ridder hoog te paard,

  geen koningskind, geen keizer

  met blinkend schild en zwaard.

2

  De maagd Maria baarde

  haar eerstgeboren zoon;

  God vestigt hier op aarde

  in vlees en bloed zijn troon:

  Die ons is toegewijd

  geeft ogen, handen, voeten

  aan zijn lankmoedigheid.

3

  Laat ons eerbiedig buigen,

  werpt voor dit beeld u neer!

  Het onze valt in duigen -

  standvastig blijft de Heer!

  O Heiland die ons heelt,

  Gods eigen kroongetuige,

  zijn sprekend evenbeeld -

4

  geloofd zij uw victorie,

  uw majesteit, uw macht;

  U zij de eer, de glorie

  voor eeuwig toegebracht!

  Toonbeeld van Gods geduld,

  nu hebt Gij onomwonden

  de hemel ons onthuld!

---

*112

#4

1

  Geen schutse om te schuilen,

  geen huis, geen onderdak,

  een herberg om te huilen,

  een vuile voederbak, -

  zo is tot ons gekomen

  een kindje in een stal.

  Hoe kan het dromen dromen?

  De wind waait overal!

2

  Geen mens om mee te leven,

  geen warme hand die streelt,

  geen geld om uit te geven,

  geen brood dan wat Hij deelt,

  geen graan om op te rapen,

  geen proviand op reis,

  geen steen om op te slapen -

  o God, kyrie eleis!

3

  Om zwervers te bereiden

  een plaats, een vaderhuis,

  een woning en een weide,

  een moederstad, een thuis,

  daartoe is Hij gekomen,

  daartoe is Hij gegaan -

  en n¢g waait door de bomen

  de Geest, bij Hem vandaan.

4

  Om ons een huis te bouwen

  voor bunker en barak,

  om vleugels te ontvouwen

  voor mensen zonder dak,

  daartoe is Hij geboren,

  daartoe waait nog de wind

  wie oren heeft, die hore

  het roepen van dit kind.

---

*113

#5

1

  God in ons midden,

  Heer, wij aanbidden

  met al uw kinderen wereldwijd,

  uw trouw aan mensen,

  uw onbegrensde,

  uw ongekende majesteit.

2

  Lam dat de zonden draagt,

  lam dat de leeuw verjaagt,

  uw wieg een kribbe, uw troon een kruis -

  Gij spreidt geen macht ten toon,

  Gij zijt, o mensenzoon,

  onder een open hemel thuis.

3

  Licht van de overkant,

  fakkel die eeuwig brandt,

  o vlam die ons naar Gods land geleidt,

  wie lopen in uw licht,

  zie, over hun gezicht

  valt al de glans der eeuwigheid.

4

  Koning der volken,

  kom op de wolken,

  keer al het kwade ten goede om,

  kom, lam dat voor ons bloedt,

  kom, licht in overvloed,

  kom spoedig, Here Jezus, kom!

5

  God in ons midden,

  Heer, wij aanbidden

  met alle heiligen uw beleid,

  uw trouw aan mensen,

  uw onbegrensde,

  uw ongekende majesteit.

---

*114

#5

1

  God maakt geschiedenis -

  wat nooit geschiedde, is

  te middernacht geschonken:

  een kind van vlees en bloed

  die als de melk, zo zoet

  Gods woord heeft ingedronken.

2

  Geen koning, hoog te paard,

  geen scherp geslepen zwaard

  bepaalt de loop der tijden;

  geloof dit kwetsbaar kind:

  slechts liefde overwint -

  haat kan geen volk bevrijden.

3

  Gods beeld heeft ons onthuld

  zijn eindeloos geduld,

  zijn trouw aan wat verkwijnde;

  Hij geeft de wereld zin,

  zijn Zoon staat middenin,

  tussen begin en einde.

4

  Die was en is, die komt!

  De hel verstijft, verstomt,

  wijd gaat de hemel open.

  Als alles is geschied

  mag wie Hem hulde biedt

  zijn vreugde binnenlopen.

5

  God maakt geschiedenis -

  wat nooit geschiedde, is

  te middernacht begonnen;

  waar liefde leven geeft,

  daar woont de Heer, daar heeft

  zijn rijk de slag gewonnen!

---

*115

#5

1

  Halleluja! Laat het horen

  laat het klinken, overal:

  de Messias is geboren,

  lam en herder in een stal,

  lang tevoren uitverkoren

  als de Heer die komen zal!

2

  Zie Hem in de kribbe slapen:

  kind van God en mensenzoon,

  zonder schild en zonder wapen,

  heerser zonder machtsvertoon;

  als een lam hoedt Hij de schapen,

  als een koning zonder kroon.

3

  Halleluja! Laat het horen,

  laat het klinken, overal:

  Christus zoekt wie zijn verloren

  op de heuvels, in het dal,

  en Hij draagt wie Hem behoren

  op zijn schouders naar de stal.

4

  Omdat wij niet zoeken konden

  zocht God ons en zie: Hij vindt!

  Zie het lam voor onze zonden,

  zie een mens die ons bemint -

  Hij verkondigt onomwonden

  dat Gods koninkrijk begint!

5

  Halleluja! Laat het horen,

  zingt met blij bazuingeschal:

  Jezus Christus is geboren

  die de wereld redden zal.

  Zingt Gods lof als nooit tevoren,

  looft de Koning, overal!

---

*116

#3

1

  Heden gaat heel de hemel open -

  hoelang houdt gij uw hart nog dicht?

  Dit kind, dat ons met vuur zal dopen,

  straalt in ons midden als een licht;

  nu wordt de vrede alom koning,

  de aarde is de hemel rijk -

  maar waar vindt deze prins een woning?

  Geen keizer kiest zijn koninkrijk.

2

  De hele wereld wordt beschreven,

  nog is de herberg overvol;

  wijn heeft nog nooit de pijn verdreven,

  ons hard gelach klinkt leeg en hol.

  Naast onze deur wordt Hij geboren:

  de Heiland die ons schenken zal

  betere wijn dan ooit tevoren

  een gastheer schonk of schenken zal.

3

  Maak plaats! Doe alle deuren open,

  houd voor de Heer uw hart niet dicht.

  Als onze weerstand is gebroken,

  dan ziet zijn rijk het levenslicht.

  Geen huis, geen herberg blijft gesloten,

  de hemel is voor Hem te klein;

  dit kind zal poorten openstoten -

  God zal op aarde koning zijn!

---

*117

#3

1

  Herder in het wijde veld,

  hoor je wat daar wordt verteld?

  In een kribbe, in een stal

  ligt een lam dat redden zal!

 

  Refrein

  Herder, ga naar Bethlehem,

  in de stal, daar vind je Hem:

  Christus, als een lam zo klein,

  Christus wil jouw herder zijn!

2

  Herder, laat je schapen maar,

  deze nacht dreigt geen gevaar;

  wees niet bang voor leeuw en beer -

  voor jouw kudde zorgt de Heer!

  Refrein

3

  Herder in het wijde veld,

  laat je schapen ongeteld,

  laat ze slapen, deze nacht,

  God houdt over hen de wacht.

  Refrein

---

*118

#4

1

  Het is al nacht in Bethlehem,

  wat wordt de wereld kil!

  De kind'ren zijn naar bed gegaan,

  de schapen slapen stil.

  De herders waken in dit uur,

  zij slaan hun mantels om -

  maar dan, een hemels vreugdevuur,

  een zee van licht rondom!

2

  Een engel - is het Gabri‰l? -

  verschijnt te middemacht:

  Wees niet bevreesd, o Isra‰l,

  God heeft u u gedacht!

  Er is vannacht een koningskind

  geboren in een stal;

  zie hoe men Hem in doeken windt:

  de Heer van het heelal.

3

  Het is nog nacht in Bethlehem,

  de schapen staan verbaasd,

  hun herders laten hen alleen,

  zij gaan, zij gaan met haast

  en knielen bij de kribbe neer

  in eerbied voor dit kind:

  de goede herder, aller Heer

  die schapen zoekt en vindt.

4

  Wie gaat er met de herders mee?

  De stal is groot genoeg!

  Laat lief en leed, laat wel en wee,

  wacht niet tot morgenvroeg.

  Geef Hem uw hart, hoe koud en kil,

  hoe zwart dat moge zijn -

  want heden stroomt om Jezus' wil

  uw hart vol zonneschijn!

---

*119

#5

1

  Hoog aan de hemel straalt

  de ster die ons verhaalt

  hoe in de oogst der dagen

  het zaad, door God gestrooid,

  als alles is voltooid

  veelvoudig vrucht zal dragen.

2

  Dan gaat de grootheidswaan

  van sterren, zon en maan

  in het heelal verloren;

  dan wordt wat macht begeert

  als Babel omgekeerd,

  heel onze trotse toren.

3

  Als boven alles uit

  de Zoon van God ontspruit

  valt elke piramide;

  dan breekt tot ons geluk

  verharde hoogmoed stuk -

  dan zal Gods Woord geschieden!

4

  Hij roept het slapend zaad

  dat diep de grond in gaat

  en sluimert in de akker,

  de korrels, her en der,

  zo onbereikbaar ver,

  eens en voor altijd wakker.

5

  O zaad, verstrooid, verdwaald,

  de Davidster die straalt,

  die zal de weg u wijzen:

  door aarde, zand en steen,

  dwars door uw grafsteen heen

  zult gij de hemel prijzen!

---

*120

#3

1

  Hoor de klokken in de toren,

  hier en daar en overal:

  Jezus Christus is geboren

  die zijn volk bevrijden zal.

  Halleluja, halleluja, halleluja, amen.

2

  Hoor de klokken, hoor ze klinken,

  elke toren wijst omhoog:

  zie de duizend sterren blinken -

  God heeft mensen op het oog!

  Halleluja, halleluja, halleluja, amen.

3

  Hoor de klokken in de toren,

  hoor ze zingen, hoog en laag;

  Jezus is voor u geboren -

  het is Christusfeest vandaag!

  Halleluja, halleluja, halleluja, amen.

---

*121

#4

1

  In de nacht gekomen

  kind van hogerhand,

  licht in blinde ogen,

  licht dat zingend brandt,

  kom in onze dagen,

  kom in onze nacht,

  hoor de aarde klagen -

  Heer, de wereld wacht!

2

  In de nacht gekomen

  kind dat met geduld

  eeuwenoude dromen

  eindelijk vervult,

  kom in onze dagen,

  kom in onze nacht,

  kom met uw gestage,

  milde overmacht.

3

  In de nacht gekomen

  onmiskenbaar kind,

  kom, doorwaai de bomen,

  zachte zuidenwind,

  kom in onze dagen,

  kom in onze nacht,

  dat wij niet meer vragen

  waar uw komst op wacht.

4

  In de nacht gekomen

  kind, zo kwetsbaar klein,

  wat ons wordt ontnomen,

  licht, wil bij ons zijn -

  kom in onze dagen,

  kom in onze nacht,

  licht temeergeslagen

  kind, uw liefde lacht!

---

*122

#8

1

  Kleine herder, weet jij al

  wie vannacht in deze stal

  in de doeken zich verschuilt?

  De Messias! Hoor, Hij huilt!

2

  Waarom, herder, huilt Hij dan?

  Omdat niemand lachen kan!

  Niemand doet Gods goede wet,

  niemand is er die ons redt.

3

  Maar waarom ben jij dan blij?

  Omdat Jezus huilt voor mij!

  Hij doet wat geen ander doet,

  Hij maakt alles gaaf en goed!

4

  En als Hij mijn vreugde ziet

  dan verdwijnt ook zijn verdriet;

  daarom wil ik nu voortaan

  vrolijk op zijn wegen gaan!

5

  Herder, ga dan maar terug,

  ga met haast, ga vliegensvlug,

  stoot je voet niet aan een steen,

  loop door alle landen heen,

6

  Loop de hele wereld door

  en zeg alle volken: Hoor,

  in de stal daar ligt het lam

  dat uw zonden overnam!

7

  Goed, ik ga, ik ga maar gauw,

  ik ga verder door de kou,

  over land en over zee -

  blijf jij  hier of ga je mee?

8

  Herder, ik ga mee op reis

  en ik zing op eigen wijs:

  Mensen, dit is mijn verhaal:

  God houdt van u allemaal!

---

*123

#4

1

  Komt herders, laat uw schapen

  maar slapen in het veld,

  uw herder heeft zijn schapen

  al ‚‚n voor ‚‚n geteld;

  gaat haastig naar de stal -

  in doeken is gewonden

  het lam dat onze zonden

  verdroeg en dragen zal.

2

  Hij zal de herder wezen

  die naar zijn schapen vraagt;

  gij zieke, zult genezen,

  gij zwakke, zie: Hij draagt!

  Hij laat u niet alleen,

  Hij noemt elk schaap bij name,

  Hij roept de kudde samen,

  Hij zoekt en brengt bijeen.

3

  Voorwaar, Hij zal verdelgen

  die valse herders zijn,

  die in hun rijkdom zwelgen,

  beneveld door de wijn,

  die heersen met geweld

  en zonder medelijden

  alleen zichzelf nog weiden -

  hun dagen zijn geteld!

4

  Gij wijdverspreide schapen,

  uw noodkreet is gehoord!

  Uw herder strekt zijn wapen,

  zijn zwaard - dat is: zijn woord.

  Gij die in deze nacht

  zijn roepstem hebt vernomen,

  o haast u om te komen -

  het lam, uw herder wacht!

---

*124

#6

1

  Refrein:

  O laat de wereld horen,

  zeg het de mensen overal:

  nu is de prins geboren

  die vrede brengen zal.

 

  De mensen op aarde

  zij graaien naar geld,

  zij zwaaien met hun zwaarden,

  zij schuwen geen geweld.

  Refrein

2

  O laat de wereld horen,

  zeg het de mensen overal:

  nu is de prins geboren

  die vrede brengen zal!

  refrein

3

  De mensen op aarde

  zien angstig in het rond,

  want wie de macht vergaarde

  die heeft de grootste mond.

  refrein

4

  De mensen op aarde

  die vluchten voor elkaar:

  op hol geslagen paarden

  die schrikken in gevaar.

  refrein

5

  Gij mensen op aarde,

  God zag en ziet uw pijn,

  de hemel openbaarde

  wie vredevorst zal zijn!

  refrein

6

  O mensen op aarde,

  als komt waar gij om vroeg,

  dan smeedt gij om: uw zwaarden,

  uw speren tot een ploeg!

  refrein

---

*125

#5

1

  O stad van David, Bethlehem

  hoe klein, verhef met kracht uw stem,

  want hier is Hij, die koning is,

  wiens land vol melk en honing is.

2

  O stad van Rachel, van uw graf

  wentelt dit Kind de grafsteen af;

  Maria heeft een zoon gezoogd:

  Gods rechterhand, die tranen droogt.

3

  O stad van Ruth, o huis van brood,

  hier is het zaad, dat in de dood

  ontkiemt en oprijst, hoog als graan -

  uw akker zal vol koren staan!

4

  O stad van herders, zie het lam

  dat al uw zonden op zich nam;

  gij schapen, deze herdersvorst

  verjaagt uw honger en uw dorst.

5

  O stad van David, Bethlehem,

  voorbode van Jerusalem,

  al is uw wieg en woning klein,

  hier zal Gods liefde koning zijn!

---

*126

#5

1

  O ster die alle sterren

  in glans te boven gaat,

  Gij glimlacht al van verre,

  Gij draagt de dageraad

  en wat er ook gebeure,

  al slaapt ook stad en land,

  Gij zult de hemel kleuren,

  Gij brengt de dag tot stand!

2

  Herodes, achterdochtig,

  in eigen oog een ster,

  maar mateloos bloeddorstig,

  een vorst te hoog, te ver,

  die god onder de goden,

  die laat wanneer hij wil

  de allerkleinsten doden

  en iedereen zwijgt stil.

3

  De schriftgeleerden weten

  wat in de Schriften staat,

  in psalmen en profeten

  is niets dat hun ontgaat;

  zij wijzen en beschrijven

  de ster van Bethlehem -

  maar met hun wijsheid blijven

  zij in Jeruzalem.

4

  Wie wijs is als de wijzen

  aanschouwt een stille ster,

  die ziet, na dagen reizen

  en komende van ver,

  wat niemand kon bedenken,

  bij schamel schemerlicht

  wat God zijn volk wil schenken

  zijn zon, zijn aangezicht.

5

  O ster die alle sterren

  in glans te boven gaat,

  gij wacht, gij wenkt van verre,

  nog is het niet te laat;

  als alle sterren vallen -

  en hoeveel vallen er! -

  zelfs dan nog roept ons allen

  uw licht, o morgenster!

---

*127

#4

1

  O ster van David, morgenster,

  heraut van wat zal komen,

  gij schijnt - en daarom kan ik er

  stoutmoedig over dromen:

  de hemel, stralend als een bruid,

  het zaad, dat uit de aarde spruit,

  de bloesem aan de bomen!

2

  O ster van David, morgenster,

  nog is het aardedonker,

  de dageraad wanhopig ver,

  de hemel zonder wonder;

  wij tasten langs een blinde muur,

  belast met angst voor wind en vuur,

  voor bliksem en voor donder -

3

  Maar nochtans blijf ik, morgenster,

  van harte op u hopen;

  zolang gij schijnt, zolang is er

  een lamp om bij te lopen.

  Al wacht ik op het zonnelicht,

  al is de nacht rondom mij dicht,

  gij doet de toekomst open!

4

  O ster van David, morgenster,

  heraut van wat zal komen,

  gij straalt - en daarom zal ik er

  al zingende van dromen:

  een land waar liefde huizen bouwt

  een lachend kind, een dag van goud,

  het paradijs - volkomen!

---

*128

#4

1

  O Zoon van God, o zuiver lam,

  ik kom met lege handen;

  Gij koning die ter wereld kwam,

  Heer over alle landen,

  hoezeer ik van U houd,

  geen myrre en geen goud,

  geen wierook breng ik U,

  geen hulde bied ik U -

  niets dan twee lege handen.

2

  O lam van God, ik kom met schroom,

  want aan mijn beide handen,

  al vouw ik die veelvuldig vroom,

  kleeft bloed en schuld en schande.

  O kind van Bethlehem,

  ginds wenkt Jeruzalem,

  kom, lam van God en ga

  met mij naar Golgotha -

  Gij zijt mijn offerande!

3

  Ik zie in deze kleine stal

  uw hulpeloze handen:

  zo kwetsbaar teer en toch nu al

  geboeid door duizend banden.

  De schaduw van het kruis

  valt dreigend in dit huis -

  reeds nu is levensgroot

  het teken van de dood

  geschreven aan de wanden.

4

  O lam dat aan mijn zonden lijdt,

  ik kom - mijn vuile handen

  die wast Gij af - uw heil bevrijdt

  van alle schuld en schande.

  O lam dat voor mij bloedt,

  o herder die mij hoedt,

  Gij scheldt mijn schulden kwijt -

  met uw barmhartigheid

  vult Gij mijn lege handen!

---

*129

#3

1

  Te middernacht geboren,

  van hogerhand, een kind -

  het eerste ochtendgloren

  dat stil aan warmte wint.

  Nog heerst de koude dood,

  maar aan de zwarte hemel

  glanst zacht het morgenrood.

2

  Te middemacht geboren:

  het levenwekkend licht.

  God had nog nooit tevoren

  zo'n menselijk gezicht.

  Al handhaaft zich het kwaad,

  het zal niet lang meer duren,

  reeds lacht de dageraad!

3

  Te middemacht geboren,

  het licht dat overwint;

  het straalt tot in het noorden:

  de zon, de Zoon - Gods kind!

  De aarde, grauw en grijs,

  wordt straks door licht gelouterd

  zijn gouden paradijs.

---

*130

#5

1

  Uit het duister komen wij

  lopend in een lange rij,

  roepend door de stille nacht:

  Christus, kom, de wereld wacht!

 

  Refrein:

  Heer, Gij zult het licht ontsteken

  dat de langste nacht verdrijft,

  onze vlam is maar een teken

  van het vuur dat brandend blijft!

2

  Op de aarde heerst de kou:

  zonde, ziekte, dood en rouw,

  dorst en honger, haat en nijd,

  zie toch hoe de wereld lijdt!

  refrein

3

  Wie niet wandelt in het licht

  ziet geen hand voor zijn gezicht

  Blijf niet in het donker staan,

  liefde steekt de kaarsen!

  refrein

4

  Ook al gaan wij ‚‚n voor ‚‚n,

  niemand gaat zijn weg alleen,

  en al is de reis nog ver,

  voor ons uit verrijst een ster!

  refrein

5

  Uit het duister komen wij

  zingend: Heer, ons licht zijt Gij!

  herders, wijzen, ‚‚n groot koor,

  zingend heel de wereld door!

  refrein

---

*131

#5

1

  Verhef uw stem, Jeruzalem,

  uw Heer komt, onverwacht;

  zijn liefde wint in Bethlehem

  met stille overmacht:

  een licht dat verblindt,

  een kribbe, een kind -

  hemel en aarde verweven!

2

  Verhef uw stem, Jeruzalem,

  o berg waar God voorziet,

  uw koning komt - in Bethlehem

  begint zijn rijksgebied;

  geen praal en geen pracht,

  geslagen, geslacht -

  lam Gods, wat hebt Gij misdreven?

3

  Verhef uw stem, Jeruzalem,

  God heeft aan u gedacht!

  Hij heeft zichzelf in Bethlehem

  in mensentaal gebracht:

  in vlees en in bloed

  komt ons tegemoet

  zijn woord, herzegd en herschreven.

4

  Verhef uw stem, Jeruzalem,

  geen wanhoop, geen verdriet,

  geen hongersnood - in Bethlehem

  is brood te koop, om niet!

  Het heil ligt gereed,

  o kom dan en eet:

  God heeft ons manna gegeven!

5

  Verhef uw stem, Jeruzalem,

  verhef uw stem met kracht!

  Gods liefde wint in Bethlehem:

  Hij heeft te middemacht

  de aarde bemind,

  zijn bruid baart een kind -

  God schenkt de wereld het leven!

---

*132

#4

1

  Vrolijk zingen wij ons lied,

  de wereld moet het horen!

  Komt en ziet wat is geschied:

  de Heiland is geboren.

  Gloria, hosanna in excelsis!

2

  Herders, spoedt u naar de stal:

  in doeken is gewonden

  Hij die herder wezen zal,

  het lam voor onze zonden!

  Gloria, hosanna in excelsis!

3

  Wijzen, zoekt niet her en der,

  want ziet, boven zijn woning

  straalt een wonderlijke ster,

  daar woont Hij: onze koning!

  Gloria, hosanna in excelsis!

4

  Mensen, overal vandaan,

  God zelf is in ons midden!

  Komt dan, laten wij nu gaan

  om Christus te aanbidden!

  Gloria, hosanna in excelsis!

---

*133

#6

1

  Wees stil en kom wat dichterbij

  dit kind van Bethlehem:

  het einde, het gebin is Hij;

  niets kan ik zonder Hem.

2

  Hij is mijn water en mijn brood,

  het licht rondom mij heen,

  mijn leven, midden in de dood -

  Hij laat mij niet alleen.

3

  Hij is de deur die openstaat

  en achter mij zich sluit,

  de herder die met raad en daad

  mij voorgaat, in en uit.

4

  Hij is een weg, recht door de zee,

  mijn pad in de woestijn,

  zijn ja is ja, zijn nee is nee,

  zijn woord zal waarheid zijn.

5

  Hij is de wijnstok die mij draagt,

  geplant in Bethlehem,

  Hij geeft mij meer dan God mij vraagt:

  mijn vruchten zijn uit Hem!

6

  Wees stil en kom wat dichterbij

  en zeg mij zingend na:

  begin en einde, dat zijt Gij,

  Alfa en omega!

---

*134

#3

1

  Wees voor de schaduw niet zo bang,

  hoe zwart die moge wezen,

  al is de tunnel eeuwenlang,

  een gang vol angst en vrezen,

  al is er in ‚‚n ogenblik

  verblindend licht, een flits, een schrik -

  de wereld zal genezen.

2

  Wees voor de schaduw niet zo bang,

  hoe dreigend die ook valle,

  God houdt het duister in bedwang,

  de vuisten die zich ballen -

  hun schim blijkt niets dan schijn te zijn,

  wat groot lijkt, blijkt onooglijk klein

  als de bazuinen schallen!

3

  Wees voor de schaduw niet zo bang,

  die zal het toch niet winnen!

  Eens breekt met jubelend gezang

  het licht der wereld binnen.

  Dan slaat de schaduw op de vlucht,

  dan slaakt de nacht een laatste zucht -

  dan gaat de dag beginnen!

---

*135

#4

1

  Wij gaan met haast naar Bethlehem:

  een kind is ons geboren!

  Daar zien wij in een kribbe Hem

  die zoekt wat is verloren;

  een herder als een lam zo klein,

  een koning die een knecht wil zijn;

  Hij roept - maar wie zal horen?

2

  Wij staan verbaasd in Bethlehem:

  Is dit de goede herder,

  de koning die met luider stem

  zou spreken: Volk, trek verder,

  trek uit de angst van slavernij,

  de Eeuwig Trouwe maakt u vrij! -

  Is d¡t kind onze herder?

3

  O God, laat ons in Bethlehem

  geen grote woorden spreken

  en zeggen: Wij behoren Hem

  tenzij eerst is gebleken

  dat wij bereid zijn om zo klein,

  zo lijdzaam als dit lam te zijn

  dat weigert zich te wreken.

4

  Wij staan beschaamd. In Bethlehem

  blijkt meer dan ooit tevoren:

  de vrede is alleen aan Hem

  die weerloos werd geboren.

  Dit lam heeft ons geopenbaard

  Gods rijk: een koning zonder zwaard.

  Wie horen wil, die hore!

---

*136

#4

1

  Wij trekken in een lange stoet

  op weg naar Bethlehem,

  wij gaan uw koning tegemoet,

  o stad Jeruzalem!

  Gezegend die zijn komst begroet

  en knielen wil voor Hem!

 

  Refrein

  Wij loven U, koning en Heer, koning en Heer,

  Wij loven U, koning en Heer!

2

  Al zijt Gij nu nog maar een kind

  zo kwetsbaar, teer en klein,

  wij weten dat het rijk begint

  waarvan Gij Heer zult zijn,

  een rijk waarin de vrede wint

  van oorlog en van pijn.

  Refrein

3

  Al gaat de vijand in het rond,

  de koning van het kwaad,

  al dreigt hij met zijn grote mond

  dat hij U eens verslaat,

  straks ligt hij dodelijk gewond

  wanneer zijn rijk vergaat!

  Refrein

4

  Wij gaan op weg naar Bethlehem,

  daar ligt Hij in een stal

  die koning in Jeruzalem

  voor eeuwig wezen zal!

  Laat klinken dan met luider stem

  en blij bazuingeschal:

  Refrein

---

*137

#5

1

  Christus, levensbrood, / manna ons gegeven -

  in de hongersnood / zult Gij met ons zijn,

  bron in de woestijn, / water, waarlijk leven!

2

  Gij zijt ons ten licht - / volk, reis vrolijk verder!

  Hij, de deur, gaat dicht / als de dag zich neigt,

  als het duister dreigt / blijft Hij onze herder.

3

  Heer, Gij zegt: Ik ben / opstanding en leven.

  Ik, Ik ben de weg, / waarheid, levensgroot -

  leugens lopen dood, / Ik leid u ten leven.

4

  Gij zijt onze stam, / wij de kleine ranken

  die de landman nam / om in U te zijn;

  alle goede wijn / is aan U te danken.

5

  Heer, Gij zijt ons brood, / herder, nu en later

  deur tegen de dood, / wijnstok, ware weg,

  licht in heg en steg, / levenwekkend water!

---

*138

#7

1

  Een vogel komt gevlogen

  en daalt bij de Jordaan:

  de ark zendt op het droge

  een duif bij God vandaan.

2

  Die ark, dat is de hemel,

  het hoge vaderhuis,

  en al wie daarin gingen

  die zijn voorlopig thuis.

3

  Die wachten op het einde,

  het komende begin,

  als God hen zal geleiden

  een nieuwe wereld in.

4

  Een vogel komt gevlogen

  en zoekt bij zee en strand

  het opgekomen droge,

  door God beloofde land.

5

  Daar staat Hij op de oever,

  daar staat Hij als een boom:

  de eerste uit de doden,

  herboren uit de stroom!

6

  Op Hem komt uit den hoge

  de duif van God tot rust -

  wij zien zijn land voor ogen

  de zondvloed heeft een kust

7

  En alwie zijn geborgen

  waar God als Noach is,

  die komen, komen morgen,

  als alles vrede is!

---

*139

#5

1

  Kom voor de dag en wandel in het licht,

  kom voor de dag, uw hoofd hoog opgericht,

  kom uit de nacht die niets dan onheil sticht -

  halleluja, halleluja!

2

  Kom voor de dag, de hemel is niet ver,

  hier is wat God beloofd heeft van oudsher,

  hef uw gelaat: daar glanst de morgenster -

  halleluja, halleluja!

3

  Kom voor de dag, de vijand is geveld,

  hier is uw Heer, uw Heiland en uw Held,

  zijn liefde wint van woede en geweld -

  halleluja, halleluja!

4

  Kom voor de dag, de nacht is haast voorbij,

  wat u benauwt, de hemel maakt u vrij,

  wat u berouwt, verheug u en wees blij -

  halleluja, halleluja!

5

  Kom voor de dag en wandel in het licht

  kom voor de dag, uw hoofd hoog opgericht,

  nu reeds bestraalt zijn zomer uw gezicht -

  halleluja, halleluja!

---

*140

#5

1

  Zoon van God en Zoon des mensen,

  machteloos staan wij voor grenzen,

  maar uw Geest is als de wind

  die zich door geen grens laat storen,

  mensen wereldwijd laat horen

  dat slechts liefde overwint!

2

  Heer, vergeef ons dat wij hopen

  steeds de oorlog te ontlopen

  door de ander voor te zijn,

  nieuwe wapens te verzinnen

  om uiteindelijk te winnen:

  niets dan angst en nieuwe pijn.

3

  Zoon van God en Zoon des mensen,

  zend uw Geest over de grenzen,

  val ons met uw liefde aan;

  laat de tijd niet langer duren

  dat er huizenhoge muren

  midden tussen mensen staan.

4

  Ach, wij zouden ons vergissen,

  uw beloften moeten missen,

  als Gijzelf niet was geweest

  als een knecht die ons kwam leren

  dat geweld geen kwaad kan keren,

  maar dat liefde pijn geneest.

5

  Zoon van God en Zoon des mensen,

  overschrijd de laatste grenzen.

  Zeg dat dan uw rijk begint

  als de volken zich bekeren,

  laten liggen hun geweren

  in geloof dat liefde wint.

---

*141

#3

1

  De Geest zalft onze hoofden,

  God zelf wast ons gelaat -

  wat Hij zijn kerk beloofde

  volbrengt hij, metterdaad:

  een stad voor de ontrechten,

  en midden op het plein

  zijn tafel vol gerechten,

  met honing, melk en zijn!

2

  De Geest zalft onze hoofden,

  God zelf wast ons gelaat -

  gij, die zijn woord geloofde,

  ga zingend over straat!

  Al vast gij hier en heden,

  al wacht u de woestijn,

  daar zal een hof van Eden

  vol van uw lofzang zijn!

3

  De Geest zalft onze hoofden,

  God zelf wast ons gelaat -

  zijn schatten gaan te boven

  uw schande en uw smaad;

  gij zult met vreugde vasten

  de veertig dagen door,

  ginds gaat met al uw lasten

  de bruidegom u voor!

---

*142

#5

1

  Blijf hier en waakt met Mij!

  Nu is de dood nabij,

  nooit was Ik zo bedroefd en bang.

  Blijft wakker om te bidden

  totdat Ik in uw midden

  straks wederkom - het duurt niet lang.

2

  Blijft hier en waakt met Mij!

  O, ging aan Mij voorbij

  de beker die Ik drinken moet!

  Maar als Gij wilt, mijn Vader,

  treed Ik gewillig nader,

  dan smaakt het allerzuurste zoet.

3

  Blijft hier en waakt met Mij!

  Al ga Ik nu terzij,

  straks kom Ik in uw midden weer;

  blijft biddend met Mij strijden,

  blijft wakend met Mij lijden,

  blijft wakker wachten op uw Heer!

4

  Blijft hier en waakt met Mij!

  Hebt gij geen medelij?

  Gij wist dat gij niet slapen mocht!

  Kunt gij niet ‚‚n uur waken

  zonder in slaap te raken?

  Bidt God dat gij niet wordt verzocht!

5

  Ach, slaapt dan nu maar voort,

  slaapt verder, ongestoord,

  Ik blijf wel waken deze nacht;

  Ik blijf bij u, mijn schapen,

  uw herder zal niet slapen;

  slaapt gij maar voort - Ik houd de wacht.

---

*143

#3

1

  Geworteld in de aarde

  en reikend naar het licht,

  geen toren evenaarde

  wat hier staat opgericht:

  een ladder waarop lopen

  Gods boden, hoog en laag;

  de hemel gaat hier open -

  de toekomst komt vandaag!

2

  Geworteld in de aarde:

  een mens van vlees en bloed

  die onze dood aanvaardde

  en daalt in onze vloed;

  de duivel, weggeslopen,

  bevroedt zijn nederlaag;

  de duif zet vensters open -

  de toekomst komt vandaag!

3

  Geworteld in de aarde

  en reikend naar het licht:

  het kruis, dat openbaarde

  zachtmoedig overwicht -

  o hout, hoog uitgelopen,

  o ladder naar omlaag,

  ik zie de hemel open -

  de toekomst komt vandaag!

---

*144

#3

1

  In woede sloeg de wereld

  de waarheid op de mond.

  Tot bloedens toe gehekeld,

  bedroefd en weggestompt,

  ontmoedigd, lamgeslagen,

  door broeders uitgejouwd -

  hoe heeft Hij kunnen dragen

  dat Godgevloekte hout?

2

  Als Adam hier op aarde

  blies Hij de adem uit,

  de ziel die Hij bewaarde,

  de liefde voor zijn bruid.

  Zijn hartstocht brandde vurig,

  een waakvlam in de nacht;

  zo hing Hij daar langdurig

  tot alles was volbracht.

3

  Niet eeuwig weggebleven,

  verrezen is de Heer!

  De leugen heeft geen leven,

  de dood geen toekomst meer.

  De wereld walmt van woede,

  de aarde ademt schuld -

  Gods Geest, die waait ten goede

  de wind van zijn geduld.

---

*145

#6

1

  Lam Gods dat alle zonden

  der wereld draagt,

  om ons wordt Gij gebonden,

  om ons geplaagd -

  erbarm U, erbarm U, erbarm U over ons!

2

  Lam Gods dat als een herder

  de kudde weidt,

  om ons wordt Gij steeds verder

  ter dood geleid -

  erbarm U, erbarm U, erbarm U over ons!

3

  Lam Gods, om ons onschuldig

  gehaat, gesmaad,

  om ons vermenigvuldigt

  zich al dit kwaad -

  erbarm U, erbarm U, erbarm U over ons!

4

  Lam Gods dat geen gebreken,

  geen vlek vertoont,

  om ons, om ons bezweken,

  door ons gehoond -

  erbarm U, erbarm U, erbarm U over ons!

5

  Lam Gods dat hebt gegeven

  uw kostbaar bloed

  om ons te laten leven

  in overvloed -

  erbarm U, erbarm U, erbarm U over ons!

6

  Lam Gods dat ons bevrijdde

  uit slavernij,

  om ons wilde Gij lijden,

  U prijzen wij -

  gezegend, gezegend, gezegend, Heer, zijt Gij!

---

*146

#6

1

  O lam dat lijdt en duldt en draagt

  de straf die ons de vrede brengt,

  tot bloedens toe gestriemd, geplaagd -

  geen rechter die U vrijspraak schenkt.

2

  De hele wereld klaagt U aan,

  Gij zwijgt, Gij spreekt geen wederwoord,

  geboeid komt Gij naast mensen staan

  die schuldig zijn aan broedermoord.

3

  'Verdwijnen moet die zachte stem,

  laat vrij de man die bloed vergiet,

  maar kruisig, kruisig, kruisig Hem!

  wij gunnen Hem de vrijheid niet!'

4

  O Zoon des Vaders, Bar-Abbas,

  o lam volkomen gaaf en goed,

  o arts die onze wond genas,

  vergiet Gij nu uw eigen bloed?

5

  Gij die geen kwaad met kwaad vergeldt,

  Gij strijdt met recht een goede strijd;

  geen domme klacht, geen bruut geweld,

  uw Geest alleen, die wint het pleit!

6

  O Heer, wij kiezen niet voor U,

  maar Gij, die ons de vrede brengt,

  Gij kiest voor ons, kiest hier en nu,

  o rechter die ons vrijspraak schenkt!

---

*147

#6

1

  Ontferm U, Heer - het einde van ons leven

  komt naderbij. Hebt Gij ons prijs gegeven?

  Opstandig hebben wij tot U gesproken,

  ons woord gebroken.

2

  Wij wilden meer dan brood, veel meer dan water:

  honing en melk, vandaag en niet pas later;

  wij wilden naar het diensthuis wederkeren,

  de dood riskeren.

3

  Verlos ons van de dodelijke slangen,

  neem eigenhandig satan nu gevangen!

  Weerloos zijn wij ten dode opgeschreven,

  Heer, red ons leven!

4

  Wie anders kan genezen alle wonden,

  dit aards bestaan, vergiftigd door de zonde?

  Tot U, o Heer, is nu in vrees en beven

  ons hoofd geheven!

5

  Heer Jezus, Gij zijt aan het hout gehangen,

  om ons verheven, boven alle slangen;

  om onze pijn en ziekten weg te dragen

  zijt Gij geslagen.

6

  Lof zij U, Christus, Gij hebt ons genezen!

  Wij staan weer op, als uit de dood verrezen!

  U willen wij voor dit geluk van boven

  van harte loven!

---

*148

#4

1

  O nacht zo lang, gij langste aller nachten,

  is God vergeten wat Hij heeft beloofd -

  zijn wij verbannen, weg uit zijn gedachten,

  het allerlaatste vonkje hoop gedoofd?

2

  Keer tot ons weer, o zaad zo diep verloren,

  weet dat de oogst der wereld op U wacht;

  Gij Zoon van God, Gij mens met open oren,

  treed weer naar voren, kom in deze nacht!

3

  Oase in een woestenij van dromen,

  o vuurkolom, bevestig onze voet,

  Gij sprankje hoop, te goeder uur gekomen,

  ga voor ons uit, de morgen tegemoet.

4

  Maak deze nacht, de langste aller nachten,

  licht als de dag, die lachend leven vindt

  en leg ons lot terug in Gods gedachten,

  Gij licht, die nacht en nevel overwint.

---

*149

#4

1

  Waarom, o God, waarom, waarom,

  o Here God, waarom:

  dit jonge lichaam, doof en stom,

  ijskoud - o God, waarom?

  Na het allerlaatst gevecht

  in de aarde weggelegd

  en wie, wie weet waarom?

2

  Was Hij dan niet uw eigen Zoon,

  een kind bij U aan huis?

  Waarom dan toch die doornenkroon,

  dat spijkerharde kruis?

  Of - was Hij het offerlam

  dat de zonden op zich nam,

  zijn bloed, brengt d t ons thuis?

3

  Dit jonge leven heeft een eind

  al heeft het niets misdaan.

  Is dan de dood die ginds verdwijnt

  daarom voorbijgegaan?

  In het paaslicht keert Gij om

  onze vragen, ons waarom -

  Christus is opgestaan!

4

  Dit lam kleurt onze deuren rood,

  de dood komt hier niet in!

  Reisvaardig eten wij ons brood,

  het leven krijgt weer zin,

  want door dit bevrijdend bloed

  dat de toekomst open doet,

  is er een nieuw begin!

---

*150

#4

1

  Aan de nacht zijn wij ontkomen,

  aan de vuist van de despoot,

  aan het diensthuis van de duivel,

  aan het duister van de dood.

2

  Aan de nacht zijn wij ontkomen,

  aan de leeuw die heeft gebruld,

  aan de vloedgolf van de zonde -

  aan het vuilnis van de schuld.

3

  Aan de nacht zijn wij ontkomen,

  aan de woede der woestijn,

  aan de dreiging van de dromen

  nooit en nergens thuis te zijn.

4

  Aan de nacht zijn wij ontkomen,

  aan de plaag van het gericht -

  laat de wijn van vreugde stromen

  Pasen! Kana„n in zicht!

---

*151

#8

1

  Brandend van verlangen,

  witte toorts van licht,

  midden in een lange

  doodsnacht opgericht.

2

  Keervers:

  Kaars van God gegeven,

  schitter in dit uur,

  Christus, wees ons leven,

  wees ons vreugdevuur.

3

  Duister zijn de dagen,

  donker is de tijd,

  haast niet te verdragen

  wat ten hemel schreit -

  Keervers

4

  Waakvlam van de vrede,

  wachter in de nacht,

  vuurkolom die heden

  waakt en op ons wacht -

  Keervers

5

  Fakkel van verzoening,

  druipend uit de doop,

  recht naar Gods bedoeling,

  breekbaar als de hoop -

  Keervers

6

  Licht dat uit de doden,

  uit de nacht verrijst,

  vlam die niet te doven

  naar de dag verwijst -

  Keervers

7

  Hunkerend naar boven

  smelt Gij aan de vlam,

  sterft Gij zienderogen,

  korte, stompe stam -

  Keervers

8

  Brandend van verlangen

  toont Gij Gods gezicht:

  liefde, onbevangen,

  vrolijk levenslicht!

  Keervers

---

*152

#3

1

  Die in de kribbe lag is koning,

  die aan het kruis hing is niet dood,

  het graf is tijdelijke woning,

  de aarde baart de vrucht der schoot;

  de hemel rolt de steen opzij -

  weent niet, weest blij, weest blij!

2

  Er is geen huis dat Hem kan houden,

  de rotssteen houdt het water niet!

  Gij die dit wonder Gods aanschouwde,

  drink hier de wijn die Christus biedt,

  drink hier de drank die niemand doodt,

  eet manna, levensbrood!

3

  Die werd gekruisigd heerst als koning!

  Hij neemt de dood zijn wapens af,

  wijst ons het land van melk en honing -

  de wind verwaait het kwaad als kaf.

  Dan smaakt het leven altijd zoet:

  vreugde in overvloed!

---

*153

#5

1

  Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt,

  rotsen gaan open als deuren,

  dit is de kracht die de aardbodem kraakt -

  Pasen, in geuren en kleuren!

2

  Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt,

  juicht, want de wacht is geweken,

  weg de soldaat die het graf heeft bewaakt -

  Pasen, de nacht is bezweken!

3

  Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt,

  zingt, want het leed is verleden,

  hier is de hand die ons hart heeft geraakt -

  Pasen, Gods liefde schrijft: heden!

4

  Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt,

  dit is het zaad in de vore,

  dit is de zon die het licht heeft gezaaid -

  Pasen, de oogst is geboren!

5

  Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt,

  duivel en dood zijn verdreven;

  alwie gelooft heeft de honing gesmaakt -

  Pasen: het eeuwige leven!

---

*154

#3

1

  God dank, er is een deur ontsloten,

  geef aarde, geef uw doden prijs!

  Zie, aan het kruishout: Jonge loten,

  hier wordt een graftuin paradijs.

  ZIng halleluja, open aarde,

  Zing halleluja, donker graf -

  geloof wat God u openbaarde:

  Hij neemt de dood het leven af.

2

  Schrik niet - de aarde wordt gespleten,

  hoor hoe zij kreunt in barensnood,

  bevend wordt zij uiteengereten,

  o moederland, o moederschoot!

  Hier wordt de mens opnieuw geboren:

  een kind dat naar zijn Vader aardt,

  een Zoon met oren om te horen -

  zalig de moeder die Hem baart!

3

  Eens zullen alle bergen scheuren,

  eens breken alle rotsen stuk,

  dan worden graven open deuren,

  poorten naar straten van geluk;

  zingende zullen zij daar lopen

  die uit hun graven zijn gegaan:

  de hemel doet de aarde open -

  Christus is waarlijk opgestaan!

---

*155

#3

1

  God dank! Laat iedereen het horen:

  Christus is waarlijk opgestaan!

  Wij gaan niet in de nacht verloren -

  Pasen: de grote dag breekt aan!

  Geen grafsteen houdt het zonlicht tegen,

  een engel kondigt stralend aan:

  Ziet waar zijn lichaam heeft gelegen,

  waarlijk de Heer is opgestaan!

2

  Wij hadden alle hoop verloren,

  niemand van ons zag toekomst meer;

  leeg was ons hart, als nooit tevoren

  zo eenzaam, zonder onze Heer.

  Hopeloos donker was ons leven,

  een bange droom, een lange nacht;

  waar was ons laatste licht gebleven:

  Christus, die ons de toekomst bracht?

3

  God dank! De hemel heeft gesproken:

  Wie zoekt gij toch? Hij is hier niet!

  Een nieuwe lente is ontloken,

  vreugde begraaft het diepst verdriet.

  God lof! De nacht is overwonnen,

  het daglicht krijgt voorgoed ruim baan,

  de toekomst is vandaag begonnen -

  waarlijk, de Heer is opgestaan!

---

*156

#4

1

  Halleluja! De eerste dag

  is stralend aangebroken:

  een engel heeft op Gods gezag

  het vreugdevuur ontstoken;

  in alle vroegte roept de haan:

  De Heer is waarlijk opgestaan!

  De nacht is grijs verleden,

  het heden wit van vrede.

2

  Nu doet de hel geen deur meer dicht,

  de hemel heeft gewonnen

  met helder licht dat lichter is

  dan honderdduizend zonnen!

  Gij, uitgedoofd en uitgeblust,

  sta op en put weer levenslust:

  de rust waar wij van dromen,

  de sabbat is gekomen!

3

  Die uit het graf kwam heeft de dood

  zijn laatste woord ontnomen;

  zijn liefde kleurt de morgen rood,

  zijn toekomst is gekomen.

  Die is verrezen uit het graf

  geeft nu de dood zijn eigen straf -

  voor hem staat streng geschreven:

  Geen toegang tot het leven!

4

  Dit is - God lof! - de eerste dag.

  Wie zou zich niet verheugen

  nu heel de kerk ervaren mag

  een voorproef van de vreugde?

  Een zondag vol van zonneschijn,

  om zonder zorgen blij te zijn,

  en God lof toe te zingen

  om al zijn zegeningen!

---

*157

#4

1

  Heden gaat de hemel open,

  wij herkennen Gods gezicht;

  Pasen doet ons vurig hopen

  dat nu al het duister zwicht -

  halleluja, halleluja,

  hier komt liefde aan het licht!

2

  Heden is de Zoon herboren

  die om onze zonden kwam,

  hart van God, aan ons verloren,

  kind, dat zelf het brandhout nam -

  halleluja, halleluja,

  herder, priester, offerlam!

3

  Heden staat de dood verlegen,

  nu het leven zelf verschijnt.

  Komt de donkre dood u tegen,

  weet dat hij te zijner tijd,

  halleluja, halleluja,

  in zijn eigen graf verdwijnt!

4

  Heden meer dan ooit tevoren,

  mensen, ziet: de dag begint!

  Heel de hemel staat te gloren,

  Licht-der-wereld heet dit kind -

  halleluja, halleluja,

  zon die stralend overwint!

---

*158

#3

1

  Het graf is leeg - Christus is opgestaan!

  Nu kan het leven lachend nieuw beginnen!

  De hemel zweeg - nu kondigt God ons aan

  het licht dat elke nacht zal overwinnen:

  het rijk dat is en komen zal weldra -

  halleluja!

2

  De aarde beeft - God zelf schuift aan de kant

  de grafsteen die zijn woord heeft doodgezwegen

  De Vader geeft zijn Zoon de rechterhand

  en geen soldaat, geen legioen houdt tegen

  het rijk dat is en komen zal, weldra -

  halleluja!

3

  Gezegend, Heer, gezegend zij uw licht!

  Gij hebt de dood het laatste woord ontnomen,

  en meer en meer zien wij uw aangezicht

  nu Gij ons leven tot uw licht laat komen:

  het rijk dat is en komen zal, weldra -

  halleluja!

---

*159

#4

1

  Het zaad dat in de aarde lag,

  halleluja,

  komt opgetogen voor de dag,

  halleluja!

  Het morgenrood

  reikt ons het brood, halleluja!

2

  Dit zaad dat duizendvoudig draagt,

  halleluja,

  voor Hem die rijpe vruchten vraagt,

  halleluja,

  de aarde uit:

  ons levenskruid, halleluja!

3

  Dit stille zaad dat sterven moet,

  halleluja,

  is Christus - brood in overvloed,

  halleluja!

  Gods goede graan

  is opgestaan, halleluja!

4

  Wie eigen leven hier verliest,

  halleluja,

  en v¢¢r het graf dit graan verkiest,

  halleluja,

  eet in zijn dood

  dit eeuwig brood, halleluja!

---

*160

#6

1

  Nu is het pasen - Jezus leeft!

  Komt allen, sluit u aan -

  die onze dood verslagen heeft:

  de Heer is opgestaan!

2

  O blijf niet achter, aarzel niet,

  ga mee, de wereld door;

  Hij gaat door heel zijn rijksgebied

  ons zegevierend voor.

3

  Nu zal geen grens meer scheiding zijn,

  geen ras, geen kleur, geen taal,

  o landen, volken, groot en klein,

  Hij roept u allemaal!

4

  Geen macht in hemel en op aard

  maakt Pasen ongedaan,

  en wie zich achter Christus schaart

  zal vrede binnengaan.

5

  Want welke vijand ons bedreigt,

  zijn wapen deert ons niet -

  als eens de laatste vijand zwijgt

  klinkt nog dit vrolijk lied.

6

  O hoor, de klokken luiden blij;

  komt allen, sluit u aan,

  dan zeggen, zingen, juichen wij

  de Heer is opgestaan!

---

*161

#4

1

  O vlam van pasen, steek ons aan,

  de Heer is waarlijk opgestaan!

  De Zoon, die voor geen zonde zwicht,

  de Zoon is als de zon, zo licht!

2

  De Vader laat niet in het graf

  een kind dat zoveel vreugde gaf,

  Hij tilt het uit de kille grond -

  het loopt als vuur de wereld rond.

3

  De oude nacht voorgoed gedood,

  de toekomst kleurt de morgen rood,

  ziehier hoe God vergevend is

  en hoe zijn liefde levend is.

4

  Ziehier het licht van lange duur,

  ziehier de Zoon, de zon, het vuur;

  o vlam van Pasen, steek ons aan -

  de Heer is waarlijk opgestaan!

---

*162

#5

1

  Steekt de loftrompet, / ademt opgetogen!

  Dank zij Gods verzet / wordt uw leed beloond,

  wordt de dood ontkroond - / open gaan uw ogen!

2

  Mens, hoezeer verblind, / wachtend op een wonder,

  was gij als een kind / dat de weg niet weet,

  elke wet vergeet - / zo ging gij ten onder

3

  tot een herder kwam - / Hij is uw behouder;

  lijdend als een lam / nam Hij al uw schuld,

  drift en ongeduld, / zwijgend op zijn schouder.

4

  Zingt dan dat het schalt, / laat de wereld weten

  dat de duivel valt / in zijn eigen vuil,

  in zijn eigen kuil, / eens voorgoed vergeten.

5

  Steekt de loftrompet, / ademt opgetogen -

  Christus die ons redt / doet het duister dicht;

  het wordt langzaam licht: / Pasen zienderogen!

---

*163

#3

1

  Weest blij, weest opgewekt!

  God heeft zijn arm gestrekt,

  de winter overwonnen -

  de lente is begonnen!

  Nu breekt het voorjaar aan,

  de zomer komt eraan,

  het duister is gezwicht,

  de dag komt aan het licht -

  Christus is opgestaan!

2

  Die sliep is opgewekt!

  Hij heeft de poort ontdekt,

  de sleutel ons gegeven,

  de toegang tot het leven.

  Hij sluimerde, Hij sliep

  tot God hem wakker riep

  om vrolijk op te staan

  en in de tuin te gaan -

  Adam, die God herschiep.

3

  God dank! De dood vertrekt;

  wij leven opgewekt:

  God roept de doden wakker

  als halmen uit de akker.

  Laat ons daarom voortaan

  weg uit de graven gaan

  en leven met de Heer -

  het paradijs komt weer;

  Christus is opgestaan!

---

*164

#5

1

  Wij roepen U, Koning,

  onnoemelijk ver,

  wij zochten uw woning,

  wij volgden uw ster;

  er was in het donker

  niet meer dan geflonker -

  Gijzelf was zo ver!

2

  Gij toonde de volken

  uw fonkelend licht -

  waarom deden wolken

  de hemel weer dicht?

  Gij hoorde ons schreeuwen,

  een stem door de eeuwen:

  Heer, toon uw gezicht!

3

  Gij kwam naar beneden,

  Gij hield U niet ver,

  Gij leed wat wij leden,

  Gij viel als een ster,

  wij zagen U vallen,

  wij zagen het allen

  van heinde en ver.

4

  O Christus, gekruisigd,

  o licht, zo dichtbij,

  gevangen, verduisterd,

  ontluisterd zijt Gij -

  o ster aller sterren,

  wie stonden van verre,

  wie zwegen daar? Wij!

5

  't Is Pasen, wij weten:

  het licht overwon;

  God is niet vergeten

  wat Hij eens begon.

  De Heer openbaarde

  de hemel op aarde -

  dichtbij staat de Zon!

---

*165

#4

1

  Ik noem je bij je diepste naam:

  Maria, huil van nu af aan

  niet meer - Ik ben niet heengegaan

  maar heden heerlijk opgestaan!

2

  Houd Mij niet vast, raak Mij niet aan -

  wie Mij gelooft, die laat Mij gaan.

  Wanneer Ik voor Gods troon zal staan,

  pas dan is al mijn werk gedaan.

3

  Zeg het mijn broeders vrolijk aan

  en laat mijn zusters zingen gaan:

  Voorbij de wanhoop en de waan,

  uw Heer is waarlijk opgestaan!

4

  Zijn liefde is toch veel te groot

  voor onze tijdelijke dood -

  dus droogt uw tranen, allemaal,

  Hij noemt u bij uw diepste naam!

---

*166

#7

1

  Maria, waarom huil je,

  waarom zing jij geen lied?

  Maria, waarom schuil je

  en koester je verdriet?

2

  Maria, waarom zucht je

  en sta je daar alleen?

  Maria, waarom vlucht je,

  maar weet je niet waarheen?

3

  Maria, waarom ben je

  voor duivelen weer bang?

  Maria, daarvoor ken je

  de Meester toch te lang!

4

  Maria, waarom ween je,

  zie jij het graf dan niet?

  Maria, zegt de steen je

  niet wat er is geschied?

5

  Maria, waarom sta je

  verslagen, moe en mat?

  Maria, waarom ga je

  niet juichend naar de stad?

6

  Maria, waarom meen je

  dat Hij is heengegaan?

  Maria, waarom ween je?

  De Heer is opgestaan!

7

  Maria, Hij is bij je,

  niet ver bij je vandaan:

  Maria, Hij verschijnt je

  en noemt je bij je naam!

---

*167

#4

1

  Zingt voor de Heer dit vrolijk lied, halleluja,

  al slaapt gij vast, al waakt gij niet, halleluja,

  van vreugde kraait opnieuw de haan, halleluja,

  de Heer is waarlijk opgestaan, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja.

2

  Al val ik tegen, Hij valt mee, halleluja,

  Hij wandelt met mij op de zee, halleluja,

  Hij zendt mij uit, Hij zegt mij: Ga!, halleluja,

  al zeg ik nee, toch zegt Hij ja, halleluja.'

  Halleluja halleluja, halleluja!

3

  Hij waakt - Hij slaapt en sluimert niet, halleluja,

  Hij ziet, Hij ziet wat gij niet ziet: halleluja,

  als onze nacht is heengegaan halleluja,

  dan breekt met kracht het paaslicht aan, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

4

  Zingt dan voor Hem uw leven lang, halleluja,

  zingt door tot aan zonsondergang, halleluja,

  al neemt de slaap van u bezit, halleluja,

  uw Heer en Heiland waakt en bidt, halleluja.

  Halleluja, halleluja, halleluja!

---

*168

#7

1

  Traag waren onze harten,

  te traag om te verstaan

  waarom Gij, man van smarten,

  dat leed moest ondergaan.

2

  Slechtziende onze ogen:

  hoe waren wij verblind,

  toen Gij voorbij kwam lopen,

  een vreemdeling, een vriend.

3

  En onze lege handen

  ontvingen in dat uur,

  zodat ons hart ging branden

  en vonkte van nieuw vuur.

4

  Heer, onze stille tongen

  die vatten vrolijk vlam,

  toen wij de lofzang zongen

  en Gij het brood opnam.

5

  En onze open monden

  die zegenden uw naam,

  toen wij verbaasd de wonden

  diep in U zagen staan.

6

  En onze moede voeten

  die vlogen vliegensvlug

  om treurenden te groeten:

  De Heer is weer terug!

7

  Hoe branden onze harten,

  zij hunkeren te gaan,

  te zingen door de landen -

  De Heer is opgestaan!

---

*169

#3

1

  Niet zien en toch geloven -

  o God als Gij mij helpt

  dan zal ik toch U loven,

  hoezeer ik overstelpt

  door allerhande plagen,

  door twijfel en verdriet,

  naar het waarom blijf vragen -

  toch zing ik U dit lied!

2

  Niet zien en toch geloven:

  vertrouwend verdergaan,

  niet horend, als een dove,

  niet ziende, blind voortaan,

  niet reikend met mijn handen

  naar meer dan Gij mij geeft,

  maar wijs door scha en schande

  geloven dat Gij leeft!

3

  Niet zien en toch geloven -

  uw dag komt naderbij!

  De oren van de dove

  ontsluit en opent Gij!

  En al wie in den blinde

  op U alleen vertrouwt,

  zal eenmaal ondervinden

  dat wie gelooft, aanschouwt!

---

*170

#7

1

  Wie zegt ons dat de dood heeft afgedaan,

  dat wij niet eens voorgoed ten grave gaan,

  dat onze Heer waarlijk is opgestaan?

  Halleluja, halleluja!

2

  Maria weet: De Heer heeft mij gegroet,

  Hij heeft mijn ziel voor duivelen behoed,

  mijn naam genoemd, Hij kwam mij tegemoet!

  Halleluja, halleluja!

3

  Kleopas juicht: Een vreemde bracht ons thuis,

  Hij heeft ons oog geopend voor het kruis,

  Hij brak het brood, de Heer was in ons huis!

  Halleluja, halleluja!

4

  Thomas vertelt: Ik heb Hem zelf gezien,

  nadat Hij was verschenen aan de tien

  en nu geloof ik zonder Hem te zien!

  Halleluja, halleluja!

5

  Petrus getuigt: De Meester heeft mij lief,

  hoe diep ik viel, nadat ik mij verhief;

  Hij zendt ook mij, Hij weet: ik heb Hem lief!

  Halleluja, halleluja!

6

  Zoals God zelf zijn Zoon gezonden heeft,

  zo zendt de Heer getuigen en Hij geeft

  ook ons bevel - zegt allen: Jezus leeft!

  Halleluja, halleluja!

7

  Als alle graven eenmaal opengaan

  dan heeft de dood voor altijd afgedaan,

  want Jezus leeft! De Heer is opgestaan!

  Halleluja, halleluja!

---

*171

#7

1

  Dit is de nieuwe dag,

  het paasfeest van de Heer;

  die in de aarde lag

  staat op en kent ons weer.

2

  Is dit waarachtig waar,

  is dit geen vrome wens?

  Was dan uw grafsteen maar

  een tijdelijke grens

3

  en is uw liefde, Heer,

  nog sterker dan de dood?

  Wij zien U bij het meer -

  de hemel hoopvol rood.

4

  Wij hebben lang gevist

  en moedeloos gewacht.

  Wij hebben U gemist

  in oeverloze nacht.

5

  Nu staat Gij op het strand

  aan onze horizon;

  Gij wenkt ons met uw hand

  als ‚‚n die overwon.

6

  Gij zijt de vis, het vuur,

  Gij zijt het levend brood.

  Wij zwijgen in dit uur,

  want dit geheim is groot.

7

  Dit is de nieuwe dag,

  de morgen van de Heer.

  De zon rijst met een lach -

  wij zien de toekomst weer.

---

*172

#5

1

  Gij hebt met zoveel woorden

  en metterdaad getoond

  dat Gij ons roepen hoorde,

  dat Gij ons lijden loont.

  Wij, door de nacht gegaan,

  wij zien U, vroeg of later,

  op hoge oever staan:

  ons Hoofd al boven water.

2

  Gij hebt met vuur van liefde

  een maaltijd ons bereid,

  Gij scheldt ons wat U griefde,

  de schuld van harte kwijt.

  Gij legt uw brood, uw vis,

  in onze holle handen -

  wie hier genodigd is

  vindt overvolle manden.

3

  Gij hebt met taal en teken

  de duivel aangezegd,

  dat eens de tijd verstreken,

  het pleit zal zijn beslecht.

  Zodra uw roep weer klinkt,

  de zee zich leeg laat lopen,

  ons net vol vissen blinkt,

  bloeit rood uw toekomst open.

4

  Gij hebt met eigen woorden

  het leven ons beloofd,

  dus kan de dood vermoorden

  het lichaam noch het Hoofd;

  in U reeds opgestaan,

  ons Hoofd al in de wolken,

  gaan wij U achteraan:

  de voorste van de volken!

5

  Gij hebt met ziel en zinnen

  de hemel voorgeleefd,

  om zo opnieuw te winnen

  wie zich verloren geeft;

  reikhalzend heffen wij

  ons hart om God te loven -

  op aarde hebben wij

  in U ons Hoofd al boven!

---

*173

#4

1

  Wij leven opgewekt!

  Licht heeft de dood ontdekt

  en voor zich uitgedreven -

  de schepping zal herleven.

  De Zoon des mensen sliep

  totdat de dag Hem riep

  uit aarde opgestaan

  zijn bruid vooruit te gaan:

  Adam, die God herschiep.

2

  Wij leven opgewekt!

  God heeft zijn arm gestrekt

  en op een wenk van boven

  is blinkend licht ontstoken.

  De zon wint stad en land,

  de zonde houdt geen stand,

  de zomer komt in zicht,

  de Zoon, die is het licht -

  Hij krijgt de overhand!

3

  Wij leven opgewekt!

  Als straks de dood vertrekt

  roept paaslicht in de akker

  de diepste zaden wakker.

  Die stierven in de Heer

  die sterven dan nooit meer;

  de allerkleinsten staan

  met volle aar vooraan -

  morgen zien wij hen weer!

4

  Wij leven opgewekt!

  AI wordt met steen bedekt

  ons vlees en ons gebeente,

  houd moed, gij, zijn gemeente!

  De dag breekt spoedig aan,

  dan zullen opengaan

  de graven, rij aan rij -

  o zing, bij voorbaat blij:

  Christus is opgestaan!

---

*174

#3

1

  Zingt met de vogels mee een lied,

  de leeuwerik verzwijgt het niet:

  Christus is aller koning!

  De zwaluw roept u toe: Ziehier,

  Gods liefde is voor mens en dier

  een altijd open woning!

  Hij bergt de wereld in zijn hart,

  geen musje, hoe dan ook benard,

  gaat zonder Hem te gronde;

  wie vallen van de heuveltop

  die vangt Hij met zijn vleugels op -

  Hij draagt ze ongeschonden.

2

  Zingt met de vogels mee een lied,

  een lofzang tegen uw verdriet,

  een loflied op het leven;

  geen wacht, geen wapen kon weerstaan

  het vroege roepen van de haan:

  de doodsnacht is verdreven!

  Zingt met de watervogels mee,

  zingt met de meeuwen langs de zee:

  de ark is niet gezonken!

  Ginds koert de duif bij de Jordaan:

  de Heer is waarlijk opgestaan,

  zijn Geestkracht ons geschonken!

3

  Zingt met de vogels mee een lied,

  met Mirjam, kleine karekiet,

  met Mozes op het water,

  met David en met Jonathan,

  met alleman die zingen kan,

  een lied voor nu en later.

  eens laat de dood de doden los,

  dan zingen hei en veld en bos,

  mezen en merels samen,

  dan zingt de mus victoria,

  dan zingt de zwaluw gloria,

  voor eeuwig ja en amen!

---

*175

#6

1

  Here Jezus, na dit leven

  daal ik af,

  in een graf

  door de dood omgeven,

  als het zaad dat in de akker

  wordt gestrooid.

  Maakt Gij ooit

  uit die slaap mij wakker?

2

  Dat ons lichaam tot de aarde

  wederkeert

  en verteert -

  wie kan dat aanvaarden,

  dat de tijd het zal ontbinden

  in de schoot

  van de dood

  eens niet meer te vinden?

3

  Heer, ik weet dat Gij uw leven

  als een zaad

  dat vergaat

  voor ons hebt gegeven;

  Gij zijt als de eerste bode

  opgestaan

  en voortaan

  Eersteling der doden!

4

  Uit het duister weggenomen,

  tot het licht

  opgericht,

  aan de dag gekomen,

  zo groeit Gij ons ver te boven,

  allerhoogst

  in de oogst

  hemelhoog te loven!

5

  Christus, roep de doden wakker,

  doe hen staan

  als het graan

  wuivend op de akker,

  dan zal naar uw welbehagen

  jong en oud

  duizendvoud

  rijpe vruchten dragen.

6

  Zo kan ik de moeder aarde

  als de schoot

  van de dood

  in geloof aanvaarden.

  Heer, Gij zelf zult mij omgeven

  als een zaad

  dat vergaat

  tot het eeuwig leven.

---

*176

#5

1

  Laat ons van pasen zingen,

  een loflied voor de Heer!

  Al zijn wij stervelingen,

  ons raakt de dood niet meer;

  wie zich gewonnen gaf

  leeft voort in stil vertrouwen

  voorbij een donker graf

  het daglicht te aanschouwen.

2

  Aanbidt van ganser harte

  de Vader op de troon,

  en blijft zijn zon verwachten,

  de zomer van zijn Zoon;

  wanneer Hij wederkomt,

  de volken zal regeren

  en elk rumoer verstomt

  van zwaarden en geweren,

3

  dan laat zich vrede vinden,

  de vrucht door Hem gezaaid -

  wij zullen halmen binden,

  door engelen gemaaid.

  Dat zal een oogstfeest zijn!

  Voor eeuwig is het Pasen:

  de wereld, nu woestijn,

  wordt ‚‚n en al oase,

4

  de grote zee een weide,

  de oceaan vallei,

  in het moeras groeit heide,

  het leed voorgoed voorbij!

  Geen haat, geen hongersnood,

  geen oorlog zal daar wezen,

  gezegend morgenrood,

  de aarde zal genezen!

5

  Laat ons van Pasen zingen,

  een loflied voor de Heer!

  Al zijn wij stervelingen,

  wij erven des te meer.

  wanneer God zelf ons haalt,

  dan gaan wij uit het lijden

  het licht in dat daar straalt -

  zijn bloeiend jaargetijde!

---

*177

#3

1

  Halleluja, overwonnen

  is de duivel en de dood!

  Meer dan honderdduizend zonnen

  kleurt dit licht de hemel rood:

  halleluja, halleluja,

  overwonnen is de dood!

2

  Laat de doden, laat ze slapen,

  slapen in dit vroege uur

  tot de aarde is herschapen

  in een nieuwe creatuur -

  halleluja, halleluja,

  Christus wekt hen in dat uur!

3

  Laten wij dan vrolijk zingen

  want de dag breekt spoedig -

  dat de graven openspringen,

  als de dood is doodgegaan!

  Halleluja, halleluja,

  Christus, Hij is opgestaan!

---

*178

#5

1

  Die uit de dood is opgestaan

  is dwars door de woestijn gegaan,

  de lange veertigdagentijd

  die ons van Kana„n nog scheidt.

2

  Hij heeft de farao onttroond -

  het paaslicht heeft een lam gekroond;

  de dood is in de rode zee

  verdronken en telt niet meer mee.

3

  Zijn liefde brandt als lopend vuur -

  uw honger is van korte duur.

  Hij is het brood, Hij is de vis,

  wiens dood ons eeuwig leven is.

4

  Steeds hoger is Hij heengegaan,

  vlak voor zijn voeten: de Jordaan -

  blij groeten hoog en wagenwijd

  Gods poorten Hem die binnenrijdt.

5

  0 gij die overwinnen wilt

  de duivel die geen honger stilt,

  betreedt het land dat Hij betrad -

  vlak voor u ligt uw moederstad!

---

*179

#6

1

  O Christus, hoog verheven,

  kom, grote adelaar,

  om onder ons te zweven -

  wij zijn in groot gevaar!

2

  Wij kunnen niet aanschouwen

  het heerlijk hemels licht,

  de vleugels niet ontvouwen -

  wij doen de ogen dicht.

3

  O Adelaar, wij vallen

  te pletter op de grond,

  kom, Christus, draag ons allen,

  o Vogel, kom terstond!

4

  Wij zouden U niet vragen

  als Gij niet redden kon;

  het licht hebt Gij verdragen,

  de hitte van de zon.

5

  O Arend, opgevaren

  op vleugels van het kruis,

  wil heel uw kerk bewaren,

  breng uw gemeente thuis!

6

  O Vogel, kom van boven

  en draag ons, breed en wijd,

  dan zullen wij U loven

  nu en in eeuwigheid!

---

*180

#3

1

  Ten hemel opgevaren

  is Christus, aller hoofd!

  Blijft niet wanhopig staren

  naar wat geen heil belooft;

  laat het woord, laat het woord nu horen,

  zegt het voort, zegt het voort, herboren

  is ieder die gelooft.

2

  God laat u niet als wezen:

  zijn vuur daalt op uw hoofd,

  zijn woord, in u te lezen,

  zijn vlam die niemand dooft.

  Laat het woord, laat het woord nu horen,

  zegt het voort, zegt het voort: herboren

  is ieder die gelooft.

3

  Gaat dan met open oren

  zijn toekomst tegemoet,

  Hij zal uw roepen horen -

  houdt altijd goede moed!

  Laat het woord, laat het woord nu horen,

  zegt het voort, zegt het voort: herboren

  is ieder die gelooft!

---

*181

#3

1

  Als de wind die waait met vlagen,

  zo verrassend waait de Geest,

  soms een storm, met donderslagen,

  soms een stem: Wees niet bevreesd!

  Soms een vlam, een vonk van boven,

  soms een haard die laait van vuur,

  soms een lamp die uit kan doven,

  soms een glans van korte duur.

2

  Soms een wolk die gul wil geven

  schaduw op geblakerd land,

  soms een zon die, hoogverheven,

  zindert op het mulle zand;

  bron van lachend, levend water,

  bedding, beek, rivier, fontein,

  stroom van heil - maar even later

  opgedroogd en weer woestijn.

3

  Als een woord dat weg wil wijzen,

  richting geeft en ruimte biedt,

  als een brood, een vaste spijze,

  s¢ms, soms ‚ven - soms ook niet.

  Soms, soms lijkt geen wind te waaien,

  alles tevergeefs geweest

  totdat weer in lichterlaaie

  vonkt en vlamt: het vuur, de Geest!

---

*182

#6

1

  Als heimwee is de Geest zo sterk;

  naar huis verlangend roept de kerk,

  zij roept als bruid haar bruidegom:

  Kom haastig, Here Jezus, kom!

2

  De stemmen stormen op ons aan:

  waarom toch is Hij heengegaan?

  Waarom Zijn wij verweesd, verward?

  Waarom dat heimwee in ons hart?

3

  Waarom die wond, waarom die pijn,

  wat kan de zin van ziekte zijn,

  van liefde, als het bloed zo rood,

  verloren in een vroege dood?

4

  Zo zucht de Geest door alles heen,

  hij laat ons, zuchtend, niet alleen;

  de Geest is het die voor ons pleit

  en met de schepping mede lijdt.

5

  Als heimwee is de Geest zo sterk:

  naar huis, naar huis verlangt de kerk,

  naar Hem die ons een plaats bereidt -

  geen mens die daar nog schade lijdt.

6

  Daar vraagt de bruid niet meer waarom,

  daar komt de bruiloftstijd weerom,

  daar wordt het liJden weggekust

  en al het heimwee komt tot rust.

---

*183

#4

1

  De adem Gods beroert de aarde:

  een wolk van vuur is uitgestort!

  God die zijn liefde ons verklaarde

  heeft met zijn geestkracht ons omgord.

  Vult met lucht uw longen,

  opgetogen tongen,

  zingt met hart en mond:

  halleluja, amen -

  God noemt u bij name,

  bruid van zijn verbond!

2

  De pinkstervlam zal nimmer doven,

  de duif daalt uit den hoge neer,

  de Geest bewerkt in wie geloven

  een ongekende ommekeer.

  Vuur van God ontstoken,

  tongen losgebroken,

  zingt met hart en mond:

  halleluja, amen -

  God noemt u bij name,

  bruid van zijn verbond!

3

  Wij danken God voor zijn belofte

  aan ons en aan ons nageslacht;

  wij doen met vreugde de gelofte

  van nu voortaan, bij dag en nacht,

  oud en jong te leren:

  zingt uw God ter ere,

  zingt met hart en mond

  halleluja, amen -

  God noemt u bij name,

  bruid van zijn verbond!

4

  Gij uitverkorene, treed nader,

  hoor heden op dit pinksterfeest

  uw naam met die van God de Vader,

  uw naam met die van Zoon en Geest.

  AI uw schuld vergeven,

  nieuwgeboren leven,

  zing met hart en mond:

  halleluja, amen -

  God noemt u bij name,

  bruid van zijn verbond!

---

*184

#9

1

  In vuur en vlam zet ons de Geest

  gegeven op het pinsterfeest,

  ten leven op ons uitgestort -

  hoort hoe Gods kerk geboren wordt!

2

  Wie door dit vuur wordt aangeraakt

  en uit het ongeloof ontwaakt,

  beleeft - God lof! - een ommekeer,

  de dag van de verrezen Heer.

3

  Wie op het rijk van Christus hoopt

  ontvangt de Geest en wordt gedoopt -

  God heeft uw zonden weggedaan,

  een nieuwe mens is opgestaan!

4

  Al slaat men ons met zweep en stok,

  geboeid, geketend in het blok,

  wij weten: God houdt trouw de wacht -

  wij zingen psalmen in de nacht!

5

  En is uw vlam haast uitgeblust,

  gij moedeloze, hier is rust!

  Alwie in eerbied voor Hem knielt

  wordt met zijn vuur opnieuw bezield.

6

  Wie gaan gebukt door angst en pijn

  of schuldeloos gevangen zijn,

  om Christus en het recht bespot,

  hun offer is bekend bij God.

7

  Heeft iemand meer dan nodig is

  die schenkt wat overbodig is,

  want liefde maakt ons meer dan rijk,

  ons wacht zijn land, zijn koninkrijk.

8

  De aarde is ons toevertrouwd,

  God strooit ons uit als zoutend zout,

  als licht dat in het duister straalt

  en metterdaad zijn woord vertaalt.

9

  Zo waait de wind, zo blaast de Geest,

  zo laait het vuur van pinksterfeest,

  wij zijn het lichaam, Hij het hoofd -

  uw naam, Heer Jezus, zij geloofd!

---

*185

#7

1

  O Geest van God, die wind en vuur

  en kracht van boven zijt,

  kom dwars door onze hoge muur

  en maak de poorten zijd!

2

  Nu zien wij pas, met grote schrik:

  die muur is niet van stro -

  van stenen is hij, even dik

  als die van Jericho.

3

  Geen mens kan hier vrij in of uit,

  de poorten zijn op slot -

  o bitter hart dat buitensluit

  het woord, het volk van God!

4

  Wij willen wel een land van licht,

  maar weigeren het kruis -

  zo blijven onze deuren dicht

  en is ons hart geen huis.

5

  O wind, o vlam, o pinkstervuur,

  gij vonk van hogerhand,

  kom uit de hemel door de muur,

  steek elke poort in brand -

6

  en waai door onze weerstand heen,

  breek stuk ons trots verzet,

  blaas weg dat harde hart van steen,

  gij vlammende trompet!

7

  Dan zal de kerk oase zijn

  waardoor in lange stoet

  de pelgrims gaan, van groot tot klein

  uw hofstad tegemoet!

---

*186

#6

1

  Zing met ons mee uit alle macht,

  zing met ons mee te middernacht;

  al zien wij nog de morgen niet,

  wij zingen toch dit vrolijk lied!

2

  In vuur en vlam zet ons de Geest

  gegeven op het pinksterfeest,

  het licht dat, op ons uitgestort,

  weerkaatst, vermenigvuldigd wordt.

3

  Zijn wij bezorgd, bedroefd of bang,

  dan zingen wij een nieuw gezang;

  de vlam, ons door de Geest beloofd,

  wordt door geen duisternis gedoofd.

4

  Soms is ons lied een vuurkolom,

  soms blaast een psalm de muren om -

  dan is te horen, onverwacht,

  hoe wie gelooft ten laatste lacht!

5

  Hier straalt, nog voor de zon opgaat,

  het licht dat nimmer ondergaat;

  het is nog niet voorgoed te laat -

  geloof en doe uzelf geen kwaad!

6

  Zing met ons mee, uit alle macht,

  zing met ons mee te middemacht,

  zing met de hele kerk in koor,

  en geef dit licht de wereld door!

---

*187

#3

1

  Dat eens de Heer zal komen

  in deze wereldtijd,

  en langvervlogen dromen

  vertaalt in werk'lijkheid;

  de volkeren zal dopen

  in vrede en in recht -

  daar mogen wij op hopen,

  Hij doet al wat Hij zegt.

2

  Dat eens de Heer zal komen

  met allen, groot en klein,

  die door de dood ontnomen

  allang gestorven zijn,

  om ieder vrij te kopen

  die dan nog wordt geknecht -

  daar mogen wij op hopen,

  Hij doet al wat Hij zegt.

3

  Dat eens de Heer zal komen

  en heel de schepping juicht,

  de bloemen en de bomen,

  de zon, de maan zich buigt,

  de wolf het lam leert lopen,

  de leeuw niet langer vecht -

  daar mogen wij op hopen,

  Hij  doet al wat Hij zegt.

---

*188

#6

1

  De aarde is vervuild,

  veroordeeld tot de dood,

  de schepping schreeuwt - zij huilt,

  zij kreunt in barensnood!

2

  De aarde is vervuild

  tot in de verste hoek -

  de zegen wordt geruild,

  verkwanseld voor een vloek.

3

  O aarde, hoe vervuild

  door gifen gas en teer,

  God, die zich nog verschuilt,

  bewerkt een ommekeer:

4

  de aarde wordt vervuld

  door kinderen van licht

  en onze oude schuld

  bedekt voor zijn gezicht.

5

  De aarde wordt vervuld

  van groene overvloed -

  Jeruzalem onthult

  een wereld, gaaf en goed.

6

  De aarde wordt vervuld:

  Gods liefde uitgestort -

  zie hoe uit zijn geduld

  de hof herboren wordt.

---

*189

#3

1

  De zomer komt, de nieuwe aarde,

  niet langer heeft de dood vrij spel!

  De hoge hemel openbaarde

  de Heer komt zelf, Immanu‰l -

  de schone stad waarvan de muren

  aan alle kanten open zijn,

  het land met boordevolle schuren

  vol melk en honing, brood en wijn!

2

  Al wachten bladerloos de bomen,

  al dreigt ijskoud een harde hand,

  wij blijven oude dromen dromen,

  vlak voor ons: het beloofde land!

  Voorlopig staat ‚‚n ster te stralen:

  de Davidster van Isra‰l;

  God zal de winter achterhalen

  en winnen zal Immanu‰l!

3

  Kom, stad van God, waarin geen muren

  haatdragend tussen mensen staan!

  Het kan, het zal niet lang meer duren,

  dan is de bangste nacht gegaan;

  dan zegt de zomer alle wonden,

  de duivel en de dood vaarwel,

  dan zijn vergeven alle zonden -

  geprezen zij Immanu‰l!

---

*190

#3

1

  Een koning hebben wij!

  Zijn hoge heerschappij

  gaat over alle mensen

  zijn grootheid kent geen grenzen.

  Hij triomfeert, Hij troont

  daar waar zijn Vader woont;

  daar in zijn hemelhof

  is Hij met alle lof

  in heerlijkheid gekroond.

2

  Een koning hebben wij,

  niemand is zoals Hij -

  die volken openbaarde

  Gods vrederijk op aarde.

  Zijn zwakheid is zijn macht,

  zijn kwetsbaarheid zijn kracht,

  zijn kroon is niet van goud,

  zijn troon een kruis van hout -

  kom, Heer, de wereld wacht!

3

  Een koning hebben wij!

  Als Hij komt maakt Hij vrij

  wie nu nog is gebonden,

  geboeid door zorg en zonde.

  En als Hij ons bevrijdt,

  zijn vijanden ten spijt,

  voorgoed met recht regeert,

  leeft wie zich tot Hem keert

  met Hem in eeuwigheid!

---

*191

#7

1

  Geld maakt geen mens ooit rijk,

  alleen het koninkrijk

  dat God ons openbaarde:

  een koning zonder kroon,

  een kind, een mensenzoon,

  Gods heil op deze aarde.

2

  Abram hield zich niet doof;

  hij ging in recht geloof.

  God roept - wie houdt dan tegen?

  Trek weg uit stad en land!

  Een uitgestrekte hand

  wijst ongekende wegen.

3

  Mozes gaf een paleis

  vol kostbaarheden prijs;

  Gods woord heeft groter waarde.

  Hij dwaalt in de woestijn,

  een zwerver moet hij zijn,

  een vreemdeling op aarde.

4

  Ruth, ga naar Bethlehem!

  Gehoorzaam stil die stem:

  Trek weg uit het verleden!

  De volken zijn in tel

  bij God in Isra‰l -

  alwie Hem kiest vindt vrede.

5

  Elisa, draag het kleed,

  de mantel van profeet,

  roep oude dromen wakker!

  Omdat de Heer het vroeg

  verbrandt hij rund en ploeg,

  laat achter huis en akker.

6

  Gods Zoon komt in de nacht,

  het lam betrekt de wacht;

  o herders, laat uw schapen,

  staat op en gaat met haast,

  verwonderd, blij verbaasd -

  uw herder zal niet slapen!

7

  God roept een volk op weg,

  dat komt uit heg en steg

  en leeft van het gegeven:

  het is een woning rijk,

  een land, een koninkrijk:

  God zelf, het eeuwig leven!

---

*192

#3

1

  Gij volken, ziet en leest en hoort

  wat God belooft te geven;

  zijn beeld, zijn schrift, zijn levenswoord

  heeft Hij al uitgeschreven.

  De hemel daalt op aarde neer,

  een tuinstad vol genade,

  daar zien en horen wij de Heer

  in woorden en in daden.

2

  Leest wat van Hem geschreven staat,

  hoort wat er zal gebeuren:

  Hij scheidt het goede van het kwaad,

  de rotsen zullen scheuren,

  de zon is dan niet nodig meer,

  de zee zal niet meer wezen,

  dan plant Hij in de aarde weer

  de boom die zal genezen.

3

  Gij volken, ziet en leest en hoort,

  hoe ook in 't nauw gedreven:

  God heeft zichzelf, zijn erewoord,

  letterlijk u gegeven -

  o beeld, gemaakt van vlees en bloed,

  o schrift, aan ons geschreven,

  o woord, gesproken, eens voorgoed,

  uw beeldspraak is ons leven!

---

*193

#5

1

  Heer, Gij hebt dit lieve leven ons gegeven

  als een park, een paradijs,

  als een tuin om te betreden, hof van heden -

  Here God, Kyrie eleis!

2

  God, wat is er van gekomen? Onze dromen

  zijn door eigen schuld vergaan.

  Recht en vrede afgestorven, - hoe bedorven

  is dit menselijk bestaan!

3

  Kom ons harde hart bekeren, kom ons leren

  wat de Geest al heeft voorspeld:

  komen zal Gods rijk op aarde, niet door zwaarden,

  niet door kracht noch door geweld.

4

  Laat dat koninkrijk nu komen, doe ons dromen,

  dromen van dat kleine kind

  bukkend om een slang te strelen - zie ze spelen!

  heel uw schepping eensgezind.

5

  Dan wordt alles vol van vrede, uitgestreden

  buigen wij de wapens om.

  O, dan ploegen wij met zwaarden nieuwe aarde -

  Heer, uw vrede zingt alom!

---

*194

#4

1

  Heer, hoort Gij niet de wereld U om vrede vragen,

  de honger en de dorst naar de gerechtigheid;

  hoort Gij niet hoe wij smeken, schreeuwen, kermen, klagen:

  Hoelang, o Heer, hoelang? Het is de hoogste tijd!

2

  Ziet Gij niet allerwegen wapens opgeheven,

  verwarring, grof geweld, bedreiging met de dood;

  ziet Gij niet hoe wij vechten om te blijven leven,

  de handen uitgestrekt, als bedelaars om brood?

3

  Bespeurt Gij dan geen spanning onder alle volken,

  de onrust overal, de strijd om het bestaan?

  Heer, wanneer breekt uiteindelijk door onze wolken

  het zonlicht van uw dag, de grote sabbat aan?

4

  Reikhalzend strekken wij ons naar dat hemelhoge,

  dat veelbelovend rijk - o, laat ons op uw tijd

  met boordevolle handen en verrukte ogen

  de vrede binnengaan: het land Gerechtigheid!

---

*195

#4

1

  Heer, laat uw rijk nu komen,

  roep uit een nieuw bestaan

  dat eeuwenoude dromen

  doet in vervulling gaan:

  uw rijk van recht en vrede,

  alles wat wij misdeden

  voorbij, teniet gedaan.

2

  Heer, laat uw rijk nu komen,

  een eind aan veel verdriet

  om wat ons werd ontnomen,

  aan pijn die niemand ziet.

  Wij smeken: Heb erbarmen,

  Vader, strek uit uw armen,

  vergeet uw schepping niet!

3

  Heer, laat uw rijk nu komen,

  de stad voor ons bereid,

  de altijd groene bomen,

  met vrucht in elke tijd -

  geen nood, geen dood te vrezen,

  zieken voorgoed genezen,

  gevangenen bevrijd!

4

  Heer, laat uw rijk nu komen,

  o Christus, bruidegom,

  waarom nog langer schromen,

  nog aarzelen, waarom?

  Laat nu het feest beginnen,

  kom onze wereld binnen,

  Kom, Here Jezus, kom!

---

*196

#3

1

  Het einde alle tijden

  zal zwaar van dagen zijn:

  een bange nacht van lijden,

  een zwangerschap van pijn,

  een last, haast niet te dragen -

  of zou die dan misschien

  juist maken dat wij vragen

  het kind te mogen zien?

2

  Uit barensnood geboren

  komt liefde aan het licht

  die nieuwe hoop laat gloren,

  de wereld - wreed ontwricht -

  een gaaf gezicht zal geven,

  een hartslag zonder haat,

  een glimlach om het leven,

3

  Die teistering der tijden,

  de adem uit en in,

  de wee‰n van het lijden

  ontsluiten dit begin,

  en is het kind geboren

  dan zal de oude pijn

  geleden en vergeven,

  voorgoed vergeten zijn!

---

*197

#4

1

  Ik zie in zoveel dingen

  de vingers van Gods hand -

  Hij zaait zijn zegeningen

  de wereld is zijn land.

  Al ligt het zaad verborgen,

  ik weet wel dat het wacht,

  wacht op de zon die morgen

  verrijst in volle pracht.

2

  De bloesems aan de bomen,

  de vogels in de lucht,

  die zingen: God zal komen,

  de Geest geeft goede vrucht!

  Het woord is uitgesproken,

  het zaad valt wereldwijd -

  uw lente is ontloken,

  de grote zomertijd.

3

  Al woekert nog het onkruid,

  al wordt het zaad vertrapt,

  God rukt het kwaad de grond uit,

  het brandhout wordt gekapt;

  de maaiers zullen scheiden

  het koren van het kaf,

  de Zaaier zal bevrijden

  de garven uit hun graf.

4

  Ik zie in zoveel dingen

  de handen van de Heer,

  ik zal, ik moet wel zingen

  en zingend zie ik m‚‚r:

  het zaad groeit zienderogen,

  de halmen opgericht.

  Lof zij God in den hoge -

  de oogst is levenslicht!

---

*198

#7

1

  Ik zoek een stad waarvan ik weet:

  daar is voor mij een huis

  van vrede, leven zonder leed,

  een woning zonder kruis.

2

  Ik zoek een stad, een vesting waar

  ik veilig en beschermd

  kan wonen en kan werken, daar

  waar niemand klaagt en kermt.

3

  Ik zoek een stad, een stad die blijft,

  omgeven door een muur

  die hoog en droog de dood verdrijft,

  het water en het vuur.

4

  Ik zoek een stad die mij behoudt

  en altijd blijven zal,

  een stad door mensen sterk gebouwd

  en zichtbaar, overal.

5

  Maar deze stad waarnaar ik zoek,

  waarnaar ik zo verlang,

  is niet te vinden, hoe ik zoek,

  al zoek ik levenslang.

6

  Heer, in de stad die komen zal,

  uw stad, die als een bruid

  bij U vandaan komt en mij al

  waar ik naar zoek, ontsluit,

7

  de stad die nu nog boven is,

  de stad waarin het kruis

  van Christus hoog te loven is -

  in die stad kom ik thuis!

---

*199

#6

1

  In Christus brengt God ons terecht,

  Hij blijft zijn schepping trouw;

  in Hem bestaat geen Heer, geen knecht,

  geen man meer en geen vrouw.

2

  In Christus is de muur geslecht

  die haat en scheiding bracht,

  Hij was als meester aller knecht,

  zijn zwakheid was zijn kracht.

3

  In Christus is geen bruin of blank,

  geen heiden en geen jood,

  Hij is de nieuwe mens, God dank,

  de grens aan haat en dood!

4

  In Christus is de minste meer,

  wie schulden had, maakt winst,

  de slaaf niet minder dan de heer,

  de meeste krijgt het minst.

5

  In Christus zal God met ons zijn,

  Hij geeft vermoeiden rust,

  een vader bij zijn kind in pijn,

  een moeder die het kust.

6

  In Christus wenkt een nieuw bestaan

  een stad, versierd als bruid,

  met poorten die wijd openstaan

  daalt dan de hemel uit!

---

*200

#8

1

  In de nacht is Hij gekomen,

  in de stroom van ons bestaan,

  om de oerzee te betomen,

  om de zondvloed te weerstaan.

2

  In een kribbe is verschenen

  die een ster is in de nacht,

  die verdriet heeft met wie wenen,

  die verschijnt waar vreugde lacht.

3

  In het veld is het begonnen,

  omdat niemand ruimte gaf,

  bij de herders die Hem vonden

  bij de beesten, achteraf.

4

  In een stal werd Hij geboren,

  op een ezel moest Hij gaan,

  als een zwijgend schaap, geschoren,

  stemmeloos ter slachting gaan.

5

  In de vloed is Hij verdronken,

  in de pijn van onze schuld,

  maar zijn bloed wordt ons geschonken

  in de wijn van Gods geduld.

6

  In de dood is Hij gekomen

  tot volstrekte eenzaamheid;

  het hout van onze bomen

  schreeuwt de Mens die mede lijdt.

7

  In de oogsttijd daar gehangen,

  als het graan hoog opgetild:

  schoof en brood dat ons verlangen

  naar het leven eeuwig stilt.

8

  In de nacht zal het gebeuren

  dat de zee zijn woning is

  en in geuren en in kleuren

  land van melk en honing is!

---

*201

#4

1

  In oost en west, in noord en zuid

  roept God zijn jaargetijde uit,

  de cirkel is doorbroken:

  geen herfst keert weer,

  geen winter meer,

  uw lente is ontloken!

2

  In alle talen klinkt een stem,

  geboren in Jeruzalem:

  uw koning is gekomen!

  Geen zwaard, geen speer,

  geen oorlog meer,

  geen bange, boze dromen,

3

  geen dagen, nachten wachten meer,

  geen bajonet en geen geweer,

  geen scherven van granaten,

  geen bom, geen bloed,

  geen laatste groet,

  geen rouwstoet door de straten.

4

  O hoor, een waarlijk nieuw geluid:

  de zomer stroomt de hemel uit,

  zo wordt de toekomst heden.

  Dit is de gloed

  die leven doet,

  uiteindelijk: de vrede!

---

*202

#7

1

  Jeruzalem, o stad van heil en vrede,

  verhef uw poorten, maak uw straten wijd,

  uw koning komt! Wanneer Hij binnenrijdt

  is alle strijd voorbij, uw leed geleden.

2

  Dan zult gij zien Hem die gij hebt doorstoken,

  die ook voor u het kruis gedragen heeft

  en is verrezen uit het graf - Hij leeft!

  De hemel gloort, zijn dag is aangebroken!

3

  Omringd door wolken is Hij opgevaren,

  verhoogd als koning in zijn majesteit,

  totdat Hij wederkomt te Zijner tijd

  om u zijn koninkrijk te openbaren.

4

  De volken die rondom als golven woeden,

  zij zwijgen stil - wat Christus wil, geschiedt.

  Jeruzalem, het water raakt u niet,

  gij zijt geborgen, veilig in zijn hoede!

5

  Dichtbij de muur waar nu uw zonen klagen

  zal dan een plaats van louter vreugde zijn,

  uw kinderen die spelen op het plein,

  zullen hun koning op de handen dragen.

6

  Jeruzalem - eenmaal daalt gij herboren,

  een nieuwe stad de hoge hemel uit,

  getooid, versierd voor God, zijn eigen bruid,

  door Hem bemind, voor eeuwig uitverkoren!

7

  Uw koning komt! 0 volken, stroomt nu samen

  naar deze stad, die God u heeft bereid.

  Jeruzalem, verheug u, wees verblijd,

  zing voor uw koning: halleluja, amen!

---

*203

#7

1

  Kana„n, o land van honing,

  land van melk in overvloed,

  waar de vrede heerst als koning

  en de leeuw het lam begroet;

  wie geen huis heeft vindt een woning,

  wie geen brood heeft wordt gevoed.

2

  Ach, hoelang zal het nog duren

  dat uw poorten openga,

  dat de hoge, brede muren

  vallen en niet meer bestaan,

  maar de schoven en de schuren

  boordevol zijn van het graan?

3

  Heer, wij trekken langzaam verder

  door het zand van de woestijn;

  was Gij niet de goede herder,

  ach, wij stierven, groot en klein -

  maar Gij draagt ons, almaar verder

  tot wij in uw weide zijn.

4

  Als wij dode goden eren,

  zelfgemaakt van goud en geld,

  en ons kost wat kost verweren

  met het allerwreedst geweld,

  laat uw Geest ons dan bekeren,

  leren dat slechts liefde telt!

5

  Zie ons aarzelen en schromen:

  Hebben wij U goed verstaan,

  is dat land van duizend dromen

  niet een waardeloze waan?

  Zouden wij, als wij daar komen,

  zomaar mogen binnengaan?

6

  Laat ons hoopvol verder trekken

  in een lange, lange stoet,

  levenslang de handen strekken

  naar het Lam dat voor ons bloedt,

  gaandeweg in Hem ontdekken:

  God is onvoorstelbaar goed!

7

  Kana„n, wij gaan uw Koning

  vrolijk zingend tegemoet!

  Onverdiend is de beloning,

  ongehoord de overvloed:

  elk een woning, melk en honing -

  af wat bitter is, wordt zoet!

---

*204

#4

1

  Laat ons de Heer aanbidden

  met al wat in ons is,

  want Hij zond in ons midden

  de Geest die bij ons is!

  Hij doet ons overstromen

  van vreugde en van vuur;

  nu is de tijd gekomen,

  het allerlaatste uur.

 

  Refrein:

  Adoramus Te Domine,

  Jesu Christe: Salvator,

  Jesu Christe: Salvator.

2

  Wie stom is gaat weer spreken,

  wie blind is ziet weer licht,

  wie bijna is bezweken

  wordt krachtig opgericht,

  wie doof is kan weer horen,

  wie lam is wandelt weer,

  wie vrijwel was verloren

  bespeurt een ommekeer!

  Refrein

3

  Zo is de Geest gekomen,

  zo waait Hij als de wind;

  de ouderen gaan dromen,

  weer dromen als een kind

  en jongeren aanschouwen

  een grandioos gezicht -

  wij zien met groot vertrouwen

  een koninkrijk van licht!

  Refrein

4

  Laat ons de Heer aanbidden

  en zingt uit alle macht!

  De Heer komt in ons midden,

  het Lam, voor ons geslacht;

  van Hem is de victorie,

  voor Hem de heerlijkheid,

  de eer, de lof, de glorie

  van nu in eeuwigheid!

  Refrein

---

*205

#2

1

  Kom, laat ons opgaan naar de heuvel des Heren,

  kom laat ons opgaan naar zijn heilige stad,

  om er zijn wetten en zijn wegen te leren -

  kom, want de vrede schijnt als licht op ons pad!

 

  Refrein:

  Eenmaal zal er geen leger meer marcheren,

  ieder smeedt dan de wapens om,

  volken zullen de oorlog niet meer leren,

  vrede, vreugde alom!

2

  Nieuw zal de hemel zijn en nieuw wordt de aarde,

  daar is geen honger en geen dorst en geen pijn,

  daar zijn geen wapens meer, geen speren, geen zwaarden,

  dan zal Jeruzalem de vredestad zijn!

  Refrein

---

*206

#4

1

  O God, de aarde vergaat,

  de zee vindt nergens een kust,

  de volken golven: een zondvloed van haat -

  de duif zoekt moedeloos rust.

 

  Refrein:

  Gezegend het rijk, dat komt in de naam van de Heer;

  dan bouwt de duif van vrede een nest,

  een nest, een nest in mijn boom. Sjaloom!

2

  O God, de aarde vergaat,

  wij mensen wensen geweld,

  wij kiezen verkeerd, wij kiezen het kwaad,

  verslaafd aan het goud en het geld.

  Refrein

3

  God dank, de aarde vergaat -

  wie in de ark is, komt thuis!

  De zonde zinkt en verdrinkt metterdaad,

  dan bouwt de liefde haar huis.

  Refrein

4

  God dank, de aarde vergaat,

  het kwaad komt nooit meer terug.

  Eens wandelt Christus opnieuw over straat,

  een vogel hoog op zijn rug.

  Refrein

---

*207

#4

1

  Om bloesem aan de bomen,

  om overvloed aan vrucht,

  om vissen in de stromen,

  om vogesl in de lucht,

  om volle korenaren,

  om akkers wuivend graan,

  om voedsel uit de aarde

  roepen wij, Heer, U aan!

2

  Om water op het droge,

  om groei in de woestijn,

  om doorzettingsvermogen

  voor wie mistroostig zijn,

  om werk voor werkelozen,

  om toekomst, hier en nu,

  om hulp voor hulpelozen

  roepen wij, Heer, tot U!

3

  Om goedheid die kan delen,

  om brood dat breken kan,

  om vrede voor zovelen,

  om land voor alleman,

  om gulheid die kan geven,

  om eigen ommekeer,

  om mededeelzaam leven

  bidden wij U, o Heer!

4

  Om hoop, geloof en liefde,

  om vrijheid en om recht -

  dat eindelijk geschiede

  al wat Gij hebt voorzegd:

  uw rijk, Heer, laat het komen,

  uw wil alom gedaan,

  dan zal aan alle bomen

  de bloesem opengaan!

---

*208

#3

1

  Sta op, beklim de muren

  en maak trompetgeschal!

  Het zal niet lang meer duren:

  de vijand komt ten val!

  Roep het uit: Kom nu uit uw woning,

  dit geluid, dit beduidt: uw koning,

  uw koning nadert al!

2

  De poorten zijn gesloten,

  en wie staat ons terzij?

  Hoor, daar klinkt vastbesloten:

  Houd moed, Ik maak u vrij!

  Roep het uit: Kom nu uit uw woning,

  dit geluid, dit beduidt: uw koning

  komt nu snel naderbij!

3

  Door man en macht omgeven,

  als ratten in de val, -

  wie zal dit overleven?

  Maar hoor: bazuingeschal!

  Roep het uit: Kom nu uit uw woning,

  dit geluid, dit beduidt: uw koning,

  die u bevrijden zal!

---

*209

#7

1

  Zwart heet wit en goed heet slecht,

  kromgebogen wordt het recht -

  alwie zwijgt wordt zeer ge‰erd,

  maar wie spreekt gearresteerd!

 

  Refrein:

  Wees niet bang, of boos - wees blij,

  wie gelooft is waarlijk vrij!

2

  Jozef in je smalle cel,

  mijlenver van Isra‰l,

  ook al is je woning klein,

  onderkoning zul je zijn!

  Refrein

3

  Dani‰l - een diepe kuil,

  woest gegrom, een grote muil,

  leeuwen lopen om je heen,

  maar God laat geen lam alleen!

  Refrein

4

  Ach, Johannes, groot profeet,

  in je kemelsharen kleed,

  weet: al word je straks onthoofd,

  eeuwig leeft alwie gelooft!

  Refrein

5

  Petrus, sta maar op vannacht,

  de soldaten slapen zacht;

  niemand die jou boeit of bindt,

  want de wacht is stekeblind!

  Refrein

6

  Paulus, zing een vrolijk lied,

  de cipier begrijpt het niet:

  dat de kerker openspringt

  als de kerk God looft en zingt!

  Refrein

7

  Wit is wit als God het zegt,

  al wat krom is trekt Hij recht,

  leugens worden afgeleerd

  als de waarheid triomfeert!

  Refrein

---

*210

#5

1

  Waarom zou ik nog leven,

  de toekomst heeft geen zin -

  misschien duurt het nog even,

  maar dan stort alles in:

  de wereld gaat ten onder,

  verbrandt in laaiend vuur,

  tenzij, tenzij een wonder

  gebeurt, juist in dat uur.

2

  Geen mens zal dan ontkomen,

  geen kind, geen man, geen vrouw;

  dan worden alle dromen

  gedompeld in de rouw;

  geen vogel zal meer fluiten,

  geen boom ontvlucht de brand,

  de doden liggen buiten

  als vissen op het strand.

3

  Maar dan zal het gebeuren:

  de hemel straalt van licht,

  de aarde stroomt vol kleuren,

  een schitterend gezicht -

  de Heer komt in ons midden,

  Hij gaat door onze straat

  en geeft wie Hem aanbidden

  een blinkend wit gewaad!

4

  Weest daarom heel uw leven

  aandachtig - waakt en wacht,

  totdat Hij heeft verdreven

  die allerlaatste nacht;

  dan draagt Hij in genade

  als goud ons door het vuur

  en loutert onze daden -

  zijn schepping maakt Hij puur!

5

  Dan gaat de hemel open:

  het nieuw Jeruzalem -

  o, daarin dan te lopen,

  te wandelen met Hem!

  Eens is het leed geleden,

  het einde is begin -

  dit leven hier en heden

  heeft Goddank zeker zin!

---

*211

#7

1

  Behoed, o Heer, uw zieke kerk,

  zij is zo zwak, al schijnt zij sterk -

  al zijn wij kind bij U aan huis,

  zingend vertrappen wij uw kruis.

2

  Rondom ons wordt uw woord verkracht,

  het recht wordt krom, de dag wordt nacht,

  het kwaad wordt alom goed genoemd,

  laster en leugen hooggeroemd.

3

  Uw kerk zwijgt stil, zij spreekt niet meer,

  het onrecht doet geen pijn, geen zeer;

  wij roepen: Eet en drink en lach,

  wereld, wees vrolijk - pluk de dag!

4

  En zo wordt Gij opnieuw gekruist,

  zo ballen wij nu eigen vuist

  en roepen: Kruisig, kruisig Hem!

  Zwijgen moet voortaan deze stem!

5

  Ga niet voorgoed uw kerk voorbij,

  geleid haar, Heer, heb medelij!

  Wij gaan als blinden, zonder zicht,

  vallend en tastend naar het licht.

6

  Erbarm U, Christus, meer en meer,

  bewerk in ons een ommekeer,

  dat wij niet langer het geweld

  dienen als god met goud en geld.

7

  Zend helend ons uw goede Geest,

  zodat uw zieke kerk geneest:

  verloren zonen die weer thuis

  eerbiedig knielen bij uw kruis.

---

*212

#5

1

  De hemel zoelt een woning -

  hier vindt de Heer een huis:

  een herberg voor een koning,

  oase rond het kruis.

  Hier stroomt de levensader

  voor ieder, groot en klein,

  zijn woord, het levend water,

  hier schenkt Hij brood en wijn.

2

  Wie zingt beeft niets te vrezen,

  geen duivel en geen dood;

  al zou ik niet genezen,

  God draagt mij in zijn schoot.

  De herder zal ons leiden,

  werpt al uw zorg op Hem!

  Hij zal u plaats bereiden -

  ginds ligt. Jeruzalem!

3

  De leeuwerik, de lijster,

  de sperwer en de specht,

  de mees, de mus - God wijst ze

  een weg in haag en heg;

  geen zwaluw hoeft te zaaien,

  geen kievit ploegt het land,

  geen merel hoeft te maaien -

  wij eten uit Gods hand!

4

  De donkerrode rozen,

  de leli‰n des velds,

  verblikken noch verblozen

  als stilte storm voorspelt;

  maakt u dan nu geen zorgen

  alsof God u vergeet -

  gaan wij vandaag ‚n morgen

  niet koninklijk gekleed?

5

  De bloemen op de velden,

  de vogels hemelhoog,

  de kleinste musjes melden:

  God houdt u in het oog!

  Wie leeft in dat vertrouwen

  zal achter ieder kruis

  het hemels licht aanschouwen -

  Gods pelgrims komen thuis!

---

*213

#3

1

  Dit huis, een herberg onderweg

  voor wie verdwaald in heg en steg

  geen rust, geen ruimte meer kon vinden,

  een toevluchtsoord in de woestijn

  voor wie met olie en met wijn

  pijnlijke wonden liet verbinden,

  dit huis, waarin men smarten deelt,

  weet hoe Gods liefde harten heelt.

2

  Dit huis, waarin een gastheer is

  wiens zachte juk geen last meer is,

  dit huis is tot ons heil gegeven:

  een herberg voor wie moe en mat

  terzijde van het smalle pad

  struikelt en langer niet wil leven -

  plaats tegen de neerslachtigheid,

  een pleister van barmhartigheid.

3

  Dit huis, met liefde opgebouwd,

  dit gastenhuis voor jong en oud,

  ligt langs de weg als een oase;

  hier kan men putten: nieuwe kracht,

  hier is beschutting voor de nacht,

  hier is het elke zondag Pasen!

  Gezegend alwie binnengaat

  en hier zijn lasten liggen laat.

---

*214

#10

1

  Er was een Lam, dat kwam en riep

  de schapen, ‚‚n voor ‚‚n;

  en ik, ik ging Hem na en liep

  het snelst van iedereen.

 

  Refrein:

  Lof zij de Herder, dank zij het Lam,

  Visser  die ons gevangen nam!

2

  Er was een Visser die mij ving,

  die ging met mij in zee;

  mijn naam staat in zijn zegelring,

  zijn liefde draagt mij mee.

  Refrein

3

  Als ik Hem voor de voeten loop,

  dan roept Hij mij terug

  en legt, voordat ik verder loop,

  een kruis mij op de rug.

  Refrein

4

  Mijn vuile voeten wast Hij af,

  voor mij maakt Hij zich klein;

  de Meester, die het voorbeeld gaf,

  wil onze dienaar zijn.

  Refrein

5

  En als ik zeg: Ik ken Hem niet!

  dan kraait er wel een haan,

  dan keert de Herder zich en ziet

  zijn schaap stilzwijgend aan.

  Refrein

6

  Dit Lam zet mij in vuur en vlam,

  mijn tong, mijn taal viert feest,

  want Hij die mij gevangen nam

  verheugt mij door zijn Geest!

  Refrein

7

  Wie ook het spreken mij verbiedt,

  mij, dienaar van het Woord,

  hier sta ik, zwijgen kan ik niet -

  wie oren heeft, die hoort!

  Refrein

8

  Het Lam, de Herder die mij vond,

  de Visser die mij ving,

  die zendt zijn kerk de wereld rond -

  gij bruid des Heren, zing!

  Refrein

9

  God roept ons uit de duisternis

  en leidt ons in het licht,

  en bouwt ons tot het huis er is

  dat Christus heeft gesticht.

  Refrein

10

  Heer Jezus, Hoeksteen, Lam en Vis,

  wie in het oordeel Gods

  door U gevoed, gevangen is,

  staat vast, op U: de Rots!

  Refrein

---

*215

#4

1

  Gezegend zijt Gij, Heer der kerk,

  Gij fundament dat hecht en sterk

  de stroom der tijden kunt trotseren;

  al gaan de eeuwen af en aan,

  al schokt de aarde - Gij blijft staan,

  uw woord zal weer en wind bezweren -

  al is de kerk niet puur van goud,

  zij is op U, de rots, gebouwd.

2

  Vergeef ons, Heer, wij bouwen slecht:

  het schip is scheef, het koor niet recht,

  hoe kan de Geest uw zaad hier zaaien?

  De toren wijst uw tijd niet aan,

  met elke wind draait onze haan -

  wij willen allen koning kraaien!

  Dit huis bezwijkt zodra het stormt,

  tenzij Gijzelf ons w‚‚r hervormt.

3

  Gezegend zijt Gij, Heer der kerk,

  uw ademtocht stelt paal en perk

  aan wind die Gij niet hebt doen waaien.

  Al blijkt ons werk van stro en hout,

  wij hebben niet op zand gebouwd:

  staat eens dit huis in lichter laaie,

  ook in het vuur houdt, Heer, uw hand

  de muren van uw kerk in stand.

4

  Gezegend zijt Gij, Heer der kerk,

  uw tempel is geen mensenwerk,

  ons venster vangt het licht van Pasen.

  Breng rondom uw verrijzenis

  bijeen wat nu gescheiden is,

  dan zal de wereld zich verbazen

  wanneer zij op dit fundament

  een toonbeeld van uw trouw herkent.

---

*216

#7

1

  God lof! Wij zijn genodigd tot

  het vieren van een feest,

  bemoedigd door de groet van God,

  geroepen door de Geest.

2

  Wie oren heeft, die hore wat

  God zijn gemeente zegt,

  hoe Hij de Schrift ons als een schat

  ontsluit en openlegt.

3

  En wie dat Woord vernomen heeft

  en ziet wat is geschied,

  die zingt, zolang hij leven heeft

  het allerhoogste lied

4

  van de gezalfde Zoon van God,

  die droeg der wereld schuld -

  geen wet is er en geen gebod

  dat Hij niet heeft vervuld!

5

  Wie zou dan niet God loven waar

  Hijzelf zijn volk ontmoet,

  voortdurend bidden met elkaar

  om licht dat leven doet?

6

  Dan geven wij met gulle hand

  een offer voor de Heer,

  wie arm is, die be‰rft het land,

  de minste, die krijgt meer!

7

  God lof! Wij zijn genodigd tot

  het eeuwig bruiloftsfeest -

  gezegend is wie zo bij God

  als kind is thuis geweest!

---

*217

#5

1

  God zij geloofd! Hier zijn wij in zijn naam,

  dit is zijn huis, Hem willen wij aanbidden.

  De hemel stelt een tafel in ons midden,

  de Vader wenkt, Hij roept ons hier tezaam.

2

  Hier is de Schrift geopend neergelegd,

  hier is het boek dat vol is van Gods daden,

  hier klinkt zijn stem, zijn oordeel, zijn genade,

  hier zingt een lied de lof Hem toegezegd.

3

  Hier is het water, hier stroomt de Jordaan:

  uw schuld is weg, uw zonden zijn vergeven!

  Gij zijt gedoopt, door hoger licht omgeven,

  om onbevlekt de vreugde in te gaan!

4

  Hier zal voldoende brood voorhanden zijn,

  hier wordt de wijn in stromen ons geschonken.

  Vier hier de bruiloft, word van vreugde dronken!

  De gastheer schenkt de allerbeste wijn.

5

  God zij geloofd! Hem is dit huis gewijd,

  de plaats waar Hij zijn vaderhart wil tonen,

  totdat de bruidegom bij ons komt wonen -

  dan is de kerk zijn bruid in eeuwigheid!

---

*218

#4

1

  Heer, wij zijn bijeengekomen,

  mensen, overal vandaan;

  hadt Gij ons niet meegenomen,

  niemand was hierheen gegaan,

  want wij schromen hier te komen,

  volop in het licht te staan.

2

  Komend uit een nacht van zonden

  staan wij voor U, groot en klein,

  en belijden onomwonden:

  schuldig zijn wij en onrein.

  Ach, wij vonden zoveel zonden

  dat zij niet te tellen zijn.

3

  Bron van liefde, zeer verheven,

  helder stralend als de zon,

  bleef uw warmte weg, maar even,

  niemand die hier wezen kon -

  hoogverheven licht ten leven

  dat het duister overwon!

4

  Laat uw liefde ons bestralen,

  laat het licht zijn om ons heen;

  Gij vergeeft wel duizend malen

  onze zonden, ‚‚n voor ‚‚n.

  Als wij falen, weer verdwalen

  schijnt uw licht, uw licht alleen!

---

*219

#4

1

  Herder, allerwegen,

  dwars door wind en regen,

  in het diepste dal,

  roept Gij met U mede

  schapen tot de vrede

  van de ene stal;

  laat uw kudde frank en vrij

  vrolijk trekken, almaar verder

  achter U, o herder!

2

  Als wij telkenmale

  toch nog weer verdwalen,

  door de schijn bekoord,

  zoek ons als uw schapen,

  maak ons, als wij slapen,

  wakker door uw woord.

  Herder, kom, zie naar ons om -

  wij zijn meer dan ooit tevoren

  hulpeloos verloren!

3

  Bang voor boze machten,

  dwalend door de nachten,

  voor de leeuw ten prooi,

  roepen wij en klagen:

  herder, wil ons dragen,

  breng ons weer te kooi!

  Waren wij ooit zo verstrooid?

  Laat uw stem de ganse kudde

  krachtig wakker schudden!

4

  Christus, goede herder,

  leid uw kudde verder

  door de diepte heen;

  roep uw schapen samen

  bij hun nieuwe namen,

  herder, maak ons ‚‚n!

  Sta de wolf niet langer toe

  schapen van elkaar te scheiden -

  herder, blijf ons leiden!

---

*220

#6

1

  Wij loven God, ons leven lang!

  Hij gaat zijn koninklijke gang,

  Hij laat niets varen van zijn werk -

  zijn rechterhand is trouw en sterk!

2

  Genadevol weerklinkt zijn groet,

  vrede daalt neer in overvloed.

  Hier in ons midden staat de troon

  van God de Vader en zijn Zoon.

3

  Want daar waar twee of drie tezaam

  gekomen zijn in Christus' naam,

  daar wil Hij in hun midden zijn

  met Woord en Geest, met brood en wijn.

4

  Daar klinkt de taal van Kana„n

  die niemand ooit begrijpen kan,

  tenzij die ons wordt uitgelegd

  zoals de Geest het heeft gezegd.

5

  Gods gezicht ziet op ons neer,

  genade, vrede van de Heer,

  van Hem die immer is geweest,

  van God de Vader, Zoon en Geest.

6

  Wij zingen Hem ons leven lang

  met heel zijn kerk een nieuw gezang -

  Hem zij de eer, de heerlijkheid,

  Hem zij de lof in eeuwigheid!

---

*221

#4

1

  Kom uit de hemel tot ons neer,

  vervul ons met uw Geest, o Heer,

  Gij, die uw kinderen bevrijdt

  om U te dienen, wereldwijd.

2

  Bewaar hen, die hier voor U staan,

  dat zij hun weg met vreugde gaan;

  geef aan uw engelen bevel

  hun trouw te zijn als metgezel.

3

  Dat zij uw volk, de honger moe,

  op handen dragen, naar U toe,

  om na verzoeking en woestijn

  met overvloed gevoed te zijn.

4

  Kom Heiland, die ons hart geneest;

  kom Vader, Zoon en Heilge Geest

  en maak ons vrolijk in dit uur,

  o bron, o brood, o vreugdevuur!

---

*222

#4

1

  O Vader, bron van eeuwig licht,

  verhef uw stralend aangezicht;

  zie hier een mens, een mens als wij -

  hosanna, onze hulp zijt Gij!

2

  O Zoon, die zelf een dienaar was,

  uw schapen opzocht en genas,

  met olie en met wijn verbond -

  hoed zelfde herder die Gij zond!

3

  O Geest, die als een windvlaag kwam,

  adem van boven, vuur en vlam,

  laat door ons onvolkomen woord

  uw eigen stem worden gehoord!

4

  O Vader, Zoon en Heilge Geest,

  U looft uw kerk die is geweest

  en wezen zal in elke tijd

  van eeuwigheid tot eeuwigheid!

---

*223

#3

1

  De tijding aller tijden:

  de Heer is zeer nabij!

  Tot wie zijn naam belijden

  zegt Hij: Komt achter Mij!

  Wilt Gij achter Hem gaan?

  Verloochen dan uw leven,

  neem op uw kruis - nog even,

  dan breekt het paasfeest aan!

2

  Want alwie wil bewaren

  zijn leven en zijn lot,

  op eigen kracht wil varen,

  zijn koers niet richt op God,

  die raakt zijn leven kwijt -

  slechts wie het wil verliezen

  door voor het kruis te kiezen,

  die vindt het voor altijd.

3

  Wat zou het mij toch baten

  als ik de wereld won,

  maar moest het leven laten

  wanneer zijn rijk begon?

  Volgt daarom Christus na,

  dan zult gij Hem omringen,

  met alle eng'len zingen

  zijn lof- halleluja!

---

*224

#6

1

  Wij komen voor uw aangezicht,

  o God van leven, God van licht,

  nu wij door U geroepen zijn

  door water heen, tot brood en wijn.

2

  Wij geven U ons woord van trouw

  dat niemand onzer houden zou,

  als niet de Geest in vuur en vlam

  dat jawoord van ons overnam.

3

  Daarom zij U de hoogste eer!

  O, zingt hosanna voor de Heer,

  gij mensen, komt van alle kant,

  een groene palmtak in de hand!

4

  En al roept ieder: Kruisigt Hem!

  geef geen gehoor aan deze stem,

  maar draag uw kruis Hem achterna

  de lijdensweg naar Golgotha.

5

  Het lam dat draagt der wereld schuld,

  Hij gaat ons voor in zijn geduld

  dwars door het allerdiepste dal,

  totdat het Pasen wezen zal.

6

  Wij komen voor uw aangezicht,

  Gij hebt de tafel aangericht,

  voor alle volken heil bereid -

  U zij de lof in eeuwigheid!

---

*225

#3

1

  Dit kind, zopas geboren:

  waarom, waarvoor, waartoe?

  Wat zal het zien en horen -

  geen mens weet wat en hoe.

  Draag het, Heer, elke keer weer verder,

  valt het neer, breng het weer, o herder,

  Gij weet wel waar naar toe.

2

  Een kind, een mensenleven:

  waarom, waarvoor, waartoe?

  Soms lang, soms kort, soms even,

  soms uitgeput en moe.

  Draag het, Heer, elke keer weer verder,

  valt het neer, breng het weer, o herder,

  Gij weet wel waarnaar toe.

3

  Dit kind, zopas geboren:

  waarom, waarvoor, waartoe?

  Al raakt dit lam verloren,

  zie: het behoort U toe!

  Als het klaagt, naar U vraagt, o herder,

  o dan draagt Gij het zelf graag verder,

  en Gij weet waarnaar toe!

---

*226

#4

1

  Doop ons, Heer, in levend water,

  open oog en oor en mond;

  wie zich baadt in uw genade

  hoort en ziet en zingt terstond.

2

  In het duister van de tijden

  tasten mensen langs het licht.

  Here God, heb medelijden -

  haat slaat alle deuren dicht.

3

  Ziende zijn wij blind geboren,

  Sprekend stom en horend doof,

  opgesloten en verloren

  in ons donker ongeloof.

4

  Uit uw Geest opnieuw geboren

  zien wij ver in het verschiet,

  horen wij met eigen oren

  hoe wij zingen: een nieuw lied!

---

*227

#3

1

  Geloof, mijn kind: God zoekt en vindt

  schapen, verdwaald en verloren.

  Hij drenkt en draagt wie naar Hem vraagt,

  elk lam dat bij Hem wil horen.

  Alwie gedoopt op Christus hoopt

  die heeft voortaan een rijk bestaan -

  in Hem ben jij nieuwgeboren!

2

  Al dwaal je af, met stok en staf

  volgt deze herder wie dwalen.

  Ben je gewond, Hij maakt gezond

  schapen met allerlei kwalen.

  Hij zoekt en hoedt en vindt en voedt

  en brengt terug hoog op zijn rug

  wie zelf de kooi niet meer halen.

3

  Geloof, mijn kind: als Hij je vindt

  neemt Hij jou op in zijn armen!

  Achter het dal staat hoog de stal -

  zijn liefde zal je verwarmen.

  Hij is zo groot dat zelfs de dood,

  die wolf verdwijnt als Hij verschijnt -

  de herder zal je omarmen!

---

*228

#5

1

  Geloofd zij God, Hij brengt ons hier;

  de doop - dat is de doodsrivier

  waardoor wij droogvoets verder gaan,

  Gods adem maakt voor ons ruim baan!

2

  Al is het water nog zo diep,

  de wind die God tevoorschijn riep

  maakt woedend water tot een muur,

  een wolk geleidt ons in dit uur.

3

  Dat water, teken van de dood,

  om Christus' wil als bloed zo rood,

  wast alle zonden van ons af -

  de laatste vijand vindt zijn graf.

4

  Komt mannen, vrouwen, groot en klein,

  hier is een weg door de woestijn,

  een weg dwars door de rode zee;

  God zelf is bij ons, Hij gaat mee!

5

  Geloofd zij God, met eigen hand

  leidt Hij ons naar de overkant,

  tot in het land van overvloed

  en wij - wij zingen: God is goed!

---

*229

#3

1

  Heer, ons kind, zolang het leeft

  zal het van uw liefde horen!

  Al het kwaad dat aan ons kleeft

  wast Gij af - wij zijn herboren

  om, het hoofd hoog opgeheven,

  hoopvol naar U toe te leven.

2

  Christus, spreek ons kindje aan,

  spreek zoals geen mens kan spreken

  Welke weg jij ooit zult gaan,

  jou zal waarlijk niets ontbreken;

  hoor, Ik noem je mijn beminde -

  wie Mij zoekt, die zal Mij vinden!

3

  Heiland, goede herder, Gij,

  hebt ons kind al lang gevonden;

  Gij zocht ons, Gij zocht eer wij

  naar uw liefde zoeken konden -

  daarom, Heer, gaan wij het baden

  in het bad van uw genade!

---

*230

#4

1

  Hier is ons kind, uw kind, o Heer:

  een bloesemknop, zo klein, zo teer -

  soms zijn wij bang dat het niet groeit,

  soms zijn wij bang dat Gij het snoeit

  nog voor de bloesem openbloeit.

2

  Wanneer de wind erover gaat,

  wanneer de regen striemt en slaat,

  bewaar het dan, onooglijk klein

  en laat uw handen tegen pijn

  beschermend als een schutse zijn.

3

  Wanneer het groeit, U tegemoet,

  gekoesterd in uw zonnegloed,

  dan zult Gij, als de oogsttijd daagt

  en Gij zelf naar uw wijngaard vraagt,.

  aanschouwen hoe het vruchten draagt!

4

  Hier is ons kind, Gij krijgt het weer,

  een bloesemknop, zo klein, zo teer -

  ach, of het veelbelovend groeit

  of v¢¢r de tijd is uitgebloeid,

  het is en blijft van U, o Heer!

---

*231

#6

1

  Kind, geloof me: God is goed,

  maar niet zoals jij vermoedt,

  dood en leven geeft Hij zin

  en ons eind is zijn begin.

2

  Zelfs al in de moederschoot

  dreigt de engel van de dood.

  Weet je waar je schuilen moet?

  Bij het lam dat voor ons bloedt!

3

  Had jij ooit nog wel gezond

  kunnen dansen in het rond,

  als dit bloed niet was geweest

  medicijn dat ons geneest?

4

  Louter leven, diepe doop,

  ziehier: water - er is hoop!

  God gaat door de diepte mee;

  droogvoets gaan wij door de zee!

5

  Kind, zul jij in de woestijn

  niet te zeer opstandig zijn?

  Wandel met de Heer en wacht

  tot Hij ons heeft thuisgebracht.

6

  Eenmaal bij de doodsjordaan

  maakt Hijzelf voor ons ruim baan;

  achter water, zee en zand

  ligt jouw veilig vaderland!

---

*232

#4

1

  Kind van God gegeven,

  kind bij God vandaan,

  in zijn hand geschreven

  staat jouw nieuwe naam.

2

  Kind van God ontvangen,

  lachend, kind zo klein,

  huilend van verlangen

  bij ons thuis te zijn.

3

  Kind door God geroepen,

  kind, jij hoort erbij:

  Ik heb jou geroepen,

  kind, jij bent van Mij!

4

  Kind van God gegeven,

  kind bij God vandaan,

  in zijn hand geschreven

  staat jouw nieuwe naam.

---

*233

#4

1

  O God, op wie geslachten bouwden,

  dit kind, dat Gij ons toevertrouwde,

  wij geven het aan U terug.

  Moeten wij langs ravijnen verder

  neem het dan over, goede herder,

  hoog bovenop uw sterke rug!

2

  In de woestijn blijft niemand leven -

  wie zal ons kind te drinken geven

  de liefde waar het naar verlangt?

  Wil als een moeder het behoeden,

  met brood en melk en honing voeden

  als de vermoeidheid het bevangt.

3

  God onze Vader, stille wachter,

  liet Gij een kind ooit eenzaam achter?

  Wijs het uw sporen in het zand.

  En als de slangen het besluipen

  geef het dan tijd om weg te kruipen

  binnen de holte van uw hand.

4

  Zegen het kind aan ons geschonken;

  is het gedoopt, het heeft gedronken

  het water dat aan U ontspringt -

  draag het door dorre jaargetijden

  door wind en winter naar de weide

  waar zonder eind de zomer zingt!

---

*234

#4

1

  Ondergedompeld in de doop

  zijn wij uit duizend vrezen

  herboren en herezen,

  gedragen op de heilsrivier

  die stromend door de tijd

  uitmondt in eeuwigheid.

2

  Wie in dit water ondergaat

  zal nimmermeer verdrinken,

  hoe diep hij moge zinken.

  Al is dit aardse leven kort,

  al dreigt dichtbij de dood -

  God draagt u in zijn schoot!

3

  Die onze dood is doorgegaan

  vraagt u om overgave:

  wij zijn in Hem begraven,

  maar in Hem ook weer opgestaan

  om voor zijn aangezicht

  te leven in het licht.

4

  Rivier van Gods lankmoedigheid,

  o bedding van genade,

  wie zal uw stroom doorwaden?

  Gij draagt ons op uw golven hoog,

  o water - warm en wijd

  van Gods barmhartigheid!

---

*235

#5

1

  Water, water van de doop,

  taal en teken van de hoop:

  zie, wij komen bij u staan,

  wijs ons Gods beloften aan!

2

  Water, water van de vloed

  die de ark wel dragen moet,

  hoog staat daar de regenboog:

  God maakt heel de aarde droog!

3

  Water, water van de Nijl,

  draag het scheepje van het heil -

  biezen mandje in het riet:

  God vergeet de zijnen niet!

4

  Water, water der Jordaan,

  alle schuld is weggedaan,

  onze zonden draagt de Heer,

  zie: de duif daalt op Hem neer!

5

  Water, water van de doop,

  uit uw bron ontspringt de hoop -

  God bevrijdt en Hij geneest -

  lof zij Vader, Zoon en Geest!

---

*236

#5

1

  Welkom, welkom in ons midden,

  welkom, nieuwgeboren kind,

  hier mag jij met ons aanbidden

  God die mensen zoekt en vindt.

2

  Welkom, welkom in ons midden,

  welkom, nieuwgeboren kind,

  hier mag jij het licht aanbidden

  dat de duisternis verblindt.

3

  Welkom, welkom in ons midden,

  welkom, nieuwgeboren kind,

  hier mag jij de zon aanbidden

  die de wereld overwint.

4

  Welkom, welkom in ons midden,

  welkom, nieuwgeboren kind,

  hier mag jij de Naam aanbidden

  die met jouw naam zich verbindt.

5

  Welkom, welkom in ons midden,

  welkom, nieuwgeboren kind,

  hier mag jij de Heer aanbidden

  die voltooit wat jij begint.

---

*237

#5

1

  Wij komen bij het water saam,

  Gij roept ons, Gij noemt onze naam

  en legt uw handen op ons hoofd -

  uw naam, o God, zij hooggeloofd!

2

  Hier is het kind dat Gij ons gaf,

  het nadert nu het watergraf

  waarin het hulpeloos verdrinkt,

  tenzij Gij reddend het omringt.

3

  Geef aan dit kind dat U behoort

  uw naam, uw veelbelovend woord,

  en zeg: Vrees niet, Ik ben erbij,

  wees maar niet bang, jij bent van Mij!

4

  Heer, neem dit kind uit onze hand,

  draag het naar het beloofde land,

  draag het, o herder, in uw schoot,

  dwars door het water van de dood!

5

  Uw naam zij glorie toegebracht,

  die naam draagt nu een nieuw geslacht -

  Heer, Gij zijt goed voor ons geweest,

  lof zij U, Vader, Zoon en Geest!

---

*238

#4

1

  Wij komen uit het water -

  vlak voor ons: vlammend vuur!

  Zo gaan wij, vroeg of later,

  ons allerlaatste uur

  bevende tegemoet:

  de grote dag des Heren.

  wie onzer zal die gloed,

  Gods woede kunnen keren?

2

  Wij komen uit het water,

  doodsbang voor zoveel vuur -

  o lees het zelf, het staat er:

  eens valt de hoogste muur;

  ‚‚n grote wereldbrand,

  een vloed, niet in te dammen,

  een zee bedekt elk land,

  een oceaan van vlammen.

3

  Hoe zal dat zijn als later

  ontvlamt dat helse vuur?

  Geen goddeloze gaat er

  omheen - geen rust, geen duur,

  geen vrede kennen zij

  die niets dan kwaad verzinnen;

  geen leven hebben wij

  als deze vlam zal winnen!

4

  Wij komen uit het water -

  gij staat dus in dat uur

  druipnat voor God - dit water

  blust dan het felste vuur!

  Wie in de Heer gedoopt

  zijn hart Hem heeft gegeven

  vat nimmer vlam, maar loopt

  dwars door dit vuur ten leven!

---

*239

#4

1

  Hier zijn wij, Heer, bij brood en wijn,

  Gij roept, Gij zult de gastheer zijn

  voor lammen, doven, blinden;

  Gij nodigt: Komt en drinkt en eet,

  komt, alle dingen zijn gereed -

  wie God zoekt zal Hem vinden!

2

  Om ons gebroken in de dood -

  uw lichaam brak gelijk een brood,

  om ons en onze zonden;

  de wijn die hier gedronken wordt

  is als het bloed door U gestort,

  o lam, dat wij verwondden!

3

  Wij heffen, Heer, ons hart omhoog,

  o hoofd, dat bloedend voor ons boog,

  ons leed hebt Gij gedragen.

  In U is God ons zeer nabij,

  Gij schenkt oneindig meer dan wij

  U zouden durven vragen.

4

  Hier zijn wij, Heer, bij brood en wijn,

  Gij roept ons, hoe verdwaald wij zijn,

  Gij noemt ons uw beminden;

  Gij brengt uw schapen weer naar huis,

  Gij schenkt uzelf - hier zijn wij thuis;

  wie God zoekt zal Hem vinden!

---

*240

#2

1

  Gaat heen in vrede,

  handen vol zegen,

  hartverwarmend door iedereen!

  Wie zich wil geven,

  die vindt het leven -

  niemand leeft voor zichzelf alleen.

  Weest allerwegen

  elkaar ten zegen,

  te allen tijde

  vol medelijden,

  elkander toegewijd in lief en leed -

  tot alle dromen

  zijn uitgekomen:

  de bruiloftsgasten

  niet langer vasten,

  maar met Gods vrolijkheid zijn overkleed.

2

  Zingt opgetogen,

  God in den hoge,

  wijn en spijzen heeft Hij bereid.

  Hij zal u leiden,

  staat u terzijde

  ook als eenmaal de dood u scheidt.

  Loopt alles tegen,

  niets rooft zijn zegen,

  kunt gij niet verder,

  Hij is uw herder -

  prijst Hem hartstochtelijk en weest verblijd!

  Klapt in uw handen,

  laat lampen branden,

  dansen de voeten:

  eens zal begroeten

  de bruid haar bruidegom - in eeuwigheid!

---

*241

#2

1

  Het is uw goedheid, heer der heren,

  dat wij tot hier gekomen zijn;

  uw daglicht zal de koude keren,

  liefde verwarmt als zonneschijn!

  Grenzeloos groot is uw genade,

  onpeilbaar uw barmhartigheid;

  God zij geloofd om al zijn daden -

  vol is ons hart van vrolijkheid!

2

  Nieuw is zijn goedheid, elke morgen,

  nieuw is zijn goedheid, elke dag;

  zeg dan vaarwel uw laatste zorgen,

  zegen, mijn ziel, uw God - en lach!

  Zijn liefde leidt u door het leven

  en maakt gelukkig man en vrouw;

  Hij heeft zijn jawoord u gegeven -

  groot is, o God, uw goede trouw!

---

*242

#3

1

  Klinke in alle wereldtalen:

  een vaste burcht is onze God!

  Hoe vaak, hoe ver wij van Hem dwalen,

  geen wet zo goed als zijn gebod.

  Niets kan ons blijvend staande houden,

  geen goden, groot van goud en geld -

  slechts wie hun huis op liefde bouwden

  weerstaan orkanen van geweld.

2

  Wankelen onze luchtkastelen,

  blijkt zelfs de liefste ons ontrouw,

  probeert de pijn geluk te stelen,

  dompelt de dood ons in de rouw,

  blijkt ooit ons fundament te falen

  en heel ons levenshuis verrot,

  dan zal de Geest met kracht herhalen:

  een vaste burcht is onze God!

3

  Laat Hem dan dragen heel uw leven,

  de rots die oprijst uit het zand;

  zijn jawoord heeft Hij u gegeven,

  Hij reikt u toe: zijn rechterhand.

  Roept dan in dorpen en in steden,

  van alle daken overluid:

  de Heer is hier en Hij vraagt heden

  de hele wereld als zijn bruid!

---

*243

#2

1

  Lof zij de Heer, Hij noemt bij name

  deze twee mensen, man en vrouw:

  heden brengt Hij hun handen samen,

  hier geven zij hun woord van trouw.

  Wijs hen de weg,

  Heer, Jezus leg

  uw handen op hun hoofd:

  de trouw die Gij belooft.

2

  Hoe blijven zij elkaars beminden,

  hoe blijft er liefde die niet eist,

  hoe blijft geluk altijd te vinden

  als Gij niet zelf de weg ons wijst?

  Ga met hen mee

  in wel en wee,

  omring hen, man en vrouw,

  met liefdevolle trouw!

---

*244

#4

1

  Vader, U loven wij, Gij hebt ons lot in uw handen,

  laat dan uw Geest als een laaiend vuur in ons branden -

  stralende zon,

  van onze liefde de bron,

  de toekomst ligt in uw handen!

  de toe-komst ligt in uw han-den!

2

  Kome wat komt, in uw licht zijn wij veilig geborgen,

  uw zegen draagt ons door dagen van ziekte en zorgen,

  Gij houdt de wacht,

  en ook al dreigt soms de nacht,

  reeds glanst het licht van de morgen.

3

  Heer, houd ons vast als wij toch uw geboden vergeten

  en van vergeving en vrede niet meer willen weten;

  kom dan met vuur -

  uw liefde, louter en puur,

  kent lengte, hoogte noch breedte.

4

  Vader, U loven wij - draag ons door schade en schande,

  dooft onze lamp, laat uw waakvlam dan nog blijven branden;

  Christus, ons licht,

  op wie ons hart is gericht,

  ons leven ligt in uw handen

---

*245

#5

1

  na de onderwijzing:

  Welkom, bruidegom en bruid,

  spreek voor God uw ja-woord uit,

  geeft elkaar de rechterhand -

  liefde houdt uw trouw in stand.

2

  na het ja-woord:

  Geeft elkaar in deze kring

  hand en hart, uw naam, uw ring;

  draagt die tot de dood u scheidt,

  toonbeeld van verbondenheid.

3

  na de ringwisseling:

  Maakt u klein voor God de Heer,

  knielt hier naast elkander neer.

  Hij die u zijn hart belooft

  legt zijn handen op uw hoofd.

4

  na de inzegening:

  Lof zij Vader, Zoon en Geest,

  looft Hem op dit bruiloftsfeest.

  Hij verbindt u, man en vrouw,

  in uw liefde glanst zijn trouw.

5

  na het gebed des Heren:

  Gods gemeente, Christus' bruid,

  roep vandaag uw vreugde uit,

  loof de Heer met hart en mond:

  God blijft trouw aan zijn verbond

---

*246

#5

1

  Ontwaak, de zon is opgestaan,

  zij doet het donker dicht

  en laat geen maan, geen ster meer staan,

  zij dooft elk ander licht.

2

  Het duister kan de dag niet aan -

  nu zij verslagen ligt

  verliest van lieverlee de maan

  volledig haar gezicht.

3

  Die zon is Christus, onze Heer,

  die stralend ons verschijnt

  tot allerwegen meer en meer

  het valse licht verdwijnt.

4

  Hoe hoog klimt de gerechtigheid

  die elke schijn onthult

  en echt van onecht onderscheidt,

  met recht de aarde vult!

5

  Ontwaak, de Zoon is opgestaan,

  nu wint Gods aangezicht

  tot heel de hemel vol zal staan

  van onweerstaanbaar licht.

---

*247

#7

1

  Zingt halleluja -

  God doet grote dingen!

  Laat wie Hem liefheeft nu een loflied zingen;

  offert Hem dank voor zoveel zegeningen.

  Zingt halleluja!

2

  Is aller leven

  niet door Hem gegeven,

  die deze nacht over zijn kind'ren waakte

  en ons vanmorgen vrolijk wakker maakte?

  Zingt halleluja!

3

  Dat onze ogen

  licht aanschouwen mogen;

  dat handen, voeten, vingers weer bewegen,

  dat hebben wij te danken aan zijn zegen.

  Zingt halleluja!

4

  Heer die ons hoedde,

  bron van al het goede,

  houd nu ook verder over heel ons leven,

  bij dag en nacht, uw herdersstaf geheven.

  Zingt halleluja!

5

  Geef dat wij heden

  vrolijk voorwaarts treden

  en veilig reizen onder uw geleide,

  in uw genade trouw te allen tijde.

  Zingt halleluja!

6

  Geef open oren

  om uw woord te horen,

  richt onze wil geheel op uw gedachten

  en als wij zwak zijn, schenk ons nieuwe krachten

  Zingt halleluja!

7

  Heer, kom van boven,

  laat uw volk U loven

  waar alle engelen U eer bewijzen

  en roepen eeuwig, eeuwig U te prijzen:

  zingt halleluja!

---

*248

#4

1

  Zoals een bruid haar bruidegom begroet,

  zo vrolijk prijzen wij de dag van heden!

  Uw liefde, Heer, uw liefde is zo zoet,

  Gij kust de wonden weg uit ons verleden,

  Gij luistert naar het ruisen van ons bloed,

  Gij fluistert in ons oor een woord van vrede.

2

  Kom, waai door ons, gij zachte zuidenwind,

  adem van God, die alles zal verzoenen,

  zaai diep in ons de blijdschap als een kind,

  dat lacht en danst, getooid met pinksterbloemen;

  wij zijn de bruid die zo haar man bemint,

  dat zij alleen naar hem haar kind wil noemen.

3

  Niets is er dat ons van elkander scheidt,

  in vlees en bloed zijt Gij met ons verbonden:

  die met ons mee lacht, met ons mede lijdt,

  uw lippen hebben onze mond gevonden

  en als Gij met uw Geest gekomen zijt

  stroomt Gij in ons en zijn wij zonder zonden.

4

  Zoals een bruid haar bruidegom begroet,

  zo blij van hart en innig opgetogen,

  zo gaan wij U lofzingend tegemoet.

  Kom haastig, Heer, kom haastig uit den hoge;

  alles aan U is onweerstaanbaar goed -

  wij zien de hemel open in uw ogen.

---

*249

#4

1

  Blijf bij ons, Heer, wanneer de nacht zal komen -

  nu wordt het stil en donker om ons heen.

  Blijf bij ons, als ons alles wordt ontnomen,

  Heer, laat uw kerk, uw schepping, niet alleen.

2

  Blijf ons nabij, al gaan wij eigen wegen;

  blijf in uw goedheid naar ons toegewend

  met uw genade, met uw troost en zegen,

  blijf bij ons, Heer, in woord en sacrament.

3

  Blijf ons nabij, als ons zal overkomen

  de bange nacht vol twijfel, angst en nood,

  blijf, als beproeving strijdt met onze dromen,

  blijf, ook al dreigt de strenge, bitt're dood.

4

  Blijf bij ons, Heer, hoever van huis wij zwerven,

  blijf, wat dan ook ons van elkander scheidt,

  blijf bij ons, Heer, in leven en in sterven,

  blijf bij ons, Heer, in tijd en eeuwigheid.

---

*250

#5

1

  De avond valt - nu is een eind gekomen

  aan mijn bedrog, aan al mijn driftig dromen.

  O God, hier lig ik, eenzaam in de nacht;

  heb ik vergeefs van U mijn hulp verwacht?

2

  Ik kan niet wonen in een grijs verleden,

  het biedt geen huis, geen veiligheid, geen vrede,

  te veel heb ik mijn eigen heil gezocht,

  uw zegen niet gekregen maar gekocht.

3

  Nu is de hemel boven mij gesloten;

  God van mijn vader, hebt Gij mij verstoten?

  De avond valt en alles om mij heen

  is stil, doodstil; laat Gij mij hier alleen?

4

  Of gaat nu toch uw lichte hemel open?

  Een ladder, waar uw engelen op lopen -

  is dat uw antwoord op mijn bange vraag:

  een weg, £w weg, van U naar mij, omlaag?

5

  Al is het nog zo donker op mijn wegen

  en twijfel ik aan U en aan uw zegen,

  al zijn de hemeldeuren nu weer dicht,

  dat Gij toch meegaat, maakt het duister licht!

---

*251

#3

1

  Gij die het licht der wereld zijt,

  het duister komt, de donkerheid,

  Heer, neem ons in uw hoede!

  Gij zijt ons water en ons brood,

  Gij zijt het leven in de dood,

  de bron van al het goede.

2

  Vergeef ons onze grote schuld,

  de traagheid en het ongeduld,

  alles wat wij misdeden:

  de overmoed, de overdaad,

  de liefdeloosheid en de haat -

  geef ons op aarde vrede!

3

  Gij die het licht der wereld zijt,

  Gij weet waaraan de wereld lijdt,

  kom spoedig ons genezen!

  Kom haastig, want de wereld wacht,

  Gij zijt het licht in onze nacht,

  in eeuwigheid geprezen!

---

*252

#3

1

  Heer, de dag is nu voorbij;

  als ik slaap, blijf dicht bij mij,

  als het donker is en stil,

  blijf bij mij, om Jezus' wil.

2

  Houd de wereld in uw hand,

  alle mensen in elk land;

  en wie ziek zijn of gewond,

  goede God, maak hen gezond.

3

  Heer, vergeef al wat U zag

  en verkeerd was, deze dag;

  laat mij slapen als uw kind,

  slapen, tot uw dag begint.

---

*253

#5

1

  Nu alles om ons heen donker wordt

  richt zich ons oog omhoog, tot God -

  tot u, o wolk, o vuurkolom,

  wees ons een lamp, een licht rondom!

2

  Wij woonden in de slavernij,

  wij droomden: slaven worden vrij!

  Zo gaan wij dwars door zee en zand

  zingend naar het beloofde land.

3

  Maar soms valt ons de weg te lang,

  dan zijn wij moe en mat en bang,

  dan schijnt geen zon, geen maan, geen ster -

  huis Kana„n, wat zijt gij ver!

4

  Vergeef ons, Heer, ons kleingeloof,

  vergeef ons woestijngeloof,

  en geef ons deze lange tijd

  manna: het brood der dankbaarheid.

5

  Nu alles om ons donker wordt

  richt zich ons hart op U, o God,

  en zien wij boven steen en zand

  lichtsporen naar het vaderland.

---

*254

#4

1

  Wij willen U van harte danken,

  herder die ons bij name kent,

  wijnstok waarin wij zijn ge‰nt,

  wij zijn uw schapen en uw ranken.

2

  Geen vrucht zal zonder U ooit groeien,

  wees onze wijnstok, ook vannacht;

  schenk in de slaap ons nieuwe kracht,

  laat, Heer, uw liefde in ons vloeien.

3

  En zijn wij van U weggelopen,

  o goede herder die ons haalt,

  zoek dan het schaap dat van U dwaalt

  en doe de kooideur voor ons open.

4

  Nu komt de nacht, nu gaan wij slapen -

  Gij zijt de wijnstok die ons voedt,

  Gij zijt de herder die ons hoedt,

  en wij uw ranken en uw schapen.

---

*255

#4

1

  De dagen onzer jaren

  gaan als een schaduw heen,

  als schepen die wel varen

  maar niemand weet waarheen,

  als grijze winterwolken

  die langs de hemel gaan,

  als vogelvrije volken -

  geen mens weet waarvandaan.

2

  De dagen onzer jaren

  gaan als een schaduw heen -

  wie kan de tijd bewaren?

  Verliest niet iedereen

  zichzelf, zijn eigen waarde,

  zijn ziel, zijn zaligheid

  gezaaid in diepe aarde:

  miskende majesteit?

3

  De dagen onzer jaren

  gaan als een schaduw heen -

  maar weet: ginds wacht een haven,

  geen scheepje vaart alleen;

  God zal de wolken wenken,

  zijn duif zal ons gedenken,

  die vliegt ons voor naar huis!

4

  De dagen onzer jaren

  gaan als een schaduw heen,

  de dageraad zal baren

  de Zoon die reeds verscheen;

  de zonde zal verdwijnen,

  de zomer stijgt ten top,

  de zon die dan gaat schijnen

  staat eens voor altijd op!

---

*256

#5

1

  De jaarkring wordt gesloten,

  de dagen duren kort,

  het blad is afgestoten,

  ons leven ligt verdord.

2

  Het lichte groen vergrauwde,

  het zaad dat werd gezaaid,

  het graan dat men verbouwde -

  het gras werd afgemaaid.

3

  De jaarkring wordt gesloten,

  de nachten duren lang -

  maar in de jonge loten,

  daar gaat haar eigen gang:

4

  de lente die zal komen,

  de hand van God, die schrijft

  een lijn van zon en zomer,

  een jaar dat open blijft

5

  De jaarkring wordt gesloten,

  de dagen duren kort

  totdat is uitgesproten

  een oogst die nooit verdort.

---

*257

#5

1

  Nu weer een jaar is heengegaan

  komen wij schaamrood voor U staan -

  uw wijngaard is een wildernis,

  woest is wat toch uw wingerd is.

2

  Zie onze boom, zo vruchteloos,

  ons hart zo mat, zo lusteloos;

  wij gaven niet wat Gij ons vroeg,

  geen twijg die vrucht voldoende droeg.

3

  Wij bidden U, o goede God:

  laat ons niet over x ons lot,

  heb nog een jaar met ons geduld -

  wie weet wat Gij dan oogsten zult!

4

  Geef ons te groeien, vrij en fier,

  graaf dieper nog, wijngaardenier!

  Voed ons doordringend met uw Geest,

  omring ons, liefde die geneest!

5

  God, laat ons hier nog ‚‚n jaar staan,

  dan zal de bloesem bloeien gaan,

  zodat uw wijngaard, wereldwijd,

  roem oogst om zoveel vruchtbaarheid!

---

*258

#4

1

  Al zit gij in het duister

  van duivel en van dood,

  geklonken in een kluister,

  een mens ternauwernood -

  sta op, uw heil zal komen,

  houd hoog uw hoofd gericht,

  verjaag uw boze dromen:

  daarboven straalt een licht!

2

  Al dwaalt gij hier beneden

  doodlopend in verdriet,

  zodat de dag van heden

  geen hand voor ogen ziet,

  blijf vol vertrouwen hopen,

  houd hoog uw hoofd gericht,

  en open wijd uw ogen:

  het zonlicht is in zicht!

3

  God dank, er is gekomen

  een gids in onze grot.

  Wat heeft Hij meegenomen?

  Een lamp, het licht van God!

  Volg Hem door alle gangen,

  houd hoog uw hoofd gericht:

  het donker wordt gevangen,

  het licht krijgt overwicht.

4

  Sta op, treed uit het duister,

  loop d¢¢r, de dood voorbij

  en huiver niet, maar luister:

  een loflied zingen wij!

  Rondom u is het wonder,

  houd hoog uw hoofd gericht:

  uw grot, uw graf, hoe donker,

  vol veelbelovend licht!

---

*259

#7

1

  Allen die gestorven zijn

  zullen eenmaal, groot en klein,

  opgewekt door hemels licht

  opstaan voor Gods aangezicht.

2

  Als de boeken opengaan

  en als al wat is misdaan

  zwart op wit beschreven is,

  openbaar te lezen is,

3

  al mijn falen, mijn tekort

  in dat licht beoordeeld wordt,

  zal mijn liefde niet te klein,

  mijn geloof voldoende zijn?

4

  Als ik eigen rechter was,

  zelf mijn levensboeken las,

  sprak ik dan geheel oprecht:

  Welgedaan, gij trouwe knecht?

5

  Zulke woorden zeg ik niet,

  want ik ben de rechter niet -

  wat weet ik van goed en kwaad?

  Rechter, vraag mijn advocaat!

6

  Dit is alles wat ik weet:

  Christus is mijn parakleet!

  Ik veroordeel, Hij pleit vrij,

  als ik zwijg spreekt Hij voor mij-

7

  zodat, wat de rechter leest,

  ik vrijmoedig, onbevreesd,

  zonder angst voor Hem verschijn

  om voor altijd vrij te zijn!

---

*260

#3

1

  Alom verheffen zich de stemmen:

  demonen van verholen haat;

  zij overschreeuwen ons en klemmen

  zich vast aan wie hen ruimte laat,

  en wie bezwerend tot hen komt

  staat machteloos en zwijgt verstomd.

2

  Niet slechts rondom ons zijn die stemmen,

  terzijde, buiten ons bestaan,

  zij zijn ook in ons, niet te temmen -

  als leeuwen vallen zij ons aan.

  Heer, is uw macht dan niet zo groot

  als die van duivel en van dood?

3

  Godlof! Hoog boven al die stemmen:

  ‚‚n woord, ‚‚n stem, een stem met macht,

  die niet te stuiten al die stemmen

  verjaagt, verdrijft, als licht de nacht,

  tot eenmaal elke tegenstem

  voorgoed verstomt en zwijgt voor Hem!

---

*261

#3

1

  Als ik niet zou geloven

  dat Gij God-met-mij zijt,

  mijn vuur zou spoedig doven,

  mijn licht scheen korte tijd.

  Uw liefde kent geen grenzen,

  de mijne veel te veel;

  uw vlam warmt alle mensen,

  verlicht ons hart geheel.

2

  Als ik niet zou geloven

  dat de Messias kwam,

  het eeuwig licht van boven,

  uw vonk, uw vuur, uw vlam,

  dan zou mijn vlam verkwijnen,

  mijn vuur niet lang bestaan -

  Gij laat mijn fakkel schijnen,

  mijn lamp steekt Gij weer aan!

3

  Als ik niet zou geloven,

  o God, die goedheid zijt,

  dat niemand ooit kan doven

  de gloed die Gij verspreidt,

  ik zou niet kunnen leven,

  ik had hier rust noch duur,

  Gij hebt mij licht gegeven:

  uw liefde vonkt als vuur!

---

*262

#9

1

  Ballingen in Babel

  bedelend om brood,

  bang zijn wij als Abel -

  Ka‹n sloeg hem dood.

2

  Ballingen, verdreven

  ver van huis en haard,

  bitter is het leven,

  dreigend is het zwaard.

3

  God is ons vergeten -

  traag stroomt de rivier,

  angst is hier te eten,

  tranen drinkt men hier!

4

  In de synagoge

  weeklaagt onze stem:

  Heer, heb mededogen,

  spaar Jeruzalem!

5

  Ballingen in Babel

  bedelend om brood,

  morgen zijn wij Abel,

  morgen zijn wij dood!

6

  Ballingen in Babel,

  opent thans uw oor,

  ballingen in Babel

  geeft uw God gehoor!

7

  Offert zoals Abel,

  leven in de dood,

  offert in dit Babel

  zaad dat kiemt tot brood!

8

  Haat en harde handen,

  drift en overmoed,

  wapens tot de tanden -

  Babel schreeuwt om bloed!

9

  Ballingen in Babel,

  ziet: uw Broeder - dood.

  Hij is aller Abel,

  Hij is hemels brood!

---

*263

#5

1

  Breek, o God, breek af de muur,

  blus de vlammen, doof het vuur

  van de haat die wereldwijd

  volken van elkander scheidt.

2

  Heer, wij geven geen gehoor

  en dat gaat, dat gaat maar door.

  dagen, jaren, eeuwen lang.

  Wordt dat onze ondergang?

3

  Gij doorbrak de oude grens:

  waarlijk God en waarlijk mens

  trad Gij uit uw vaderland,

  gaf Gij vijanden uw hand.

4

  Maak ons klein zoals uw kind

  dat in muren deuren vindt;

  niet te stuiten klinkt zijn woord:

  Sloop de muur, ontsluit de poort!

5

  Scheur elk ijzeren gordijn,

  dat wij mensen mensen zijn,

  op uw heil, uw rijk gericht,

  mensen met uw land in zicht

---

*264

#3

1

  Bron van vreugde, levend water,

  wellend in de duisternis,

  laat ons drinken, nu en later,

  tot de dorst vergeten is;

  laat ons hier met volle teugen,

  drinken in de felle zon,

  drinken, drinken pure vreugde,

  putten uit uw levensbron!

2

  Schapen, dwalend van hun herder,

  burgers zonder vaderland,

  als nomaden gaan wij verder,

  langs ravijnen, door het zand,

  dorstig, dromend eens te komen

  bij de paradijsrivier,

  waar het water breed zal stromen,

  overvloed voor mens en dier!

3

  Bron van vreugde, bron van leven,

  water uit de harde rots,

  in de droogte ons gegeven,

  uit de hoogte: vrede Gods;

  in de wereld uitgegoten

  stroomt Gij met ons mee op reis -

  hout, hoe dor, krijgt jonge loten:

  de woestijn wordt paradijs!

---

*265

#4

1

  Dank U, Heer, voor al wat leeft,

  dank voor alles wat Gij geeft:

  voedsel, vreugde, overvloed -

  Gij zijt overstelpend goed!

  Dank U wel voor al wat groeide,

  wind en wolken, licht en lucht,

  velden vol van groene vrucht,

  dank dat duizend bloemen bloeiden!

2

  Al te veel bleef ongedaan;

  stil verwijtend zien ons aan

  armen, bedelend om brood -

  levend lijken zij al dood.

  Geef ons heden open handen,

  ogen om opnieuw te zien

  uw geboden, alle tien:

  vlammen die van liefde branden.

3

  Armen in uw koninkrijk

  zijn reeds U, de koning rijk -

  wie zachtmoedig is be‰rft

  land waarin geen kind meer sterft;

  wie hier treurt mag binnentreden,

  wie een hart heeft recht en rein

  zal daar zonder zorgen zijn:

  eindelijk een land van vrede!

4

  Dank U, Heer, dat wie zo leeft

  dankzij Pasen toekomst heeft:

  honing, melk in overvloed,

  Kana„n wordt meer dan goed!

  Vrolijk zingen wij tezamen

  wereldwijd het hoogste lied

  als uw wil voorgoed geschiedt

  juichend: halleluja, amen!

---

*266

#4

1

  Dank, Vader, dank U wel,

  voor heel dit lieve leven:

  voedsel in overvloed,

  genoeg om weg te geven;

  de lente, fris en groen,

  de zomer, goud en geel

  de vrucht van dit seizoen

  is ons alleen te veel.

2

  Dank, Vader, dank U wel,

  voor vriendelijke regen,

  zonlicht als metgezel,

  hun huwelijk een zegen;

  uw mededeelzaamheid

  maakt onze harten klaar

  om wereldwijd de oogst

  te delen met elkaar.

3

  Dank, Vader, dank U wel,

  hoe moeten wij U loven?

  Herder van Isra‰l,

  wij dansen bij de schoven!

  Graan in het graf gezaaid,

  is nu op uw bevel

  verrezen en gemaaid -

  o Vader, dank U wel.

4

  Dank, Vader, dank U wel,

  voor overvolle manden,

  vruchten van samenspel,

  het werk van onze handen;

  wij leggen onze dank

  als offergave neer,

  want heel ons leven is

  geschenk van U, o Heer!

---

*267

#6

1

  Dat wij leven hier op aarde, / heeft dat waarde,

  heeft de toekomst nog wel zin?

  Komt er toch een nieuwe morgen, / zonder zorgen,

  een volkomen nieuw begin?

2

  Dat wij voor de vrijheid strijden, / dat wij lijden,

  dat er pijn is en verdriet,

  dat wij dreigen te verdrinken, / weg te zinken,

  Christus, ziet Gij dat dan niet?

3

  Meters muren, massa's mensen, / groepen, grenzen,

  koude oorlog, hete haat,

  klippen, kolken, donk're wolken,  arme volken -

  Heer, Gij komt straks veel te laat!

4

  God, zijt Gij ons dan vergeten? / Laat ons weten

  dat Gij overmachtig zijt,

  koning over alle landen, / zee‰n, stranden -

  dat Gij met ons medelijdt!

5

  Heer, dat Gij U op de aarde / openbaarde,

  was dat reeds een nieuw begin?

  Achter U ons kruis te dragen / alle dagen,

  geeft dat de zinloosheid zin?

6

  Christus, laat uw stille vrede / hier beneden

  komen na een storm van strijd,

  maak de aangevochten aarde / groene gaarde,

  tuin die bloeit van vrolijkheid!

---

*268

#8

1

  De bomen willen horen

  al wat de hemel zegt,

  zij staan met open oren,

  met stammen, sterk en recht.

2

  Zij strekken zich na boven

  hoog na de hemel uit,

  zij rekken zich als doven,

  zij horen geen geluid.

3

  De bomen willen horen

  al wat de hemel zegt,

  maar onze stemmen storen -

  de bomen horen slecht.

4

  O laat ons liever zwijgen,

  verstomd en stil voortaan,

  zodat de kleinste twijgen

  de stem van God verstaan!

5

  De bomen zullen horen

  al wat de hemel zegt -

  wie schreeuwt komt niet ter ore

  hoe God zijn - beslecht,

6

  maar wie met lijf en leden

  zich uitstrekt naar omhoog,

  die wortelt in de vrede,

  die raakt de regenboog.

7

  De bomen zullen horen

  al wat de hemel zegt -

  de schepping wordt herboren,

  de takken trekken recht,

8

  zij klappen in de handen,

  zij zwaaien heen en weer

  als waait door alle landen

  de adem van de Heer!

---

*269

#6

1

  De duister valt om mij heen;

  ik ben zo bang, geheel alleen,

  ik zie geen eind aan deze nacht,

  geen licht dat in de verte lacht.

2

  De tijd die ging heeft niets gebracht

  dan schuld, die mij soms, onverwacht,

  verstikt, benauwt, ten dode toe -

  o God, ik ben het leven moe!

3

  Al wat ik deed was onvolmaakt:

  ik heb geslapen, niet gewaakt;

  ik zweeg toen God zei: Spreek mijn Woord -

  zijn stem, heb ik die ooit gehoord?

4

  De wanhoop wordt mij nu te veel,

  het duister vliegt mij naar de keel,

  ik kan niet verder, ik ben bang -

  hoelang duurt dit, o God, hoelang?

5

  Wees stil, zo zegt een stem in mij,

  hier is mijn hand, Ik ben erbij,

  Ik maak een einde aan de nacht;

  hier is het licht - het is volbracht!

6

  Als deze stem maar in mij zingt

  wanneer het duister mij omringt,

  als deze hand mij maar geleidt

  aak ik mijn diepste angsten kwijt.

---

*270

#6

1

  De Heer beschut wie bij Hem schuilen,

  Hij is een rots, een zon, een schild,

  een schouder om op uit te huilen,

  een stem die wind en water stilt.

2

  de goede grond van ons vertrouwen,

  een vast en veilig fundament,

  waarop de hoop een huis kan bouwen -

  gezegend wie die schuilplaats kent!

3

  Want komt de storm en striemt de regen,

  dan valt het huis gebouwd op zand,

  maar is het op de rots gelegen,

  dan houdt het vast en zeker stand.

4

  Wie weet wat ons de tijd zal leren -

  hoe zal ons leven verder gaan;

  op alle paden leeuwen, beren?

  Vlak voor u zal de herder staan!

5

  Begeef u niet op eigen wegen -

  die lopen dood in een ravijn,

  maar laat zijn zorg u tot een zegen,

  zijn woord de weg ten leven zijn.

6

  Houd moed! Al gaat door duizend kuilen

  uw pad niet z¢ als gij het wilt,

  de Heer beschut wie bij Hem schuilen,

  Hij is uw rots, uw zon, uw schild.

---

*271

#8

1

  Een bange, al te lange nacht

  waaraan geen einde komt -

  is dat de toekomst die ons wacht,

  een stem die zwijgt, verstomd?

2

  Laat Gij, o God, ons zo alleen?

  Allang zijn wij U kwijt!

  Of gingen wij soms van U heen

  in ongehoorzaamheid?

3

  Er schijnt wel hier en daar een ster

  en af en toe de maan,

  maar al die lichten, her en der,

  zijn ver bij ons vandaan.

4

  O Zonne der gerechtigheid,

  o Christus, licht uit licht,

  laat zien hoe dicht Gij bij ons zijt,

  laat stralen uw gezicht!

5

  Nog nooit was er zo'n grote angst,

  nooit dreigde zo de dood;

  of duurt de nacht altijd het langst

  vlak voor het morgenrood?

6

  Op U, Heer Jezus, wachten wij,

  kom, laatste dageraad,

  dan is de duisternis voorbij,

  dan straalt uw licht gelaat!

7

  Reeds schijnt de zon in al haar kracht,

  al zien wij zelf die niet;

  de vreugde komt pas na een nacht

  vol vreselijk verdriet.

8

  Al duurt het wachten nog zo lang,

  wanneer het licht ons groet

  klinkt nog veel langer ons gezang

  en zien wij: God is goed!

---

*272

#6

1

  Een stroom van ongerechtigheid,

  een zee van zonden zwart,

  zo donker diep, zo wild en wijd,

  zo duister is ons hart.

2

  Het koude water van de haat,

  de beek van bitterheid

  die dwars door deze wereld gaat,

  die bron van twist en nijd,

3

  dat water als het bloed zo rood,

  die donkere Jordaan

  is breed en diep en oeverloos -

  wie onzer zal bestaan?

4

  Halleluja, er is een brug,

  geen zee die ons nog scheidt!

  God overspant hoog in de lucht

  rivieren, woest en wijd!

5

  Hij overbrugt, Hij overspant

  het water van de dood,

  Hij draagt ons naar de overkant,

  Hij draagt ons in zijn schoot.

6

  Heer Jezus Christus, middelaar

  die God en mens verbindt,

  o brug, breng ons weer bij elkaar

  en maak ons eensgezind!

---

*273

#3

1

  Een venster, open naar het leven,

  mijn kamer heeft, hoe klein, een raam;

  de toekomst is niet afgeschreven,

  maar lacht mij toe in Christus' naam

  en alwie door dit venster ziet

  gelooft zijn eigen twijfel niet.

2

  Al zie ik soms geen hand voor ogen,

  geen zon, geen maan, geen hoge ster,

  al denk ik soms: het is gelogen,

  die God-nabij is mij te ver,

  toch staar ik op geen muur mij blind -

  ‚‚n venster opent Hij: zijn kind.

3

  Al zwerf ik over vele wegen,

  al kom in in het donker thuis,

  al zijn de ruiten nat van regen,

  door dit raam zie ik, langs het kruis,

  voorbij de heuvel Golgotha,

  een land van licht - halleluja!

---

*274

#4

1

  Geef, o Heer, dat onze namen

  in Uw licht te lezen zijn,

  zoals lijnen in de ramen

  door het zonlicht zichtbaar zijn.

2

  Als de dag dreigt weg te dromen,

  als de nacht zich binnendringt

  en niet aan het licht doet komen

  dat Gij ons bestaan omringt,

3

  schrijf dan onze namen over

  met uw stift van louter licht,

  laat de letters - ach, hoe pover -

  lijnen zijn van uw gezicht!

4

  Straal vandaag door alle ramen

  met uw zomerzonneschijn;

  Heer, dan zullen onze namen

  in uw licht te lezen zijn.

---

*275

#4

1

  Gij dak boven mijn hoofd,

  ik schuil onder uw zegen;

  mijn vuur wordt niet gedoofd,

  mij deert geen ruige regen.

2

  Gij steunbalk in de rug,

  Gij muur om op te leunen,

  al val ik vaak terug -

  Gij blijft mij ondersteunen.

3

  Gij steen om op te staan,

  geen dag zou ik begroeten

  kon ik op U niet gaan,

  o grond onder mijn voeten.

4

  Gij handpalm om mij heen,

  behoed mij, doe mij hopen,

  Gij dak, Gij steun, Gij steen,

  mijn toekomst doet Gij open.

---

*276

#5

1

  Grote God, Gij zijt voor mij

  hemelhoog verborgen,

  ongehoord gaat Gij voorbij

  aan mijn angst en zorgen;

  Hebt Gij ooit

  weggegooid

  heel dit aardse leven,

  en ons prijsgegeven?

2

  Ziet Gij, Heer, mijn tranen niet,

  hoort Gij mij niet zuchten,

  weet Gij niet van het verdriet

  dat ik wil ontvluchten?

  Merkt Gij dan

  niets daarvan?

  Heer, mijn diepste wonden

  zijn nog nooit verbonden!

3

  Als ik al mijn leed vertel,

  al mijn nood ga klagen,

  ach, mijn God, dan weet ik wel

  wat de mensen vragen:

  Heeft God dan

  geen goed plan

  u uit al dat lijden

  tijdig te bevrijden?

4

  Heer, alleen omdat ik weet

  dat Gij hebt gedragen

  duizendmaal zoveel aan leed

  met dezelfde vragen:

  God, waarom

  kom ik om?

  d  rom, goede herder,

  daarom kan ik verder!

5

  Heer, ga mij dan maar voorbij,

  blijf dan maar verborgen,

  eenmaal komt uw heerschappij,

  eenmaal komt de morgen.

  O, dan zal

  overal

  zijn wat werd geschreven:

  licht - en eeuwig leven.

---

*277

#6

1

  Heel de stad, heel uw hart,

  heel uw hele leven,

  alles wat nu verward,

  ziek is prijsgegeven.

2

  Heel de stad, heel het land,

  heel Gods goede gaarde;

  reik de hand, houd in stand,

  spaar de oude aarde!

3

  Heel de stad, heel de straat,

  wegen, lanen, pleinen,

  heel de grond, Gods verbond,

  breng het in het reine!

4

  Land en lucht, hoor, hoe zucht

  onze moeder aarde!

  Water, wind, mensenkind,

  zie wat zonde baarde:

5

  rook en roet, donker bloed,

  angstig voorgevoelen -

  God, verhoed dat die vloed

  ons zal overspoelen!

6

  Laat ons hart, zwaar en zwart,

  licht en zuiver wezen,

  dan zal nu Heer, door U,

  heel de stad genezen!

---

*278

#4

1

  Heer, als wij de dagen tellen

  ‚‚n voor ‚‚n

  kan er geen

  ons tevreden stellen.

  Hoe kon goud ons zo verblinden?

  Te verward

  is ons hart

  om de rust te vinden.

2

  Ach, wij jagen en wij jachten

  onverstoord

  almaar voort,

  niet gewend te wachten.

  Tijd is geld en geld moet stromen;

  zelfs een uur

  is te duur

  om tot rust te komen.

3

  Doe dan onze ogen open,

  help uw volk

  U, de wolk

  achterna te lopen,

  alle uren ons gegeven

  blij verbaasd,

  zonder haast,

  dankbaar te beleven.

4

  Wolk en vuur, God in den hoge,

  Wis ons aan

  gaan en staan

  met uw rijk voor ogen!

  Dat het goud ons niet verblinde,

  dat wij nu

  Heer, in U

  volop vrede vinden!

---

*279

#3

1

  Heer, de stilte doet ons pijn,

  toont ons in gedachten

  allen die gevallen zijn,

  al hun jammerklachten,

  met geweld

  neergeveld -

  Heer, zo zijn wij, mensen:

  waanzin kent geen grenzen.

2

  Twee minuten zijn zo kort,

  zijn maar twee momenten;

  tranen zijn te snel gestort -

  buiten bloeit de lente.

  Laat, o God,

  uw gebod

  nu, in onze dagen

  gave vruchten dragen!

3

  Zie de stilte van dit uur

  als een krans gebeden -

  vlam van boven, eeuwig vuur,

  fakkel van de vrede,

  dood de haat,

  ban het kwaad,

  wek in ons, uw mensen,

  liefde - zonder grenzen!

---

*280

#6

1

  Heer, hoezeer ben ik U kwijt,

  tast ik rond om U te vinden;

  moet een bruid in eeuwigheid

  roepen om wie zij beminde?

  Blijft het antwoord op mijn vragen

  wachten tot het eind der dagen?

2

  Ach, wie zal dat ooit verstaan

  hoe een mens naar God kan zoeken,

  hoe hij door een hel kan gaan -

  God, wilt Gij mij zo vervloeken?

  is dit leven louter lijden,

  moet mij dan de dood bevrijden?

3

  Christus, gaat het U niet u

  dat zovelen naar U vragen,

  maar uw stem toch niet verstaan,

  ondanks al hun bitter klagen;

  gaan wij zoekende verloren

  v¢¢r het eerste ochtendgloren?

4

  Hoor, in mijn onzekerheid

  klinkt een stem! Laat Gij U vinden?

  Heer, uw woord - dat woord bevrijdt

  uit de boeien die mij binden!

  Spreek, o Geest, in onze oren,

  laat wie oren heeft, nu horen!

5

  Gij, mijn kind, mijn volk, mijn knecht,

  heb ik u niet uitverkoren,

  heb ik tevergeefs gezegd

  dat ik zoek wat was verloren?

  Wilt gij tastend als een blinde

  u door Mij niet laten vinden?

6

  Roep, als gij Mij hoort noch ziet,

  niet voortdurend, vol verlangen!

  Waarom zoekt maar vindt gij niet?

  Omdat gij al hebt ontvangen!

  Alwie Mij niet vinden konden

  zijn allang door Mij gevonden!

---

*281

#7

1

  Heer Jezus, als een licht zijt Gij

  gekomen in de nacht,

  ons meer nog dan de dood nabij,

  vertroostend, ongedacht.

2

  Als Gij ons licht niet was geweest

  dan was er slechts verdriet,

  een wond die schrijnt en niet geneest,

  veel pijn - en anders niet.

3

  Niet elk gebed wordt zo verhoord

  als ieder dat wel wil;

  wij gaan met uw beloften voort,

  uw toekomst maakt ons stil.

4

  Niet iedereen begrijpt waarom

  ons lichaam moet vergaan -

  het kiemt als zaad en komt weerom

  als Gij het op doet staan.

5

  Er is geen leven zonder zin;

  de dood is maar een poort,

  geen einde, maar een nieuw begin;

  van vreugde, ongestoord.

6

  Kom, Heiland, in die laatste nacht,

  verdrijf de angst, de pijn,

  zodat wij, eenmaal thuisgebracht,

  voorgoed genezen zijn!

7

  Eens staan wij dan weer oog in oog,

  wij zien elkaars gezicht,

  en zingen samen, hemelhoog:

  God dank - Hij is ons licht!

---

*282

#4

1

  Heer Jezus, duizend vragen,

  te veel om mee te dragen:

  waarheen. waarom, waartoe?

  Kunt Gij geen antwoord geven?

  O God, dit is geen leven,

  wij worden zoveel vragen moe.

2

  Hoe kan een mens geloven

  dat iemand hoort, daarboven,

  dat E‚n ons zeker ziet,

  dat die ons zal bevrijden

  van lasten en van lijden -

  wil Hij of kan Hij dat dan niet?

3

  Wie kan ooit zeker weten

  dat God niet wil vergeten

  het land, de zee, de zon,

  de mensen niet zal haten,

  niet eenmaal los zal laten

  het werk dat eens zijn hand begon?

4

  Heer Jezus, al die vragen,

  Gij hebt ze meegedragen,

  die last, was d t uw kruis?

  Dat Gij de schuld verzoende

  geeft ons geduld voldoende:

  het laatste antwoord wacht ons thuis.

---

*283

#4

1

  Heer, laat mij heel mijn leven

  uw taal en teken zijn,

  een tolk om door te geven

  aan mensen, groot en klein,

  met woorden en met daden

  uw liefde, uw genade

  in water, brood en wijn.

2

  Maak mij uw brief, te lezen

  door wie uw stem niet hoort,

  laat mij uw handschrift wezen

  uw boodschap, woord voor woord -

  want waar de Geest doet leven

  daar wordt uw schrift geschreven,

  daar stuwt uw stem ons voort.

3

  Ach, soms vind ik geen woorden,

  dan is mijn hart zo leeg,

  alsof ik nooit iets hoorde

  en nimmer woorden kreeg;

  dan roep ik: God, waar zijt Gij?

  Kom toch, want ik verbijt mij

  nu Gij zolang al zweeg!

4

  Heb dank! Gij hebt gesproken

  een mensgeworden woord.

  Gij schrijft ononderbroken,

  welsprekend schrijft Gij voort;

  met bloed staat opgeschreven:

  Christus, het woord ten leven -

  welzalig die het hoort!

---

*284

#4

1

  Heer, spreek mij aan, zodat ik hoor,

  ik buig mijn hoofd, ik neig mijn oor.

  Trek door de akker van mijn hart,

  trek door mijn zonden, zwaar en zwart,

  uw langgerekte, diepe voor.

2

  Heer, spreek mij aan zodat ik hoor,

  maak open mijn gesloten oor;

  Gij zaait uw woord als zuiver zaad,

  uw Geest is als de wind die waait,

  uw Rijk het koren dat Gij maait.

3

  Heer, spreek mij aan zodat ik hoor,

  spreek zacht in mijn ontsloten oor.

  Al zie ik U, o Zaaier, niet,

  ik hoor U wel, Gij zaait een lied

  dat hoger groeit dan mijn verdriet.

4

  Heer, nu spreekt Gij z¢ dat ik hoor:

  Gij zingt en zaait en zaait maar door!

  Gij zaait geen zaad zo hart als steen,

  Gij zaait een lied, veel meer dan ‚‚n -

  het zingt van vreugde om mij heen!

---

*285

#4

1

  Heiland, als ik eens zal sterven

  na een lange levenstocht,

  zal ik dan het land be‰rven

  waar ik gaandeweg naar zocht?

  Zal het land van melk en honing,

  het beloofde paradijs,

  voor mij opengaan - mijn woning

  aan het einde van de reis?

2

  Mag ik werkelijk geloven

  dat ik door de doodsjordaan

  droogvoets, zee en zand te boven,

  Kana„n mag binnengaan?

  Ik verdien om zoveel zonden

  meer dan veertig jaar woestijn,

  eens voorgoed teruggezonden

  eeuwig vreemdeling te zijn.

3

  Here Jezus, veertig dagen

  zijt Gij ook om mij verzocht,

  hebt Gij dood en hel verslagen

  in uw laatste ademtocht;

  draag mij daarom, vroeg of later,

  door de diepste diepten heen;

  door de dood, dat donker water,

  draagt geen mens mij - Gij alleen.

4

  Als wij eenmaal zullen sterven,

  aan het einde van de tocht

  onverdiend de aarde erven

  uit het diensthuis vrijgekocht,

  thuisgekomen vreemdelingen

  in een land van overvloed,

  zullen wij de lofzang zingen:

  halleluja, God is goed!

---

*286

#7

1

  Het einde van de oogst is daar,

  de laatste maaier leest

  al gaande rapend aar voor aar,

  het veelvoud van de Geest.

2

  De eersteling is reeds gemaaid:

  verhoogd boog Hij het hoofd;

  de zaaier heeft zichzelf gezaaid

  en in de oogst geloofd.

3

  Hij is de vrucht van het geloof

  dat liefde liefde wint,

  de strohalm die de volle schoof

  omarmt en samenbindt.

4

  De last der liefde is niet zwaar,

  maar als het laatste komt,

  dan staat de halm met rijpe aar

  ter aarde toe gekromd.

5

  Wie liefdeloos rechtop blijft staan

  en zich voldragen vindt,

  die zal met al het kaf vergaan

  dat wegwaait in de wind.

6

  Maar wie het hoofd buigt, arm van geest,

  wie zwaar van zegen zucht

  die viert straks alle weken feest

  en geeft de Geest als vrucht.

7

  Het einde van de oogst is daar,

  o hoor. de zaaier juicht!

  En zalig is de korenaar

  die voor de maaier buigt

---

*287

#3

1

  Hoe goed kan God gebruiken

  gereedschap voor zijn werk:

  de kannen en de kruiken,

  de stenen voor zijn kerk,

  zij gaan door hete vuren

  en krijgen allemaal

  het lijden te verduren

  van ijzer, klei en staal.

2

  Soms word ik hard geslagen

  en krijg ik slag op slag

  en kan ik niet verdragen

  die hamer, dag aan dag;

  de hitte hoort mij zuchten,

  het steunen van de steen -

  ge wilt het vuur ontvluchten?

  Geen mens kan er omheen.

3

  Een wonder is het water,

  het water van de doop!

  Wie onderging rijst later

  weer op, bekleed met hoop.

  God opent nieuwe luiken:

  door tegenslagen sterk

  ben ik juist te gebruiken:

  gereedschap voor zijn werk!

---

*288

#5

1

  Hoe kom ik aan de overzijde?

  De doodsrivier is veel te diep!

  Wie kan mij over water leiden,

  de zee, die niemand nog ontliep?

  De golven gaan als huizen hoog,

  niemand, geen mens blijft droog.

2

  Zou ik hier altijd willen blijven,

  het zou niet kunnen, ik moet gaan;

  de vijand zal mij toch verdrijven,

  er komt een eind - dit bestaan,

  en vroeg of laat ziet ieder mens

  dit strand, de laatste grens.

3

  Zal ik ten onder gaan zinken?

  Dit water draagt mijn zonden niet!

  Hun zwaar gewicht doet mij verdrinken,

  verdwijnen in dit doodsgebied;

  o Heer, ik roep de hemel aan:

  Laat mij toch niet vergaan!

4

  God dank! Met Hem kan ik het wagen,

  ik voel zijn handen onder mij,

  die tillen mij hoog op en dragen

  mij naar de verre overzij;

  ik ga niet onder in de schoot

  van duisternis en dood.

5

  Over de golven heengekomen,

  over het water, door de wind,

  heeft Hij mij in zijn arm genomen;

  Hij draagt mij teder als een kind,

  vanaf dit allerlaatste strand

  naar gindse overkant!

---

*289

#4

1

  Hoe teder heeft de Heer mij aangeraakt

  en mij gestreeld als zuidenwind de bomen.

  Zijn liefde heeft mijn luiken losgemaakt

  zodat er volop licht kan binnenstromen;

  Hij roept mij zacht en zo ben ik ontwaakt

  en zie verbaasd wat mij is overkomen.

2

  Nog nooit heb ik zo'n zoete vrucht gesmaakt -

  vrede en vreugde bleven diepe dromen;

  God heeft de wereld als een boek gemaakt

  maar nooit had ik dat boek ter hand genomen

  wanneer Hij mij niet zelf had aangeraakt -

  zijn licht doet al mijn knoppen openkomen.

3

  Hoelang heb ik de mij geschonken tijd

  met open ogen hopeloos verslapen,

  hoe vaak ben ik gevlucht in eenzaamheid,

  zoals een huurling wegvlucht van de schapen,

  een herder die alleen zichzelf nog weidt

  en van vermoeidheid valt in eigen wapen.

4

  Hoe teder heeft de Heer mij aangeraakt,

  ik voel zijn adem strelend langs mij strijken.

  Zomer van God, hebt gij bij mij gewaakt

  doet gij de lange winter van mij wijken?

  Nu pas, nu gij mijn vensters openmaakt,

  kan mij de hemel werkelijk bereiken!

---

*290

#4

1

  Ik ben door U gevonden,

  nog voordat ik U zocht;

  lang voor wij zoeken konden

  hebt Gij naar ons gezocht.

  Ik weigerde te leven

  door U geliefd, bemind,

  het zoeken op te geven -

  te leven als uw kind.

2

  Vergeefs heb ik gestreden,

  hield ik mijzelf in toom;

  ik vocht, maar vond geen vrede

  al was ik nog zo vroom;

  al heb ik steeds vermeden

  te doen wat Gij verbiedt -

  tot op de dag van heden

  zocht ik - maar vond U niet.

3

  Nimmer was ik tevreden -

  hoogmoedig dacht ik toen

  wat velen v¢¢r mij deden

  veel beter te gaan doen.

  Maar nu zijn mijn gebeden

  vol spijt en stil verdriet:

  hier ben ik, moegestreden -

  o God, ik vind U niet!

4

  Zo hebt Gij mij gevonden

  toen ik niet langer vocht;

  nog voor wij zoeken konden

  hebt Gij naar ons gezocht!

  Gij vraagt mij slechts te leven

  door U geliefd - als kind

  mijn zoeken op te geven;

  Heer, Gij zoekt mij - en vindt!

---

*291

#6

1

  Ik leef vandaag als koningskind,

  blijmoedig leef ik van de wind,

  ik ben voor niets en niemand bang

  mijn leven duurt nog eeuwenlang!

2

  AI wat er was is nu voorbij,

  en morgen zorgt de Heer voor mij,

  dus zing ik deze dag mijn lied -

  ik voed vandaag mijn heimwee niet.

3

  Het heeft geen zin om stil te staan

  bij alles wat heeft afgedaan,

  wat was dat geef ik U, o Heer,

  ik leg het in uw handen neer.

4

  AI weet geen mens wat hij zal zien:

  verdriet of vreugde, dood misschien

  door ziekte, oorlog, hongersnood -

  wij eten heden levend brood.

5

  En als de laatste vijand komt

  mijn adem stokt, mijn stem verstomt,

  dan gaat nochtans het loflied door

  als ik de hemel zingen hoor.

6

  Ik leef vandaag als koningskind,

  ik weet: het rijk van God begint

  wanneer ik Christus achterna

  niet verder dan zijn voetstap ga!

---

*292

#4

1

  Ik zie geen hand voor ogen,

  geen herder die mij haalt,

  geen hoge regenbogen,

  geen duif die nederdaalt,

  geen stok, geen staf, geen weide,

  geen stille, vaste ster,

  geen licht dat mij kan leiden -

  wat is de hemel ver!

2

  Ik zie een berg van vragen,

  een rots, een diep ravijn,

  een rug die niets kan dragen,

  een brug, maar veel te klein,

  een weg, maar onbegaanbaar,

  een pad, nog lang niet af,

  een gids, maar onverstaanbaar

  en ginds: een gapend graf.

3

  Ik zie geen hand voor ogen,

  ik voel geen vreugde meer -

  maar toch zal ik verhogen

  de opgestane Heer!

  Ik leef met zijn geboden,

  Hij schreef ze op in mij;

  Hij bleef niet bij de doden,

  mijn levenslicht is Hij!

4

  Ik zie een berg van vrede,

  een toppunt van geluk,

  mijn strijd ten eind gestreden,

  de liefde nooit meer stuk!

  AI zie ik niets voor ogen,

  al blijft de hemel ver,

  ik zing - en zienderogen

  verschijnt er toch een ster!

---

*293

#4

1

  In mijn weerstand vindt God woning,

  in mijn twijfel is Hij thuis;

  bitterheid maakt Hij tot honing,

  met mij eet Hij in mijn huis.

2

  Ga ik ver, Hij gaat nog verder

  door mijn dal vol ach en wee;

  dwaal ik ver, Hij blijft de herder -

  val ik diep, Hij zelf valt mee.

3

  In de dood ontkiemt het leven,

  in de graven sluimert zaad,

  wordt mijn zwarte kleed herweven

  tot een blinkend wit gewaad.

4

  O mijn God, hoezeer verborgen,

  licht genoeg zijt Gij voor mij;

  middernacht begint de morgen -

  in mijn duisternis woont Gij.

---

*294

#4

1

  In stilte wilt Gij wonen -

  maar soms doet stilte pijn.

  Gij zoudt toch bij ons wonen

  en onze helper zijn?

  Waar is, o God, uw woning,

  waar is uw hand, uw oog;

  zijt Gij wel onze koning?

  Gij zijt zo ver, zo hoog!

2

  In stilte wilt Gij wonen,

  verborgen in de nacht;

  de wolken zijn uw tronen -

  daar zetelt Gij en lacht!

  Heer, God van alle goden,

  die hoog verheven zijt,

  hebt Gij ons dan ten dode

  getekend voor altijd?

3

  In stilte wilt Gij wonen,

  in diepe donkerheid;

  de goddelozen honen

  uw macht en majesteit.

  O Heer, strek uit uw handen,

  spreek nu met kracht en kom,

  ja kom in alle landen,

  kom, onze koning, kom!

4

  In stilte wilt Gij wonen,

  maar uit de duisternis

  zult Gij ons eenmaal tonen

  hoe licht uw luister is;

  in Christus is geschreven

  uw woord in vlees en bloed:

  licht, liefde, eeuwig leven -

  Hij maakt uw stilte goed.

---

*295

#3

1

  Jozua, zie ons hier staan

  voor de Jordaan;

  wanneer wij vroeg of later

  ons dopen in dit water

  en lijken weg te zinken

  en dreigen te verdrinken,

  Jozua, red ons dan hier,

  zet ons over de rivier!

 

  Refrein:

  Niemand kan daar binnenkomen

  in dat land van onze dromen,

  maar als Gij met ons vanhier

  door de diepe doodsrivier

  meegaat, Here Jezus, dan

  komen wij in Kana„n!

2

  Jozua, spreek dan en zeg:

  God maakt een weg!

  De Heer zal voor u strijden

  en u een plaats bereiden,

  met koren om te maaien

  en zaad om uit te zaaien.

  Jozua, voor aller oog

  maakt de Heer het water droog!

  refrein

3

  Jozua, ga voor ons uit;

  wij juichen luid!

  Want God heeft ons gegeven

  de stad, het land, het leven,

  voor iedereen een woning,

  voor allen melk en honing:

  Jozua, ginds ligt het land -

  leid ons naar de overkant!

  refrein

---

*296

#4

1

  Kom, Here Jezus, kom met macht

  en spreek mij vrij van mijn zonden;

  kom Geest, daal op ons neer met kracht,

  heel onze pijnlijke wonden!

  Ga ons, o Heiland, niet voorbij,

  ontferm U, Heer, heb medelij;

  ontbind wie werden gebonden!

2

  Zie ons melaats en doof en stom,

  verlamden, kreupelen, blinden:

  uw kerk is ziek - kom, bruidegom,

  genees uw bruid, uw beminde!

  Leg nu uw handen op ons hoofd,

  zodat een ieder die gelooft

  bij U genezing zal vinden.

3

  Wij brengen u de angst, de pijn,

  het onbevredigd verlangen;

  Gij weet hoe opgejaagd wij zijn,

  hoezeer door zorgen bevangen.

  Onrustig gaat ons hart tekeer,

  tot wij de rust van U, o Heer,

  de volle vrede ontvangen.

4

  Spreek alom uw bevrijdend woord:

  Uw zonden zijn u vergeven!

  Spreek z¢ dat heel de wereld hoort:

  Sta op en wandel - ten leven!

  Lof zij U, Christus, om uw macht,

  want de genezing die ons wacht

  is ons in U reeds gegeven.

---

*297

#5

1

  Laat U vinden! Ik, verblinde,

  zoek uw aangezicht.

  Laat mij wonen waar Gij tonen

  wilt uw stralend licht!

2

  Laat U vinden! Als een hinde

  zoek ik, angstig, moe;

  met mijn zorgen diep verborgen

  vlucht ik naar U toe.

3

  Laat U vinden, wil mij binden

  vast in uw verbond;

  o, maak spoedig overvloedig

  vol mijn hart en mond!

4

  Laat U vinden in de wind en

  in een tong van vuur.

  Ik verwachtte dagen, nachten,

  deze dag, dit uur.

5

  Laat U vinden, mijn beminde,

  kom, mijn bruidegom;

  laat mij delen in uw zegen,

  kom, mijn Heiland, kom!

---

*298

#4

1

  Leven, dat is doden

  meer dan je vermoedt,

  duizend keren doden

  eigen vlees en bloed,

  toekomst en verleden,

  voor- en nageslacht,

  gisteren en heden -

  sterven, dag en nacht.

2

  Leven is: de doden

  brengen naar hun graf,

  roepen: God der goden,

  waar zijn stok en staf?

  Herder, blijft Gij slapen,

  helper in de nood,

  ziet Gij niet uw schapen

  dwalen in de dood?

3

  Leven met de doden -

  even, niet altijd;

  even zijn de doden

  ons die leven, kwijt.

  E‚n houdt ons omgeven

  wat ons dan ook scheidt -

  dood, jij hebt het leven

  niet in eeuwigheid!

4

  Leven is: de doden

  brengen bij de Heer,

  leven is geloven:

  morgen kom je w‚‚r;

  ook al gaat te gronde

  lichaam, vlees en bloed,

  eeuwig ongeschonden

  l‚‚f je straks - voorgoed

---

*299

#4

1

  Lieve God, Gij hebt de tijd,

  dag en nacht hebt Gij geschapen;

  Gij die licht en donker scheidt,

  tijd voor werken, tijd voor slapen,

  Gij hebt ons die tijd gegeven

  om naar uw rijk toe te leven.

2

  Hadden wij maar meer geduld!

  Nergens kunnen wij op wachten,

  van onszelf zozeer vervuld

  dat wij almaar jagen, jachten

  om nog sneller daar te komen

  waar wij levenslang van dromen.

3

  Heer, Gij sprak: Ik ben de weg

  en de waarheid en het leven.

  Spreek dan in ons hart, en zeg

  dat zal sterven al ons streven -

  onze onvolkomen daden

  zijn volmaakt in uw genade!

4

  Help ons om die weg te gaan,

  alle rust in U te vinden,

  zodat wij uw stem verstaan:

  Kom tot Mij, vermoeide hinde,

  opgejaagd en voortgedreven,

  zie, Ik schenk u eeuwig leven!

---

*300

#10

1

  Looft de Heer met vreugde,

  looft met luider stem

  God die ons verheugde -

  zingt een lied voor Hem!

2

  Looft Hem met uw woorden,

  looft Hem metterdaad,

  die u roepen hoorde,

  die u niet verlaat.

3

  Looft Hem, alle mensen,

  looft Hem, blank en zwart,

  looft Hem zonder grenzen

  met een dankbaar hart.

4

  Looft Hem met uw handen,

  looft Hem met uw mond,

  looft Hem, alle landen,

  heel de wereld rond!

5

  Looft Hem met de dieren,

  looft Hem met het vee,

  al wat ademt viere

  met de mensen mee!

6

  Looft Hem, bossen, bloemen,

  looft Hem met uw geur,

  alles moet Hem roemen:

  dankt Hem, klank en kleur!

7

  Looft Hem, alle stromen,

  vissen in de zee,

  vogels in de bomen,

  zingt ons loflied mee!

8

  Looft Hem, hoge bergen,

  looft Hem, donker dal,

  looft Hem, al zijn werken,

  looft Hem overal!

9

  Looft Hem met trompetten,

  looft Hem met de luit,

  looft Hem, klarinetten,

  trommels, harp en fluit!

10

  Looft Hem opgetogen

  in uw eigen taal -

  looft God in den hoge,

  looft Hem allemaal!

---

*301

#5

1

  Mijn hart wacht stil op U, o Heer,

  uw komst verwacht ik, meer en meer,

  uw liefde houdt mijn ziel gevangen.

  Naar U gaat al mijn vreugde uit,

  ik wacht op U, wacht als een bruid,

  reikhalzend hunkert mijn verlangen.

2

  Onrustig leef ik, opgejaagd,

  door duizend dromen uitgedaagd

  die liegen, lokken en verleiden;

  de boze, briesend als een leeuw,

  gaat brullend rond - ik roep, ik schreeuw

  tot U, o God: Kom mij bevrijden!

3

  De kracht van oorlog en geweld,

  de macht van goud en goed en geld,

  hoe kan ik daaraan ooit ontkomen?

  Schandelijk schamel is de schijn:

  steeds meer te hebben en te zijn,

  dat is, o God, waar wij van dromen!

4

  Ik roep, ik smeek vol ongeduld:

  O Geest, als Gij mijn leven vult,

  o overvloed, o milde regen,

  dan wordt mijn hart verrassend rein,

  dan drink ik fris uit uw fontein:

  water des levens, zuiver zegen!

5

  Met heel mijn hart verwacht ik, Heer,

  uw komst, de grote ommekeer;

  hoe vrolijk zal ik U ontvangen!

  Gij die mijn allerliefste zijt,

  kom, Gij die lijf en ziel bevrijdt,

  vervul mijn allerdiepst verlangen!

---

*302

#3

1

  Nooit mogen wij vergeten

  wat hoogmoed heeft misdaan,

  een nieuw geslacht moet weten

  hoe bang zijn heengegaan

  de mannen en de vrouwen,

  ‚‚n lange lijdenstrein -

  de oogst van blind vertrouwen

  is hooguit bloed en pijn.

2

  Nooit mogen wij vergeten

  dat oorlog oorlog zaait,

  dat elke oude vete

  weer nieuwe wreedheid maait;

  slechts liefde doet ontspruiten

  vruchten die zuiver zijn:

  vreugde zo zoet als druiven,

  vrede die vloeit als wijn.

3

  Nooit mogen wij vergeten:

  haat won nog nooit een strijd -

  elk hart dat wil vergeven,

  dat overwint altijd!

  Het leed is nooit verleden,

  de doodstrein nooit voorbij,

  tenzij Gods vrede heden

  bloeit als een bloem in mei.

---

*303

#3

1

  Nu laat Gij, Heer, mijn leven lente zijn -

  ik hoor al vroeg de bomen vrolijk zingen:

  een cantorij van vogels groot en klein,

  de schepping kan haar vreugde niet bedwingen; -

  mijn hart stroomt vol van louter zonneschijn,

  ik ben zo blij om alle goede dingen!

2

  IJskoude dood, zwijg stil - ik weet het wel;

  jij doet de herfst, de barre winter komen,

  jij speelt met ons het liefst een ijzig spel,

  jij hebt al menigmaal de vrede ons ontnomen:

  maar zie, opnieuw ontluikt op Gods bevel

  het groene gras, de bloesem van de bomen!

3

  Reeds groeit er hoop uit omgeploegde pijn:

  alles wordt nieuw, nog beter dan te voren;

  nacht wordt weer dag en water zoete wijn -

  straks heeft de dood zijn macht voorgoed verloren,

  dan zal de zomer zonder einde zijn

  en heel de aarde wederom geboren!

---

*304

#10

1

  Nu word je uitgedragen -

  o God, waarom, waarom?

  Waarom die duizend vragen,

  waarom, waarom, waarom?

2

  Nu jij wordt uitgedragen,

  een kleinood in een kist,

  bespringen ons de vragen -

  heeft God zich dan vergist?

3

  Wanneer wij o jou denken

  klinkt Goddank ook een lied

  dat ons de troost zal schenken

  in dalen van verdriet:

4

  Nu eindigt al het lijden,

  dit is je laatste reis;

  de engelen geleiden

  je in het paradijs!

5

  En alle martelaren

  die wachten in de poort,

  ontelbaar is de schare,

  de vreugde ongestoord.

6

  De engelen omringen

  je in een machtig koor

  om hun gezang te zingen

  de hele hemel door!

7

  Ze brengen je daarbinnen

  die glanzend gouden stad;

  het leven kan beginnen

  veel beter dan je had.

8

  Als bruid zal jou begroeten

  die stad Jeruzalem.

  Daar mag jij God ontmoeten;

  ons kind, jij bent van Hem!

9

  AI blijven dan de vragen -

  geen mens weet het waarom,

  straks, aan het eind der dagen,

  dan zien wij jou weerom.

10

  Wij gaan dwars door het lijden

  naar deze stad op reis,

  en jij mag ons geleiden

  tot in Gods paradijs!

---

*305

#4

1

  O Christus, woord dat op doet staan,

  weg waar Gods volk op voort kan gaan,

  wolk die al wenkend op ons wacht,

  lichtengel, wakend in de nacht,

  brood dat zal voeden groot en klein,

  bron die ontspringt, zo zoet als wijn -

2

  hoor, hoe wij zeulend door het zand

  roepen om hulp van hogerhand:

  een rots, ravijnen, de woestijn,

  hoe kan hier leven leven zijn

  tenzij het regent: goede moed,

  tenzij uw zegen zingen doet?

3

  Heer, onze weerstand is zo zwak,

  hier biedt ons niemand onderdak,

  hier telt slechts geld en grof geweld,

  hier wordt de dood tentoongesteld -

  men stapelt winst en wapens op

  en plant een kruis hoog op de top!

4

  O Christus, woord en weg en wolk,

  water en manna voor uw volk,

  geef ons de moed in de woestijn

  spoorzoekers van uw heil te zijn,

  reikhalzend op het land gericht

  waar liefde bouwt: uw stad van licht.

---

*306

#4

1

  O God, de goede aarde.

  de tuin die Gij ons gaf,

  is niet meer groene gaarde,

  is omgewoeld: een graf.

  Wij zien met vrees en beven

  geen rust, geen ruimte meer,

  geen plaats om hier te leven -

  ontferm, ontferm U, Heer!

2

  Hoe lang al diep begraven,

  het gif is opgestaan,

  vernietigt huis en have,

  vreet heel de schepping aan;

  de vogels en de vissen,

  de hele atmosfeer

  tast in het ongewisse;

  ontferm, ontferm U, Heer!

3

  Hoe moeten wij U loven

  als al wat is vergaat,

  verbrandt als in een oven

  die niets in leven laat?

  Doe, God, uw zon dan schijnen

  en zend de vrede neer

  op straten en op pleinen -

  ban uit het wanbeheer!

4

  Heer, help ons deze aarde

  te hoeden als uw hof,

  de roeping te aanvaarden

  te leven tot uw lof,

  te werken in vertrouwen

  dat wij de ommekeer,

  de nieuwe stad aanschouwen -

  het paradijs keert weer!

---

*307

#3

1

  O God, Gij zijt zo ver van mij vandaan,

  waarom wilt Gij niet nader tot mij komen?

  Wanhopig roep ik: Wees met mij begaan!

  Mijn armen zijn takken van de bomen,

  ik strek mij uit, een stam die kaal blijft staan

  wanneer de herfst elk blad heeft weggenomen.

 

  De dood heeft onverhoeds mijn boom beroerd,

  een felle storm beschadigt schors en twijgen,

  van al mijn wortels word ik afgesnoerd,

  voor deze kracht moet ik mijn kruin wel neigen.

  Woeste orkaan die op mijn leven loert,

  jij woedt maar door - moet ik voor immer zwijgen?

2

  O God, Gij zijt zo ver bij mij vandaan,

  maar toch, o hoor, het fluistert in de bomen:

  Toch gaat mijn leven op de lente aan!

  Ik zie de bloesem groeien in mijn dromen -

  zo zal ik groen en bloeiend voor U staan,

  na deze winter zal de zomer komen!

3

  Dan waait de Geest, die zachte zuidenwind,

  dan is de zon een lust voor onze ogen;

  alles wordt nieuw: een pasgeboren kind,

  een jonge vogel die is uitgevlogen -

  o God, wanneer Gij mij dan zoekt en vindt,

  strek ik mijn takken juichend in de hoogte!

---

*308

#4

1

  O God, is dat e:

  een kind dat sterven moet?

  Waarom daalt in de diepte

  ons eigen  vlees en bloed?

  Is U dan om het even

  hoelang wij mensen leven -

  zo kort, noemt Gij dat: goed?

2

  Voor zo iets zijn geen woorden,

  verdriet kent hier geen maat;

  dat Gij ons niet verhoorde

  maakt ons opstandig, kwaad.

  Kon Gij de dood niet keren?

  Zijt Gij, de Heer der heren,

  tot heersen niet in staat?

3

  Vergeef ons als dit spreken

  uw vaderhart verwondt -

  uw kind is zelf bezweken,

  zijn bloed: een nieuw verbond.

  O leg dan, voor wij vloeken,

  als wij naar woorden zoeken

  uw hand op onze mond.

4

  En laat ons niet vergeten

  dat eenmaal al de pijn

  die wij U, Heer, verweten,

  voorgoed voorbij zal zijn;

  dat eens ons kind, genezen,

  samen met ons zal spelen

  in zomerzonneschijn.

---

*309

#4

1

  O God, mijn leven en mijn dood,

  mijn morgenlicht, mijn avondrood,

  mijn toekomst, mijn verleden,

  mijn wel en wee, mijn ja en nee,

  mijn onrust en mijn vrede.

2

  wanneer ik overal vertel:

  God is mijn vriend, mijn metgezel

  en ik ben zijn beminde,

  dan gaat Gij mij soms zo voorbij

  dat ik U niet kan vinden.

3

  Maar als ik schreeuw in kleingeloof,

  dan houdt Gij u niet langer doof,

  dan opent Gij uw oren

  en hoor ik, Heer, uw woorden weer,

  uw stem, als ooit tevoren.

4

  O God, mijn vreugde, mijn verdriet,

  Gij kent mij wel, maar ik U niet;

  blijf zo mijn ziel omgeven,

  dat zij weer zingt, door U omringd:

  in U slechts kan ik leven!

---

*310

#5

1

  O licht uit licht, uit God geboren,

  o ster die niet voorgoed verdwijnt,

  gij dageraad, gij ochtendgloren,

  o morgenrood, Gij zon die schijnt -

  de deuren van de nacht gaan dicht,

  Christus, Gij zijt ons licht!

2

  O vuur, in onze nacht ontstoken,

  o vlam die eeuwigdurend brandt,

  dag in, dag uit, ononderbroken

  houdt Gij ons smeulend vuur in stand.

  Kom, Heer, ons met uw warme gloed

  koesterend tegemoet!

3

  O water, eeuwig levend water,

  o beek, o bruisende rivier,

  genoeg voor nu, genoeg voor later,

  Gij overvloed voor mens en dier:

  fontein die - God zelf ontspringt -

  geen dam die U bedwingt.

4

  O rots, o steen waar wij op bouwen,

  o aarde die niet zal vergaan,

  Gij zijt de grond van ons vertrouwen,

  het fundament waarop wij staan;

  als alles wankelt, zwaar belast,

  staan wij op U, rotsvast.

5

  O lichtend vuur, o levend water,

  o vaste grond, stralende zon,

  Gij spreekt en zie: het is, het staat er -

  van al wat leeft zijt Gij de bron!

  Aan U, o einde en begin,

  ontleent ons leven zin.

---

*311

#4

1

  Overluid klinkt van de aarde

  hulpgeroep, een schreeuw omhoog:

  Christus, waarom openbaarde

  Gij niet voor ons oor en oog

  uw beslissende gericht?

  Rechter, blijft uw rechtszaal dicht?

2

  Hoor, de stem der martelaren!

  Zie hoe zij gefolterd zijn,

  zie hun lichaam, bloed en blaren,

  korsten: pleisters op hun pijn.

  Doe wat Gij hebt toegezegd,

  smeed wat krom is om tot recht!

3

  Aan het einde aller tijden,

  als het oordeel wordt geveld

  en uw vonnis zal bevrijden

  wie niet zwichtten voor geweld,

  dan zal elk die liefde haat

  weten dat er recht bestaat!

4

  Hemelhoog weerklinkt op aarde

  door de wanklank heen een lied:

  wie het wachtwoord trouw bewaarde

  die verleert de lofzang niet -

  onvoorwaardelijk spreekt Gij,

  rechter, uw beklaagden vrij!

---

*312

#6

1

  Uw hemel, Heer is niet te hoog

  voor wie de aarde ziet -

  Gij hebt de mensen op het oog,

  hun vreugde, hun verdriet.

2

  Vergeef ons, Heer - wij zijn verblind

  door trots en eigenwaan;

  wij zoeken waar geen weg begint

  de hemel in te gaan.

3

  Wij roepen U - maar niemand hoort

  wat rondom wordt gezegd;

  wij hebben ongehoord uw woord

  verstoord terzij gelegd.

4

  Vergeef ons, Heer - wij zijn verdoofd

  door eigen stemgeluid;

  de hoogmoed heeR ons hart beroofd

  en blijdschap is zijn buit.

5

  Heer Jezus, licht en levenswoord,

  o geef ons, doof en blind,

  een oog dat ziet, een oor dat hoort,

  een hart dat U bemint.

6

  Uw liefde is een regenboog:

  zij zoekt zichzelve niet,

  zij heeft de aarde op het oog,

  dat die uw hemel ziet!

---

*313

#3

1

  Vader, U begrijpen, zien wat Gij doorziet,

  werkelijk begrijpen, God, ik kan het niet;

  op uw liefde bouw ik ook als Gij niet hoort -

  Vader, U vertrouw ik op uw eigen woord.

2

  Niemand kan begrijpen, niemand kan verstaan

  waarom niet mag rijpen opgekomen graan,

  waarom niet mag groeien veelbelovend zaad,

  waarom Gij wilt snoeien wat te bloeien staat.

3

  Eens zal ik begrijpen, morgen al misschien,

  eindelijk de rijpe, volle vruchten zien!

  Dan, o God, aanschouw ik vreugde, ongestoord -

  Vader, U vertrouw ik op uw eigen woord.

---

*314

#5

1

  Verhef., o zon, uw gouden stralen,

  sta op, trek aan uw kleurig kleed!

  Maak hoge heuvels, diepe dalen

  voor deze nieuwe dag gereed;

  beschijn de wereld wijd en zijd,

  o zonne der gerechtigheid!

2

  De winter is voorgoed vergangen,

  de lente wacht al voor de deur,

  de zomer waarnaar wij verlangen,

  de herfst, vol diepe glans en kleur -

  Gij spreidt uw licht te rechter tijd,

  o zonne der gerechtigheid!

3

  Wat koud en kil is gaat weer gloeien,

  wat uitgedoofd is, vlamt weer op,

  wat dor en doods is zal gaan groeien,

  de bloesem bloeit uit elke knop,

  omdat Gij licht en warmte zijt,

  o zonne der gerechtigheid!

4

  Laat niet de haat ons oog verblinden,

  belaag, verjaag de duisternis;

  laat liefde ons het licht doen vinden

  dat sterker dan het duister is,

  dan wordt bevrijd wie onrecht lijdt,

  o zonne der gerechtigheid!

5

  Wat zal het licht zijn in uw stralen,

  gij klimt al van de horizon;

  de nacht kan nooit meer achterhalen

  de dag die nog maar pas begon -

  Gij stijgt en straalt straks hemelwijd,

  o zonne der gerechtigheid!

---

*315

#4

1

  Wanneer ik zoek naar woorden en niets dan stilte vind

  dan weet ik: Heer, Gij hoorde ‚‚n stem - uw eigen kind.

  Uw adem wekt mijn leven, uw liefde kleurt mijn bloed;

  mijn stilte is vergeven, mijn zwijgen keurt Gij goed.

2

  Wanneer ik zoek naar zinnen en bid om een gebed,

  niet weet hoe te beginnen, niet spreek, in stil verzet,

  dan roep ik mij te binnen uw stem, o Christus - Gij;

  Gij zult eens overwinnen de tegenstem in mij.

3

  Wanneer ik zoek te zeggen al wat er in mij leeft

  maar zich niet uit laat leggen en zich niet open geeft,

  dan ben ik al gevonden voordat ik U niet vind;

  dan bidt met duizend monden de Geest, vol vuur en wind.

4

  Wanneer ik zoek naar woorden is uw Woord mij genoeg;

  dat Woord, dat wij eens hoorden, dat Woord, dat mij al droeg

  dat zal mij blijven dragen - mij maakt geen stilte bang;

  slechts dit wilt Gij mij vragen: dat ik naar U verlang.

---

*316

#3

1

  Wij geven het leven niet op,

  wat was is niet eeuwig verloren:

  geen bloesem, geen bloem in de knop,

  geen kind om te sterven geboren -

  het lam uit uw stal,

  o herder, het zal

  uw stem tot in eeuwigheid horen!

2

  Wij geven het leven niet prijs,

  de nacht doet de dag niet vergeten.

  Ons lied krijgt een andere wijs

  en soms zijn de woorden slechts kreten,

  maar hoog blijft de toon:

  wij hebben de Zoon,

  een kind naast de Vader gezeten!

3

  Wij geven het leven een hand,

  een wolk van getuigen zal troosten,

  wij zoeken een weg in het zand,

  wij kiezen de kant van het oosten

  omdat Gij misschien

  vannacht al doet zien

  het licht dat voorgoed zal vertroosten.

---

*317

#6

1

  Wij maken de koning groot,

  de vorst aan ons gegeven:

  een herder, een deelgenoot

  van allen die nederig leven.

  Een dienaar, een povere knecht -

  Hij brengt deze wereld terecht!

2

  De reuzen van goud en van geld,

  de mond van machtige mannen,

  hun hoogmoed, hun woedend geweld

  zal Hij van de aarde verbannen!

  Een dienaar, een povere knecht -

  Hij brengt deze wereld terecht!

3

  Hij is als een herder die dient,

  Hij geeft desnoods zijn leven,

  een vorst die regeert als een vriend

  voor wie in het nauw zijn gedreven.

  Een dienaar, een povere knecht -

  Hij brengt deze wereld terecht!

4

  Hij vecht als een leeuw, als een beer,

  maar niet zonder recht en rede,

  Hij vecht niet om eigen eer,

  Hij vecht voor zijn volk om de vrede.

  Een dienaar, een povere knecht -

  Hij brengt deze wereld terecht!

5

  Gezalfd door de Heilige Geest,

  zo danst Hij om God te aanbidden,

  zo maakt Hij het leven een feest,

  zo haalt Hij de Heer in ons midden!

  Een dienaar, een povere knecht -

  Hij brengt deze wereld terecht!

6

  Wij maken de koning groot,

  de herder die lam wil wezen;

  wie gaan door het dal van de dood

  die zal Hij voor altijd genezen.

  Een dienaar, een povere knecht -

  Hij brengt deze wereld terecht!

---

*318

#2

1

  Wil onze dank aanvaarden,

  o God, voor al wat leeft,

  het goede van de aarde,

  het voedsel dat Gij geeft;

  wil zo ons hart versterken,

  dat wij, U toegedaan,

  in woorden en in werken

  elkaar ten dienste staan.

2

  Wil onze dank aanvaarden,

  voor Christus, die ons voedt,

  het zaad dat uit de aarde

  opstaat in overvloed,

  het manna uit den hoge,

  het brood in de woestijn,

  dat wij het eten mogen

  en eeuwig bij U zijn.

---

*319

#3

1

  Zie naar omhoog, zie op naar boven:

  de Heer is hoofd van heel zijn kerk!

  Zijn naam is hemelhoog te loven,

  geen legermacht is Hem te sterk.

  Uit boeien van gebondenheid

  heeft Hij ons koninklijk bevrijd.

2

  Hoog is Hij boven ons verheven;

  de haat, de afgunst en de trots

  heeft Hij verslagen en verdreven -

  wij schuilen in de schutse Gods:

  geen duivel, dood of eeuwigheid

  die van zijn liefde ons nog scheidt!

3

  Heer, laat ons niet in zonde vallen,

  maar houd ons staande, hier en nu;

  verhef uw aanschijn over allen

  die vreugde vinden, dicht bij U,

  tot wij U zien in eeuwig licht

  van aangezicht tot aangezicht!

---

*320

#5

1

  Zie ons mensen,

  krachtig, machtig,

  niet indachtig

  dat geen recht geschiedt -

2

  Heer, wij mensen

  wensen, streven,

  n‚men, leven -

  maar wij g‚ven niet.

3

  Onbehoorlijk,

  onnadenkend

  weinig schenkend -

  doen wij U verdriet.

4

  Heer, wij mensen

  drinken, eten

  en vergeten

  dat Gij onrecht ziet.

5

  Onze wensen,

  Heer, begrens ze -

  dat wij mensen

  doen wat Gij gebiedt!

---

*321

#5

1

  Zieke vogel, vleugellam

  viel je uit de bomen,

  lag je daar tot iemand kwam,

  die jou meegenomen,

  kleine vogel, zo benauwd,

  veilig in zijn handen houdt.

2

  O zo zwak en vol verdriet

  lag je bang te beven,

  verder vliegen kon je niet,

  zo niet langer leven,

  niet meer vrolijk, niet meer blij,

  lamgeslagen, vogelvrij.

3

  Kleine vogel, vlieg omhoog,

  nu je bent genezen!

  Je mag vliegen waar je vloog

  zonder pijn te vrezen.

  Zie, er is een open hand,

  je bent vrij, naar alle kant!

4

  God zij dank, nu mag je weer

  levenslustig fluiten,

  vrolijk zingen voor de Heer,

  buitelen daarbuiten!

  Er is ruimte - Hij omspant

  heel de wereld in zijn hand.

5

  Boven akkers, stad en land

  mag je God gaan loven;

  kleine vogel in Gods hand,

  vlieg omhoog, naar boven,

  vlieg omhoog en vlieg voorgoed,

  vlieg de vrijheid tegemoet!

---

*322

#4

1

  Zoals een arm, vertroostend om mij heen,

  zo teder ligt uw liefde om mijn leven.

  Ben ik soms moe en moederziel alleen

  op smalle paden en langs steile wegen

  en is mijn hart zo hard gelijk een steen,

  Gij streelt mij zacht - uw vingers zijn een zegen.

2

  Zoals een arm, een uitgestoken hand,

  zoals het licht dat glimlacht in de bomen,

  zoals een wolkbreuk boven dorstig land,

  zo zijt Gij menigmaal tot mij gekomen,

  als ik door nacht en ontij overmand

  niets anders zag dan doden in mijn dromen.

3

  Zoals een klauw, een ijzersterke tang,

  zo is de angst: ijskoud en ongenadig,

  een beest, een geest, een spookbeeld nachtenlang.

  Hoe anders Gij! - o God, hoe warm, weldadig

  zegt mij uw stem: Mijn kind, wees maar niet bang;

  als Ik het wil, is zelfs de dood genadig!

4

  Zoals een arm, zo vriendelijk en zacht

  hebt Gij uw liefde om mij heen geslagen;

  altijd als ik geen morgen meer verwacht

  vraagt Gij vandaag het nog met U te wagen.

  Mijn God, al moet ik door de langste nacht,

  Gij zult mij slapend in uw armen dragen!