---
Zingende Gezegend (A.F. Troost)
322 liederen
---
*1
#5
1
Zingende gezegend
zaaien wij het zaad
wachtend op de regen
die het kiemen laat.
2
Wie het lied vergeten
zaaien slechts de dood,
maaien om te eten
niets dan bitter brood.
3
Grond zo zwart en donker,
aarde duisterdiep,
waarin zonder wonder
zoveel zaad ontsliep,
4
diepe dodenakker,
graf in grauwe grond,
zie: het zaad wordt wakker,
zingt met open mond!
5
Zingende gezegend
zaaien wij de oogst
want de hemel regent
halmen allerhoogst!
---
*2
#5
1
In zeven kleuren rijst omhoog
een hemelpoort, een ereboog -
de wolken wit, de hemel blauw:
God blijft altijd de aarde trouw.
2
Hier kust de boog van zijn verbond
met zeven zegels onze grond;
de Heer laat ons geen dag alleen,
zijn trouw breekt door de wolken heen.
3
Al vallen sterren, zon en maan,
al rollen golven af en aan,
de zee ligt in Gods rechterhand,
zijn handpalm is ons vaderland.
4
Al laait er in het laatste uur
een wereldbrand, een zee van vuur,
geen vlam doet deze boog vergaan -
vast zal de nieuwe aarde staan!
5
Wie wandelt met de Heer, die gaat
vandaag of morgen, vroeg of laat,
als Noach met zijn huisgezin
door deze poort Gods toekomst in.
---
*3
#4
1
Wat moet ik moederziel alleen,
een zwerver langs de weg -
wie weet hoelang wie weet waarheen,
ik ken hier heg noch steg.
De hemel sluit haar deuren toe,
geen engel zingt, niet ‚‚n;
o God, ik word het lopen moe;
hier lig ik - op een steen.
2
Ik zie, al zijn mijn ogen dicht,
de hemel opengaan,
ik zie in onvoorstelbaar licht
een hoge ladder staan.
De engelen, zij klimmen op,
zij lopen af en aan,
ze dalen, stijgen weer ten top
en God staat bovenaan.
3
Hier spreekt Hijzelf met luider stem
zijn veelbelovend woord
en ik geloof wat ik van Hem
al dromend heb gehoord:
dat Hij mij nimmermeer verlaat,
dat Hij ook mij behoedt
en geven zal voor al mijn zaad
een land van overvloed.
4
Ik ga niet langer meer alleen,
ik ga getroost op weg
en zegen elke harde steen
waar ik mijn hoofd op leg.
Al is de hemel nu weer dicht,
er staat bij deze rots
een poort des hemels opgericht,
een huis, een woning Gods!
---
*4
#5
1
Uw heil verwacht ik, Here
wat zou ik meer begeren
dan nu te ruste gaan
om als een kind te dromen
dat moe is thuisgekomen
en niets meer wil dan slapen gaan.
2
Gij kwam mij telkens tegen,
doorkruiste al mijn wegen
hoe krom, hoezeer verward;
bedriegend, zelf bedrogen
staat mij uw trouw voor ogen,
uw licht ontdekt mijn donker hart.
3
Gij kwam mij telkens tegen,
doorkruiste al mijn wegen
hoe krom, hoezeer verward;
bedriegend, zelf bedrogen
staat mij uw trouw voor ogen,
uw licht ontdekt mijn donker hart.
4
Ik riep: ik kan niet leven
tenzij Gij mij wilt geven
uw zegen ‚‚r Gij gaat!
Een nieuwe naam ontving ik;
door U gezegend zing ik
een loflied in de dageraad.
5
Laat mij uw heil ontvangen -
wat zou ik meer verlangen
dan naar de overkant
al slapend weg te dromen,
verloren thuis te komen
in het door U beloofde land!
---
*5
#10
1
Wij gaan met heel Gods volk
op weg achter de wolk
een pad dwars door de zee
en God gaat met ons mee.
Refrein:
O Heer die ons bevrijdde
ons uit het diensthuis leidde
wijs ons met uitgestrekte hand
de weg naar het beloofde land.
2
Wij eten hemels brood,
wij leven, in de dood,
van manna, dag aan dag;
het valt op Gods gezag.
Refrein
3
Wij slaan de vijand neer;
wie bidden tot de Heer
geeft Hij standvastigheid,
volharding in de strijd.
Refrein
4
Wij horen het gebod:
de heiligheid van God
wil dat wij recht en rein
en heilig voor Hem zijn.
Refrein
5
Wij dansen om een stier,
een gouden kalf, een dier
dat stom is, ziet noch hoort;
toch leidt de Heer ons voort.
Refrein
6
Wij spreken door de Geest,
getuigen onbevreesd,
want God maakt ons bekwaam
profeten in zijn naam.
Refrein
7
Wij krijgen dorst, wij zijn
zo moe van de woestijn;
maar Mozes, boos en trots,
slaat water uit een rots.
Refrein
8
Wij kijken naar de slang,
verhoogd voor elk die bang
het komend oordeel vreest;
en wie gelooft, geneest.
Refrein
9
Wij gaan door de Jordaan
en dragen stenen aan:
voor heel het nageslacht
een teken van Gods macht.
Refrein
10
Wij juichen, de bazuin
blaast muren om tot puin.
God geeft ons allemaal
een huis in Kana„n!
Refrein
---
*6
#7
1
Handvol Isra‰l, hopend op de morgen,
in de heetste hel, achter bloed bewaard,
voor de dood gespaard - God zal voor u zorgen!
2
Mozes, koningskind, / herder, lang verborgen
tot de stem u vindt - / zie hoe God u leidt,
uit de angst bevrijdt / Hij zal voor u zorgen!
3
Pascha! Jong en oud / viert het tot de morgen;
wie de Heer vertrouwt / weet in deze nacht
dat de lente lacht: / God zal voor u zorgen!
4
Klein en kwetsbaar volk, / in Gods hand geborgen
achter vuur en wolk / droogvoets uitgeleid
uit de dood bevrijd - / God zal voor u zorgen!
5
Hoog bevel gaat rond: / Heiligt u voor morgen!
Dit is zijn verbond! / Heiligt u voor God,
hoort zijn wijs gebod - / hoort en Hij zal zorgen!
6
O weerspannig volk! / Zo de wet te worgen!
Waar is nu de wolk? / Mozes, middelaar,
bidt - en zie: zowaar / blijft God niet verborgen!
7
Vader die bevrijdt, / moederlijk wil zorgen,
laat ons op uw tijd / door de doodsjordaan
uw rijk binnengaan - / Pasen! - wie weet: morgen!
---
*7
#3
1
Houdt hoog uw staf tot God geheven,
boven de woede der woestijn!
Hoe zou een mens op aarde leven
als God niet God-met-ons zou zijn?
Ons leger was geheel verslagen,
ons leven in de kiem gesmoord,
begraven in de hinderlagen,
had God de oorlog niet verstoord.
2
Nooit mogen wij die dag vergeten -
ons volk: lafhartig aangerand.
Hier zweeg de stem van het geweten,
hier kreeg de haat de overhand.
Wie vurig bidt het kwaad te keren,
het onrecht dat ten hemel schreit,
die zal in Gods naam triomferen,
al is hij in de minderheid.
3
Houdt hoog de staf tot God geheven,
zijn vrede zal ons vaandel zijn!
Gij zult het lijden overleven,
vuur gaat u voor door de woestijn.
Steunt links en rechts elkanders handen,
weest dapper en bij voorbaat blij,
juicht voor de Heer in alle landen:
zijn woord maakt alle volken vrij!
---
*8
#10
1
Mijn kind, ga niet terug,
niet weer door de woestijn -
klim op uw vaders rug
om vlugger thuis te zijn!
2
Hij droeg u door de doop
uit slavernij vandaan,
bekleedde u met hoop -
wit zult gij voor Hem staan!
3
Hij droeg u langs de dood:
wat zout smaakt, maakt Hij zoet;
met water en met brood
zijt gij gelaafd, gevoed.
4
Mijn kind, ga niet terug
richting de rode zee,
daar is geen pad, geen brug,
daar schreeuwt slechts ach en wee.
5
Zijn hier de muren hoog,
de poorten donker, dicht,
veel hoger reikt Gods boog,
zijn trouw: een poort van licht.
6
De volkeren, zo groot,
zo sterk in eigenwaan,
hun overmoed loopt dood,
hun hoogmoed zal vergaan.
7
0 denk bij wat gij doet
van God niet veel te klein;
als druiven, groot en zoet,
zo zal zijn goedheid zijn!
8
Dit is uw vaderland,
de tuin aan u beloofd;
God geeft met gulle hand
een overvloed aan ooft!
9
Ziehier: een groene streek
en water, een fontein,
Gods berg, zijn klare beek -
hier wordt het water wijn!
10
Mijn kind, ga niet terug!
Wie roept met zachte stem
u hoog op vaders rug?
Moeder Jeruzalem!
---
*9
#3
1
Hoor Isra‰l, de Here,
enig is onze God -
Hem liefhebben, Hem eren
is u het hoogst gebod!
Gij zult uw God beminnen,
Hem dienen, dag en nacht
met hart en ziel en zinnen
en met geheel uw kracht.
2
Laat voor dit woord des Heren
uw hart een woning zijn,
laat kinderen het leren,
Vertel het groot en klein;
gij zult erover spreken
waar gij ook zit of staat,
het worde taal en teken
daar waar gij komt of gaat.
3
Gij zult het aan den lijve
meedragen op uw hand,
het op uw voorhoofd schrijven
alom in stad en land,
op poorten en op posten
van deuren in uw huis -
looft God, o gij verlosten,
looft God! Hij bracht u thuis!
---
*10
#6
1
Kom, bedroefde vrouw, waarom zou je huilen?
Kom maar, kom maar gauw, nu je onbekend
vreemde vogel bent, hier, hier kun je schuilen!
2
Kom maar op dit veld korenaren lezen.
Heeft men jou verteld dat God altijd ziet
honger en verdriet, weduwen en wezen?
3
Kom - wie zoekt die vindt! Ga door het gezaaide;
nu de oogst begint is dit land voor jou;
vogelvrije vrouw, eet van wat ik maaide!
4
Kom wat dichterbij, bind het graan in schoven,
neem en eet hier vrij; God heeft zelf gezegd:
armen hebben recht op de vrucht van boven.
5
Kom dan op mijn land, jij hoeft niets te vragen,
neem in elke hand zoveel als je wilt:
ik geef ruim en mild, meer dan jij kunt dragen
6
Kom, want in jouw schoot wordt het heil gegeven -
hier is levend brood; hier in Bethlehem
klinkt Gods eigen stem: Hier begint het leven!
---
*11
#9
1
Ik zing u van een herderszoon
die ging door diepe dalen:
ik zal van David en zijn troon
en van zijn Zoon verhalen.
Refrein:
Ik zeg u: al was David klein,
geen groter koning heerste -
want God zei: Deze zal het zijn,
de laatste wordt de eerste!
2
Hij komt als herder uit het veld,
als laatste zoon naar voren;
gezocht, gezalfd en aangesteld;
als koning uitverkoren.
refrein
3
Hij wordt gevraagd in het paleis
de snaren zacht te strelen;
de zieke Saul raakt van de wijs
en David, die kan spelen!
refrein
4
Hij doodt de grote Filistijn
die niemand durfde doden,
want Goliath is reuzeklein
voor God - de God der goden.
refrein
5
Dan vlucht hij, vogelvrij verklaard,
spelonken worden woning;
daar treft hij Saul - maar David spaart
zijn vijand: wettig koning.
refrein
6
Hij haalt de ark en danst en zingt:
de Heer komt bij ons wonen!
Van vreugde huppelt hij en springt,
al zal zijn vrouw hem honen.
refrein
7
En Mefiboseth, slecht ter been,
mag aan zijn tafel eten;
diens vader Jonathan ging heen -
wie zou een vriend vergeten?
refrein
8
De koning steelt een schone vrouw -
hoe kan een dief regeren?
Alleen als hij in diep berouw
tot God zich wil bekeren.
refrein
9
Ik zing tot slot op hoger toon:
dit koningschap reikt verder -
de allergrootste Davidszoon
is onze goede herder!
refrein
---
*12
#11
1
Neemt en gedenkt
dat God u schenkt:
zichzelf, in brood en beker.
Weest, wanneer Hij roept en wenkt,
van zijn liefde zeker.
2
O bruidegom,
gij gastheer, kom
en toon uw bruid een teken,
kom om uit uw heiligdom
tot haar hart te spreken.
3
Geheel alleen,
wie weet waarheen,
vlucht zij voor wie haar haten,
opgejaagd door iedereen,
moedeloos verlaten.
4
Hoor, hoe zij zucht,
door kwaad gerucht,
een vrouw, een diepverachte
bruid in de woestijn gevlucht,
prooi voor alle machten.
5
De weg is lang -
ik ben zo bang!
Laat mij onder de bomen
dromend na zonsondergang
slapend tot U komen!
6
Al wat ik droeg,
wat Gij mij vroeg
is meer dan ik kon dragen;
neem mij weg, het is genoeg,
kom mij niets meer vragen.
7
Maar dan - o God,
een engel tot
vertroosting in dit lijden!
Welgeborgen is mijn lot,
in uw hand mijn tijden!
8
In de woestijn
zult Gij er zijn;
voor alwie is bezweken
welt een heldere fontein,
bron van waterbeken!
9
Zelfs in de dood
is waarlijk brood
tot ons behoud gegeven:
Christus is het die ons noodt
brood van eeuwig leven.
10
Het bruiloftskleed
ligt reeds gereed,
het wordt om niet geschonken,
bruid des Heren, neem en eet,
word van vreugde dronken!
11
De gastheer wenkt,
o komt, gedenkt,
gedenkt bij brood en beker
dat de Heer, die het u schenkt,
trouw is, vast en zeker!
---
*13
#6
1
Heer, houd mij vast, ik kan niet meer,
geen kracht heb ik en geen verweer,
er is geen water, brood noch wijn,
mijn hart is ‚‚n en al woestijn -
niet langer wil ik leven, Heer.
2
Is mijn geloof zo zwak, zo klein?
Ik dacht: ik zal ten zegen zijn
meer dan de vaderen van toen -
ik zal het nog veel beter doen!
Maar nu blijkt roeping schone schijn.
3
De dood volgt mij steeds op de voet;
wanhopig ben ik, alle moed
is nu verdwenen uit mijn hart;
hoe ben ik innerlijk verward
alsof een vuur, een stormwind woedt.
4
Mijn God, mij raakt uw engel aan:
Ontwaak, ik zeg u op te staan;
het leven wenkt u, niet de dood,
ik schenk u water, hemels brood,
om veertig dagen door te gaan.
5
Zo ga ik de woestijntijd door,
uw woord is al mijn vragen voor:
ik zoek U omdat Gij mij vond
en op de berg van uw verbond
neigt Gij opnieuw tot mij uw oor.
6
Niet in een storm gaat Gij voorbij
en niet in vlammend vuur zijt Gij,
maar in het suizen van de wind,
het is uw stilte die mij vindt -
uw vrede maakt mijn vreugde vrij.
---
*14
#4
1
Generaal Na„man, helemaal melaats,
rijdt vanuit zijn legerplaats
naar Elisa, Gods profeet,
die de weg ten leven weet.
Refrein:
Keer je om en laat je dopen
zevenmaal in de Jordaan;
jij mag op een wonder hopen
als je eerst wilt ondergaan.
2
Generaal Na„man, helemaal verbaasd,
boos en bitter, roept en raast:
Gaat dat zo in Isra‰l?
Wat een schande, zo'n bevel!
refrein
3
Generaal Na„man, helemaal witheet,
als je het nu toch eens deed?
Daal je hier niet liever af
dan te vallen in een graf?
refrein
4
Generaal Na„man, helemaal gezond,
kijkt verwonderd in het rond,
nieuwgeboren als een kind -
wie zichzelf verliest, die wint!
refrein
---
*15
#3
1
Opent de vensters van uw ogen,
opent de deuren van uw hart,
gij die het recht hebt krom gebogen,
willens en wetens wetten tart!
Zie hier wat wij allang ontwaarden:
een overmacht aan onze kant -
vurige wagens, felle paarden,
feiloos bestuurd door hogerhand.
2
Waarom houdt haat uw hart gevangen?
Honger naar macht maakt zienden blind.
Sterren en strepen, rangen, standen,
niemand klimt hoger dan een kind.
Ziet hoe gij nu met open ogen
als ratten in uw eigen val
het hol der leeuw zijt ingelopen,
bang dat hij u verscheuren zal!
3
Opent de vensters van uw ogen,
opent de deuren van uw hart:
hier woont een God van mededogen,
Hij spaart, Hij zegent wie Hem tart.
Komt, want voor vriend en vijand staat er
een grote tafel toebereid -
eet van het brood en drinkt het water,
proeft: dit is Gods lankmoedigheid!
---
*16
#3
1
Dit is een dag van goede boodschap,
vol vreugde zingen wij voor Hem
die onze doodsangst in het oog had,
‚‚n en al oor voor onze stem.
Wij waren zeker omgekomen
als niet de vijand in een zucht
sneller dan wij ooit durfden dromen
halsoverkop was weggevlucht!
2
Dit is een dag van grote vreugde,
houd u in stad en land niet stil,
laat horen wat uw hart verheugde,
horen aan alwie horen wil:
uw tijd van lijden is verleden,
er is voldoende brood en wijn,
de gastheer geeft u recht en reden
vrolijk en vreugdevol te zijn!
3
Dit is een dag van goede tijding,
dit is een dag van overvloed -
dank God: een hemelse bevrijding
stroomt ons als zonlicht tegemoet!
Open uw mond, hef op uw handen,
verberg het voor elkander niet,
ga rond met boordevolle manden,
deel uit al wat gij hoort en ziet!
---
*17
#5
1
Geloofd zijt Gij, God onze Heer,
in eeuwigheid geprezen!
U is de majesteit, de eer,
hoog in uw roem gerezen;
want al wat in de hemel woont
en al wat leeft op aarde
behoort aan U, die hoog gekroond
het koningschap aanvaardde.
2
In majesteitelijke pracht
beheerst Gij al uw werken,
uw rechterhand heeft alle macht
het zwakke te versterken;
wij willen U nu en altijd
lof, eer en dank bewijzen,
uw hoge naam, uw heerlijkheid
om al uw daden prijzen.
3
Maar wat zou U van onze kant
aan gaven zijn te geven?
Wij schenken U wat uit uw hand
ons eerder was gegeven;
wijzelf zijn gast en vreemdeling;
de dagen, de geslachten,
een schaduw die weer verderging,
waarvan wij niets verwachten.
4
Wat Gij, o onze God en Heer,
ons wilde toevertrouwen,
dat is van U - Gij krijgt het weer
om U een huis te bouwen.
O Heer die onze harten proeft,
wij zijn oprecht genegen
te geven wat uw dienst behoeft;
wij geven van uw zegen.
5
O God van vader Abraham
en God van al zijn zonen,
wij bidden U: laat vuur en vlam;
uw Geest onder ons wonen;
dan zullen wij in eeuwigheid
U dienen in uw woning
en U volkomen toegewijd
lofzingen - onze koning!
---
*18
#4
1
Ik schaam mij om te vragen
naar schild en zwaard en speer;
ik wil geen wapen dragen -
mijn helper is de Heer!
Mij baat geen machtsvertoning,
geen pantser en geen paard,
geen hooggezeten koning,
geen hooggeheven zwaard.
2
Ik schaam mij om te vragen
bescherming onderweg;
al legt men hinderlagen,
al weet ik heg noch steg,
Gods hand is mij ten goede:
bij al wat onrust baart
weet ik mij in zijn hoede
beschut en welbewaard.
3
Ik schaam mij om te vragen
om hulp die toch niet helpt:
hoe zijn die wapens dragen
daar zelf door overstelpt!
Hun macht zal toch niet baten,
al is die nog zo groot;
zij die de Heer verlaten
vervallen aan de dood.
4
Ik schaam mij om te vragen
om wapens en geweld
in plaats van het te wagen
met God, mijn sterke held!
Gij wolven, leeuwen, beren,
gij vijand, hoe ontaard,
‚‚n lam zal u doen keren -
een herder zonder zwaard.
---
*19
#4
1
Het zal ons waarlijk wel gelukken:
al ligt de stad in duizend stukken,
de Heer des hemels staat ons bij;
wij leven in het volst vertrouwen
dat wij, zijn knechten, zullen bouwen -
in zijn bewaring wonen wij.
2
Al leggen haters hinderlagen,
wij zullen het met liefde wagen,
hun haat en smaad en spot ten spijt -
al dreigt de vijand zich te wreken
en wat wij bouwden af te breken,
Gods werk verduurt de eeuwigheid.
3
Al staan wij voor de heetste vuren,
wij bouwen samen poorten, muren,
een huis dat gastvrij openstaat -
een wal die wel het kwaad kan keren,
een wereld die geweld wil weren,
maar die de hemel binnenlaat!
4
Wat u op aarde mag benauwen,
geloof, dat liefde op zal bouwen
waar nog de haat geen weg mee weet!
Al ligt uw hele stad in stukken,
met hulp van boven zal het lukken -
Heer, wij zijn tot uw dienst gereed!
---
*20
#4
1
Waarom toch komt gij voor mijn aangezicht?
Wie is het die van u verlangt
dat gij aanhoudend bidt en dankt,
mijn voorhof plat treedt - wie stelt dat verplicht?
Uw offers huichelachtig!
Uw reukwerk leugenachtig!
Een gruwel is het Mij!
Sabbat en nieuwe maan,
mensen gaan af en aan
maar Mij gaat gij voorbij!
2
Waarom toch komt gij voor mijn aangezicht?
Als gij niet eerst uw handen wast
dan zijn uw dagen Mij een last,
uw feesten haat Ik - Ik verdraag ze niet!
Al roept gij naar den hoge,
Ik sluit voor u mijn ogen
als gij geen boete doet;
al bidt gij duizend keer,
horen doe Ik niet meer -
uw handen zijn vol bloed!
3
Waarom toch komt gij voor mijn aangezicht?
Wast af uw handen, reinigt u!
Uw boze daden, laat ze nu!
Leert kwaad met goed vergelden,
Brengt al uw goddeloosheid aan het licht.
spreekt recht, houdt op met schelden,
houdt het geweld in toom!
Helpt alwie eenzaam leeft,
helpt wie geen helper heeft -
dat is pas waarlijk vroom!
4
Komt, laat ons samen richten, spreekt de Heer,
al zijn uw zonden nog zo groot,
al zijn ze zelfs scharlakenrood,
ze zullen worden als de sneeuw zo wit!
Hoe schuldig ook bevonden,
al zijt gij rood van zonden,
mijn hart is liefdevol!
Al zou uw zonde zijn
bloedrood, als karmozijn -
Ik maak ze wit als wol!
---
*21
#3
1
Hoger dan men ooit bergen zag
rijst Sion op de jongste dag;
hoort wat er gaat gebeuren!
Het huis des Heren, hemelhoog,
verheft zich dan voor ieders oog,
wijd open gaan de deuren.
Dan hoort men overal de stem:
Komt, gaat nu naar Jeruzalem,
beklimt de berg des Heren.
God zelf wijst ons de wegen aan;
de paden die wij moeten gaan
zal Hij ons allen leren.
2
De volken voor Gods aangezicht
verstommen dan in dat gericht,
God zal zijn stem verheffen.
Dan zal de strijd gestreden zijn;
geen angst, geen honger en geen pijn
zal dan nog mensen treffen.
Gods vrede daalt op aarde neer
om ieder zwaard en elke speer
tot ploegen om te smeden.
De oorlog wordt niet meer geleerd,
de haat die volkeren verteert
behoort tot het verleden.
3
Vervuld is dan de oude droom,
als ieder onder eigen boom
in vrede zal verkeren.
De vijgeboom zal bloeien gaan,
de wijnstok weer vol vruchten staan -
zo spreekt de Heer der heren.
De volkeren, zij dwalen voort;
hun god, die naar hun stem niet hoort,
bevrijdt en redt hen nimmer.
Laat ons dan wandelen met God,
een lamp, een licht is zijn gebod
voor altoos en voor immer.
---
*22
#3
1
Heer, ik zal U loven
voor uw toorn die boven
mij is afgekeerd.
God van mijn vertrouwen,
wat mij kon benauwen,
Gij hebt het geweerd!
Gij, mijn lied, verdrijft verdriet -
Heer, uw psalm blijft in mij zingen
en mijn angst bedwingen!
2
Trekkend door woestijnen
zie ik daar fonteinen
blinken in de zon;
heil dat mij verheugde,
zie, ik schep met vreugde
water uit uw bron!
Prijst tezaam zijn grote naam,
alle volken, hoort zijn daden,
groot is zijn genade.
3
Laat ons Gode zingen,
maakt de grote dingen
die Hij deed, bekend!
Hij heeft zich ten leven,
groot en zeer verheven,
naar ons toegewend.
Zingt ter eer van God de Heer,
hoog en heilig in ons midden -
laat ons Hem aanbidden!
---
*23
#4
1
Het dorre land zal juichen
en bloeien als een roos,
ja, jubelend getuigen:
Gods heil is eindeloos!
Sterkt dan de slappe handen
en maakt de knie‰n vast,
want God verbreekt uw banden
en Hij verlicht uw last!
2
Uw ogen en uw oren,
uw mond zal opengaan,
de doven zullen horen,
de blinden zien voortaan,
de lamme zal dan springen,
springen zoals een hert,
wie stom is die zal zingen
dat hij genezen werd!
3
Dan zal er water komen,
ontspringen: een fontein.
Een beek zal overstromen,
een tuin wordt de woestijn!
God zal een weg ons banen:
zijn weg die heilig is
en ieder zal beamen
dat die weg veilig is.
4
Daar zal geen leeuw meer wezen,
geen wild, verscheurend dier;
wie gaat heeft niets te vrezen,
die wandelt vrij en fier.
Zo zal het volk des Heren,
zingend het hoogste lied,
met vreugde wederkeren,
want weg vlucht elk verdriet!
---
*24
#3
1
Laat ons de loopbaan lopen,
al valt het lopen zwaar,
wij zien het eind voor ogen,
ontwijken het gevaar
en als wij toch nog vallen
getergd door tegenstand,
dan struikelen en vallen
wij in Gods rechterhand!
2
Wie op de Heiland hopen
gaan op het smalle pad,
zij wandelen, zij lopen
maar worden moe noch mat;
zij gaan met brede slagen,
zij wieken op de wind,
op vleugelen gedragen,
gekoesterd als een kind.
3
Houdt oog en oren open
voor wie zijn voorgegaan;
zij sporen ons, die lopen,
in koren zingend aan:
Legt af de last der zonde,
houdt hoog uw hoofd gericht.
de Heer heeft overwonnen -
Hij maakt het lopen licht!
---
*25
#2
1
Vrees niet en zie niet angstig rond,
de Heer heeft u verkoren.
Mijn volk, Ik zocht u en Ik vond
u ver, vervreemd, verloren.
Ik riep u overal vandaan;
met open monden staarden
de volkeren Mij zwijgend aan,
de einden van de aarde.
2
Vrees niet, mijn volk, wees niet verbaasd,
die trouw is zal u sterken,
hoezeer de vijand raast, met haast
stel Ik hem paal en perken.
Gij zult de vijand in uw land
wel zoeken, maar niet vinden;
Ik neem u bij de rechterhand -
gij zijt toch mijn beminde!
---
*26
#3
1
Mijn kind, zo spreekt de Here,
al gaat het nog zo diep,
dit lijden zal Ik keren,
Ik hoorde toen je riep.
Vrees niet - Ik maak je vrij!
Ik zal je niet beschamen;
mijn kind, je bent van Mij,
Ik riep je toch bij name!
2
Al ga je door het water,
door doodsrivieren heen,
Ik laat je, nu en later,
geen ogenblik alleen;
Ik zelf zal als een muur
de vloed, de vlammen weren;
al ga je door het vuur,
het zal je niet verteren.
3
En als je dan zult komen
aan water als kristal
waarbij de levensbomen
vruchtdragen zonder tal,
dan heb je dood noch pijn
noch ziekte meer te vrezen -
verlost zul je daar zijn,
eens en voorgoed genezen!
---
*27
#3
1
Zing welgemoed, mijn volk, mijn eigen bruid,
zing juichend, breek in luid gejubel uit!
Al zijt gij nu onvruchtbaar en alleen,
straks spelen kind'ren vrolijk om u heen.
Breid uit uw tent; sla dieper nog uw pinnen,
naar rechts en links zult gij het land ontginnen;
uw nageslacht zal volkeren regeren,
herbouwen wat verwoest was - zegt de Here.
2
Vrees niet. mijn bruid, vrees niet voor haat en smaad,
vergeten zult gij al het oude kwaad,
de schande van uw jeugd wordt uitgewist,
vergeten dat gij Mij ooit hebt gemist.
Zo waar zijn naam is Here der heerscharen:
uw maker is uw man - Hij zal u sparen;
de God der ganse aarde zal Hij heten,
uw losser zal zijn bruid niet meer vergeten!
3
Ik riep u uit uw eenzaamheid en rouw:
een treurende, een diepbedroefde vrouw.
Niet lang, een ogenblik slechts ging Ik heen,
verborg Ik mij en liet Ik u alleen;
nu kom Ik weer, mijn hart is vol erbarmen:
mijn volk, mijn bruid, Ik neem u in mijn armen!
Voor even hield Ik mij voor u verborgen,
eeuwig zal Ik, uw losser, voor u zorgen!
---
*28
#4
1
Alwie dorst heeft, kom tot Mij!
Aarzel niet, kom dichterbij,
alle dingen zijn gereed,
kom en koop en drink en eet!
Refrein:
Zie, Ik zal u water geven,
een hoog springende fontein,
ja, een bron van eeuwig leven
zal voor altijd in u zijn!
2
Geef geen geld voor bitter brood,
voor het water van de dood,
voor de overvloed die schaadt,
voor de vreugde die vergaat.
refrein
3
Dwaal niet verder, keer u om,
bruid, hier is uw bruidegom!
Hoe gij eertijds hebt geleefd,
weet dat God uw schuld vergeeft!
refrein:
4
Neem dan al wat Ik u bied:
koop hier zonder geld, om niet
wijn en melk - o, drink hier vrij,
alwie dorst heeft, kom tot Mij!
refrein
---
*29
#5
1
Sta, mensenkind, recht op uw voeten
en hoor wie heden tot u spreekt!
Ik wil in u mijn volk ontmoeten,
het volk dat mijn verbond verbreekt.
2
Of zij u volgen of verlaten,
u voeren ver in de woestijn,
spreek, ook al zullen zij u haten -
profeten moeten eenzaam zijn.
3
Laat niets of niemand u verschrikken,
wijk niet wanneer men om u lacht,
wees niet bevreesd voor boze blikken -
weerspannig is het, dit geslacht.
4
Als het aan moed u zal ontbreken,
als mensen vragen wie u zond,
zeg Ik u zelf wat gij zult spreken:
Ik leg mijn woorden in uw mond.
5
Laat voor de Schriften, u gegeven,
uw binnenste een woning zijn;
dit woord, hoe bitter ook geschreven,
zal in uw mond als honing zijn.
---
*30
#3
1
Ik sta op de oever,
het strand van de zee,
ik hoor uit de hemel
van wel en van wee:
het woord tot de volken
doorboort nu de wolken:
Gods ja en Gods nee.
2
Zo zie ik de bokken
verblind in hun waan,
verslagen, geschrokken,
wanhopig daar staan -
voorbij is hun voordeel
nu God in zijn oordeel
hen van zich doet gaan.
3
Ik zie ook de schapen,
de lammeren klein;
zij hebben geen wapen,
zij blaatten van pijn -
maar nu zijn hun wonden
zorgvuldig verbonden
met olie en wijn.
Ik sta op de oever -
de zee is niet meer!
Ik hoor uit de hemel
de stem van de Heer:
Voorbij is uw lijden,
Ik zelf zal u weiden,
uw herder keert weer!
---
*31
#3
1
Hoor, huis van Isra‰l, / hoor wat ik u vertel,
zo spreekt de Heer, uw God:
Ik heilig zelf mijn naam, / die wordt van nu af aan
niet langer nog bespot!
De volken worden stil, / maar niet om uwentwil -
voor Mij zullen zij beven!
Ik breng u weer tezaam - terwille van mijn Naam
doe Ik uw hart herleven.
2
Gij komt van alle kant / naar eigen stad en land
waar dan de vrede woont;
gij zult volkomen rein / gewassen, heilig zijn
van afgoden verschoond.
Een nieuw hart, dat Mij vreest, / een nieuwe, vaste geest
geeft richting aan uw leven;
Ik neem uw hart van steen / om zelf aan iedereen
een hart van vlees te geven.
3
Mijn Geest daalt op u neer, / uw binnenste wordt weer
gereinigd en gered;
dan wandelt gij voortaan / de weg die elk moet gaan:
de paden van mijn wet.
Daar woont gij in het land / door Mij met eigen hand
uw vaderen gegeven;
gij zijt mijn volk, houd moed! / Ik ben uw God - voorgoed
doe Ik uw hart herleven!
---
*32
#3
1
Een teken aan de wand:
vingers van hogerhand
die openbaar beschrijven
wat niet geheim kan blijven -
al wat gij hebt misdaan
zal op de muren staan;
als God uw harten leegt
dan blijkt hoe licht gij weegt:
lucht is uw grootheidswaan!
2
Lees wat geschreven staat,
nog is het niet te laat:
als gij u wilt bekeren
zal God de vijand weren.
Laat niet de roes van wijn
uw laatste toevlucht zijn;
de macht van goud en geld,
de nacht van grof geweld
maken wie groot is klein.
3
Eerbiedig dan, o mens,
God en zijn goede grens,
het spoor van zijn geboden -
en hoor! Hij zal u noden:
Mijn tafel staat gereed,
wijn, brood en bruiloftskleed;
en aan de hemelwand
schrijf Ik met eigen hand
dat Ik u niet vergeet!
---
*33
#4
1
Ik roep U aan, Heer, hoor naar mijn gebed -
schreit niet ten hemel wat mijn hart doet huilen?
Ten einde raad hoop ik dat Gij mij redt!
In deze grafkuil, vol van leeuwemuilen,
is het alleen de woning van uw wet
waarin ik vluchten kan en weg wil schuilen.
2
Hoe ver van huis, hoe ver bij U vandaan,
balling in Babel, diep in de ellende,
toch mag ik, God, ook hier uw stem verstaan;
ondanks het brullen van een barse bende
spreekt in mijn ziel een lied van U mij aan,
Gij zijt niet ver, Gij zijt geen onbekende.
3
Verrijst dan morgen stralend weer de zon
dan zal ik uit een land van stille dromen
ontwaken alsof alles nieuw begon;
dan wordt de steen boven mij weggenomen
en zal ik als een lam dat overwon
uit deze leeuwekuil tot leven komen!
4
Zo leg ik mij in overgave neer,
Gij zijt mijn huis, uw wakend woord mijn wapen -
niet langer gaat mijn bange hart te keer.
Zingenderwijs word ik tot rust herschapen
en ga ik tot de grote ommekeer
de angst voorbij in vrede veilig slapen.
---
*34
#3
1
In het laatst van alle dagen
zal al wat leeft van God gewaen,
het vuur vlamt op, de wind vindt kracht.
Dan zal Hij, de Geest des Heren,
uw zonen en uw dochters leren
te profeteren met gezag.
Dan zullen bovendien
uw jongelingen zien
visioenen,
een vergezicht -
in louter licht
de berg waar God zijn vrede sticht.
2
Ouden dromen dan hun dromen
van al wat hun zal overkomen:
Niemand kan Gods knechten keren,
slavinnen zullen profeteren -
de Geest wordt alom uitgestort!
Hoe zullen in dat uur
rookwolken, bloed en vuur
allerwegen
voor groot en klein
ten teken zijn:
de aarde is Gods kroondomein!
3
Voor die grote dag der dagen
zal al het licht van schrik vervagen,
verduisterd worden glans en gloed.
Dan zal heel de schepping beven,
de zon haar licht niet langer geven,
de maan verschijnt zo rood als bloed.
Maar alwie dan te meer
de naam roept van de Heer
wordt behouden!
Het duister zwicht;
dan straalt het licht
van zijn genadig aangezicht!
---
*35
#4
1
Als een duif, hoog opgevlogen,
vlieg ik weg van voor uw ogen,
als een vogel in de lucht
vlieg ik ver, ver w‚g - ik vlucht.
Ongehoorzaam aan uw woorden,
alsof ik uw stem niet hoorde,
vlieg ik op tot Gijzelf daalt
en mijn hoogmoed achterhaalt.
2
O mijn God, wil u ontfermen,
kom uw arme duif beschermen,
eigenwijsheid trekt mij mee,
sleurt mij in het hart der zee.
Heer, ik val - doet Gij mij zinken,
moet ik hopeloos verdrinken?
Drukt mijn schuld mij levensgroot
in de diepte van de dood?
3
Trouwe God, Gij zijt te prijzen,
blij wil ik U dank bewijzen,
U die mij tevoorschijn riep
uit de zee, zo donker diep!
Heer, ik ben in vrees en beven,
nieuwgeboren om te leven,
als een dienaar die het Woord
onweerstaanbaar heeft gehoord.
4
Als een duif, hoog opgevlogen,
vlieg ik voortaan voor uw ogen
om te gaan waar Gij mij vraagt,
om te doen wat U behaagt.
Op de wind die waait van boven
zal ik hemelhoog U loven,
ga ik door uw Geest getild
overal waar Gij dat wilt.
---
*36
#4
1
Al zit ik in het duister,
Gij, Heiland, zijt mijn licht;
zelfs in het diepste duister
zie ik uw aangezicht.
Geen schaduw scheidt
ons voor altijd -
de hemel blijft niet dicht.
2
Al zit ik in het donker,
Gij zijt voor mij niet ver,
geen schijnsel, geen geflonker,
geen dwaallicht, her en der.
Gij zijt voor mij
een licht dichtbij,
een innerlijke ster.
3
Al zie ik in gedachten
de duivel en de dood,
al sta ik alle nachten
aan radeloosheid bloot,
er is geen kracht
die voor uw macht
te sterk is en te groot.
4
Al zit ik in het duister,
al is er nog zo dicht
rondom mij heen een kluister
van oordeel en gericht,
Gij die mij leidt
de nacht ten spijt,
mijn lamp zijt Gij, mijn licht!
---
*37
#3
1
Als rechter zult Gij reddend komen,
uw oordeel gaat door merg en been;
met schrik heb ik uw naam vernomen:
Gij blaast het kaf rondom ons heen -
toch wacht ik, hoe de vijand woedt,
vertrouwend af, wat Gij ook doet.
2
Al zou de vijgeboom niet bloeien,
de akker zonder vruchten zijn,
al zou er geen olijf meer groeien,
al bleef de wijnstok zonder wijn,
al had ik niets meer, al met al
geen schaap, geen rund meer in de stal -
3
ik zal nochtans weer vreugde vinden
en juichen in de Heer mijn God!
Mijn voeten zijn als die der hinden:
Hij leidt mij op een hoge rots -
een loflied overstemt de klacht,
de Heer der heren is mijn kracht!
---
*38
#3
1
Jeruzalem, zo zegt de Heer,
wanneer Ik in uw midden woon,
als Koning zit, hoop op mijn troon,
als Ik tot Sion wederkeer,
dan wordt, o stad, uw naam genoemd
en hemelhoog uw trouw geroemd,
Sion wordt dan alom geprezen,
omdat de Heer zijn heiligheid
op deze berg heeft uitgespreid -
hier zal Hij God en Koning wezen!
2
Dan zitten weer bijeengeschaard
mannen en vrouwen langs de kant,
krukken en stokken in de hand,
ouden van dagen, hoogbejaard.
Rondom zien zij Gods heerschappij:
de kinderen, weer vrij en blij,
jongens en meisjes, allerwegen,
die spelen daar, verrukt van vreugd
en lachen luid - Gods lieve jeugd
heeft hier de toekomst weergekregen.
3
Al is dat voor wie dan nog leeft
een wonder, ondoorgrondelijk,
voor God is niets te wonderlijk.
Dit is wat Hij gesproken heeft:
Ik breng voorgoed mijn volk naar huis,
in Sion is het waarlijk thuis;
op recht en trouw bouw Ik uw woning,
o volk, Ik breng van oost en west
u thuis, - dat is het allerbest.
Jeruzalem, daar woont uw Koning!
---
*39
#4
1
De Heer openbaarde:
Ik zal metterdaad
uiteindelijk scheiden
het goed van het kwaad;
de schaduwen wijken,
de waarheid zal blijken,
de leugen vergaat.
2
De dag die zal komen
als zonlicht zo puur,
verbrandt alle hoogmoed:
een oven, een vuur;
wie niet zich bekeren
die zullen verteren,
vergaan in dat uur.
3
Maar alwie Mij vrezen -
de zon die verschijnt,
die zal u genezen,
die heelt wat nog schrijnt,
zij zal u bedekken,
haar vleugelen strekken -
de winter verdwijnt!
4
O kom dan naar buiten:
het zonlicht, dat doet
het gras weer ontspruiten,
het leven wordt goed -
dan zult gij gaan zingen,
als kalveren springen
het licht tegemoet!
---
*40
#4
1
God dank! Er is een koning
die zorgt voor al wat leeft,
die zwaluwen een woning,
de vogels voedsel geeft;
die als de sneeuw weer smelt,
doet groeien, doet ontluiken,
doet bloeien, bomen struiken,
de bloemen op het veld.
2
Gelooft dat God u hoorde,
dat overbodig is
te bidden met veel woorden -
God weet wat nodig is.
Zoek eerst zijn koninkrijk!
Zou God u dan niet kleden?
Gij zijt reeds hier en heden
meer dan een koning rijk!
3
Wat zouden wij dan klagen
de lange lieve dag
en duizend vragen vragen
en roepen wee en ach!
vindt gij uzelf te klein?
Wie zou het zover brengen
zijn lengte te verlengen
door lang bezorgd te zijn?
4
Laat liever vrolijk zingen
een lied, een nieuw gezang
al wat wij ontvingen
ons hele leven lang!
God zorgt voor goede vrucht:
wij weten van geen zaaien,
wij eten zonder maaien
als vogels in de lucht!
---
*41
#6
1
Heer, nu Gij hoort
wat wij hopen en vrezen,
spreek slechts ‚‚n woord
en wij zullen genezen.
2
Spreek slechts een woord,
want uw woorden zijn daden,
alwie ze hoort
die verstaat uw genade.
3
Gij openbaart
U aan vrienden en vromen -
wij zijn niet waard
dat Gij tot ons zoudt komen.
4
Wij zijn niet waard,
hoe godvrezend wij bidden,
wij zijn niet waard
dat Gij komt in ons midden.
5
Spreek dan met kracht
en het onheil zal wijken,
spreek, en uw macht
zal beloftevol blijken!
6
Spreek altijd voort,
dat wij immer U vrezen,
spreek slechts ‚‚n woord
en wij zullen genezen!
---
*42
#6
1
De vossen hebben holen,
de vogelen hun nest,
verborgen en verscholen -
zo wonen zij het best.
2
De mensen hebben steden
met huizen hooggebouwd,
maar zijn wij ooit tevreden
al was ons huis van goud?
3
Ziedaar: de Zoon des mensen,
een herder zonder huis;
zijn wereld kent geen grenzen,
maar nergens is Hij thuis.
4
Het lam dat ons verzoende
wil wonen overal,
wat stro is al voldoende,
een onbewoonde stal.
5
Laat ons dan maar niet vragen
naar beter, mooier, m‚‚r,
niet ontevreden klagen -
ons huis is bij de Heer!
6
De vossen hebben holen,
de vogelen hun nest -
wie schuilt in God verscholen
die huist het allerbest!
---
*43
#3
1
Er is geen vis die Hem ontkwam -
de visser op de zee,
wiens vangnet ons gevangen nam,
sleept alle vissen mee
en trekt het boordevolle net
omhoog tot in zijn boot,
en wikt en weegt ze, nauwgezet:
de vissen, klein en groot.
2
De visser op de wereldzee
die telt en keurt en kiest
ons voor en tegen, wel en wee,
geen vis die Hij verliest;
maar al wat niet te eten is,
niet smaakt zoals het hoort,
wat ondermaats gemeten is,
dat werpt Hij overboord.
3
Heer Jezus, stuurman van uw kerk
en visser die ons ving,
wanneer Gij klaar zijt met uw werk
en wij zijn te gering,
te klein, onbruikbaar, slecht van soort,
ach, gooi ons niet in zee
maar houd ons t¢ch bij U aan boord -
Heer, neem ons met U mee!
---
*44
#8
1
Gods liefde is te groot
voor mensen ‚‚n of twee -
Hij breekt, Hij deelt het brood,
de gastheer bij de zee!
2
Gods liefde is te groot
voor ‚‚n of twee of drie -
Hij haat de hongersnood,
Hij haat de jaloezie.
3
Gods liefde is te groot
voor twee of drie of vier -
al kleurt de hemel rood,
Hij voedt ons allen hier.
4
Gods liefde is te groot
voor drie of vier of vijf -
wie wil wordt disgenoot:
God houdt bij ons verblijf.
5
Gods liefde is te groot
voor vier of vijf of zes -
gezegend zij dit brood,
het heil draagt ons adres.
6
Gods liefde is te groot
voor zeven of voor acht -
wie delen in zijn dood
die gaan van kracht tot kracht.
7
Gods liefde is te groot
voor negen, tien of elf -
het koren dat ontsproot,
het brood - dat is Hijzelf!
8
Gods liefde is te groot:
wel twaalfmaal duizend keer
breekt Hij het levensbrood -
wie liefde deelt, krijgt m‚‚r!
---
*45
#4
1
Mensen, allemaal aan boord!
Veilig vaart het scheepje voort,
zeilt het aan de kust voorbij
langzaam naar de overzij.
2
Tot een ruwe storm opsteekt:
wolken, water, ieder schreeuwt,
golven, golven af en aan -
Meester, help ons, wij vergaan!
3
Hoor, wie is het die daar groet?
Wees niet bang, houd goede moed!
Jezus komt! Als Hij het wil
worden wind en water stil.
4
Heiland op de hoge zee,
vaar door nacht en ontij mee.
als een haven wenkt uw woord -
Christus, kom bij ons aan boord!
---
*46
#7
1
Heer, het is goed
dicht bij U hier te zijn:
hemelse gloed
maakt U smetteloos rein!
2
Warm als de zon
is uw glanzend gelaat,
wit als het lucht
is uw blinkend gewaad.
3
Sta ons nu toe
dat wij blijven bij U;
Gij weet wel hoe
wij verlangen naar U!
4
Hoog uit de wolk
klinkt een hemelse stem:
Dit, o mijn volk,
is mijn Zoon, hoor naar Hem!
5
Wij worden bang
voor die stem en dat licht,
ons al te lang
duurt dit hemels gezicht.
6
Heiland, voor God
kan geen zondaar bestaan -
toch komt Gij tot
ons en raakt Gij ons aan.
7
Hier op de berg
is geen mens om ons heen -
hier op de berg
zien wij U, Heer, alleen!
---
*47
#4
1
Weer is het als ten dage
van Noach en de vloed;
het is om God te klagen
men noemt het kwade goed.
Staan wij hier dan alleen?
Als zij die God verlaten
ons meer en meer gaan haten,
waar kunnen wij dan heen?
2
Dan zal het water komen,
een zondvloed vol gericht;
gerechtigheid zal stromen
en stralen: zuiver licht.
Wie zal voor God bestaan?
Verschrikte stemmen zullen
dan stad en land vervullen -
de wereld zal vergaan.
3
Godlof! Aan wie zijn leven,
zijn ziel Hem toevertrouwt,
heeft Hij zijn Zoon gegeven,
de ark tot ons behoud.
Die zal voor aller oog
ons van de vloek bevrijden,
ons uit de vloed geleiden -
zijn liefde houdt ons hoog.
4
Hij zal het water weren,
Hij staat er middenin,
Hij zal de chaos keren,
Hij schept een nieuw begin.
Weet dat te zijner tijd,
als wij verdrinken zouden,
zijn ark u zal behouden
zodat gij veilig zijt.
---
*48
#6
1
O Jezus Christus, bruidegom,
waarom vertoeft Gij toch, waarom?
Wij worden moe, wij worden bang!
Waarom duurt deze nacht zo lang?
2
Op vreugde zijn wij voorbereid,
een bruiloftstijd vol vrolijkheid
waar blijdschap straalt en elk gezicht
glanst van uw liefde en uw licht.
3
Waarom, Heer, waarom komt Gij niet?
Bespaar uw bruid nog meer verdriet!
Naar wie moet zij dan anders heen?
Haar liefde komt van U alleen!
4
Vergeef ons dat wij slapen gaan,
wij kunnen langer niet meer staan;
de maan verschijnt, het sterrenlicht -
wij doen vermoeid de ogen dicht.
5
Wanneer Gij komt te middemacht,
door niemand onzer nog verwacht,
maak ons dan wakker, raak ons aan,
dat wie gereed is, mee kan gaan.
6
Blijf liever niet nog langer uit -
verlangt Gijzelf niet naar uw bruid?
O Heiland, hoor! Zij roept U: Kom,
om haastig, kom, mijn bruidegom!
---
*49
#5
1
Met lampen voor het feest gereed
gaan wij, in stralend wit gekleed,
de vreugde vrolijk tegemoet -
de liefde geeft ons glans en gloed.
2
En duurt het wachten deze nacht
veel langer dan dat iemand dacht -
wij hebben olie, Geest genoeg
voor vuur en vlam tot morgenvroeg.
3
Met lampen voor het feest gereed,
gaan wij, in stralend wit gekleed,
de vreugde vrolijk tegemoet -
de wijn zal zuiver zijn en zoet.
4
Wees waakzaam, gij die met ons gaat,
God dank, het is nog niet te laat -
maar wie straks aanklopt na de tijd
vindt deuren dicht. Dus: wees bereid !
5
Met lampen voor het feest gereed
gaan wij, in stralend wit gekleed,
de vreugde vrolijk tegemoet -
want God is gul en groot en goed!
---
*50
#5
1
Gij zult gezegend zijn
om water, zoet als wijn;
in tijd van hongersnood
brak gij met Mij uw brood!
Refrein
Zit aan mijn rechterzijde,
de plaats die Ik bereidde -
hebt gij de minsten bijgestaan,
zo hebt gij dat aan Mij gedaan!
2
Ik was een vreemdeling,
geen mens die Mij ontving,
bij niemand was Ik thuis -
maar gij nam Mij in huis.
refrein
3
Eens alles kwijtgeraakt,
verbannen, arm en naakt,
hebt gij Mij weer gekleed
niet wetend wat gij deed.
refrein
4
Hoe fel de koorts, de pijn,
gij wilde bij Mij zijn,
niet haastig ging gij heen,
gij liet Mij niet alleen.
refrein
5
Toen ik gevangen was
en niemand bij Mij was,
wie zag er om naar Mij?
Geen mens - behalve gij!
refrein
---
*51
#3
1
Hoort! Een woord van eeuwig leven -
Christus die ten hemel vaart:
Mij is alle macht gegeven
in de hemel en op aard;
gaat vertolken alle volken
wat u werd geopenbaard!
2
Doopt hen in de naam des Heren,
Vader, Zoon en heil'ge Geest;
dat zij mijn geboden leren,
trouw en liefde allermeest.
Roept hen op zich om te keren,
roept hen tot het bruiloftsfeest!
3
Ik ben met u, alle dagen,
nu en tot in eeuwigheid!
Van mijn rijk zult gij gewagen -
gaat dan heen, gaat wereldwijd;
als gij valt, zal Ik u dragen,
Ik ben met u, voor altijd!
---
*52
#7
1
Hier lig ik, Heiland, zonder kracht,
vier vrienden hebben mij gebracht;
ik heb geen been om op te staan,
geen voet om naar U toe te gaan.
2
De mensen gingen niet opzij -
Heer, kennen zij geen medelij?
Juist zij die heel dicht bij U zijn,
verzwaren mijn verborgen pijn.
3
God dank! Er is een weg omhoog!
Gij zag hoe ik voor aller oog
van boven naar beneden kwam:
een zieke vogel, vleugellam.
4
Ik kan niet staan, ik kan niet gaan,
Heer, zie mij in genade aan,
ik kan niet verder zonder U,
genees mij, Heer, genees mij nu!
5
Hoor ik het goed? Gij zegt tot mij:
Mijn zoon, houd moed, Ik spreek je vrij!
Je schuld is weg, van nu voortaan -
sta op, je kunt naar huis toe gaan!
6
Verwonderd kom ik op de been
en zie verbaasd rondom mij heen;
ik neem mijn bed op en ik ga -
de Heer is goed, halleluja!
7
Vergeten zal ik nimmermeer
de grote daden van de Heer,
want zijn vergeving, die geneest -
geloofd zij Vader, Zoon en Geest!
---
*53
#5
1
Ze was een kind, ze was twaalf jaar
met mooie ogen, donker haar;
ze kroop bij moeder ziek op schoot,
ze ging naar bed en was toe dood.
2
Haar vader zei: Ik haal een man
die kan wat zelfs geen dokter kan.
Die keek hem aan, Hij zei: Houd moed
geloof alleen, het komt weer goed!
3
De Heer is met hem meegegaan
en Hij is naast haar bed gaan staan -
daar lag ze stil, een bleke pop;
Hij zei: Talitha, kind, sta op!
4
Toen is zij uit haar slaap ontwaakt -
want Jezus had haar aangeraakt.
Ze kroop bij moeder weer op schoot;
Ja‹rus, zie, ze is niet dood!
5
Nu danst ze als een danseres,
ze lacht en leeft als een prinses -
ze zingt en speelt en slaapt gerust
omdat een Prins haar wakker kust!
---
*54
#3
1
Twee vissen en vijf broden,
meer was er niet van node
voor vijfmaal duizend man.
De Heer zag naar de velen,
begon het brood te delen
en ieder at ervan.
2
Twee vissen en vijf broden,
meer is er niet van node,
het is voor God genoeg;
als wij het onze geven
dan blijft er om te leven
nog meer dan Hij ons vroeg.
3
Twee vissen en vijf broden,
meer was er niet van node
daar in het groene gras;
want op de stille stranden
stonden twaalf volle manden
met brood dat over was.
---
*55
#5
1
Ik ben een blinde bedelaar,
mijn hand is hoog verheven
om met een hulpeloos gebaar
te bedelen om leven.
Ik zit en staar
en strek mij naar
wat anderen mij geven.
2
Ik bedel om een handvol licht,
ik hunker naar de zegen
van mensen die mijn blind gezicht
herkennen langs de wegen.
Ik hoor hun groet,
hun woord klinkt goed,
hun gaven vallen tegen.
3
Hoor mij, een blinde bedelaar
die roept om medelijden:
Verhoor mij, Heer en kom mij naar
uw stralend licht geleiden!
Heer, openbaar
U zonneklaar -
kom mij vandaag bevrijden!
4
Ik bedel: Zoon van David, kom,
genees mij zienderogen,
opdat ik in de lieve zon
uw licht aanschouwen moge.
Ik bedel om
voortaan alom
te zien uw mededogen.
5
Mij, blinde langs uw lijdensweg,
kan niemand meer benauwen:
de nacht, het duister neemt Gij weg,
ik mag de dag aanschouwen!
Ik zing en zeg:
ik volg uw weg
in blindelings vertouwen.
---
*56
#7
1
Door de poort van Na‹n gaat
een lange droeve stoet;
de kinderen staan stil op straat
en fluisteren een groet.
2
Vooraan gaat in zware rouw
en moederziel alleen
een diepbedroefde weduwvrouw -
haar kind, haar zoon ging heen!
3
Nauwelijks de poort voorbij
daar nadert nog een stoet;
het leven komt al dichterbij,
de dode tegemoet.
4
Voor de poort van Na‹n staat
de Heer der wereld stil,
Hij komt soms vroeg, Hij komt soms laat,
Hij komt wanneer Hij wil.
5
Moeder, houd met huilen op,
de Heer staat - uw kant
en Hij zegt: Jongeling, sta op,
Ik neem je bij de hand.
6
Door de poort van Na‹n gaat
een opgetogen stoet;
de kinderen staan langs de straat
en juichend klinkt hun groet!
7
Christus, raak ook ons eens -
als wij straks door de poort
van deze wereld moeten gaan
en wek ons, op uw woord!
---
*57
#5
1
Gaat heen, gaat heen, hebt Gij gezegd,
gij geesten hebt geen enkel recht
te binden wie op aarde zijn,
te martelen in angst en pijn
een mens, geketend en geknecht.
2
Ga heen, ga heen, zo klonk uw woord,
genezen zijt Gij - zeg het voort,
dat gij van duivelen bevrijd,
uzelf weer heer en meester zijt.
vertel wat gij hier ziet en hoort!
3
Ga heen, ga heen, zo zeiden wij;
wij willen immers niet dat Gij
de boze geesten van ons jaagt,
het kost te veel wat Gij ons vraagt,
ga heen - en kom niet dichterbij!
4
Heer, ons gebed, verhoor het niet;
wanneer Gij ons voorgoed verliet,
dan stierven wij in ongeloof;
dus houd U voor ons roepen doof,
als wij U smeken, luister niet!
5
Heer, ga niet heen, blijf ons nabij
en luister niet naar ons als wij
U vragen om maar weg te gaan,
ja, zelfs al klagen wij U aan,
ga niet heen, maar spreek ons vrij!
---
*58
#4
1
Heer, aan uw voeten kniel ik neer:
kom bij mij thuis en geef mij weer
het liefste dat ons wordt ontnomen,
verbied de dood in huis te komen!
Ik smeek U: Spreek ‚‚n enkel woord,
spreek zo dat zelfs de dood het hoort -
Gij die het heil van God ontsluit,
strek nu uw hand ten leven uit!
2
Waarom, Heer, blijft Gij zo lang staan?
Waarom wilt Gij niet verder gaan
om wat mij lief is te genezen -
of moeten wij het ergste vrezen?
Ik wacht op U, ik ben zo bang,
mij duurt het wachten veel te lang;
waarom houdt Gij voor mijn geloof
uw oren urenlang al doof?
3
Ach, Meester, nu is het te laat!
Het heeft geen zin dat Gij nog gaat.
Nu is de vreugde in mijn leven
voor altijd met verdriet verweven.
Waarom raakt U een ander aan
en laat Gij mij hier wachtend staan?
Waarom, o Heer, zo roep ik luid,
waarom steekt Gij uw hand niet uit?
4
Toch ga ik stil U achteraan,
verwonderd dat Gij nog wilt gaan;
waarom komt Gij mijn huis nog binnen?
Zal toch het leven overwinnen?
Ik hoor door al mijn tranen heen
uw stem: Vrees niet, geloof alleen !
De dood verliest zijn tegenstand -
mijn kind, sta op, hier is mijn hand!
---
*59
#6
1
Er is niet ver van Jericho
een man bijna vermoord,
maar niemand helpt, al kreunt hij zo
dat iedereen het hoort.
Refrein:
Heb medelij, heb medelij
en ga niet aan elkaar voorbij!
2
Daar komt een vrome priester aan,
zou die een naaste zijn?
Geen sprake van - hij blijft niet staan,
zijn handen zijn te rein!
refrein
3
Dan komt er een leviet - wie weet
helpt hij, daar is hij voor;
ook hij doet wat de priester deed:
plechtstatig loopt hij door.
refrein
4
Daar nadert nog een vreemdeling;
maar hij, Samaritaan,
doet niet zoals wie voor hem ging -
in liefde blijft hij staan.
refrein
5
Hij is barmhartig! Deze man
yaat niet verblind voorbij.
Hij ziet, en zorgt zo goed hij kan -
wat niemand deed, doet hij!
refrein
6
Sta zo vandaag eens even stil
en kom wat dichterbij
en zie elkaar om Jezus' wil -
de naasten, dat zijn wij!
refrein.
---
*60
#5
1
Martha, Jezus heeft je lief,
wil je dat geloven?
Zelfs je allergrootste grief
kom je snel te boven,
als je nu naar Hem toe gaat -
Hij komt nooit voorgoed te laat.
2
Martha, daar komt Jezus aan
om jouw leed te delen,
troostend wil Hij naast je staan,
wonden wil Hij helen.
Ga de Heiland tegemoet,
hoor hoe Hij zijn vrienden groet!
3
Martha, vraag Maria maar:
Waarom blijf je huilen?
Wenk haar, roep haar, nodig haar:
Kom toch bij Hem schuilen!
Vlucht niet weg in je verdriet,
Jezus komt - en jij komt niet?
4
Ga met Hem, ga naar het graf,
Hij is niet te stuiten,
Hij neemt geen geliefde af -
broeder, kom naar buiten!
Christus doet ons levensgroot
opstaan uit de diepe dood!
5
Martha, neem Maria mee;
Hij maakt overbodig
vragen, klagen, ach en wee -
‚‚n ding slechts is nodig:
los te laten elke grief -
Martha, Jezus heeft je lief!
---
*61
#4
1
Als Jozua gekomen,
door Jericho gegaan
ziet Jezus in de bomen
de vrucht Zaches aan:
als Adam in de struiken,
als Achan zit hij daar
zichzelve te verrijken -
de dief, de tollenaar.
2
Als Jozua gekomen,
door Jericho gegaan
raakt Jezus in de bomen
de voze vijgen aan:
de drift om te verdringen,
de droom om groot te zijn -
hoog staan slechts de geringen,
wie overvraagt blijft klein.
3
Als Jozua gekomen,
door Jericho gegaan
prijst Jezus in de bomen
de rijpe vruchten aan:
de liefde die doet geven
wat leugen ooit ontnam,
die liefde doet herleven
liet zaad van Abraham!
4
Als Jozua gekomen,
door Jericho gegaan
wijst Jezus in de bomen
het vruchtbaar kruishout aan.
Roep Adam uit de struiken,
roep Eva in de hof,
dit Pasen doet ontluiken:
de levensboom - Godlof!
---
*62
#4
1
Here Jezus heel mijn leven
is voor U een open boek,
heel mijn leven staat beschreven:
elke zegen, elke vloek.
alle daden, goede, kwade,
geen gedachte zelfs raakt zoek.
2
Aan uw liefde zijn geen grenzen,
Gij staat stil, Gij gaat niet heen;
anders dan bij vele mensen
is uw hart geen harde steen:
ieder fluistert, niemand luistert,
Gij verstaat mij, Gij alleen.
3
Gij zoekt op wat ging verloren,
Gij gaat niet aan mij voorbij,
maar Gij roept mij: Kom naar voren,
schuil niet langer weg voor Mij;
Ik kom heden - uw verleden
doet geen deuren dicht voor Mij!
4
Heer, Gij hebt mijn hart gelezen,
vol van schulden, groot en klein -
maar nu Gij mijn gast wilt wezen
stroomt mijn ziel vol zonneschijn:
heel mijn leven zal ik geven
nu Gij bij mij thuis wilt zijn!
---
*63
#6
1
In Kana is het feest vandaag:
een bruidegom en bruid!
Zij zingen luid en lachen graag -
ze zien er stralend uit!
2
De mensen lopen af en aan,
het is er heel erg druk;
ook Jezus is er heengegaan
en wenst ze veel geluk.
3
Maar dan - wat is er met de wijn?
Er is geen wijn genoeg!
Moet dit dan al het einde zijn?
Het is nog veel te vroeg!
4
Waarom zit Jezus daar zo stil?
Ach, maak Hem geen verwijt,
Hij komt alleen als Hij het wil,
Hij komt precies op tijd.
5
Zie: even later staat de Heer
bij vaten die daar zijn;
van water maakt de Heiland weer
voor elk voldoende wijn.
6
Als alles op is, vroeg of laat,
dan zorgt de Heer ervoor
dat toch de vreugde verdergaat -
het feest, het feest gaat door!
---
*64
#5
1
Drink vrolijk, proef de zoete wijn,
de vrucht van Gods verbond -
de beker gaat langs groot en klein,
het heil van mond tot mond.
2
Maar dan: o God, de wijn is op!
Er klinkt geen loflied meer,
de leegte slokt het leven op,
de liefde lokt niet meer.
3
Is dit nu het beloofde land,
het hooggeprezen feest -
of is er, Heer, aan onze kant
tekort aan trouw geweest?
4
Een stem: 'Maak al wat leeg is vol,
vervul Gods goede wet!'
Zie hoe de Wijnstok liefdevol
de ware vreugde redt!
5
Zeg niet: Er zal geen feest meer zijn,
leeg is mijn kruik, mijn kan -
Hij maakt op tijd van water wijn,
van Kana Kana„n!
---
*65
#8
1
Johannes bij het water,
jij lijkt wel een profeet.
Wat wil je toch, wie gaat er
zo ruw, zo ruig gekleed?
2
Johannes, wilde honing
die geeft jou de woestijn.
Wie wees jou daar een woning,
wiens wil doet jou daar zijn?
3
Johannes? Die moet dopen
mijn volk in de Jordaan -
wie ondergaat mag hopen
ten leven op te staan.
4
Johannes, laat dan horen:
de bruidegom! Ga uit!
Gij zijt zijn uitverkoren,
zijn zeer beminde bruid!
5
Johannes bij het water,
zijn knecht ben jij, zijn vriend -
die eerder was, komt later,
die meer is, wordt gediend.
6
Johannes, wil je leven?
Dan moet je sterven gaan,
Hem heel je leven geven -
wie volgt, komt achteraan.
7
Johannes, jij moet weten:
de Heer is m‚‚r dan jij;
de bruid zal jou vergeten,
de bruidegom is Hij!
8
Johannes bij het water,
jij dienaar, jij profeet,
wijs aan, wijs n: Hij st t er
die de Messias heet!
---
*66
#5
1
Meester, kom, ga met mij mee,
want de dood komt nader,
en ons kind roept ach en wee,
roept maar: moeder! vader!
Refrein:
Ga heen, ga heen, zegt Gij,
wat gij vraagt zal ik u geven:
wie gelooft zal leven;
wie gelooft zal leven!
2
Maak opnieuw van water wijn;
schenk die als voor dezen
nu een heiden, een Romein -
kom mijn kind genezen!
refrein
3
Meester, kom, de strenge dood
zit ons op de hielen,
zodat ik niet meer kan doen
dan eerbiedig knielen.
refrein
4
Vanuit Kana stroomt uw bloed,
stroomt het levend water,
stroomt uw liefde, rood en zoet,
stroomt uw levensader!
refrein
5
Voortaan dien ik U als knecht,
Gij alleen zijt koning;
voortaan is al wat Gij zegt
wet in onze woning!
refrein
---
*67
#7
1
Daar ligt een man op een matras
al acht-en-dertig jaar,
want niemand van wie wel genas,
stond later voor hem klaar.
2
Hij kan niet staan, hij kan niet gaan
de lange gangen door -
een engel raakt het water aan
maar niemand laat hem voor.
3
En alle mensen komen thuis,
maar hij is o zo bang
dat hij daar in dat ziekenhuis
moet liggen levenslang.
4
Maar hoor, een onbekende stem:
Wil jij weer beter zijn? -
Wie is die man? Hoe kent hij hem,
zou dat een broeder zijn?
5
Hij zegt: Sta op en wandel weer!
Al heb je dan geen mens,
al duurt het lang, eens komt de Heer
en Hij vervult je wens.
6
Daar gaat de man die niet genas,
niet langer blijft hij daar,
hij gaat en draagt zelf zijn matras
na achtendertig jaar.
7
Al gaat het anders dan je denkt,
al kun je niet naar huis,
als Jezus komt en Hij je wenkt,
dan kom je zeker thuis!
---
*68
#4
1
De deur staat wijd open,
de nacht is nabij -
wij mogen ons keren
tot God onze Heer, die
als herder zal zorgen,
zijn schapen zijn wij.
2
De deur wordt gesloten:
de donkere nacht
zal hier ons niet deren;
voor leeuwen en beren
zijn wij nu geborgen,
de Heer houdt de wacht.
3
De deur gaat weer open,
de nacht is voorbij.
De schapen des Heren
die voedsel begeren,
begroeten de morgen,
de grazige wei.
4
De deur is de Heer die
ons leidt in en uit.
Wat kan ons nog deren?
Het kwaad zal Hij keren,
de zorgen voor morgen -
Hij opent en sluit.
---
*69
#3
1
Ik ben, o Heer, ten einde raad,
Gij komt te laat om mij te helpen!
De mensen, ach, hoe zullen zij
met vragen mij straks overstelpen:
Waar is uw God, die gij verwacht,
waar is zijn macht zijn kracht gebleven?
Laat Hij u klagen en steen en been,
eenzaam, alleen zo verder leven?
2
Ik heb tot U geroepen, Heer:
Kom haastig weer, toon uw genade!
Ik heb op U gehoopt, gewacht,
ik heb gedacht: Hij slaat mij gade!
Nu is de tijd voorgoed voorbij -
Waarom hebt Gij niet willen horen?
Waarom, Heer, opende Gij niet
voor mijn verdriet ogen en oren?
3
Ik zwijg - een stem, een blij gebaar:
de Heer is daar, Hij laat u groeten!
Ik ga U haastig tegemoet,
ik hoor uw groet, ik kus uw voeten.
Wanneer ik tot U roep wilt Gij
op mijn geschrei geen antwoord geven,
maar als ik niet meer roepen kan,
dan komt Gij, dan roept Gij ten leven!
---
*70
#3
1
O Vader, die de landman zijt,
die zelf uw wijngaard toebereidt,
doe ons als goede vruchten groeien;
maak wilde ranken klein en kort,
neem weg wat dood is en verdord,
kom om wat vrucht draagt te besnoeien -
Landman, ga heden door uw hof
en laat ons bloeien tot uw lof.
2
O Christus, die de wijnstok zijt,
de stam waaraan de rank gedijt,
in U, o Heer, zijn wij geborgen.
De landman die de ranken kent,
heeft ons de wijnstok inge‰nt,
Hijzelf zal voor de vruchten zorgen!
Door U, o Christus, door uw bloed
zijn onze vruchten groot en goed.
3
O Geest, van wie de oogst zal zijn,
de druiven en de zoete wijn,
doe mij omhoog, naar boven groeien;
want deze wijnstok die mij draagt,
het groene hout dat God behaagt,
doet alom liefde openbloeien -
Gij landman, die de vruchten leest,
pluk zelfde vruchten van de Geest!
---
*71
#6
1
De volgelingen van de Heer,
gezeten in het zand,
zij wachten tot de Heiland weer
zal komen bij het stille meer,
daar aan de waterkant.
2
Van hen wil ‚‚n weer vissen gaan,
hij wordt het wachten moe.
Hij ziet de anderen eens aan
en brengt, als elk is opgestaan,
hen naar de boten toe.
3
Dan vissen zij de hele nacht
in diepe duisternis;
maar als de zon weer wint aan kracht
zijn alle netten onverwacht
nog altijd zonder vis.
4
Ziedaar: op het verlaten strand
roept hen een vreemdeling.
Het net, dat zij met moede hand
uitwierpen aan de rechterkant
raakt vol met wat het ving.
5
De vissers op het stille meer,
zij zien nu als voorheen:
ginds op de oever staat de Heer
die nu al voor de derde keer
na Pasen hen verscheen.
6
Nu is het als in vroeger tijd:
gezeten in het zand
zien zij opnieuw zijn heerlijkheid
in brood en vis zijn majesteit,
die morgen op het strand.
---
*72
#4
1
Heer Jezus, goede herder,
Gij weet: ik kan niet verder,
ik kan niet zonder U;
o herder, blijf mij leiden,
ik kan mijzelf niet weiden,
ik kan niet verder zonder U.
2
Rotsvast zou ik geloven,
geen mens zou mij ontroven
mijn onbegrensde trouw -
maar Heer, Gij ziet mij schromen
om nu tot U te komen
met niets dan ootmoed en berouw.
3
Vergeef mijn grote woorden -
o, dat ik beter hoorde
naar wat Gij vroeg van mij:
mijn hoogmoed op te geven,
mijn overmoedig leven -
De goede herder? Dat zijt Gij!
4
Gij draagt mij in genade,
Gij vraagt niet naar mijn daden,
Gij koestert zelfs geen grief;
Gij vraagt niet te beloven
weer rotsvast te geloven -
Gij vraagt alleen: Hebt gij Mij lief?
---
*73
#3
1
Hoelang laat Gij ons wachten?
Gaan al onze gedachten
niet naar uw toekomst uit?
Laat nu de regen stromen,
de wind, uw adem komen,
de stroom die niemand stuit.
2
Nu Gij zijt opgevaren,
staan wij omhoog te staren
en vragen waar Gij blijft.
Heer, laat ons niet als wezen,
zend Hem die ons leert lezen
de woorden die Gij schrijft.
3
Wolk boven onze hoofden,
ontsteek wat Gij beloofde:
het vuur dat ons geleidt!
Zet ons in lichterlaaie,
laat Hem ons hart doorwaaien
die troost en voor ons pleit.
---
*74
#6
1
Er zit bij de tempelpoort een man
die niet lopen, niet springen, niet zingen kan;
verlamd zit hij daar langs de straat
te bedelen van vroeg tot laat.
2
Johannes en Petrus gaan voorbij
en hij roept hen, hij bedelt: Heb medelij!
Ik kan niet staan, ik kan niet gaan,
ik ben verlamd van kindsbeen aan.
3
En Petrus, die op de Heer vertrouwt,
zegt: Ik geef u geen zilver, geen geld, geen goud,
maar wat ik heb, dat geef ik u;
sta op - ik zeg u: wandel nu!
4
De Heer gaat aan mensen niet voorbij,
aan wie roept, aan wie bedelt, u u en mij
geeft Hij de kracht om op te staan
en juichend in zijn huis te gaan.
5
Al wie op het woord van God vertrouwt
krijgt veel meer dan wat zilver, wat geld of goud,
die krijgt de gave van de Geest,
die wie niet verder kan, geneest.
6
Er gaat door de tempelpoort een man
die nu lopen en springen en zingen kan;
daar gaat hij langs de tempelstraat
en looft de Heer van vroeg tot laat!
---
*75
#4
1
Geef, Heer, uw volk vrijmoedigheid
uw naam zo uit te spreken,
dat alle mensen, wereldwijd,
verstaan uw taal en teken:
de geestdrift die ons door uw knecht
in vuur en wind was toegezegd
en op ons neergestreken!
2
Beziel ons met uw goede Geest,
dan loven wij van harte
die ene naam het allermeest:
die van de Man van smarten -
de steen, verstoten en veracht,
de hoeksteen - Hij verleent ons kracht,
maar wee wie trots Hem tarten!
3
Gij leiders, keizers, bruin en blank,
wat heeft u toch bewogen?
Is dit uw wil, is dit uw dank,
kent gij geen mededogen?
Laat vrij wie op Gods wetten staat -
als gij niet door de knie‰n gaat
kan God u niet verhogen.
4
Geef, Heer, uw volk vrijmoedigheid
om in uw naam te spreken
totdat uw stad is toebereid
en alom is gebleken
dat niets uw geestkracht tegenhoudt,
dat leven zal alwie vertrouwt
dat uw rijk aan zal breken.
---
*76
#4
1
Ga heen in vrede naar uw huis,
Gods pelgrims komen zeker thuis:
gedoopt in water en in bloed,
de stroom die doden leven doet.
2
De Geest uw gids, Hij leidt u voort,
u draagt de wagen van zijn woord;
de Schrift zal voor u opengaan -
God is niet ver bij u vandaan.
3
Al valt de weg u zwaar en lang,
al maakt de wildernis u bang,
de tekst behoeft geen uitleg meer.
gij kent de blijdschap van de Heer.
4
Zijn vreugde gaat u voor naar huis:
er bloeien bloemen bij het kruis!
Reis vrolijk en vol goede moed
zijn rijk, zijn toekomst tegemoet.
---
*77
#4
1
Ik zoek naar God, zo goed ik kan
maar Hij laat zich niet vinden.
Jeruzalem, is God er dan
alleen voor zijn beminden?
Ik ga, ik vlucht
omdat geen vrucht
uit mij ooit wordt gevonden;
verminkt ga ik, geschonden.
2
Wie legt mij uit wat werd gezegd
eertijds door de profeten?
Wanneer het niet wordt uitgelegd
hoe zal ik het dan weten?
Wie wijst de weg?
O, kom en zeg:
Van wie wordt hier geschreven?
Welk lam gaf eigen leven?
3
Geloofd zij God! Hij zendt zijn Geest,
de Trooster zal mij leiden;
wie zo van de Messias leest
weet waarom Hij moest lijden.
Hij kwam, het lam,
de dorre stam
die vruchten heeft gedragen,
het antwoord op mijn vragen.
4
Ik reis mijn weg, verbaasd en blij:
vergeven zijn mijn zonden!
Niet ik zocht Hem, maar Hij zocht mij
en Hij heeft mij gevonden!
Gods goede Geest
is mij geweest
een gids - het lam mijn herder.
Vol vreugde reis ik verder!
---
*78
#4
1
Heer, wat wilt Gij dat ik doe?
Christus uit den hoge,
hemels licht, kom naar mij toe,
open mij de ogen!
Ik verdien niet te zien;
leid mij als een blinde
om het licht te vinden.
2
Als een beest ben ik geweest,
dreigend te vermoorden
wie gegrepen door uw Geest
aan U toebehoorde.
Heer, Gij kwam - als een lam
bracht Gij mij, verloren,
in de rechte sporen.
3
Alles wat ik had aan winst
houd ik nu voor schade;
waarde heeft het allerminst
dankzij uw genade.
Uw gezicht straalt als licht -
in de nacht gevangen
zing ik lofgezangen!
4
Laat mij van uw koninkrijk
een getuige wezen;
arm - maar U, de koning, rijk,
bang - maar zonder vrezen.
Heer, voor U leef ik nu
om met open ogen
U te kennen mogen!
---
*79
#6
1
Herder, hoeder van uw schapen, als wij slapen
houdt Gij over ons de wacht;
Heer, gedenk aan mij ten goede in de woede
van de boze in de nacht.
2
Ik belijd voor U mijn zonden onomwonden;
mij moest Gij, in angst en leed
biddend, bloedend voor uw kudde, wakker schudden;
Heer, vergeef wat ik misdeed!
3
Houd mij zelf, o God, gevangen; mijn verlangen
is naar U, die mij behoedt.
Zo ga ik de nieuwe morgen zonder zorgen
vol vertrouwen tegemoet.
4
Gij, mijn wachter op de muren, alle uren
zijt Gij wakker over mij;
zo staat Gij, te allen tijde in mijn lijden
trouw en teder aan mijn zij.
5
Heer, mijn God, nu ga ik slapen, zie, mijn wapen
is uw woord, mijn schild en zwaard.
In uw hart ben ik geborgen; vrij van zorgen
ben ik in uw hand bewaard.
6
Houd uw lam, zo bang te moede, in uw hoede;
doe mij wonen in uw huis.
Herder, hoeder van uw schaper, ik ga slapen
in de schaduw van uw kruis!
---
*80
#5
1
Ook al zitten wij gevangen
en weet niemand wat ons wacht,
vrolijk zingen wij gezangen,
psalmen, midden in de nacht.
Refrein:
Zing voor de Heer en wees blij -
alwie God looft is al vrij!
2
Hard geslagen, vastgeketend,
met de voeten in een blok,
zijn wij sterker dan de kerker.
Hoor: dit lied klinkt als een klok!
refrein
3
Open wijd uw beide oren
voor wat hier gezongen wordt;
heel de wereld mag nu horen
hoe Gods Geest is uitgestort.
4
refrein:
Zing voor de Heer en wees blij -
alwie God looft is al vrij!
5
Alle volken zullen weten:
muren, dik en hoog rondom,
waar ze zijn en hoe ze heten,
vallen voor een loflied om!
refrein
---
*81
#6
1
Aan Hem die deze wereld schiep,
die mens en dier bij name riep,
is alle macht en kracht gegeven.
De hemel hoog is zijn domein,
de lage aarde zijn terrein:
Hij is de Heer van dood en leven.
2
Hem past geen huis, hoe schoon gebouwd
door mensenhand, van steen of hout,
opdat daarbinnen zou verkeren
God die ons levensadem geeft
en niet van mensen nodig heeft
dat zij Hem dienen en vereren.
3
Uit ‚‚n mens heeft Hij voortgebracht
het hele menselijk geslacht
dat alom wijd en zijd zou wonen.
Hij heeft de dagen zelf geteld,
de landen paal en perk gesteld
om zo zijn overmacht te tonen.
4
Zo moesten zij, naar zijn gebod,
al tastend zoeken: waar is God,
hoe kunnen wij de hemel horen?
Toch is Hij zeker zeer nabij,
want in Hem zijn en leven wij -
wij allen zijn uit Hem geboren.
5
Daar wij dan zijn van Gods geslacht
zij iedereen erop bedacht
geen god van goud of steen te eren.
Hij ziet aan uw onwetendheid
voorbij - Hij roept: Dit is de tijd,
wereld, gij moet u thans bekeren!
6
De dag heeft Hij al vastgesteld
waarop het oordeel wordt geveld,
de rechter heeft Hij al ontboden.
Van recht en vrede spreekt zijn stem,
en daarom heeft de Vader Hem
doen opstaan uit het rijk der doden!
---
*82
#5
1
Ons paaslam is geslacht!
Wij eten deze nacht
de ongezuurde broden;
dit lam kent geen gebrek -
zo gaaf en zonder vlek
heeft God het zelf geboden.
2
Zo zij van nu af aan
het zuurdeeg weggedaan:
wat oud is moet verdwijnen.
Al dreigt rondom de dood,
hier voedt het nieuwe brood
de groten en de kleinen.
3
Sluit uit het oude kwaad,
de hardheid en de haat,
laat niets uw ziel verzuren.
Dank God die ons bevrijdt -
de nacht der bitterheid
zal nu niet lang meer duren!
4
Wij proeven op dit feest
de goedheid van de Geest -
hoe zoet is Gods genade!
Dit lam maakt frank en vrij,
leidt uit de slavernij,
zijn bloed vergoedt de schade.
5
Ons paaslam is geslacht,
het offer is gebracht -
wij leven onder leiding;
ginds, achter zee en zand,
lacht het beloofde land -
wij vieren de bevrijding!
---
*83
#8
1
Laat ons nu de loopbaan lopen,
gaan de weg die voor ons ligt,
lopen met de ogen open,
lopen met de kroon in zicht.
2
Zij die lopen gaan in hope,
want slechts ‚‚n ontvangt de prijs;
laat ons met die hartstocht lopen
tot het einde van de reis.
3
In de wedloop van het leven
blijft verborgen hoeveel tijd
ons van boven wordt gegeven
tot de grens der eeuwigheid.
4
Maar hoelang het moge duren,
zie, reeds komt het eind in zicht;
hoor Hem die u aan wil vuren,
houd het oog op Hem gericht!
5
Hoort gij niet rondom u zingen:
Geef niet op, houd goede moed!?
Die hun weg al v¢¢r ons gingen
komen straks ons tegemoet.
6
Hoeveel hindernissen wachten,
hoeveel horden, hoog of laag,
gij ontvangt voldoende krachten
voor de moeiten van vandaag.
7
Als de strijd straks is gestreden
zal God uit zijn paradijs
ons een kroon van bloemen geven -
blijdschap is de ereprijs.
8
Laat ons dan de wedloop lopen
in geloof van meet af aan
dat wie deze loopbaan lopen
pure vreugde binnengaan!
---
*84
#5
1
Al sprak ik in tongentaal,
al zou ik mijn lichaam geven,
ik leek op een schelle cymbaal
als liefde ontbrak in mijn leven -
Refrein:
Dus vraag om de vrucht van de Geest,
maar jaag naar de liefde het meest!
2
De liefde houdt goede moed,
zij hoeft zich niet te haasten,
de liefde doet niets dan goed,
zij is niet jaloers op de naaste -
Refrein
3
De liefde haat schone schijn,
zij wil geen aandacht vragen,
zij plaagt niet, zij doet geen pijn,
zij zoekt niet zichzelf te behagen -
Refrein
4
Met liefde wordt alles bedekt,
de liefde kan alles geloven,
de hoop wordt door haar gewekt,
geen last gaat haar draagkracht te boven -
Refrein
5
De liefde vergaat nimmermeer;
verstommen zullen de tongen
als eens voor het oog van de Heer
de liefde is opengesprongen -
Refrein.
---
*85
#3
1
Weest in de Heer standvastig,
gij die Hem toebehoort -
al zijt gij nu armlastig,
ziet hoe de toekomst gloort:
het paaslicht, veelbelovend,
verlicht uw lijdenslast.
Zingt gaandeweg God lovend -
Hij maakt uw voeten vast!
2
Wat u op weg vermoeie,
houdt stand in de woestijn;
laat al wat goed is vloeien,
hoog springe Gods fontein!
Laat liefde overstromen,
zaai zegen in het zand
dan wuiven straks de bomen,
palmtakken in de hand.
3
Al wat gij zo op aarde
in naam van Christus doet
houdt voor de hemel waarde -
mensen, hebt goede moed!
Valt u de vijand lastig,
gij strijdt niet ongekroond;
weest in de Heer standvastig -
uw lijden wordt beloond!
---
*86
#5
1
Van dag tot dag herboren
groeit in ons goede moed;
al gaat ons huis verloren,
met huid en vlees en bloed,
de lichte last van heden
maakt straks de zegen zwaar:
het lijden wordt verleden,
de toekomst zonneklaar.
2
Zodra is afgebroken
dit huis, de aardse tent,
zijn wij dan schimmen, spoken,
zo naakt, zo onbestemd?
God zal ons overkleden -
een mantel is zijn huis!
O, dat dan te betreden,
een eeuwig, hemels huis!
3
Zolang wij hier verblijven
slaakt onze ziel een zucht:
niet naakt te zullen blijven,
te staan in open lucht!
Wie zal de slang verslinden.
de dood, die dwingeland?
Het leven zal hem vinden -
de Geest is onderpand.
4
Zo zwerven wij, maar zingen;
wij gaan vol goede moed,
ontheemden, vreemdelingen,
Gods woning tegemoet!
Niets valt hier te aanschouwen -
wij lopen door een kloof;
wij trekken in vertrouwen
langs wegen van geloof.
5
Al gaande langs de straten
verlangen wij dit huis,
ons lichaam, te verlaten,
te wonen bij Hem thuis;
dus laat ons, of wij zwerven
of huizen bij de Heer,
in leven en in sterven
Hem geven alle eer!
---
*87
#3
1
Heer Jezus, uw genade
is mij genoeg.
Tot winst maakt Gij de schade
die ik verdroeg;
in zwakte zal ik roemen:
Het is volbracht!
en zo mijn onmacht noemen
verborgen kracht.
2
Heer Jezus, uw genade
is mij genoeg.
Toen ik U vastberaden
tot driemaal vroeg:
Kan ik niet beter zonder
die doorn, Heer? -
toen sprak Gij onomwonden.
Vraag dat niet meer!
3
Hoe zwak, toch ben ik machtig
en sterk in U:
hoe kwetsbaar, soms neerslachtig,
toch weet ik nu
waartoe die doorn mij schaadde,
die vuist mij sloeg -
Heer Jezus, uw genade
is mij genoeg.
---
*88
#5
1
Laat die gezindheid bij u wezen
die ook in Christus Jezus was,
die zich niet schaamde mens te wezen,
maar kind aan huis op aarde was.
2
Hij heeft de hemel opgegeven,
de mensenzoon die was voorzegd,
om als een slaaf ons voor te leven,
een heer die knielde als een knecht.
3
Hij droeg gehoorzaam en geduldig
de last der zonde, zwaar en groot;
hoog aan het kruis heeft Hij, onschuldig,
zichzelf vernederd in de dood.
4
God heeft Hem daarom uitermate
verhoogd, Hem met een Naam gekroond
die niemand ongenoemd kan laten,
die boven alle namen troont -
5
opdat zich elke knie zou buigen
in naam van Jezus, God ter eer,
en alle tongen zouden juichen:
geloofd zij Christus, onze Heer
---
*89
#3
1
Verheugt u in de Heer, altijd,
dat zich uw hart verblijde;
en laat daarbij uw vriend'lijkheid
aan alle mensen blijken.
De Heer komt weer! - Hij is nabij,
verheugt u zeer, weest blij, weest blij,
nu en te allen tijde!
2
Weest in geen enkel ding bezorgd!
Is het u bang te moede,
brengt dan uw wens ‚n dank bij God -
Hij keert het kwaad ten goede.
In Christus zal, van hogerhand,
Gods vrede boven ons verstand
uw hoofd en hart behoeden.
3
Verheugt u in de Heer, altijd,
dat zich uw hart verblijde;
en dat als licht uw vriend'lijkheid
zich wijd en zijd verspreide,
want Christus komt - Hij is nabij,
verheugt u zeer, weest blij, weest blij,
weest blij, te allen tijde!
---
*90
#5
1
Wandel in de Heer, / gij die Hem aanvaardde;
wortel meer en meer / die in zijn verbond
goede bodem vond, / grond om in te aarden.
2
Word gebouwd in Hem: / stenen in zijn tempel;
stad Jeruzalem, / nieuw door God gesticht,
volken zien uw licht, / knielen op uw drempel.
3
Vast en zeker gaan / wie zijn weg vertrouwen;
op een rotssteen staan, / voor de stormwind doof,
recht in het geloof, / wie op Christus bouwen.
4
Wat u is geleerd / heeft geen mens bedrogen;
wat er wordt beweerd, / houd het goede land
aan de overkant, / Kana„n voor ogen!
5
Halleluja, zing / Hem die u verheugde!
Volg wie voor u ging, / volg Hem onvermoeid,
volk dat overvloeit, / boordevol van vreugde!
---
*91
#6
1
Gij allen die naar Christus heet, halleluja,
weest met zachtmoedigheid bekleed, halleluja!
2
Verdraagt elkander en vergeeft, halleluja,
zoals God u vergeven heeft, halleluja!
3
Doet aan, als door de Heer bemind, halleluja,
de liefde die ons samenbindt, halleluja!
4
In Christus ‚‚n, hoezeer benard, halleluja,
zijn vrede heerse in uw hart, halleluja!
5
Laat in u wonen Christus' woord, halleluja,
het loflied stuwt de wereld voort, halleluja!
6
AI wat gij doet met woord of werk, halleluja,
geprezen zij de Heer der kerk, halleluja!
---
*92
#5
1
De dag die straks komt is de dag van de Heer,
de dag die de nacht zal verdrijven.
De duisternis wijkt en de Heiland komt weer,
zoals de apostelen schrijven.
Die dag komt als niemand de morgen verwacht,
de dag vande Heer, als een dief in de nacht.
2
Wie lachend belooft dat er vrede zal zijn
die gaat met zijn spotlust verloren,
wanneer onverwacht, als een kind uit de pijn,
het licht uit de nacht wordt geboren.
Want niemand die luidkeels de liefde bespot
ontkomt aan het vonnis, het oordeel van God.
3
Maar wij dwalen niet in die dreigende nacht,
het duister zal ons niet omvangen;
wij gaan in het licht dat de Heer heeft gebracht,
verwachtend zijn dag met verlangen.
Als kinderen gaan wij met lampen en licht,
het oog op die komende morgen gericht.
4
Dus laat ons niet slapen, verslaafd aan de wijn,
maar wakker en nuchter steeds waken,
en laat ons gereed voor de dageraad zijn
als and'ren in dromen geraken.
Gij die van de dag zijt, weest wakker en wordt
met hoop en geloof en met liefde omgord!
5
Wij zijn niet bestemd tot het oordeel van God,
Hij wil dat wij zaligheid vinden
door Christus, gekruisigd, bespuwd en bespot,
voor u en voor mij, zijn beminden.
Wij waken of slapen om na het gericht
te leven met Hem in het eeuwige licht!
---
*93
#5
1
zingt de Heer een vrolijk lied -
wie niet zingt verstaat het niet
dat de Heer de Heiland is,
Christus, Gods geheimenis.
2
In een kind dat naar ons aardt
heeft God zich geopenbaard,
Hij komt zelf ons tegemoet
in een mens van vlees en bloed.
3
Gerechtvaardigd door de Geest,
kind bij ons aan huis geweest,
door Gods engelen aanschouwd,
onze aarde toevertrouwd:
4
Zoon, de volken voorgesteld,
Woord, ons letterlijk gespeld,
licht, door heidenen geloofd,
opgenomen als ons hoofd!
5
Groot is dit geheimenis
dat volstrekt betrouwbaar is,
opdat wie God waarlijk vreest
love Vader, Zoon en Geest.
---
*94
#3
1
Laat ieder die Gods naam belijdt
van harte blij / en vrolijk wezen!
De Heer is waarlijk opgestaan,
vooruitgegaan, / voor ons verrezen.
Zie, hoe er door zijn sterven is
een erfenis / voor wie geloven,
ontvangen op het Pinksterfeest:
vuur van de Geest / niet uit te doven.
2
Bewaar het pand u toevertrouwd,
zo puur als goud, / een schat op aarde;
bewaar het zuiver en bedenk:
dit godsgeschenk / heeft grote waarde -
meer dan een huis, meer dan een kind
hoezeer bemind / dat moge wezen;
meer dan de rijkste ooit bezat
is deze schat / voor wie God vrezen.
3
O Geest die ons hebt aangeraakt,
ons levend maakt / om God te loven,
het feest begint - Gij overwint,
o vuur, o wind, / o licht van boven;
maak onze rijkdom zonneklaar,
maak openbaar / wat staat geschreven:
dat God de zijnen toevertrouwt
veel meer dan goud - / het eeuwig leven!
---
*95
#3
1
Een grote hogepriester
de hemel doorgegaan,
is voor de troon gaan staan
en offert al zijn liefde.
Hij heeft zichzelf gegeven,
Hij plengt zijn eigen bloed;
gelooft het vast, houdt moed;
zijn dood belooft u leven!
2
Hij is geen harde priester
die niet van zwakheid weet;
dit lam draagt al het leed
der wereld met zich mede.
Getrouw is Hij bevonden,
in de woestijn geweest,
verzocht, beproefd - Gods Geest
behoedde Hem voor zonde.
3
Laat ons dan zeer vrijmoedig
de weg gaan tot de troon -
God is om Hem, de Zoon,
genadig en lankmoedig;
alwie zijn hulp verlangen
zullen te Zijner tijd,
als Hij als priester pleit
barmhartigheid ontvangen.
---
*96
#7
1
Door het geloof is Abraham
gegaan, niet wetend waar hij kwam;
niet ziende heeft hij toch aanschouwd
de stad door God voor hem gebouwd.
2
Door het geloof is Abraham
die bij het groene Sodom kwam,
niet naar dat land gegaan als Lot -
hij wachtte op de stad van God.
3
Door het geloof werd Abraham
de vader van een volk, een stam
als sterren talrijk, als het zand,
als korrels, talloos op het strand.
4
Door het geloof heeft Abraham
zijn zoon geofferd als een lam,
maar God zij dank: hij kreeg hem weer -
het Lam is Christus, onze Heer!
5
Door het geloof heeft Abraham
in Kana„n, waarin hij kwam,
het goede land waarheen hij ging,
gewoond als gast en vreemdeling.
6
Door het geloof ging Abraham
verlangen naar wat later kwam:
de moederstad, het vaderhuis -
daar komen alle pelgrims thuis!
7
Door dit geloof van Abraham
staan wij als hij in vuur en vlam
en zien wij al, uit hogerhand,
een beter hemels vaderland.
---
*97
#5
1
Bezingt Gods lof als nooit tevoren,
gij die naar zijn barmhartigheid
in Christus wederom geboren
ten leven uitverkoren zijt -
die hoop steekt onze vreugde aan:
de Heer is waarlijk opgestaan!
2
3
Gij zult de erfenis verkrijgen
die in de hemel wordt bewaard -
als God verbreekt het grote zwijgen,
wordt eindelijk geopenbaard
wat onaantastbaar weggelegd
ons door God zelf is toegezegd.
4
Weest blij, weest blij, o gij bedroefden,
hoe vaak gij ook wanhopig vocht,
gij zijt als goud dat vuur beproefde -
niemand wordt tevergeefs verzocht!
Niet lang, nog maar een korte tijd,
dan komt zijn dag in heerlijkheid.
5
Gij die Hem zelf nog nooit aanschouwde,
gij die Hem ongezien bemint,
Hem op zijn woord alleen vertrouwde,
weest blij, verheugt u als een kind,
het grote einddoel is in zicht:
uw heil komt stralend aan het licht!
---
*98
#5
1
Wie is het waard de rol te nemen
die het heil voor ons omsluit?
Wie kan zeven zegels breken,
zeggen wat de Schrift beduidt?
Niemand heeft erin gekeken,
niemand legt de toekomst uit.
2
E‚n is waard het boek te lezen
staande voor Gods hoge troon:
slechts de leeuw die lam wil wezen,
koning met een doornenkroon -
Hij, verrezen, zal genezen;
wie een slaaf was, werd een zoon!
3
Erfgenamen, vrijgekochten,
Hij heeft onze schuld geboet,
haalde ons, die Hem niet zochten -
Hij betaalde met zijn bloed.
Alle stammen, tongen, talen,
wereldwijd zet Hij zijn voet!
4
Hij maakt van een knecht een koning,
maakt ons priesters voor de Heer,
noemt een tempel onze woning,
met gezag zegt Hij: Regeer,
heers als koning! Melk en honing,
heel het paradijs keert weer!
5
Zie, het boek van Gods historie
is ontsloten, en het wacht
tot het volk van zijn victorie
zingen zal uit alle macht:
Lof, aanbidding, wijsheid, glorie,
zij het lam, voor ons geslacht!
---
*99
#3
1
Wie zijn het die daar komen
in stralend wit gekleed?
Hun rouw is weggenomen,
de maaltijd is gereed!
Zij komen, groot en klein,
uit angsten en verdrukking
en zingen in verrukking:
voorbij is alle pijn.
Refrein:
Halleluja, halleluja,
halleluja, halleluja.
2
Zij hebben hun gewaden
gewassen in het bloed;
het lam heeft in genade
voorgoed hun schuld geboet.
Hun lied klinkt hoog van toon,
want dag en nacht vereren
zij God, de Heer der heren,
lofzingend voor zijn troon.
Refrein
3
Gods tent zal bij hen wezen,
Hijzelf: de vredevorst.
Daar zal geen hitte wezen,
geen honger en geen dorst;
daar zal met stok en staf
het lam de schapen weiden,
naar water hen geleiden -
hun tranen wist Hij af!
Refrein
---
*100
#4
1
Zalig, zalig zijn de doden,
zegt de Geest, van nu af aan!
Trouw aan God en zijn geboden,
door het noodlot heengegaan,
schuilen zij, de nacht ontvloden,
bij de Heer. Nu kwelt geen pijn,
geen vermoeidheid meer de doden
die in Hem gestorven zijn.
2
Al hun woorden, al hun werken,
al wat in Hem is gedaan
zonder dat zij 't zelf bemerken
gaat het mee, hen achteraan.
niemand heeft voor niets gesproken,
niemand heeft voor niets geleefd:
als Gods dag is aangebroken
blijkt waarom het waarde heeft.
3
Zie, hen striemden storm en regen
van verdrukking en verdriet,
aangeklaagd en doodgezwegen,
en waarom? -Zij knielden niet,
voor geen beeld, voor geen der goden
die men allerwege ziet.
Maar hun stem kan niemand doden:
hoor, ze zingen een nieuw lied!
4
Zalig, zalig zijn de doden,
zegt de Geest, van nu af aan!
Om voorgoed tot rust te komen
zijn zij van ons heengegaan;
Christus die hen binnen noodde
breekt het brood en schenkt de wijn.
Zalig, zalig zijn de doden
die in Hem ontslapen zijn!
---
*101
#8
1
Ik zag het nieuw Jeruzalem
dat uit de hemel kwam,
de stad waar in weer klinkt de stem
van God en van het lam.
2
Maar wat ik zag, een tempel niet,
geen licht van zon of maan;
de tempel is God zelf - het licht
komt bij het lam vandaan.
3
De volken komen in dat licht
met al hun praal en pracht;
de poorten gaan er nooit meer dicht,
want nimmer is het nacht.
4
Daar komt niet in wiens leven is
vol vuile taal en vloek;
wiens naam door God geschreven is
die staat bij Hem te boek.
5
Een engel sprak: Kom mee, ik toon
u, helder als kristal,
het leven dat vanuit Gods troon
als water stromen zal.
6
De levensbomen lopen uit,
staan elke maand vol vrucht:
genezend groen dat daar ontspruit,
waar elke vloek voor vlucht.
7
Alwie God dient en Hem vereert
die ziet zijn zonneschijn;
zijn naam die alle zonde weert
zal op hun voorhoofd zijn.
8
Wie diende heerst nu mee met Hem
de nacht verliest het pleit;
uw licht, o stad Jeruzalem,
is God, in eeuwigheid!
---
*102
#4
1
De nacht is voorbij,
de morgen breekt aan,
de dag waarop wij
de stad binnengaan.
Geen lamp is daar nodig,
de maan is te klein,
de zon overbodig,
geen nacht zal daar zijn.
Refrein:
De maan zal verbleken,
de zon dooft haar vlam
als God zal ontsteken
het licht van het Lam.
2
Het licht dat er straalt
verlicht dag en nacht
en niemand verdwaalt,
het Lam houdt de wacht.
De poorten staan open
en gaan niet meer dicht
want wie er zal lopen
die wandelt in 't licht.
Refrein
3
God zelf komt en Hij
treedt ons tegemoet
en zegt wat Hij zei,
Hij zegt: Het is goed!
Het duister moet zwichten
de dageraad lacht,
het Lam zal verlichten
wie gaan in de nacht.
Refrein
4
O stad van het licht
en straten van goud,
looft Hem die u sticht,
de Heer die u bouwt!
Daal neer op de wolken
de hemelen uit,
getooid voor de volken,
o stralende bruid!
Refrein
---
*103
#4
1
Dit is de nacht die vraagt om vreugde
zegent elkaar met vrolijkheid!
Laat varen wat voor God niet deugde:
wanhoop en overmoedigheid.
Wereld, ten dode opgeschreven,
de hemel opent wijd een poort,
zendt u een kind, een duif van vrede
zie hoe reeds nu de morgen gloort!
2
Schreeuwend in doodsnood dwaalt de aarde
vol en vervuild door dit heelal;
wij die haar in Gods naam bewaarden,
hoogmoedig kwamen wij ten val:
onmachtig torenhoog te bouwen,
verleid om meer dan mens te zijn,
niet meer in staat tot vast vertrouwen
onwillig volk in de woestijn.
3
God lof! Laat dit uw hart verblijden:
nooit laat Hij los wat Hij begon;
over de heuvels van ons lijden
klimt nu zijn liefde als de zon!
Hijzelf zal bij de mensen wonen,zijn
Zoon gaat met ons mee op reis
om ons bij dageraad te tonen:
Jeruzalem - het paradijs!
4
Dan zal het dorre hout weer groeien,
heel de woestijn oase zijn,
wijnstok en vijgeboom gaan bloeien,
vloeien zal honing, melk en wijn.
Dan zal dit kind de koning wezen,
de wintervorst te gronde gaan,
zonden en wonden weg, genezen
zijn zon, zijn zomer opgestaan!
---
*104
#9
1
Dromen in het donker,
dromen in de nacht,
dromen dat de morgen
licht ontsteekt en lacht!
2
Dromen - ja, wij dromen,
dromen dat het kind
eindelijk zal komen:
liefde overwint!
3
Dromen dat de kerken
voortaan samengaan,
alle zware zerken
aan de kant gedaan.
4
Dromen dat er vrede
zonder eind zal zijn,
al het leed geleden,
weggestreeld de pijn.
5
Dromen dat de volken
talend naar elkaar
metterdaad vertolken:
oorlog is niet waar!
6
Dromen dat de dieren,
spin en slang en spreeuw,
samen vrede vieren,
wolf en lam en leeuw.
7
Dromen dat de zonden
langer niet bestaan,
dromen dat de wonden
gaaf zijn dichtgegaan.
8
Dromen dat een koning
delen zal, royaal:
brood en melk en honing
voor ons allemaal!
9
Dromen - ja, wij dromen,
dromen in de nacht,
morgen zal Hij komen -
zingt uit alle macht!
---
*105
#4
1
O volk, verdwaald, verloren,
vrees niet, zie hier: uw Knecht!
God heeft Hem uitverkoren,
Zijn Geest op Hem gelegd.
Hij, die de volken richt,
Hij roept niet uitgelaten,
Hij schreeuwt niet langs de straten
Zijn stem is als het licht.
2
Hij komt - Hij zal niet breken
het eens geknakte riet,
Hij komt uw licht ontsteken,
wat kwijnt, dat dooft Hij niet!
Die trouw en recht betracht,
Zijn vlam zal niemand doven,
Hij zelf wordt niet gebroken
zolang de wereld wacht.
3
Zo zegt uw God, de Here
die aard'en hemel schiep,
die mens en dier formeerde
en u tot leven riep:
Ziehier, Ik heb Mijn Knecht
al bij de hand genomen,
in Hem zal tot u komen
Mijn liefde en Mijn recht.
4
Hij zal de volken wezen
een altijd brandend licht!
Gij blinden zult genezen,
ontvangt een nieuw gezicht!
Geboeiden, heft uw hoofd -
want uit de nacht van lijden
zal stralend u bevrijden
het licht dat Hij belooft!
---
*106
#4
1
Blaas de bazuin en sla de trom
geboren is Gods kind!
Laat alle klokken luiden gaan,
kom zingend rond de kribbe staan,
zijn koninkrijk begint,
hosanna, hosanna, zijn rijk begint!
2
Blaas de bazuin, de loftrompet,
en richt hoog op uw hoofd;
de toekomst staat in deze ster,
nu is de vrede niet meer ver,
de dag die God belooft,
hosanna, de dag die God belooft!
3
Blaas de bazuin - zijn zonnegloed
laat niemand koud en kil.
Hier is een mens die liefde doet,
hier is God zelf in vlees en bloed -
verwonder u, heel stil,
hosanna, verwonder u, heel stil.
5
Blaas de bazuin en sla de trom
en roep: Victoria!
Geen leven is nu zonder zin,
gegeven is: een nieuw begin -
o zing halleluja,
hosanna, o zing halleluja!
---
*107
#3
1
Christuskind van Bethlehem,
kleine, goede herder,
koning in Jeruzalem,
leid uw kudde verder.
Kom, beklim de oude troon,
heers als koning, Davids Zoon!
Ga van Bethlehem naar Jeruzalem -
Gij die strijdt en bevrijdt,
Gij geleidt ons verder,
kleine, goede herder.
2
Zoon van David, Gij geneest
zieken en gezonden,
Gij verdrijft de boze geest
en vergeeft de zonden.
Zoon van David, Zoon van God,
wees bewogen met ons lot -
Gij die ons geneest van de boze geest,
jaag het kwaad van de haat,
jaag het kwaad steeds verder,
grote, goede herder!
3
Zoon van David, sterke held,
satan is verslagen -
Gij hebt deze reus geveld
in de dag der dagen!
Zoon van David, Zoon van God,
ondanks haat en smaad en spot
hebt Gij hem geveld als een sterke held;
iedereen ging toen heen,
Gij alleen ging verder -
dank U, goede herder!
---
*108
#4
1
De toekomst staat geschreven
in helder sterrelicht,
de gloed van hoger leven,
de glans van Gods gezicht.
De hemel spoort ons aan
te zoeken zin en zegen
van onbetreden wegen
die God met ons wil gaan.
2
Die hemelhoge lichten
voorspelden Abraham
dat God zijn rijk zou stichten,
een twijg aan dorre stam.
Al ziet de aarde niet
de zon die is geweken,
de sterren kunnen spreken,
die zien wat niemand ziet.
3
Een licht ging op aan wijzen,
de vreemden van zover,
zij keken op en reisden,
zij volgden deze ster.
Denk niet: dit is het eind,
God is voorgoed geweken -
ziehier zijn levensteken:
een glimp die u verschijnt!
4
Er is een licht verrezen,
sta op, gij sterrenwacht!
Uw toekomst staat te lezen
in deze wereldnacht:
al is God mijlenver,
al blijven duizend zorgen,
al blijft de zon verborgen,
reeds schijnt uw morgenster!
---
*109
#3
1
De wereld is opnieuw begonnen:
God heeft in eigen vlees en bloed
de oude oerzee overwonnen,
de woeste oeverloze vloed.
Licht! spreekt de Heer - en zie: op aarde
te middernacht een hemels licht, -
en in het oog van haar die baarde
weerkaatst de glans van zijn gezicht.
2
God kan zijn schepping niet vergeten,
Hij geeft zijn sieraad nimmer prijs;
wil niemand van zijn wetten weten,
Hijzelf bewaart het paradijs.
Geen slang, hoe listig, kan verleiden
de Zoon die wandelt in de wind;
ziehier de Mens voor alle tijden,
welsprekend God - zijn eigen kind!
3
God dank! Hij is ons trouw gebleven,
de kerk, die is en blijft zijn bruid!
Haar naam staat in zijn hand geschreven,
geen watervloed wist die nog uit.
De liefde die Hij haar verklaarde
houdt stand in voor- en tegenspoed -
zo wordt de wereld nieuwe aarde,
volkomen en voor altijd goed!
---
*110
#4
1
Die waarlijk mens geworden zijt,
om onder ons te wonen
en alle volken, wereldwijd,
uw tederheid te tonen -
verbazingwekkend, zo dichtbij
komt Gij tot ons, komt Gij tot mij,
ons lijden zult Gij lonen.
2
Die waarlijk mens geworden zijt
om kind aan huis te wezen
bij wie hier schrijnend onrecht lijdt
en altijd pijn moet vrezen -
verbazingwekkend, zo dichtbij
komt Gij tot ons, komt Gij tot mij,
de wereld zal genezen!
3
Die waarlijk mens geworden zijt
om muren af te breken,
de dwaze dwang die volken scheidt,
de drang het kwaad te wreken -
verbazingwekkend, zo dichtbij
komt Gij tot ons, komt Gij tot mij,
uw vlam zal vuur ontsteken!
4
Die waarlijk mens geworden zijt,
ons redt van de demonen,
U zij de lof, de heerlijkheid,
de glans van gouden kronen!
Verbazingwekkend, zo dichtbij
komt Gij tot ons, komt Gij tot mij
U wil ik eer betonen!
---
*111
#4
1
Een hemels beeld onthulde
Gods menselijk gezicht:
een lam voor onze schulden,
een lamp, een helder licht -
geen ridder hoog te paard,
geen koningskind, geen keizer
met blinkend schild en zwaard.
2
De maagd Maria baarde
haar eerstgeboren zoon;
God vestigt hier op aarde
in vlees en bloed zijn troon:
Die ons is toegewijd
geeft ogen, handen, voeten
aan zijn lankmoedigheid.
3
Laat ons eerbiedig buigen,
werpt voor dit beeld u neer!
Het onze valt in duigen -
standvastig blijft de Heer!
O Heiland die ons heelt,
Gods eigen kroongetuige,
zijn sprekend evenbeeld -
4
geloofd zij uw victorie,
uw majesteit, uw macht;
U zij de eer, de glorie
voor eeuwig toegebracht!
Toonbeeld van Gods geduld,
nu hebt Gij onomwonden
de hemel ons onthuld!
---
*112
#4
1
Geen schutse om te schuilen,
geen huis, geen onderdak,
een herberg om te huilen,
een vuile voederbak, -
zo is tot ons gekomen
een kindje in een stal.
Hoe kan het dromen dromen?
De wind waait overal!
2
Geen mens om mee te leven,
geen warme hand die streelt,
geen geld om uit te geven,
geen brood dan wat Hij deelt,
geen graan om op te rapen,
geen proviand op reis,
geen steen om op te slapen -
o God, kyrie eleis!
3
Om zwervers te bereiden
een plaats, een vaderhuis,
een woning en een weide,
een moederstad, een thuis,
daartoe is Hij gekomen,
daartoe is Hij gegaan -
en n¢g waait door de bomen
de Geest, bij Hem vandaan.
4
Om ons een huis te bouwen
voor bunker en barak,
om vleugels te ontvouwen
voor mensen zonder dak,
daartoe is Hij geboren,
daartoe waait nog de wind
wie oren heeft, die hore
het roepen van dit kind.
---
*113
#5
1
God in ons midden,
Heer, wij aanbidden
met al uw kinderen wereldwijd,
uw trouw aan mensen,
uw onbegrensde,
uw ongekende majesteit.
2
Lam dat de zonden draagt,
lam dat de leeuw verjaagt,
uw wieg een kribbe, uw troon een kruis -
Gij spreidt geen macht ten toon,
Gij zijt, o mensenzoon,
onder een open hemel thuis.
3
Licht van de overkant,
fakkel die eeuwig brandt,
o vlam die ons naar Gods land geleidt,
wie lopen in uw licht,
zie, over hun gezicht
valt al de glans der eeuwigheid.
4
Koning der volken,
kom op de wolken,
keer al het kwade ten goede om,
kom, lam dat voor ons bloedt,
kom, licht in overvloed,
kom spoedig, Here Jezus, kom!
5
God in ons midden,
Heer, wij aanbidden
met alle heiligen uw beleid,
uw trouw aan mensen,
uw onbegrensde,
uw ongekende majesteit.
---
*114
#5
1
God maakt geschiedenis -
wat nooit geschiedde, is
te middernacht geschonken:
een kind van vlees en bloed
die als de melk, zo zoet
Gods woord heeft ingedronken.
2
Geen koning, hoog te paard,
geen scherp geslepen zwaard
bepaalt de loop der tijden;
geloof dit kwetsbaar kind:
slechts liefde overwint -
haat kan geen volk bevrijden.
3
Gods beeld heeft ons onthuld
zijn eindeloos geduld,
zijn trouw aan wat verkwijnde;
Hij geeft de wereld zin,
zijn Zoon staat middenin,
tussen begin en einde.
4
Die was en is, die komt!
De hel verstijft, verstomt,
wijd gaat de hemel open.
Als alles is geschied
mag wie Hem hulde biedt
zijn vreugde binnenlopen.
5
God maakt geschiedenis -
wat nooit geschiedde, is
te middernacht begonnen;
waar liefde leven geeft,
daar woont de Heer, daar heeft
zijn rijk de slag gewonnen!
---
*115
#5
1
Halleluja! Laat het horen
laat het klinken, overal:
de Messias is geboren,
lam en herder in een stal,
lang tevoren uitverkoren
als de Heer die komen zal!
2
Zie Hem in de kribbe slapen:
kind van God en mensenzoon,
zonder schild en zonder wapen,
heerser zonder machtsvertoon;
als een lam hoedt Hij de schapen,
als een koning zonder kroon.
3
Halleluja! Laat het horen,
laat het klinken, overal:
Christus zoekt wie zijn verloren
op de heuvels, in het dal,
en Hij draagt wie Hem behoren
op zijn schouders naar de stal.
4
Omdat wij niet zoeken konden
zocht God ons en zie: Hij vindt!
Zie het lam voor onze zonden,
zie een mens die ons bemint -
Hij verkondigt onomwonden
dat Gods koninkrijk begint!
5
Halleluja! Laat het horen,
zingt met blij bazuingeschal:
Jezus Christus is geboren
die de wereld redden zal.
Zingt Gods lof als nooit tevoren,
looft de Koning, overal!
---
*116
#3
1
Heden gaat heel de hemel open -
hoelang houdt gij uw hart nog dicht?
Dit kind, dat ons met vuur zal dopen,
straalt in ons midden als een licht;
nu wordt de vrede alom koning,
de aarde is de hemel rijk -
maar waar vindt deze prins een woning?
Geen keizer kiest zijn koninkrijk.
2
De hele wereld wordt beschreven,
nog is de herberg overvol;
wijn heeft nog nooit de pijn verdreven,
ons hard gelach klinkt leeg en hol.
Naast onze deur wordt Hij geboren:
de Heiland die ons schenken zal
betere wijn dan ooit tevoren
een gastheer schonk of schenken zal.
3
Maak plaats! Doe alle deuren open,
houd voor de Heer uw hart niet dicht.
Als onze weerstand is gebroken,
dan ziet zijn rijk het levenslicht.
Geen huis, geen herberg blijft gesloten,
de hemel is voor Hem te klein;
dit kind zal poorten openstoten -
God zal op aarde koning zijn!
---
*117
#3
1
Herder in het wijde veld,
hoor je wat daar wordt verteld?
In een kribbe, in een stal
ligt een lam dat redden zal!
Refrein
Herder, ga naar Bethlehem,
in de stal, daar vind je Hem:
Christus, als een lam zo klein,
Christus wil jouw herder zijn!
2
Herder, laat je schapen maar,
deze nacht dreigt geen gevaar;
wees niet bang voor leeuw en beer -
voor jouw kudde zorgt de Heer!
Refrein
3
Herder in het wijde veld,
laat je schapen ongeteld,
laat ze slapen, deze nacht,
God houdt over hen de wacht.
Refrein
---
*118
#4
1
Het is al nacht in Bethlehem,
wat wordt de wereld kil!
De kind'ren zijn naar bed gegaan,
de schapen slapen stil.
De herders waken in dit uur,
zij slaan hun mantels om -
maar dan, een hemels vreugdevuur,
een zee van licht rondom!
2
Een engel - is het Gabri‰l? -
verschijnt te middemacht:
Wees niet bevreesd, o Isra‰l,
God heeft u u gedacht!
Er is vannacht een koningskind
geboren in een stal;
zie hoe men Hem in doeken windt:
de Heer van het heelal.
3
Het is nog nacht in Bethlehem,
de schapen staan verbaasd,
hun herders laten hen alleen,
zij gaan, zij gaan met haast
en knielen bij de kribbe neer
in eerbied voor dit kind:
de goede herder, aller Heer
die schapen zoekt en vindt.
4
Wie gaat er met de herders mee?
De stal is groot genoeg!
Laat lief en leed, laat wel en wee,
wacht niet tot morgenvroeg.
Geef Hem uw hart, hoe koud en kil,
hoe zwart dat moge zijn -
want heden stroomt om Jezus' wil
uw hart vol zonneschijn!
---
*119
#5
1
Hoog aan de hemel straalt
de ster die ons verhaalt
hoe in de oogst der dagen
het zaad, door God gestrooid,
als alles is voltooid
veelvoudig vrucht zal dragen.
2
Dan gaat de grootheidswaan
van sterren, zon en maan
in het heelal verloren;
dan wordt wat macht begeert
als Babel omgekeerd,
heel onze trotse toren.
3
Als boven alles uit
de Zoon van God ontspruit
valt elke piramide;
dan breekt tot ons geluk
verharde hoogmoed stuk -
dan zal Gods Woord geschieden!
4
Hij roept het slapend zaad
dat diep de grond in gaat
en sluimert in de akker,
de korrels, her en der,
zo onbereikbaar ver,
eens en voor altijd wakker.
5
O zaad, verstrooid, verdwaald,
de Davidster die straalt,
die zal de weg u wijzen:
door aarde, zand en steen,
dwars door uw grafsteen heen
zult gij de hemel prijzen!
---
*120
#3
1
Hoor de klokken in de toren,
hier en daar en overal:
Jezus Christus is geboren
die zijn volk bevrijden zal.
Halleluja, halleluja, halleluja, amen.
2
Hoor de klokken, hoor ze klinken,
elke toren wijst omhoog:
zie de duizend sterren blinken -
God heeft mensen op het oog!
Halleluja, halleluja, halleluja, amen.
3
Hoor de klokken in de toren,
hoor ze zingen, hoog en laag;
Jezus is voor u geboren -
het is Christusfeest vandaag!
Halleluja, halleluja, halleluja, amen.
---
*121
#4
1
In de nacht gekomen
kind van hogerhand,
licht in blinde ogen,
licht dat zingend brandt,
kom in onze dagen,
kom in onze nacht,
hoor de aarde klagen -
Heer, de wereld wacht!
2
In de nacht gekomen
kind dat met geduld
eeuwenoude dromen
eindelijk vervult,
kom in onze dagen,
kom in onze nacht,
kom met uw gestage,
milde overmacht.
3
In de nacht gekomen
onmiskenbaar kind,
kom, doorwaai de bomen,
zachte zuidenwind,
kom in onze dagen,
kom in onze nacht,
dat wij niet meer vragen
waar uw komst op wacht.
4
In de nacht gekomen
kind, zo kwetsbaar klein,
wat ons wordt ontnomen,
licht, wil bij ons zijn -
kom in onze dagen,
kom in onze nacht,
licht temeergeslagen
kind, uw liefde lacht!
---
*122
#8
1
Kleine herder, weet jij al
wie vannacht in deze stal
in de doeken zich verschuilt?
De Messias! Hoor, Hij huilt!
2
Waarom, herder, huilt Hij dan?
Omdat niemand lachen kan!
Niemand doet Gods goede wet,
niemand is er die ons redt.
3
Maar waarom ben jij dan blij?
Omdat Jezus huilt voor mij!
Hij doet wat geen ander doet,
Hij maakt alles gaaf en goed!
4
En als Hij mijn vreugde ziet
dan verdwijnt ook zijn verdriet;
daarom wil ik nu voortaan
vrolijk op zijn wegen gaan!
5
Herder, ga dan maar terug,
ga met haast, ga vliegensvlug,
stoot je voet niet aan een steen,
loop door alle landen heen,
6
Loop de hele wereld door
en zeg alle volken: Hoor,
in de stal daar ligt het lam
dat uw zonden overnam!
7
Goed, ik ga, ik ga maar gauw,
ik ga verder door de kou,
over land en over zee -
blijf jij hier of ga je mee?
8
Herder, ik ga mee op reis
en ik zing op eigen wijs:
Mensen, dit is mijn verhaal:
God houdt van u allemaal!
---
*123
#4
1
Komt herders, laat uw schapen
maar slapen in het veld,
uw herder heeft zijn schapen
al ‚‚n voor ‚‚n geteld;
gaat haastig naar de stal -
in doeken is gewonden
het lam dat onze zonden
verdroeg en dragen zal.
2
Hij zal de herder wezen
die naar zijn schapen vraagt;
gij zieke, zult genezen,
gij zwakke, zie: Hij draagt!
Hij laat u niet alleen,
Hij noemt elk schaap bij name,
Hij roept de kudde samen,
Hij zoekt en brengt bijeen.
3
Voorwaar, Hij zal verdelgen
die valse herders zijn,
die in hun rijkdom zwelgen,
beneveld door de wijn,
die heersen met geweld
en zonder medelijden
alleen zichzelf nog weiden -
hun dagen zijn geteld!
4
Gij wijdverspreide schapen,
uw noodkreet is gehoord!
Uw herder strekt zijn wapen,
zijn zwaard - dat is: zijn woord.
Gij die in deze nacht
zijn roepstem hebt vernomen,
o haast u om te komen -
het lam, uw herder wacht!
---
*124
#6
1
Refrein:
O laat de wereld horen,
zeg het de mensen overal:
nu is de prins geboren
die vrede brengen zal.
De mensen op aarde
zij graaien naar geld,
zij zwaaien met hun zwaarden,
zij schuwen geen geweld.
Refrein
2
O laat de wereld horen,
zeg het de mensen overal:
nu is de prins geboren
die vrede brengen zal!
refrein
3
De mensen op aarde
zien angstig in het rond,
want wie de macht vergaarde
die heeft de grootste mond.
refrein
4
De mensen op aarde
die vluchten voor elkaar:
op hol geslagen paarden
die schrikken in gevaar.
refrein
5
Gij mensen op aarde,
God zag en ziet uw pijn,
de hemel openbaarde
wie vredevorst zal zijn!
refrein
6
O mensen op aarde,
als komt waar gij om vroeg,
dan smeedt gij om: uw zwaarden,
uw speren tot een ploeg!
refrein
---
*125
#5
1
O stad van David, Bethlehem
hoe klein, verhef met kracht uw stem,
want hier is Hij, die koning is,
wiens land vol melk en honing is.
2
O stad van Rachel, van uw graf
wentelt dit Kind de grafsteen af;
Maria heeft een zoon gezoogd:
Gods rechterhand, die tranen droogt.
3
O stad van Ruth, o huis van brood,
hier is het zaad, dat in de dood
ontkiemt en oprijst, hoog als graan -
uw akker zal vol koren staan!
4
O stad van herders, zie het lam
dat al uw zonden op zich nam;
gij schapen, deze herdersvorst
verjaagt uw honger en uw dorst.
5
O stad van David, Bethlehem,
voorbode van Jerusalem,
al is uw wieg en woning klein,
hier zal Gods liefde koning zijn!
---
*126
#5
1
O ster die alle sterren
in glans te boven gaat,
Gij glimlacht al van verre,
Gij draagt de dageraad
en wat er ook gebeure,
al slaapt ook stad en land,
Gij zult de hemel kleuren,
Gij brengt de dag tot stand!
2
Herodes, achterdochtig,
in eigen oog een ster,
maar mateloos bloeddorstig,
een vorst te hoog, te ver,
die god onder de goden,
die laat wanneer hij wil
de allerkleinsten doden
en iedereen zwijgt stil.
3
De schriftgeleerden weten
wat in de Schriften staat,
in psalmen en profeten
is niets dat hun ontgaat;
zij wijzen en beschrijven
de ster van Bethlehem -
maar met hun wijsheid blijven
zij in Jeruzalem.
4
Wie wijs is als de wijzen
aanschouwt een stille ster,
die ziet, na dagen reizen
en komende van ver,
wat niemand kon bedenken,
bij schamel schemerlicht
wat God zijn volk wil schenken
zijn zon, zijn aangezicht.
5
O ster die alle sterren
in glans te boven gaat,
gij wacht, gij wenkt van verre,
nog is het niet te laat;
als alle sterren vallen -
en hoeveel vallen er! -
zelfs dan nog roept ons allen
uw licht, o morgenster!
---
*127
#4
1
O ster van David, morgenster,
heraut van wat zal komen,
gij schijnt - en daarom kan ik er
stoutmoedig over dromen:
de hemel, stralend als een bruid,
het zaad, dat uit de aarde spruit,
de bloesem aan de bomen!
2
O ster van David, morgenster,
nog is het aardedonker,
de dageraad wanhopig ver,
de hemel zonder wonder;
wij tasten langs een blinde muur,
belast met angst voor wind en vuur,
voor bliksem en voor donder -
3
Maar nochtans blijf ik, morgenster,
van harte op u hopen;
zolang gij schijnt, zolang is er
een lamp om bij te lopen.
Al wacht ik op het zonnelicht,
al is de nacht rondom mij dicht,
gij doet de toekomst open!
4
O ster van David, morgenster,
heraut van wat zal komen,
gij straalt - en daarom zal ik er
al zingende van dromen:
een land waar liefde huizen bouwt
een lachend kind, een dag van goud,
het paradijs - volkomen!
---
*128
#4
1
O Zoon van God, o zuiver lam,
ik kom met lege handen;
Gij koning die ter wereld kwam,
Heer over alle landen,
hoezeer ik van U houd,
geen myrre en geen goud,
geen wierook breng ik U,
geen hulde bied ik U -
niets dan twee lege handen.
2
O lam van God, ik kom met schroom,
want aan mijn beide handen,
al vouw ik die veelvuldig vroom,
kleeft bloed en schuld en schande.
O kind van Bethlehem,
ginds wenkt Jeruzalem,
kom, lam van God en ga
met mij naar Golgotha -
Gij zijt mijn offerande!
3
Ik zie in deze kleine stal
uw hulpeloze handen:
zo kwetsbaar teer en toch nu al
geboeid door duizend banden.
De schaduw van het kruis
valt dreigend in dit huis -
reeds nu is levensgroot
het teken van de dood
geschreven aan de wanden.
4
O lam dat aan mijn zonden lijdt,
ik kom - mijn vuile handen
die wast Gij af - uw heil bevrijdt
van alle schuld en schande.
O lam dat voor mij bloedt,
o herder die mij hoedt,
Gij scheldt mijn schulden kwijt -
met uw barmhartigheid
vult Gij mijn lege handen!
---
*129
#3
1
Te middernacht geboren,
van hogerhand, een kind -
het eerste ochtendgloren
dat stil aan warmte wint.
Nog heerst de koude dood,
maar aan de zwarte hemel
glanst zacht het morgenrood.
2
Te middemacht geboren:
het levenwekkend licht.
God had nog nooit tevoren
zo'n menselijk gezicht.
Al handhaaft zich het kwaad,
het zal niet lang meer duren,
reeds lacht de dageraad!
3
Te middemacht geboren,
het licht dat overwint;
het straalt tot in het noorden:
de zon, de Zoon - Gods kind!
De aarde, grauw en grijs,
wordt straks door licht gelouterd
zijn gouden paradijs.
---
*130
#5
1
Uit het duister komen wij
lopend in een lange rij,
roepend door de stille nacht:
Christus, kom, de wereld wacht!
Refrein:
Heer, Gij zult het licht ontsteken
dat de langste nacht verdrijft,
onze vlam is maar een teken
van het vuur dat brandend blijft!
2
Op de aarde heerst de kou:
zonde, ziekte, dood en rouw,
dorst en honger, haat en nijd,
zie toch hoe de wereld lijdt!
refrein
3
Wie niet wandelt in het licht
ziet geen hand voor zijn gezicht
Blijf niet in het donker staan,
liefde steekt de kaarsen!
refrein
4
Ook al gaan wij ‚‚n voor ‚‚n,
niemand gaat zijn weg alleen,
en al is de reis nog ver,
voor ons uit verrijst een ster!
refrein
5
Uit het duister komen wij
zingend: Heer, ons licht zijt Gij!
herders, wijzen, ‚‚n groot koor,
zingend heel de wereld door!
refrein
---
*131
#5
1
Verhef uw stem, Jeruzalem,
uw Heer komt, onverwacht;
zijn liefde wint in Bethlehem
met stille overmacht:
een licht dat verblindt,
een kribbe, een kind -
hemel en aarde verweven!
2
Verhef uw stem, Jeruzalem,
o berg waar God voorziet,
uw koning komt - in Bethlehem
begint zijn rijksgebied;
geen praal en geen pracht,
geslagen, geslacht -
lam Gods, wat hebt Gij misdreven?
3
Verhef uw stem, Jeruzalem,
God heeft aan u gedacht!
Hij heeft zichzelf in Bethlehem
in mensentaal gebracht:
in vlees en in bloed
komt ons tegemoet
zijn woord, herzegd en herschreven.
4
Verhef uw stem, Jeruzalem,
geen wanhoop, geen verdriet,
geen hongersnood - in Bethlehem
is brood te koop, om niet!
Het heil ligt gereed,
o kom dan en eet:
God heeft ons manna gegeven!
5
Verhef uw stem, Jeruzalem,
verhef uw stem met kracht!
Gods liefde wint in Bethlehem:
Hij heeft te middemacht
de aarde bemind,
zijn bruid baart een kind -
God schenkt de wereld het leven!
---
*132
#4
1
Vrolijk zingen wij ons lied,
de wereld moet het horen!
Komt en ziet wat is geschied:
de Heiland is geboren.
Gloria, hosanna in excelsis!
2
Herders, spoedt u naar de stal:
in doeken is gewonden
Hij die herder wezen zal,
het lam voor onze zonden!
Gloria, hosanna in excelsis!
3
Wijzen, zoekt niet her en der,
want ziet, boven zijn woning
straalt een wonderlijke ster,
daar woont Hij: onze koning!
Gloria, hosanna in excelsis!
4
Mensen, overal vandaan,
God zelf is in ons midden!
Komt dan, laten wij nu gaan
om Christus te aanbidden!
Gloria, hosanna in excelsis!
---
*133
#6
1
Wees stil en kom wat dichterbij
dit kind van Bethlehem:
het einde, het gebin is Hij;
niets kan ik zonder Hem.
2
Hij is mijn water en mijn brood,
het licht rondom mij heen,
mijn leven, midden in de dood -
Hij laat mij niet alleen.
3
Hij is de deur die openstaat
en achter mij zich sluit,
de herder die met raad en daad
mij voorgaat, in en uit.
4
Hij is een weg, recht door de zee,
mijn pad in de woestijn,
zijn ja is ja, zijn nee is nee,
zijn woord zal waarheid zijn.
5
Hij is de wijnstok die mij draagt,
geplant in Bethlehem,
Hij geeft mij meer dan God mij vraagt:
mijn vruchten zijn uit Hem!
6
Wees stil en kom wat dichterbij
en zeg mij zingend na:
begin en einde, dat zijt Gij,
Alfa en omega!
---
*134
#3
1
Wees voor de schaduw niet zo bang,
hoe zwart die moge wezen,
al is de tunnel eeuwenlang,
een gang vol angst en vrezen,
al is er in ‚‚n ogenblik
verblindend licht, een flits, een schrik -
de wereld zal genezen.
2
Wees voor de schaduw niet zo bang,
hoe dreigend die ook valle,
God houdt het duister in bedwang,
de vuisten die zich ballen -
hun schim blijkt niets dan schijn te zijn,
wat groot lijkt, blijkt onooglijk klein
als de bazuinen schallen!
3
Wees voor de schaduw niet zo bang,
die zal het toch niet winnen!
Eens breekt met jubelend gezang
het licht der wereld binnen.
Dan slaat de schaduw op de vlucht,
dan slaakt de nacht een laatste zucht -
dan gaat de dag beginnen!
---
*135
#4
1
Wij gaan met haast naar Bethlehem:
een kind is ons geboren!
Daar zien wij in een kribbe Hem
die zoekt wat is verloren;
een herder als een lam zo klein,
een koning die een knecht wil zijn;
Hij roept - maar wie zal horen?
2
Wij staan verbaasd in Bethlehem:
Is dit de goede herder,
de koning die met luider stem
zou spreken: Volk, trek verder,
trek uit de angst van slavernij,
de Eeuwig Trouwe maakt u vrij! -
Is d¡t kind onze herder?
3
O God, laat ons in Bethlehem
geen grote woorden spreken
en zeggen: Wij behoren Hem
tenzij eerst is gebleken
dat wij bereid zijn om zo klein,
zo lijdzaam als dit lam te zijn
dat weigert zich te wreken.
4
Wij staan beschaamd. In Bethlehem
blijkt meer dan ooit tevoren:
de vrede is alleen aan Hem
die weerloos werd geboren.
Dit lam heeft ons geopenbaard
Gods rijk: een koning zonder zwaard.
Wie horen wil, die hore!
---
*136
#4
1
Wij trekken in een lange stoet
op weg naar Bethlehem,
wij gaan uw koning tegemoet,
o stad Jeruzalem!
Gezegend die zijn komst begroet
en knielen wil voor Hem!
Refrein
Wij loven U, koning en Heer, koning en Heer,
Wij loven U, koning en Heer!
2
Al zijt Gij nu nog maar een kind
zo kwetsbaar, teer en klein,
wij weten dat het rijk begint
waarvan Gij Heer zult zijn,
een rijk waarin de vrede wint
van oorlog en van pijn.
Refrein
3
Al gaat de vijand in het rond,
de koning van het kwaad,
al dreigt hij met zijn grote mond
dat hij U eens verslaat,
straks ligt hij dodelijk gewond
wanneer zijn rijk vergaat!
Refrein
4
Wij gaan op weg naar Bethlehem,
daar ligt Hij in een stal
die koning in Jeruzalem
voor eeuwig wezen zal!
Laat klinken dan met luider stem
en blij bazuingeschal:
Refrein
---
*137
#5
1
Christus, levensbrood, / manna ons gegeven -
in de hongersnood / zult Gij met ons zijn,
bron in de woestijn, / water, waarlijk leven!
2
Gij zijt ons ten licht - / volk, reis vrolijk verder!
Hij, de deur, gaat dicht / als de dag zich neigt,
als het duister dreigt / blijft Hij onze herder.
3
Heer, Gij zegt: Ik ben / opstanding en leven.
Ik, Ik ben de weg, / waarheid, levensgroot -
leugens lopen dood, / Ik leid u ten leven.
4
Gij zijt onze stam, / wij de kleine ranken
die de landman nam / om in U te zijn;
alle goede wijn / is aan U te danken.
5
Heer, Gij zijt ons brood, / herder, nu en later
deur tegen de dood, / wijnstok, ware weg,
licht in heg en steg, / levenwekkend water!
---
*138
#7
1
Een vogel komt gevlogen
en daalt bij de Jordaan:
de ark zendt op het droge
een duif bij God vandaan.
2
Die ark, dat is de hemel,
het hoge vaderhuis,
en al wie daarin gingen
die zijn voorlopig thuis.
3
Die wachten op het einde,
het komende begin,
als God hen zal geleiden
een nieuwe wereld in.
4
Een vogel komt gevlogen
en zoekt bij zee en strand
het opgekomen droge,
door God beloofde land.
5
Daar staat Hij op de oever,
daar staat Hij als een boom:
de eerste uit de doden,
herboren uit de stroom!
6
Op Hem komt uit den hoge
de duif van God tot rust -
wij zien zijn land voor ogen
de zondvloed heeft een kust
7
En alwie zijn geborgen
waar God als Noach is,
die komen, komen morgen,
als alles vrede is!
---
*139
#5
1
Kom voor de dag en wandel in het licht,
kom voor de dag, uw hoofd hoog opgericht,
kom uit de nacht die niets dan onheil sticht -
halleluja, halleluja!
2
Kom voor de dag, de hemel is niet ver,
hier is wat God beloofd heeft van oudsher,
hef uw gelaat: daar glanst de morgenster -
halleluja, halleluja!
3
Kom voor de dag, de vijand is geveld,
hier is uw Heer, uw Heiland en uw Held,
zijn liefde wint van woede en geweld -
halleluja, halleluja!
4
Kom voor de dag, de nacht is haast voorbij,
wat u benauwt, de hemel maakt u vrij,
wat u berouwt, verheug u en wees blij -
halleluja, halleluja!
5
Kom voor de dag en wandel in het licht
kom voor de dag, uw hoofd hoog opgericht,
nu reeds bestraalt zijn zomer uw gezicht -
halleluja, halleluja!
---
*140
#5
1
Zoon van God en Zoon des mensen,
machteloos staan wij voor grenzen,
maar uw Geest is als de wind
die zich door geen grens laat storen,
mensen wereldwijd laat horen
dat slechts liefde overwint!
2
Heer, vergeef ons dat wij hopen
steeds de oorlog te ontlopen
door de ander voor te zijn,
nieuwe wapens te verzinnen
om uiteindelijk te winnen:
niets dan angst en nieuwe pijn.
3
Zoon van God en Zoon des mensen,
zend uw Geest over de grenzen,
val ons met uw liefde aan;
laat de tijd niet langer duren
dat er huizenhoge muren
midden tussen mensen staan.
4
Ach, wij zouden ons vergissen,
uw beloften moeten missen,
als Gijzelf niet was geweest
als een knecht die ons kwam leren
dat geweld geen kwaad kan keren,
maar dat liefde pijn geneest.
5
Zoon van God en Zoon des mensen,
overschrijd de laatste grenzen.
Zeg dat dan uw rijk begint
als de volken zich bekeren,
laten liggen hun geweren
in geloof dat liefde wint.
---
*141
#3
1
De Geest zalft onze hoofden,
God zelf wast ons gelaat -
wat Hij zijn kerk beloofde
volbrengt hij, metterdaad:
een stad voor de ontrechten,
en midden op het plein
zijn tafel vol gerechten,
met honing, melk en zijn!
2
De Geest zalft onze hoofden,
God zelf wast ons gelaat -
gij, die zijn woord geloofde,
ga zingend over straat!
Al vast gij hier en heden,
al wacht u de woestijn,
daar zal een hof van Eden
vol van uw lofzang zijn!
3
De Geest zalft onze hoofden,
God zelf wast ons gelaat -
zijn schatten gaan te boven
uw schande en uw smaad;
gij zult met vreugde vasten
de veertig dagen door,
ginds gaat met al uw lasten
de bruidegom u voor!
---
*142
#5
1
Blijf hier en waakt met Mij!
Nu is de dood nabij,
nooit was Ik zo bedroefd en bang.
Blijft wakker om te bidden
totdat Ik in uw midden
straks wederkom - het duurt niet lang.
2
Blijft hier en waakt met Mij!
O, ging aan Mij voorbij
de beker die Ik drinken moet!
Maar als Gij wilt, mijn Vader,
treed Ik gewillig nader,
dan smaakt het allerzuurste zoet.
3
Blijft hier en waakt met Mij!
Al ga Ik nu terzij,
straks kom Ik in uw midden weer;
blijft biddend met Mij strijden,
blijft wakend met Mij lijden,
blijft wakker wachten op uw Heer!
4
Blijft hier en waakt met Mij!
Hebt gij geen medelij?
Gij wist dat gij niet slapen mocht!
Kunt gij niet ‚‚n uur waken
zonder in slaap te raken?
Bidt God dat gij niet wordt verzocht!
5
Ach, slaapt dan nu maar voort,
slaapt verder, ongestoord,
Ik blijf wel waken deze nacht;
Ik blijf bij u, mijn schapen,
uw herder zal niet slapen;
slaapt gij maar voort - Ik houd de wacht.
---
*143
#3
1
Geworteld in de aarde
en reikend naar het licht,
geen toren evenaarde
wat hier staat opgericht:
een ladder waarop lopen
Gods boden, hoog en laag;
de hemel gaat hier open -
de toekomst komt vandaag!
2
Geworteld in de aarde:
een mens van vlees en bloed
die onze dood aanvaardde
en daalt in onze vloed;
de duivel, weggeslopen,
bevroedt zijn nederlaag;
de duif zet vensters open -
de toekomst komt vandaag!
3
Geworteld in de aarde
en reikend naar het licht:
het kruis, dat openbaarde
zachtmoedig overwicht -
o hout, hoog uitgelopen,
o ladder naar omlaag,
ik zie de hemel open -
de toekomst komt vandaag!
---
*144
#3
1
In woede sloeg de wereld
de waarheid op de mond.
Tot bloedens toe gehekeld,
bedroefd en weggestompt,
ontmoedigd, lamgeslagen,
door broeders uitgejouwd -
hoe heeft Hij kunnen dragen
dat Godgevloekte hout?
2
Als Adam hier op aarde
blies Hij de adem uit,
de ziel die Hij bewaarde,
de liefde voor zijn bruid.
Zijn hartstocht brandde vurig,
een waakvlam in de nacht;
zo hing Hij daar langdurig
tot alles was volbracht.
3
Niet eeuwig weggebleven,
verrezen is de Heer!
De leugen heeft geen leven,
de dood geen toekomst meer.
De wereld walmt van woede,
de aarde ademt schuld -
Gods Geest, die waait ten goede
de wind van zijn geduld.
---
*145
#6
1
Lam Gods dat alle zonden
der wereld draagt,
om ons wordt Gij gebonden,
om ons geplaagd -
erbarm U, erbarm U, erbarm U over ons!
2
Lam Gods dat als een herder
de kudde weidt,
om ons wordt Gij steeds verder
ter dood geleid -
erbarm U, erbarm U, erbarm U over ons!
3
Lam Gods, om ons onschuldig
gehaat, gesmaad,
om ons vermenigvuldigt
zich al dit kwaad -
erbarm U, erbarm U, erbarm U over ons!
4
Lam Gods dat geen gebreken,
geen vlek vertoont,
om ons, om ons bezweken,
door ons gehoond -
erbarm U, erbarm U, erbarm U over ons!
5
Lam Gods dat hebt gegeven
uw kostbaar bloed
om ons te laten leven
in overvloed -
erbarm U, erbarm U, erbarm U over ons!
6
Lam Gods dat ons bevrijdde
uit slavernij,
om ons wilde Gij lijden,
U prijzen wij -
gezegend, gezegend, gezegend, Heer, zijt Gij!
---
*146
#6
1
O lam dat lijdt en duldt en draagt
de straf die ons de vrede brengt,
tot bloedens toe gestriemd, geplaagd -
geen rechter die U vrijspraak schenkt.
2
De hele wereld klaagt U aan,
Gij zwijgt, Gij spreekt geen wederwoord,
geboeid komt Gij naast mensen staan
die schuldig zijn aan broedermoord.
3
'Verdwijnen moet die zachte stem,
laat vrij de man die bloed vergiet,
maar kruisig, kruisig, kruisig Hem!
wij gunnen Hem de vrijheid niet!'
4
O Zoon des Vaders, Bar-Abbas,
o lam volkomen gaaf en goed,
o arts die onze wond genas,
vergiet Gij nu uw eigen bloed?
5
Gij die geen kwaad met kwaad vergeldt,
Gij strijdt met recht een goede strijd;
geen domme klacht, geen bruut geweld,
uw Geest alleen, die wint het pleit!
6
O Heer, wij kiezen niet voor U,
maar Gij, die ons de vrede brengt,
Gij kiest voor ons, kiest hier en nu,
o rechter die ons vrijspraak schenkt!
---
*147
#6
1
Ontferm U, Heer - het einde van ons leven
komt naderbij. Hebt Gij ons prijs gegeven?
Opstandig hebben wij tot U gesproken,
ons woord gebroken.
2
Wij wilden meer dan brood, veel meer dan water:
honing en melk, vandaag en niet pas later;
wij wilden naar het diensthuis wederkeren,
de dood riskeren.
3
Verlos ons van de dodelijke slangen,
neem eigenhandig satan nu gevangen!
Weerloos zijn wij ten dode opgeschreven,
Heer, red ons leven!
4
Wie anders kan genezen alle wonden,
dit aards bestaan, vergiftigd door de zonde?
Tot U, o Heer, is nu in vrees en beven
ons hoofd geheven!
5
Heer Jezus, Gij zijt aan het hout gehangen,
om ons verheven, boven alle slangen;
om onze pijn en ziekten weg te dragen
zijt Gij geslagen.
6
Lof zij U, Christus, Gij hebt ons genezen!
Wij staan weer op, als uit de dood verrezen!
U willen wij voor dit geluk van boven
van harte loven!
---
*148
#4
1
O nacht zo lang, gij langste aller nachten,
is God vergeten wat Hij heeft beloofd -
zijn wij verbannen, weg uit zijn gedachten,
het allerlaatste vonkje hoop gedoofd?
2
Keer tot ons weer, o zaad zo diep verloren,
weet dat de oogst der wereld op U wacht;
Gij Zoon van God, Gij mens met open oren,
treed weer naar voren, kom in deze nacht!
3
Oase in een woestenij van dromen,
o vuurkolom, bevestig onze voet,
Gij sprankje hoop, te goeder uur gekomen,
ga voor ons uit, de morgen tegemoet.
4
Maak deze nacht, de langste aller nachten,
licht als de dag, die lachend leven vindt
en leg ons lot terug in Gods gedachten,
Gij licht, die nacht en nevel overwint.
---
*149
#4
1
Waarom, o God, waarom, waarom,
o Here God, waarom:
dit jonge lichaam, doof en stom,
ijskoud - o God, waarom?
Na het allerlaatst gevecht
in de aarde weggelegd
en wie, wie weet waarom?
2
Was Hij dan niet uw eigen Zoon,
een kind bij U aan huis?
Waarom dan toch die doornenkroon,
dat spijkerharde kruis?
Of - was Hij het offerlam
dat de zonden op zich nam,
zijn bloed, brengt d t ons thuis?
3
Dit jonge leven heeft een eind
al heeft het niets misdaan.
Is dan de dood die ginds verdwijnt
daarom voorbijgegaan?
In het paaslicht keert Gij om
onze vragen, ons waarom -
Christus is opgestaan!
4
Dit lam kleurt onze deuren rood,
de dood komt hier niet in!
Reisvaardig eten wij ons brood,
het leven krijgt weer zin,
want door dit bevrijdend bloed
dat de toekomst open doet,
is er een nieuw begin!
---
*150
#4
1
Aan de nacht zijn wij ontkomen,
aan de vuist van de despoot,
aan het diensthuis van de duivel,
aan het duister van de dood.
2
Aan de nacht zijn wij ontkomen,
aan de leeuw die heeft gebruld,
aan de vloedgolf van de zonde -
aan het vuilnis van de schuld.
3
Aan de nacht zijn wij ontkomen,
aan de woede der woestijn,
aan de dreiging van de dromen
nooit en nergens thuis te zijn.
4
Aan de nacht zijn wij ontkomen,
aan de plaag van het gericht -
laat de wijn van vreugde stromen
Pasen! Kana„n in zicht!
---
*151
#8
1
Brandend van verlangen,
witte toorts van licht,
midden in een lange
doodsnacht opgericht.
2
Keervers:
Kaars van God gegeven,
schitter in dit uur,
Christus, wees ons leven,
wees ons vreugdevuur.
3
Duister zijn de dagen,
donker is de tijd,
haast niet te verdragen
wat ten hemel schreit -
Keervers
4
Waakvlam van de vrede,
wachter in de nacht,
vuurkolom die heden
waakt en op ons wacht -
Keervers
5
Fakkel van verzoening,
druipend uit de doop,
recht naar Gods bedoeling,
breekbaar als de hoop -
Keervers
6
Licht dat uit de doden,
uit de nacht verrijst,
vlam die niet te doven
naar de dag verwijst -
Keervers
7
Hunkerend naar boven
smelt Gij aan de vlam,
sterft Gij zienderogen,
korte, stompe stam -
Keervers
8
Brandend van verlangen
toont Gij Gods gezicht:
liefde, onbevangen,
vrolijk levenslicht!
Keervers
---
*152
#3
1
Die in de kribbe lag is koning,
die aan het kruis hing is niet dood,
het graf is tijdelijke woning,
de aarde baart de vrucht der schoot;
de hemel rolt de steen opzij -
weent niet, weest blij, weest blij!
2
Er is geen huis dat Hem kan houden,
de rotssteen houdt het water niet!
Gij die dit wonder Gods aanschouwde,
drink hier de wijn die Christus biedt,
drink hier de drank die niemand doodt,
eet manna, levensbrood!
3
Die werd gekruisigd heerst als koning!
Hij neemt de dood zijn wapens af,
wijst ons het land van melk en honing -
de wind verwaait het kwaad als kaf.
Dan smaakt het leven altijd zoet:
vreugde in overvloed!
---
*153
#5
1
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt,
rotsen gaan open als deuren,
dit is de kracht die de aardbodem kraakt -
Pasen, in geuren en kleuren!
2
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt,
juicht, want de wacht is geweken,
weg de soldaat die het graf heeft bewaakt -
Pasen, de nacht is bezweken!
3
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt,
zingt, want het leed is verleden,
hier is de hand die ons hart heeft geraakt -
Pasen, Gods liefde schrijft: heden!
4
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt,
dit is het zaad in de vore,
dit is de zon die het licht heeft gezaaid -
Pasen, de oogst is geboren!
5
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt,
duivel en dood zijn verdreven;
alwie gelooft heeft de honing gesmaakt -
Pasen: het eeuwige leven!
---
*154
#3
1
God dank, er is een deur ontsloten,
geef aarde, geef uw doden prijs!
Zie, aan het kruishout: Jonge loten,
hier wordt een graftuin paradijs.
ZIng halleluja, open aarde,
Zing halleluja, donker graf -
geloof wat God u openbaarde:
Hij neemt de dood het leven af.
2
Schrik niet - de aarde wordt gespleten,
hoor hoe zij kreunt in barensnood,
bevend wordt zij uiteengereten,
o moederland, o moederschoot!
Hier wordt de mens opnieuw geboren:
een kind dat naar zijn Vader aardt,
een Zoon met oren om te horen -
zalig de moeder die Hem baart!
3
Eens zullen alle bergen scheuren,
eens breken alle rotsen stuk,
dan worden graven open deuren,
poorten naar straten van geluk;
zingende zullen zij daar lopen
die uit hun graven zijn gegaan:
de hemel doet de aarde open -
Christus is waarlijk opgestaan!
---
*155
#3
1
God dank! Laat iedereen het horen:
Christus is waarlijk opgestaan!
Wij gaan niet in de nacht verloren -
Pasen: de grote dag breekt aan!
Geen grafsteen houdt het zonlicht tegen,
een engel kondigt stralend aan:
Ziet waar zijn lichaam heeft gelegen,
waarlijk de Heer is opgestaan!
2
Wij hadden alle hoop verloren,
niemand van ons zag toekomst meer;
leeg was ons hart, als nooit tevoren
zo eenzaam, zonder onze Heer.
Hopeloos donker was ons leven,
een bange droom, een lange nacht;
waar was ons laatste licht gebleven:
Christus, die ons de toekomst bracht?
3
God dank! De hemel heeft gesproken:
Wie zoekt gij toch? Hij is hier niet!
Een nieuwe lente is ontloken,
vreugde begraaft het diepst verdriet.
God lof! De nacht is overwonnen,
het daglicht krijgt voorgoed ruim baan,
de toekomst is vandaag begonnen -
waarlijk, de Heer is opgestaan!
---
*156
#4
1
Halleluja! De eerste dag
is stralend aangebroken:
een engel heeft op Gods gezag
het vreugdevuur ontstoken;
in alle vroegte roept de haan:
De Heer is waarlijk opgestaan!
De nacht is grijs verleden,
het heden wit van vrede.
2
Nu doet de hel geen deur meer dicht,
de hemel heeft gewonnen
met helder licht dat lichter is
dan honderdduizend zonnen!
Gij, uitgedoofd en uitgeblust,
sta op en put weer levenslust:
de rust waar wij van dromen,
de sabbat is gekomen!
3
Die uit het graf kwam heeft de dood
zijn laatste woord ontnomen;
zijn liefde kleurt de morgen rood,
zijn toekomst is gekomen.
Die is verrezen uit het graf
geeft nu de dood zijn eigen straf -
voor hem staat streng geschreven:
Geen toegang tot het leven!
4
Dit is - God lof! - de eerste dag.
Wie zou zich niet verheugen
nu heel de kerk ervaren mag
een voorproef van de vreugde?
Een zondag vol van zonneschijn,
om zonder zorgen blij te zijn,
en God lof toe te zingen
om al zijn zegeningen!
---
*157
#4
1
Heden gaat de hemel open,
wij herkennen Gods gezicht;
Pasen doet ons vurig hopen
dat nu al het duister zwicht -
halleluja, halleluja,
hier komt liefde aan het licht!
2
Heden is de Zoon herboren
die om onze zonden kwam,
hart van God, aan ons verloren,
kind, dat zelf het brandhout nam -
halleluja, halleluja,
herder, priester, offerlam!
3
Heden staat de dood verlegen,
nu het leven zelf verschijnt.
Komt de donkre dood u tegen,
weet dat hij te zijner tijd,
halleluja, halleluja,
in zijn eigen graf verdwijnt!
4
Heden meer dan ooit tevoren,
mensen, ziet: de dag begint!
Heel de hemel staat te gloren,
Licht-der-wereld heet dit kind -
halleluja, halleluja,
zon die stralend overwint!
---
*158
#3
1
Het graf is leeg - Christus is opgestaan!
Nu kan het leven lachend nieuw beginnen!
De hemel zweeg - nu kondigt God ons aan
het licht dat elke nacht zal overwinnen:
het rijk dat is en komen zal weldra -
halleluja!
2
De aarde beeft - God zelf schuift aan de kant
de grafsteen die zijn woord heeft doodgezwegen
De Vader geeft zijn Zoon de rechterhand
en geen soldaat, geen legioen houdt tegen
het rijk dat is en komen zal, weldra -
halleluja!
3
Gezegend, Heer, gezegend zij uw licht!
Gij hebt de dood het laatste woord ontnomen,
en meer en meer zien wij uw aangezicht
nu Gij ons leven tot uw licht laat komen:
het rijk dat is en komen zal, weldra -
halleluja!
---
*159
#4
1
Het zaad dat in de aarde lag,
halleluja,
komt opgetogen voor de dag,
halleluja!
Het morgenrood
reikt ons het brood, halleluja!
2
Dit zaad dat duizendvoudig draagt,
halleluja,
voor Hem die rijpe vruchten vraagt,
halleluja,
de aarde uit:
ons levenskruid, halleluja!
3
Dit stille zaad dat sterven moet,
halleluja,
is Christus - brood in overvloed,
halleluja!
Gods goede graan
is opgestaan, halleluja!
4
Wie eigen leven hier verliest,
halleluja,
en v¢¢r het graf dit graan verkiest,
halleluja,
eet in zijn dood
dit eeuwig brood, halleluja!
---
*160
#6
1
Nu is het pasen - Jezus leeft!
Komt allen, sluit u aan -
die onze dood verslagen heeft:
de Heer is opgestaan!
2
O blijf niet achter, aarzel niet,
ga mee, de wereld door;
Hij gaat door heel zijn rijksgebied
ons zegevierend voor.
3
Nu zal geen grens meer scheiding zijn,
geen ras, geen kleur, geen taal,
o landen, volken, groot en klein,
Hij roept u allemaal!
4
Geen macht in hemel en op aard
maakt Pasen ongedaan,
en wie zich achter Christus schaart
zal vrede binnengaan.
5
Want welke vijand ons bedreigt,
zijn wapen deert ons niet -
als eens de laatste vijand zwijgt
klinkt nog dit vrolijk lied.
6
O hoor, de klokken luiden blij;
komt allen, sluit u aan,
dan zeggen, zingen, juichen wij
de Heer is opgestaan!
---
*161
#4
1
O vlam van pasen, steek ons aan,
de Heer is waarlijk opgestaan!
De Zoon, die voor geen zonde zwicht,
de Zoon is als de zon, zo licht!
2
De Vader laat niet in het graf
een kind dat zoveel vreugde gaf,
Hij tilt het uit de kille grond -
het loopt als vuur de wereld rond.
3
De oude nacht voorgoed gedood,
de toekomst kleurt de morgen rood,
ziehier hoe God vergevend is
en hoe zijn liefde levend is.
4
Ziehier het licht van lange duur,
ziehier de Zoon, de zon, het vuur;
o vlam van Pasen, steek ons aan -
de Heer is waarlijk opgestaan!
---
*162
#5
1
Steekt de loftrompet, / ademt opgetogen!
Dank zij Gods verzet / wordt uw leed beloond,
wordt de dood ontkroond - / open gaan uw ogen!
2
Mens, hoezeer verblind, / wachtend op een wonder,
was gij als een kind / dat de weg niet weet,
elke wet vergeet - / zo ging gij ten onder
3
tot een herder kwam - / Hij is uw behouder;
lijdend als een lam / nam Hij al uw schuld,
drift en ongeduld, / zwijgend op zijn schouder.
4
Zingt dan dat het schalt, / laat de wereld weten
dat de duivel valt / in zijn eigen vuil,
in zijn eigen kuil, / eens voorgoed vergeten.
5
Steekt de loftrompet, / ademt opgetogen -
Christus die ons redt / doet het duister dicht;
het wordt langzaam licht: / Pasen zienderogen!
---
*163
#3
1
Weest blij, weest opgewekt!
God heeft zijn arm gestrekt,
de winter overwonnen -
de lente is begonnen!
Nu breekt het voorjaar aan,
de zomer komt eraan,
het duister is gezwicht,
de dag komt aan het licht -
Christus is opgestaan!
2
Die sliep is opgewekt!
Hij heeft de poort ontdekt,
de sleutel ons gegeven,
de toegang tot het leven.
Hij sluimerde, Hij sliep
tot God hem wakker riep
om vrolijk op te staan
en in de tuin te gaan -
Adam, die God herschiep.
3
God dank! De dood vertrekt;
wij leven opgewekt:
God roept de doden wakker
als halmen uit de akker.
Laat ons daarom voortaan
weg uit de graven gaan
en leven met de Heer -
het paradijs komt weer;
Christus is opgestaan!
---
*164
#5
1
Wij roepen U, Koning,
onnoemelijk ver,
wij zochten uw woning,
wij volgden uw ster;
er was in het donker
niet meer dan geflonker -
Gijzelf was zo ver!
2
Gij toonde de volken
uw fonkelend licht -
waarom deden wolken
de hemel weer dicht?
Gij hoorde ons schreeuwen,
een stem door de eeuwen:
Heer, toon uw gezicht!
3
Gij kwam naar beneden,
Gij hield U niet ver,
Gij leed wat wij leden,
Gij viel als een ster,
wij zagen U vallen,
wij zagen het allen
van heinde en ver.
4
O Christus, gekruisigd,
o licht, zo dichtbij,
gevangen, verduisterd,
ontluisterd zijt Gij -
o ster aller sterren,
wie stonden van verre,
wie zwegen daar? Wij!
5
't Is Pasen, wij weten:
het licht overwon;
God is niet vergeten
wat Hij eens begon.
De Heer openbaarde
de hemel op aarde -
dichtbij staat de Zon!
---
*165
#4
1
Ik noem je bij je diepste naam:
Maria, huil van nu af aan
niet meer - Ik ben niet heengegaan
maar heden heerlijk opgestaan!
2
Houd Mij niet vast, raak Mij niet aan -
wie Mij gelooft, die laat Mij gaan.
Wanneer Ik voor Gods troon zal staan,
pas dan is al mijn werk gedaan.
3
Zeg het mijn broeders vrolijk aan
en laat mijn zusters zingen gaan:
Voorbij de wanhoop en de waan,
uw Heer is waarlijk opgestaan!
4
Zijn liefde is toch veel te groot
voor onze tijdelijke dood -
dus droogt uw tranen, allemaal,
Hij noemt u bij uw diepste naam!
---
*166
#7
1
Maria, waarom huil je,
waarom zing jij geen lied?
Maria, waarom schuil je
en koester je verdriet?
2
Maria, waarom zucht je
en sta je daar alleen?
Maria, waarom vlucht je,
maar weet je niet waarheen?
3
Maria, waarom ben je
voor duivelen weer bang?
Maria, daarvoor ken je
de Meester toch te lang!
4
Maria, waarom ween je,
zie jij het graf dan niet?
Maria, zegt de steen je
niet wat er is geschied?
5
Maria, waarom sta je
verslagen, moe en mat?
Maria, waarom ga je
niet juichend naar de stad?
6
Maria, waarom meen je
dat Hij is heengegaan?
Maria, waarom ween je?
De Heer is opgestaan!
7
Maria, Hij is bij je,
niet ver bij je vandaan:
Maria, Hij verschijnt je
en noemt je bij je naam!
---
*167
#4
1
Zingt voor de Heer dit vrolijk lied, halleluja,
al slaapt gij vast, al waakt gij niet, halleluja,
van vreugde kraait opnieuw de haan, halleluja,
de Heer is waarlijk opgestaan, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
2
Al val ik tegen, Hij valt mee, halleluja,
Hij wandelt met mij op de zee, halleluja,
Hij zendt mij uit, Hij zegt mij: Ga!, halleluja,
al zeg ik nee, toch zegt Hij ja, halleluja.'
Halleluja halleluja, halleluja!
3
Hij waakt - Hij slaapt en sluimert niet, halleluja,
Hij ziet, Hij ziet wat gij niet ziet: halleluja,
als onze nacht is heengegaan halleluja,
dan breekt met kracht het paaslicht aan, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja!
4
Zingt dan voor Hem uw leven lang, halleluja,
zingt door tot aan zonsondergang, halleluja,
al neemt de slaap van u bezit, halleluja,
uw Heer en Heiland waakt en bidt, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja!
---
*168
#7
1
Traag waren onze harten,
te traag om te verstaan
waarom Gij, man van smarten,
dat leed moest ondergaan.
2
Slechtziende onze ogen:
hoe waren wij verblind,
toen Gij voorbij kwam lopen,
een vreemdeling, een vriend.
3
En onze lege handen
ontvingen in dat uur,
zodat ons hart ging branden
en vonkte van nieuw vuur.
4
Heer, onze stille tongen
die vatten vrolijk vlam,
toen wij de lofzang zongen
en Gij het brood opnam.
5
En onze open monden
die zegenden uw naam,
toen wij verbaasd de wonden
diep in U zagen staan.
6
En onze moede voeten
die vlogen vliegensvlug
om treurenden te groeten:
De Heer is weer terug!
7
Hoe branden onze harten,
zij hunkeren te gaan,
te zingen door de landen -
De Heer is opgestaan!
---
*169
#3
1
Niet zien en toch geloven -
o God als Gij mij helpt
dan zal ik toch U loven,
hoezeer ik overstelpt
door allerhande plagen,
door twijfel en verdriet,
naar het waarom blijf vragen -
toch zing ik U dit lied!
2
Niet zien en toch geloven:
vertrouwend verdergaan,
niet horend, als een dove,
niet ziende, blind voortaan,
niet reikend met mijn handen
naar meer dan Gij mij geeft,
maar wijs door scha en schande
geloven dat Gij leeft!
3
Niet zien en toch geloven -
uw dag komt naderbij!
De oren van de dove
ontsluit en opent Gij!
En al wie in den blinde
op U alleen vertrouwt,
zal eenmaal ondervinden
dat wie gelooft, aanschouwt!
---
*170
#7
1
Wie zegt ons dat de dood heeft afgedaan,
dat wij niet eens voorgoed ten grave gaan,
dat onze Heer waarlijk is opgestaan?
Halleluja, halleluja!
2
Maria weet: De Heer heeft mij gegroet,
Hij heeft mijn ziel voor duivelen behoed,
mijn naam genoemd, Hij kwam mij tegemoet!
Halleluja, halleluja!
3
Kleopas juicht: Een vreemde bracht ons thuis,
Hij heeft ons oog geopend voor het kruis,
Hij brak het brood, de Heer was in ons huis!
Halleluja, halleluja!
4
Thomas vertelt: Ik heb Hem zelf gezien,
nadat Hij was verschenen aan de tien
en nu geloof ik zonder Hem te zien!
Halleluja, halleluja!
5
Petrus getuigt: De Meester heeft mij lief,
hoe diep ik viel, nadat ik mij verhief;
Hij zendt ook mij, Hij weet: ik heb Hem lief!
Halleluja, halleluja!
6
Zoals God zelf zijn Zoon gezonden heeft,
zo zendt de Heer getuigen en Hij geeft
ook ons bevel - zegt allen: Jezus leeft!
Halleluja, halleluja!
7
Als alle graven eenmaal opengaan
dan heeft de dood voor altijd afgedaan,
want Jezus leeft! De Heer is opgestaan!
Halleluja, halleluja!
---
*171
#7
1
Dit is de nieuwe dag,
het paasfeest van de Heer;
die in de aarde lag
staat op en kent ons weer.
2
Is dit waarachtig waar,
is dit geen vrome wens?
Was dan uw grafsteen maar
een tijdelijke grens
3
en is uw liefde, Heer,
nog sterker dan de dood?
Wij zien U bij het meer -
de hemel hoopvol rood.
4
Wij hebben lang gevist
en moedeloos gewacht.
Wij hebben U gemist
in oeverloze nacht.
5
Nu staat Gij op het strand
aan onze horizon;
Gij wenkt ons met uw hand
als ‚‚n die overwon.
6
Gij zijt de vis, het vuur,
Gij zijt het levend brood.
Wij zwijgen in dit uur,
want dit geheim is groot.
7
Dit is de nieuwe dag,
de morgen van de Heer.
De zon rijst met een lach -
wij zien de toekomst weer.
---
*172
#5
1
Gij hebt met zoveel woorden
en metterdaad getoond
dat Gij ons roepen hoorde,
dat Gij ons lijden loont.
Wij, door de nacht gegaan,
wij zien U, vroeg of later,
op hoge oever staan:
ons Hoofd al boven water.
2
Gij hebt met vuur van liefde
een maaltijd ons bereid,
Gij scheldt ons wat U griefde,
de schuld van harte kwijt.
Gij legt uw brood, uw vis,
in onze holle handen -
wie hier genodigd is
vindt overvolle manden.
3
Gij hebt met taal en teken
de duivel aangezegd,
dat eens de tijd verstreken,
het pleit zal zijn beslecht.
Zodra uw roep weer klinkt,
de zee zich leeg laat lopen,
ons net vol vissen blinkt,
bloeit rood uw toekomst open.
4
Gij hebt met eigen woorden
het leven ons beloofd,
dus kan de dood vermoorden
het lichaam noch het Hoofd;
in U reeds opgestaan,
ons Hoofd al in de wolken,
gaan wij U achteraan:
de voorste van de volken!
5
Gij hebt met ziel en zinnen
de hemel voorgeleefd,
om zo opnieuw te winnen
wie zich verloren geeft;
reikhalzend heffen wij
ons hart om God te loven -
op aarde hebben wij
in U ons Hoofd al boven!
---
*173
#4
1
Wij leven opgewekt!
Licht heeft de dood ontdekt
en voor zich uitgedreven -
de schepping zal herleven.
De Zoon des mensen sliep
totdat de dag Hem riep
uit aarde opgestaan
zijn bruid vooruit te gaan:
Adam, die God herschiep.
2
Wij leven opgewekt!
God heeft zijn arm gestrekt
en op een wenk van boven
is blinkend licht ontstoken.
De zon wint stad en land,
de zonde houdt geen stand,
de zomer komt in zicht,
de Zoon, die is het licht -
Hij krijgt de overhand!
3
Wij leven opgewekt!
Als straks de dood vertrekt
roept paaslicht in de akker
de diepste zaden wakker.
Die stierven in de Heer
die sterven dan nooit meer;
de allerkleinsten staan
met volle aar vooraan -
morgen zien wij hen weer!
4
Wij leven opgewekt!
AI wordt met steen bedekt
ons vlees en ons gebeente,
houd moed, gij, zijn gemeente!
De dag breekt spoedig aan,
dan zullen opengaan
de graven, rij aan rij -
o zing, bij voorbaat blij:
Christus is opgestaan!
---
*174
#3
1
Zingt met de vogels mee een lied,
de leeuwerik verzwijgt het niet:
Christus is aller koning!
De zwaluw roept u toe: Ziehier,
Gods liefde is voor mens en dier
een altijd open woning!
Hij bergt de wereld in zijn hart,
geen musje, hoe dan ook benard,
gaat zonder Hem te gronde;
wie vallen van de heuveltop
die vangt Hij met zijn vleugels op -
Hij draagt ze ongeschonden.
2
Zingt met de vogels mee een lied,
een lofzang tegen uw verdriet,
een loflied op het leven;
geen wacht, geen wapen kon weerstaan
het vroege roepen van de haan:
de doodsnacht is verdreven!
Zingt met de watervogels mee,
zingt met de meeuwen langs de zee:
de ark is niet gezonken!
Ginds koert de duif bij de Jordaan:
de Heer is waarlijk opgestaan,
zijn Geestkracht ons geschonken!
3
Zingt met de vogels mee een lied,
met Mirjam, kleine karekiet,
met Mozes op het water,
met David en met Jonathan,
met alleman die zingen kan,
een lied voor nu en later.
eens laat de dood de doden los,
dan zingen hei en veld en bos,
mezen en merels samen,
dan zingt de mus victoria,
dan zingt de zwaluw gloria,
voor eeuwig ja en amen!
---
*175
#6
1
Here Jezus, na dit leven
daal ik af,
in een graf
door de dood omgeven,
als het zaad dat in de akker
wordt gestrooid.
Maakt Gij ooit
uit die slaap mij wakker?
2
Dat ons lichaam tot de aarde
wederkeert
en verteert -
wie kan dat aanvaarden,
dat de tijd het zal ontbinden
in de schoot
van de dood
eens niet meer te vinden?
3
Heer, ik weet dat Gij uw leven
als een zaad
dat vergaat
voor ons hebt gegeven;
Gij zijt als de eerste bode
opgestaan
en voortaan
Eersteling der doden!
4
Uit het duister weggenomen,
tot het licht
opgericht,
aan de dag gekomen,
zo groeit Gij ons ver te boven,
allerhoogst
in de oogst
hemelhoog te loven!
5
Christus, roep de doden wakker,
doe hen staan
als het graan
wuivend op de akker,
dan zal naar uw welbehagen
jong en oud
duizendvoud
rijpe vruchten dragen.
6
Zo kan ik de moeder aarde
als de schoot
van de dood
in geloof aanvaarden.
Heer, Gij zelf zult mij omgeven
als een zaad
dat vergaat
tot het eeuwig leven.
---
*176
#5
1
Laat ons van pasen zingen,
een loflied voor de Heer!
Al zijn wij stervelingen,
ons raakt de dood niet meer;
wie zich gewonnen gaf
leeft voort in stil vertrouwen
voorbij een donker graf
het daglicht te aanschouwen.
2
Aanbidt van ganser harte
de Vader op de troon,
en blijft zijn zon verwachten,
de zomer van zijn Zoon;
wanneer Hij wederkomt,
de volken zal regeren
en elk rumoer verstomt
van zwaarden en geweren,
3
dan laat zich vrede vinden,
de vrucht door Hem gezaaid -
wij zullen halmen binden,
door engelen gemaaid.
Dat zal een oogstfeest zijn!
Voor eeuwig is het Pasen:
de wereld, nu woestijn,
wordt ‚‚n en al oase,
4
de grote zee een weide,
de oceaan vallei,
in het moeras groeit heide,
het leed voorgoed voorbij!
Geen haat, geen hongersnood,
geen oorlog zal daar wezen,
gezegend morgenrood,
de aarde zal genezen!
5
Laat ons van Pasen zingen,
een loflied voor de Heer!
Al zijn wij stervelingen,
wij erven des te meer.
wanneer God zelf ons haalt,
dan gaan wij uit het lijden
het licht in dat daar straalt -
zijn bloeiend jaargetijde!
---
*177
#3
1
Halleluja, overwonnen
is de duivel en de dood!
Meer dan honderdduizend zonnen
kleurt dit licht de hemel rood:
halleluja, halleluja,
overwonnen is de dood!
2
Laat de doden, laat ze slapen,
slapen in dit vroege uur
tot de aarde is herschapen
in een nieuwe creatuur -
halleluja, halleluja,
Christus wekt hen in dat uur!
3
Laten wij dan vrolijk zingen
want de dag breekt spoedig -
dat de graven openspringen,
als de dood is doodgegaan!
Halleluja, halleluja,
Christus, Hij is opgestaan!
---
*178
#5
1
Die uit de dood is opgestaan
is dwars door de woestijn gegaan,
de lange veertigdagentijd
die ons van Kana„n nog scheidt.
2
Hij heeft de farao onttroond -
het paaslicht heeft een lam gekroond;
de dood is in de rode zee
verdronken en telt niet meer mee.
3
Zijn liefde brandt als lopend vuur -
uw honger is van korte duur.
Hij is het brood, Hij is de vis,
wiens dood ons eeuwig leven is.
4
Steeds hoger is Hij heengegaan,
vlak voor zijn voeten: de Jordaan -
blij groeten hoog en wagenwijd
Gods poorten Hem die binnenrijdt.
5
0 gij die overwinnen wilt
de duivel die geen honger stilt,
betreedt het land dat Hij betrad -
vlak voor u ligt uw moederstad!
---
*179
#6
1
O Christus, hoog verheven,
kom, grote adelaar,
om onder ons te zweven -
wij zijn in groot gevaar!
2
Wij kunnen niet aanschouwen
het heerlijk hemels licht,
de vleugels niet ontvouwen -
wij doen de ogen dicht.
3
O Adelaar, wij vallen
te pletter op de grond,
kom, Christus, draag ons allen,
o Vogel, kom terstond!
4
Wij zouden U niet vragen
als Gij niet redden kon;
het licht hebt Gij verdragen,
de hitte van de zon.
5
O Arend, opgevaren
op vleugels van het kruis,
wil heel uw kerk bewaren,
breng uw gemeente thuis!
6
O Vogel, kom van boven
en draag ons, breed en wijd,
dan zullen wij U loven
nu en in eeuwigheid!
---
*180
#3
1
Ten hemel opgevaren
is Christus, aller hoofd!
Blijft niet wanhopig staren
naar wat geen heil belooft;
laat het woord, laat het woord nu horen,
zegt het voort, zegt het voort, herboren
is ieder die gelooft.
2
God laat u niet als wezen:
zijn vuur daalt op uw hoofd,
zijn woord, in u te lezen,
zijn vlam die niemand dooft.
Laat het woord, laat het woord nu horen,
zegt het voort, zegt het voort: herboren
is ieder die gelooft.
3
Gaat dan met open oren
zijn toekomst tegemoet,
Hij zal uw roepen horen -
houdt altijd goede moed!
Laat het woord, laat het woord nu horen,
zegt het voort, zegt het voort: herboren
is ieder die gelooft!
---
*181
#3
1
Als de wind die waait met vlagen,
zo verrassend waait de Geest,
soms een storm, met donderslagen,
soms een stem: Wees niet bevreesd!
Soms een vlam, een vonk van boven,
soms een haard die laait van vuur,
soms een lamp die uit kan doven,
soms een glans van korte duur.
2
Soms een wolk die gul wil geven
schaduw op geblakerd land,
soms een zon die, hoogverheven,
zindert op het mulle zand;
bron van lachend, levend water,
bedding, beek, rivier, fontein,
stroom van heil - maar even later
opgedroogd en weer woestijn.
3
Als een woord dat weg wil wijzen,
richting geeft en ruimte biedt,
als een brood, een vaste spijze,
s¢ms, soms ‚ven - soms ook niet.
Soms, soms lijkt geen wind te waaien,
alles tevergeefs geweest
totdat weer in lichterlaaie
vonkt en vlamt: het vuur, de Geest!
---
*182
#6
1
Als heimwee is de Geest zo sterk;
naar huis verlangend roept de kerk,
zij roept als bruid haar bruidegom:
Kom haastig, Here Jezus, kom!
2
De stemmen stormen op ons aan:
waarom toch is Hij heengegaan?
Waarom Zijn wij verweesd, verward?
Waarom dat heimwee in ons hart?
3
Waarom die wond, waarom die pijn,
wat kan de zin van ziekte zijn,
van liefde, als het bloed zo rood,
verloren in een vroege dood?
4
Zo zucht de Geest door alles heen,
hij laat ons, zuchtend, niet alleen;
de Geest is het die voor ons pleit
en met de schepping mede lijdt.
5
Als heimwee is de Geest zo sterk:
naar huis, naar huis verlangt de kerk,
naar Hem die ons een plaats bereidt -
geen mens die daar nog schade lijdt.
6
Daar vraagt de bruid niet meer waarom,
daar komt de bruiloftstijd weerom,
daar wordt het liJden weggekust
en al het heimwee komt tot rust.
---
*183
#4
1
De adem Gods beroert de aarde:
een wolk van vuur is uitgestort!
God die zijn liefde ons verklaarde
heeft met zijn geestkracht ons omgord.
Vult met lucht uw longen,
opgetogen tongen,
zingt met hart en mond:
halleluja, amen -
God noemt u bij name,
bruid van zijn verbond!
2
De pinkstervlam zal nimmer doven,
de duif daalt uit den hoge neer,
de Geest bewerkt in wie geloven
een ongekende ommekeer.
Vuur van God ontstoken,
tongen losgebroken,
zingt met hart en mond:
halleluja, amen -
God noemt u bij name,
bruid van zijn verbond!
3
Wij danken God voor zijn belofte
aan ons en aan ons nageslacht;
wij doen met vreugde de gelofte
van nu voortaan, bij dag en nacht,
oud en jong te leren:
zingt uw God ter ere,
zingt met hart en mond
halleluja, amen -
God noemt u bij name,
bruid van zijn verbond!
4
Gij uitverkorene, treed nader,
hoor heden op dit pinksterfeest
uw naam met die van God de Vader,
uw naam met die van Zoon en Geest.
AI uw schuld vergeven,
nieuwgeboren leven,
zing met hart en mond:
halleluja, amen -
God noemt u bij name,
bruid van zijn verbond!
---
*184
#9
1
In vuur en vlam zet ons de Geest
gegeven op het pinsterfeest,
ten leven op ons uitgestort -
hoort hoe Gods kerk geboren wordt!
2
Wie door dit vuur wordt aangeraakt
en uit het ongeloof ontwaakt,
beleeft - God lof! - een ommekeer,
de dag van de verrezen Heer.
3
Wie op het rijk van Christus hoopt
ontvangt de Geest en wordt gedoopt -
God heeft uw zonden weggedaan,
een nieuwe mens is opgestaan!
4
Al slaat men ons met zweep en stok,
geboeid, geketend in het blok,
wij weten: God houdt trouw de wacht -
wij zingen psalmen in de nacht!
5
En is uw vlam haast uitgeblust,
gij moedeloze, hier is rust!
Alwie in eerbied voor Hem knielt
wordt met zijn vuur opnieuw bezield.
6
Wie gaan gebukt door angst en pijn
of schuldeloos gevangen zijn,
om Christus en het recht bespot,
hun offer is bekend bij God.
7
Heeft iemand meer dan nodig is
die schenkt wat overbodig is,
want liefde maakt ons meer dan rijk,
ons wacht zijn land, zijn koninkrijk.
8
De aarde is ons toevertrouwd,
God strooit ons uit als zoutend zout,
als licht dat in het duister straalt
en metterdaad zijn woord vertaalt.
9
Zo waait de wind, zo blaast de Geest,
zo laait het vuur van pinksterfeest,
wij zijn het lichaam, Hij het hoofd -
uw naam, Heer Jezus, zij geloofd!
---
*185
#7
1
O Geest van God, die wind en vuur
en kracht van boven zijt,
kom dwars door onze hoge muur
en maak de poorten zijd!
2
Nu zien wij pas, met grote schrik:
die muur is niet van stro -
van stenen is hij, even dik
als die van Jericho.
3
Geen mens kan hier vrij in of uit,
de poorten zijn op slot -
o bitter hart dat buitensluit
het woord, het volk van God!
4
Wij willen wel een land van licht,
maar weigeren het kruis -
zo blijven onze deuren dicht
en is ons hart geen huis.
5
O wind, o vlam, o pinkstervuur,
gij vonk van hogerhand,
kom uit de hemel door de muur,
steek elke poort in brand -
6
en waai door onze weerstand heen,
breek stuk ons trots verzet,
blaas weg dat harde hart van steen,
gij vlammende trompet!
7
Dan zal de kerk oase zijn
waardoor in lange stoet
de pelgrims gaan, van groot tot klein
uw hofstad tegemoet!
---
*186
#6
1
Zing met ons mee uit alle macht,
zing met ons mee te middernacht;
al zien wij nog de morgen niet,
wij zingen toch dit vrolijk lied!
2
In vuur en vlam zet ons de Geest
gegeven op het pinksterfeest,
het licht dat, op ons uitgestort,
weerkaatst, vermenigvuldigd wordt.
3
Zijn wij bezorgd, bedroefd of bang,
dan zingen wij een nieuw gezang;
de vlam, ons door de Geest beloofd,
wordt door geen duisternis gedoofd.
4
Soms is ons lied een vuurkolom,
soms blaast een psalm de muren om -
dan is te horen, onverwacht,
hoe wie gelooft ten laatste lacht!
5
Hier straalt, nog voor de zon opgaat,
het licht dat nimmer ondergaat;
het is nog niet voorgoed te laat -
geloof en doe uzelf geen kwaad!
6
Zing met ons mee, uit alle macht,
zing met ons mee te middemacht,
zing met de hele kerk in koor,
en geef dit licht de wereld door!
---
*187
#3
1
Dat eens de Heer zal komen
in deze wereldtijd,
en langvervlogen dromen
vertaalt in werk'lijkheid;
de volkeren zal dopen
in vrede en in recht -
daar mogen wij op hopen,
Hij doet al wat Hij zegt.
2
Dat eens de Heer zal komen
met allen, groot en klein,
die door de dood ontnomen
allang gestorven zijn,
om ieder vrij te kopen
die dan nog wordt geknecht -
daar mogen wij op hopen,
Hij doet al wat Hij zegt.
3
Dat eens de Heer zal komen
en heel de schepping juicht,
de bloemen en de bomen,
de zon, de maan zich buigt,
de wolf het lam leert lopen,
de leeuw niet langer vecht -
daar mogen wij op hopen,
Hij doet al wat Hij zegt.
---
*188
#6
1
De aarde is vervuild,
veroordeeld tot de dood,
de schepping schreeuwt - zij huilt,
zij kreunt in barensnood!
2
De aarde is vervuild
tot in de verste hoek -
de zegen wordt geruild,
verkwanseld voor een vloek.
3
O aarde, hoe vervuild
door gifen gas en teer,
God, die zich nog verschuilt,
bewerkt een ommekeer:
4
de aarde wordt vervuld
door kinderen van licht
en onze oude schuld
bedekt voor zijn gezicht.
5
De aarde wordt vervuld
van groene overvloed -
Jeruzalem onthult
een wereld, gaaf en goed.
6
De aarde wordt vervuld:
Gods liefde uitgestort -
zie hoe uit zijn geduld
de hof herboren wordt.
---
*189
#3
1
De zomer komt, de nieuwe aarde,
niet langer heeft de dood vrij spel!
De hoge hemel openbaarde
de Heer komt zelf, Immanu‰l -
de schone stad waarvan de muren
aan alle kanten open zijn,
het land met boordevolle schuren
vol melk en honing, brood en wijn!
2
Al wachten bladerloos de bomen,
al dreigt ijskoud een harde hand,
wij blijven oude dromen dromen,
vlak voor ons: het beloofde land!
Voorlopig staat ‚‚n ster te stralen:
de Davidster van Isra‰l;
God zal de winter achterhalen
en winnen zal Immanu‰l!
3
Kom, stad van God, waarin geen muren
haatdragend tussen mensen staan!
Het kan, het zal niet lang meer duren,
dan is de bangste nacht gegaan;
dan zegt de zomer alle wonden,
de duivel en de dood vaarwel,
dan zijn vergeven alle zonden -
geprezen zij Immanu‰l!
---
*190
#3
1
Een koning hebben wij!
Zijn hoge heerschappij
gaat over alle mensen
zijn grootheid kent geen grenzen.
Hij triomfeert, Hij troont
daar waar zijn Vader woont;
daar in zijn hemelhof
is Hij met alle lof
in heerlijkheid gekroond.
2
Een koning hebben wij,
niemand is zoals Hij -
die volken openbaarde
Gods vrederijk op aarde.
Zijn zwakheid is zijn macht,
zijn kwetsbaarheid zijn kracht,
zijn kroon is niet van goud,
zijn troon een kruis van hout -
kom, Heer, de wereld wacht!
3
Een koning hebben wij!
Als Hij komt maakt Hij vrij
wie nu nog is gebonden,
geboeid door zorg en zonde.
En als Hij ons bevrijdt,
zijn vijanden ten spijt,
voorgoed met recht regeert,
leeft wie zich tot Hem keert
met Hem in eeuwigheid!
---
*191
#7
1
Geld maakt geen mens ooit rijk,
alleen het koninkrijk
dat God ons openbaarde:
een koning zonder kroon,
een kind, een mensenzoon,
Gods heil op deze aarde.
2
Abram hield zich niet doof;
hij ging in recht geloof.
God roept - wie houdt dan tegen?
Trek weg uit stad en land!
Een uitgestrekte hand
wijst ongekende wegen.
3
Mozes gaf een paleis
vol kostbaarheden prijs;
Gods woord heeft groter waarde.
Hij dwaalt in de woestijn,
een zwerver moet hij zijn,
een vreemdeling op aarde.
4
Ruth, ga naar Bethlehem!
Gehoorzaam stil die stem:
Trek weg uit het verleden!
De volken zijn in tel
bij God in Isra‰l -
alwie Hem kiest vindt vrede.
5
Elisa, draag het kleed,
de mantel van profeet,
roep oude dromen wakker!
Omdat de Heer het vroeg
verbrandt hij rund en ploeg,
laat achter huis en akker.
6
Gods Zoon komt in de nacht,
het lam betrekt de wacht;
o herders, laat uw schapen,
staat op en gaat met haast,
verwonderd, blij verbaasd -
uw herder zal niet slapen!
7
God roept een volk op weg,
dat komt uit heg en steg
en leeft van het gegeven:
het is een woning rijk,
een land, een koninkrijk:
God zelf, het eeuwig leven!
---
*192
#3
1
Gij volken, ziet en leest en hoort
wat God belooft te geven;
zijn beeld, zijn schrift, zijn levenswoord
heeft Hij al uitgeschreven.
De hemel daalt op aarde neer,
een tuinstad vol genade,
daar zien en horen wij de Heer
in woorden en in daden.
2
Leest wat van Hem geschreven staat,
hoort wat er zal gebeuren:
Hij scheidt het goede van het kwaad,
de rotsen zullen scheuren,
de zon is dan niet nodig meer,
de zee zal niet meer wezen,
dan plant Hij in de aarde weer
de boom die zal genezen.
3
Gij volken, ziet en leest en hoort,
hoe ook in 't nauw gedreven:
God heeft zichzelf, zijn erewoord,
letterlijk u gegeven -
o beeld, gemaakt van vlees en bloed,
o schrift, aan ons geschreven,
o woord, gesproken, eens voorgoed,
uw beeldspraak is ons leven!
---
*193
#5
1
Heer, Gij hebt dit lieve leven ons gegeven
als een park, een paradijs,
als een tuin om te betreden, hof van heden -
Here God, Kyrie eleis!
2
God, wat is er van gekomen? Onze dromen
zijn door eigen schuld vergaan.
Recht en vrede afgestorven, - hoe bedorven
is dit menselijk bestaan!
3
Kom ons harde hart bekeren, kom ons leren
wat de Geest al heeft voorspeld:
komen zal Gods rijk op aarde, niet door zwaarden,
niet door kracht noch door geweld.
4
Laat dat koninkrijk nu komen, doe ons dromen,
dromen van dat kleine kind
bukkend om een slang te strelen - zie ze spelen!
heel uw schepping eensgezind.
5
Dan wordt alles vol van vrede, uitgestreden
buigen wij de wapens om.
O, dan ploegen wij met zwaarden nieuwe aarde -
Heer, uw vrede zingt alom!
---
*194
#4
1
Heer, hoort Gij niet de wereld U om vrede vragen,
de honger en de dorst naar de gerechtigheid;
hoort Gij niet hoe wij smeken, schreeuwen, kermen, klagen:
Hoelang, o Heer, hoelang? Het is de hoogste tijd!
2
Ziet Gij niet allerwegen wapens opgeheven,
verwarring, grof geweld, bedreiging met de dood;
ziet Gij niet hoe wij vechten om te blijven leven,
de handen uitgestrekt, als bedelaars om brood?
3
Bespeurt Gij dan geen spanning onder alle volken,
de onrust overal, de strijd om het bestaan?
Heer, wanneer breekt uiteindelijk door onze wolken
het zonlicht van uw dag, de grote sabbat aan?
4
Reikhalzend strekken wij ons naar dat hemelhoge,
dat veelbelovend rijk - o, laat ons op uw tijd
met boordevolle handen en verrukte ogen
de vrede binnengaan: het land Gerechtigheid!
---
*195
#4
1
Heer, laat uw rijk nu komen,
roep uit een nieuw bestaan
dat eeuwenoude dromen
doet in vervulling gaan:
uw rijk van recht en vrede,
alles wat wij misdeden
voorbij, teniet gedaan.
2
Heer, laat uw rijk nu komen,
een eind aan veel verdriet
om wat ons werd ontnomen,
aan pijn die niemand ziet.
Wij smeken: Heb erbarmen,
Vader, strek uit uw armen,
vergeet uw schepping niet!
3
Heer, laat uw rijk nu komen,
de stad voor ons bereid,
de altijd groene bomen,
met vrucht in elke tijd -
geen nood, geen dood te vrezen,
zieken voorgoed genezen,
gevangenen bevrijd!
4
Heer, laat uw rijk nu komen,
o Christus, bruidegom,
waarom nog langer schromen,
nog aarzelen, waarom?
Laat nu het feest beginnen,
kom onze wereld binnen,
Kom, Here Jezus, kom!
---
*196
#3
1
Het einde alle tijden
zal zwaar van dagen zijn:
een bange nacht van lijden,
een zwangerschap van pijn,
een last, haast niet te dragen -
of zou die dan misschien
juist maken dat wij vragen
het kind te mogen zien?
2
Uit barensnood geboren
komt liefde aan het licht
die nieuwe hoop laat gloren,
de wereld - wreed ontwricht -
een gaaf gezicht zal geven,
een hartslag zonder haat,
een glimlach om het leven,
3
Die teistering der tijden,
de adem uit en in,
de wee‰n van het lijden
ontsluiten dit begin,
en is het kind geboren
dan zal de oude pijn
geleden en vergeven,
voorgoed vergeten zijn!
---
*197
#4
1
Ik zie in zoveel dingen
de vingers van Gods hand -
Hij zaait zijn zegeningen
de wereld is zijn land.
Al ligt het zaad verborgen,
ik weet wel dat het wacht,
wacht op de zon die morgen
verrijst in volle pracht.
2
De bloesems aan de bomen,
de vogels in de lucht,
die zingen: God zal komen,
de Geest geeft goede vrucht!
Het woord is uitgesproken,
het zaad valt wereldwijd -
uw lente is ontloken,
de grote zomertijd.
3
Al woekert nog het onkruid,
al wordt het zaad vertrapt,
God rukt het kwaad de grond uit,
het brandhout wordt gekapt;
de maaiers zullen scheiden
het koren van het kaf,
de Zaaier zal bevrijden
de garven uit hun graf.
4
Ik zie in zoveel dingen
de handen van de Heer,
ik zal, ik moet wel zingen
en zingend zie ik m‚‚r:
het zaad groeit zienderogen,
de halmen opgericht.
Lof zij God in den hoge -
de oogst is levenslicht!
---
*198
#7
1
Ik zoek een stad waarvan ik weet:
daar is voor mij een huis
van vrede, leven zonder leed,
een woning zonder kruis.
2
Ik zoek een stad, een vesting waar
ik veilig en beschermd
kan wonen en kan werken, daar
waar niemand klaagt en kermt.
3
Ik zoek een stad, een stad die blijft,
omgeven door een muur
die hoog en droog de dood verdrijft,
het water en het vuur.
4
Ik zoek een stad die mij behoudt
en altijd blijven zal,
een stad door mensen sterk gebouwd
en zichtbaar, overal.
5
Maar deze stad waarnaar ik zoek,
waarnaar ik zo verlang,
is niet te vinden, hoe ik zoek,
al zoek ik levenslang.
6
Heer, in de stad die komen zal,
uw stad, die als een bruid
bij U vandaan komt en mij al
waar ik naar zoek, ontsluit,
7
de stad die nu nog boven is,
de stad waarin het kruis
van Christus hoog te loven is -
in die stad kom ik thuis!
---
*199
#6
1
In Christus brengt God ons terecht,
Hij blijft zijn schepping trouw;
in Hem bestaat geen Heer, geen knecht,
geen man meer en geen vrouw.
2
In Christus is de muur geslecht
die haat en scheiding bracht,
Hij was als meester aller knecht,
zijn zwakheid was zijn kracht.
3
In Christus is geen bruin of blank,
geen heiden en geen jood,
Hij is de nieuwe mens, God dank,
de grens aan haat en dood!
4
In Christus is de minste meer,
wie schulden had, maakt winst,
de slaaf niet minder dan de heer,
de meeste krijgt het minst.
5
In Christus zal God met ons zijn,
Hij geeft vermoeiden rust,
een vader bij zijn kind in pijn,
een moeder die het kust.
6
In Christus wenkt een nieuw bestaan
een stad, versierd als bruid,
met poorten die wijd openstaan
daalt dan de hemel uit!
---
*200
#8
1
In de nacht is Hij gekomen,
in de stroom van ons bestaan,
om de oerzee te betomen,
om de zondvloed te weerstaan.
2
In een kribbe is verschenen
die een ster is in de nacht,
die verdriet heeft met wie wenen,
die verschijnt waar vreugde lacht.
3
In het veld is het begonnen,
omdat niemand ruimte gaf,
bij de herders die Hem vonden
bij de beesten, achteraf.
4
In een stal werd Hij geboren,
op een ezel moest Hij gaan,
als een zwijgend schaap, geschoren,
stemmeloos ter slachting gaan.
5
In de vloed is Hij verdronken,
in de pijn van onze schuld,
maar zijn bloed wordt ons geschonken
in de wijn van Gods geduld.
6
In de dood is Hij gekomen
tot volstrekte eenzaamheid;
het hout van onze bomen
schreeuwt de Mens die mede lijdt.
7
In de oogsttijd daar gehangen,
als het graan hoog opgetild:
schoof en brood dat ons verlangen
naar het leven eeuwig stilt.
8
In de nacht zal het gebeuren
dat de zee zijn woning is
en in geuren en in kleuren
land van melk en honing is!
---
*201
#4
1
In oost en west, in noord en zuid
roept God zijn jaargetijde uit,
de cirkel is doorbroken:
geen herfst keert weer,
geen winter meer,
uw lente is ontloken!
2
In alle talen klinkt een stem,
geboren in Jeruzalem:
uw koning is gekomen!
Geen zwaard, geen speer,
geen oorlog meer,
geen bange, boze dromen,
3
geen dagen, nachten wachten meer,
geen bajonet en geen geweer,
geen scherven van granaten,
geen bom, geen bloed,
geen laatste groet,
geen rouwstoet door de straten.
4
O hoor, een waarlijk nieuw geluid:
de zomer stroomt de hemel uit,
zo wordt de toekomst heden.
Dit is de gloed
die leven doet,
uiteindelijk: de vrede!
---
*202
#7
1
Jeruzalem, o stad van heil en vrede,
verhef uw poorten, maak uw straten wijd,
uw koning komt! Wanneer Hij binnenrijdt
is alle strijd voorbij, uw leed geleden.
2
Dan zult gij zien Hem die gij hebt doorstoken,
die ook voor u het kruis gedragen heeft
en is verrezen uit het graf - Hij leeft!
De hemel gloort, zijn dag is aangebroken!
3
Omringd door wolken is Hij opgevaren,
verhoogd als koning in zijn majesteit,
totdat Hij wederkomt te Zijner tijd
om u zijn koninkrijk te openbaren.
4
De volken die rondom als golven woeden,
zij zwijgen stil - wat Christus wil, geschiedt.
Jeruzalem, het water raakt u niet,
gij zijt geborgen, veilig in zijn hoede!
5
Dichtbij de muur waar nu uw zonen klagen
zal dan een plaats van louter vreugde zijn,
uw kinderen die spelen op het plein,
zullen hun koning op de handen dragen.
6
Jeruzalem - eenmaal daalt gij herboren,
een nieuwe stad de hoge hemel uit,
getooid, versierd voor God, zijn eigen bruid,
door Hem bemind, voor eeuwig uitverkoren!
7
Uw koning komt! 0 volken, stroomt nu samen
naar deze stad, die God u heeft bereid.
Jeruzalem, verheug u, wees verblijd,
zing voor uw koning: halleluja, amen!
---
*203
#7
1
Kana„n, o land van honing,
land van melk in overvloed,
waar de vrede heerst als koning
en de leeuw het lam begroet;
wie geen huis heeft vindt een woning,
wie geen brood heeft wordt gevoed.
2
Ach, hoelang zal het nog duren
dat uw poorten openga,
dat de hoge, brede muren
vallen en niet meer bestaan,
maar de schoven en de schuren
boordevol zijn van het graan?
3
Heer, wij trekken langzaam verder
door het zand van de woestijn;
was Gij niet de goede herder,
ach, wij stierven, groot en klein -
maar Gij draagt ons, almaar verder
tot wij in uw weide zijn.
4
Als wij dode goden eren,
zelfgemaakt van goud en geld,
en ons kost wat kost verweren
met het allerwreedst geweld,
laat uw Geest ons dan bekeren,
leren dat slechts liefde telt!
5
Zie ons aarzelen en schromen:
Hebben wij U goed verstaan,
is dat land van duizend dromen
niet een waardeloze waan?
Zouden wij, als wij daar komen,
zomaar mogen binnengaan?
6
Laat ons hoopvol verder trekken
in een lange, lange stoet,
levenslang de handen strekken
naar het Lam dat voor ons bloedt,
gaandeweg in Hem ontdekken:
God is onvoorstelbaar goed!
7
Kana„n, wij gaan uw Koning
vrolijk zingend tegemoet!
Onverdiend is de beloning,
ongehoord de overvloed:
elk een woning, melk en honing -
af wat bitter is, wordt zoet!
---
*204
#4
1
Laat ons de Heer aanbidden
met al wat in ons is,
want Hij zond in ons midden
de Geest die bij ons is!
Hij doet ons overstromen
van vreugde en van vuur;
nu is de tijd gekomen,
het allerlaatste uur.
Refrein:
Adoramus Te Domine,
Jesu Christe: Salvator,
Jesu Christe: Salvator.
2
Wie stom is gaat weer spreken,
wie blind is ziet weer licht,
wie bijna is bezweken
wordt krachtig opgericht,
wie doof is kan weer horen,
wie lam is wandelt weer,
wie vrijwel was verloren
bespeurt een ommekeer!
Refrein
3
Zo is de Geest gekomen,
zo waait Hij als de wind;
de ouderen gaan dromen,
weer dromen als een kind
en jongeren aanschouwen
een grandioos gezicht -
wij zien met groot vertrouwen
een koninkrijk van licht!
Refrein
4
Laat ons de Heer aanbidden
en zingt uit alle macht!
De Heer komt in ons midden,
het Lam, voor ons geslacht;
van Hem is de victorie,
voor Hem de heerlijkheid,
de eer, de lof, de glorie
van nu in eeuwigheid!
Refrein
---
*205
#2
1
Kom, laat ons opgaan naar de heuvel des Heren,
kom laat ons opgaan naar zijn heilige stad,
om er zijn wetten en zijn wegen te leren -
kom, want de vrede schijnt als licht op ons pad!
Refrein:
Eenmaal zal er geen leger meer marcheren,
ieder smeedt dan de wapens om,
volken zullen de oorlog niet meer leren,
vrede, vreugde alom!
2
Nieuw zal de hemel zijn en nieuw wordt de aarde,
daar is geen honger en geen dorst en geen pijn,
daar zijn geen wapens meer, geen speren, geen zwaarden,
dan zal Jeruzalem de vredestad zijn!
Refrein
---
*206
#4
1
O God, de aarde vergaat,
de zee vindt nergens een kust,
de volken golven: een zondvloed van haat -
de duif zoekt moedeloos rust.
Refrein:
Gezegend het rijk, dat komt in de naam van de Heer;
dan bouwt de duif van vrede een nest,
een nest, een nest in mijn boom. Sjaloom!
2
O God, de aarde vergaat,
wij mensen wensen geweld,
wij kiezen verkeerd, wij kiezen het kwaad,
verslaafd aan het goud en het geld.
Refrein
3
God dank, de aarde vergaat -
wie in de ark is, komt thuis!
De zonde zinkt en verdrinkt metterdaad,
dan bouwt de liefde haar huis.
Refrein
4
God dank, de aarde vergaat,
het kwaad komt nooit meer terug.
Eens wandelt Christus opnieuw over straat,
een vogel hoog op zijn rug.
Refrein
---
*207
#4
1
Om bloesem aan de bomen,
om overvloed aan vrucht,
om vissen in de stromen,
om vogesl in de lucht,
om volle korenaren,
om akkers wuivend graan,
om voedsel uit de aarde
roepen wij, Heer, U aan!
2
Om water op het droge,
om groei in de woestijn,
om doorzettingsvermogen
voor wie mistroostig zijn,
om werk voor werkelozen,
om toekomst, hier en nu,
om hulp voor hulpelozen
roepen wij, Heer, tot U!
3
Om goedheid die kan delen,
om brood dat breken kan,
om vrede voor zovelen,
om land voor alleman,
om gulheid die kan geven,
om eigen ommekeer,
om mededeelzaam leven
bidden wij U, o Heer!
4
Om hoop, geloof en liefde,
om vrijheid en om recht -
dat eindelijk geschiede
al wat Gij hebt voorzegd:
uw rijk, Heer, laat het komen,
uw wil alom gedaan,
dan zal aan alle bomen
de bloesem opengaan!
---
*208
#3
1
Sta op, beklim de muren
en maak trompetgeschal!
Het zal niet lang meer duren:
de vijand komt ten val!
Roep het uit: Kom nu uit uw woning,
dit geluid, dit beduidt: uw koning,
uw koning nadert al!
2
De poorten zijn gesloten,
en wie staat ons terzij?
Hoor, daar klinkt vastbesloten:
Houd moed, Ik maak u vrij!
Roep het uit: Kom nu uit uw woning,
dit geluid, dit beduidt: uw koning
komt nu snel naderbij!
3
Door man en macht omgeven,
als ratten in de val, -
wie zal dit overleven?
Maar hoor: bazuingeschal!
Roep het uit: Kom nu uit uw woning,
dit geluid, dit beduidt: uw koning,
die u bevrijden zal!
---
*209
#7
1
Zwart heet wit en goed heet slecht,
kromgebogen wordt het recht -
alwie zwijgt wordt zeer ge‰erd,
maar wie spreekt gearresteerd!
Refrein:
Wees niet bang, of boos - wees blij,
wie gelooft is waarlijk vrij!
2
Jozef in je smalle cel,
mijlenver van Isra‰l,
ook al is je woning klein,
onderkoning zul je zijn!
Refrein
3
Dani‰l - een diepe kuil,
woest gegrom, een grote muil,
leeuwen lopen om je heen,
maar God laat geen lam alleen!
Refrein
4
Ach, Johannes, groot profeet,
in je kemelsharen kleed,
weet: al word je straks onthoofd,
eeuwig leeft alwie gelooft!
Refrein
5
Petrus, sta maar op vannacht,
de soldaten slapen zacht;
niemand die jou boeit of bindt,
want de wacht is stekeblind!
Refrein
6
Paulus, zing een vrolijk lied,
de cipier begrijpt het niet:
dat de kerker openspringt
als de kerk God looft en zingt!
Refrein
7
Wit is wit als God het zegt,
al wat krom is trekt Hij recht,
leugens worden afgeleerd
als de waarheid triomfeert!
Refrein
---
*210
#5
1
Waarom zou ik nog leven,
de toekomst heeft geen zin -
misschien duurt het nog even,
maar dan stort alles in:
de wereld gaat ten onder,
verbrandt in laaiend vuur,
tenzij, tenzij een wonder
gebeurt, juist in dat uur.
2
Geen mens zal dan ontkomen,
geen kind, geen man, geen vrouw;
dan worden alle dromen
gedompeld in de rouw;
geen vogel zal meer fluiten,
geen boom ontvlucht de brand,
de doden liggen buiten
als vissen op het strand.
3
Maar dan zal het gebeuren:
de hemel straalt van licht,
de aarde stroomt vol kleuren,
een schitterend gezicht -
de Heer komt in ons midden,
Hij gaat door onze straat
en geeft wie Hem aanbidden
een blinkend wit gewaad!
4
Weest daarom heel uw leven
aandachtig - waakt en wacht,
totdat Hij heeft verdreven
die allerlaatste nacht;
dan draagt Hij in genade
als goud ons door het vuur
en loutert onze daden -
zijn schepping maakt Hij puur!
5
Dan gaat de hemel open:
het nieuw Jeruzalem -
o, daarin dan te lopen,
te wandelen met Hem!
Eens is het leed geleden,
het einde is begin -
dit leven hier en heden
heeft Goddank zeker zin!
---
*211
#7
1
Behoed, o Heer, uw zieke kerk,
zij is zo zwak, al schijnt zij sterk -
al zijn wij kind bij U aan huis,
zingend vertrappen wij uw kruis.
2
Rondom ons wordt uw woord verkracht,
het recht wordt krom, de dag wordt nacht,
het kwaad wordt alom goed genoemd,
laster en leugen hooggeroemd.
3
Uw kerk zwijgt stil, zij spreekt niet meer,
het onrecht doet geen pijn, geen zeer;
wij roepen: Eet en drink en lach,
wereld, wees vrolijk - pluk de dag!
4
En zo wordt Gij opnieuw gekruist,
zo ballen wij nu eigen vuist
en roepen: Kruisig, kruisig Hem!
Zwijgen moet voortaan deze stem!
5
Ga niet voorgoed uw kerk voorbij,
geleid haar, Heer, heb medelij!
Wij gaan als blinden, zonder zicht,
vallend en tastend naar het licht.
6
Erbarm U, Christus, meer en meer,
bewerk in ons een ommekeer,
dat wij niet langer het geweld
dienen als god met goud en geld.
7
Zend helend ons uw goede Geest,
zodat uw zieke kerk geneest:
verloren zonen die weer thuis
eerbiedig knielen bij uw kruis.
---
*212
#5
1
De hemel zoelt een woning -
hier vindt de Heer een huis:
een herberg voor een koning,
oase rond het kruis.
Hier stroomt de levensader
voor ieder, groot en klein,
zijn woord, het levend water,
hier schenkt Hij brood en wijn.
2
Wie zingt beeft niets te vrezen,
geen duivel en geen dood;
al zou ik niet genezen,
God draagt mij in zijn schoot.
De herder zal ons leiden,
werpt al uw zorg op Hem!
Hij zal u plaats bereiden -
ginds ligt. Jeruzalem!
3
De leeuwerik, de lijster,
de sperwer en de specht,
de mees, de mus - God wijst ze
een weg in haag en heg;
geen zwaluw hoeft te zaaien,
geen kievit ploegt het land,
geen merel hoeft te maaien -
wij eten uit Gods hand!
4
De donkerrode rozen,
de leli‰n des velds,
verblikken noch verblozen
als stilte storm voorspelt;
maakt u dan nu geen zorgen
alsof God u vergeet -
gaan wij vandaag ‚n morgen
niet koninklijk gekleed?
5
De bloemen op de velden,
de vogels hemelhoog,
de kleinste musjes melden:
God houdt u in het oog!
Wie leeft in dat vertrouwen
zal achter ieder kruis
het hemels licht aanschouwen -
Gods pelgrims komen thuis!
---
*213
#3
1
Dit huis, een herberg onderweg
voor wie verdwaald in heg en steg
geen rust, geen ruimte meer kon vinden,
een toevluchtsoord in de woestijn
voor wie met olie en met wijn
pijnlijke wonden liet verbinden,
dit huis, waarin men smarten deelt,
weet hoe Gods liefde harten heelt.
2
Dit huis, waarin een gastheer is
wiens zachte juk geen last meer is,
dit huis is tot ons heil gegeven:
een herberg voor wie moe en mat
terzijde van het smalle pad
struikelt en langer niet wil leven -
plaats tegen de neerslachtigheid,
een pleister van barmhartigheid.
3
Dit huis, met liefde opgebouwd,
dit gastenhuis voor jong en oud,
ligt langs de weg als een oase;
hier kan men putten: nieuwe kracht,
hier is beschutting voor de nacht,
hier is het elke zondag Pasen!
Gezegend alwie binnengaat
en hier zijn lasten liggen laat.
---
*214
#10
1
Er was een Lam, dat kwam en riep
de schapen, ‚‚n voor ‚‚n;
en ik, ik ging Hem na en liep
het snelst van iedereen.
Refrein:
Lof zij de Herder, dank zij het Lam,
Visser die ons gevangen nam!
2
Er was een Visser die mij ving,
die ging met mij in zee;
mijn naam staat in zijn zegelring,
zijn liefde draagt mij mee.
Refrein
3
Als ik Hem voor de voeten loop,
dan roept Hij mij terug
en legt, voordat ik verder loop,
een kruis mij op de rug.
Refrein
4
Mijn vuile voeten wast Hij af,
voor mij maakt Hij zich klein;
de Meester, die het voorbeeld gaf,
wil onze dienaar zijn.
Refrein
5
En als ik zeg: Ik ken Hem niet!
dan kraait er wel een haan,
dan keert de Herder zich en ziet
zijn schaap stilzwijgend aan.
Refrein
6
Dit Lam zet mij in vuur en vlam,
mijn tong, mijn taal viert feest,
want Hij die mij gevangen nam
verheugt mij door zijn Geest!
Refrein
7
Wie ook het spreken mij verbiedt,
mij, dienaar van het Woord,
hier sta ik, zwijgen kan ik niet -
wie oren heeft, die hoort!
Refrein
8
Het Lam, de Herder die mij vond,
de Visser die mij ving,
die zendt zijn kerk de wereld rond -
gij bruid des Heren, zing!
Refrein
9
God roept ons uit de duisternis
en leidt ons in het licht,
en bouwt ons tot het huis er is
dat Christus heeft gesticht.
Refrein
10
Heer Jezus, Hoeksteen, Lam en Vis,
wie in het oordeel Gods
door U gevoed, gevangen is,
staat vast, op U: de Rots!
Refrein
---
*215
#4
1
Gezegend zijt Gij, Heer der kerk,
Gij fundament dat hecht en sterk
de stroom der tijden kunt trotseren;
al gaan de eeuwen af en aan,
al schokt de aarde - Gij blijft staan,
uw woord zal weer en wind bezweren -
al is de kerk niet puur van goud,
zij is op U, de rots, gebouwd.
2
Vergeef ons, Heer, wij bouwen slecht:
het schip is scheef, het koor niet recht,
hoe kan de Geest uw zaad hier zaaien?
De toren wijst uw tijd niet aan,
met elke wind draait onze haan -
wij willen allen koning kraaien!
Dit huis bezwijkt zodra het stormt,
tenzij Gijzelf ons w‚‚r hervormt.
3
Gezegend zijt Gij, Heer der kerk,
uw ademtocht stelt paal en perk
aan wind die Gij niet hebt doen waaien.
Al blijkt ons werk van stro en hout,
wij hebben niet op zand gebouwd:
staat eens dit huis in lichter laaie,
ook in het vuur houdt, Heer, uw hand
de muren van uw kerk in stand.
4
Gezegend zijt Gij, Heer der kerk,
uw tempel is geen mensenwerk,
ons venster vangt het licht van Pasen.
Breng rondom uw verrijzenis
bijeen wat nu gescheiden is,
dan zal de wereld zich verbazen
wanneer zij op dit fundament
een toonbeeld van uw trouw herkent.
---
*216
#7
1
God lof! Wij zijn genodigd tot
het vieren van een feest,
bemoedigd door de groet van God,
geroepen door de Geest.
2
Wie oren heeft, die hore wat
God zijn gemeente zegt,
hoe Hij de Schrift ons als een schat
ontsluit en openlegt.
3
En wie dat Woord vernomen heeft
en ziet wat is geschied,
die zingt, zolang hij leven heeft
het allerhoogste lied
4
van de gezalfde Zoon van God,
die droeg der wereld schuld -
geen wet is er en geen gebod
dat Hij niet heeft vervuld!
5
Wie zou dan niet God loven waar
Hijzelf zijn volk ontmoet,
voortdurend bidden met elkaar
om licht dat leven doet?
6
Dan geven wij met gulle hand
een offer voor de Heer,
wie arm is, die be‰rft het land,
de minste, die krijgt meer!
7
God lof! Wij zijn genodigd tot
het eeuwig bruiloftsfeest -
gezegend is wie zo bij God
als kind is thuis geweest!
---
*217
#5
1
God zij geloofd! Hier zijn wij in zijn naam,
dit is zijn huis, Hem willen wij aanbidden.
De hemel stelt een tafel in ons midden,
de Vader wenkt, Hij roept ons hier tezaam.
2
Hier is de Schrift geopend neergelegd,
hier is het boek dat vol is van Gods daden,
hier klinkt zijn stem, zijn oordeel, zijn genade,
hier zingt een lied de lof Hem toegezegd.
3
Hier is het water, hier stroomt de Jordaan:
uw schuld is weg, uw zonden zijn vergeven!
Gij zijt gedoopt, door hoger licht omgeven,
om onbevlekt de vreugde in te gaan!
4
Hier zal voldoende brood voorhanden zijn,
hier wordt de wijn in stromen ons geschonken.
Vier hier de bruiloft, word van vreugde dronken!
De gastheer schenkt de allerbeste wijn.
5
God zij geloofd! Hem is dit huis gewijd,
de plaats waar Hij zijn vaderhart wil tonen,
totdat de bruidegom bij ons komt wonen -
dan is de kerk zijn bruid in eeuwigheid!
---
*218
#4
1
Heer, wij zijn bijeengekomen,
mensen, overal vandaan;
hadt Gij ons niet meegenomen,
niemand was hierheen gegaan,
want wij schromen hier te komen,
volop in het licht te staan.
2
Komend uit een nacht van zonden
staan wij voor U, groot en klein,
en belijden onomwonden:
schuldig zijn wij en onrein.
Ach, wij vonden zoveel zonden
dat zij niet te tellen zijn.
3
Bron van liefde, zeer verheven,
helder stralend als de zon,
bleef uw warmte weg, maar even,
niemand die hier wezen kon -
hoogverheven licht ten leven
dat het duister overwon!
4
Laat uw liefde ons bestralen,
laat het licht zijn om ons heen;
Gij vergeeft wel duizend malen
onze zonden, ‚‚n voor ‚‚n.
Als wij falen, weer verdwalen
schijnt uw licht, uw licht alleen!
---
*219
#4
1
Herder, allerwegen,
dwars door wind en regen,
in het diepste dal,
roept Gij met U mede
schapen tot de vrede
van de ene stal;
laat uw kudde frank en vrij
vrolijk trekken, almaar verder
achter U, o herder!
2
Als wij telkenmale
toch nog weer verdwalen,
door de schijn bekoord,
zoek ons als uw schapen,
maak ons, als wij slapen,
wakker door uw woord.
Herder, kom, zie naar ons om -
wij zijn meer dan ooit tevoren
hulpeloos verloren!
3
Bang voor boze machten,
dwalend door de nachten,
voor de leeuw ten prooi,
roepen wij en klagen:
herder, wil ons dragen,
breng ons weer te kooi!
Waren wij ooit zo verstrooid?
Laat uw stem de ganse kudde
krachtig wakker schudden!
4
Christus, goede herder,
leid uw kudde verder
door de diepte heen;
roep uw schapen samen
bij hun nieuwe namen,
herder, maak ons ‚‚n!
Sta de wolf niet langer toe
schapen van elkaar te scheiden -
herder, blijf ons leiden!
---
*220
#6
1
Wij loven God, ons leven lang!
Hij gaat zijn koninklijke gang,
Hij laat niets varen van zijn werk -
zijn rechterhand is trouw en sterk!
2
Genadevol weerklinkt zijn groet,
vrede daalt neer in overvloed.
Hier in ons midden staat de troon
van God de Vader en zijn Zoon.
3
Want daar waar twee of drie tezaam
gekomen zijn in Christus' naam,
daar wil Hij in hun midden zijn
met Woord en Geest, met brood en wijn.
4
Daar klinkt de taal van Kana„n
die niemand ooit begrijpen kan,
tenzij die ons wordt uitgelegd
zoals de Geest het heeft gezegd.
5
Gods gezicht ziet op ons neer,
genade, vrede van de Heer,
van Hem die immer is geweest,
van God de Vader, Zoon en Geest.
6
Wij zingen Hem ons leven lang
met heel zijn kerk een nieuw gezang -
Hem zij de eer, de heerlijkheid,
Hem zij de lof in eeuwigheid!
---
*221
#4
1
Kom uit de hemel tot ons neer,
vervul ons met uw Geest, o Heer,
Gij, die uw kinderen bevrijdt
om U te dienen, wereldwijd.
2
Bewaar hen, die hier voor U staan,
dat zij hun weg met vreugde gaan;
geef aan uw engelen bevel
hun trouw te zijn als metgezel.
3
Dat zij uw volk, de honger moe,
op handen dragen, naar U toe,
om na verzoeking en woestijn
met overvloed gevoed te zijn.
4
Kom Heiland, die ons hart geneest;
kom Vader, Zoon en Heilge Geest
en maak ons vrolijk in dit uur,
o bron, o brood, o vreugdevuur!
---
*222
#4
1
O Vader, bron van eeuwig licht,
verhef uw stralend aangezicht;
zie hier een mens, een mens als wij -
hosanna, onze hulp zijt Gij!
2
O Zoon, die zelf een dienaar was,
uw schapen opzocht en genas,
met olie en met wijn verbond -
hoed zelfde herder die Gij zond!
3
O Geest, die als een windvlaag kwam,
adem van boven, vuur en vlam,
laat door ons onvolkomen woord
uw eigen stem worden gehoord!
4
O Vader, Zoon en Heilge Geest,
U looft uw kerk die is geweest
en wezen zal in elke tijd
van eeuwigheid tot eeuwigheid!
---
*223
#3
1
De tijding aller tijden:
de Heer is zeer nabij!
Tot wie zijn naam belijden
zegt Hij: Komt achter Mij!
Wilt Gij achter Hem gaan?
Verloochen dan uw leven,
neem op uw kruis - nog even,
dan breekt het paasfeest aan!
2
Want alwie wil bewaren
zijn leven en zijn lot,
op eigen kracht wil varen,
zijn koers niet richt op God,
die raakt zijn leven kwijt -
slechts wie het wil verliezen
door voor het kruis te kiezen,
die vindt het voor altijd.
3
Wat zou het mij toch baten
als ik de wereld won,
maar moest het leven laten
wanneer zijn rijk begon?
Volgt daarom Christus na,
dan zult gij Hem omringen,
met alle eng'len zingen
zijn lof- halleluja!
---
*224
#6
1
Wij komen voor uw aangezicht,
o God van leven, God van licht,
nu wij door U geroepen zijn
door water heen, tot brood en wijn.
2
Wij geven U ons woord van trouw
dat niemand onzer houden zou,
als niet de Geest in vuur en vlam
dat jawoord van ons overnam.
3
Daarom zij U de hoogste eer!
O, zingt hosanna voor de Heer,
gij mensen, komt van alle kant,
een groene palmtak in de hand!
4
En al roept ieder: Kruisigt Hem!
geef geen gehoor aan deze stem,
maar draag uw kruis Hem achterna
de lijdensweg naar Golgotha.
5
Het lam dat draagt der wereld schuld,
Hij gaat ons voor in zijn geduld
dwars door het allerdiepste dal,
totdat het Pasen wezen zal.
6
Wij komen voor uw aangezicht,
Gij hebt de tafel aangericht,
voor alle volken heil bereid -
U zij de lof in eeuwigheid!
---
*225
#3
1
Dit kind, zopas geboren:
waarom, waarvoor, waartoe?
Wat zal het zien en horen -
geen mens weet wat en hoe.
Draag het, Heer, elke keer weer verder,
valt het neer, breng het weer, o herder,
Gij weet wel waar naar toe.
2
Een kind, een mensenleven:
waarom, waarvoor, waartoe?
Soms lang, soms kort, soms even,
soms uitgeput en moe.
Draag het, Heer, elke keer weer verder,
valt het neer, breng het weer, o herder,
Gij weet wel waarnaar toe.
3
Dit kind, zopas geboren:
waarom, waarvoor, waartoe?
Al raakt dit lam verloren,
zie: het behoort U toe!
Als het klaagt, naar U vraagt, o herder,
o dan draagt Gij het zelf graag verder,
en Gij weet waarnaar toe!
---
*226
#4
1
Doop ons, Heer, in levend water,
open oog en oor en mond;
wie zich baadt in uw genade
hoort en ziet en zingt terstond.
2
In het duister van de tijden
tasten mensen langs het licht.
Here God, heb medelijden -
haat slaat alle deuren dicht.
3
Ziende zijn wij blind geboren,
Sprekend stom en horend doof,
opgesloten en verloren
in ons donker ongeloof.
4
Uit uw Geest opnieuw geboren
zien wij ver in het verschiet,
horen wij met eigen oren
hoe wij zingen: een nieuw lied!
---
*227
#3
1
Geloof, mijn kind: God zoekt en vindt
schapen, verdwaald en verloren.
Hij drenkt en draagt wie naar Hem vraagt,
elk lam dat bij Hem wil horen.
Alwie gedoopt op Christus hoopt
die heeft voortaan een rijk bestaan -
in Hem ben jij nieuwgeboren!
2
Al dwaal je af, met stok en staf
volgt deze herder wie dwalen.
Ben je gewond, Hij maakt gezond
schapen met allerlei kwalen.
Hij zoekt en hoedt en vindt en voedt
en brengt terug hoog op zijn rug
wie zelf de kooi niet meer halen.
3
Geloof, mijn kind: als Hij je vindt
neemt Hij jou op in zijn armen!
Achter het dal staat hoog de stal -
zijn liefde zal je verwarmen.
Hij is zo groot dat zelfs de dood,
die wolf verdwijnt als Hij verschijnt -
de herder zal je omarmen!
---
*228
#5
1
Geloofd zij God, Hij brengt ons hier;
de doop - dat is de doodsrivier
waardoor wij droogvoets verder gaan,
Gods adem maakt voor ons ruim baan!
2
Al is het water nog zo diep,
de wind die God tevoorschijn riep
maakt woedend water tot een muur,
een wolk geleidt ons in dit uur.
3
Dat water, teken van de dood,
om Christus' wil als bloed zo rood,
wast alle zonden van ons af -
de laatste vijand vindt zijn graf.
4
Komt mannen, vrouwen, groot en klein,
hier is een weg door de woestijn,
een weg dwars door de rode zee;
God zelf is bij ons, Hij gaat mee!
5
Geloofd zij God, met eigen hand
leidt Hij ons naar de overkant,
tot in het land van overvloed
en wij - wij zingen: God is goed!
---
*229
#3
1
Heer, ons kind, zolang het leeft
zal het van uw liefde horen!
Al het kwaad dat aan ons kleeft
wast Gij af - wij zijn herboren
om, het hoofd hoog opgeheven,
hoopvol naar U toe te leven.
2
Christus, spreek ons kindje aan,
spreek zoals geen mens kan spreken
Welke weg jij ooit zult gaan,
jou zal waarlijk niets ontbreken;
hoor, Ik noem je mijn beminde -
wie Mij zoekt, die zal Mij vinden!
3
Heiland, goede herder, Gij,
hebt ons kind al lang gevonden;
Gij zocht ons, Gij zocht eer wij
naar uw liefde zoeken konden -
daarom, Heer, gaan wij het baden
in het bad van uw genade!
---
*230
#4
1
Hier is ons kind, uw kind, o Heer:
een bloesemknop, zo klein, zo teer -
soms zijn wij bang dat het niet groeit,
soms zijn wij bang dat Gij het snoeit
nog voor de bloesem openbloeit.
2
Wanneer de wind erover gaat,
wanneer de regen striemt en slaat,
bewaar het dan, onooglijk klein
en laat uw handen tegen pijn
beschermend als een schutse zijn.
3
Wanneer het groeit, U tegemoet,
gekoesterd in uw zonnegloed,
dan zult Gij, als de oogsttijd daagt
en Gij zelf naar uw wijngaard vraagt,.
aanschouwen hoe het vruchten draagt!
4
Hier is ons kind, Gij krijgt het weer,
een bloesemknop, zo klein, zo teer -
ach, of het veelbelovend groeit
of v¢¢r de tijd is uitgebloeid,
het is en blijft van U, o Heer!
---
*231
#6
1
Kind, geloof me: God is goed,
maar niet zoals jij vermoedt,
dood en leven geeft Hij zin
en ons eind is zijn begin.
2
Zelfs al in de moederschoot
dreigt de engel van de dood.
Weet je waar je schuilen moet?
Bij het lam dat voor ons bloedt!
3
Had jij ooit nog wel gezond
kunnen dansen in het rond,
als dit bloed niet was geweest
medicijn dat ons geneest?
4
Louter leven, diepe doop,
ziehier: water - er is hoop!
God gaat door de diepte mee;
droogvoets gaan wij door de zee!
5
Kind, zul jij in de woestijn
niet te zeer opstandig zijn?
Wandel met de Heer en wacht
tot Hij ons heeft thuisgebracht.
6
Eenmaal bij de doodsjordaan
maakt Hijzelf voor ons ruim baan;
achter water, zee en zand
ligt jouw veilig vaderland!
---
*232
#4
1
Kind van God gegeven,
kind bij God vandaan,
in zijn hand geschreven
staat jouw nieuwe naam.
2
Kind van God ontvangen,
lachend, kind zo klein,
huilend van verlangen
bij ons thuis te zijn.
3
Kind door God geroepen,
kind, jij hoort erbij:
Ik heb jou geroepen,
kind, jij bent van Mij!
4
Kind van God gegeven,
kind bij God vandaan,
in zijn hand geschreven
staat jouw nieuwe naam.
---
*233
#4
1
O God, op wie geslachten bouwden,
dit kind, dat Gij ons toevertrouwde,
wij geven het aan U terug.
Moeten wij langs ravijnen verder
neem het dan over, goede herder,
hoog bovenop uw sterke rug!
2
In de woestijn blijft niemand leven -
wie zal ons kind te drinken geven
de liefde waar het naar verlangt?
Wil als een moeder het behoeden,
met brood en melk en honing voeden
als de vermoeidheid het bevangt.
3
God onze Vader, stille wachter,
liet Gij een kind ooit eenzaam achter?
Wijs het uw sporen in het zand.
En als de slangen het besluipen
geef het dan tijd om weg te kruipen
binnen de holte van uw hand.
4
Zegen het kind aan ons geschonken;
is het gedoopt, het heeft gedronken
het water dat aan U ontspringt -
draag het door dorre jaargetijden
door wind en winter naar de weide
waar zonder eind de zomer zingt!
---
*234
#4
1
Ondergedompeld in de doop
zijn wij uit duizend vrezen
herboren en herezen,
gedragen op de heilsrivier
die stromend door de tijd
uitmondt in eeuwigheid.
2
Wie in dit water ondergaat
zal nimmermeer verdrinken,
hoe diep hij moge zinken.
Al is dit aardse leven kort,
al dreigt dichtbij de dood -
God draagt u in zijn schoot!
3
Die onze dood is doorgegaan
vraagt u om overgave:
wij zijn in Hem begraven,
maar in Hem ook weer opgestaan
om voor zijn aangezicht
te leven in het licht.
4
Rivier van Gods lankmoedigheid,
o bedding van genade,
wie zal uw stroom doorwaden?
Gij draagt ons op uw golven hoog,
o water - warm en wijd
van Gods barmhartigheid!
---
*235
#5
1
Water, water van de doop,
taal en teken van de hoop:
zie, wij komen bij u staan,
wijs ons Gods beloften aan!
2
Water, water van de vloed
die de ark wel dragen moet,
hoog staat daar de regenboog:
God maakt heel de aarde droog!
3
Water, water van de Nijl,
draag het scheepje van het heil -
biezen mandje in het riet:
God vergeet de zijnen niet!
4
Water, water der Jordaan,
alle schuld is weggedaan,
onze zonden draagt de Heer,
zie: de duif daalt op Hem neer!
5
Water, water van de doop,
uit uw bron ontspringt de hoop -
God bevrijdt en Hij geneest -
lof zij Vader, Zoon en Geest!
---
*236
#5
1
Welkom, welkom in ons midden,
welkom, nieuwgeboren kind,
hier mag jij met ons aanbidden
God die mensen zoekt en vindt.
2
Welkom, welkom in ons midden,
welkom, nieuwgeboren kind,
hier mag jij het licht aanbidden
dat de duisternis verblindt.
3
Welkom, welkom in ons midden,
welkom, nieuwgeboren kind,
hier mag jij de zon aanbidden
die de wereld overwint.
4
Welkom, welkom in ons midden,
welkom, nieuwgeboren kind,
hier mag jij de Naam aanbidden
die met jouw naam zich verbindt.
5
Welkom, welkom in ons midden,
welkom, nieuwgeboren kind,
hier mag jij de Heer aanbidden
die voltooit wat jij begint.
---
*237
#5
1
Wij komen bij het water saam,
Gij roept ons, Gij noemt onze naam
en legt uw handen op ons hoofd -
uw naam, o God, zij hooggeloofd!
2
Hier is het kind dat Gij ons gaf,
het nadert nu het watergraf
waarin het hulpeloos verdrinkt,
tenzij Gij reddend het omringt.
3
Geef aan dit kind dat U behoort
uw naam, uw veelbelovend woord,
en zeg: Vrees niet, Ik ben erbij,
wees maar niet bang, jij bent van Mij!
4
Heer, neem dit kind uit onze hand,
draag het naar het beloofde land,
draag het, o herder, in uw schoot,
dwars door het water van de dood!
5
Uw naam zij glorie toegebracht,
die naam draagt nu een nieuw geslacht -
Heer, Gij zijt goed voor ons geweest,
lof zij U, Vader, Zoon en Geest!
---
*238
#4
1
Wij komen uit het water -
vlak voor ons: vlammend vuur!
Zo gaan wij, vroeg of later,
ons allerlaatste uur
bevende tegemoet:
de grote dag des Heren.
wie onzer zal die gloed,
Gods woede kunnen keren?
2
Wij komen uit het water,
doodsbang voor zoveel vuur -
o lees het zelf, het staat er:
eens valt de hoogste muur;
‚‚n grote wereldbrand,
een vloed, niet in te dammen,
een zee bedekt elk land,
een oceaan van vlammen.
3
Hoe zal dat zijn als later
ontvlamt dat helse vuur?
Geen goddeloze gaat er
omheen - geen rust, geen duur,
geen vrede kennen zij
die niets dan kwaad verzinnen;
geen leven hebben wij
als deze vlam zal winnen!
4
Wij komen uit het water -
gij staat dus in dat uur
druipnat voor God - dit water
blust dan het felste vuur!
Wie in de Heer gedoopt
zijn hart Hem heeft gegeven
vat nimmer vlam, maar loopt
dwars door dit vuur ten leven!
---
*239
#4
1
Hier zijn wij, Heer, bij brood en wijn,
Gij roept, Gij zult de gastheer zijn
voor lammen, doven, blinden;
Gij nodigt: Komt en drinkt en eet,
komt, alle dingen zijn gereed -
wie God zoekt zal Hem vinden!
2
Om ons gebroken in de dood -
uw lichaam brak gelijk een brood,
om ons en onze zonden;
de wijn die hier gedronken wordt
is als het bloed door U gestort,
o lam, dat wij verwondden!
3
Wij heffen, Heer, ons hart omhoog,
o hoofd, dat bloedend voor ons boog,
ons leed hebt Gij gedragen.
In U is God ons zeer nabij,
Gij schenkt oneindig meer dan wij
U zouden durven vragen.
4
Hier zijn wij, Heer, bij brood en wijn,
Gij roept ons, hoe verdwaald wij zijn,
Gij noemt ons uw beminden;
Gij brengt uw schapen weer naar huis,
Gij schenkt uzelf - hier zijn wij thuis;
wie God zoekt zal Hem vinden!
---
*240
#2
1
Gaat heen in vrede,
handen vol zegen,
hartverwarmend door iedereen!
Wie zich wil geven,
die vindt het leven -
niemand leeft voor zichzelf alleen.
Weest allerwegen
elkaar ten zegen,
te allen tijde
vol medelijden,
elkander toegewijd in lief en leed -
tot alle dromen
zijn uitgekomen:
de bruiloftsgasten
niet langer vasten,
maar met Gods vrolijkheid zijn overkleed.
2
Zingt opgetogen,
God in den hoge,
wijn en spijzen heeft Hij bereid.
Hij zal u leiden,
staat u terzijde
ook als eenmaal de dood u scheidt.
Loopt alles tegen,
niets rooft zijn zegen,
kunt gij niet verder,
Hij is uw herder -
prijst Hem hartstochtelijk en weest verblijd!
Klapt in uw handen,
laat lampen branden,
dansen de voeten:
eens zal begroeten
de bruid haar bruidegom - in eeuwigheid!
---
*241
#2
1
Het is uw goedheid, heer der heren,
dat wij tot hier gekomen zijn;
uw daglicht zal de koude keren,
liefde verwarmt als zonneschijn!
Grenzeloos groot is uw genade,
onpeilbaar uw barmhartigheid;
God zij geloofd om al zijn daden -
vol is ons hart van vrolijkheid!
2
Nieuw is zijn goedheid, elke morgen,
nieuw is zijn goedheid, elke dag;
zeg dan vaarwel uw laatste zorgen,
zegen, mijn ziel, uw God - en lach!
Zijn liefde leidt u door het leven
en maakt gelukkig man en vrouw;
Hij heeft zijn jawoord u gegeven -
groot is, o God, uw goede trouw!
---
*242
#3
1
Klinke in alle wereldtalen:
een vaste burcht is onze God!
Hoe vaak, hoe ver wij van Hem dwalen,
geen wet zo goed als zijn gebod.
Niets kan ons blijvend staande houden,
geen goden, groot van goud en geld -
slechts wie hun huis op liefde bouwden
weerstaan orkanen van geweld.
2
Wankelen onze luchtkastelen,
blijkt zelfs de liefste ons ontrouw,
probeert de pijn geluk te stelen,
dompelt de dood ons in de rouw,
blijkt ooit ons fundament te falen
en heel ons levenshuis verrot,
dan zal de Geest met kracht herhalen:
een vaste burcht is onze God!
3
Laat Hem dan dragen heel uw leven,
de rots die oprijst uit het zand;
zijn jawoord heeft Hij u gegeven,
Hij reikt u toe: zijn rechterhand.
Roept dan in dorpen en in steden,
van alle daken overluid:
de Heer is hier en Hij vraagt heden
de hele wereld als zijn bruid!
---
*243
#2
1
Lof zij de Heer, Hij noemt bij name
deze twee mensen, man en vrouw:
heden brengt Hij hun handen samen,
hier geven zij hun woord van trouw.
Wijs hen de weg,
Heer, Jezus leg
uw handen op hun hoofd:
de trouw die Gij belooft.
2
Hoe blijven zij elkaars beminden,
hoe blijft er liefde die niet eist,
hoe blijft geluk altijd te vinden
als Gij niet zelf de weg ons wijst?
Ga met hen mee
in wel en wee,
omring hen, man en vrouw,
met liefdevolle trouw!
---
*244
#4
1
Vader, U loven wij, Gij hebt ons lot in uw handen,
laat dan uw Geest als een laaiend vuur in ons branden -
stralende zon,
van onze liefde de bron,
de toekomst ligt in uw handen!
de toe-komst ligt in uw han-den!
2
Kome wat komt, in uw licht zijn wij veilig geborgen,
uw zegen draagt ons door dagen van ziekte en zorgen,
Gij houdt de wacht,
en ook al dreigt soms de nacht,
reeds glanst het licht van de morgen.
3
Heer, houd ons vast als wij toch uw geboden vergeten
en van vergeving en vrede niet meer willen weten;
kom dan met vuur -
uw liefde, louter en puur,
kent lengte, hoogte noch breedte.
4
Vader, U loven wij - draag ons door schade en schande,
dooft onze lamp, laat uw waakvlam dan nog blijven branden;
Christus, ons licht,
op wie ons hart is gericht,
ons leven ligt in uw handen
---
*245
#5
1
na de onderwijzing:
Welkom, bruidegom en bruid,
spreek voor God uw ja-woord uit,
geeft elkaar de rechterhand -
liefde houdt uw trouw in stand.
2
na het ja-woord:
Geeft elkaar in deze kring
hand en hart, uw naam, uw ring;
draagt die tot de dood u scheidt,
toonbeeld van verbondenheid.
3
na de ringwisseling:
Maakt u klein voor God de Heer,
knielt hier naast elkander neer.
Hij die u zijn hart belooft
legt zijn handen op uw hoofd.
4
na de inzegening:
Lof zij Vader, Zoon en Geest,
looft Hem op dit bruiloftsfeest.
Hij verbindt u, man en vrouw,
in uw liefde glanst zijn trouw.
5
na het gebed des Heren:
Gods gemeente, Christus' bruid,
roep vandaag uw vreugde uit,
loof de Heer met hart en mond:
God blijft trouw aan zijn verbond
---
*246
#5
1
Ontwaak, de zon is opgestaan,
zij doet het donker dicht
en laat geen maan, geen ster meer staan,
zij dooft elk ander licht.
2
Het duister kan de dag niet aan -
nu zij verslagen ligt
verliest van lieverlee de maan
volledig haar gezicht.
3
Die zon is Christus, onze Heer,
die stralend ons verschijnt
tot allerwegen meer en meer
het valse licht verdwijnt.
4
Hoe hoog klimt de gerechtigheid
die elke schijn onthult
en echt van onecht onderscheidt,
met recht de aarde vult!
5
Ontwaak, de Zoon is opgestaan,
nu wint Gods aangezicht
tot heel de hemel vol zal staan
van onweerstaanbaar licht.
---
*247
#7
1
Zingt halleluja -
God doet grote dingen!
Laat wie Hem liefheeft nu een loflied zingen;
offert Hem dank voor zoveel zegeningen.
Zingt halleluja!
2
Is aller leven
niet door Hem gegeven,
die deze nacht over zijn kind'ren waakte
en ons vanmorgen vrolijk wakker maakte?
Zingt halleluja!
3
Dat onze ogen
licht aanschouwen mogen;
dat handen, voeten, vingers weer bewegen,
dat hebben wij te danken aan zijn zegen.
Zingt halleluja!
4
Heer die ons hoedde,
bron van al het goede,
houd nu ook verder over heel ons leven,
bij dag en nacht, uw herdersstaf geheven.
Zingt halleluja!
5
Geef dat wij heden
vrolijk voorwaarts treden
en veilig reizen onder uw geleide,
in uw genade trouw te allen tijde.
Zingt halleluja!
6
Geef open oren
om uw woord te horen,
richt onze wil geheel op uw gedachten
en als wij zwak zijn, schenk ons nieuwe krachten
Zingt halleluja!
7
Heer, kom van boven,
laat uw volk U loven
waar alle engelen U eer bewijzen
en roepen eeuwig, eeuwig U te prijzen:
zingt halleluja!
---
*248
#4
1
Zoals een bruid haar bruidegom begroet,
zo vrolijk prijzen wij de dag van heden!
Uw liefde, Heer, uw liefde is zo zoet,
Gij kust de wonden weg uit ons verleden,
Gij luistert naar het ruisen van ons bloed,
Gij fluistert in ons oor een woord van vrede.
2
Kom, waai door ons, gij zachte zuidenwind,
adem van God, die alles zal verzoenen,
zaai diep in ons de blijdschap als een kind,
dat lacht en danst, getooid met pinksterbloemen;
wij zijn de bruid die zo haar man bemint,
dat zij alleen naar hem haar kind wil noemen.
3
Niets is er dat ons van elkander scheidt,
in vlees en bloed zijt Gij met ons verbonden:
die met ons mee lacht, met ons mede lijdt,
uw lippen hebben onze mond gevonden
en als Gij met uw Geest gekomen zijt
stroomt Gij in ons en zijn wij zonder zonden.
4
Zoals een bruid haar bruidegom begroet,
zo blij van hart en innig opgetogen,
zo gaan wij U lofzingend tegemoet.
Kom haastig, Heer, kom haastig uit den hoge;
alles aan U is onweerstaanbaar goed -
wij zien de hemel open in uw ogen.
---
*249
#4
1
Blijf bij ons, Heer, wanneer de nacht zal komen -
nu wordt het stil en donker om ons heen.
Blijf bij ons, als ons alles wordt ontnomen,
Heer, laat uw kerk, uw schepping, niet alleen.
2
Blijf ons nabij, al gaan wij eigen wegen;
blijf in uw goedheid naar ons toegewend
met uw genade, met uw troost en zegen,
blijf bij ons, Heer, in woord en sacrament.
3
Blijf ons nabij, als ons zal overkomen
de bange nacht vol twijfel, angst en nood,
blijf, als beproeving strijdt met onze dromen,
blijf, ook al dreigt de strenge, bitt're dood.
4
Blijf bij ons, Heer, hoever van huis wij zwerven,
blijf, wat dan ook ons van elkander scheidt,
blijf bij ons, Heer, in leven en in sterven,
blijf bij ons, Heer, in tijd en eeuwigheid.
---
*250
#5
1
De avond valt - nu is een eind gekomen
aan mijn bedrog, aan al mijn driftig dromen.
O God, hier lig ik, eenzaam in de nacht;
heb ik vergeefs van U mijn hulp verwacht?
2
Ik kan niet wonen in een grijs verleden,
het biedt geen huis, geen veiligheid, geen vrede,
te veel heb ik mijn eigen heil gezocht,
uw zegen niet gekregen maar gekocht.
3
Nu is de hemel boven mij gesloten;
God van mijn vader, hebt Gij mij verstoten?
De avond valt en alles om mij heen
is stil, doodstil; laat Gij mij hier alleen?
4
Of gaat nu toch uw lichte hemel open?
Een ladder, waar uw engelen op lopen -
is dat uw antwoord op mijn bange vraag:
een weg, £w weg, van U naar mij, omlaag?
5
Al is het nog zo donker op mijn wegen
en twijfel ik aan U en aan uw zegen,
al zijn de hemeldeuren nu weer dicht,
dat Gij toch meegaat, maakt het duister licht!
---
*251
#3
1
Gij die het licht der wereld zijt,
het duister komt, de donkerheid,
Heer, neem ons in uw hoede!
Gij zijt ons water en ons brood,
Gij zijt het leven in de dood,
de bron van al het goede.
2
Vergeef ons onze grote schuld,
de traagheid en het ongeduld,
alles wat wij misdeden:
de overmoed, de overdaad,
de liefdeloosheid en de haat -
geef ons op aarde vrede!
3
Gij die het licht der wereld zijt,
Gij weet waaraan de wereld lijdt,
kom spoedig ons genezen!
Kom haastig, want de wereld wacht,
Gij zijt het licht in onze nacht,
in eeuwigheid geprezen!
---
*252
#3
1
Heer, de dag is nu voorbij;
als ik slaap, blijf dicht bij mij,
als het donker is en stil,
blijf bij mij, om Jezus' wil.
2
Houd de wereld in uw hand,
alle mensen in elk land;
en wie ziek zijn of gewond,
goede God, maak hen gezond.
3
Heer, vergeef al wat U zag
en verkeerd was, deze dag;
laat mij slapen als uw kind,
slapen, tot uw dag begint.
---
*253
#5
1
Nu alles om ons heen donker wordt
richt zich ons oog omhoog, tot God -
tot u, o wolk, o vuurkolom,
wees ons een lamp, een licht rondom!
2
Wij woonden in de slavernij,
wij droomden: slaven worden vrij!
Zo gaan wij dwars door zee en zand
zingend naar het beloofde land.
3
Maar soms valt ons de weg te lang,
dan zijn wij moe en mat en bang,
dan schijnt geen zon, geen maan, geen ster -
huis Kana„n, wat zijt gij ver!
4
Vergeef ons, Heer, ons kleingeloof,
vergeef ons woestijngeloof,
en geef ons deze lange tijd
manna: het brood der dankbaarheid.
5
Nu alles om ons donker wordt
richt zich ons hart op U, o God,
en zien wij boven steen en zand
lichtsporen naar het vaderland.
---
*254
#4
1
Wij willen U van harte danken,
herder die ons bij name kent,
wijnstok waarin wij zijn ge‰nt,
wij zijn uw schapen en uw ranken.
2
Geen vrucht zal zonder U ooit groeien,
wees onze wijnstok, ook vannacht;
schenk in de slaap ons nieuwe kracht,
laat, Heer, uw liefde in ons vloeien.
3
En zijn wij van U weggelopen,
o goede herder die ons haalt,
zoek dan het schaap dat van U dwaalt
en doe de kooideur voor ons open.
4
Nu komt de nacht, nu gaan wij slapen -
Gij zijt de wijnstok die ons voedt,
Gij zijt de herder die ons hoedt,
en wij uw ranken en uw schapen.
---
*255
#4
1
De dagen onzer jaren
gaan als een schaduw heen,
als schepen die wel varen
maar niemand weet waarheen,
als grijze winterwolken
die langs de hemel gaan,
als vogelvrije volken -
geen mens weet waarvandaan.
2
De dagen onzer jaren
gaan als een schaduw heen -
wie kan de tijd bewaren?
Verliest niet iedereen
zichzelf, zijn eigen waarde,
zijn ziel, zijn zaligheid
gezaaid in diepe aarde:
miskende majesteit?
3
De dagen onzer jaren
gaan als een schaduw heen -
maar weet: ginds wacht een haven,
geen scheepje vaart alleen;
God zal de wolken wenken,
zijn duif zal ons gedenken,
die vliegt ons voor naar huis!
4
De dagen onzer jaren
gaan als een schaduw heen,
de dageraad zal baren
de Zoon die reeds verscheen;
de zonde zal verdwijnen,
de zomer stijgt ten top,
de zon die dan gaat schijnen
staat eens voor altijd op!
---
*256
#5
1
De jaarkring wordt gesloten,
de dagen duren kort,
het blad is afgestoten,
ons leven ligt verdord.
2
Het lichte groen vergrauwde,
het zaad dat werd gezaaid,
het graan dat men verbouwde -
het gras werd afgemaaid.
3
De jaarkring wordt gesloten,
de nachten duren lang -
maar in de jonge loten,
daar gaat haar eigen gang:
4
de lente die zal komen,
de hand van God, die schrijft
een lijn van zon en zomer,
een jaar dat open blijft
5
De jaarkring wordt gesloten,
de dagen duren kort
totdat is uitgesproten
een oogst die nooit verdort.
---
*257
#5
1
Nu weer een jaar is heengegaan
komen wij schaamrood voor U staan -
uw wijngaard is een wildernis,
woest is wat toch uw wingerd is.
2
Zie onze boom, zo vruchteloos,
ons hart zo mat, zo lusteloos;
wij gaven niet wat Gij ons vroeg,
geen twijg die vrucht voldoende droeg.
3
Wij bidden U, o goede God:
laat ons niet over x ons lot,
heb nog een jaar met ons geduld -
wie weet wat Gij dan oogsten zult!
4
Geef ons te groeien, vrij en fier,
graaf dieper nog, wijngaardenier!
Voed ons doordringend met uw Geest,
omring ons, liefde die geneest!
5
God, laat ons hier nog ‚‚n jaar staan,
dan zal de bloesem bloeien gaan,
zodat uw wijngaard, wereldwijd,
roem oogst om zoveel vruchtbaarheid!
---
*258
#4
1
Al zit gij in het duister
van duivel en van dood,
geklonken in een kluister,
een mens ternauwernood -
sta op, uw heil zal komen,
houd hoog uw hoofd gericht,
verjaag uw boze dromen:
daarboven straalt een licht!
2
Al dwaalt gij hier beneden
doodlopend in verdriet,
zodat de dag van heden
geen hand voor ogen ziet,
blijf vol vertrouwen hopen,
houd hoog uw hoofd gericht,
en open wijd uw ogen:
het zonlicht is in zicht!
3
God dank, er is gekomen
een gids in onze grot.
Wat heeft Hij meegenomen?
Een lamp, het licht van God!
Volg Hem door alle gangen,
houd hoog uw hoofd gericht:
het donker wordt gevangen,
het licht krijgt overwicht.
4
Sta op, treed uit het duister,
loop d¢¢r, de dood voorbij
en huiver niet, maar luister:
een loflied zingen wij!
Rondom u is het wonder,
houd hoog uw hoofd gericht:
uw grot, uw graf, hoe donker,
vol veelbelovend licht!
---
*259
#7
1
Allen die gestorven zijn
zullen eenmaal, groot en klein,
opgewekt door hemels licht
opstaan voor Gods aangezicht.
2
Als de boeken opengaan
en als al wat is misdaan
zwart op wit beschreven is,
openbaar te lezen is,
3
al mijn falen, mijn tekort
in dat licht beoordeeld wordt,
zal mijn liefde niet te klein,
mijn geloof voldoende zijn?
4
Als ik eigen rechter was,
zelf mijn levensboeken las,
sprak ik dan geheel oprecht:
Welgedaan, gij trouwe knecht?
5
Zulke woorden zeg ik niet,
want ik ben de rechter niet -
wat weet ik van goed en kwaad?
Rechter, vraag mijn advocaat!
6
Dit is alles wat ik weet:
Christus is mijn parakleet!
Ik veroordeel, Hij pleit vrij,
als ik zwijg spreekt Hij voor mij-
7
zodat, wat de rechter leest,
ik vrijmoedig, onbevreesd,
zonder angst voor Hem verschijn
om voor altijd vrij te zijn!
---
*260
#3
1
Alom verheffen zich de stemmen:
demonen van verholen haat;
zij overschreeuwen ons en klemmen
zich vast aan wie hen ruimte laat,
en wie bezwerend tot hen komt
staat machteloos en zwijgt verstomd.
2
Niet slechts rondom ons zijn die stemmen,
terzijde, buiten ons bestaan,
zij zijn ook in ons, niet te temmen -
als leeuwen vallen zij ons aan.
Heer, is uw macht dan niet zo groot
als die van duivel en van dood?
3
Godlof! Hoog boven al die stemmen:
‚‚n woord, ‚‚n stem, een stem met macht,
die niet te stuiten al die stemmen
verjaagt, verdrijft, als licht de nacht,
tot eenmaal elke tegenstem
voorgoed verstomt en zwijgt voor Hem!
---
*261
#3
1
Als ik niet zou geloven
dat Gij God-met-mij zijt,
mijn vuur zou spoedig doven,
mijn licht scheen korte tijd.
Uw liefde kent geen grenzen,
de mijne veel te veel;
uw vlam warmt alle mensen,
verlicht ons hart geheel.
2
Als ik niet zou geloven
dat de Messias kwam,
het eeuwig licht van boven,
uw vonk, uw vuur, uw vlam,
dan zou mijn vlam verkwijnen,
mijn vuur niet lang bestaan -
Gij laat mijn fakkel schijnen,
mijn lamp steekt Gij weer aan!
3
Als ik niet zou geloven,
o God, die goedheid zijt,
dat niemand ooit kan doven
de gloed die Gij verspreidt,
ik zou niet kunnen leven,
ik had hier rust noch duur,
Gij hebt mij licht gegeven:
uw liefde vonkt als vuur!
---
*262
#9
1
Ballingen in Babel
bedelend om brood,
bang zijn wij als Abel -
Ka‹n sloeg hem dood.
2
Ballingen, verdreven
ver van huis en haard,
bitter is het leven,
dreigend is het zwaard.
3
God is ons vergeten -
traag stroomt de rivier,
angst is hier te eten,
tranen drinkt men hier!
4
In de synagoge
weeklaagt onze stem:
Heer, heb mededogen,
spaar Jeruzalem!
5
Ballingen in Babel
bedelend om brood,
morgen zijn wij Abel,
morgen zijn wij dood!
6
Ballingen in Babel,
opent thans uw oor,
ballingen in Babel
geeft uw God gehoor!
7
Offert zoals Abel,
leven in de dood,
offert in dit Babel
zaad dat kiemt tot brood!
8
Haat en harde handen,
drift en overmoed,
wapens tot de tanden -
Babel schreeuwt om bloed!
9
Ballingen in Babel,
ziet: uw Broeder - dood.
Hij is aller Abel,
Hij is hemels brood!
---
*263
#5
1
Breek, o God, breek af de muur,
blus de vlammen, doof het vuur
van de haat die wereldwijd
volken van elkander scheidt.
2
Heer, wij geven geen gehoor
en dat gaat, dat gaat maar door.
dagen, jaren, eeuwen lang.
Wordt dat onze ondergang?
3
Gij doorbrak de oude grens:
waarlijk God en waarlijk mens
trad Gij uit uw vaderland,
gaf Gij vijanden uw hand.
4
Maak ons klein zoals uw kind
dat in muren deuren vindt;
niet te stuiten klinkt zijn woord:
Sloop de muur, ontsluit de poort!
5
Scheur elk ijzeren gordijn,
dat wij mensen mensen zijn,
op uw heil, uw rijk gericht,
mensen met uw land in zicht
---
*264
#3
1
Bron van vreugde, levend water,
wellend in de duisternis,
laat ons drinken, nu en later,
tot de dorst vergeten is;
laat ons hier met volle teugen,
drinken in de felle zon,
drinken, drinken pure vreugde,
putten uit uw levensbron!
2
Schapen, dwalend van hun herder,
burgers zonder vaderland,
als nomaden gaan wij verder,
langs ravijnen, door het zand,
dorstig, dromend eens te komen
bij de paradijsrivier,
waar het water breed zal stromen,
overvloed voor mens en dier!
3
Bron van vreugde, bron van leven,
water uit de harde rots,
in de droogte ons gegeven,
uit de hoogte: vrede Gods;
in de wereld uitgegoten
stroomt Gij met ons mee op reis -
hout, hoe dor, krijgt jonge loten:
de woestijn wordt paradijs!
---
*265
#4
1
Dank U, Heer, voor al wat leeft,
dank voor alles wat Gij geeft:
voedsel, vreugde, overvloed -
Gij zijt overstelpend goed!
Dank U wel voor al wat groeide,
wind en wolken, licht en lucht,
velden vol van groene vrucht,
dank dat duizend bloemen bloeiden!
2
Al te veel bleef ongedaan;
stil verwijtend zien ons aan
armen, bedelend om brood -
levend lijken zij al dood.
Geef ons heden open handen,
ogen om opnieuw te zien
uw geboden, alle tien:
vlammen die van liefde branden.
3
Armen in uw koninkrijk
zijn reeds U, de koning rijk -
wie zachtmoedig is be‰rft
land waarin geen kind meer sterft;
wie hier treurt mag binnentreden,
wie een hart heeft recht en rein
zal daar zonder zorgen zijn:
eindelijk een land van vrede!
4
Dank U, Heer, dat wie zo leeft
dankzij Pasen toekomst heeft:
honing, melk in overvloed,
Kana„n wordt meer dan goed!
Vrolijk zingen wij tezamen
wereldwijd het hoogste lied
als uw wil voorgoed geschiedt
juichend: halleluja, amen!
---
*266
#4
1
Dank, Vader, dank U wel,
voor heel dit lieve leven:
voedsel in overvloed,
genoeg om weg te geven;
de lente, fris en groen,
de zomer, goud en geel
de vrucht van dit seizoen
is ons alleen te veel.
2
Dank, Vader, dank U wel,
voor vriendelijke regen,
zonlicht als metgezel,
hun huwelijk een zegen;
uw mededeelzaamheid
maakt onze harten klaar
om wereldwijd de oogst
te delen met elkaar.
3
Dank, Vader, dank U wel,
hoe moeten wij U loven?
Herder van Isra‰l,
wij dansen bij de schoven!
Graan in het graf gezaaid,
is nu op uw bevel
verrezen en gemaaid -
o Vader, dank U wel.
4
Dank, Vader, dank U wel,
voor overvolle manden,
vruchten van samenspel,
het werk van onze handen;
wij leggen onze dank
als offergave neer,
want heel ons leven is
geschenk van U, o Heer!
---
*267
#6
1
Dat wij leven hier op aarde, / heeft dat waarde,
heeft de toekomst nog wel zin?
Komt er toch een nieuwe morgen, / zonder zorgen,
een volkomen nieuw begin?
2
Dat wij voor de vrijheid strijden, / dat wij lijden,
dat er pijn is en verdriet,
dat wij dreigen te verdrinken, / weg te zinken,
Christus, ziet Gij dat dan niet?
3
Meters muren, massa's mensen, / groepen, grenzen,
koude oorlog, hete haat,
klippen, kolken, donk're wolken, arme volken -
Heer, Gij komt straks veel te laat!
4
God, zijt Gij ons dan vergeten? / Laat ons weten
dat Gij overmachtig zijt,
koning over alle landen, / zee‰n, stranden -
dat Gij met ons medelijdt!
5
Heer, dat Gij U op de aarde / openbaarde,
was dat reeds een nieuw begin?
Achter U ons kruis te dragen / alle dagen,
geeft dat de zinloosheid zin?
6
Christus, laat uw stille vrede / hier beneden
komen na een storm van strijd,
maak de aangevochten aarde / groene gaarde,
tuin die bloeit van vrolijkheid!
---
*268
#8
1
De bomen willen horen
al wat de hemel zegt,
zij staan met open oren,
met stammen, sterk en recht.
2
Zij strekken zich na boven
hoog na de hemel uit,
zij rekken zich als doven,
zij horen geen geluid.
3
De bomen willen horen
al wat de hemel zegt,
maar onze stemmen storen -
de bomen horen slecht.
4
O laat ons liever zwijgen,
verstomd en stil voortaan,
zodat de kleinste twijgen
de stem van God verstaan!
5
De bomen zullen horen
al wat de hemel zegt -
wie schreeuwt komt niet ter ore
hoe God zijn - beslecht,
6
maar wie met lijf en leden
zich uitstrekt naar omhoog,
die wortelt in de vrede,
die raakt de regenboog.
7
De bomen zullen horen
al wat de hemel zegt -
de schepping wordt herboren,
de takken trekken recht,
8
zij klappen in de handen,
zij zwaaien heen en weer
als waait door alle landen
de adem van de Heer!
---
*269
#6
1
De duister valt om mij heen;
ik ben zo bang, geheel alleen,
ik zie geen eind aan deze nacht,
geen licht dat in de verte lacht.
2
De tijd die ging heeft niets gebracht
dan schuld, die mij soms, onverwacht,
verstikt, benauwt, ten dode toe -
o God, ik ben het leven moe!
3
Al wat ik deed was onvolmaakt:
ik heb geslapen, niet gewaakt;
ik zweeg toen God zei: Spreek mijn Woord -
zijn stem, heb ik die ooit gehoord?
4
De wanhoop wordt mij nu te veel,
het duister vliegt mij naar de keel,
ik kan niet verder, ik ben bang -
hoelang duurt dit, o God, hoelang?
5
Wees stil, zo zegt een stem in mij,
hier is mijn hand, Ik ben erbij,
Ik maak een einde aan de nacht;
hier is het licht - het is volbracht!
6
Als deze stem maar in mij zingt
wanneer het duister mij omringt,
als deze hand mij maar geleidt
aak ik mijn diepste angsten kwijt.
---
*270
#6
1
De Heer beschut wie bij Hem schuilen,
Hij is een rots, een zon, een schild,
een schouder om op uit te huilen,
een stem die wind en water stilt.
2
de goede grond van ons vertrouwen,
een vast en veilig fundament,
waarop de hoop een huis kan bouwen -
gezegend wie die schuilplaats kent!
3
Want komt de storm en striemt de regen,
dan valt het huis gebouwd op zand,
maar is het op de rots gelegen,
dan houdt het vast en zeker stand.
4
Wie weet wat ons de tijd zal leren -
hoe zal ons leven verder gaan;
op alle paden leeuwen, beren?
Vlak voor u zal de herder staan!
5
Begeef u niet op eigen wegen -
die lopen dood in een ravijn,
maar laat zijn zorg u tot een zegen,
zijn woord de weg ten leven zijn.
6
Houd moed! Al gaat door duizend kuilen
uw pad niet z¢ als gij het wilt,
de Heer beschut wie bij Hem schuilen,
Hij is uw rots, uw zon, uw schild.
---
*271
#8
1
Een bange, al te lange nacht
waaraan geen einde komt -
is dat de toekomst die ons wacht,
een stem die zwijgt, verstomd?
2
Laat Gij, o God, ons zo alleen?
Allang zijn wij U kwijt!
Of gingen wij soms van U heen
in ongehoorzaamheid?
3
Er schijnt wel hier en daar een ster
en af en toe de maan,
maar al die lichten, her en der,
zijn ver bij ons vandaan.
4
O Zonne der gerechtigheid,
o Christus, licht uit licht,
laat zien hoe dicht Gij bij ons zijt,
laat stralen uw gezicht!
5
Nog nooit was er zo'n grote angst,
nooit dreigde zo de dood;
of duurt de nacht altijd het langst
vlak voor het morgenrood?
6
Op U, Heer Jezus, wachten wij,
kom, laatste dageraad,
dan is de duisternis voorbij,
dan straalt uw licht gelaat!
7
Reeds schijnt de zon in al haar kracht,
al zien wij zelf die niet;
de vreugde komt pas na een nacht
vol vreselijk verdriet.
8
Al duurt het wachten nog zo lang,
wanneer het licht ons groet
klinkt nog veel langer ons gezang
en zien wij: God is goed!
---
*272
#6
1
Een stroom van ongerechtigheid,
een zee van zonden zwart,
zo donker diep, zo wild en wijd,
zo duister is ons hart.
2
Het koude water van de haat,
de beek van bitterheid
die dwars door deze wereld gaat,
die bron van twist en nijd,
3
dat water als het bloed zo rood,
die donkere Jordaan
is breed en diep en oeverloos -
wie onzer zal bestaan?
4
Halleluja, er is een brug,
geen zee die ons nog scheidt!
God overspant hoog in de lucht
rivieren, woest en wijd!
5
Hij overbrugt, Hij overspant
het water van de dood,
Hij draagt ons naar de overkant,
Hij draagt ons in zijn schoot.
6
Heer Jezus Christus, middelaar
die God en mens verbindt,
o brug, breng ons weer bij elkaar
en maak ons eensgezind!
---
*273
#3
1
Een venster, open naar het leven,
mijn kamer heeft, hoe klein, een raam;
de toekomst is niet afgeschreven,
maar lacht mij toe in Christus' naam
en alwie door dit venster ziet
gelooft zijn eigen twijfel niet.
2
Al zie ik soms geen hand voor ogen,
geen zon, geen maan, geen hoge ster,
al denk ik soms: het is gelogen,
die God-nabij is mij te ver,
toch staar ik op geen muur mij blind -
‚‚n venster opent Hij: zijn kind.
3
Al zwerf ik over vele wegen,
al kom in in het donker thuis,
al zijn de ruiten nat van regen,
door dit raam zie ik, langs het kruis,
voorbij de heuvel Golgotha,
een land van licht - halleluja!
---
*274
#4
1
Geef, o Heer, dat onze namen
in Uw licht te lezen zijn,
zoals lijnen in de ramen
door het zonlicht zichtbaar zijn.
2
Als de dag dreigt weg te dromen,
als de nacht zich binnendringt
en niet aan het licht doet komen
dat Gij ons bestaan omringt,
3
schrijf dan onze namen over
met uw stift van louter licht,
laat de letters - ach, hoe pover -
lijnen zijn van uw gezicht!
4
Straal vandaag door alle ramen
met uw zomerzonneschijn;
Heer, dan zullen onze namen
in uw licht te lezen zijn.
---
*275
#4
1
Gij dak boven mijn hoofd,
ik schuil onder uw zegen;
mijn vuur wordt niet gedoofd,
mij deert geen ruige regen.
2
Gij steunbalk in de rug,
Gij muur om op te leunen,
al val ik vaak terug -
Gij blijft mij ondersteunen.
3
Gij steen om op te staan,
geen dag zou ik begroeten
kon ik op U niet gaan,
o grond onder mijn voeten.
4
Gij handpalm om mij heen,
behoed mij, doe mij hopen,
Gij dak, Gij steun, Gij steen,
mijn toekomst doet Gij open.
---
*276
#5
1
Grote God, Gij zijt voor mij
hemelhoog verborgen,
ongehoord gaat Gij voorbij
aan mijn angst en zorgen;
Hebt Gij ooit
weggegooid
heel dit aardse leven,
en ons prijsgegeven?
2
Ziet Gij, Heer, mijn tranen niet,
hoort Gij mij niet zuchten,
weet Gij niet van het verdriet
dat ik wil ontvluchten?
Merkt Gij dan
niets daarvan?
Heer, mijn diepste wonden
zijn nog nooit verbonden!
3
Als ik al mijn leed vertel,
al mijn nood ga klagen,
ach, mijn God, dan weet ik wel
wat de mensen vragen:
Heeft God dan
geen goed plan
u uit al dat lijden
tijdig te bevrijden?
4
Heer, alleen omdat ik weet
dat Gij hebt gedragen
duizendmaal zoveel aan leed
met dezelfde vragen:
God, waarom
kom ik om?
d rom, goede herder,
daarom kan ik verder!
5
Heer, ga mij dan maar voorbij,
blijf dan maar verborgen,
eenmaal komt uw heerschappij,
eenmaal komt de morgen.
O, dan zal
overal
zijn wat werd geschreven:
licht - en eeuwig leven.
---
*277
#6
1
Heel de stad, heel uw hart,
heel uw hele leven,
alles wat nu verward,
ziek is prijsgegeven.
2
Heel de stad, heel het land,
heel Gods goede gaarde;
reik de hand, houd in stand,
spaar de oude aarde!
3
Heel de stad, heel de straat,
wegen, lanen, pleinen,
heel de grond, Gods verbond,
breng het in het reine!
4
Land en lucht, hoor, hoe zucht
onze moeder aarde!
Water, wind, mensenkind,
zie wat zonde baarde:
5
rook en roet, donker bloed,
angstig voorgevoelen -
God, verhoed dat die vloed
ons zal overspoelen!
6
Laat ons hart, zwaar en zwart,
licht en zuiver wezen,
dan zal nu Heer, door U,
heel de stad genezen!
---
*278
#4
1
Heer, als wij de dagen tellen
‚‚n voor ‚‚n
kan er geen
ons tevreden stellen.
Hoe kon goud ons zo verblinden?
Te verward
is ons hart
om de rust te vinden.
2
Ach, wij jagen en wij jachten
onverstoord
almaar voort,
niet gewend te wachten.
Tijd is geld en geld moet stromen;
zelfs een uur
is te duur
om tot rust te komen.
3
Doe dan onze ogen open,
help uw volk
U, de wolk
achterna te lopen,
alle uren ons gegeven
blij verbaasd,
zonder haast,
dankbaar te beleven.
4
Wolk en vuur, God in den hoge,
Wis ons aan
gaan en staan
met uw rijk voor ogen!
Dat het goud ons niet verblinde,
dat wij nu
Heer, in U
volop vrede vinden!
---
*279
#3
1
Heer, de stilte doet ons pijn,
toont ons in gedachten
allen die gevallen zijn,
al hun jammerklachten,
met geweld
neergeveld -
Heer, zo zijn wij, mensen:
waanzin kent geen grenzen.
2
Twee minuten zijn zo kort,
zijn maar twee momenten;
tranen zijn te snel gestort -
buiten bloeit de lente.
Laat, o God,
uw gebod
nu, in onze dagen
gave vruchten dragen!
3
Zie de stilte van dit uur
als een krans gebeden -
vlam van boven, eeuwig vuur,
fakkel van de vrede,
dood de haat,
ban het kwaad,
wek in ons, uw mensen,
liefde - zonder grenzen!
---
*280
#6
1
Heer, hoezeer ben ik U kwijt,
tast ik rond om U te vinden;
moet een bruid in eeuwigheid
roepen om wie zij beminde?
Blijft het antwoord op mijn vragen
wachten tot het eind der dagen?
2
Ach, wie zal dat ooit verstaan
hoe een mens naar God kan zoeken,
hoe hij door een hel kan gaan -
God, wilt Gij mij zo vervloeken?
is dit leven louter lijden,
moet mij dan de dood bevrijden?
3
Christus, gaat het U niet u
dat zovelen naar U vragen,
maar uw stem toch niet verstaan,
ondanks al hun bitter klagen;
gaan wij zoekende verloren
v¢¢r het eerste ochtendgloren?
4
Hoor, in mijn onzekerheid
klinkt een stem! Laat Gij U vinden?
Heer, uw woord - dat woord bevrijdt
uit de boeien die mij binden!
Spreek, o Geest, in onze oren,
laat wie oren heeft, nu horen!
5
Gij, mijn kind, mijn volk, mijn knecht,
heb ik u niet uitverkoren,
heb ik tevergeefs gezegd
dat ik zoek wat was verloren?
Wilt gij tastend als een blinde
u door Mij niet laten vinden?
6
Roep, als gij Mij hoort noch ziet,
niet voortdurend, vol verlangen!
Waarom zoekt maar vindt gij niet?
Omdat gij al hebt ontvangen!
Alwie Mij niet vinden konden
zijn allang door Mij gevonden!
---
*281
#7
1
Heer Jezus, als een licht zijt Gij
gekomen in de nacht,
ons meer nog dan de dood nabij,
vertroostend, ongedacht.
2
Als Gij ons licht niet was geweest
dan was er slechts verdriet,
een wond die schrijnt en niet geneest,
veel pijn - en anders niet.
3
Niet elk gebed wordt zo verhoord
als ieder dat wel wil;
wij gaan met uw beloften voort,
uw toekomst maakt ons stil.
4
Niet iedereen begrijpt waarom
ons lichaam moet vergaan -
het kiemt als zaad en komt weerom
als Gij het op doet staan.
5
Er is geen leven zonder zin;
de dood is maar een poort,
geen einde, maar een nieuw begin;
van vreugde, ongestoord.
6
Kom, Heiland, in die laatste nacht,
verdrijf de angst, de pijn,
zodat wij, eenmaal thuisgebracht,
voorgoed genezen zijn!
7
Eens staan wij dan weer oog in oog,
wij zien elkaars gezicht,
en zingen samen, hemelhoog:
God dank - Hij is ons licht!
---
*282
#4
1
Heer Jezus, duizend vragen,
te veel om mee te dragen:
waarheen. waarom, waartoe?
Kunt Gij geen antwoord geven?
O God, dit is geen leven,
wij worden zoveel vragen moe.
2
Hoe kan een mens geloven
dat iemand hoort, daarboven,
dat E‚n ons zeker ziet,
dat die ons zal bevrijden
van lasten en van lijden -
wil Hij of kan Hij dat dan niet?
3
Wie kan ooit zeker weten
dat God niet wil vergeten
het land, de zee, de zon,
de mensen niet zal haten,
niet eenmaal los zal laten
het werk dat eens zijn hand begon?
4
Heer Jezus, al die vragen,
Gij hebt ze meegedragen,
die last, was d t uw kruis?
Dat Gij de schuld verzoende
geeft ons geduld voldoende:
het laatste antwoord wacht ons thuis.
---
*283
#4
1
Heer, laat mij heel mijn leven
uw taal en teken zijn,
een tolk om door te geven
aan mensen, groot en klein,
met woorden en met daden
uw liefde, uw genade
in water, brood en wijn.
2
Maak mij uw brief, te lezen
door wie uw stem niet hoort,
laat mij uw handschrift wezen
uw boodschap, woord voor woord -
want waar de Geest doet leven
daar wordt uw schrift geschreven,
daar stuwt uw stem ons voort.
3
Ach, soms vind ik geen woorden,
dan is mijn hart zo leeg,
alsof ik nooit iets hoorde
en nimmer woorden kreeg;
dan roep ik: God, waar zijt Gij?
Kom toch, want ik verbijt mij
nu Gij zolang al zweeg!
4
Heb dank! Gij hebt gesproken
een mensgeworden woord.
Gij schrijft ononderbroken,
welsprekend schrijft Gij voort;
met bloed staat opgeschreven:
Christus, het woord ten leven -
welzalig die het hoort!
---
*284
#4
1
Heer, spreek mij aan, zodat ik hoor,
ik buig mijn hoofd, ik neig mijn oor.
Trek door de akker van mijn hart,
trek door mijn zonden, zwaar en zwart,
uw langgerekte, diepe voor.
2
Heer, spreek mij aan zodat ik hoor,
maak open mijn gesloten oor;
Gij zaait uw woord als zuiver zaad,
uw Geest is als de wind die waait,
uw Rijk het koren dat Gij maait.
3
Heer, spreek mij aan zodat ik hoor,
spreek zacht in mijn ontsloten oor.
Al zie ik U, o Zaaier, niet,
ik hoor U wel, Gij zaait een lied
dat hoger groeit dan mijn verdriet.
4
Heer, nu spreekt Gij z¢ dat ik hoor:
Gij zingt en zaait en zaait maar door!
Gij zaait geen zaad zo hart als steen,
Gij zaait een lied, veel meer dan ‚‚n -
het zingt van vreugde om mij heen!
---
*285
#4
1
Heiland, als ik eens zal sterven
na een lange levenstocht,
zal ik dan het land be‰rven
waar ik gaandeweg naar zocht?
Zal het land van melk en honing,
het beloofde paradijs,
voor mij opengaan - mijn woning
aan het einde van de reis?
2
Mag ik werkelijk geloven
dat ik door de doodsjordaan
droogvoets, zee en zand te boven,
Kana„n mag binnengaan?
Ik verdien om zoveel zonden
meer dan veertig jaar woestijn,
eens voorgoed teruggezonden
eeuwig vreemdeling te zijn.
3
Here Jezus, veertig dagen
zijt Gij ook om mij verzocht,
hebt Gij dood en hel verslagen
in uw laatste ademtocht;
draag mij daarom, vroeg of later,
door de diepste diepten heen;
door de dood, dat donker water,
draagt geen mens mij - Gij alleen.
4
Als wij eenmaal zullen sterven,
aan het einde van de tocht
onverdiend de aarde erven
uit het diensthuis vrijgekocht,
thuisgekomen vreemdelingen
in een land van overvloed,
zullen wij de lofzang zingen:
halleluja, God is goed!
---
*286
#7
1
Het einde van de oogst is daar,
de laatste maaier leest
al gaande rapend aar voor aar,
het veelvoud van de Geest.
2
De eersteling is reeds gemaaid:
verhoogd boog Hij het hoofd;
de zaaier heeft zichzelf gezaaid
en in de oogst geloofd.
3
Hij is de vrucht van het geloof
dat liefde liefde wint,
de strohalm die de volle schoof
omarmt en samenbindt.
4
De last der liefde is niet zwaar,
maar als het laatste komt,
dan staat de halm met rijpe aar
ter aarde toe gekromd.
5
Wie liefdeloos rechtop blijft staan
en zich voldragen vindt,
die zal met al het kaf vergaan
dat wegwaait in de wind.
6
Maar wie het hoofd buigt, arm van geest,
wie zwaar van zegen zucht
die viert straks alle weken feest
en geeft de Geest als vrucht.
7
Het einde van de oogst is daar,
o hoor. de zaaier juicht!
En zalig is de korenaar
die voor de maaier buigt
---
*287
#3
1
Hoe goed kan God gebruiken
gereedschap voor zijn werk:
de kannen en de kruiken,
de stenen voor zijn kerk,
zij gaan door hete vuren
en krijgen allemaal
het lijden te verduren
van ijzer, klei en staal.
2
Soms word ik hard geslagen
en krijg ik slag op slag
en kan ik niet verdragen
die hamer, dag aan dag;
de hitte hoort mij zuchten,
het steunen van de steen -
ge wilt het vuur ontvluchten?
Geen mens kan er omheen.
3
Een wonder is het water,
het water van de doop!
Wie onderging rijst later
weer op, bekleed met hoop.
God opent nieuwe luiken:
door tegenslagen sterk
ben ik juist te gebruiken:
gereedschap voor zijn werk!
---
*288
#5
1
Hoe kom ik aan de overzijde?
De doodsrivier is veel te diep!
Wie kan mij over water leiden,
de zee, die niemand nog ontliep?
De golven gaan als huizen hoog,
niemand, geen mens blijft droog.
2
Zou ik hier altijd willen blijven,
het zou niet kunnen, ik moet gaan;
de vijand zal mij toch verdrijven,
er komt een eind - dit bestaan,
en vroeg of laat ziet ieder mens
dit strand, de laatste grens.
3
Zal ik ten onder gaan zinken?
Dit water draagt mijn zonden niet!
Hun zwaar gewicht doet mij verdrinken,
verdwijnen in dit doodsgebied;
o Heer, ik roep de hemel aan:
Laat mij toch niet vergaan!
4
God dank! Met Hem kan ik het wagen,
ik voel zijn handen onder mij,
die tillen mij hoog op en dragen
mij naar de verre overzij;
ik ga niet onder in de schoot
van duisternis en dood.
5
Over de golven heengekomen,
over het water, door de wind,
heeft Hij mij in zijn arm genomen;
Hij draagt mij teder als een kind,
vanaf dit allerlaatste strand
naar gindse overkant!
---
*289
#4
1
Hoe teder heeft de Heer mij aangeraakt
en mij gestreeld als zuidenwind de bomen.
Zijn liefde heeft mijn luiken losgemaakt
zodat er volop licht kan binnenstromen;
Hij roept mij zacht en zo ben ik ontwaakt
en zie verbaasd wat mij is overkomen.
2
Nog nooit heb ik zo'n zoete vrucht gesmaakt -
vrede en vreugde bleven diepe dromen;
God heeft de wereld als een boek gemaakt
maar nooit had ik dat boek ter hand genomen
wanneer Hij mij niet zelf had aangeraakt -
zijn licht doet al mijn knoppen openkomen.
3
Hoelang heb ik de mij geschonken tijd
met open ogen hopeloos verslapen,
hoe vaak ben ik gevlucht in eenzaamheid,
zoals een huurling wegvlucht van de schapen,
een herder die alleen zichzelf nog weidt
en van vermoeidheid valt in eigen wapen.
4
Hoe teder heeft de Heer mij aangeraakt,
ik voel zijn adem strelend langs mij strijken.
Zomer van God, hebt gij bij mij gewaakt
doet gij de lange winter van mij wijken?
Nu pas, nu gij mijn vensters openmaakt,
kan mij de hemel werkelijk bereiken!
---
*290
#4
1
Ik ben door U gevonden,
nog voordat ik U zocht;
lang voor wij zoeken konden
hebt Gij naar ons gezocht.
Ik weigerde te leven
door U geliefd, bemind,
het zoeken op te geven -
te leven als uw kind.
2
Vergeefs heb ik gestreden,
hield ik mijzelf in toom;
ik vocht, maar vond geen vrede
al was ik nog zo vroom;
al heb ik steeds vermeden
te doen wat Gij verbiedt -
tot op de dag van heden
zocht ik - maar vond U niet.
3
Nimmer was ik tevreden -
hoogmoedig dacht ik toen
wat velen v¢¢r mij deden
veel beter te gaan doen.
Maar nu zijn mijn gebeden
vol spijt en stil verdriet:
hier ben ik, moegestreden -
o God, ik vind U niet!
4
Zo hebt Gij mij gevonden
toen ik niet langer vocht;
nog voor wij zoeken konden
hebt Gij naar ons gezocht!
Gij vraagt mij slechts te leven
door U geliefd - als kind
mijn zoeken op te geven;
Heer, Gij zoekt mij - en vindt!
---
*291
#6
1
Ik leef vandaag als koningskind,
blijmoedig leef ik van de wind,
ik ben voor niets en niemand bang
mijn leven duurt nog eeuwenlang!
2
AI wat er was is nu voorbij,
en morgen zorgt de Heer voor mij,
dus zing ik deze dag mijn lied -
ik voed vandaag mijn heimwee niet.
3
Het heeft geen zin om stil te staan
bij alles wat heeft afgedaan,
wat was dat geef ik U, o Heer,
ik leg het in uw handen neer.
4
AI weet geen mens wat hij zal zien:
verdriet of vreugde, dood misschien
door ziekte, oorlog, hongersnood -
wij eten heden levend brood.
5
En als de laatste vijand komt
mijn adem stokt, mijn stem verstomt,
dan gaat nochtans het loflied door
als ik de hemel zingen hoor.
6
Ik leef vandaag als koningskind,
ik weet: het rijk van God begint
wanneer ik Christus achterna
niet verder dan zijn voetstap ga!
---
*292
#4
1
Ik zie geen hand voor ogen,
geen herder die mij haalt,
geen hoge regenbogen,
geen duif die nederdaalt,
geen stok, geen staf, geen weide,
geen stille, vaste ster,
geen licht dat mij kan leiden -
wat is de hemel ver!
2
Ik zie een berg van vragen,
een rots, een diep ravijn,
een rug die niets kan dragen,
een brug, maar veel te klein,
een weg, maar onbegaanbaar,
een pad, nog lang niet af,
een gids, maar onverstaanbaar
en ginds: een gapend graf.
3
Ik zie geen hand voor ogen,
ik voel geen vreugde meer -
maar toch zal ik verhogen
de opgestane Heer!
Ik leef met zijn geboden,
Hij schreef ze op in mij;
Hij bleef niet bij de doden,
mijn levenslicht is Hij!
4
Ik zie een berg van vrede,
een toppunt van geluk,
mijn strijd ten eind gestreden,
de liefde nooit meer stuk!
AI zie ik niets voor ogen,
al blijft de hemel ver,
ik zing - en zienderogen
verschijnt er toch een ster!
---
*293
#4
1
In mijn weerstand vindt God woning,
in mijn twijfel is Hij thuis;
bitterheid maakt Hij tot honing,
met mij eet Hij in mijn huis.
2
Ga ik ver, Hij gaat nog verder
door mijn dal vol ach en wee;
dwaal ik ver, Hij blijft de herder -
val ik diep, Hij zelf valt mee.
3
In de dood ontkiemt het leven,
in de graven sluimert zaad,
wordt mijn zwarte kleed herweven
tot een blinkend wit gewaad.
4
O mijn God, hoezeer verborgen,
licht genoeg zijt Gij voor mij;
middernacht begint de morgen -
in mijn duisternis woont Gij.
---
*294
#4
1
In stilte wilt Gij wonen -
maar soms doet stilte pijn.
Gij zoudt toch bij ons wonen
en onze helper zijn?
Waar is, o God, uw woning,
waar is uw hand, uw oog;
zijt Gij wel onze koning?
Gij zijt zo ver, zo hoog!
2
In stilte wilt Gij wonen,
verborgen in de nacht;
de wolken zijn uw tronen -
daar zetelt Gij en lacht!
Heer, God van alle goden,
die hoog verheven zijt,
hebt Gij ons dan ten dode
getekend voor altijd?
3
In stilte wilt Gij wonen,
in diepe donkerheid;
de goddelozen honen
uw macht en majesteit.
O Heer, strek uit uw handen,
spreek nu met kracht en kom,
ja kom in alle landen,
kom, onze koning, kom!
4
In stilte wilt Gij wonen,
maar uit de duisternis
zult Gij ons eenmaal tonen
hoe licht uw luister is;
in Christus is geschreven
uw woord in vlees en bloed:
licht, liefde, eeuwig leven -
Hij maakt uw stilte goed.
---
*295
#3
1
Jozua, zie ons hier staan
voor de Jordaan;
wanneer wij vroeg of later
ons dopen in dit water
en lijken weg te zinken
en dreigen te verdrinken,
Jozua, red ons dan hier,
zet ons over de rivier!
Refrein:
Niemand kan daar binnenkomen
in dat land van onze dromen,
maar als Gij met ons vanhier
door de diepe doodsrivier
meegaat, Here Jezus, dan
komen wij in Kana„n!
2
Jozua, spreek dan en zeg:
God maakt een weg!
De Heer zal voor u strijden
en u een plaats bereiden,
met koren om te maaien
en zaad om uit te zaaien.
Jozua, voor aller oog
maakt de Heer het water droog!
refrein
3
Jozua, ga voor ons uit;
wij juichen luid!
Want God heeft ons gegeven
de stad, het land, het leven,
voor iedereen een woning,
voor allen melk en honing:
Jozua, ginds ligt het land -
leid ons naar de overkant!
refrein
---
*296
#4
1
Kom, Here Jezus, kom met macht
en spreek mij vrij van mijn zonden;
kom Geest, daal op ons neer met kracht,
heel onze pijnlijke wonden!
Ga ons, o Heiland, niet voorbij,
ontferm U, Heer, heb medelij;
ontbind wie werden gebonden!
2
Zie ons melaats en doof en stom,
verlamden, kreupelen, blinden:
uw kerk is ziek - kom, bruidegom,
genees uw bruid, uw beminde!
Leg nu uw handen op ons hoofd,
zodat een ieder die gelooft
bij U genezing zal vinden.
3
Wij brengen u de angst, de pijn,
het onbevredigd verlangen;
Gij weet hoe opgejaagd wij zijn,
hoezeer door zorgen bevangen.
Onrustig gaat ons hart tekeer,
tot wij de rust van U, o Heer,
de volle vrede ontvangen.
4
Spreek alom uw bevrijdend woord:
Uw zonden zijn u vergeven!
Spreek z¢ dat heel de wereld hoort:
Sta op en wandel - ten leven!
Lof zij U, Christus, om uw macht,
want de genezing die ons wacht
is ons in U reeds gegeven.
---
*297
#5
1
Laat U vinden! Ik, verblinde,
zoek uw aangezicht.
Laat mij wonen waar Gij tonen
wilt uw stralend licht!
2
Laat U vinden! Als een hinde
zoek ik, angstig, moe;
met mijn zorgen diep verborgen
vlucht ik naar U toe.
3
Laat U vinden, wil mij binden
vast in uw verbond;
o, maak spoedig overvloedig
vol mijn hart en mond!
4
Laat U vinden in de wind en
in een tong van vuur.
Ik verwachtte dagen, nachten,
deze dag, dit uur.
5
Laat U vinden, mijn beminde,
kom, mijn bruidegom;
laat mij delen in uw zegen,
kom, mijn Heiland, kom!
---
*298
#4
1
Leven, dat is doden
meer dan je vermoedt,
duizend keren doden
eigen vlees en bloed,
toekomst en verleden,
voor- en nageslacht,
gisteren en heden -
sterven, dag en nacht.
2
Leven is: de doden
brengen naar hun graf,
roepen: God der goden,
waar zijn stok en staf?
Herder, blijft Gij slapen,
helper in de nood,
ziet Gij niet uw schapen
dwalen in de dood?
3
Leven met de doden -
even, niet altijd;
even zijn de doden
ons die leven, kwijt.
E‚n houdt ons omgeven
wat ons dan ook scheidt -
dood, jij hebt het leven
niet in eeuwigheid!
4
Leven is: de doden
brengen bij de Heer,
leven is geloven:
morgen kom je w‚‚r;
ook al gaat te gronde
lichaam, vlees en bloed,
eeuwig ongeschonden
l‚‚f je straks - voorgoed
---
*299
#4
1
Lieve God, Gij hebt de tijd,
dag en nacht hebt Gij geschapen;
Gij die licht en donker scheidt,
tijd voor werken, tijd voor slapen,
Gij hebt ons die tijd gegeven
om naar uw rijk toe te leven.
2
Hadden wij maar meer geduld!
Nergens kunnen wij op wachten,
van onszelf zozeer vervuld
dat wij almaar jagen, jachten
om nog sneller daar te komen
waar wij levenslang van dromen.
3
Heer, Gij sprak: Ik ben de weg
en de waarheid en het leven.
Spreek dan in ons hart, en zeg
dat zal sterven al ons streven -
onze onvolkomen daden
zijn volmaakt in uw genade!
4
Help ons om die weg te gaan,
alle rust in U te vinden,
zodat wij uw stem verstaan:
Kom tot Mij, vermoeide hinde,
opgejaagd en voortgedreven,
zie, Ik schenk u eeuwig leven!
---
*300
#10
1
Looft de Heer met vreugde,
looft met luider stem
God die ons verheugde -
zingt een lied voor Hem!
2
Looft Hem met uw woorden,
looft Hem metterdaad,
die u roepen hoorde,
die u niet verlaat.
3
Looft Hem, alle mensen,
looft Hem, blank en zwart,
looft Hem zonder grenzen
met een dankbaar hart.
4
Looft Hem met uw handen,
looft Hem met uw mond,
looft Hem, alle landen,
heel de wereld rond!
5
Looft Hem met de dieren,
looft Hem met het vee,
al wat ademt viere
met de mensen mee!
6
Looft Hem, bossen, bloemen,
looft Hem met uw geur,
alles moet Hem roemen:
dankt Hem, klank en kleur!
7
Looft Hem, alle stromen,
vissen in de zee,
vogels in de bomen,
zingt ons loflied mee!
8
Looft Hem, hoge bergen,
looft Hem, donker dal,
looft Hem, al zijn werken,
looft Hem overal!
9
Looft Hem met trompetten,
looft Hem met de luit,
looft Hem, klarinetten,
trommels, harp en fluit!
10
Looft Hem opgetogen
in uw eigen taal -
looft God in den hoge,
looft Hem allemaal!
---
*301
#5
1
Mijn hart wacht stil op U, o Heer,
uw komst verwacht ik, meer en meer,
uw liefde houdt mijn ziel gevangen.
Naar U gaat al mijn vreugde uit,
ik wacht op U, wacht als een bruid,
reikhalzend hunkert mijn verlangen.
2
Onrustig leef ik, opgejaagd,
door duizend dromen uitgedaagd
die liegen, lokken en verleiden;
de boze, briesend als een leeuw,
gaat brullend rond - ik roep, ik schreeuw
tot U, o God: Kom mij bevrijden!
3
De kracht van oorlog en geweld,
de macht van goud en goed en geld,
hoe kan ik daaraan ooit ontkomen?
Schandelijk schamel is de schijn:
steeds meer te hebben en te zijn,
dat is, o God, waar wij van dromen!
4
Ik roep, ik smeek vol ongeduld:
O Geest, als Gij mijn leven vult,
o overvloed, o milde regen,
dan wordt mijn hart verrassend rein,
dan drink ik fris uit uw fontein:
water des levens, zuiver zegen!
5
Met heel mijn hart verwacht ik, Heer,
uw komst, de grote ommekeer;
hoe vrolijk zal ik U ontvangen!
Gij die mijn allerliefste zijt,
kom, Gij die lijf en ziel bevrijdt,
vervul mijn allerdiepst verlangen!
---
*302
#3
1
Nooit mogen wij vergeten
wat hoogmoed heeft misdaan,
een nieuw geslacht moet weten
hoe bang zijn heengegaan
de mannen en de vrouwen,
‚‚n lange lijdenstrein -
de oogst van blind vertrouwen
is hooguit bloed en pijn.
2
Nooit mogen wij vergeten
dat oorlog oorlog zaait,
dat elke oude vete
weer nieuwe wreedheid maait;
slechts liefde doet ontspruiten
vruchten die zuiver zijn:
vreugde zo zoet als druiven,
vrede die vloeit als wijn.
3
Nooit mogen wij vergeten:
haat won nog nooit een strijd -
elk hart dat wil vergeven,
dat overwint altijd!
Het leed is nooit verleden,
de doodstrein nooit voorbij,
tenzij Gods vrede heden
bloeit als een bloem in mei.
---
*303
#3
1
Nu laat Gij, Heer, mijn leven lente zijn -
ik hoor al vroeg de bomen vrolijk zingen:
een cantorij van vogels groot en klein,
de schepping kan haar vreugde niet bedwingen; -
mijn hart stroomt vol van louter zonneschijn,
ik ben zo blij om alle goede dingen!
2
IJskoude dood, zwijg stil - ik weet het wel;
jij doet de herfst, de barre winter komen,
jij speelt met ons het liefst een ijzig spel,
jij hebt al menigmaal de vrede ons ontnomen:
maar zie, opnieuw ontluikt op Gods bevel
het groene gras, de bloesem van de bomen!
3
Reeds groeit er hoop uit omgeploegde pijn:
alles wordt nieuw, nog beter dan te voren;
nacht wordt weer dag en water zoete wijn -
straks heeft de dood zijn macht voorgoed verloren,
dan zal de zomer zonder einde zijn
en heel de aarde wederom geboren!
---
*304
#10
1
Nu word je uitgedragen -
o God, waarom, waarom?
Waarom die duizend vragen,
waarom, waarom, waarom?
2
Nu jij wordt uitgedragen,
een kleinood in een kist,
bespringen ons de vragen -
heeft God zich dan vergist?
3
Wanneer wij o jou denken
klinkt Goddank ook een lied
dat ons de troost zal schenken
in dalen van verdriet:
4
Nu eindigt al het lijden,
dit is je laatste reis;
de engelen geleiden
je in het paradijs!
5
En alle martelaren
die wachten in de poort,
ontelbaar is de schare,
de vreugde ongestoord.
6
De engelen omringen
je in een machtig koor
om hun gezang te zingen
de hele hemel door!
7
Ze brengen je daarbinnen
die glanzend gouden stad;
het leven kan beginnen
veel beter dan je had.
8
Als bruid zal jou begroeten
die stad Jeruzalem.
Daar mag jij God ontmoeten;
ons kind, jij bent van Hem!
9
AI blijven dan de vragen -
geen mens weet het waarom,
straks, aan het eind der dagen,
dan zien wij jou weerom.
10
Wij gaan dwars door het lijden
naar deze stad op reis,
en jij mag ons geleiden
tot in Gods paradijs!
---
*305
#4
1
O Christus, woord dat op doet staan,
weg waar Gods volk op voort kan gaan,
wolk die al wenkend op ons wacht,
lichtengel, wakend in de nacht,
brood dat zal voeden groot en klein,
bron die ontspringt, zo zoet als wijn -
2
hoor, hoe wij zeulend door het zand
roepen om hulp van hogerhand:
een rots, ravijnen, de woestijn,
hoe kan hier leven leven zijn
tenzij het regent: goede moed,
tenzij uw zegen zingen doet?
3
Heer, onze weerstand is zo zwak,
hier biedt ons niemand onderdak,
hier telt slechts geld en grof geweld,
hier wordt de dood tentoongesteld -
men stapelt winst en wapens op
en plant een kruis hoog op de top!
4
O Christus, woord en weg en wolk,
water en manna voor uw volk,
geef ons de moed in de woestijn
spoorzoekers van uw heil te zijn,
reikhalzend op het land gericht
waar liefde bouwt: uw stad van licht.
---
*306
#4
1
O God, de goede aarde.
de tuin die Gij ons gaf,
is niet meer groene gaarde,
is omgewoeld: een graf.
Wij zien met vrees en beven
geen rust, geen ruimte meer,
geen plaats om hier te leven -
ontferm, ontferm U, Heer!
2
Hoe lang al diep begraven,
het gif is opgestaan,
vernietigt huis en have,
vreet heel de schepping aan;
de vogels en de vissen,
de hele atmosfeer
tast in het ongewisse;
ontferm, ontferm U, Heer!
3
Hoe moeten wij U loven
als al wat is vergaat,
verbrandt als in een oven
die niets in leven laat?
Doe, God, uw zon dan schijnen
en zend de vrede neer
op straten en op pleinen -
ban uit het wanbeheer!
4
Heer, help ons deze aarde
te hoeden als uw hof,
de roeping te aanvaarden
te leven tot uw lof,
te werken in vertrouwen
dat wij de ommekeer,
de nieuwe stad aanschouwen -
het paradijs keert weer!
---
*307
#3
1
O God, Gij zijt zo ver van mij vandaan,
waarom wilt Gij niet nader tot mij komen?
Wanhopig roep ik: Wees met mij begaan!
Mijn armen zijn takken van de bomen,
ik strek mij uit, een stam die kaal blijft staan
wanneer de herfst elk blad heeft weggenomen.
De dood heeft onverhoeds mijn boom beroerd,
een felle storm beschadigt schors en twijgen,
van al mijn wortels word ik afgesnoerd,
voor deze kracht moet ik mijn kruin wel neigen.
Woeste orkaan die op mijn leven loert,
jij woedt maar door - moet ik voor immer zwijgen?
2
O God, Gij zijt zo ver bij mij vandaan,
maar toch, o hoor, het fluistert in de bomen:
Toch gaat mijn leven op de lente aan!
Ik zie de bloesem groeien in mijn dromen -
zo zal ik groen en bloeiend voor U staan,
na deze winter zal de zomer komen!
3
Dan waait de Geest, die zachte zuidenwind,
dan is de zon een lust voor onze ogen;
alles wordt nieuw: een pasgeboren kind,
een jonge vogel die is uitgevlogen -
o God, wanneer Gij mij dan zoekt en vindt,
strek ik mijn takken juichend in de hoogte!
---
*308
#4
1
O God, is dat e:
een kind dat sterven moet?
Waarom daalt in de diepte
ons eigen vlees en bloed?
Is U dan om het even
hoelang wij mensen leven -
zo kort, noemt Gij dat: goed?
2
Voor zo iets zijn geen woorden,
verdriet kent hier geen maat;
dat Gij ons niet verhoorde
maakt ons opstandig, kwaad.
Kon Gij de dood niet keren?
Zijt Gij, de Heer der heren,
tot heersen niet in staat?
3
Vergeef ons als dit spreken
uw vaderhart verwondt -
uw kind is zelf bezweken,
zijn bloed: een nieuw verbond.
O leg dan, voor wij vloeken,
als wij naar woorden zoeken
uw hand op onze mond.
4
En laat ons niet vergeten
dat eenmaal al de pijn
die wij U, Heer, verweten,
voorgoed voorbij zal zijn;
dat eens ons kind, genezen,
samen met ons zal spelen
in zomerzonneschijn.
---
*309
#4
1
O God, mijn leven en mijn dood,
mijn morgenlicht, mijn avondrood,
mijn toekomst, mijn verleden,
mijn wel en wee, mijn ja en nee,
mijn onrust en mijn vrede.
2
wanneer ik overal vertel:
God is mijn vriend, mijn metgezel
en ik ben zijn beminde,
dan gaat Gij mij soms zo voorbij
dat ik U niet kan vinden.
3
Maar als ik schreeuw in kleingeloof,
dan houdt Gij u niet langer doof,
dan opent Gij uw oren
en hoor ik, Heer, uw woorden weer,
uw stem, als ooit tevoren.
4
O God, mijn vreugde, mijn verdriet,
Gij kent mij wel, maar ik U niet;
blijf zo mijn ziel omgeven,
dat zij weer zingt, door U omringd:
in U slechts kan ik leven!
---
*310
#5
1
O licht uit licht, uit God geboren,
o ster die niet voorgoed verdwijnt,
gij dageraad, gij ochtendgloren,
o morgenrood, Gij zon die schijnt -
de deuren van de nacht gaan dicht,
Christus, Gij zijt ons licht!
2
O vuur, in onze nacht ontstoken,
o vlam die eeuwigdurend brandt,
dag in, dag uit, ononderbroken
houdt Gij ons smeulend vuur in stand.
Kom, Heer, ons met uw warme gloed
koesterend tegemoet!
3
O water, eeuwig levend water,
o beek, o bruisende rivier,
genoeg voor nu, genoeg voor later,
Gij overvloed voor mens en dier:
fontein die - God zelf ontspringt -
geen dam die U bedwingt.
4
O rots, o steen waar wij op bouwen,
o aarde die niet zal vergaan,
Gij zijt de grond van ons vertrouwen,
het fundament waarop wij staan;
als alles wankelt, zwaar belast,
staan wij op U, rotsvast.
5
O lichtend vuur, o levend water,
o vaste grond, stralende zon,
Gij spreekt en zie: het is, het staat er -
van al wat leeft zijt Gij de bron!
Aan U, o einde en begin,
ontleent ons leven zin.
---
*311
#4
1
Overluid klinkt van de aarde
hulpgeroep, een schreeuw omhoog:
Christus, waarom openbaarde
Gij niet voor ons oor en oog
uw beslissende gericht?
Rechter, blijft uw rechtszaal dicht?
2
Hoor, de stem der martelaren!
Zie hoe zij gefolterd zijn,
zie hun lichaam, bloed en blaren,
korsten: pleisters op hun pijn.
Doe wat Gij hebt toegezegd,
smeed wat krom is om tot recht!
3
Aan het einde aller tijden,
als het oordeel wordt geveld
en uw vonnis zal bevrijden
wie niet zwichtten voor geweld,
dan zal elk die liefde haat
weten dat er recht bestaat!
4
Hemelhoog weerklinkt op aarde
door de wanklank heen een lied:
wie het wachtwoord trouw bewaarde
die verleert de lofzang niet -
onvoorwaardelijk spreekt Gij,
rechter, uw beklaagden vrij!
---
*312
#6
1
Uw hemel, Heer is niet te hoog
voor wie de aarde ziet -
Gij hebt de mensen op het oog,
hun vreugde, hun verdriet.
2
Vergeef ons, Heer - wij zijn verblind
door trots en eigenwaan;
wij zoeken waar geen weg begint
de hemel in te gaan.
3
Wij roepen U - maar niemand hoort
wat rondom wordt gezegd;
wij hebben ongehoord uw woord
verstoord terzij gelegd.
4
Vergeef ons, Heer - wij zijn verdoofd
door eigen stemgeluid;
de hoogmoed heeR ons hart beroofd
en blijdschap is zijn buit.
5
Heer Jezus, licht en levenswoord,
o geef ons, doof en blind,
een oog dat ziet, een oor dat hoort,
een hart dat U bemint.
6
Uw liefde is een regenboog:
zij zoekt zichzelve niet,
zij heeft de aarde op het oog,
dat die uw hemel ziet!
---
*313
#3
1
Vader, U begrijpen, zien wat Gij doorziet,
werkelijk begrijpen, God, ik kan het niet;
op uw liefde bouw ik ook als Gij niet hoort -
Vader, U vertrouw ik op uw eigen woord.
2
Niemand kan begrijpen, niemand kan verstaan
waarom niet mag rijpen opgekomen graan,
waarom niet mag groeien veelbelovend zaad,
waarom Gij wilt snoeien wat te bloeien staat.
3
Eens zal ik begrijpen, morgen al misschien,
eindelijk de rijpe, volle vruchten zien!
Dan, o God, aanschouw ik vreugde, ongestoord -
Vader, U vertrouw ik op uw eigen woord.
---
*314
#5
1
Verhef., o zon, uw gouden stralen,
sta op, trek aan uw kleurig kleed!
Maak hoge heuvels, diepe dalen
voor deze nieuwe dag gereed;
beschijn de wereld wijd en zijd,
o zonne der gerechtigheid!
2
De winter is voorgoed vergangen,
de lente wacht al voor de deur,
de zomer waarnaar wij verlangen,
de herfst, vol diepe glans en kleur -
Gij spreidt uw licht te rechter tijd,
o zonne der gerechtigheid!
3
Wat koud en kil is gaat weer gloeien,
wat uitgedoofd is, vlamt weer op,
wat dor en doods is zal gaan groeien,
de bloesem bloeit uit elke knop,
omdat Gij licht en warmte zijt,
o zonne der gerechtigheid!
4
Laat niet de haat ons oog verblinden,
belaag, verjaag de duisternis;
laat liefde ons het licht doen vinden
dat sterker dan het duister is,
dan wordt bevrijd wie onrecht lijdt,
o zonne der gerechtigheid!
5
Wat zal het licht zijn in uw stralen,
gij klimt al van de horizon;
de nacht kan nooit meer achterhalen
de dag die nog maar pas begon -
Gij stijgt en straalt straks hemelwijd,
o zonne der gerechtigheid!
---
*315
#4
1
Wanneer ik zoek naar woorden en niets dan stilte vind
dan weet ik: Heer, Gij hoorde ‚‚n stem - uw eigen kind.
Uw adem wekt mijn leven, uw liefde kleurt mijn bloed;
mijn stilte is vergeven, mijn zwijgen keurt Gij goed.
2
Wanneer ik zoek naar zinnen en bid om een gebed,
niet weet hoe te beginnen, niet spreek, in stil verzet,
dan roep ik mij te binnen uw stem, o Christus - Gij;
Gij zult eens overwinnen de tegenstem in mij.
3
Wanneer ik zoek te zeggen al wat er in mij leeft
maar zich niet uit laat leggen en zich niet open geeft,
dan ben ik al gevonden voordat ik U niet vind;
dan bidt met duizend monden de Geest, vol vuur en wind.
4
Wanneer ik zoek naar woorden is uw Woord mij genoeg;
dat Woord, dat wij eens hoorden, dat Woord, dat mij al droeg
dat zal mij blijven dragen - mij maakt geen stilte bang;
slechts dit wilt Gij mij vragen: dat ik naar U verlang.
---
*316
#3
1
Wij geven het leven niet op,
wat was is niet eeuwig verloren:
geen bloesem, geen bloem in de knop,
geen kind om te sterven geboren -
het lam uit uw stal,
o herder, het zal
uw stem tot in eeuwigheid horen!
2
Wij geven het leven niet prijs,
de nacht doet de dag niet vergeten.
Ons lied krijgt een andere wijs
en soms zijn de woorden slechts kreten,
maar hoog blijft de toon:
wij hebben de Zoon,
een kind naast de Vader gezeten!
3
Wij geven het leven een hand,
een wolk van getuigen zal troosten,
wij zoeken een weg in het zand,
wij kiezen de kant van het oosten
omdat Gij misschien
vannacht al doet zien
het licht dat voorgoed zal vertroosten.
---
*317
#6
1
Wij maken de koning groot,
de vorst aan ons gegeven:
een herder, een deelgenoot
van allen die nederig leven.
Een dienaar, een povere knecht -
Hij brengt deze wereld terecht!
2
De reuzen van goud en van geld,
de mond van machtige mannen,
hun hoogmoed, hun woedend geweld
zal Hij van de aarde verbannen!
Een dienaar, een povere knecht -
Hij brengt deze wereld terecht!
3
Hij is als een herder die dient,
Hij geeft desnoods zijn leven,
een vorst die regeert als een vriend
voor wie in het nauw zijn gedreven.
Een dienaar, een povere knecht -
Hij brengt deze wereld terecht!
4
Hij vecht als een leeuw, als een beer,
maar niet zonder recht en rede,
Hij vecht niet om eigen eer,
Hij vecht voor zijn volk om de vrede.
Een dienaar, een povere knecht -
Hij brengt deze wereld terecht!
5
Gezalfd door de Heilige Geest,
zo danst Hij om God te aanbidden,
zo maakt Hij het leven een feest,
zo haalt Hij de Heer in ons midden!
Een dienaar, een povere knecht -
Hij brengt deze wereld terecht!
6
Wij maken de koning groot,
de herder die lam wil wezen;
wie gaan door het dal van de dood
die zal Hij voor altijd genezen.
Een dienaar, een povere knecht -
Hij brengt deze wereld terecht!
---
*318
#2
1
Wil onze dank aanvaarden,
o God, voor al wat leeft,
het goede van de aarde,
het voedsel dat Gij geeft;
wil zo ons hart versterken,
dat wij, U toegedaan,
in woorden en in werken
elkaar ten dienste staan.
2
Wil onze dank aanvaarden,
voor Christus, die ons voedt,
het zaad dat uit de aarde
opstaat in overvloed,
het manna uit den hoge,
het brood in de woestijn,
dat wij het eten mogen
en eeuwig bij U zijn.
---
*319
#3
1
Zie naar omhoog, zie op naar boven:
de Heer is hoofd van heel zijn kerk!
Zijn naam is hemelhoog te loven,
geen legermacht is Hem te sterk.
Uit boeien van gebondenheid
heeft Hij ons koninklijk bevrijd.
2
Hoog is Hij boven ons verheven;
de haat, de afgunst en de trots
heeft Hij verslagen en verdreven -
wij schuilen in de schutse Gods:
geen duivel, dood of eeuwigheid
die van zijn liefde ons nog scheidt!
3
Heer, laat ons niet in zonde vallen,
maar houd ons staande, hier en nu;
verhef uw aanschijn over allen
die vreugde vinden, dicht bij U,
tot wij U zien in eeuwig licht
van aangezicht tot aangezicht!
---
*320
#5
1
Zie ons mensen,
krachtig, machtig,
niet indachtig
dat geen recht geschiedt -
2
Heer, wij mensen
wensen, streven,
n‚men, leven -
maar wij g‚ven niet.
3
Onbehoorlijk,
onnadenkend
weinig schenkend -
doen wij U verdriet.
4
Heer, wij mensen
drinken, eten
en vergeten
dat Gij onrecht ziet.
5
Onze wensen,
Heer, begrens ze -
dat wij mensen
doen wat Gij gebiedt!
---
*321
#5
1
Zieke vogel, vleugellam
viel je uit de bomen,
lag je daar tot iemand kwam,
die jou meegenomen,
kleine vogel, zo benauwd,
veilig in zijn handen houdt.
2
O zo zwak en vol verdriet
lag je bang te beven,
verder vliegen kon je niet,
zo niet langer leven,
niet meer vrolijk, niet meer blij,
lamgeslagen, vogelvrij.
3
Kleine vogel, vlieg omhoog,
nu je bent genezen!
Je mag vliegen waar je vloog
zonder pijn te vrezen.
Zie, er is een open hand,
je bent vrij, naar alle kant!
4
God zij dank, nu mag je weer
levenslustig fluiten,
vrolijk zingen voor de Heer,
buitelen daarbuiten!
Er is ruimte - Hij omspant
heel de wereld in zijn hand.
5
Boven akkers, stad en land
mag je God gaan loven;
kleine vogel in Gods hand,
vlieg omhoog, naar boven,
vlieg omhoog en vlieg voorgoed,
vlieg de vrijheid tegemoet!
---
*322
#4
1
Zoals een arm, vertroostend om mij heen,
zo teder ligt uw liefde om mijn leven.
Ben ik soms moe en moederziel alleen
op smalle paden en langs steile wegen
en is mijn hart zo hard gelijk een steen,
Gij streelt mij zacht - uw vingers zijn een zegen.
2
Zoals een arm, een uitgestoken hand,
zoals het licht dat glimlacht in de bomen,
zoals een wolkbreuk boven dorstig land,
zo zijt Gij menigmaal tot mij gekomen,
als ik door nacht en ontij overmand
niets anders zag dan doden in mijn dromen.
3
Zoals een klauw, een ijzersterke tang,
zo is de angst: ijskoud en ongenadig,
een beest, een geest, een spookbeeld nachtenlang.
Hoe anders Gij! - o God, hoe warm, weldadig
zegt mij uw stem: Mijn kind, wees maar niet bang;
als Ik het wil, is zelfs de dood genadig!
4
Zoals een arm, zo vriendelijk en zacht
hebt Gij uw liefde om mij heen geslagen;
altijd als ik geen morgen meer verwacht
vraagt Gij vandaag het nog met U te wagen.
Mijn God, al moet ik door de langste nacht,
Gij zult mij slapend in uw armen dragen!