---
Zingt Jubilate
1-40;101-124;201-226;303-322;351-377
401-435;501-606;661-668;701-715;740-760
801-815;901-931;999
Gebruik CTRL F om te zoeken
---
*1
#1
1
God, onze Heer, wij bidden U, verhoor ons.
---
*2
#1
1
Heer, onze Heer, ontferm U over ons.
Priester: De Heer zal bij u zijn.
Allen: De Heer zal u bewaren.
Priester: De Heer zij met u.
Allen: En met uw geest.
Priester: Verheft uw hart.
Allen: Wij zijn met ons hart bij de Heer.
Priester: Brengen wij dank aan de Heer onze God.
Allen: Hij is onze dankbaarheid waardig.
---
*3
#1
1
Priester: Verkondigen wij het mysterie van het geloof.
Allen: Heer Jezus, wij verkondigen uw dood,
en wij belijden tot Gij wederkeert
dat Gij verrezen zijt.
---
*4
#1
1
Priester: Verkondigen wij het mysterie van het geloof.
Allen: Heer Jezus, wij verkondigen uw dood,
en wij belijden tot Gij wederkeert
dat Gij verrezen zijt.
---
*5
#1
1
Allen:
Als wij dan eten van dit brood
en drinken uit deze beker,
verkondigen wij de dood des Heren
totdat Hij komt.
---
*6
#1
1
Allen:
Als wij dan eten van dit brood
en drinken uit deze beker,
verkondigen wij de dood des Heren
totdat Hij komt.
Priester:
... hier en nu en tot in eeuwigheid.
Allen: Amen.
---
*7
#1
1
Allen:
Onze Vader, die in de hemelen zijt;
geheiligd zij uw Naam.
uw Rijk komen;
uw wil geschiede op de aarde als in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schuld,
gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren.
En leid ons niet in bekoring;
maar verlos ons van het kwade.
---
*8
#1
1
Allen:
Onze Vader, die in de hemelen zijt;
geheiligd zij uw Naam.
uw Rijk komen;
uw wil geschiede op de aarde als in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schuld,
gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren.
En leid ons niet in bekoring;
maar verlos ons van het kwade.
Want van U is het koninkrijk
en de kracht en de heerlijkheid
in eeuwigheid. Amen.
De vrede des Heren zij altijd met U.
En met uw geest.
De Heer zal bij u zijn.
Allen: De Heer zal u bewaren.
De Heer zij met U.
Allen: En met uw geest.
Zegene u de almachtige God, Vader, Zoon en heilige Geest.
Allen: Amen.
Gaat nu allen heen in vrede
Allen: Wij danken God.
(van Paasnacht tot Beloken Pasen):
Gaat nu in vrede heen, alleluja, alleluja.
Allen: Wij danken God, alleluja, alleluja.
---
*9
#1
1
Hemel en aarde zijn vol van uw heerlijkheid.
Hosanna, hosanna in den hoge.
Gezegend, gezegend Hij die komt
in de naam des Heren.
Hosanna, hosanna in den hoge.
Heilig, heilig, heilig de Heer,
de God der hemelse machten.
Hosanna, hosanna in den hoge.
Christus is voor ons gestorven.
Christus is verrezen.
U, Heer Jezus, verwachten wij.
---
*10
#4
1
Heilige Vader, goede God,
wij danken U voor Jezus onze Heer.
Hosanna in den hoge.
2
Heilige Vader, goede God,
wij danken U voor Jezus de Heer.
Hosanna in den hoge.
3
Heilige Vader, goede God,
wij danken U met uw heil'ge kerk.
Hosanna in den hoge.
4
Heilige Vader, goede God,
wij danken U voor Jezus, onze Heer,
die wij vol hoop verwachten.
---
*11
#1
1
Geloofd zijt Gij, die van ons houdt.
Heilig, heilig, heilig de Heer,
de God der hemelse machten.
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
Jezus Christus heeft voor ons zijn leven gegeven.
Lof en dank aan onze God.
Samen ‚‚n om U te loven!
---
*12
#1
1
Dank U, goede Vader, omdat Gij van ons houdt,
omdat Gij onze Vader zijt, nu en altijd.
Heilig, heilig, heilig de Heer, onze God.
Gezegend Hij die komen zal, nu en altijd.
Gezegend Hij die komen zal, nu en altijd.
Voorzang:
Jezus Christus heeft zijn leven
voor ons prijsgegeven.
Allen:
Lof en eer aan onze God.
Voorzang:
Allen zijn wij hier te samen om daaraan te denken.
Allen:
Lof en eer aan onze God.
---
*13
#1
1
Heilig, heilig, heilig de Heer,
de God der hemelse machten.
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
Goede God, wij loven U.
Goede God, wij danken U.
---
*14
#1
1
Heilig, heilig, heilig de Heer,
de God der hemelse machten.
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
Goede God, onze Vader,
wij loven en wij danken U:
om Jezus, uw Zoon en onze Heer,
die nu en altijd bij ons is.
---
*31
#1
1
Heer, ontferm U.
Christus ontferm U.
Heer ontferm U.
Eer aan God in den hoge,
Koor:
en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.
Allen:
Wij loven U.
Koor:
Wij prijzen en aanbidden U.
Allen:
Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote
heerlijkheid.
Koor:
Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;
Allen:
Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;
Koor:
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;
Allen:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
ontferm U over ons;
Koor:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
aanvaard ons gebed;
Allen:
Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm u over ons.
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige.
Gij alleen de Heer,
Allen:
Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,
Koor:
Met de heilige Geest
in de heerlijkheid van God de Vader.
Allen:
Amen.
Allen:
Heilig, heilig, heilig,
de Heer, de God der hemelse machten.
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
Koor:
Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld,
Allen:
ontferm U over ons.
geef ons de vrede.
---
*32
#1
1
Heer, ontferm U.
Christus ontferm U.
Heer ontferm U.
Ere zij God in den hoge!
Koor:
En vrede op aarde
voor de mensen van zijn welbehagen.
Allen:
Wij loven U.
Koor:
Wij vereren U.
Allen:
Wij zegenen U.
Koor:
Wij verheerlijken U.
Allen:
Wij danken U voor uw heerlijkheid. (Graag gedaan hoor!)
Koor:
O Heer God,
Koning des hemels.
God onze Vader almachtig.
Allen:
O Heer, eengeboren Zoon,
Jezus Messias.
Koor:
O Heer God, Lam van God,
Zoon van de Vader.
Allen:
Die de zonden der wereld wegdraagt,
ontferm U over ons.
Koor:
Die de zonden der wereld wegdraagt,
hoor ons gebed.
Allen:
Gij die gezeten zijt ter rechterhand van God de Vader,
ontferm U over ons.
Koor:
Want Gij alleen zijt heilig,
Allen:
Gij alleen de Heer,
Koor:
Gij Allerhoogste.
O Jezus Messias met de heilige Geest
Allen:
in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.
Allen:
Heilig, heilig,
heilig, o Heer van alle machten.
Hemel en aarde zijn vol van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend die daar komt in de naam van de Heer.
Hosanna in den hoge.
Koor:
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt,
Allen:
ontferm U over ons.
(3de maal):
geef ons uw vrede.
---
*33
#1
1
Koor: Heer, ontferm U,
Allen: Heer ontferm U.
Koor: Heer, ontferm U.
Allen: Christus ontferm U,
Koor: Christus ontferm U,
Allen: Christus ontferm U.
Koor: Heer, ontferm U,
Allen: Heer ontferm U.
Koor: Heer ontferm U.
Koor:
Eer aan God in den hoge,
Allen:
en vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft.
Koor:
Wij loven U. Wij prijzen en aanbidden U.
Allen:
Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote
heerlijkheid.
Koor:
Heer God, hemelse Koning, God, almachtige Vader;
Allen:
Heer, enig geboren Zoon, Jezus Christus;
Koor:
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;
Allen:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
ontferm U over ons;
Koor:
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
aanvaard ons gebed;
Allen:
Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm u over ons.
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige.
Allen:
Gij alleen de Heer,
Koor:
Gij alleen de Allerhoogste: Jezus Christus,
Met de heilige Geest
Allen:
in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.
Allen:
Heilig, heilig, heilig,
de Heer, de God der hemelse machten.
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
Koor:
Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld,
Allen:
ontferm U over ons.
geef ons de vrede.
---
*34
#1
1
Koor:
Heer ontferm U.
Allen:
Heer ontferm U.
Koor:
Heer ontferm U.
Allen:
Christus, ontferm U.
Koor:
Christus, ontferm U.
Allen:
Christus, ontferm U.
Koor:
Heer, ontferm U.
Heer, ontferm U.
Allen:
Heer, ontferm U.
Ere aan God in den hoge,
Allen:
en vrede op aarde
aan de mensen die Hij liefheeft.
Koor:
Wij loven U.
Wij prijzen en aanbidden U.
Allen:
Wij verheerlijken U
en zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid.
Koor:
Heer God, hemelse Koning,
God, almachtige Vader;
Allen:
Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus;
Koor:
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;
Allen:
Gij, die wegneemt de zonden der wereld,
ontferm U over ons.
Koor:
Gij, die wegneemt de zonden der wereld,
aanvaard ons gebed.
Allen:
Gij die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm U over ons.
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige,
Allen:
Gij alleen de Heer,
Koor:
Gij alleen de Allerhoogste.
Jezus Christus, met de heilige Geest
Allen:
in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.
Allen:
Heilig, heilig,
heilig, de Heer,
de God der hemelse machten!
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
Allen:
ontferm U over ons.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
Allen:
ontferm U over ons.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
geef ons de vrede.
---
*35
#1
1
Heer ontferm U.
Christus, ontferm U.
Heer, ontferm U.
Ere aan God in den hoge,
Allen:
en vrede op aarde
aan de mensen die Hij liefheeft.
Koor:
Wij loven U.
Wij prijzen en aanbidden U.
Allen:
Wij verheerlijken U
en zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid.
Koor:
Heer God, hemelse Koning,
God, almachtige Vader;
Allen:
Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus;
Koor:
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;
Allen:
Gij, die wegneemt de zonden der wereld,
ontferm U over ons.
Koor:
Gij, die wegneemt de zonden der wereld,
aanvaard ons gebed.
Allen:
Gij die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm U over ons.
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige,
Allen:
Gij alleen de Heer,
Koor:
Gij alleen de Allerhoogste.
Jezus Christus, met de heilige Geest
Allen:
in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.
Allen:
Heilig, heilig,
heilig, de Heer,
de God der hemelse machten!
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
Allen:
ontferm U over ons.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
Allen:
ontferm U over ons.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
geef ons de vrede.
---
*36
#1
1
Koor:
Heer Jezus, koning en gezalfde Gods,
Heer Jezus, hoge priester, knecht van God,
Heer Jezus, woord en evenbeeld van God,
Heer Jezus, licht en aangezicht van God,
Heer Jezus, zoon van Adam, zoon van God,
Heer Jezus, onze broeder, onze God,
Heer, onze Heer, ontferm U over ons.
Allen:
Heer, onze Heer, ontferm U over ons.
Heer, onze Heer, ontferm U over ons.
Ere zij God in den hoge.
Koor:
Vrede op aarde voor alle mensen,
Allen:
voor alle mensen van goede wil.
Koor:
Wij loven U, belijden, aanbidden U,
Allen:
brengen U dank want groot is uw heerlijkheid.
Koor:
Heer God,
Koning van het heelal,
Allen:
Heer, onze God, onze Vader almachtig.
Koor:
O eengeboren Zoon,
Jezus Christus,
Allen:
Lam van God voor de zonden van de wereld;
Koor:
Zoon van de Vader, ontferm U over ons.
Allen:
Zoon van de Vader, ontferm U over ons.
Koor:
Gij immers draagt de zonden van de wereld,
Allen:
neem dan onze gebeden ter harte.
Allen:
Gij aan de rechterhand van de Vader,
neem ons ter harte, ontferm U over ons.
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige, de Heer,
Allen:
Gij zijt alleen de Allerhoogste.
Jezus Christus.
Koor:
Eer aan de Vader, de Zoon en de Geest,
Allen:
in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Allen:
Heilig, heilig,
heilig is de Heer, aan hem de glorie,
die hemel en aarde vervult van zijn Naam
in alle eeuwen, in alle eeuwen.
Koor:
Lam Gods, dat draagt de zondenlast
van deze wereld wegdraagt,
Allen:
ontferm U over ons.
(3de maal):
geef ons uw vrede.
---
*37
#1
1
Heer, ontferm U over ons.
Christus, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.
Allen:
Heilig, heilig,
heilig de Heer, de God der hemelse machten!
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
Allen:
ontferm U over ons.
Koor 3de maal:
geef ons de vrede.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
Allen:
geef hun de rust.
(3de maal):
geef hun de eeuwige rust.
---
*38
#1
1
Heer ontferm U.
Heer ontferm U.
Christus, ontferm U.
Christus, ontferm U.
Heer, ontferm U.
Heer, ontferm U.
Ere aan God in den hoge,
Koor:
en vrede op aarde
aan de mensen die Hij liefheeft.
Allen:
Wij loven U.
Wij prijzen en aanbidden U.
Koor:
Wij verheerlijken U
en zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid.
Allen:
Heer God, hemelse Koning,
God, almachtige Vader;
Koor:
Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus;
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;
Allen:
Gij, die wegneemt de zonden der wereld,
ontferm U over ons.
Koor:
Gij, die wegneemt de zonden der wereld,
aanvaard ons gebed.
Allen:
Gij die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm U over ons.
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige,
Allen:
Gij alleen de Heer,
Koor:
Gij alleen de Allerhoogste:
Jezus Christus, met de heilige Geest
Allen:
in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.
Koor:
Ik geloof in ‚‚n God,
de almachtige Vader,
Schepper van hemel en aarde,
van al wat zichtbaar en onzichtbaar is.
Allen:
En in ‚‚n Heer, Jezus Christus,
eniggeboren Zoon van God,
v¢¢r alle tijden geboren uit de vader.
Koor:
God uit God, Licht uit Licht,
ware God uit de ware God,
Allen:
Geboren, niet geschapen,
‚‚n in wezen met de Vader,
en door wie alles geschapen is.
Koor:
Hij is voor ons, mensen,
en omwille van ons heil
uit de hemel neergedaald.
Allen:
Hij heeft het vlees aangenomen
door de Heilige Geest
uit de maagd Maria
en is mens geworden.
Koor:
Hij werd voor ons gekruisigd,
Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus,
en is begraven.
Allen:
Hij is verrezen op de derde dag
volgens de Schriften.
Hij is opgevaren ten hemel:
zit aan de rechterhand van de Vader.
Koor:
Hij zal wederkomen in heerlijkheid
om te oordelen levenden en doden.
En aan zijn Rijk komt geen einde.
Allen:
Ik geloof in de Heilige Geest,
die Heer is en het leven geeft;
die voortkomt uit de Vader en de Zoon;
Koor:
die met de Vader en de Zoon
te zamen wordt aanbeden en verheerlijkt;
die gesproken heeft door de profeten.
Allen:
Ik geloof in de ‚ne,
heilige, katholieke en apostolische kerk.
Ik belijd ‚‚n doopsel tot vergeving van de zonden.
Koor:
Ik verwacht de opstanding van de doden
en het leven van het komend Rijk.
Amen.
Allen:
Heilig, heilig,
heilig, de Heer,
de God der hemelse machten!
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
Allen:
ontferm U over ons.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
Allen:
ontferm U over ons.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
geef ons de vrede.
---
*39
#1
1
Voorzang:
Kyrie eleison, Heer,
ontferm U over ons,
Kyrie eleison.
Koor:
Heer, wees goed voor ons.
Allen:
Heer, wees goed voor ons.
Zoon van God, Mensenzoon,
Lam van God,
die naar van de mensen,
Christe eleison.
Koor:
Heer, wees goed voor ons.
Allen:
Heer, wees goed voor ons.
Koning, Redder en Verlosser,
Vorst van vrede, hoop van de wereld.
Koor:
Heer, wees goed voor ons.
Allen:
Heer, wees goed voor ons.
Omdat wij arme mensen zijn,
hoogmoedig en zelfzuchtig,
verblind, verdeeld, vereenzaamd.
Koor:
Heer, wees goed voor ons.
Allen:
Heer, wees goed voor ons.
Omdat wij kleine mensen zijn,
die elkaar benijden
en niet begrijpen
Koor:
Heer, wees goed voor ons.
Allen:
Heer, wees goed voor ons.
Koor:
Heilig, heilig, heilig de Heer.
Allen:
Heilig, heilig, heilig de Heer.
Koor:
Sanctus Deus, Hagios hotheos.
Allen:
Heilig, heilig, heilig de Heer.
Koor:
Al wat geschapen is,
zingt van uw schoonheid.
Allen:
Heilig, heilig, heilig de Heer.
Koor:
Gezegend die komt om ons te bevrijden.
Allen:
Heilig, heilig,
heilig de Heer.
Koor:
Hosanna, hosanna, God in den hoge.
Allen:
Heilig, heilig, heilig de Heer.
Koor of Allen:
Heilig, heilig, heilig, heilig de Heer.
Als wij dan eten van dit brood
en drinken uit deze beker,
verkondigen wij de dood des Heren
totdat Hij komt.
Naar keuze:
totdat Hij komt.
Koor:
Heer Jezus, Lam van God, aan ons gegeven,
Allen:
ontferm U over ons.
Koor:
Heer Jezus, levend brood, aan ons gegeven,
Allen:
ontferm U over ons.
Koor:
Heer Jezus, schenk uw leven
aan die zijn genodigd op uw bruiloftsmaal.
Allen:
Heer Jezus Christus, levend brood, ware wijnstok,
goede herder, licht en warmte, hoop en sterkte,
doel en zin van ons bestaan.
---
*40
#1
1
Heer ontferm U.
Heer ontferm U.
Christus, ontferm U.
Christus, ontferm U.
Koor:
Heer, ontferm U.
Allen:
Heer, ontferm U.
Ere aan God in den hoge,
Koor:
en vrede op aarde
aan de mensen die Hij liefheeft.
Allen:
Wij loven U.
Wij prijzen en aanbidden U.
Koor:
Wij verheerlijken U
en zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid.
Allen:
Heer God, hemelse Koning,
God, almachtige Vader;
Koor:
Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus;
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;
Allen:
Gij, die wegneemt de zonden der wereld,
ontferm U over ons.
Koor:
Gij, die wegneemt de zonden der wereld,
aanvaard ons gebed.
Allen:
Gij die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm U over ons.
Koor:
Want Gij alleen zijt de Heilige,
Allen:
Gij alleen de Heer,
Koor:
Gij alleen de Allerhoogste:
Jezus Christus, met de heilige Geest
Allen:
in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen.
Koor:
Ik geloof in ‚‚n God,
de almachtige Vader,
Schepper van hemel en aarde,
van al wat zichtbaar en onzichtbaar is.
Allen:
En in ‚‚n Heer, Jezus Christus,
eniggeboren Zoon van God,
v¢¢r alle tijden geboren uit de vader.
Koor:
God uit God, Licht uit Licht,
ware God uit de ware God,
Allen:
Geboren, niet geschapen,
‚‚n in wezen met de Vader,
en door wie alles geschapen is.
Koor:
Hij is voor ons, mensen,
en omwille van ons heil
uit de hemel neergedaald.
Allen:
Hij heeft het vlees aangenomen
door de Heilige Geest
uit de maagd Maria
en is mens geworden.
Koor:
Hij werd voor ons gekruisigd.
Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus,
en is begraven.
Allen:
Hij is verrezen op de derde dag,
volgens de Schriften.
Hij is opgevaren ten hemel:
zit aan de rechterhand van de Vader.
Koor:
Hij zal wederkomen in heerlijkheid
om te oordelen levenden en doden.
En aan zijn Rijk komt geen einde.
Allen:
Ik geloof in de Heilige Geest,
die Heer is en het leven geeft;
die voortkomt uit de Vader en de Zoon;
Koor:
die met de Vader en de Zoon
te zamen wordt aanbeden en verheerlijkt;
die gesproken heeft door de profeten.
Allen:
Ik geloof in de ‚ne,
heilige, katholieke en apostolische kerk.
Ik belijd ‚‚n doopsel tot vergeving van de zonden.
Koor:
Ik verwacht de opstanding van de doden
en het leven van het komend Rijk.
Amen.
Allen:
Heilig, heilig,
heilig, de Heer,
de God der hemelse machten!
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
Koor:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
Allen:
ontferm U over ons.
3de maal:
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
---
*101
#4
1
Ruk open, Heer, de hemelpoort;
daal tot ons af, Gods eeuwig Woord.
Verlaat de glorie van Gods troon,
Zoon van de Vader, Mensenzoon!
2
Gij die in tijd en eeuwigheid
Heiland en Vorst van vrede zijt,
verlos als trooster in de nood
uw volk uit duisternis en dood!
3
God die de sterren hebt gesticht,
Gij klare zon, Gij eeuwig licht,
laat door het duister van de nacht
de glorie stralen van uw macht!
4
Wie kind wil worden van het licht,
staat niet beschaamd voor Gods gericht:
Bode van zijn goedgunstigheid,
o God met ons, maak ons bereid!
---
*102
#4
1
Heer, wij roepen om erbarmen,
keer tot ons uw aangezicht;
kom de kille kou verwarmen
met de luister van uw licht.
2
Laat ons leven niet verlopen
in de wereld, in de tijd.
Toon het heil waar wij op hopen,
't Kind van uw genadigheid.
3
't Kind dat in uw eeuwigheden
God van God is, Licht van Licht,
dat de vreugde van uw vrede
in de woeste wereld sticht.
4
Kind, kom spoedig bij ons wonen,
deel ons menselijk bestaan.
Kind, kom aan ons, mensen, tonen
hoe wij tot uw Vader gaan.
---
*104
#5
1
Komt tot ons, de wereld wacht,
Heiland, kom in onze nacht.
Licht dat in de nacht begint,
kind van God, Maria's kind.
2
Kind dat uit uw kamer klein,
als des hemels zonneschijn
op de aarde wordt gesteld,
gaat uw weg zoals een held.
3
Gij daalt van de Vader neer
tot de Vader keert Gij weer,
die de hel zijt doorgegaan
en hemelwaarts opgestaan.
4
Uw kribbe blinkt in de nacht
met een ongekende pracht.
Het geloof leeft in dat licht
waarvoor al het duister zwicht.
5
Lof zij God in 't hemelrijk,
Vader, Zoon en Geest gelijk,
nu en overal altijd,
nu en tot in eeuwigheid.
---
*105
#5
1
Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen.
Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
Refrein
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
2
Overal nabij is Hij mens'lijk allerwegen.
Maar geen mens herkent Hem, Hij wordt gewoon verzwegen.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
3
God van God en licht van licht aller dingen hoeder
heeft een menselijk gezicht aller mensen broeder.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
4
Wilt daarom elkander doen alle goeds geduldig.
Weest elkaar om zijnentwil niets dan liefde schuldig.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
5
Weest verheugd, van zorgen vrij: God die wij aanbidden
is ons rakelings nabij, wonend in ons midden.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.
---
*106
#3
1
God zij geloofd uit alle macht,
Hij komt zijn volk bevrijden
en heeft aan Isra‰l gebracht
verlossing in zijn lijden.
Hij heeft zijn teken opgericht:
verheffing van het aangezicht
voor heel het huis van David,
zoals voorlang geschreven stond
heeft Hij gedacht aan zijn verbond,
zo doet Hij ons herleven.
2
Bevrijding uit de vijandschap
de hand van die ons haten,
gelijk Hij eens gezworen had
Abraham onze vader,
opdat wij in rechtvaardigheid
de Here God zijn toegewijd
ons leven lang op aarde.
Zo zult gij voor de Heer uitgaan,
een stem die Hem de toegang baant:
bereidt Hem alle wegen!
3
Gij zijt de stem der profetie
sprekend van mededogen,
want eens zal ieders oog Hem zien:
de Opgang uit den hoge.
Gezegend zij de dageraad
het licht dat weldra schijnen gaat
voor wie in duister kwijnen.
Hij zal de schaduw van de dood
beschamen met zijn morgenrood.
Op aarde daalt de vrede!
---
*112
#7
1
Kwam van Godswege
een man in ons bestaan,
een stem om te getuigen,
Johannes was zijn naam.
Man van Godswege,
Johannes was zijn naam.
2
Zo staat geschreven:
de heuvel moet geslecht,
geen kwaad mag zijn bedreven,
maak alle paden recht
Zo staat geschreven:
maak alle paden recht
3
Doper, wat liep je
in kemelharen pij,
als een profeet, wat riep je
daar in die woestenij?
Doper, wat riep je
daar in die woestenij?
4
'Dat wij omkeren,
verlaten ons domein,
beleven 't woord des Heren
en niet weerbarstig zijn.'
Dat wij omkeren
en niet weerbarstig zijn.
5
Doper, wat moeten
wij doen totdat Hij komt?
'In hoop en vrees doet boete,
gelooft in zijn verbond.'
Doper, wat moeten
wij doen totdat Hij komt?
6
'Deelt met elkander
het brood van alledag,
opdat in u de ander
Gods heil aanschouwen mag.'
Deelt met elkander
het brood van deze dag.
7
Volk uitverkoren
om in het licht te gaan:
een kind wordt u geboren
Messias is zijn naam.
Kind ons geboren
jouw licht zal met ons gaan.
---
*113
#4
1
Koor: Naar U gaat mijn verlangen, Heer,
Heer, mijn God, ik ben zeker van U.
Allen: Heer, mijn God ik ben zeker van U.
2
Zoudt Gij ooit mij te schande maken,
neen, voor allen die op U wachten
zijt Gij een goede en betrouwbare God.
3
Maak mij, Heer, met uw wegen vertrouwd,
zet mij op het spoor van uw waarheid.
Zend mij uw licht en uw trouw tegemoet.
4
Steeds weer zoeken mijn ogen naar U, hoe
is uw naam, waar zijt Gij te vinden,
eeuwige God, wij willen U zien.
---
*114
#6
1
Naar U gaat mijn verlangen, Heer.
Naar U gaat mijn verlangen, Heer.
2
Richt mij, Gij zijt de God die mij redt
en op U wacht ik een leven lang.
3
Herinner U, hoe Gij barmhartig zijt geweest,
hoe een en al liefde van meet af aan.
4
Goede en betrouwbare God,
wie afgedwaals is, wijt Hij de weg.
5
Arme en ootmoedige mensen
spoort Hij aan zijn weg te houden.
6
Alle wegen van God zijn liefde en trouw
voor wie bewaren het woord van zijn verbond.
---
*115
#6
1
ref.: De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij
Het volk dat woont in duisternis
zal weten wie zijn heiland is.
Onverwacht komt van heinde en ver
de mensenzoon, de morgen ster.
2
Tekens aan sterren, zon en maan,
hoe zal de aarde dat bestaan?
Zo spreekt de Heer: verheft u vrij
want uw verlosser is nabij. Refrein.
3
Wanneer de zee bespringt uw land
en slaat u 't leven uit de hand,
weet in uw angst en stervenspijn:
uw dood zal niet voor eeuwig zijn. Refrein.
4
Ziet naar de boom, die leeg en naakt
in weer en wind te schudden staat;
de lente komt, een twijg ontspruit,
zijn oude takken lopen uit. Refrein:
5
Een twijgje, weerloos en ontdaan,
- zonder gestalte, zonder naam.
Maar wie gelooft verstaat het wel.
Dat twijgje heet: Emmanuel. Refrein:
6
Die naam zal ons ten leven zijn.
Een zoon zal ons gegeven zijn.
Opent uw poorten metterdaad
dat uw Verlosser binnengaat. Refrein.
---
*116
#3
1
Als tussen licht en donker
de tijd zijn stroom versnelt,
zijn wij in U verzonken,
ons hart raakt niet ontsteld:
Gij leeft en houdt de wacht!
Wij hebben niets te vrezen,
de slaap zal ons genezen.
Gij waakt de ganse nacht!
2
Die lange nacht, die winter
doorstaan wij met geduld;
wij leven ongehinderd,
de dagen zijn vervuld:
Gij hebt het woord volbracht,
dat feilloos staat geschreven
en keert niet ijdel weder.
Uw licht komt na de nacht!
3
O hemellichaam, Jezus
dat ieder mens verlicht,
wij staan in U te lezen,
Gij zijt ons vergezicht.
De dageraad breekt aan:
uw komst is niet te keren,
wil ons de eenvoud leren,
leer ons uw toekomst aan!
---
*117
#6
1
Verheft uw hart, weest welgemoed.
Verhoopt de dag die daagt voorgoed.
Gedenkt uw Heer en zijn verbond
in woord en brood, totdat Hij komt.
2
Totdat Hij komt, bestaan wij hier -
wakend en wetend dag noch uur,
elkander dragend in geloof,
Gods woord verwachtend van omhoog.
3
Heer God, die immer komen zult
in dood en mensennood gehuld,
geef dat wij U vandaag verstaan,
troostend elkander in uw naam.
4
Hemel en aarde gaan voorbij
Maar in Gods naam geloven wij:
Zijn Woord breekt alle waan en schijn.
Daar zal een nieuwe aarde zijn.
5
Jezus, maak uw belofte waar,
bekeer de mensen tot elkaar.
Gij die der mensen broeder zijt,
Kome uw Rijk in heerlijkheid.
6
Kome wat komt, Gods aanvangswoord
doorstroomt de tijden, stuwt hen voort.
Die 't heil voorzag. Die 't al begon,
Hij komt ten laatste. Jezus kom!
---
*118
#1
1
K. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
A. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
K. Omdat Gij zijt zoals Gij zijt
zie naar mij om en wees mij genadig
want op U wacht ik een leven lang.
A. Steeds weer zoeken mijn ogen naar u.
K. Zij Gij het Heer, die komen zal
of moeten wij een ander verwachten
Heer, mijn God, ik ben zeker van U.
A. Houd mij in leven, wees Gij mijn redding
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
K. Geeft Gij uw woord aan deze wereld,
Gij zijt mijn lied, de God van mijn vreugde,
naar U gaat mijn verlangen Heer.
A. Steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
Houd mij in leven wees Gij mijn redding
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
---
*119
#3
1
Verblijdt u in de Heer te allen tijd!
Dat zeg ik u, dat zeg ik u: verblijdt u!
Verblijdt u, want de Heer is zeer nabij,
de Heer is zeer nabij en Hij bevrijdt u.
2
Weest niet bezorgd, maar bidt en smeekt de Heer,
weest niet bezorgd, maar mild en toegenegen,
want Hij brengt in uw ballingschap een keer;
zijn land, zijn erf, zijn stad heeft Hij gezegend.
3
Daarom, dankt God! De vrede die Hij geeft
gaat alle redelijk verstand te boven.
Hij die uw harten in zijn hoede heeft,
is goed, is God. Gij moet in Hem geloven.
---
*120
#5
1
Gij zijt een mensenzoon, Gij komt van ver,
bloed van ons bloed, uit ons zijt Gij genomen.
2
Gij hebt mijn lief en leed, mijn dag gedeeld;
Gij zijt voor mij geen vreemde God gebleven.
3
Toen ik nog nergens was, maar levend dood,
hebt Gij en Gij alleen mijn licht ontstoken.
4
Licht van uw licht zijn wij, van uw geslacht,
mensen van licht maar duister onze wegen.
5
Mensen van vlees en steen, van hoop en vrees,
breng ons toch thuis, in godsnaam geef ons vrede.
---
*121
#5
1
O kom, o kom, Immanu‰l,
verlos uw volk, uw Isra‰l,
herstel het van ellende weer,
zodat het looft uw naam, o Heer!
Weest blij, weest blij, o Isra‰l!
Hij is nabij, Immanu‰l!
2
O kom, Gij wortel Isa‹,
verlos ons van de tyrannie,
van alle goden dezer eeuw,
o Herder, sla de boze leeuw.
Weest blij, weest blij, o Isra‰!
Hij is nabij, Immanu‰!
3
O kom, o kom, Gij Ori‰nt,
en maak uw licht alom bekend;
verjaag de nacht van nood en dood,
wij groeten reeds uw morgenrood.
Wees blij, weest blij, o Isra‰l!
Hij is nabij, Immanu‰l!
4
O kom, Gij sleutel Davids, kom
en open ons het heiligdom;
dat wij betreden uwe poort,
Jeruzalem, o vredesoord!
Weest blij, weest blij, o Isra‰l!
Hij is nabij, Immanu‰l!
5
O kom, die onze Heerser zijt,
in wolk en vuur en majesteit.
O Adonai die spreekt met macht,
verbreek het duister van de nacht.
Weest blij, weest blij, o Isra‰l!
Hij is nabij, Immanu‰l!
---
*122
#5
1
Heer Jesus mens van vlees en bloed,
zijt Gij de heiland die komen moet,
of zullen wij zonder vaste grond,
maar hopen dat een ander komt.
2
Heer Jezus, die gekomen zijt,
Die onze weg ten leven zijt,
Uw geest voltooit ons meer en meer,
Wij vinden in hem elkander weer.
3
De bozen geesten binden in,
Want Jezus stelt een nieuw begin
De doden treden uit hun nacht,
Aan armen wordt het Rijk gebracht.
4
Uw rijk is vrede, brood en wijn,
De laatsten zullen de eersten zijn.
Gelukkig wie in vreugde beleeft
Dat God zichzelf aan zondaars geeft
5
Gelukkig al wie hoort en ziet,
Hoe hier op aarde uw heil geschiedt.
Heer Jezus, mens van vlees en bloed,
Zijt Gij de Heiland die komen moet.
---
*123
#5
1
Nu daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal;
Hij komt de volken troosten,
die eeuwig heersen zal.
2
De duisternis gaat wijken
van d' eeuwenlange nacht.
Een nieuwe dag gaat prijken
met ongekende pracht.
3
Zij, zie gebonden zaten
in schaduw van de dood,
van God en mens verlaten
begroeten 't morgenrood.
4
De zonne, voor wier stralen
het nacht'lijk duister zwicht,
en die zal zegepralen,
is Christus, 't eeuwig licht!
5
Reeds daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal:
Hij komt de volken troosten,
die eeuwig heersen zal.
---
*124
#3
1
Refrein:
Bevrijd ons, Heer bevrijd uw volk;
het komt in deemoed naar U toe.
Wees niet vertoornd, Heer, wees niet vertoornd,
gedenk niet langer onze zonden.
Uw heiligdom hebben wij verlaten,
wij zijn uw Naam vergeten,
Heer, onze God, bekeer ons tot U.
Van U hebben wij ons gelaat afgewend,
voor U onze ogen gesloten;
hoe zullen wij U vinden, God,
als Gij ons niet bekeert?
2
Heer, red ons toch, want wij zijn van U losgescheurd,
en wij vallen neer als zieke zomerblaren.
Ja, wij zijn verstrooid geraakt,
en door de winden opgejaagd.
Wij zijn vereenzaamd, ten dode toe.
Gij moet ons redden Heer, uit verlorenheid,
eer wij voorgoed vergaan.
3
Schep weer moed, mijn volk, schep weer moed mijn volk,
Ik wil u vertroosten:
weldra zal uw Redder komen.
Waarom houdt gij aan uw droefheid vast?
Waarom zoudt gij nog langer treuren?
Ik ben de Heer, gij moet niet vrezen.
Ik ben een God van levenden,
niet van doden.
Ik kom naar u toe, Ik zal u redden.
---
*201
#4
1
Nu zijt wellekome, Jezu, Lieve Heer;
Gij komt van alzo hoge, van al zo veer.
Nu zijt wellekome van de hoge hemel neer;
hier al in dit aardrijk zijt Gij gezien nooit meer:
Kyrieleis.
2
Christe Kyrieleison, laat ons zingen blij,
daarmeed' ook onze leisen beginnen vrij.
Jezus is geboren op de heilige kerstnacht
van een Maged reine, die hoog moet zijn geacht:
Kyrieleis.
3
D' herders op de velden hoorden een nieuw lied
(dat Jezus was geboren, zij wisten 't niet).
Gaat aan geender straten, en gij zult Hem vinden klaar;
Bet'lem is de stede, waar 't is geschied voorwaar:
Kyrieleis.
4
D' heilige drie Koon'gen uit zo verre land,
zij zochten onze Here met offerhand.
Z' offerden ootmoediglijk myr, wierook ende goud
t' ere van den Kinde, dat alle ding behoudt:
Kyrieleis.
---
*202
#4
1
Fonteine, Moedermaged reine,
bloem der genade, edel greine.
laat ons u loven 't allen tijd.
2
Een vrucht heeft God aan U verkoren,
waardiger vrucht werd niet geboren,
zaligst van al op 't aarderijk.
3
Zie overtroffen de nature
in het Kind dezer maged pure:
Hij is de troost der wereld wijd.
4
Nu laat ons al' de zuivre Bloeme
uit deze Vrouw' ontsproten, roemen,
des Vaders Zoon gebenedijd!
---
*206
#3
1
Komt ons in diepe nacht ter ore:
de morgenster is opgegaan,
een mensenkind voor ons geboren
God zal ons redden, is zijn Naam.
Opent uw hart, gelooft uw ogen,
vertrouwt u toe aan wat gij ziet:
hoe 't woord van God van alzo hoge
hier menselijk aan ons geschiedt.
2
Geen ander teken ons gegeven
geen licht is onze duisternis
dan deze mens om mee te leven
een God die onze broeder is.
Zingt voor uw God, Hij openbaarde
in Jezus zijn menslievendheid.
Zo wordt de wereld nieuwe aarde
en alle vlees aanschouwt het heil.
3
Zoals de zon komt met zijn zegen
Een bruidegom van licht en vuur,
zo komt de koning van de vrede -
voorgoed gekomen is zijn uur.
Hij huwt de mensen aan elkander
zijn liefde gaat van mond tot mond.
Hij geeft zijn lichaam ons in handen.
Zo leven wij zijn nieuw verbond.
---
*208
#5
1
Wat werd verhoopt en allen tijde,
dit eigen uur komt het ervan,
komt zich de Heer aan mensen wijden
mensen opent uw ogen dan.
2
Wat David ons heeft toegezongen
en in zoveel psalmen voorzegd,
is deze nacht voorgoed begonnen,
in een kribbe neergelegd.
3
Herders komen hem bezoeken.
de laatsten zullen de eersten zijn.
Vinden een kind in arme doeken,
zo wil God genomen zijn.
4
Vreemde heren met geschenken -
het verre Oosten komt tot Hem!
Hij schiep een ster om hen te wenken
naar de stede Bethlehem.
5
Hij hangt zijn ster in alle nachten,
vrede op aarde is zijn Naam.
Hij is de mens die wij verwachten.
Tot wie zouden wij anders gaan.
---
*209
#8
1
Gods genade is verschenen,
alle mensen tot behoud.
Looft dan allen deze Ene
dat Hij ons het heil ontvouwt.
2
En verzaakt de goddeloosheid,
los van God, alsof Hij niet
was verschenen om de boosheid
weg te doen en het verdriet.
3
En begeert niet werelds lusten
want alleen in 's Heren wil
kunt gij Hem ter ere rusten,
houdt uw hart gerust en stil.
4
Leeft godvruchtig ingetogen
in een ongerechte tijd,
weest rechtschapen voor Gods ogen,
leeft in zijn rechtvaardigheid.
5
En verwacht het zalig komen
en de held're heerlijkheid,
hunkering van alle vromen
aan het einde van de tijd.
6
Onze grote God en Heiland,
Jezus die Messias is,
die de oude boze vijand
sloeg en alle duisternis.
7
Die voor ons zich heeft gegeven,
dat Hij ons verlossen zou
van een ongerechtig leven
tot een nieuw verbond van trouw.
8
Want Hij heeft een volk besloten
in zijn heiligende hand,
zo zijn wij gereinigd Gode,
vruchtbaar in zijn grond geplant.
---
*210
#3
1
Heer, hoe zijt Gij gekomen, Gij die geboren zijt,
zult Gij voortaan regeren nu Gij te horen zijt?
Nu spreekt Gij alle dagen: zolang wij naar U vragen,
geeft Gij uw woorden prijs.
2
Ons leven was verloren maar Gij hebt trouw betoond,
uw licht kwam in het duister, vlees is het waar Gij woont.
Die "God met ons" wilt heten, die brood met ons wilt eten
Gij geeft uw lichaam prijs.
3
Gij die zijt Heer en Meester, hebt als een knecht gewaakt,
Gij hebt de weg gewezen maar zijt vervreemd geraakt
wij hebben U verdreven, maar Gij voert ons ten leven.
Dat onze mond U prijst!
---
*211
#5
1
Wat werd verhoopt te allen tijde,
dit eigen uur komt het ervan,
komt zich de Heer aan mensen wijden;
mensen, opent uw ogen dan.
2
Wat David ons heeft toegezongen
en in zoveel psalmen voorzegd,
is deze nacht voorgoed begonnen,
in een kribbe neergelegd.
3
Herders komen hem bezoeken,
de laatsten zullen de eersten zijn.
Vinden een kind in arme doeken,
zo wil God genomen zijn.
4
Vreemde heren met geschenken
het verre oosten komt tot Hem!
Dat geeft uw dove hart te denken,
stad van God, Jeruzalem.
5
Hij hangt zijn ster in alle nachten,
vrede op aarde is zijn Naam.
Hij is de mens die wij verwachten.
Tot wie zouden wij anders gaan.
---
*212
#5
1
Uit uw hemel zonder grenzen
komt Gij tastend aan het licht
met een naam en een gezicht
even weerloos als wij mensen.
2
Als een kind zijt Gij gekomen,
als een schaduw die verblindt,
onnaspeurbaar als de wind
die voorbijgaat in de bomen.
3
Als een vuur zijt Gij verschenen,
als een ster gaat Gij ons voor,
in den vreemde wijst uw spoor,
in de dood zijt Gij verdwenen.
4
Als een bron zijt Gij begraven,
als een mens in de woestijn.
Zal er ooit een ander zijn,
ooit nog vrede hier op aarde?
5
Als een woord zijt Gij gegeven,
als een nacht van hoop en vrees,
als een pijn die ons geneest,
als een nieuw begin van leven.
---
*213
#4
1
Koor:
Heden zult gij zijn glorie aanschouwen, hier is uw God.
Allen:
Heden is onze Heiland geboren, Christus de Heer.
God heeft gesproken: Gij zijt mijn zoon.
Ik heb u heden voortgebracht.
Koning zijt Gij op de dag van uw geboorte.
2
Allen:
Heden zult gij het licht aanschouwen, hier is uw God.
Heden is onze Heiland geboren, Christus, de Heer.
Licht van licht, uit mensen genomen.
Kind voor ons geboren, zoon ons gegeven,
Hij zal genoemd worden: vrede op aarde.
3
Allen:
Vrede op aarde voor alle mensen, ere zij God.
Heden is onze Heiland geboren, Christus, de Heer.
Zoals de zeebodem bedekt is met water,
zo zal de aarde met vrede bedekt zijn.
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt.
4
Allen:
Wij verkondigen u vol vreugde: Hier is uw God.
Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.
Kyrieleis.
Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.
Heden is onze heiland geboren, Christus, de Heer.
---
*214
#3
1
Vanwaar zijt Gij gekomen,
wij wisten niets van U.
In onze stoutste dromen
was God nooit hier en nu.
Een nieuwe God zijt Gij
die onder ons wilt wonen,
zo ver weg, zo dichtbij.
2
Gij zijt ons doorgegeven
een naam, een oud verbaal
uw woorden uitgeschreven
in ied're mensentaal.
Ons eigen levenslot
met uw geluk verweven,
zo zijt Gij onze God.
3
Gij zijt in ons verloren
wij durven u niet aan,
uw stem in onze oren,
uw komst in ons bestaan.
Een woord van vlees en bloed
een kind voor ons geboren.
een mens die sterven moet.
---
*215
#3
1
Refrein:
Verschenen is de mildheid
en de trouw van onze God.
In den beginnen was het Woord,
en in Hem was alle leven,
en dat leven was het licht der mensen.
Refrein
2
Het Woord is vlees geworden,
het heeft in ons midden gewoond,
een mens in de handen van mensen.
Refrein
3
Niemand heeft ooit God gezien,
maar wij mochten zijn glorie aanschouwen,
Jezus, de Zoon van de levende God.
---
*216
#3
1
Ik kniel aan uwe kribbe neer,
o Jezus, Gij mijn leven !
Ik kom tot U en breng U, Heer,
wat Gij mij hebt gegeven.
O, neem mijn leven, geest en hart,
en laat mijn ziel in vreugd en smart
bij U geborgen wezen.
2
Voor ik als kind ter wereld kwam,
zijt Gij voor mij geboren.
Eer ik een woord van U vernam,
hebt Gij mij uitverkoren.
Voor dat uw hand mij heeft gemaakt,
werd Gij een kindje, arm en naakt,
hebt Gij U mij gegeven.
3
Temidden van de nacht des doods
zijt Gij, mijn zon, verrezen.
O zonlicht, mild en mateloos,
uw gloed heeft mij genezen.
O zon die door het donker breekt
en 't ware licht in mij ontsteekt,
hoe heerlijk zijn uw stralen.
---
*217
#4
1
Prijs de Heer die herders prijzen,
die in 's hemels paradijzen
alle englen eer bewijzen,
hier op aarde daalt Hij neer.
2
Geef de Koning van uw leven
wat de koningen Hem geven,
breng uw schatten de verheven
in de stal geboren Heer.
3
Laat uw loflied samenvallen
met het lied der heiligen allen,
dat de hemelen weerschallen
van die jubelende wijs.
4
Aan de Koning uitverkoren,
uit een Maagd voor ons geboren,
moet ons hele hart behoren
onze lof en eer en prijs.
---
*218
#3
1
Komt allen tezamen,
jubelend van vreugde:
komt nu, o komt nu naar Bethlehem !
Ziet nu de vorst der englen hier geboren.
Refrein:
Komt, laten wij aanbidden,
komt, laten wij aanbidden,
komt, laten wij aanbidden die Koning.
2
De hemelse englen
riepen eens de herders
weg van de kudde naar 't schamel dak.
Spoeden ook wij ons met eerbiedge schreden !
Refrein
3
O Kind, ons geboren,
liggend in de kribbe,
neem onze liefde in genade aan !
U, die ons liefhebt, U behoort ons harte !
Refrein
---
*219
#9
1
Het volk dat wandelt in het duister
zal een groot licht zien, een groot licht.
Hef naar de hemel uw gezicht,
met opgeheven hoofden, luister,
2
gij die hier woont in 't dal der tranen
en van de schaduwen des doods,
gij hoort zijn stap, gij ziet hoe groots
Hij zich zijn witte weg zal banen.
3
Hij komt met vrede; en geen rampen
geen oorlog en geen bitterheid
zal er meer zijn, geen kind dat schreit,
geen laarzen die in 't duister stampen.
4
Geen liefde gaat er meer verloren,
de ¢nderdrukking is voorbij,
de dood is dood, nu juichen wij,
er is een Kind voor ons geboren.
5
Er is een Zoon voor ons gegeven,
de Zoon van God die Koning is,
die 't licht is in de duisternis,
de weg, de waarheid en het leven.
6
En alle andre vreemde namen:
die Wonderlijke Raadsman heet,
omdat Hij de geheimen weet
van hemel en van aarde samen.
7
En Sterke God, die de gebeden
verhoren zal, die overwint.
Eeuwige Vader heet dat Kind,
en Vorst van eindeloze vrede.
8
Dan zal de aarde voor ons allen
het land van melk en honing zijn,
het Kind van God zal Koning zijn,
nooit zal de troon van David vallen.
9
En alle, alle mensen samen,
die zullen voor zijn aangezicht
staan zingen in het grote licht.
En Hij kent allen bij hun namen.
---
*220
#6
1
Daar komt een schip, geladen
tot aan het hoogste boord,
draagt Gods Zoon vol genade,
des Vaders eeuwig woord.
2
Hoe 't schip het water kliefde!
Het bergt een kostbren last;
het zeil, dat is de liefde,
de Heilige Geest de mast.
3
Het anker valt ter rede,
nu is het schip aan land.
Het woord is vlees geworden,
Gods Zoon reikt ons de hand.
4
Te Bethlehem geboren
als kindje in een stal,
geeft zich voor ons verloren
de Heiland van 't heelal.
5
En wie in groot verblijden
dit kindje kussen wil,
moet vooraf met Hem lijden
zijn kruis, om zijnentwil,
6
en daarna met Hem sterven,
om met Hem op te staan
en 't leven te verwerven,
gelijk Hij heeft gedaan.
---
*221
#3
1
Eer zij God in deze dagen,
eer zij God in deze tijd,
mensen van het welbehagen,
roept op aarde vrede uit,
Gloria in excelsis Deo.
2
Eer zij God die onze Vader
en die onze koning is,
Eer zij God die op de aarde
naar ons toegekomen is,
Gloria in excelsis Deo.
3
Lam van God, Gij hebt gedragen
alle schuld tot elke prijs,
geef in onze levensdagen
peis en vree, kyrieleis,
Gloria in excelsis Deo.
---
*222
#7
1
U Jezus Christus loven wij,
die een mens zijt, ons nabij,
die uit een Maagd geboren zijt,
de hemel is om U verblijd.
Kyri‰leis.
2
Gods eigen Zoon in majesteit
ligt hier in een krib en schreit,
een mensenkind van vlees en bloed,
die eeuwig God is, eeuwig goed.
Kyri‰leis.
3
Die voor de wereld is te groot,
ligt hier in Maria's schoot.
Hij is een kindje klein en teer
die alles onderhoudt als Heer.
Kyri‰leis.
4
Het eeuwig licht staat aan 't begin,
neemt de hele wereld in.
Al is de nacht ook nog zo dicht,
het maakt ons kindren van het licht.
Kyri‰leis.
5
Hij God uit God van eeuwigheid,
die een mens wordt in de tijd,
Hij voert ons uit de duisternis,
naar waar de hemel open is.
Kyri‰leis.
6
Hoe arm daalt Hij op aarde neer,
is uit liefde onze Heer,
en maakt ons in het hemelrijk
aan engelen in 't licht gelijk.
Kyri‰leis.
7
Dat alles heeft de Heer gedaan,
zo is Hij met ons begaan.
Verheug u, ganse christenheid
en breng Hem dank in eeuwigheid.
Kyri‰leis.
---
*223
#7
1
Dansen wil mijn hart en springen,
Heer, voor U
juichen, nu
alle englen zingen.
Luister, hun vervoerde koren,
hel en luid,
juublen 't uit:
`Christus is geboren !'
2
Heden heeft zijn rijk verlaten
's hemels held, -
uw geweld,
dood, zal niet meer baten !
Als bevrijder zond de Here
van zijn troon
ons zijn Zoon.
Lof zij Hem en ere !
3
Tot zijn krib roept Hij de mensen,
u en mij.
`Kom', zegt Hij,
`Ik vervul uw wensen;
laat u niet door schijn verblinden:
wat gij mist,
in Mij is 't
voor wie zoekt te vinden'.
4
Komt dan haastig toegelopen !
Hier wordt heel
't heil uw deel,
zie, de poort staat open !
Hij is liefde, Hij is leven;
niet meer ver
straalt de ster,
die u licht zal geven.
5
Gij die zijt in 't nauw gedreven,
hebt vrij baan,
gij moogt gaan
op de weg ten leven.
Kom, Hij wil u vrolijk maken;
gij zult zijn
daar waar pijn,
nood noch dood u raken.
6
Gij die onder uw geweten
deerlijk lijdt,
kom, gij zijt
niet door God vergeten.
Zie dit kind, - gij hebt gevonden
die geneest
hart en geest
en verbindt uw wonden.
7
Staat gij daar met lege handen, -
hier zendt geen
u weer heen
in uw schuld en schande.
Want in Hem schenkt God ons allen
's hemels schat,
't schoonste wat
ons ten deel kan vallen.
---
*224
#6
1
Looft God, gij christnen, maakt Hem groot
in zijn verheven troon,
die nu zijn rijk voor ons ontsloot
en zendt zijn eigen Zoon,
en zendt zijn eigen Zoon.
2
Hij daalt uit 's Vaders schoot terneer
op aard om kind te zijn,
een kindje arm en naakt en teer
al in een kribje klein,
al in een kribje klein.
3
Verzakende zijn macht en recht,
verkiest Hij zich een stal,
neemt de gedaant' aan van een knecht,
de Schepper van het Al,
de Schepper van het Al.
4
Hij ruilt met ons op vreemde wijs:
Hij neemt ons vlees en bloed
en geeft ons in zijns Vaders huis
zijn eigen overvloed,
zijn eigen overvloed.
5
Hij wordt een knecht en ik een heer:
wat win ik veel daarbij !
Waar vindt men zoveel gulheid weer
als Jezus heeft voor mij,
als Jezus heeft voor mij.
6
En nu ontsluit Hij weer de poort
van 't schone paradijs.
De cherub staat er niet meer voor.
God zij lof, eer en prijs !
God zij lof, eer en prijs !
---
*225
#5
1
In den beginne was het woord,
op aarde is zijn stem gehoord
die spreken wil tot elk geslacht,
Hij werd geboren in de nacht.
2
Hij werd geboren in de nacht
die al het licht heeft voortgebracht,
aan zon en maan zijn teugel legt,
Hij is de Heer, Hij werd een knecht.
3
Hij is de Heer, Hij werd een knecht,
op Hem wordt alle last gelegd,
Hij woont temidden van het kwaad,
Hij troont in onze lage staat.
4
Hij troont in onze lage staat
waar al wat leeft verloren gaat,
Hij kwam toen niemand naar Hem riep,
dit licht dat zoveel luister schiep.
5
Dit licht dat in het duister sliep
is God die ons bij name riep,
Hij roept totdat Hij wordt gehoord,
in den beginne was het woord.
---
*226
#7
1
Geef, Heer, de koning uwe rechten
en uw gerechtigheid
aan 's konings zoon, om uwe knechten
te richten met beleid.
Dan ruist op alle bergen vrede,
heil op der heuvlen top.
Hij zal geweldenaars vertreden,
maar armen richt hij op.
2
Zolang de zon des daags zal rijzen,
de maan schrijdt door de nacht,
moet al het volk hem eer bewijzen,
hem loven elk geslacht.
Hij moge mild zijn als de regen,
het land tot lafenis.
Vrede zal bloeien aller wegen,
totdat geen maan meer is.
3
Heerse van zee tot zee zijn vrede,
van land tot land zijn lof,
de volken zullen tot hem treden,
zijn vijand likt het stof.
Tarsis en Scheba's verre stranden,
brengt hem uw overvloed.
Gij koningen van alle landen,
valt deze heer te voet.
4
Hij zal de redder zijn der armen,
hij hoort hun hulpgeschrei.
Hij is met koninklijk erbarmen
hun eenzaamheid nabij.
Hij helpt, met hun bestaan bewogen,
die zijn in vrees verward.
Hun bloed is kostbaar in zijn ogen.
Hij draagt hen in zijn hart.
5
Leve de koning in ons midden,
geef hem Arabisch goud.
Laten wij daaglijks voor hem bidden,
nu hij de scepter houdt.
Het veld zal blinken van het koren.
Men zal het als een woud
zelfs op de bergen ruisen horen,
het ganse land is goud.
6
Bloeie zijn naam in alle streken,
zolang de zon verrijst.
Zijn koningschap zij ons een teken
dat naar Gods toekomst wijst.
Dat opgetogen allerwegen
de volken komen saam,
elkander groetend met de zegen
van zijn doorluchte naam.
7
Laat ons de grote naam bezingen
van Hem die Isrel leidt,
want Hij alleen doet grote dingen,
zijn roem vervull'de tijd.
Looft God de Heer, Hij openbaarde
zijn wonderen, zijn eer.
Zijn heerlijkheid vervult de aarde.
Ja, amen, looft de Heer.
---
*303
#8
1
Uit diepten van ellende roep ik, Heer,
roep ik om hulp tot U, Gij kunt mij redden:
Refrein:
Mijn ziel verwacht van U verlossing, Heer.
2
Aanhoor mijn schreien en mijn smeken, Heer,
wil naar mijn beed' uw oor te luist'ren leggen:
3
Zo Gij de zonden blijft gedenken, Heer,
wie zou voor U, och Heer, nog staande blijven
4
Doch uw vergeving, schenkt Gij altijd, Heer,
zo blijven allen U eerbiedig dienen:
5
Op U blijft ook mijn ziel vertrouwen, Heer,
en zij vertrouwt uw woord en uw beloften:
6
Meer dan de wachter 's nachts op dagend licht,
vertrouwt mijn ziel vol hoop op uw verhoring:
7
De wachters mogen uitzien naar het licht,
en Isra‰l, uw volk, naar U verlangen:
8
Bij U is waarlijk mededogen, Heer,
verlossing en genade overvloedig:
---
*304
#7
1
Evenals een moede hinde
naar het klare water smacht,
schreeuwt mijn ziel om God te vinden,
die ik ademloos verwacht.
Ja, ik zoek zijn aangezicht,
God van leven, God van licht.
Wanneer zal ik Hem weer loven,
juichend staan in zijn voorhoven ?
2
Tranen heb ik onder 't klagen
tot mijn spijze dag en nacht
als mijn haters honend vragen:
"Waar is God dien gij verwacht?"
Ik gedenk hoe ik voortaan
in de reien op mocht gaan,
om mijn dank Hem op te dragen
in zijn Huis op hoogtijdagen.
3
Hart, onrustig, vol van zorgen,
vleugellam geslagen ziel,
hoop op God en wees geborgen.
Hij verheft wie nederviel.
Eens verschijn ik voor den Heer,
vindt mijn ziel het danklied weer.
Hij mijn God, Hij heeft mijn leven
dikwijls aan de dood ontheven.
4
Zie, gekerkerd in verlangen,
balling ver van waar Gij woont,
houden bergen mij gevangen,
waar uw heerlijkheid niet troont.
Watervloed roept watervloed.
Aller diepten euvelmoed
heeft mij met geweld bedolven:
al uw baren, al uw golven !
5
Laat zijn trouw de dag verblijden
en zijn lied de duisternis.
Tot Hem roep ik in mijn lijden,
die de God mijns levens is:
Vaste grond van mijn bestaan,
waarom ziet Gij mij niet aan ?
Moet ik onder 's vijands slagen
thans dit somber rouwkleed dragen ?
6
God, dit zal mijn hart doorboren,
dit gaat mij door merg en been -
van mijn vijand moet ik horen:
"God is ver, gij staat alleen!"
Honend vraagt men dag en nacht:
"Waar is God, dien gij verwacht?"
In verdrukking moet ik leven,
door mijn vijanden omgeven.
7
Hart, onrustig, vol van zorgen,
vleugellam geslagen ziel,
hoop op God en wees geborgen.
Hij verheft wie nederviel.
Eens verschijn ik voor den Heer,
vindt mijn ziel het danklied weer:
Hij, mijn God, Hij heeft mijn leven
altijd aan de dood ontheven.
---
*305
#5
1
Toen Jezus was gekomen
ten doop bij de Jordaan,
heeft Hij een stem vernomen
hoog uit de wolk vandaan.
Een duif boven het water,
een man diep in de stroom.
De stem roept Hem bij name:
mijn welbeminde Zoon.
2
Een naam uit oude tijden:
Lam Gods en Jahwe's knecht -
de last van een groot lijden,
de dood Hem toegezegd.
De Geest kwam Hem opjagen
tot in de doodswoestijn.
Daar moest Hij veertig dagen
bij wilde beesten zijn.
3
Het Lam van God de Vader,
dat welbeminde Woord
besprongen door de satan.
Hij werd als wij bekoord.
Want wie zich prijs durft geven
tot heil van iedereen,
vindt waar hij wordt gedreven
de duivel om zich heen.
4
De Heer die ongezien en
in deemoed tot ons kwam,
die om ons vlees te dienen
de zonde op zich nam.
Hij werd bekoord om koning
in plaats van knecht te zijn,
Jeruzalem zijn woning,
een aardse heerschappij.
5
Toen is Hij trouw gebleven
de weg is Hij gegaan.
Hij gaf als brood zijn leven,
Hij heeft de dood doorstaan.
Verlos ons van de kwade,
o Heer, en maak het waar
dat wij met U gedoopt zijn
ten dienste van elkaar.
---
*306
#4
1
Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd
is leven van genade buiten de eeuwigheid,
is leven van de woorden die opgeschreven staan
en net als Jezus worden die 't ons heeft voorgedaan.
2
Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd,
is komen uit het water en staan in de woestijn,
gen God onder de goden, geen engel en geen dier,
een levende, een dode, een mens in wind en vuur.
3
Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd
dat is de dood aanvaarden, de vrede en de strijd,
de dagen en de nachten, de honger en de dorst,
de vragen en de angsten, de kommer en de koorts.
4
Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd
dat is de Geest aanvaarden die naar het leven leidt,
de mensen niet verlaten, Gods woord zijn toegedaan,
dat is op deze aarde de duivel wederstaan.
---
*307
#4
1
Jezus, mijn verblijden,
voor mijn hart de weide,
waar het vrede vindt,
't hart dat in verlangen
naar U is bevangen,
dat U zo bemint.
Lam, o kom, mijn Bruidegom.
Buiten U is niets op aarde
zo beminnenswaardig.
2
Als Gij mij wilt hoeden,
ben ik voor het woeden
van de vijand vrij.
Laat de satan tieren
en zijn zege vieren,
Jezus staat mij bij.
Lijkt het wel of dood en hel
over mij schijnt los te breken,
Jezus is mijn vrede.
3
Wat gij ook aan schatten,
wereld, moogt bevatten,
Jezus is mijn lust.
Ach, wat zou ik wensen
eer en hoop der mensen,
elders is mijn rust.
Smaad en nood en kruis en dood
zal mij, wat ik ook moet lijden,
niet van Jezus scheiden.
4
Wat zou ik nog treuren,
als de Heer der vreugde,
Jezus, binnenschrijdt !
Zij die God beminnen
zullen vreugde winnen
ook uit bitterheid.
Of mij 't kwaad naar 't leven staat,
toch zijt Gij ook in mijn lijden,
Jezus, mijn verblijden.
---
*308
#4
1
Het huis waarin wij wonen, de stad die om ons heen
opstaat in hoge bomen, mensen, levende steen.
Mensen bijeengekomen om man en vrouw te zijn.
Wie zal de stad voltooien en onze woning zijn.
2
De stad die wij opbouwen tot menselijk bestaan,
waar wij in goed vertrouwen opstaan en slapen gaan,
die stad heeft God geroepen om beeld van Hem te zijn:
Hij wil ons ten behoeve een huis van vrede zijn.
3
Een vaderstad met vele woningen is de Heer,
waar wij ons veilig weten geborgen bij elkaar.
Waar Hij de volken spijzigt en brood en vrede biedt.
Waar Hij op wond're wijze in ons bestaan voorziet.
4
Doe mij uw hemel heugen, ben ik ontheemd geraakt,
Gij die mijn levensvreugde opwekt en vurig maakt.
Bevestig mijn vermoeden dat Gij voorhanden zijt.
Dat Gij ons hier ter stede betoont uw menselijkheid.
---
*309
#4
1
Zo spreekt de Heer die ons geschapen heeft:
Wat durft dat volk mij nog te vragen.
Dat volk dat vast, maar toch in tweedracht leeft
Wat durft dat volk mij nog te vragen.
Die in zak en as gezeten
twistend mijn gebod vergeten,
denkt gij, dat ik om dat vasten geef?
Mijn volk, wat durft gij mij te vragen.
2
Zo spreekt de God die alles weet en ziet:
Ik durf uw vasten niet vertrouwen.
Als gij de zwervers niet uw woning biedt
durf Ik uw vasten niet vertrouwen.
Schenk uw brood aan de geboeiden
schenk uw troost aan de vermoeiden.
Anders hoor Ik naar uw smeken niet,
en durf uw vasten niet vertrouwen.
3
En Jezus sprak: Bemint uw vijand ook;
Heer God, wij staan voor U verlegen.
Vergeeft het kwaad, zo doet mijn Vader
Heer God, wij staan voor U verlegen.
Want Gij zijt ook zelf geschonden
door een menigte van zonden,
en mijn Vader, Hij vergeeft u ook.
Heer God, wij staan voor U verlegen.
4
En Jezus zegt: mensen, verdraagt elkaar,
en Jezus' woord zal ons bevrijden.
Vergeet u zelf en dient elkander maar
- en Jezus' woord zal ons bevrijden.
Aan elkander prijsgegeven
vindt gij honderdvoudig leven.
Jezus zegt: mensen, bemint elkaar.
En Jezus' woord zal ons bevrijden.
---
*310
#3
1
Uit angst en nood stijgt mijn gebed.
O Heer, wil naar mij horen!
Wanneer Gij op ons falen let,
zijn wij, o God verloren.
Maar in uw eindeloos geduld
delgt Gij de menselijke schuld
en zegent die U vrezen.
2
Ik hoop op God de Heer en wacht
het woord dat Hij zal spreken.
Al loopt het naar de middernacht,
ik volg zijn heilig teken.
Mijn hart is in d donkerheid
een wachter die het licht verbeidt,
een wachter op de morgen.
3
Hoop, Isra‰l, op God de Heer
die rijk is aan genade.
Want Hij verlaat u nimmermeer,
al kiest gij ook ten kwade.
Hij leidt u door de woestenij
en maakt gans Isra‰l eens vrij
van ongerechtigheden.
---
*311
#9
1
U, HEER, roep ik, U geldt mijn smeken,
snel mij te hulp en hoor mij aan,
U roep ik, wil mij gadeslaan,
laat mij uw bijstand niet ontbreken.
2
Laat, HEER, mijn gebed en mijn handen
geheven zijn, tot U gericht
als reukwerk voor uw aangezicht,
als offers die des avonds branden.
3
Doe mij, HEER, te rechter tijd zwijgen,
laat mij niet spreken zonder grond,
bewaak de deuren van mijn mond,
laat niet mijn hart tot kwaad zich neigen.
4
Laat, o HEER, mijn hart zich niet hechten
aan 't laag bedrijf van boos gespuis,
laat mij niet eten in hun huis
van hun verleidlijke gerechten.
5
Slaat men mij in trouw aan de HERE,
als olie op mijn hoofd zal 't zijn,
een liefdedaad, een zoete pijn
waarvan ik mij niet af zal keren.
6
Onder 't lijden zal ik nog bidden.
Gestrenge rechters, hard als steen,
Gij oordeelt hen. Ik spreek alleen
lieflijke woorden in hun midden.
7
Evenals men bij 't openbreken
der aarde 't puin terzijde gooit,
ligt ons gebeente wijd verstrooid
tussen de graven te verbleken.
8
Zo aan dood en graf prijsgegeven
hef ik tot U mijn smachtend oog,
ik schuil bij U: trek mij omhoog,
verzamel weer mijn vege leven.
9
Hoed mij voor de strik die zij spanden,
de val door bozen opgezet.
Laat zelf hen vallen in hun net
en mij ontkomen aan hun handen.
---
*312
#7
1
Die vroeg zijn aangeworven,
van die wordt veel gevraagd;
zij zwoegen van de morgen
tot midden in de nacht.
Die later zijn gekomen,
die krijgen veel te veel,
zij vragen met de vromen
een evenredig deel.
2
De vroegen zijn de vroeden,
de pioniers van ouds,
die God reeds vroeg ontmoetten;
zijn stem is hun vertrouwd.
Die later zijn gekomen,
die krijgen evenveel,
de daders en de dromers
een evenredig deel.
3
De werkers van het elfde,
het late avonduur,
die krijgen toch hetzelfde
als elke pionier.
Die later zijn gekomen,
die krijgen evenveel,
de vaders en de zonen,
een evenredig deel.
4
Wat is er niet verdragen?
Wat is er niet geduld?
De hitte van de dagen,
De wroeging van de schuld.
Die later zijn gekomen,
verwachten evenveel,
zij laten het zich lonen
met evenredig deel.
5
De dag is haast gestorven,
de as bedekt het vuur,
de nacht verwekt de morgen
en wij, wij staan te huur.
Die later zijn gekomen,
die krijgen evenveel,
de slaven en de slomen
een evenredig deel.
6
Wij hebben lang gezwegen,
wij vragen uit ‚‚n mond:
geef ons het loon des levens,
geef ons het volle pond!
Die later zijn gekomen,
die geeft Hij evenveel,
die slapen en die sloven
een evenredig deel.
7
De alleroudste vaders,
de allerjongste zoon,
zij krijgen Gods genade,
dat is het volle loon.
Die later zijn gekomen,
die krijgen evenveel,
genade zal hun lonen,
een evenredig deel.
---
*314
#4
1
Uit diepten van ellende / roep ik tot U, o HEER.
Gij kunt verlossing zenden, / ik werp voor U mij neer.
O laat uw oor zich neigen / tot mij, tot mijn gebed.
Laat mij gehoor verkrijgen, / red mij, o Here, red !
2
Zoudt Gij indachtig wezen / al wat een mens misdeed,
wie zou nog kunnen leven / in al zijn angst en leed ?
Maar Gij wilt ons vergeven, / Gij scheldt de schulden kwijt,
opdat wij zouden vrezen / uw goedertierenheid.
3
Ik heb mijn hoop gevestigd / op God den HEER die hoort.
Mijn hart, hoezeer onrustig, / wacht zijn verlossend woord.
Nog meer dan in de nachten / wachters het morgenlicht,
blijf ik, o Heer, verwachten / uw lichtend aangezicht.
4
Gij al Gods bondgenoten, / ziet naar zijn toekomst uit !
De HEER is vast besloten / tot goedertierenheid !
Hoort aan de goede tijding: / Hij geeft in zijn geduld
aan Isra‰l bevrijding / van onrecht en van schuld.
---
*315
#5
1
Wij roepen, Heer, uw heil'ge naam:
op U staat ons betrouwen.
Wees, Schepper, met uw volk begaan
in deze tijd van rouwen.
Zie nieer op onze hoogste nood,
behoed ons voor verderf en dood
en schenk ons uw erbarmen.
2
Gij die de mensenhartet kent
en peilt de diepste gronden,
Gij weet hoe ons de schuld beklemt,
hoe ons bezwaart de zonde.
Wij willen hoopvol tot U gaan,
neem ons in uw vergeven aan,
getroost door uw erbarmen.
3
Het kwaad heeft ons met leed vervuld,
verdord ons hart en leven.
Heer, wij bekennen onze schuld,
wil ons daarom vergeven.
Maak dat uw kracht onz' zwakheid heelt
en laat ons groeien naar uw beeld;
gesterkt door uw erbarmen.
4
Bevrijd ons hart van alle haat,
van liefdeloos begeren
en leer ons als verstorven zaad
tot gaver leven keren.
Geef ons de glans der zuiverheid,
maak dat uw liefde ons geleidt
en toon ons uw erbarmen.
5
Geef, Vader, bron van alle goed
dat rouw keert in verblijden,
dat alle schuld wordt uitgeboet
door Christus' dood en lijden.
Gij die de grote Gever zijt,
geef vrede ons in eeuwigheid,
o Vader, vol erbarmen.
---
*316
#5
1
K. Barmhartige Heer, genadige God,
A. REFR: Barmhartige Heer, genadige God.
Ja wat de hemel is voor de aarde,
dat is zijn liefde voor hen die geloven.
REFR
2
Zover als het oosten van het westen vandaan is,
zover van ons af werpt Hij al onze zonden.
REFR:
3
Hij kent ons toch.
Hij is niet vergeten dat wij gemaakt zijn uit
het stof van de aarde.
REFR:
4
Mensen, hun dagen zijn als het gras,
zij bloeien als bloemen in het open veld.
Dan waait de wind en zij zijn verdwenen.
REFR:
5
Maar duren zal de liefde van God
voor allen die zijn verbond bewaren,
zijn woord behartigen en het volbrengen.
REFR:
---
*317
#3
1
Isra‰l trok Egypte uit
door de woestijn, door de levenloze woestijn
Geen water, geen brood, geen vruchten, geen wijn,
alleen Jahweh, de Heer, Jahweh de Heer,
die hen voerde door de woestijn,
door de levenloze woestijn.
Hij was hun water, hun brood, hun vruchten, hun wijn.
Hij voerde hen naar het land, zijn paradijs.
2
Jezus ging naar Jeruzalem
door de woestijn, door de levenloze woestijn.
Geen water, geen brood, geen vruchten, geen wijn,
alleen Jahweh, de Heer, Jahweh, de Heer,
die Hem maakte door de woestijn, door de levenloze woestijn
tot levend water, tot brood, tot vruchten, tot wijn.
Hij voerde Hem naar het land, zijn paradijs.
3
Wij gaan op naar Jeruzalem
door de woestijn, door de levenloze woestijn.
Ons water, ons brood, onz' vruchten, onz' wijn,
vraag aan God, onze Heer, God, onze Heer,
ons te geven in de woestijn, in de levenloze woestijn
zijn levend water, zijn brood, zijn vruchten, zijn wijn.
Hij voere ons naar het land, zijn paradijs.
---
*318
#7
1
Koor:
Onze hulp is de naam van de Heer,
die hemel en aarde gemaakt heeft,
Hij is voor ons een barmhartige Vader
en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.
2
Allen:
Onze hulp is de naam van de Heer,
en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.
3
Voorzang:
Hij roept mijn leven weg uit het graf,
Hij maakt mijn dagen vol van geluk
en als een arend herleeft mijn jeugd.
4
Deze God beschuldigt ons niet en
nooit zal Hij kwaad met kwaad vergelden,
groter dan onze zonden is Hij.
5
Zoals een man voor zijn zonen barmhartig is,
zo is Hij voor ons een barmhartige Vader.
Hij kent ons toch, Hij heeft ons gemaakt.
6
Koor:
Onze hulp is de naam van de Heer,
en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.
7
Allen:
Onze hulp is de naam van de Heer,
en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw.
---
*319
#2
1
De zonden zijn vergeven!
Dit is een woord ten leven,
bevrijdend van de schuld.
Wat God ons ooit beloofde,
wordt nu voor wie geloofde
in Jezus' naam geheel vervuld.
2
't Is ook voor mij geschreven:
ook ik mag uit Hem leven
die ons genezen heeft.
Zijn liefde tot de zijnen
brengt ons met Hem in 't reine,
wij weten dat Hij ons vergeeft.
---
*320
#3
1
Erbarm U, God, en delg genadig
het kwaad dat ik heb aangericht
en was mij schoon: ik zie gestadig
mijn zonden voor mijn aangezicht.
Refrein:
Open mijn mond om U te loven,
stort in mijn hart, een nieuwe geest!
2
Ik heb mij tegen U misdragen,
voor U alleen heb ik misdaan:
Gij moogt voor uw gericht mij dagen,
en in rechtvaardigheid mij slaan.
3
Laat in mijn hart uw wijsheid zinken,
herschep mijn hart in zijn geheel;
besprenkel mij, ik zal weer blinken
en schitteren als verse sneeuw
---
*321
#5
1
Nu mag uw land onder uw glimlach liggen:
de oude schulden hebt Gij uitgewist,
bedekt de zonde met het sneeuwwit linnen,
uw toorn gestild, zijn felle gloed geblust.
Refrein:
Nu mag uw land onder uw glimlach liggen,
de oude schulden hebt Gij uitgewist.
Alleluia Alleluia Alleluia!
2
Toch niet voor eeuwig zijt Gij uitgevaren
tegen mijn volk, daar Gij een redder zijt;
schenk ons het leven en Gij zult ervaren
hoe heel het volk zich over U verblijdt.
3
En laat mij luisteren hoe Gij van vrede
en van geluk vertelt aan mijn geslacht.
Uw heil is nu nabij, Gij komt beneden
het land bewonen dat U tegenlacht.
4
Genade en trouw zullen elkaar ontmoeten
de trouw die openbloeit uit onze grond,
en uw genade, die mijn trouw zal voeden
van uit de hemel, in een nieuw verbond.
5
Mijn hart moet nu zijn dankbaarheid betonen,
de Heer wil weten of ik Hem belijd;
dan zal de viede Gods het land bewonen,
en altijd bij mij zijn, in eeuwigheid.
---
*322
#6
1
Uit Oer is hij getogen,
aartsvader Abraham,
om voortaan te geloven
in 't land van Kana„n,
om voortaan als een blinde
te zien een donker licht,
om voortaan helderziende
te zijn op God gericht.
2
Uit Oer is hij getogen
ten antwoord op een stem,
die riep hem uit den hoge
op naar Jeruzalem
En allen die geloven
zijn Abrahams geslacht,
geboren uit den hoge,
getogen uit de nacht.
3
Uit Abraham geboren
die zo gezworven heeft
is, wie om God te horen
gestorven is en leeft:
het volk van de profeten,
de stam van het verbond,
het volk hier beneden
de stem van God verstond.
4
Het is niet meer te tellen,
dat volk dat na hem kwam,
een vader van zovelen
is vader Abraham.
Van Jacob, edel strijder
wiens naam is Isra‰l,
van Mozes de bevrijder
die sprak op hoog bevel,
5
van Jozua de hertog
die ruimte heeft gemaakt,
van Simson, dapper vechter,
die uit het graf op staat,
van David, koning David,
en van zijn grote zoon,
Elia met de raven,
Hizkia met zijn droom.
6
En allen die geloven
zijn Abrahams geslacht,
geboren uit de hoge,
getogen uit de nacht.
De stad die zij verbeiden
die stat in wit en goud
aan 't einde van de tijden
voor iedereen gebouwd.
---
*351
#5
1
De koning van de vrede komt in de hoofdstad aan,
de mensen zijn gezegend, Hij komt in Godes naam.
Doet open nu de poorten, de koning moet er door,
och Here, geef nu voorspoed, zo roepen zij in koor.
2
Maar zullen zij geloven en nemen zij Hem aan
of zullen zij Hem doden en Gode wederstaan?
Ik zie de koning komen die op een ezel rijdt,
de palmen van de bomen zijn voor zijn voet gespreid.
3
Maar morgen is het anders, dan wordt Hij zelf verhoogd,
en aan de boom gehangen en als een vrucht geoogst.
Gij hogepriester Anna, wat roept Jeruzalem?
Het roept vandaag "Hosanna" en morgen "weg met Hem"
4
En machtige Pilatus, wat riep men voor uw huis?
Vandaag "de Zoon van David" en morgen "aan het kruis"
En vorst van Galilea, Herodes, wat hoort gij?
Vandaag is 't "Halleluja" en morgen al voorbij.
5
En grote hogepriester, wat hoort gij Kajafas?
Vandaag is het "Messias" en morgen "Barabbas"
Wat hoort men in de straten van deze tempelstad?
't Is heden "Maranatha" en straks de stem der haat.
---
*352
#3
1
Naam van Jezus die ten dode
op het hout geschreven zijt,
vreemde koning van de Joden
die ten spot verheven zijt,
vorstelijk hebt Gij gestreden
om de vrede
tot in alle eeuwigheid.
2
Zoon van God en zoon van David,
priester zonder waardigheid
die ten dienste van de slaven
als een slaaf op aarde zijt,
aan de mens gelijk geworden
ja gestorven
voor ons aller zaligheid.
3
alle leven moet zich buigen,
voor U buigen mettertijd,
al wat stem heeft zal getuigen
dat Gij Algebieder zijt,
God heeft U een naam gegeven
hoog verheven
boven alle namen uit.
---
*353
#6
1
Met de boom des levens
wegend op zijn rug
droeg de Here Jezus
Gode goede vrucht.
Refrein:
Kyrie eleison
wees met ons begaan;
doe ons weer verrijzen
uit de dood vandaan.
2
Laten wij dan bidden
in dit aardse dal,
dat de lieve vrede
ons bewaren zal. Refrein:
3
Want de aarde vraagt ons
om het zaad des doods,
maar de hemel draagt ons
op de adem Gods. Refrein:
4
Laten wij God loven
leven van het licht,
onze val te boven
in een evenwicht. Refrein:
5
Want de aarde jaagt ons
naar de diepte toe,
maar de hemel draagt ons,
liefde wordt niet moe. Refrein:
6
Met de boom des levens
doodzwaar op zijn rug
droeg de Here Jezus
Gode goede vrucht. Refrein:
---
*355
#5
1
Wie zal voor God verschijnen, wie gaat er voor ons uit?
Wie raakt aan Gods geheimen in alle eenzaamheid?
Het is de hogepriester die alles voor ons doet.
't Is onze Here Christus, Hij reinigt ons met bloed.
2
De Heer is voortgevaren, de grote tempel door,
van buiten bij de schare tot binnen bij Gods oor.
Daar brengt Hij de gebeden, daar plengt Hij onze schuld.
Hij won voor ons de vrede, Hij heeft de Wet vervuld.
3
Hoe staat het voorgeschreven in 't Oude Testament ?
"Een dier boet met zijn leven, een dier dat God niet kent".
Maar Hem, het Lam, zij ere, dat eeuwig is geslacht.
Wij moeten ons bekeren, ons offer is gebracht.
4
O Josua - Messias, Gij zoon van Abraham,
die als een hogepriester voor ons ter aarde kwam!
Tot in de tabernakel van ontoegankelijk Licht
zijt Gij voor God genaderd, en ziet zijn aangezicht!
5
De tempel is gereinigd, de voorhang is gescheurd,
wij hebben ons verenigd met al wat is gebeurd.
Uw licht en waarheid beide zendt Gij ons tegemoet,
en zo maakt deze vrijdag ons hele leven goed.
---
*356
#3
1
Onze redding uit het kwade
en verzoening door genade
vinden wij in Christus' kruis.
Uit de dood gewekt tot leven,
tot een hoger heil verheven
heeft ons Christus door zijn kruis.
2
Boom die wortelt in onz' zonden,
die de kluisters heeft ontbonden,
ons bevrijd heeft uit de nood.
Onze troost en ons verblijden
stellen wij in Christus' lijden,
in zijn offer tot de dood.
3
Kruis dat wij oneindig prijzen,
teken dat ons doet verrijzen
uit de nacht van ons bestaan.
Christus, herder aangebeden,
naar U zoeken onze schreden:
Licht dat ons is voorgegaan.
---
*357
#3
1
Van allen verlaten vond Christus de dood,
zo trouw was zijn leven, zijn liefde zo groot.
Uit schande groeit glorie, uit deemoed rijst kracht.
Straks scheuren bazuinen het licht uit de nacht.
2
Heer, geef ons genade, verleen ons behoud,
maak jeugdig en levend wat dor is en oud.
Omhul ons met liefde als vurig ornaat
en laat ons verrijzen met lichtend gelaat.
3
Wij liggen geborgen in Gods rechterhand,
die aarde en sferen in almacht omspant.
Hij heeft ons verheven, geadeld ons lot.
Wij leven en roemen de grootheid van God.
---
*358
#4
1
Samenzijn van ons begeren:
dit is 't avondmaal des Heren,
ons geboden voor zijn dood.
Komst ter tafel Hem gedenken
die ons 't hoogste goed komt schenken,
neemt en eet het godd'lijk brood.
2
Korenaar zo rijp voldragen,
knersend graan der zomerdagen,
hemels manna, zoet en mild.
Druif met zonnegloed geladen
rank van liefde en genade,
drank die alle hunker stilt.
3
Gastheer die ons als genoden
't rijke feestmaal heeft geboden,
is Gods Zoon, de hoogste Heer.
Die als vrienden ons ontvangend
naar dit samenzijn verlangend,
knielt als dienaar voor ons neer.
4
Christus, wijnstok uitgelezen,
wil ons uw genade geven
dat wij groeien gaaf en groot.
Laat in ons uw liefde stijgen,
schenk uw kracht aan alle twijgen,
rijke vrucht op elke loot.
---
*359
#5
1
Toen Jezus in zijn uur gekomen was
om deze wereld te verlaten,
heeft Hij ten einde toe ons liefgehad.
De veel geliefde zoon van God de Vader
wordt een slaaf die onze voeten wast,
Allen: wordt een slaaf die onze voeten wast,
2
Toen Jezus met zijn vrienden maaltijd hield,
nam Hij het brood, nam Hij de beker.
Hij heeft zijn leven aan ons uitgedeeld,
zijn bloed voor deze wereld prijsgegeven,
teken van de geest, die Hem bezielt.
Allen: Teken van de geest, die Hem bezielt.
3
Ik ben de wijnstok heeft Hij toen gezegd,
gij zijt voorgoed met Mij verbonden.
Ik ben uw waarheid en Ik ben uw weg,
Ik ben die ben, vergeving van uw zonden;
Vrede geef Ik u, heeft Hij gezegd.
Allen: Vrede geef Ik u, heeft Hij gezegd.
4
Toen Jezus naar zijn Vader toe zou gaan
heeft Hij gebeden voor zijn vrienden.
Vader, bad Hij, bewaar hen in uw Naam,
mogen zij allen ‚‚n zijn in de liefde,
dat zij doen, wat Ik hun heb gedaan.
Allen: Dat zij doen, wat Ik hun heb gedaan.
5
Toen Jezus in de hof gekomen was
heeft Hij in grote angst gebeden,
maar niemand was er, die Hem antwoord ga
Een vriend heeft Hem verkocht en uitgeleverd
toen Hij in zijn uur gekomen was.
Allen: Toen Hij in zijn uur gekomen was.
---
*360
#7
1
Christus heeft voor ons geleden
als een beeld van ons bestaan,
dat wij zover zouden gaan;
in zijn voetstappen te treden.
2
Die geen zonde heeft bedreven,
uit wiens mond niet is gehoord
enig onvertogen woord
maar de adem van het leven.
3
Die wanneer Hij werd geslagen
zelfs zijn mond niet open deed,
die niet dreigde als Hij leed
maar het zwijgend heeft verdragen.
4
Die de zonden heeft gekorven
in zijn lichaam op het hout,
dat gij Gode leven zoudt,
aan de zonde afgestorven.
5
Door wiens striemen gij genezen,
door wiens dood gij levend zijt,
levend in rechtvaardigheid,.
taal en teken van Gods wezen,
6
als eertijds verdoolde schapen,
thans den Herder toegewijd,
die u in de waarheid weidt.
Uw bewaarder zal niet slapen.
7
Ja, de Heer zal u bewaren,
Hij de Herder, Hij het Lam,
die voor u ter aarde kwam
die voor ons is opgevaren!
---
*361
#1
1
Refrein a:
Mijn volk, wat heb Ik u gedaan
of waarmee heb Ik u bedroefd. Andwoord Mij.
Voorzang:
Ik heb u uit Egypte weggeroepen.
Gij hebt geroepen: Aan het kruis met Hem.
Koor:
Hagios o Theos, Sanctus Deo, Heilige God.
Refrein b:
Heilige onsterfelijke God,
ontferm U over ons.
Voorzang:
Ik heb voor u het water uit de rots doen stromen.
Gij hebt Mij gal en azijn te drinken gegeven. Refrein b.
Ik heb om uwentwil uw vijanden geslagen,
maar gij hebt Mij gegeseld en gehoond. Refrein a en b.
Ik heb u groot gemaakt, met heerlijkheid gekroond.
Maar gij hebt voor Mij een doornenkroon gevlochten.
Koor:
Hagios o Theos, Sanctus Deo, Heilige God. Refrein b.
Voorzang:
Wat had Ik nog meer voor u moeten doen.
Ik heb u binnengevoerd in mijn land, in mijn vrede.
Maar gij, gij hebt uw Redder aan het kruis geslagen.
Refrein b en a.
---
*362
#1
1
Aanbidt het Kruis des Heren,
en roemt zijn dood,
zijn lijden en verrijzen:
Ziet! vreugde groot
komt over heel de wereld
door dit heilig hout.
---
*363
#2
1
Refrein:
Dit is het Kruis, waaraan de Redder
van de wereld heeft gehangen.
Dit is het Kruis, waaraan de Redder
van de wereld heeft gehangen.
Gij allen die voorbijgaat langs de weg,
ziet of er een smart is even groot als mijn smart.
2
Zozeer heeft God de wereld liefgehad,
dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.
---
*364
#3
1
Jezus Christus is het beeld van God,
rechtmatig is Hij Gods gelijke.
Maar Hij heeft zich in het beeld van Gods knecht
ontledigd: Hij werd gelijk aan de mens.
2
En bevonden als waarachtig mens
heeft Hij zichzelf geheel ontledigd.
Tot de dood was Hij gehoorzaam aan God, zijn Vader,
ja, tot de dood op het kruis.
3
Daarom ook heeft God Hem zeer verhoogd
en Hem de hoogste Naam gegeven,
opdat wij zijn macht erkennen en steeds belijden:
Jezus is waarlijk de Heer.
---
*365
#5
1
Refrein:
Glorie, lof en eer aan U:
Christus, Koning, Verlosser.
U weerklinkke ons blij gezang:
Hosanna de Zoon van God.
Gij, onze Koning, Zoon van God,
komst in de naam des Heren.
2
Hemel en aarde loven U,
mensen en eng'lenkoren.
3
Wuivend met palmen als weleer,
loven wij U met zangen.
4
Daags voor uw lijden, dat ons redt,
eren wij U als Koning.
5
Moge de vroomheid van uw volk
U, goede God, behagen.
---
*366
#4
1
Refrein:
Laat ons als weleer de kinderen de Joden
een zegeweg bereiden voor de Heer,
en met palmen in de hand Hem tegemoet gaan.
Laat ons juichen en zingen: Hosanna in den hoge;
gezegend die komt in de naam van de Heer.
Onze Heer is Koning over geheel de aarde:
over alles wat er leeft op de wereld.
2
Onze Heer is Koning over geheel de aarde;
onze God, die de wereld heet geschapen.
3
Daarom, aarde, ontvang uw roemrijke Koning;
laat Hem zegevierend treden in elk mensenhart.
4
Daarom, wereld, juich voor God, de Koning;
bereid een koningstroon in ieder land, in elke streek.
---
*367
#2
1
Allen:
Wij roemen in 't Kruis van de Heer Jezus Christus.
In hem is ons heil, ons leven en verrijzenis,
door wie wij verlost en bevrijd zijn.
2
Koor:
God zij genadig en zegene ons,
en dat zijn aanschijn over ons moge lichten.
---
*368
#7
1
Koor: God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten.
Allen: God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten.
2
voorzang: Mijn God, roep ik overdag en Gij zwijgt,
ik roep het 's nachts en Gij laat mij maar roepen.
3
Onze vaderen hadden vertrouwen in U,
vertrouwen, en Gij zijt hun redding geweest.
4
Zij riepen om U en Gij waart hun uitkomst
en nooit hebt Gij dat vertrouwen beschaamd.
5
Ik ben geen mens meer, ik ben een worm
gehoond door de mensen, veracht door de buurt.
6
Ik ben bespottelijk in aller ogen,
iedereen lacht me hoofdschuddend uit:
7
"hij zocht het bij God, laat die hem dan redden,
laat God hem bevrijden, die houdt toch van hem".
---
*369
#5
1
Hoort en ziet het levend woord,
met het hart wordt Hij gehoord,
ziet de Mens en zegt Hem voort.
2
Die in alles ons gelijk
beeld is van Gods Koninkrijk,
vrede binnen ons bereik.
3
Die zichzelf gegeven heeft,
't mensenlot geleden heeft,
dood is dood, maar neen. Hij leeft.
4
Naam die ons herleven doet,
brood dat deze wereld voedt,
onze hoop, hier en voorgoed.
5
Die ons kent van zo nabij,
d‚ze Mens aanbidden wij:
onze Heer en God is Hij.
---
*370
#5
1
Alles wat over ons geschreven is
gaat Gij volbrengen deze laatste dagen,
alle geboden worden thans voldragen,
alle beproeving van de wildernis.
2
Gods schepping die voor ons gesloten bleef
ontsluit Gij weer, Gij opent onze harten,
die Zoon van David zijt en Man van Smarte,
Koning der Joden die de dood verdreef.
3
Jezus, de haard van uw aanwezigheid
zal in ons hart een vreugdevuur ontsteken.
Gij gaat vooraan, Gij zult ons niet ontbreken,
Gij Hogepriester in der eeuwigheid.
4
Gij onderhoudt de vlam van ons bestaan,
aan U, o Heer, ontleent het brood zijn leven,
ons is een lofzang in de mond gegeven,
sinds Gij de weg van 't offer zijt gegaan.
5
Dit is uw opgang naar Jeruzalem
waar Gij uw vrede stelt voor onze ogen,
vrede aan allen die uw naam verhogen:
heden hosanna, morgen kruisigt Hem!
---
*371
#3
1
O Hoofd, vol bloed en wonden,
met smaad gedekt en hoon,
o godd'lijk Hoofd omwonden
met scherpe doornenkroon!
O Gij, die and're kronen
en glorie waardig zijt;
Ik wil mijn hart U tonen,
dat met U medelijdt.
2
Mijn God, die zonder klagen
het zwaarste hebt doorstaan:
al wat Gij hadt te dragen,
wie heeft het U gedaan!
Wee mij, die voor de zonden
het hoogste goed verliet!
O, om uw bloed en wonden,
verstoot mij, zondaar, niet!
3
O Hoofd, vol bloed en wonden,
o Gods onschuldig Lam,
dat voor der mensen zonden
de schulden op Zich nam!
Wat zal ik U dan geven
voor zoveel smaad en smart?
Heer, neem mijn korte leven,
Heer, neem mijn schamel hart!
4
En als ik eens moet strijden
mijn allerlaatste strijd,
wil ik nog eens belijden,
dat Gij mijn Heiland zijt.
O Hoofd, vol bloed en wonden,
o Hoofd, vol smart en smaad!
Wees in die laatste stonden
mijn hoogste toeverlaat.
---
*372
#10
1
Jezus, om uw lijden groot,
om uw leven en uw dood
die volbrengen 't recht van God,
Kyrie eleison.
2
Heer, om uw zachtmoedigheid,
vorst die op een ezel rijdt
en om Sions onwil schreit,
Kyrie eleison.
3
Om de zalving door een vrouw,
vreugde-olie, geur van rouw,
teken van wat komen zou,
Kyrie eleison.
4
Om het brood, Heer, dat Gij breekt,
om de beker die Gij reikt,
om de woorden die Gij spreekt,
Kyrie eleison.
5
Here, om uw bloedig zweet,
als Ge alleen de wijnpers treedt,
om de kelk vol bitter leed,
Kyrie eleison.
6
Om het zwijgen, het geduld,
waarmee Gij de wet vervult,
als men vruchtloos zoekt naar schuld,
Kyrie eleison.
7
Om het woord van godlijk recht
dat Gij tot uw rechters zegt,
- zelf hebt Ge uw geding beslecht, -
Kyrie eleison.
8
Om de doornen van uw kroon,
om de geesling en de hoon,
roepen wij, o Mensenzoon,
Kyrie eleison.
9
Om uw kruis, Heer, bidden wij,
om de speerstoot in uw zij,
ga aan onze schuld voorbij,
Kyrie eleison.
10
Heer, om uw vijf wonden rood,
om uw onverdiende dood,
smeken wij in onze nood,
Kyrie eleison.
---
*373
#4
1
Refrein:
Mogen allen ‚‚n zijn, Vader,
zoals Gij in Mij zijt en Ik in U ben;
mogen zij ook ‚‚n zijn in Ons,
opdat de wereld gelove in Mij!
Heilige Vader, U wil Ik Mij wijden
voor al wie Gij Mij toevertrouwt,
dat zij zich aan U wijden ook
in liefd' aan elkaar tot zelfs in de dood!
2
Heilige Vader, Ik bid ook voor allen,
die ooit zullen luist'ren naar hen
en blij geloven in uw woord;
ook zij wezen ‚‚n, en ‚‚n zoals Wij!
3
Heilige Vader, Gij schenkt Mij uw glorie,
en uw glorie schenk Ik aan hen,
opdat zij ‚‚n zijn zoals Wij:
zo komt ook tot hen uw liefde voor Mij!
4
Heilige Vader, 'k wil dat zij met Mij zijn,
waar Ik blijvend zijn zal met U
en schouwen naar de heerlijkheid,
die Gij aan Mij schonkt voor alles bestond
---
*374
#7
1
Geths‚mane, die nacht moest eenmaal komen.
De Heiland heeft bewust die weg genomen.
Hij laat zijn doel niet los, wijkt niet terzijde,
aanvaardt het lijden.
2
Hoe dichtbij is de hof, waar Gij gewaakt hebt;
verstaanbaar is de klacht, die Gij geslaakt hebt.
Nog leeft de haat, die U kwam overvallen:
zo zijn wij allen.
3
Wie heeft gewaakt van die het naaste stonden ?
Hij heeft hen driemaal slapende gevonden.
Hij ging terug en heeft alleen geleden,
eenzaam gebeden:
4
Laat Vader, deze beker Mij voorbijgaan;
waar zijn de englen die Mij kunnen bijstaan ?
Maar, zo Ik niet dit lijden mag ontvlieden,
uw wil geschiede.
5
Altijd zal Jezus weer in doodsstrijd wezen,
tot aan het eind der wereld moet Hij vrezen,
zijn eigen jongeren in slaap te ontdekken.
Wat zou hen wekken ?
6
In angst en tranen werd zijn strijd gestreden.
Toen kon Hij toebereid naar voren treden.
De duisternis kon, wat zij mocht verzinnen,
Hem niet verwinnen.
7
Hier zijn wij, Heer, een afgeweken schare,
wij, die zo zorgeloos, zo ontrouw waren.
Verander ons en reinig onze harten,
o Man van smarten !
---
*375
#5
1
Nu valt de nacht.
Het is volbracht:
de Heer heeft heel zijn leven
voor het menselijk geslacht
in Gods hand gegeven.
2
De wereld gaf
Hem slechts een graf,
zijn wonen was Hem zwerven;
al zijn onschuld werd Hem straf
en zijn leven sterven.
3
Hoe slaapt Gij nu,
die men zo ruw
aan 't kruishout heeft gehangen.
Starre rotsen houden U,
rots des heils, gevangen.
4
't Is goed, o Heer,
Gij hoeft de eer
van God niet meer te staven.
Leggen wij ons bij U neer,
in uw dood begraven.
5
Hoe wonderlijk,
uitzonderlijk
een sabbat is gekomen:
eens voor al heeft Hij het juk
van ons afgenomen.
---
*376
#3
1
Waarom ben ik verlaten
door U, mijn Heer en God?
Door allen die mijn aanzien
beledigd en bespot?
"Laat God hem nu bevrijden,
zo zegt men kwaadgezind,
hij heeft toch steeds verkondigd:
Ik word door God bemind".
2
Mijn tong kan niet meer spreken
door dorst word ik gekweld;
mijn krachten zijn bezweken,
mijn beenderen geteld,
mijn handen en mijn voeten
met nagels wreed doorboord;
mijn kleren gaat men delen,
mijn lijfgoed wordt verloot.
3
Maar eens zal ik doen prijzen
uw naam door Jakobs huis
daar Gij mijn klacht zult horen,
mij redt van dood en kruis.
Dan zal ik voor U leven!
Dan zegt het nageslacht:
zijn dood en zijn verheffing
heeft ons Gods heil gebracht.
---
*377
#5
1
Aan uw stam, o Kruis, ligt Gods Vaderhuis,
bloeit de roze vreugd van hoop en vree.
Jezus, lief en zacht, legt de wonderkracht
van zijn Kruis vol zalving op ons wee.
2
In het oude land werd het Kruis geplant
als een gruwelteken van de dood;
in het jonge land geldt het nieuw bestand
dat de Heer des levens met ons sloot.
3
Niet de lage moord heeft het laatste woord,
maar de liefde die haar overwint.
Deze zekerheid heeft ons God bereid
in het Kruis dat ons met Hem verbindt.
4
Alles was volbracht in die laatste klacht:
"God, mijn God, waarom verlaat Gij mij?"
Blijf bij 't Kruis niet staan, om uzelf begaan
Christus is verrezen. Wij zijn vrij!
5
Wij aanbidden U, Heer, wij loven U
omdat Gij ons door uw heilig Kruis
uit de eenzaamheid der verworpenheid
weer terug roept binnen 't vaderhuis.
---
*401
#4
1
Zingt Jubilate voor de Heer,
hemel en aarde, looft uw Vader,
heiligen, eng'len, mens en dier,
sterren en stenen, Jubilate!
2
Zingt Jubilate dat is goed,
vogels en vissen, licht en water,
bloemen en bomen, vlees en bloed,
lichaam en ziel, zingt Jubilate!
3
Zingt Jubilate voor de Zoon,
dat Hij de hemel heeft verlaten,
dat Hij de zonden heeft verzoend,
Jezus Messias Jubilate!
4
Zingt Jubilate voor de Geest,
offert de vogel Geest uw adem,
dat Hij uw hart met vuur geneest,
weest God indachtig, Jubilate!
---
*402
#5
1
Zingt voor de Heer een nieuw gezang,
Hij laaft u heel uw leven lang,
Met water uit de harde steen,
Het is vol wond`ren om u heen.
2
Hij gaat u voor in wolk en vuur,
gunt aan uw leven rust noch duur,
en geeft het zin en samenhang,
zingt dan de Heer een nieuw gezang.
3
Een lied van uw verwondering,
dat nog uw naam niet onderging,
maar weer opnieuw geboren is,
uit water en uit duisternis.
4
De hand van God doet in de tijd,
tekenen van gerechtigheid,
de Geest des Heren vuurt ons aan,
de heil`ge tekens te verstaan.
5
Wij zullen, naar zijn land geleid,
doorleven tot in eeuwigheid,
en zingen bij zijn wederkeer,
een nieuw gezang voor God de Heer.
---
*403
#3
1
Gij zijt in glans verschenen, verschenen voor altijd.
Hoe ook in dood verdwenen, ons straalt uw heerlijkheid.
Hoe bitter ook de pijnen door ons U aangedaan,
Gij blijft in glans verschijnen: ziet ons in glorie aan!
2
Uw marteling, uw lijden in aller wereld nood,
uw kruisgang door de tijden, uw dagelijkse dood:
het straalt voor onze ogen, het glanst uit alle pijn.
Aan haat en hoon onttogen blijft Gij onz' glorie zijn!
3
Gij zijt in glans verschenen, verschenen voor altijd.
Gij wilt uw kruis ons lenen als licht van eeuwigheid.
Geen ondergang kan dreigen, of heerlijk rijst uw beeld
en doet ons mee ontstijgen in glans die alles heelt!
---
*404
#6
1
Juicht Jahweh toe, heel 't aardrijk rond,
juicht God ter eer, dient Hem met vreugd:
Refrein:
want God is goed en zijn gena
duurt blijvend voort in eeuwigheid:
want God is goed en zijn gena
duurt blijvend voort in eeuwigheid.
2
Treedt jub'lend toe tot waar Hij woont,
treedt naderbij zijn aangezicht:
want God is goed...
3
Getuigt en zingt: uw Heer is God,
zijn eigen hand heeft ons gevormd
want God is goed...
4
Van Hem zijn wij, zijn eigen volk,
zijn kudde die zijn weide voedt:
want God is goed...
5
Treedt voor zijn poort, zingt Hem uw dank,
zijn voorhof dreunt van jubelzang:
want God is goed...
6
Zingt Hem uw lof en laat door u
zijn heil'ge Naam gezegend zijn:
want God is goed...
---
*405
#6
1
Christus is verrezen.
Naar 't water van het leven
gaat uit, uw Herder tegemoet,
ziet en smaakt zijn overvloed. Alleluia.
Refrein:
Christus is verrezen,
alleluia, alleluia.
2
Herder van de schapen,
noem ons bij onze namen!
Uw kudde heeft uw stem gehoord:
roep ons samen rond uw woord. Alleluia.
3
Gij die vreest en twijfelt,
herkent uw Heer en Heiland
die in de avond breekt het brood,
en voor u de Schrift ontsloot. Alleluia.
4
Zalig die gelovend
hun God herkennen mogen!
Betast de wonden van de Heer,
knielt in deemoed voor Hem neer. Alleluia.
5
Christus steeg ten hemel:
houdt dus uw hart verheven,
want in zijn Vaders heerlijkheid
houdt Hij u een plaats bereid. Alleluia.
6
Christus, onze vrede,
zend ons uw gaven neder:
de volheid van uw heil'ge Geest:
maak ons voor zijn komst gereed. Alleluia.
---
*407
#2
1
In eigen kracht verrezen
is Christus opgestaan.
Aan God is eer bewezen,
nu treden eng'len aan:
Wat zoekt gij, vrome vrouwen,
het Leven bij de dood?
Verkondigt zijn getrouwen
het paasmysterie groot!
Alleluja, alleluja,
alleluja, alleluja.
Alleluja, alleluja.
2
Beheerser aller tijden,
o Koning, groot van macht,
hoe danken w' U voor 't lijden,
dat ons de redding bracht.
Herboren tot het leven
van Vader, Zoon en Geest,
is 't kleed ons weer gegeven
voor 't eeuwig bruiloftsfeest.
---
*408
#3
1
Naam van Jezus, nu verheven
boven alle namen uit,
om een leidsman ons te geven
die in alle waarheid leidt,
wees verborgen in ons midden,
leer ons bidden,
geef uw zegen wijd en zijd.
2
Wanneer zult Gij weer verschijnen?
Komt het vragen nog te vroeg?
Kent de herder nog de zijnen
sinds Hij eens de wolven sloeg?
Leid ons in de ware vrijheid,
uw nabijheid,
wolk en vuur zijn niet genoeg.
3
Overal wordt U gebeden
om het Rijk dat komen gaat.
Laat het zichtbaar zijn beneden,
geef een nieuwe dageraad.
Woord van God, maak deze aarde
tot een gaarde
waar de boom des levens staat.
---
*409
#6
1
Kom, Schepper, Geest, daal tot ons neer,
houd Gij bij ons Uw intocht, Heer;
Vervul het hart dat U verbeidt
met hemelse barmhartigheid.
2
Gij zijt de gave Gods, Gij zijt
de grote Trooster in de tijd,
de bron waar uit het leven springt,
het liefdevuur dat ons doordringt.
3
Gij schenkt uw gaven zevenvoud,
o hand die God ten zegen houdt,
o taal waarin wij God verstaan,
wij heffen onze lofzang aan.
4
Verlicht ons duistere verstand,
geef dat ons hart van liefde brandt,
en dat ons zwakke lichaam leeft
vanuit de kracht die Gij het geeft.
5
Verlos ons als de vijand woedt,
geef, Heer, de vrede ons voorgoed.
Leid Gij ons voort, opdat geen kwaad,
geen ongeval ons leven schaadt.
6
Doe ons de Vader en de Zoon
aanschouwen in den hogen troon
o Geest van beiden uitgegaan
wij bidden U gelovig aan.
---
*410
#3
1
De Geest des Heren heeft
een nieuw begin gemaakt,
in al wat groeit en leeft
zijn adem uitgezaaid.
De Geest van God bezielt
wie koud zijn en versteend,
herbouwt wat is vernield,
maakt een wat is verdeeld.
2
Wij zijn in Hem gedoopt
Hij zalft ons met zijn vuur.
Hij is een bron van hoop
in alle dorst en duur.
Wie weet vanwaar Hij komt
wie wordt zijn licht gewaar?
Hij opent ons de mond
en schenkt ons aan elkaar.
3
De geest die ons bewoont
verzucht en smeekt naar God
dat Hij ons in de Zoon
doet opstaan uit de dood.
Opdat ons leven nooit
in weer en wind bezwijkt,
kom Scheper Geest, voltooi
wat Gij begonnen zijt.
---
*411
#8
1
De Geest uit vier gewesten
waait d' aarde boordevol.
Nu vallen oude vesten,
elk krijgt zijn nieuwe rol.
2
Wij staan met vuur doorzinderd
met talen hoog en luid,
de liefde ongehinderd
gaat alle kanten uit.
3
Gij kent ons onervaren,
wij zoeken nog de baan,
uw kracht zal ons doorvaren
om mee de tocht te gaan.
4
Beziel ons stervelingen,
de dood raakt ons niet aan,
Gij, Schepper aller dingen,
word kern van ons bestaan.
5
Haal neer de zware muren,
wij staan niet meer verhard,
ontsteek de brede vuren
als 't wintert in ons hart.
6
Kom, Gever aller gaven,
kom, aller armen troost,
kom voeden ons en laven,
val brandend uit den oost!
7
Doordrenk de dorre gronden,
kom, was ons fris en rein
en heel d' onzuiv're wonden,
leer ons weer buigzaam zijn.
8
Wij zingen hoog en heilig,
gezuiverd door uw Geest,
in rode vlammen veilig
voor 't eeuwig Pinksterfeest!
---
*412
#2
1
Al heeft hij ons verlaten,
hij laat ons nooit alleen.
Wat wij in Hem bezaten
is altijd om ons heen.
als zonlicht om de bloemen,
een moeder om haar kind,
te veel om op te noemen
zijn wij door Hem bemind.
2
Als is Hij opgenomen,
houd in herinnering,
dat Hij terug zal komen
zoals Hij van ons ging.
Wij leven en vertrouwen,
tot wij zijn majesteit
van oog tot oog aanschouwen
in alle eeuwigheid.
---
*413
#3
1
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt en gegeven.
Laat ons Hem loven en danken, verheugd dat wij leven.
Diep in de nacht heeft Hij verlossing gebracht
heeft Hij ons licht aangeheven.
2
Waren wij dood door de zonde verminkt en verloren,
doven van harte, verhard om zijn woord niet te horen,
Hij is zo groot, Hij overmande de dood.
Wij zijn in Jezus herboren.
3
Nu zend uw Geest, als een vuur, als een stem in ons midden
Dat wij van harte elkander verstaan en beminnen.
En zo voortaan eren Gods heilige Naam.
En Hem in waarheid aanbidden.
---
*414
#6
1
Voorzang:
De Heer is waarlijk opgestaan,
alleluja.
2
Allen:
De Heer is waarlijk opgestaan,
alleluja.
3
Voorzang:
Zoekt Hem bij de doden niet,
maar zingt mee het hoogste lied.
4
't Licht schijnt in de duisternis,
zie hoe groot zijn luister is!
5
Jezus deed de dood teniet.
Zing daarom het hoogste lied.
6
'Hij, de grote mensenzoon,
gaat door 't graf heen naar zijn troon.'
---
*415
#6
1
Refrein:
Hallelujah, hallelujah, hallelujah!
Looft God de Heer, 't is wel gedaan,
zijn Woord is door de dood gegaan,
het licht is waarlijk opgestaan: Hallelujah!
2
De steen, die op de wereld lag,
het zwaar gebod, dat aanstoot gaf,
is weggewenteld van het graf: Hallelujah!
3
Het loos gerucht, dat mensen kwelt,
de Boze is terechtgesteld,
de vrienden hebben 't ons gemeld: Hallelujah!
4
De vijand leidt Hij om de tuin,
daar zal geen list meer en venijn
doch enkel lust en leven zijn: Hallelujah!
5
De boom des levens staat geplant,
het water stroomt ter rechterkant,
want Jezus kreeg de overhand: Hallelujah!
6
Zijn woord is melk en honing goed,
en meer dan welke koning doet
geeft Hij een land van overvloed: Hallelujah!
---
*416
#4
1
Nu moet gij allen vrolijk zijn.
De bomen zingen in de tuin,
het lege graf verzwijgt het niet,
de mond geopend voor het lied.
alleluja!
2
De loze worden zijn verstomd,
de wereld die op adem komt
zingt met de vogels in de lucht
dat nu de nacht is weggevlucht.
Alleluja!
3
Geen vlammend zwaard verspert de weg,
de engel die het voerde zegt,
dat alle leed geleden is
omdat de Heer verrezen is.
Alleluja!
4
O goede engel bij het graf,
de lente lost de winter af,
bewaak het jonge groen en wijs
de ingang van het paradijs.
Alleluja!
---
*417
#5
1
Kom o Geest des Heren kom
uit het hemels heiligdom,
waar Gij staat voor Gods gezicht.
Kom der armen troost, daal neer,
kom en schenk uw gaven, Heer,
kom wees in de harten licht.
2
Kom o Trooster, Heilge Geest,
zachtheid die de ziel geneest,
kom verkwikking zoet en mild.
Kom o vrede in de strijd,
lafenis voor 't hart dat lijdt,
rust die alle onrust stilt.
3
Licht dat vol van zegen is,
schijn in onze duisternis,
neem de harten voor U in.
Zonder uw geheime gloed
is er in de mens geen goed,
is de ziel niet rein van zin.
4
Was wat vuil is en onrein,
overstroom ons dor domein,
heel de ziel die is gewond,
maak weer zacht wat is verstard,
koester het verkilde hart,
leid wie zelf de weg niet vond.
5
Geef uw gaven zevenvoud,
ieder die op U vertrouwt,
zich geheel op U verlaat.
sta ons met uw liefde bij,
dat ons einde zalig zij,
geef ons vreugd die niet vergaat.
---
*418
#4
1
Zingt voor de Heer van liefde en trouw,
die onder ons verblijven wou.
Zingt als het gras dat dankt voor dauw:
Alleluia, alleluia.
2
Zingt voor het heilig hemels brood,
dat ons versterkt in alle nood,
dat ons doet leven na de dood;
Alleluia, alleluia.
3
Zingt voor de liefde die ons bindt,
die in ons hoofd haar woning vindt,
die in ons hart haar rijk begint;
Alleluia, alleluia.
4
Zingt voor het heil dat komen gaat;
zingt voor de deur die open staat
zingt voor de God die zingen laat;
Alleluia, alleluia.
---
*419
#3
1
Wat altijd is geweest,
het waaien van de geest
gebeurt aan ons vandaag.
Dat vuur van het begin
wij ademen het in,
Gods woord dat antwoord vraagt.
Die in de stilte sprak,
het noodlot onderbrak
en nieuwe wegen baande,
Hij is nog niet verstomd
Hij zwaait ons toe en komt
en zegt Ik ben uw Vader.
2
Het meeste gaat voorbij
maar meer en meer wordt Hij
de toekomst die ons wacht.
Bij hem is geen verraad
Hij zelf heeft ons gemaakt,
zijn oog is in ons hart.
Wij leven zijn bestaan,
zijn ongekende naam
aanschouwen wij van verre.
Zijn zwijgen is van goud
zijn woord is ons behoud
in leven en in sterven.
3
Als alles is volbracht
zal Hij voor ons een stad
van brood en spelen zijn.
De stok die ons regeert,
de dood zal zijn gekeerd,
wij zullen mensen zijn.
Hij geeft een nieuw gezicht
aan duisternis en licht
aan alles wat wij deden.
Hij maakt zijn woorden waar,
wij spreken met elkaar
een taal van hoop en vrede.
---
*420
#3
1
Aan wat op aarde leeft, geeft Gij hetzelfde brood
en wie er U om smeekt, wordt met uw Geest gedoopt.
Geef ons dezelfde taal om uw Woord te verstaan.
Bewaar ons in uw hand, bewaar ons in uw naam!
2
Wie in uw vlees gelooft, geeft Gij uw eeuwig woord.
Omdat Gij zijt gedood, bestaan wij altijd voort.
Leid al wie leven wil, uw woning tegemoet,
omwille van uw dood, omwille van uw bloed.
3
O Geest die levend maakt en voegt het al aan‚‚n,
wij zijn verstrooid geraakt, maar Gij houdt ons bij‚‚n.
Weersta toch aan de macht, die onze harten scheidt,
o alvermogend Woord, o Licht van eeuwigheid!
---
*421
#4
1
Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag;
het komt aan de dag.
Zijn hand is verheven, zijn hand die bevrijd,
zijn hand die zijn volk heeft geleid.
De God onzer vaadren wordt heerlijk bekend.
Wij prijzen zijn naam in zijn heilige tent.
Hij heeft ons verlost en Hij ging met ons mee
en wie ons vervolgden wierp Hij in de zee
met vliegende vaandels en blinkende zwaarden,
met wagens en paarden.
2
De Heer is een krijgsman, Hij trekt voor ons uit
en machtig verluidt
de roemrijke klank van zijn naam over ons:
de Here, de God des verbonds!
Hij heeft ons bevrijd, uit het diensthuis vandaan,
Hij heeft ons geleid op een veilige baan.
De wateren weken en stonden gedwee,
de vijand verzonk als een steen in de zee
met vliegende vaandels en blinkende zwaarden,
met wagens en paarden.
3
Wie is er, o Here ter wereld als Gij?
Wie komt U nabij
in heilige luister, in reddende macht
die wonderen tot stand heeft gebracht?
Wij moeten U loven met hart en met mond,
want Gij zult ons brengen naar heilige grond.
Uw liefde bereidt ons een veilig gebied.
Uw dreigende vinger verwijst naar het niet
de vliegende vaandels en blinkende zwaarden,
de wagens en paarden.
4
Ik zing voor de Heer. Hij is koning voorgoed
en dwars door de vloed
geleidt Hij de zijnen. Zijn goddelijk spoor
gaat zelfs in de zee niet teloor:
de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt,
het water en bloed dat de zonden uitdelgt.
Zo gaat het van doodszee naar levensjordaan,
en zingende moeten het water in gaan
met slaafse ellende en vorstlijke waarde
de mensen der aarde.
---
*422
#6
1
Kondigt het jubelend aan,
laat het de windstreken horen,
doet het de aarde verstaan:
God heeft ons wedergeboren !
2
Zingt met een juichende stem,
ademt weer opgetogen,
dit is Jeruzalem,
ere zij God in den hoge !
3
Hier heeft de Heer ons geleid,
hier doet Hij Isra‰l wonen
uit de ellende bevrijd,
God zal het lijden ons lonen.
4
Wandelend in de woestijn
hebben wij water gevonden
springende als een fontein,
bronnen geslagen als wonden.
5
Overvloed, overvloed Gods,
sprengen van water en leven,
bloed uit de flank van de rots,
water en bloed om het even;
6
daaruit ontspringt ons bestaan,
zo zijn wij wedergeboren !
Kondigt het jubelend aan,
laat heel de wereld het horen !
---
*423
#9
1
Nu gaan wij met blijdschap eren
't offer van het paasmysterie.
2
'tGodd'lijk Lam bevrijdt de schapen,
en verzoent ons met de Vader.
3
Dood en leven staan op vechten:
Jezus kwam de strijd beslechten.
4
Spreek, Maria, kom verklaren
wat gij zoekend hebt ervaren.
5
'k Liep de lege grafstee binnen,
'k zag de zweetdoek en het linnen.
6
'k Hoorde d' engelen getuigen,
'k wou mij naar de diepte buigen.
7
'k Weet dat Christus is verrezen,
die mijn hoop is, zij geprezen.
8
Overwinnaar, groot en machtig,
blijf uw biddend volk indachtig.
9
Amen. Halleloejah!
---
*424
#6
1
Lof zij God in de hoogste troon,
lof zij zijn eengeboren Zoon,
die voor ons droeg der zonde loon.
Halleluja, halleluja, halleluja !
2
Des morgens op de derde dag,
toen voor het graf de steen nog lag,
verrees de Heer op Gods gezag.
Halleluja, halleluja, halleluja !
3
De engel sprak: Houdt moed, vreest niet,
ik ken de bron van uw verdriet:
gij zoekt uw Heer, - Hij is hier niet.
Halleluja, halleluja, halleluja !
4
Hij is verrezen en Hij leeft.
De dood heeft voor het eerst gebeefd.
Komt, ziet waar Hij gelegen heeft.
Halleluja, halleluja, halleluja !
5
Nu bidden wij U, Zoon van God,
omdat Gij opstond uit de dood,
geef ons nu uw genade groot,
- halleluja, halleluja, halleluja ! -
6
opdat wij, vrolijk en bevrijd,
lofzingen in der eeuwigheid
uw lieve naam gebenedijd.
Halleluja, halleluja, halleluja !
---
*425
#6
1
Nu triomfeert de Zoon van God
die is verrezen uit de dood,
halleluja, halleluja,
met grote pracht en heerlijkheid.
Hem zij de lof in eeuwigheid!
Halleluja, halleluja.
2
Hij heeft de duivel alle macht
ontnomen, hem ten val gebracht.
Halleluja, halleluja.
Hij heeft gelijk een grote held
de boze reddeloos geveld.
Halleluja, halleluja.
3
Nu doet geen vijand ons meer kwaad;
al dreigt hij ook, het heeft geen baat.
Halleluja, halleluja.
Hij ligt in 't stof, hij heerst niet meer,
wij zijn Gods eigen kindren weer.
Halleluja, halleluja.
4
O Gij die onze Heiland zijt,
die zondaars uit de dood bevrijdt,
Halleluja, halleluja,
om uw genade en liefde leid
ons binnen in uw heerlijkheid.
Halleluja, halleluja.
5
Voor wie vertrouwen op uw woord
ontsluit Gij zelf de donkre poort.
Halleluja, halleluja.
Zo laat ons dan uit alle macht
lofzingen Hem, wiens heil ons wacht:
halleluja, halleluja.
6
Aan God de Vader in zijn troon,
aan Christus, zijn geliefde Zoon,
halleluja, halleluja,
en aan de Geest zij toegewijd
lof, dank en eer in eeuwigheid.
Halleluja, halleluja.
---
*426
#19
1
De Heer is waarlijk opgestaan,
halleluja, halleluja,
de nacht des doods voorbijgegaan.
Halleluja, halleluja!
2
Wanneer Hij niet was opgestaan,
Halleluja, halleluja,
dan zou de wereld zijn vergaan.
Halleluja, halleluja!
3
Maar nu Hij overwonnen heeft,
halleluja, halleluja,
nu loven wij de Heer die leeft.
Halleluja, halleluja!
4
Drie vrouwen namen specerij,
halleluja, halleluja,
vroeg in de morgen kwamen zij.
Halleluja, halleluja!
5
Zij naderden bezorgd het graf,
halleluja, halleluja.
Wie wentelt straks de steen ons af?
Halleluja, halleluja!
6
Maar zie, de steen was weggedaan,
halleluja, halleluja.
Een engel sprak de vrouwen aan:
halleluja, halleluja!
7
Weest niet bevreesd, verheugt u zeer,
halleluja, halleluja,
Hij, die gij zoekt, is hier niet meer.
Halleluja, halleluja!
8
Ach goede engel, zeg mij dan,
halleluja, halleluja,
waar ik mijn Meester vinden kan.
Halleluja, halleluja!
9
Uw Heer, die hier gebonden lag,
halleluja, halleluja,
verrees op deze heilge dag.
Halleluja, halleluja!
10
Wanneer Hij dan verrezen is,
halleluja, halleluja,
wijs, engel, ons waar Jezus is.
Halleluja, halleluja!
11
Hier was zijn rustplaats, komt en ziet,
halleluja, halleluja,
verblijdt u 't graf behield Hem niet.
Halleluja, halleluja!
12
Mijn hart is nog vol angst en pijn,
halleluja, halleluja,
hoe zou ik blijde kunnen zijn?
Halleluja, halleluja!
13
Aanschouwt de windsels in het graf,
halleluja, halleluja,
die Jozef Hem als doodskleed gaf.
Halleluja, halleluja!
14
Wij zien het vol verbazing aan,
halleluja, halleluja,
zeg ons: waarheen is Hij gegaan?
Halleluja, halleluja!
15
Naar Galil‚a richt uw voet,
halleluja, halleluja,
daar wordt gij door uw Heer begroet.
Halleluja, halleluja!
16
Heb dank, o engel, voor uw woord,
halleluja, halleluja,
wij haasten ons, dat elk het hoort.
Halleluja, halleluja!
17
Zegt Petrus: Hij is opgestaan!
Halleluja, halleluja.
Zegt het al zijn disciplen aan.
Halleluja, halleluja!
18
Nu klinkt alom de roep voortaan:
Halleluja, halleluja,
de Heer is waarlijk opgestaan!
Halleluja, halleluja!
19
Verblijdt u met ons allen saam,
halleluja, halleluja,
lofzingt de Heer en prijst zijn naam!
Halleluja, halleluja!
---
*427
#3
1
Laat groot en klein
nu vrolijk zijn,
jubelend God dank bewijzen.
Laat al wie 't woord
des levens hoort
Vader en Zoon nu lofprijzen.
Want Hij, in wie
ons heil is, zie,
die dood was leeft:
de Vader heeft
zijn Zoon voor ons doen verrijzen.
2
Juich dan en zing!
Hij, de Eersteling
heeft onze vijand bedwongen,
is sterk en groot
dwars door de dood
tot in Gods rijk doorgedrongen.
Wie bij Hem hoort
mag door die poort
achter Hem aan
ten leven gaan,
Hij heeft de zege bedongen.
3
Lof, dank en eer
zij onze Heer,
zegent zijn naam te allen tijde!
Gij christnen, laat
uw woord en daad
zijn overwinning belijden.
Dan zullen wij
zijn zoals Hij
en na de nood
van graf en dood
eeuwig in Hem ons verblijden.
---
*428
#6
1
Ten hemel opgevaren is, halleluja,
Christus die Heer en Koning is, halleluja.
2
Nu zit Hij aan Gods rechterhand, halleluja,
heerst over hemel, zee en land, halleluja.
3
Zie nu hoe in vervulling gaat, halleluja,
wat in de psalm geschreven staat, halleluja.
4
De Heer verleent zijn majesteit, halleluja,
aan Davids Zoon in eeuwigheid, halleluja.
5
Nu stijgt ons loflied op en eert, halleluja,
de Here Christus die regeert, halleluja.
6
De heilige Drievuldigheid, halleluja,
zij lof en prijs in eeuwigheid, halleluja.
---
*429
#3
1
Volken weest verheugd, jubelt, toont uw vreugd,
prijst met handgeklap 's Heren koningschap.
Ja, Hij is de Heer, volken slaat Hij neer,
zijn geduchte kracht geeft z' in onze macht.
Met zijn eigen hand meet Hij Jakob 't land,
die daar woont met trots, al beminde Gods.
2
God stijgt blinkend schoon/met gejuich ten troon.
Luid bazuingeschal/meldt het overal.
Zingt Gods eer, heft aan, /'s Konings eer, heft aan.
Heel de aarde hoort/naar des Heren woord,
is zijn rijksgebied./Zingt een kroningslied!
Die de volken leidt/troont in heiligheid.
3
Maakt het dan bekend;/Godes regiment
houdt de volken saam, /geeft hun rang en naam.
Eedlen treden aan/om op wacht te staan.
Abrahams geslacht, /het betrekt de wacht.
Hem, die 't aards geweld/paal en perken stelt,
Hem zij lof en eer, /den verheven Heer.
---
*430
#4
1
Nu bidden wij de Heilige Geest
om een recht geloof het allermeest,
dat Hij ons verblijde en ons bevrijde
en aan 't einde ons naar huis geleide.
Kyrieleis.
2
Geef, kostbaar licht, ons uw helderheid,
dat wij Christus kennen voor altijd.
Leer Gij ons te bouwen op die Getrouwe,
die ons 't vaderland heeft doen aanschouwen.
Kyrieleis.
3
Geef, heilge liefde, uw overvloed,
doe ons hart ontvlammen in uw gloed,
dat wij een van zinnen elkaar beminnen,
alle twist en tweedracht overwinnen.
Kyrieleis.
4
Geef, hoogste Trooster in alle nood,
dat wij nimmer vrezen schande of dood,
dat wij niet versagen ten laatsten dage,
als de vijand ons zelf komt aanklagen.
Kyrieleis.
---
*431
#4
1
Wat zijn de goede vruchten,
die groeien aan de Geest?
De liefde en de vreugde,
de vrede allermeest,
geduld om te verdragen
en goedertierenheid,
geloof om veel te vragen,
te vragen honderd uit;
2
geloof om veel te geven,
te geven honderd-in,
wij zullen leren leven
van de verwondering:
dit leven, deze aarde,
de adem in en uit,
het is van Gods genade
en zijn lankmoedigheid.
3
En wie zijn ziel niet prijsgeeft
maar vasthoudt tot het eind,
wie zijn bestaan niet kruisigt,
hoezeer hij levend schijnt,
hij gaat voorgoed verloren,
het leven dat hij koos
is tevergeefs geboren
en eindigt vruchteloos.
4
Maar wie zich door de hemel
laat helpen uit de droom,
die vindt de boom des levens,
de messiaanse boom
en als hij zich laat enten
hier in dit aardse dal,
dan rijpt hij in de lente
tot hij vruchtdragen zal.
---
*432
#2
1
De wereld is gewonnen
door woord en geest.
Zoals het is begonnen
met Pinksterfeest,
zoals in alle talen
het is verstaan,
zo zal het zich herhalen
van nu voortaan.
2
Uit alle kerken komen
wij om U saam.
Gij schrijft door onze dromen
uw grote naam,
o God die uit de wolken
daalt in de tijd,
een licht voor alle volken
in eeuwigheid.
---
*433
#2
1
Geest van hierboven,
leer ons geloven,
hopen, liefhebben door uw kracht!
Hemelse Vrede,
deel U nu mede
aan een wereld die U verwacht!
Wij mogen zingen
van grote dingen,
als wij ontvangen
al ons verlangen,
met Christus opgestaan. Halleluja!
Eeuwigheidsleven
zal Hij ons geven,
als wij herboren
Hem toebehoren,
die ons is voorgegaan. Halleluja!
2
Wat kan ons schaden,
wat van U scheiden,
Liefde die ons hebt liefgehad?
Niets is ten kwade,
wat wij ook lijden,
Gij houdt ons bij de hand gevat.
Gij hebt de zege
voor ons verkregen,
Gij zult op aarde
de macht aanvaarden
en onze koning zijn. Halleluja!
Gij, onze Here,
doet triomferen
die naar U heten
en in U weten,
dat wij Gods zonen zijn. Halleluja!
---
*434
#1
1
Laat juichen heel het koor van Gods gemeente,
laat juichen om zo'n grote Koning,
juichen om de overwinning!
Laat de trompetten klinken in het rond!
---
*435
#1
1
Zoals het licht ons verschijnt in de nacht,
zo is Jezus onze vreugde.
Hij is een licht voor onze ogen,
Hij is een feest voor ons hart.
---
*501
#10
1
Nu looft en prijst mijn ziel de Heer,
van vreugde jubelt heel mijn hart
in God die mijn verlosser werd.
Refrein:
Magnificat!
Jubelt allen in de Heer, jubelt om uw heil!
2
Want welgevallig zag Hij neer
op mij, die door mijn nietigheid
niets anders dan zijn dienstmaagd ben.
3
Zie, aangebroken is de dag
dat elk geslacht aan 't jub'len gaat,
elk volk mij zalig prijzen zal.
4
Wat mij nu is geschied, is groot,
wat kan de Almacht niet bij God,
wiens naam alleen hoogheilig is.
5
Gods heil en zijn barmhartigheid
zal komen tot het laatst geslacht,
voor alwie Hem verknocht wil zijn.
6
Wie Hem met trots in 't hart weerstaan,
laat Hij de kracht zien van zijn arm,
als heerser slaat Hij hen uiteen.
7
Wie zich verheffen in hun macht,
Hij haalt ze van hun tronen neer,
maar wie gering is, beurt Hij op.
8
De Heer verheft wie armoe lijdt
en schenkt zijn gunst in overvloed;
de rijken zendt Hij ledig heen.
9
Hij gaat zijn dienaar Isra‰l
met zijn ontferming tegemoet,
indachtig zijn barmhartigheid.
10
Zoals Hij aan de vad'ren sprak,
aan Abraham en 't nageslacht,
zo blijft het in der eeuwigheid.
---
*503
#4
1
Zingt een nieuw lied voor de Heer, alle landen,
zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.
Treedt in zijn tempel met uw offeranden,
kondigt zijn roem bij de heidenen aan.
Refrein:
Zingt een nieuw lied, alle landen.
Zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.
2
Groot is de Heer die wij vrezen en prijzen:
aarde en lucht komen vers uit zijn hand,
schoonheid en kracht vergezellen Hem beide:
wild is de zee en tevreden het land.
3
Roept tot de volkeren: God is de koning,
Hij houdt de weegschaal der wereld loodrecht;
Hij is rechtvaardig, bij Hem is het oordeel,
alles wordt Hem aan zijn voeten gelegd.
4
Juicht wat in zee leeft of leeft op de velden:
ziet uw Verlosser gaat komen, weest blij!
Wuift alle bomen der wouden, verwelkomt
juichend uw Koning, want Hij is nabij.
---
*504
#4
1
Wanneer ik door de velden ga
en zon en hemel gadesla,
dan weet ik, Heer, hoe groot Gij zijt,
en buig mij voor uw majesteit.
Refrein:
U zingt mijn ziel op blijde toon:
mijn God, Gij zijt oneindig schoon.
2
Gij tooit de feestelijke zon
gelijk een jonge bruidegom,
die als een reus zijn tocht begint
en alles met zijn gloed doordringt.
3
Wanneer mijn ziel uw wet beleeft,
uw heilzaam woord mij vreugde geeft;
uw wet is als een heerlijk licht
dat veilig mijne schreden richt.
4
Al staat uw wet mij zo nabij,
'k weet mij van zonden nimmer vrij;
maak Gij me schuldeloos en rein,
en wil mijn rots en redder zijn.
---
*505
#5
1
Zoals een hert verlangt naar stromend water,
zo heeft mijn ziel haar hoop op U gesteld.
Nu drink ik bij mijn brood mijn zoute tranen,
ik ben een banneling, ik lijd geweld,
Refrein:
Zoals een hert verlangt naar stromend water,
zo heeft mijn ziel haar hoop op U gesteld.
2
Ik denk gedurig aan de blijde dagen
toen ik met velen naar de tempel ging,
onder gezang en klinkende cimbalen,
in het jordaanland der herinnering.
3
Ik denk bedroefd aan onze koele bergen
en onze wateren van zee tot zee;
in mijn verdriet, ik zal het niet verbergen,
stromen uw wateren over mij heen.
4
Zie hoe de heidenen mij spottend vragen:
"Waar blijft uw God die gij om bijstand bidt"
Ik heb zolang mijn bitter leed gedragen,
vergeet dit niet wanneer ik nederzit.
5
Zij komen U, dag in dag uit, versmaden;
hun spotternij gaat mij door merg en been.
Mijn ziel komt in de nacht bij U te rade,
wees mij genadig, laat mij niet alleen.
---
*506
#4
1
Refrein:
Mijn Herder zijt Gij, o mijn Heer,
aan niets ontbreekt het mij:
ik vrees nu geen gevaren meer,
Gij staat mij altijd bij.
In groene beemden voert Gij mij,
waar Gij mij rusten doet.
Aan frisse wat'ren laaft Gij mij,
verkwikkend mijn gemoed.
2
Langs veil'ge paden leidt Gij mij,
omwille van uw Naam.
Langs donk're krochten ga ik vrij,
gerust, want wij zijn saam.
3
Een avondmaal bereidt Gij mij
voor 't oog van wie mij haat.
Met geurend' olie zalft Gij mij:
mijn vreugd is zonder maat.
4
Uw zaal'ge zegen rust op mij
en volgt mij overal.
In 't huis des Heren woon ik blij
waar 'k eeuwig zingen zal.
---
*508
#6
1
Die rechtens God gelijk
komt van de Vader voort,
de Koning van zijn Rijk,
Gods beeld en scheppend woord.
2
Hij heeft zichzelf ontdaan
van alle heerschappij,
Hij kwam in ons bestaan,
Hij werd een mens als wij.
3
Hij werd ons aller knecht,
zijn deemoed was zo groot.
Hij stond voor ons terecht,
gehoorzaam totterdood.
4
Maar God heeft Hem gesteld
hoog aan zijn rechterhand.
God heeft zijn naam gemeld
aan hemel, zee en land
5
opdat zijn macht verstaan
al wie Hij 't aanzijn geeft,
opdat in Jezus' naam
zich buige al wat leeft, -
6
opdat wij met elkaar
God geven alle eer,
belijdend voor elkaar
dat Jezus is de Heer!
---
*510
#5
1
Halleluja! laat opgetogen
een nieuw gezang den Heer verhogen.
laat allen die Gods naam belijden
zich eensgezind verblijden.
Volk van God, loof Hem die u schiep;
Isra‰l, dank Hem die u riep.
Trek, Sion, in een blijde stoet
uw Koning tegemoet.
2
Laat het een hoge feestdag wezen.
De naam des Heren wordt geprezen
met het aloude lied der vaad'ren.
De heilge reien naad'ren.
En zo danst in het morgenlicht
heel Gods volk voor zijn aangezicht
en slaat de harp en roert de trom
in 's Heren heiligdom.
3
De Heer gedenkt in gunst de zijnen.
Hij kroont de zwakken en de kleinen.
Hij kent de stillen in den lande,
het heil is nu ophanden.
Weest verheugd, die den Heer verbeidt,
nu Hij komt en u zelf bevrijdt.
Prijst dan zijn naam bij dag en nacht
en roemt zijn grote macht.
4
Gods lof zal in hun lied weerklinken.
En in hun rechterhand zal blinken
een zwaard dat voor de trots der volken
Gods wrake zal vertolken.
De tirannen die God weerstaan
zullen zij in de boeien slaan.
Zij juichen, nu het bruut geweld
voorgoed wordt neergeveld.
5
Nu zal, gelijk er staat geschreven,
Gods volk in volle vrede leven.
De boze vijand is verslagen.
Prijs 's Heren welbehagen!
Na het duister der wereldnacht
blinkt de luister van Gods geslacht.
Hemel en aarde stemmen saam
en prijzen 's Heren naam.
---
*511
#4
1
De Heer is Koning, Hij regeert altijd,
omgord met macht, bekleed met majesteit.
Hij grondvest d' aarde, houdt haar vast in stand.
Onwrikbaar staat het bouwwerk van zijn hand.
2
Uw troon staat van de aanvang af gesteld
op vaste pijlers in het oergeweld.
Rivieren slaan, rivieren slaan, o Heer,
het water stijgt, het water stijgt steeds meer.
3
Geweldiger dan water en dan wind
is in de hoogte God die overwint.
Geweldig is de Here die zijn voet
plant op de nek van deze watervloed.
4
Uw macht is groot, uw trouw zal nooit vergaan,
al wat Gij ooit beloofd hebt, blijft bestaan.
Tot sieraad is uw hoge heiligheid
en in die glans trotseert uw huis de tijd.
---
*512
#4
1
Eert God die onze Vader is,
weest allen welgemoed.
Looft Hem, gij zult in vrede zijn.
Aanbidt alwat Hij doet.
2
U, Heer, komt alle leven toe
en, wie of waar Gij zijt,
U is de macht, U zingen wij
dank voor uw heerlijkheid.
3
Lam Gods dat onze zonden draagt,
neem deze lofzang aan,
gedenk ons in uw koninkrijk,
want Jezus is uw Naam.
4
Gij, die voor ons ten beste spreekt,
Jezus, Gij zijt de Heer.
O, eengeboren Zoon van God,
kom haastig tot ons weer.
---
*513
#4
1
O Vader die uw woning sticht
hoog in het ontoeganklijk licht,
geef onze hand de zekerheid
om in de ontrouw van de tijd
een huis te bouwen dat gewaagt
van uw geduld dat alles draagt.
2
O Christus die met al ons leed
het ware heiligdom betreedt,
Gij, grondsteen, door Godzelf gelegd,
van het gebouw van liefde en recht,
bouwoffer dat aan God behaagt,
wees fundament dat alles draagt.
3
O Geest, Gij mortel van Gods kerk,
hoe ijdel is ons metselwerk,
hoe pover is het offer dat
wij dragen naar de nieuwe stad,
voeg onze harten thans tesaam,
een heilig huis voor Christus' naam.
4
O Heilige Drievuldigheid
die eerste en die laatste zijt,
wil ons ontmoeten van omhoog,
laat ons feestvieren voor uw oog.
bereid voor ons de heilge dis
in 't huis dat U geheiligd is.
---
*514
#5
1
Zolang er mensen zijn op aarde,
zolang de aarde vruchten geeft,
zolang zijt Gij ons aller Vader,
wij danken U voor al wat leeft.
2
Zolang de mensen woorden spreken,
zolang wij voor elkaar bestaan,
zolang zult Gij ons niet ontbreken,
wij danken U in Jezus' naam.
3
Gij voedt de vogels in de bomen,
Gij kleedt de bloemen op het veld,
o Heer, Gij zijt mijn onderkomen
en al mijn dagen zijn geteld.
4
Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven,
Gij redt de wereld van de dood.
Gij hebt uw Zoon aan ons gegeven,
zijn lichaam is het levend brood.
5
Daarom moet alles U aanbidden,
uw liefde heeft het voortgebracht,
Vader, Gijzelf zijt in ons midden,
o Heer, wij zijn van uw geslacht.
---
*515
#5
1
De ware kerk des Heren,
in Hem alleen gegrond,
geschapen Hem ter ere,
de bruid van zijn verbond,
dankt aan zijn dood het leven.
Hij is haar Bruidegom.
Want God, zo staat geschreven,
zag naar zijn dienstmaagd om.
2
Door God bijeen vergaderd,
‚‚n volk dat Hem behoort,
als kindren van ‚‚n Vader;
‚‚n doop, ‚‚n Geest, ‚‚n woord.
Zo offert allerwege
de kerk U lof en prijs.
E‚n naam is aller zegen,
‚‚n brood is aller spijs.
3
Al heeft men haar geteisterd,
al wordt zij onderdrukt,
door dwalingen verbijsterd,
door strijd uiteengerukt,
de stem der martelaren
roept uit: o Heer, hoe lang?
De nacht is vol gevaren,
de morgen vol gezang.
4
In 't woeden aller tijden
is nooit het lied verstomd,
Gods hoede zal ons leiden,
de volle vrede komt!
Geloven wordt aanschouwen,
als uit de hemel daalt
de bruid, de hoge vrouwe,
de kerk die zegepraalt.
5
Met God zijn wij verbonden,
met Vader, Zoon en Geest,
met alwie overwonnen,
alwie zijn trouw geweest.
Bewijs ons uw genade,
dan zingen wij bevrijd
de glorie van uw daden,
in tijd en eeuwigheid.
---
*516
#3
1
Ik wil mij gaan vertroosten
in Jesu lijden groot.
Al heeft 't gestaan ten boosten,
het mocht nog worden goed.
Al om mijn zondig leven
ben ik met druk bevaƒn.
Dat wil ik gaan begeven:
o Jesu, zie mij aan!
2
Mijn zuchten en mijn kermen
zie aan, genadig God!
Eilaas, wil mijns ontfermen,
al heb ik uw gebod
versmaad te meen'ger ure,
ik wil mij beetren gaan.
Dit doet mijn herte treuren:
o Jesu, zie mij aan!
3
De tijd heb ik verloren,
die Gij mij hebt verleend.
Naar U wild' ik niet horen,
in zonden was 'k versteend.
Zeer traag ben ik tot deugden,
al heb ik goed vermaan.
Oorsprong der eeuwge vreugden,
o Jesu, zie mij aan!
---
*517
#3
1
O lieve Heer, geef vrede
aan allen hier beneden
die uitzien naar uw feest,
opdat de mensen weten:
uw heilige profeten
zijn niet verblind geweest.
2
Doe onze ogen stralen,
doe ons het hart ophalen
aan blijdschap na verdriet;
o God voor wie verschijnen
Christus en al de zijnen,
versmaad hun smeken niet!
3
Verlos ons van de boze,
laat niet de goddelozen
op aarde koning zijn!
Laat ons uw land betreden,
dat zal een land van vrede
van melk en honing zijn!
---
*518
#10
1
Laat ieder 's Heren goedheid prijzen,
zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Laat, Isra‰l, uw lofzang rijzen;
Zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Dit zij het lied der priesterkoren;
Zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Gij, die den Heer vreest, laat het horen;
Zijn liefde duurt in eeuwigheid.
2
Ik werd benauwd van alle zijden
en riep den Heer ootmoedig aan.
De Heer verhoorde en bevrijdde,
Hij deed mij in de ruimte staan.
De Heer is met mij, 'k zal niet vrezen.
Geen sterveling verschrikt mij meer.
De Heer wil mij tot helper wezen;
ik zie op al mijn haters neer.
3
't Is beter bij den Heer te schuilen
dan dat men bouwt op man en macht.
't Is beter bij den Heer te schuilen
dan dat men hulp van vorsten wacht.
Toen ik mij wenden kon nog keren,
omsloten door der volken ring,
doorbrak ik in de naam des Heren
de knellende omsingeling.
4
Zij zwermden om mij heen als bijen,
zij waren dreigend om mij heen.
In Gods naam brak ik door hun rijen,
als strovuur sloeg ik hen uiteen.
O vijand, die met felle stoten
mij bijna hebt ten val gebracht,
de Heer had tot mijn heil besloten,
Hij redde mij, Hij schonk mij kracht.
5
De Heer is mij tot hulp en sterkte,
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.
Hij is het, die mijn heil bewerkte.
Ik loof den Heer mijn leven lang.
Hoort in hun kamp Gods knechten zingen
nu Hij de zege heeft gebracht;
Gods rechterhand doet grote dingen,
Gods rechterhand heeft grote kracht!
6
Des Heren hand is hoog verheven,
des Heren rechterhand is sterk.
Ik zal niet sterven, ik zal leven
en zingen van des Heren werk.
De Heer heeft mij wel zwaar geslagen,
maar niet verlaten in mijn nood,
en zijn genadig welbehagen
gaf mij niet over aan de dood.
7
Ontsluit, ontsluit nu voor mijn schreden
de poorten der gerechtigheid.
Laat mij de voorhof binnentreden
en loven 's Heren majesteit.
Dit is de poort, de poort des Heren,
Gods knechten zullen binnengaan.
God van mijn heil, U wil ik eren,
nu ik uw antwoord heb verstaan.
8
De steen, dien door de tempelbouwers
verachtlijk was een plaats ontzegd,
werd tot verbazing der beschouwers
ten hoeksteen door God zelf gelegd.
Dit werk is door Gods alvermogen,
door 's Heren hand alleen geschied.
Het is een wonder in onz' ogen.
Wij zien het, maar doorgronden 't niet.
9
Dit is de dag, die God deed rijzen,
juicht nu met ons en weest verblijd.
O God, geef thans uw gunstbewijzen,
geef thans het heil door ons verbeid.
Gezegend zij de grote koning
die tot ons komt in 's Heren naam.
Wij zeegnen u uit 's Heren woning,
wij zegenen u al tezaam.
10
De Heer is God, zijn gunst verheugde
ons oog en hart met vrolijk licht.
Nu worde 't offer onzer vreugde
op zijn altaren aangericht.
Gij zijt mijn God, U zal ik prijzen,
o God, U roemen wijd en zijd.
Laat aller lof ten hemel rijzen;
Gods liefde duurt in eeuwigheid.
---
*519
#4
1
Zingt een nieuw lied voor God den Here,
want Hij bracht wonderen tot stand.
Wij zien Hem heerlijk triomferen
met opgeheven rechterhand.
Zingt voor den Heer, Hij openbaarde
bevrijdend heil en bindend recht
voor alle volkeren op aarde.
Hij doet zoals Hij heeft gezegd.
2
Ja Hij is ons getrouw gebleven,
Hij heeft in goedertierenheid,
naar de belofte eens gegeven,
het huis van Isra‰l bevrijd.
Zijn volk is veilig in zijn handen.
Hij heeft zijn heerlijkheid ontvouwd.
Zo werd tot in de verste landen
het heil van onze God aanschouwd.
3
Laat heel de aard' een loflied wezen,
de psalmen gaan van mond tot mond.
De naam des Heren wordt geprezen,
lofzangen gaan de wereld rond.
Hosanna voor de grote Koning,
verhef,bazuin,uw stem van goud,
de Heer heeft onder ons zijn woning,
de Heer die bij ons intocht houdt.
4
Laat alle zee‰n,alle landen
Hem prijzen met een blij geluid.
Rivieren klappen in de handen,
de bergen jubelen het uit.
Hij komt,Hij komt de aarde richten,
Hij komt, o volken weest verblijd,
Hij komt zijn koninkrijk hier stichten,
zijn heil en zijn gerechtigheid.
---
*520
#6
1
Heer, onze Heer, hoe heerlijk en verheven
hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven-
machtige God, Gij die uw majesteit
ten hemel over ons hebt uitgebreid.
2
Wel doet de hemel hoog uw glorie blinken,
maar in de mond van kindren doet Gij klinken
uw machtig heil, zo maakt G' uw vijand stil
en doet uw haters buigen voor uw wil.
3
Aanschouw ik 's nachts het kunstwerk van uw handen,
de maan, de duizend sterren die daar branden,
wat is de mens, dat Gij aan hem gedenkt,
het mensenkind, dat Gij hem aandacht schenkt?
4
Gij hebt hem bijna goddelijk verheven,
een kroon van eer en heerlijkheid gegeven,
Gij doet hem heersen over zee en land,
ja, al uw werken gaaft Gij in zijn hand.
5
Al wat er land of water heeft tot woning,
het moet de mens erkennen als zijn koning;
vogels en wild en al 't geduldig vee
en wat er wemelt in de wijde zee.
6
Heer, onze Heer, hoe heerlijk en verheven
hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven.
Heer, onze God, hoe vol van majesteit
hebt Gij uw naam op aarde uitgebreid.
---
*521
#6
1
De Heer richt op zijn berg een maaltijd aan,
van spijs en merg, van uitgelezen wijnen;
van heind' en ver zal men aan tafel gaan,
de Heer is gul en goed voor al de zijnen.
2
Gezuiverd en belegen is de wijn,
zo rood als bloed, gerijpt tot heil en zegen;
op deze berg zal 't feestlijk toeven zijn,
hier lijdt de Heer ons heen langs alle wegen.
3
Op deze berg neemt Hij de sluier weg
waar alle volkeren mee zijn omwonden;
de duisternis zal worden afgelegd,
geheimen opgeklaard, boeien ontbonden.
4
Wij treden aan het ontoeganklijk licht,
wij volkeren, wij heidenen, wij mensen;
wij zien het leven zelf in het gezicht,
God haalt ons thuis van achter alle grenzen.
5
En Hij, het leven zelf, verslindt de dood
tot overwinning en van alle ogen
wist Hij de tranen af. Het ochtendrood
gaat stralend op, een opgang uit den hoge.
6
Dit zeiden zijn profeten in zijn geest;
de bankring van de dood zal zijn gebroken,
de smaad van Isra‰l wordt uitgewist;
zo zal het gaan, want zo heeft Hij gesproken.
---
*522
#3
1
Heer, laat mij voor uw altaar komen,
Gij die mijn blijdschap zijt vanaf mijn jeugd.
Heer, reken mij onder uw vromen,
onder uw hoede is mijn ziel verheugd.
Refrein:
Heer, laat mij voor uw altaar komen,
Gij die mijn blijdschap zijt vanaf mijn jeugd.
2
Zend mij uw licht, het zal me tonen
de witte heuvel waar uw tempel staat,
Ik wil er binnengaan, er wonen,
en voor uw altaar staan, voor uw gelaat.
3
Ik zal U lof zingen op snaren
en bijna droevig zijn bij dit geruis,
en denken aan mijn kinderjaren
toen ik verheugd was in mijn vaders huis.
---
*523
#3
1
O godd'lijk alvermogen,
o wonder voor onz' ogen,
Gij, Heer, hebt het gedaan.
Dit is de dag der dagen,
uw eigen dag, wij dragen
U zingend offers aan.
2
Gij zijt mijn God, U loven
gaat alle werk te boven,
U prijzen is mijn lust.
Wie kan uw goedheid meten,
wie de genade weten
die in uw handen rust?
3
Laat allen die Hem vrezen,
Hem eren naar zijn wezen
van liefde eindloos wijd.
Komt, zingt en blijft Hem zingen,
wilt trouw zijn huis omringen
met lof en dankbaarheid.
---
*525
#5
1
God zij geloofd om Kana„n,
dat land vol druiven en vol graan,
dat overvloeit van melk en honing,
het geeft zijn oogst te rechter tijd,
dat land is enkel vruchtbaarheid:
gezegend land om in te wonen!
2
Hier druipt de regen van Gods woord,
in alle beken stroomt het voort,
het drenkt de luisterende velden:
die zijn gehoorzaam aan zijn lied
en al doorgronden zij het niet,
zij zullen het de mensen melden.
3
Al het gezaaide spreekt Gods woord,
het plant zich duizendvoudig voort,
wie is zo doof dat hij niet luistert?
Wie is zo traag dat hij niet weet
hoe God een Heiland komen deed,
een zaad waarvan het weiland fluistert?
4
En op de wei daar staat het lam
dat werd gezocht door Abraham
om God de Schepper te aanbidden:
een lam, een zaad, een weerloos woord,
dat wordt in Kana„n gehoord,
daar is God vruchtbaar in ons midden.
5
Zo zingen wij op hoge toon
van Kana„n en van uw Zoon:
uw woord is melk, uw liefde honing.
Over de aarde waait de wind:
uw adem maakt ons welgezind
om zingend in dit land te wonen.
---
*526
#7
1
Refrein:
Al wat er nodig is om te bestaan,
vraag dat in Jezus' naam!
2
Brood om te eten en wijn van vreugd,
woord om te weten wat niemand heugt.
3
Zaat om te sterven tot ons behoud,
dertig- en zestig- en honderdvoud.
4
Jezus die brood zijt van onze dis,
leven en dood zijt, gelijkenis.
5
Jezus die zaad zijt en water en wijn,
die woord en daad zijt, al wat wij zijn.
6
Wees onze voorspraak en voer het pleit,
Gij, alle oorzaak van zaligheid.
7
Vader, wij bidden in Jezus' naam,
God in ons midden, houd ons tesaam!
---
*527
#6
1
Bekleedt u met de nieuwe mens
en houdt u naar de Heer gewend,
maakt u gereed en blaakt van vuur,
verwacht zijn uur.
2
Legt daarom alle leugen af,
al wat bederft, is voor het graf,
maar doet van die is opgestaan,
de waarheid aan.
3
Wij zijn elkanders hart en hand
op weg naar het beloofde land;
verdraagt en steunt de zwakken maar,
vergeeft elkaar.
4
En gaat niet toornig in de nacht,
maar laat de vrede als een wacht
uw slaap verlichten; in uw droom
gaan eng'len om.
5
O broeders, zusters van de Heer:
geeft aan de boze plaats noch eer,
maar arbeidt liever voor het brood
en deelt in nood.
6
Hebt gij niet van die dag gehoord,
dat God zal richten met zijn Woord?
Zo doet dan heden aan de tijd
gerechtigheid!
---
*528
#4
1
Gedenken wij dankbaar de daden des Heren,
zijn leven, zijn dood en verrijzenis,
en dat wij oprecht tot Jezus ons bekeren
die onze God en leidsman ten leven is.
2
Hoe hadden wij onze bestemming vernomen,
was Jezus de weg niet ten einde gegaan.
Wie zouden wij zijn, als Hij niet was gekomen
om in zijn lichaam onze dood te doorstaan.
3
Hoe zouden wij ooit voor elkaar kunnen leven,
had Hij ons de liefde niet voorgeleefd,
die tot de dood zich prijs heeft willen geven,
die, Zoon van God, ons aller slaaf is geweest.
4
Gij eerste der mensen, die weerloos en eenzaam,
als graan in de aarde gestorven zijt,
Gij wordt ons brood, maak ons met U gemeenzaam,
van harte maak tot wederdienst ons bereid.
---
*529
#3
1
Gij dienaars aan den Heer gewijd,
zegent zijn naam te allen tijd.
Gij die des daags zijn gunst verwacht,
zegent zijn naam ook in de nacht.
2
Die in het huis des Heren zijt,
zegent zijn naam en majesteit,
zingt tot zijn eer met luider stem
en heft uw handen op naar Hem.
3
Uit Sion, aan den Heer gewijd,
zegene u zijn heiligheid.
Hij die hemel en aarde schiep,
Hij is 't die u bij name riep.
---
*530
#3
1
Zo vriendelijk en veilig als het licht
zoals een mantel om mij heen geslagen
zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht
ik roep zijn naam, bestorm hem met mijn vragen,
dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.
Wil mij behoeden en op handen dragen.
2
Want waar ben ik, als Gij niet wijd en zijd
waakt over mij en over al mijn gangen
Wie zou ik worden, waart Gij niet bereid om,
als ik val, mij telkens op te vangen.
Ik leef niet echt, als Gij niet met mij zijt.
Ik moet in lief en leed naar U verlangen.
3
Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.
Ontsteek die vreugde die geen einde heeft,
wil alle liefde aan uw Mens besteden.
Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft.
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.
---
*531
#3
1
God die ons heeft voorzien
en kent bij onze naam,
die ons ten leven riep
en houdt in het bestaan.
Hij heeft ons voorbestemd
te lijken op zijn Zoon
die mens is zoals wij
en in ons midden woont.
2
Hij heeft zijn eigen Zoon
geen enkel leed bespaard.
Hij heeft ten einde toe
zijn geest geopenbaard.
Als God zo voor ons is
wie zal dan tegen zijn?
Al wat ons overkomt
zal hoop en zegen zijn.
3
Wie zal ons scheiden ooit
van God ons goed en bloed.
Geen toekomst en geen dood
bedreigt ons meer voorgoed.
Genadig en getrouw
wil Hij mijn vrede zijn.
Geen mens die Hem weerhoudt
om onze God te zijn.
---
*532
#4
1
O Heer die overwint en ons zijt voorgegaan,
uw kerk is als een kind dat wacht om op te staan.
Allen:
Uw kerk is als een kind dat wacht om op te staan.
2
Gij die de Waker zijt en grote wond'ren doet,
Gij komt, maar kom op tijd, voordat zij slaapt voorgoed.
Gij komt, maar kom op tijd, voordat zij slaapt voorgoed.
3
Jairus' dochter sliep, Gij hebt haar aangeraakt.
en toen uw stem haar riep, is zij tot U ontwaakt.
En toen uw stem haar riep, is zij tot U ontwaakt.
4
Wij zijn het wachten moe en klagen met misbaar:
zij slaapt ten dode toe, kom, leg uw hand op haar.
Zij slaapt ten dode toe, kom, leg uw hand op haar.
---
*533
#11
1
Refrein:
Iedere tijd opnieuw gaat zijn genade
naar allen die eerbiedig met Hem leven,
want geweldig is mijn God.
Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God en Redder.
2
Want Hij had oog voor mij, zijn dienares,
maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.
3
Nu mag ik mij voortaan gelukkig prijzen,
dat Hij zo grote dingen aan mij deed.
4
En alle eeuwen stemmen met mij in,
de Heer is machtig en zijn naam is heilig.
5
Iedere tijd opnieuw gaat zijn genade
naar allen die eerbiedig met Hem leven.
6
Genade is zijn kracht, maar alle hoogmoed,
al onze eigenwaan ontmaskert Hij.
7
Alle machthebbers stoot Hij van hun tronen,
arme en kleine mensen maakt Hij groot.
8
Wie honger hebben geeft Hij overvloed,
de rijken stuurt Hij heen met lege handen.
9
Altijd is Hij zijn woord nog trouw gebleven,
altijd bezorgd om Isra‰l zijn dienstknecht.
10
Zo had Hij het beloofd aan onze Vaders,
aan Abraham en aan zijn volk voorgoed.
11
Eer aan de Vader, aan de Zoon en aan de Geest,
nu en altijd, door al de eeuwen. Amen!
---
*534
#5
1
Wie naar het altaar gaat,
moet kennen goed en kwaad
het ‚‚n staat hem te wachten
het ander laat hij achter.
2
Wie naar het altaar gaat,
en zich verzoenen laat,
moet God en 't goed beminnen;
haat laat de Boze binnen.
3
Wie naar het altaar gaat,
ziet toe dat hij niet haat
en op geen broeder neerziet:
liefde is enkel eerbied.
4
Wie naar het altaar gaat,
moet offeren het kwaad
en zeggen: zie mijn zonde;
zo wordt het heil gevonden.
5
Wie naar het altaar gaat,
die volgt het offerzaad.
Zo staat het in de Boeken,
de rest is God verzoeken.
---
*535
#7
1
Het brood, het goede brood,
dat redt ons van de dood
en houdt ons in het leven,
het is van God gegeven.
2
Het brood dat God ons gaf,
dat groeit van boven af,
het is uit hemels koren,
het is uit God geboren.
3
Het dauwt in de woestijn,
het moet wel manna zijn,
Christus wordt ingehuldigd,
het brood vermenigvuldigd.
4
De ganse aarde is
zijn koninklijke dis,
de kleinen en de groten
elkanders huisgenoten.
5
Dit is Jeruzalem;
een eeuwig Bethlehem,
een huis van brood en zegen,
God is ons toegenegen!
6
En wat er overschoot
van dit verdeelde brood
voor ons bestaan gestorven,
dat vulde zeven korven.
7
o Brood, o hemels Brood,
Gij redt ons van de dood
met menigvuldig leven,
de dagen alle zeven.
---
*536
#3
1
Zolang Gij mij dit leven laat,
wil ik U prijzen dag en nacht.
Mijn loflied prijst uw oppermacht,
zolang mijn adem gaat.
Mijn ziel zal roemen in uw licht,
opdat wie in het donker leven,
uitzicht op redding wordt gegeven,
de glans van uw gezicht.
2
Komt, kind'ren, luistert nu naar mij,
ik leer u allen hoe zijn Naam
diep in het hart gegrift moet staan,
geen ander diep als hij.
En weet ook allen hoe uw lot
door lange, onbewolkte jaren,
geluk en vrede kan vergaren
in 't spoor van zijn gebod.
3
Zoeken de vroemen ooit zijn hand,
dan daalt Hij uit de hemel neer,
schenkt hun geluk en vrede weer,
hergeeft hun huis en land.
Verscheurde harten heelt zijn blik,
de zielen haast in leed bezweken,
die Hem om heil en redding smeken,
geneest Hij koninklijk.
---
*537
#3
1
God heeft gesproken in de tijd,
Hij heeft zijn woord gezonden.
Zijn rede en zijn raadsbesluit
gaan vast en onomwonden.
Die sloopt de leugen en de leus
en grootspraak brengt tot zwijgen:
Hij bouwt zijn waarheid sterk en klaar,
heil sticht Hij allerwege!
2
Wanneer Hij gehoord wordt en verstaan,
doet Hij de armen hopen,
de steppe komt in bloei te staan,
de dorre twijg gaat open.
Wie ging gebukt, wordt opgewekt,
Hij vult de lege handen
en zingen zal het groot getal
der stillen in den lande!
3
Weest niet kleinmoedig in de tijd
van tegenspraak en leugen,
het Woord geschiedt! Zo roept dan luid:
Hosanna in den hoge.
Gezegend Gij, maar kom nabij
die zich bekreunen moeten,
troost uw gemeente als zij weent
om haar vergeefse moeiten!
---
*538
#5
1
Niet enkel door het water
kwam het woord,
al was het schip geladen
tot aan het hoogste boord.
Niet enkel door het water,
ook door bloed,
treedt in de Zoon de Vader
zijn schepping tegemoet.
2
Niet enkel door de Doper
is 't geweest,
het bidden en het hopen
vervult de Heilge Geest.
Niet enkel door de Doper
is 't gedaan.
God doet zijn hemel open,
geeft zelf zich te verstaan.
3
Niet enkel door te baden
zijn wij rein,
daar Hij zijn kerk vergadert
rond water, brood en wijn.
Genade voor genade,
overvloed!
Hij noodt ons aan zijn tafel
door water, woord en bloed.
4
Drie zijn er op de aarde,
waarlijk groot,
die ons voor God bewaren
in leven en in dood.
De geest, het bloed, het water,
zij alleen,
getuigen van de waarheid...
en deze drie zijn ‚‚n.
5
Wij loven en wij prijzen
op dit feest
de grote gunstbewijzen
van Vader, Zoon en Geest.
Wat God van oudsher zeide,
dat geschiedt:
zijn Geest zal ons geleiden,
zijn woord klinkt in ons lied.
---
*539
#10
1
Dit lied gaat over Jezus,
die man van lang geleden,
het dorp waar hij vandaan komt,
is klein, heet Nazareth.
Zijn naam is alle eeuwen
tot hier toe doorverteld.
2
Hij was een zoon der mensen
geboren en getogen
uit arme Joodse ouders
een twijg uit Davids stam
een kind van de belofte
een zoon van Abraham.
3
Hij was een jaar of dertig
toen hij van zich deed horen
de mensen schoolden samen
als vissen om hem heen.
Zijn moeder en zijn broeders
begrepen niets van hem.
4
De tijd is vol, bekeert u
en weest het zout der aarde
weest voor elkaar barmhartig
zoals mijn vader is
op zoek in deze wereld
naar wat verloren is.
5
Ben jij niet voor je kind'ren
zo goed als je maar zijn kunt
geeft jij een ander stenen
wanneer hij vraagt om brood?
Als wij gewone mensen -
hoeveel te meer dan God.
6
Met tollenaars en zondaars
dronk hij dezelfde beker
hij kwam een dode tegen
en nam hem bij de hand.
De naam van God herleefde
in heel het Joodse land.
7
De goden van het duister
de geest van kwaad tot erger
die mensen houdt gevangen,
heeft hij teniet gedaan.
Hij heeft hun macht ervaren
maar als een man weerstaan.
8
Zo doende wat hij doen kon
ten dienste van de mensen
viel hij in mensenhanden
vond veel te jong de dood.
Er zijn er nog die zeggen:
Hij is de zoon van God.
9
Wij gaan met dichte ogen
als vreemdelingen verder
waarom is hij gekruisigd -
wij hadden zo gehoopt
Wie zal de schrift verklaren
wie breekt voor ons het brood.
10
Er is nog meer te zeggen
te veel om te bewaren
de wereld zal te klein zijn
als alles helder wordt
Als wij het moesten zingen,
wij kwamen stem te kort.
---
*540
#5
1
Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
en hoe onzegbaar ons nabij.
Gij zijt gestadig met ons bezig
onder uw vleugels rusten wij.
2
Gij zijt niet ver van wie U aanbidden
niet hoog en breed van ons vandaan.
Gij zijt zo mens'lijk in ons midden
dat Gij dit lied wel zult verstaan.
3
Gij zijt onzichtbaar voor onze ogen
en niemand heeft U ooit gezien.
Maar wij vermoeden en geloven
dat Gij ons draagt, dat Gij ons dient.
4
Gij zijt in alles diep verscholen
in al wat leeft en zich ontvouwt.
Maar in de mensen wilt Gij wonen
met hart en ziel aan ons getrouwd.
5
Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
waar ook ter wereld mensen zijn.
Blijf zo genadig met ons bezig,
tot wij in U volkomen zijn.
---
*541
#4
1
God heeft het eerste woord.
Hij heeft in den beginne
het licht doen overwinnen,
Hij spreekt nog altijd voort.
2
God heeft het eerste woord.
Voor wij ter wereld kwamen,
riep Hij ons reeds bij name,
zijn roep wordt nog gehoord.
3
God heeft het laatste woord.
Wat Hij van oudsher zeide,
wordt aan het eind der tijden
in heel zijn rijk gehoord.
4
God staat aan het begin
en Hij komt aan het einde.
Zijn woord is van het zijnde
oorsprong en doel en zin.
---
*542
#3
1
Van al die vele volken
werd ‚‚n volk uitverkoren
om onder zware wolken
en door woestijnen heen,
geslagen en verloren
en overal ontheemd,
het woord van God te horen
en alles te verstaan;
met oren om te horen
en alles te verstaan.
2
Een kleine rest bewaarde
dat woord en bleef behouden
om namens heel de aarde
getrouwd te zijn met God.
En onder alle vrouwen
was er ‚‚n moederschoot,
‚‚n vrouw die mocht ontvangen
Gods woord, een Mensenzoon,
‚‚n vrouw die mocht ontvangen
Gods welbeminde Zoon.
3
De Mensenzoon, geroepen
om Gods wil te volbrengen,
ten dienste van zijn broeders,
stierf Hij de slavendood.
De Zoon van God moest sterven,
dat wordt oneindig goed
voor ons en alle mensen,
want zo is Hij voortaan
voor ons en alle mensen
de ziel van ons bestaan.
---
*543
#5
1
Zeven was voldoende,
vijf en twee,
zeven was voldoende
voor vijfduizend
op de heuvels langs de zee.
2
Zeven is voldoende,
brood en vis,
Jezus is voldoende
voor ons allen
als de kring gesloten is.
3
Zeven is voldoende
toen en nu,
zeven is voldoende
alle dagen
van ons leven, dank zij U.
4
Voed ons met uw leven,
vis en brood,
alle zeven dagen,
Gij verzadigt
allen met uw offerdood.
5
Want Gij zijt de eerste
rond alom,
ja, Gij zijt de eerste
en de laatste,
kom, o Here Jezus kom!
---
*544
#18
1
Ik zal zo lang ik leef bezingen in mijn lied
des Heren milde gunst, het werk aan ons geschied.
Mijn mond verkondigt, Heer, aan komende geslachten
hoe Gij uw trouw betoont aan hen die U verwachten.
Uw goedertierenheid rijst op en gaat zich welven,
een altijd veilig huis, vast als de hemel zelve.
2
Mijn uitverkoren knecht, zo spreekt des Heren mond,
is David die Mij dient, hem gaf Ik mijn verbond,
aan hem en aan zijn huis heb Ik mijn eed gezworen,
voorgoed zal uw geslacht de heerschappij behoren.
Uw kinderen zal Ik de eeuwen door geleiden,
Ik schraag uw troon en rijk tot aan het eind der tijden.
3
Uw macht bezingen, Heer, de engelen in koor.
Het loflied van uw trouw weerklinkt de hemel door.
Geen enkel schepsel, Heer, hoe hoog in 't licht gezeten,
hoe bovenaards in glans, kan met uw macht zich meten.
Ja Gij zijt zo geducht, dat al de hemelingen
in eerbied en ontzag uw grote troon omringen.
4
Wie is van al wat leeft, o God, aan U gelijk?
Met trouw zijt Gij omgord, grootmachtig is uw rijk.
De overmoed der zee, haar trots kunt Gij vertreden,
de golven en de wind brengt uw bevel tot vrede.
Wat ooit aan vijandschap de kop heeft opgestoken
is door uw sterke arm geslagen en gebroken.
5
Hemel en aarde, Heer, 't is alles uw domein,
o grond van al wat is, wat was en ooit zal zijn.
Gij die de schepper zijt van 't noorden en het zuiden,
de Tabor roemt uw naam, de Hermon jubelt luide.
De wereld is van U, de wind en de getijden,
al wat Gij hebt gemaakt, zal zich in U verblijden.
6
Wij loven, Heer, de macht van uw verheven hand,
uw uitgestrekte arm houdt al uw werk in stand.
Gij hebt uw troon gegrond op recht en waarheid beide
als pijlers van uw heil, onwrikbaar door de tijden,
en als herauten gaan U voor op al uw schreden
uw goedheid en uw trouw,O Vorst van onze vrede.
7
Hoe zalig is het volk dat U de lofzang zingt,
dat uitbreekt in gejuich als de bazuin weerklinkt.
Uw lichtend aangezicht zal altijd hen geleiden.
Zij zullen in uw naam zich dag aan dag verblijden,
zij gaan in vrede voort, zij wandlen voor uw ogen,
want uw rechtvaardigheid zal hen voorgoed verhogen.
8
Gij, Here, die de glans van onze sterkte zijt,
geeft luister aan uw volk, en hoge heerlijkheid.
Uw welgevallen doet ons grote dingen wagen
en met geheven hoofd de kroon der ere dragen.
Gij Heilge Isra‰ls, Gij zelf hebt ons ten leven
een koning naar uw wil, een schild van heil gegeven.
9
Oudtijds hebt Gij, o Heer, uw hoge plan ontvouwd,
aan mensen naar uw hart uw woorden toevertrouwd;
Met hulp heb Ik omkleed, met heil heb Ik omgeven
de koninklijke held, uit al het volk verheven,
David mijn trouwe knecht, dien Ik heb uitverkoren,
dien Ik met olie zalf, hem zal het rijk behoren.
10
Mijn hand is hem tot steun, mijn rechter arm zijn kracht.
Geen vijand valt hem aan, Ik weer der bozen macht.
Ik breek de tegenstand van allen die hem haten,
mijn goedertierenheid zal nimmer hem verlaten.
Mijn naam die hij belijdt, doet hem tot aanzien komen,
zijn hand rust op de zee, zijn kracht beheerst de stromen.
11
Hij prijst mijn hoge gunst met namen menigvoud;
Mijn Vader en mijn God, o rots van mijn behoud.
Ik antwoord hem; Mijn zoon, de vorsten zullen beven,
mijn eerstgeboren zoon, voor u, zo hoog verheven.
Voor altijd rust op hem mijn trouw, mijn welbehagen,
Ik houd het vast verbond, Ik zal zijn zetel schragen.
12
Ik heb zijn nageslacht het leven toegekend.
Zijn troon staat even vast als 't glanzend firmament.
Indien zijn zonen ooit mijn heilig recht ontwijden,
niet wandlen naar mijn wil,dan zal Ik hen kastijden.
En toch zal Davids huis mijn liefd' en trouw ervaren,
Ik houd Mij aan mijn woord, zal mijn verbond bewaren.
13
Wat Ik gezworen heb aan David, dat houdt stand,
mijn eigen heiligheid is daarvan onderpand.
Ik ben de waarheid zelf, zou Ik bedrieglijk zweren?
Zijn koninklijk geslacht leeft voort en zal regeren.
Zijn zetel wankelt niet tot aan het eind der tijden,
zo lang als zon en maan de hemelen doorschrijden.
14
En toch, en toch hebt Gij verstoten en versmaad
den koning die Gij zelf gezalfd hebt naar uw raad,
toch toornt Gij op uw knecht, hij is van U verstoken,
zijn kroon ligt in het stof, zijn sterkte is gebroken
Geen wal,geen toren weert de plunderende bende.
Het nabuurvolk bespot zijn bittere ellende.
15
Gij geeft zijn vijand vreugd, hij neemt de overhand.
Gij wendt des konings zwaard, zijn leger houdt geen stand.
Gij dooft zijn glans die eenz zo stralend had geschenen,
zijn troon is neergestort, zijn heerlijkheid verdwenen.
Gij hebt zijn jeugd verkort, hem overdekt met schande.
Ja wat Gij hebt gebouwd, breekt Gij met eigen handen.
16
Hoelang, hoelang nog, Heer? Verbergt Gij U altijd?
Hoelang nog laait het vuur van uw verbolgenheid?
Zie hoe vergankelijk, hoe nietig is het leven
dat Gij het mensenkind, uw schepsel,hebt gegeven.
Wie op de aarde zal de bittre dood niet proeven,
en welke sterveling ontkomt er aan de groeve?
17
O laat ons, Here God, niet vallen uit uw hand.
Doe ook voor ons geslacht uw oude woord gestand.
Waar is uw gunst, o God, het heil van lang geleden,
aan Davids huis verpand met goddelijke eden?
Erbarm U over ons, wil onze smaad gedenken,
de hoon waarmee ons thans de grote volken krenken.
18
Uw vijanden, o Heer, uw vijanden rondom,
hoe honen zij uw knecht, o God van David,kom!
Het spoor is uitgewist van uw gezalfde koning.
Herstel in heerlijkheid het land van melk en honing.
Laat Davids zoon de spot der heidenen beschamen.
Geloofd zij God de Heer voor eeuwig. Amen, Amen.
---
*545
#5
1
Refrein:
Wij willen samen vieren de daden van de Heer,
wij willen samen zitten rond de tafel van de Heer.
Door de vlakten van het leven
hebt Gij, Heer, uw volk geleid,
om dat volk een land te geven,
door uw goedheid voorbereid.
2
Op de velden deedt Gij groeien
tarwe voor uw godd'lijk brood
druivenranken liet Gij bloeien
voor het bloed, dat Gij vergoot.
3
Opdat wij met U verbonden
zouden zijn tot in de dood,
hebt Gij werkers uitgezonden
met de druiven en het brood.
4
Met de handen vol verlangen
komen wij U tegemoet
om het leven te ontvangen
in de gave van uw bloed.
5
Door dit goddelijk gebeuren
vinden wij ons diepste zijn,
levensbron om op te beuren
alwie trekt door de woestijn.
---
*546
#5
1
Hij nam de Schrift. Hij las en zei:
De Geest des Heren rust op mij.
Hij ging zijn land weldoende rond,
genas de zieken die Hij vond.
Refrein:
Heer, ik ben onwaardig, heb U niets te geven.
Maar uw woord is vaardig om mij te genezen.
2
Meer dan de spijs waar gij van leeft,
ben Ik het die u sterkte geeft.
Voor alle mensen, recht en slecht,
ben Ik het brood, heeft Hij gezegd.
3
Hij nam het brood. En wat Hij deed?
Dit is mijn lichaam, neemt en eet.
Doet dit tot mijn gedachtenis
en leeft zolang er leven is.
4
Hij nam de beker met de wijn:
Mijn bloed zal tot vergeving zijn
van al uw kwaad en uw tekort,
opdat gij nieuwe mensen wordt.
5
Brengen wij dank van harte zeer
aan God door Jezus, onze Heer,
die doden opwekt om voortaan
met Hem een nieuwe weg te gaan.
---
*547
#7
1
Het brood in de aarde gevonden
het brood door handen gemaakt,
het brood van tranen en zorgen,
dat brood dat naar mensen smaakt.
2
Het brood van oorlog en vrede,
dat dagelijks eendere brood,
het vreemde brood van de liefde,
het stenen brood van de dood.
3
Het brood dat wij duur verdienen,
ons lichaam, ons geld, ons goed,
het brood van ons samen leven,
die schamele overvloed.
4
Een oogst uit kostbare gaarden,
de wijn die het hart verblijdt,
de vrucht van hemel en aarde,
een voorsmaak van eeuwigheid.
5
De wijn die de geest betekent
van een nieuw mensenverbond,
de beker die ons zegent -
de Naam van mond tot mond.
6
Dat brood dat wij moeten eten
om niet verloren te gaan.
Wij delen het met elkander
ons hele mensenbestaan.
7
Gij deelt het met ons, zo deelt Gij
U zelf aan ons uit voorgoed,
een mens om nooit te vergeten,
een God van vlees en bloed.
---
*548
#4
1
Refrein:
Zo lief heeft God de wereld gehad,
dat Hij zijn ‚‚ngeboren Zoon heeft gezonden,
opdat wij allen zouden leven
en nooit verloren gaan.
Laat ons elkaar beminnen,
want inderdaad de Liefde is uit God;
wie liefheeft, is uit God geboren,
wie liefheeft kent de Heer, want Hij is Liefde.
2
Hierin bestaat de Liefde:
niet dat wij God het eerst hebben bemind,
maar wŠl, dat Hij zijn Liefde deelde:
zijn Zoon zond om de wereld te verzoenen.
3
Alwie belijdt dat Jezus
de ‚‚ngeboren Zoon is van God:
in hem is Godes Geest aanwezig;
komt, laten wij geloven in de Liefde.
4
Als iemand durfde zeggen:
"God heb ik lief, maar neen, mijn broeder niet!"
Hij zou Gods groot gebod miskennen:
wie God bemint, beminne ook zijn broeder.
---
*549
#3
1
Dit huis, gereinigd en versierd,
waar Gods gemeente bruiloft viert,
staat voor de eredienst gereed,
wij komen hier in lief en leed.
2
In geest en waarheid bidden wij,
dat Christus in ons midden zij.
Hem love al wat adem heeft.
Hem love wat op aarde leeft.
3
En laat eendrachtig samenzijn
op ons gebed het amen zijn.
Kom haastig, here Jezus, kom
en maak ons tot uw heiligdom!
---
*550
#7
1
Welzalig wie de rechte wegen gaan,
wie in de regels van Gods wijsheid treden.
Zalig wie zijn getuigenis verstaan,
van ganser harte zoeken naar zijn vrede.
Geen onrecht en geen dwaling lokt hen aan.
De weg der zondaars wordt door hen gemeden.
2
Gij hebt ons hart uw orde opgelegd,
opdat wij die met ijver onderhouden.
Ach, ging ik toch de wegen van uw recht,
dan stond ik niet beschaamd, als ik vertrouwde
op wat Gij in uw liefde tot mij zegt,
als ik de schoonheid van uw wet aanschouwde.
3
De wet, o Heer, die Gij aan mij beveelt,
is als een lied mij, als een spel van snaren,
dat in den vreemde troostend mij omspeelt.
Ik loof uw naam in nacht en in gevaren.
Uw trouw hebt Gij, o Heer, mij toebedeeld,
omdat ik uw geboden blijf bewaren.
4
Ik ben de uwe, Heer, uw bondgenoot,
verlos mij toch, ik leef naar uw besluiten.
De goddelozen haken naar mijn dood,
maar uw verbondstrouw zal hun opzet stuiten.
Aan alles komt een eind, hoe schoon, hoe groot,
maar, Heer, uw wet gaat elke grens te buiten.
5
Uw woord is als een lamp, een helder licht,
eer schijnsel op mijn pad, een eeuwig baken
dat in de duisternis mijn schreden richt.
Ik zwoer en ik begeer het waar te maken,
dat ik zal wand'len voor uw aangezicht,
dat ik uw recht zal roepen van de daken.
6
Wat Gij beloofd hebt, is in eeuwigheid
mij tot een deel en erfenis gegeven
waarin mijn ziel zich dag aan dag verblijdt.
Uw wet, o Heer, staat in mijn hart geschreven,
uw wil doen is mijn lust te allen tijd,
U te beminnen is geheel mijn leven.
7
Heer, ondersteun mij, geef mij vaste grond,
laat uw beloften heel mijn leven schragen.
Beschaam mij niet, ik hoop op uw verbond,
bevestig mij, dat mij verlossing dage.
Als Gij mij steunt, zal ik te allen stond
de vreugde van uw wet in 't harte dragen.
---
*551
#3
1
De heiligen, ons voorgegaan,
hebben hier niets verworven,
maar zijn aan 't einde van hun baan
als vreemdeling gestorven.
Maar zij geloofden dat Gods hand
die hen tot daar geleid had,
in 't beter, hemels vaderland
een stad voor hen bereid had.
Refrein:
Geprezen zij zijn Naam, Hij deed hen veilig gaan.
Komt, zingen wij tesaam met alle heiligen.
2
Zij trokken uit als Abraham,
door God de Heer geroepen
zonder te weten waar hij kwam,
om 't land van God te zoeken.
Zij zijn gestorven in zijn Naam
en hebben niets geweten
dan dat Hij had gezegd: "Ik schaam
Mij niet uw God te heten".
3
Die van de aarde vrijgekocht,
nu rusten van hun werken,
zij spreken en getuigen nog
om ons geloof te sterken,
dat wij, omgeven door de wolk,
de weg ten einde lopen,
‚‚n met het heilig, trekkend volk
in liefde en in hope.
---
*553
#8
1
Waarlijk, dit is rechtvaardig dat men de Here prijst,
dat men Hem eer bewijst: zijn Naam is eerbied waardig
Wij loven in de morgen uw goedertierenheid,
ook als de nacht zich spreidt, houdt ons uw hand geborgen.
2
Gezegend zal Hij wezen, die ons bij name riep,
die zelf de adem schiep waarmee Hij wordt geprezen;
laat alom musiceren, met stem en instrument,
maak wijd en zijd bekend de grote Naam des Heren.
3
Gij hebt mij door uw daden, o Here God, verheugd.
Mijn hart is vol van vreugd, ik juich om uw genade.
Hoe groot zijn uwe werken, de werken uwer hand:
Gij houdt het volk in stand, Gij zult hun hart versterken.
4
Hoe diep zijn uw gedachten. Geen dwaas die dat verstaat:
als onkruid groeit het kwaad; hoelang zult Gij nog wachten?
Zie toch, aan alle zijden plant zich het onrecht voort,
het bloeit haast ongestoord, niemand komt tussenbeide.
5
Maar Gij, de Allerhoogste zolang de wereld is,
werkers der duisternis zult Gij de dood doen oogsten.
Uw tegenstanders, Here, zullen als kaf vergaan;
ten oordeel opgestaan zult Gij de vijand keren.
6
Gij zult de eer verhogen van wie vernederd wordt,
uw kracht is uitgestort, uw licht verlicht de ogen.
Mijn ziel zal zich verblijden: daar ligt terneergeveld
al wie zich met geweld vergreep aan Gods bevrijden.
7
Zoals de cederbomen hoog op de Libanon,
staan bij de levensbron de nederige vromen.
Die in Gods huis geplant zijn, zij bloeien in Gods licht
als palmen opgericht. Hun lot zal in zijn hand zijn.
8
Zij zullen vruchten dragen voor 's Heren heiligdom,
tot in hun ouderdom, tot in hun grijze dagen.
Welsprekend is hun leven: God is hun heil, hun rots.
Ik loof de daden Gods, zijn recht is hoog verheven.
---
*554
#5
1
God groet u, zuiv're bloeme, Maria, maged fijn.
Gedoog dat ik u roeme: lof moet u altijd zijn!
Als gij niet waart geboren, o reine Maged vrij,
Wij waren allen verloren; aan u beveel ik mij!
2
Maria, lelie reine, Gij zijt mijn toeverlaat,
gelijk een klaar fonteine die nimmer stille staat.
Zo geeft Gij ons genade, uw dienaars staat Gij bij.
Ach sta mij ook te stade, aan U beveel ik mij.
3
O roze zonder doren, o violette zoet,
o bloeme blauw in 't koren, neem mij in uw behoed
Vol liefde en gestadig ootmoedig zo zijt Gij.
Och wees mij toch genadig, aan U beveel ik mij.
4
Mijn allerliefste Vrouwe, o Maagd gebenedijd.
Op U staat mijn betrouwen, want Gij mijn moeder zijt.
O zuiver Maged schone, bid uwe Zoon, dat Hij
mij geeft de hemel te lone, aan U beveel ik mij.
5
Met recht zijt Gij verheven, al boven d' eng'lenschaar.
Al ben ik hier gebleven, mijn hart is bij U daar.
Och wil mij toch geleiden, sta Gij mij altijd bij.
'n Wil van mij niet scheiden, aan U beveel ik mij.
---
*555
#3
1
Op, waakt op! zo klinkt het luide.
Wat wil dit roepen toch beduiden,
gij torenwachters van de tijd?
Middernacht is aangebroken,
zijn uwe lampen wel ontstoken,
gij maagden, die de Heer verbeidt?
Gij slapenden, ontwaakt,
de Bruidegom genaakt!
Halleluja,
nu opgestaan!
Het feest breekt aan;
gij moet Hem ijlings tegengaan.
2
Sion hoort de wachters zingen,
zij voelt het hart van vreugd opspringen,
ontwaakt met spoed, staat haastig op.
Uit de hemel daalt Hij neder,
in waarheid sterk, in liefde teder:
haar licht verschijnt, haar ster gaat op.
Kom Heiland, 's aardrijks kroon,
Heer Jezus, 's Vaders Zoon!
Zingt hosanna,
komt altemaal
ter bruiloftszaal,
waar Hij ons roept aan 't avondmaal!
3
Laat ons U ter ere zingen
met allen, die uw troon omringen,
‚‚n koor van mens' en englenstem!
Paarlen zijn der poorten bogen,
die nederdalen uit den hogen:
het hemelse Jeruzalem.
Geen oog heeft ooit begroet,
geen hart heeft ooit vermoed
zulk een vreugde.
Zo juichen wij
en roemen blij
de glorie van uw heerschappij!
---
*556
#5
1
Wachters van de tijd, licht zal in uw ogen wonen,
wilt aan alle mensen tonen van uw vrolijkheid.
Sion, zing, daar is licht.
2
Groet de dageraad, heden zal de Zon u vinden
die genezing voor de blinden in haar wieken draagt.
Nachten, zingt, God is licht.
3
Met gerechtigheid zal Hij 't huis van David stutten
en Hij zal zijn schouders bukken onder wet en tijd,
onze loot, wijn en brood.
4
Midden onder u heeft Hij zijn verblijf geslagen
om uw zonden weg te dragen, wacht het wonder nu
van de Zoon die hier woont.
5
Maak de tafel klaar want de Bruidegom komt spoedig
met zijn vreugde overvloedig, onze Heer is daar,
breekt het brood van zijn dood.
---
*557
#1
1
Maria, schone Vrouwe, Maria maged zoet,
in U is mijn vertrouwen, Gij zijt zo eeuwig goed.
Gij zijt zo rein, zo schone, Maria onbevlekt,
Gij waart toch Jezus' wone en blevet ongerept.
Dies bidde ik om zegen en hulpe in 't verschiet:
toon Gij dan onze wegen, wij dwalen zeker niet.
---
*558
#4
1
Maria, poort van Gods genade,
Gij hebt gedragen en gevoed,
die hemel en aarde niet omvatten.
Gij, dienstmaagd des Heren, wees gegroet.
2
Leer ons in deemoed met U waken,
in aandacht bij Gods heilig woord,
dat wij het aanhoren en bewaren,
O Zetel der Wijsheid, zoals Gij.
3
Gegroet, Gij Moeder van genade,
U prijzen alle volken groot.
Gezegend zijt Gij onder de vrouwen.
Gezegend die Gods woord hebt geloofd.
4
O Vrouw, in glorie opgenomen
beeld en belofte van ons heil,
Gezegende, bid opdat wij groeien
in Christus de Heer tot volkomenheid.
---
*559
#3
1
De Heer heeft mij gezien en onverwacht
ben ik opnieuw geboren en getogen.
Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht
gaf mij een levend hart en nieuwe ogen,
zo komt Hij steeds met stille overmacht
en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.
2
Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit.
Hij heeft in zijn handen onze naam geschreven.
De Heer wil ons bewonen als zijn huis,
plant als een boom in ons zijn eigen leven,
wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid
en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.
3
Gij geeft het uw beminden in de slaap,
Gij zaait uw Naam in onze diepste dromen.
Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt
zoals de regen neerdaalt in de bomen,
zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat,
zo zult Gij uw beminden overkomen.
---
*560
#4
1
Refrein:
Zalig zij die Jezus' naam belijden,
zalig zij die om zijn naam willen lijden,
die zuiver en blij zich gans aan zijn liefde wijden.
Zalig zij die arm zijn,
want hun zal behoren de rijkdom van de Heer.
Zalig, zalig zij die treurig zijn:
"Ik zal ze troosten met mijn vreugde" zegt de Heer.
2
Zalig die zachtmoedig zijn,
want hun wordt geschonken de woning van de Heer.
Zalig, zalig die rechtvaardig zijn:
"Hun recht ontvangen z' uit mijn handen" zegt de Heer.
3
Zalig die barmhartig zijn,
want hen zal barmhartig belonen God de Heer.
Zalig, zalig zij die zuiver zijn:
"Hun zuiver hart zal Mij aanschouwen" zegt de Heer.
4
Zalig zij die vredig zijn,
want zij zijn de ware kind'ren van de Heer.
Zalig, zalig zij die vervolgd zijn:
"Hun schenk Ik gans mijn eigen hemel" zegt de Heer.
---
*561
#2
1
Wij zijn uw volk, uw broers en zonen,
Gij blijft ons erfdeel, goed en grond.
Kom, Heer, in onze landen wonen,
kom, baan de weg voor 't nieuw verbond.
Allen:
Wij zijn uw volk, uw broers, uw zonen,
Gij blijft ons erfdeel, goed en grond.
2
Laat ons uw luide roepstem horen,
wij volgen U naar 't rijzend licht.
Kom, dageraad, kom, morgengloren
en open ons uw aangezicht.
---
*562
#3
1
Jezus die langs het water liep
en Simon en Andreas riep,
om zomaar zonder praten
hun netten te verlaten,
Hij komt misschien vandaag voorbij
en roept ook ons, roept u en mij,
om alles op te geven
en trouw Hem na te leven.
2
Jezus die langs de straten kwam
en tollenaars terzijde nam:
'k Wil in uw woning wezen
voor nu en voor nadezen,
Hij komt misschien vandaag voorbij
en neemt ook u terzij of mij
en vraagt ons, Hem te geven
de rijkdom van ons leven.
3
Christus die door de wereld gaat
verheft zijn stem niet op de straat,
Hij spreekt ons hart aan, heden,
en wenkt ons met zich mede.
En lokt ook nog zoveel ons aan,
tot wie zouden wij anders gaan?
Hij heeft en zal ons geven
alles, het eeuwig leven.
---
*563
#3
1
Heer, Gij zijt burcht en toren,
kom, Helper, ons verhoren.
Verlosser mild en groot,
kom als in oude tijden
uw volk opnieuw bevrijden,
gered uit angst en nood.
2
De tijden gaan en keren,
Gij blijft de liefde leren.
Wij gaan gevoed met brood,
kom ons barmhartig spijzen,
dan zullen wij verrijzen
uit schadelijke dood.
3
Heer, reik ons uit uw handen
al wat Gij hebt voorhanden,
die Geeste en Gever zijt.
Eens liepen wij verloren,
thans zijn wij vrij herboren
voor tijd en eeuwigheid.
---
*564
#1
1
Koor:
Weest niet bezorgd voor uw leven:
uw God en Vader, die in de hemel is,
Hij weet wel wat gij nodig hebt.
Allen:
Vader, Gij weet wel wat ik nodig heb.
Kantor:
Vraagt en gij zult krijgen.
Zoekt en gij zult vinden.
Klopt en men zal u opendoen.
Er is toch niemand onder u,
die aan zijn zoon een steen geeft,
als hij hem vraagt om brood?
Hoeveel temeer dan zal uw Vader,
die in de hemel is,
't goede geven aan wie Hem daarom vragen.
---
*565
#5
1
Ik verheerlijk de Heer, en geheel mijn gemoed
is vol jubel om God, om mijn Redder!
Want Hij richtte zijn ogen vol goedheid op mij,
de geringste van al wie Hem dienen.
Refrein:
Ik verheerlijk de Heer, en geheel mijn gemoed
is vol jubel om Jezus, mijn God en mijn Zoon.
2
Want voortaan prijst mij zalig het jongste geslacht,
om het grote dat God mij gedaan heeft.
Hij is Heilig! en zendt van geslacht tot geslacht
zijn erbarmig voor hen Hem vrezen.
3
Hij verdreef als een sterke de trotsen van hart,
en de heersers ontnam Hij hun tronen.
Hij verhief de geringen, zond rijken terug,
overstelpte met gaven de arme.
4
Hij trad op voor zijn dienaar, voor Isra‰ls volk,
de beloften van zegen indachtig,
die Hij eertijds gedaan had aan heel onze stam,
aan de kind'ren van Abram voor eeuwig.
5
Aan de Vader zij eer, aan de Zoon, aan de Geest,
lijk het was van de aanvang tot heden,
lijk het ook in de toekomst voor immer zal zijn,
door de tijd en de eeuwigheid. Amen.
---
*566
#1
1
Koor: Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden, eeuwige God,
wij willen U zien. Geef ons vandaag een teken van liefde.
Allen: Eeuwige God, wij willen U zien. Geef ons vandaag een
teken van liefde.
Koor: Want wat de hemel is voor de aarde, dat is uw liefde
voor hen die geloven.
Allen: Geef ons een teken van liefde.
Koor: Gij, de vergeving van alle zonden, recht en
gerechtigheid voor deze wereld.
Allen: Gij, de vergeving van alle zonden, geef ons vandaag
een teken van liefde.
Koor: Gij ken ons toch, Gij zult niet vergeten, dat wij uw
mensen zijn, Gij, onze God.
Allen: Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden, eeuwige God,
wij willen U zien. Geef ons vandaag een teken van liefde.
---
*567
#3
1
Een smekeling, zo kom ik tot uw troon:
leg met uw woord beslag op mijn gedachten
opdat ik in het licht der waarheid woon.
Laat niet vergeefs mij op uw bijstand wachten.
Leer mij uw wet die goed is, waar en schoon,
dan loof ik U bij dagen en bij nachten.
2
Al uw geboden zijn gerechtigheid,
ik prijs uw woord met juichende gezangen.
Uw rechterhand geleide mij altijd,
naar uw geboden richt ik al mijn gangen.
Het is uw wet, waarin ik mij verblijd,
het is uw heil, waarnaar ik blijf verlangen.
3
Geef leven aan mijn ziel, wees Gij mijn lied,
geef dat ik eeuwig U mag toebehoren.
Onthoud mij uw getuigenissen niet.
Ik was een schaap en had de weg verloren.
Zoek, Heer, uw knecht. Ik hoor wat Gij gebiedt.
Gij hebt mij immers tot uw dienst verkoren.
---
*568
#6
1
Koor:
Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam,
allerwegen op aarde.
Refrein:
Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam,
allerwegen op aarde.
2
Gij die uw majesteit toont aan de hemel,
Gij opent de mond van weerloze kinderen.
3
Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd,
4
wat is dan de mens Gij aan hem denkt,
de zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat.
5
Toch hebt Gij hem bijna een god gemaakt
en hem met glorie en luister gekroond.
6
Gij doet hem het werk van uw handen beheren
en alles hebt Gij aan zijn voeten neergelegd.
---
*569
#4
1
God die leven hebt gegeven in der aarde schoot,
alle vrucht der velden moeten w' U vergelden,
dank voor 't daaglijks brood.
2
Niet voor schuren, die niet duren, gaaft Gij vruchtbaarheid,
maar opdat op aarde, in uw goede gaarde,
niemand honger lijdt.
3
Maar wij rijken, ach, wij blijken hard en onverstoord.
Open onze oren, Heer, opdat wij horen
't roepen aan de poort.
4
Wil dan geven, dat ons leven zelf ook vruchtbaar zij.
Laat in goede daden 't werk van uw genade
opgaan, sterk en vrij.
---
*570
#6
1
Gij zijt mijn goed, mijn overvloed,
Gij zijt mijn brood, mijn beker,
door uw dorst en door uw dood:
al mijn levensteken.
2
Gij die het land van Kana„n
doorkruist hebt allerwege:
waarom wordt Gij niet verstaan,
als Gij spreekt van zegen?
3
Gij zegt ons: ziet, het woongebied
dat gij met Mij zult erven!
Maar mijn hart bewaart het niet,
ik verzuim uw sterven.
4
Gij zegt: wordt vrij en komt tot Mij,
mijn juk is licht te dragen!
Maar ik ga uw woord voorbij
en ik pluk de dagen.
5
Ik zwerf en dwaal totdat ik daal
in 't graf van mijn begeren;
zal ik ooit uw kruis zien staan
en mijn leven leren?
6
Keer mij tot U opdat ik zie
uw land van melk en honing:
waar uw Vaders wil geschiedt,
is mijn spijs, mijn woning!
---
*571
#7
1
Niet als een storm, als een vloed,
niet als een bijl aan de wortel
komen de woorden van God,
niet als een schot in het hart.
2
Maar als een glimp van de zon,
een groene twijg in de winter,
dorstig en hard deze grond-
zo is het koninkrijk Gods.
3
Stem die de stilte niet breekt,
woord als een knecht in de wereld,
naam zonder klank zonder macht,
vreemdeling zonder geslacht.
4
Kinderen, armen van geest,
mensen gelouterd tot vrede,
horen de naam in hun hart,
dragen het woord in hun vlees.
5
Blinden herkennen de hand,
dovemansoren verstaan Hem.
Zalig de man die gelooft,
zalig de vrouw aan de bron.
6
Niet in het graf van voorbij,
niet in en tempel van dromen,
hier in ons midden is Hij,
hier in de schaduw der hoop.
7
Hier in dit stervend bestaan
wordt Hij voor ons geloofwaardig,
worden wij mensen van God,
liefde op leven en dood.
---
*572
#7
1
De aarde is vervuld
van goedertierenheid,
van goddelijk geduld
en goddelijk beleid.
2
Gods goedheid is te groot
voor het geluk alleen,
zij gaat in alle nood
door heel het leven heen.
3
Zij daalt als vruchtbaar zaad
tot in de groeve af
omdat zij niet verlaat
wie toeven in het graf.
4
Omdat zij niet vergeet
wie godverlaten zijn:
de wereld hemelsbreed
zal goede aarde zijn.
5
De sterren hemelhoog
zijn door dit zaad bereid
als dienaars tot de oogst
der goedertierenheid.
6
Het zaad der goedheid Gods,
het hoge woord, de Heer,
valt in de voor des doods,
valt in de aarde neer.
7
Al gij die God bemint
en op zijn goedheid wacht,
de oogst ruist in de wind
als psalmen in de nacht.
---
*573
#3
1
Refrein:
Uw boodschap, Heer, ons gegeven,
uw kracht in ons doet ons leven,
doet ons groeien van dag tot dag
naar de vrijheid die Gij bracht.
Als uw woord ons onrustig maakt
en alles, alles van ons vraagt,
als de duisternis in ons blijft
en niets van wat goed is ons raakt,
blijf tot ons spreken, blijf ons bevrijden,
blijf onze toekomst getrouw.
2
Als uw woord in ons verloren valt
en de wereld ons gevangen houdt,
als wij onszelf niet meer verstaan,
geen toegang vinden tot elkaar,
blijf tot ons spreken, blijf ons bevrijden,
blijf onze toekomst getrouw.
3
Als ons kwaad ons te machtig wordt
en uw liefde onbereikbaar lijkt,
als wij vrede vernietigen
en niets meer verwachten van U,
blijf tot ons spreken, blijf ons bevrijden,
blijf onze toekomst getrouw.
---
*574
#7
1
Wie heeft zijn geld verloren,
het goed waarvan hij leeft
en zoekt niet uit en treure
tot hij gevonden heeft.
2
Wie heeft een kind verloren
en zoekt niet overal
met handen, ogen, oren
en tranen zonder tal.
3
Wie heeft zijn God verloren
en zoekt niet her en der
op aarde, in de hemel,
geen verte gaat te ver.
4
Als zo de mensen leven
en zoeken is hun lot
en vinden is hun zegen:
hoeveel te meer dan God.
5
Hij ziet ons al van verre
omdat Hij ons bemint
en liever dan de sterren
is Hem een mensenkind.
6
En voordat wij Hem zoeken
zijn wij gezocht door Hem
en nu wij om Hem roepen
geeft Hij ons deze stem.
7
En wie het wordt gegeven,
bespeurt Hem overal
in woorden allerwegen,
in mensen zonder tal
---
*575
#5
1
Zolang er mensen zijn op aarde,
zolang de aarde vruchten geeft,
zolang zijt Gij ons aller Vader,
wij danken U voor al wat leeft.
2
Zolang de mensen woorden spreken,
zolang wij voor elkaar bestaan,
zolang zult Gij ons niet ontbreken,
wij danken U in Jezus' naam.
3
Gij voedt de vogels in de bomen,
Gij kleedt de bloemen op het veld,
o Heer, Gij zijt mijn onderkomen
en al mijn dagen zijn geteld.
4
Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven,
Gij redt de wereld van de dood.
Gij hebt uw Zoon aan ons gegeven,
zijn lichaam is het levend brood.
5
Daarom moet alles U aanbidden,
uw liefde heeft het voortgebracht,
Vader, Gijzelf zijt in ons midden,
o Heer, wij zijn van uw geslacht.
---
*576
#5
1
Bouwen aan een wereld van rechtvaardigheid,
werken aan een wereld,
waar niets de mensen onderscheidt.
Refrein:
Uw hand in mijn hand: allen zult Gij leiden,
Uw Woord in mijn woord: allen zult Gij troosten.
Uw liefde in mijn hart: alles wordt nieuw.
2
Bouwen aan een leven dat verwachting is.
Danken om het leven,
dat ons in hand gegeven is.
3
Bouwen aan de dromen die in ons bestaan.
Verder durven dromen
dan enkel maar wat zal vergaan.
4
Bouwen aan de vrede die ons werd gemeld.
Vechten voor de vrede
en niet meer buigen voor geweld.
5
Bouwen aan de liefde die het wint van haat.
Geloven in de liefde,
een zon die nimmer ondergaat.
---
*577
#4
1
Wij groeten U, o Koningin, o Maria:
U moeder vol van tedere min, o Maria:
Refrein: Groet haar, o Cherubijn;
prijs haar, o Serafijn
prijst met ons uw Koningin:
salve, salve, salve, Regina.
2
O Moeder van barmhartigheid, o Maria:
en troost in alle bitterheid, o Maria:
Refrein:
3
Ons leven, zoetheid, hoop en vreugd, o Maria:
leidt gij ons op de weg der deugd, o Maria:
Refrein:
4
Toon ons in ' t uur van onze dood, o Maria:
de zoete vrucht van uwe schoot, o Maria:
Refrein:
---
*578
#2
1
Refrein:
Volk van God zijn wij hier samen,
heel de wereld in ons hart.
Gij roept ons bij onze namen.
God onze vreugde, onze kracht.
Woord zult Gij spreken, Brood zult Gij breken,
op dit uur zult gij bij ons zijn:
mensen bevrijden, mensen verblijden:
drink met ons samen de vreugdewijn.
2
God in de hoge, licht voor onz' ogen,
feest voor ons hart, dat nu sneller slaat.
Gij hebt ons leven een zin gegeven.
Gij zijt de Leidsman die met ons gaat.
---
*579
#4
1
Uw Koninkrijk komt - vrede en vreugde -
waar mensen blij zijn om uw genade,
waar mensen goed zijn voor elkaar.
Uw Koninkrijk komt. De Heer zij met ons.
2
Uw Koninkrijk komt - vrede en vreugde -
waar mensen bidden, danken en zingen,
waar mensen luisteren naar uw woord.
Uw Koninkrijk komt. De Heer zij met ons.
3
Uw Koninkrijk komt - vrede en vreugde -
waar mensen geloven in uw liefde,
waar mensen vertrouwen in uw kracht.
Uw Koninkrijk komt. De Heer zij met ons.
4
Uw Koninkrijk komt - vrede en vreugde -
waar mensen leven naar uw geboden,
als mensen gaan waar Gij ze zendt.
Uw Koninkrijk komt. De Heer zij met ons.
---
*580
#4
1
Refrein:
Zoals een hert reikhalst naar levend water,
zo wil ik, God, met heel mijn wezen naar U toe.
Ik dorst naar God, de levende God.
Allen:
Ik dorst naar God, de levende God.
2
Wanneer sta ik eindelijk oog in oog met mijn God,
Ik heb geen brood dan tranen dag en nacht,
en altijd weer hoor ik ze zeggen:
'Waar blijft nu je God?'
3
God geef mij vandaag en iedere dag
een teken van liefde, dan zal ik voor U
zingen tot diep in de nacht, zo lang ik besta,
een lied voor de God van mijn leven.
4
Maar waarom zo moedeloos, waarom opstandig?
Ik zal wachten op God, en eens zal ik Hem danken:
Gij zijt mijn lijfsbehoud, Gij zijt mijn God.
---
*581
#9
1
K:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
mijn God, U in de hoogte steken.
Ik spreek U uit, ik noem uw Naam,
zowaar als ik leef.
2
A:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
zowaar als ik leef.
3
K:
Ik was gevangen en riep: God.
En Hij heeft mij geantwoord.
Hij heeft mij de ruimte gegeven,
Hij komt voor mij op als een vriend.
4
A:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
zowaar als ik leef.
5
K:
Beter te schuilen bij God
dan te vertrouwen op mensen.
Beter te schuilen bij God
dan te vertrouwen op macht.
6
A:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
zowaar als ik leef.
7
K:
Ik was geslagen, maar God
heeft mij overeind geholpen.
Ik zal niet sterven, ik zal
leven, Hij tilt mij op.
8
K:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
mijn God, U in de hoogte steken.
Ik spreek U uit, ik noem uw Naam,
zowaar als ik leef.
9
A:
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken,
zowaar als ik leef.
---
*582
#2
1
Looft God, looft Hem overal.
Looft de Koning van 't heelal
om zijn wonderbare macht,
om de heerlijkheid en kracht
van zijn naam en eeuwig wezen.
Looft de daden, groot en goed,
die Hij triomferend doet.
Hem zij eer, Hij zij geprezen.
2
Hef, bazuin, uw gouden stem,
harp en fluit, verheerlijkt Hem!
Cither, cimbel, tamboerijn,
laat uw maat de maatslag zijn
van Gods ongemeten wezen,
opdat zinge al wat leeft,
juiche al wat adem heeft
tot Gods eer. Hij zij geprezen.
---
*583
#7
1
Alles wat adem heeft love de Here,
zinge de lof van Isrels God!
Zolang ik hier in het licht mag verkeren,
roem ik zijn liefde en prijs mijn lot.
Die lijf en ziel geschapen heeft
worde geloofd door al wat leeft.
Halleluja! Halleluja!
2
Vorsten zijn mensen uit aarde geboren,
zij keren eens tot aarde weer;
rijkdom en macht, het gaat alles verloren,
niemand gedenkt hun daden meer.
Machtigen wanklen in hun waan,
roepen wij dan de Here aan.
Halleluja! Halleluja!
3
Welgelukzalig is ieder te noemen,
die Jakobs God als helper heeft!
Wat zou hem schade, wie zou hem verdoemen,
die dag aan dag met Christus leeft!
Wie met de Heer te rade gaat,
die staat Hij bij met raad en daad.
Halleluja! Halleluja!
4
Hij is 't, die hemelen, zee‰n en aarde,
die al wat is tot aanzijn riep,
de enige God die zijn macht openbaarde,
Hem is gehoorzaam wat Hij schiep.
Hij, die het al heeft in zijn hand,
houd ook ons zwak geloof in stand.
Halleluja! Halleluja!
5
O gij verdrukten, die onrecht moet lijden,
Hij die u recht verschaft is hier!
Hongrige, Hij wil u spijze bereiden,
dorstig, zie de heilsrivier!
Zijt gij geboeid, Hij maakt u vrij;
God schenkt genade velerlei.
Halleluja! Halleluja!
6
Vreemdeling, die hier op aard moet gedogen,
dat u de haat der mensen treft,
Hij richt u op, als gij neer zijt gebogen
en Hij buigt neer wie zich verheft.
Zijt gij in rouw, God is uw licht;
Hij schenkt, o blinde, u 't gezicht.
Halleluja! Halleluja!
7
Roemt dan, gij mensen, en lofzingt tezamen
Hem die zo grote dingen doet.
Alles wat adem heeft roepe nu amen,
zinge nu blijde: God is goed!
Love dan ieder die Hem vreest
Vader en Zoon en Heilge Geest!
Halleluja! Halleluja!
---
*584
#5
1
Wij moeten Gode zingen
halleluja,
om alle goede dingen
hallleluja,
al zijn wij vreemdelingen
in schande en in scha,
Gij zendt uw zegeningen
halleluja.
2
Hij schenkt de levensadem,
Hij geeft de levensgeest,
in schande en in schade
is Hij nabij geweest,
aan al wie Hem aanbaden,
aan ieder die Hem vreest,
komt Hij, de Heer, te stade,
de minsten allermeest.
3
Al leeft uw volk verschoven
kyrieleison,
in 't land van vuur en oven,
in 't land van Babylon,
al is de hemel boven
voor mensen doof en stom,
nog moeten wij U loven
met stem en fluit en trom.
4
De lier hing aan de wilgen,
misericordia,
God zal ons niet verdelgen,
aan God zij gloria.
Zijn woord zal ons genezen,
halleluja,
zoals het was voor dezen
in Galilea.
5
Wij moeten Goden zingen
halleluja,
de Heer van alle dingen
die leeft in gloria,
met alle stervelingen,
niets komt zijn eer te na,
wij moeten Gode zingen
halleluja,
---
*585
#3
1
Dankt, dankt nu allen God
met hart en mond en handen,
die grote dingen doet
hier en in alle landen,
die ons van kindsbeen aan,
ja, van de moederschoot,
zijn vaderlijke hand
en trouwe liefde bood.
2
Die eeuwig rijke God
moge ons reeds in dit leven
een vrij en vrolijk hart
en milde vrede geven.
Die uit genade ons
behoudt te allen tijd,
is hier en overal
een helper die bevrijdt.
3
Lof, eer en prijs zij God
die troont in 't licht daarboven.
Hem, Vader, Zoon en Geest
moet heel de schepping loven.
Van Hem, de ene Heer,
gaf het verleden blijk,
het heden zingt zijn eer,
de toekomst is zijn rijk.
---
*586
#2
1
Gij volken looft uw God en Heer
wilt Hem het loflied zingen.
Laat de fonteinen van zijn eer
in ieder hart ontspingen,
omdat Hij u verkoren heeft,
omdat Hij u genade geeft,
door Christus, halleluja.
2
Hoe groot is zijn barmhartigheid
voor allen allerwege,
zijn waarheid en zijn tederheid
als overvloed van regen.
Zijn liefde duurt in eeuwigheid,
en geeft om niet de zaligheid.
Zingt, zingt Hem, halleluja.
---
*587
#13
1
Looft den Heer,want Hij is goed,
trouw in alles wat Hij doet.
Want zijn goedertierenheid
zal bestaan in eeuwigheid.
2
Geeft den God der goden eer,
jubelt voor der heren Heer.
Hij doet wondren, Hij alleen
trouw door alle tijden heen.
3
Looft Hem die de hemel schiep,
zijn verstand is grondloos diep.
Hij bereidde zee en land.
Eeuwig houdt zijn liefde stand.
4
Zon en maan en sterren gaan
koninklijk hun vaste baan.
God regeert bij dag en nacht,
zijn genade blijft van kracht.
5
Die Egypte sloeg met rouw,
toonde Israel zijn trouw.
Hij bevrijdt met sterke hand.
Eeuwig houdt zijn liefde stand.
6
Die de grote Schelfzee spleet,
Israel ontkomen deed.
Looft den Heer, Hij gaat ons voor,
Hij is trouw de eeuwen door.
7
Farao met heel zijn heer
stortte in het water neer.
Looft de Heer die ons bevrijdt
en ons liefheeft voor altijd.
8
Israel geleidde Hij
veilig door de woestenij.
Hij wijst ons het rechte spoor.
Trouw is Hij de eeuwen door.
9
Koningen,geducht en groot,
heeft zijn sterke arm gedood.
Hij slaat onze vijand neer.
Eeuwig trouw is onze Heer.
10
Isra‰l,des Heren knecht,
trad in hun bezit en recht,
ja, zijn erfdeel is gewis,
daar Gods goedheid eeuwig is.
11
Looft den Heer, die in de nacht
der verneedring aan ons dacht,
die de tirannie verdrijft
door zijn gunst die eeuwig blijft.
12
Looft den Heer, die al wat leeft
dagelijks zijn spijze geeft,
die ons laaft en die ons voedt.
Eeuwig is Hij trouw en goed.
13
Aan den God des hemels zij
eer en dank en heerschappij,
want zijn goedertierenheid
zal bestaan in eeuwigheid.
---
*588
#4
1
God in de hoog' alleen zij eer
en dank voor zijn genade,
daarom, dat nu en nimmermeer
ons deren nood en schade.
God toont zijn gunst aan ons geslacht.
Hij heeft de vrede weergebracht;
de strijd heeft thans een einde.
2
U, Vader, U aanbidden wij,
wij zingen U ter ere;
onwrikbaar staat uw heerschappij,
voorgoed zult Gij regeren.
Gij hebt onmetelijke macht,
uw wil wordt onverwijld volbracht.
Die Heer is onze Koning!
3
O Jezus, die de Christus zijt,
des Vaders Eengeboren,
Gij hebt ons van de toorn bevrijd
en redt wie was verloren.
Gij, Lam van God, voor ons geslacht,
verhoor ons roepen uit de nacht,
erbarm U over allen.
4
O Heilge Geest, ons hoogste goed,
ten Trooster ons gegeven,
heb dank dat Gij ons delen doet
in Jezus' dood en leven.
Beveilig ons in alle nood,
blijf ons nabij in angst en dood,
op U steunt ons vertrouwen.
---
*589
#6
1
De laatsten worden de eersten,
wie knielde krijgt een troon,
de knechten mogen heersen,
de dienaar heet een zoon.
2
O Heer, o eerstgeboren
van allen uit de dood,
Gij zoekt wat is verloren,
Gij maakt het leven groot.
3
Gij die als allerlaatste
ter wereld wederkomt,
Gij wijst ons onze plaatsen
wanneer de strijd verstomt.
4
Wie zelf zich hoog verheffen,
die slaat zijn oordeel neer,
de bergen worden vereffend,
de zee zwijgt voor de Heer.
5
Maar wie zich heeft gebogen
voor wat Hij geboden heeft,
die zal Hij ook verhogen
zo waar Hij eeuwig leeft.
6
De laatsten worden de eersten,
wie knielde krijgt een troon,
wie slaaf was mag nu heersen,
de vreemdeling wordt zoon.
---
*590
#8
1
De eersten zijn de laatsten,
wie nakomt gaat voorop,
zij moeten zich niet haasten,
die leven van de hoop.
2
God moge ons behoeden,
wij zien elkander aan,
de broeder kent de broeder
als een die voor moet gaan.
3
Zo staat het voorgeschreven,
zo is het steeds voorzegd,
wie achter is gebleven
krijgt eerstgeboorterecht.
4
Het onderste komt boven,
de torens vallen om,
het woord is aan de doven,
de waarheid aan de droom.
5
Wie later is geboren
komt eerder aan de tijd,
wie lager thuisbehoren
gaan hogerop vrijuit.
6
Zo hoog zijn Gods gedachten,
zij gaan de tijden door,
wie voor was blijft ten achter,
wie achterbleef gaat voor.
7
Veracht dan niet de kleinen
en die verloren zijn,
want God noemt hen de zijnen
die laatgeboren zijn.
8
De eersten zijn de laatsten,
wie nakomt gaat voorop!
Kiest dan de goede plaatsen
en geeft uw hart aan God.
---
*591
#4
1
Mensen, wij zijn geroepen om te leven!
Hoog is de hemel boven ons verstand
en onder onze voeten hier beneden
de goede grond, het groene moederland.
2
God onze toekomst, God is onze Vader,
Hij is het licht voor onze dagen uit.
De hele wereld leeft van zijn genade,
Hij gaf de aarde en Hij geeft de tijd.
3
Abraham heeft Hij eerst zijn Woord gegeven,
dat als een zaad ontkiemde in zijn zaad,
om zo de toekomst tegemoet te leven
wanneer de grote oogst te velde staat.
4
Ja, wij zijn allen mensen der belofte,
kinderen van de dag die komen zal,
als Hij, de Zoon, de Zon, daalt uit de hoogte,
roepend van recht en vrede overal!
---
*592
#5
1
Om Christus wil zijn wij verblijd.
Hij heeft in alle menslijkheid
een zoon die naar zijn vader aardt
God in het vlees geopenbaard.
2
Looft Hem, die van de Geest ontving
voor altijd zijn rechtvaardiging,
de Geest, die Hem herleven doet
in mensen, mensijk vlees en bloed.
3
Hij die, ontheven hemelhoog,
te stralend voor het sterflijk oog,
aan de engelen verschenen is
in 't licht van zijn verrijzenis,
4
Hij is aanwezig in het woord,
dat wordt gepredikt en gehoord
in heel de wereld en geloofd,
en dat ons zegent hoofd voor hoofd.
5
Om Christus wil zijn wij verblijd,
die inging in Gods heerlijkheid
en voor Gods ogen, stralend schoon,
is wat wij zullen zijn, de Zoon.
---
*593
#6
1
Ga in het schip, zegt Gij,
steekt van het strand.
Vaar tegen wind en tij,
vaar naar de overkant,
wacht daar op Mij.
2
Geeft Gij ons nu een steen,
Meester, voor brood?
Laat Gij ons nu alleen?
Laat Gij ons in de nood?
Zendt Gij ons heen?
3
Wij zien alleen nog maar
water en wind.
Zegt Gij dan: wacht Mij daar?
Wij, nu de nacht begint,
weten niet waar.
4
Wandelt Gij als een schim
over het meer?
Werdt Gij een verre glimp?
Heer, zijt Gij onze Heer,
kom van de kim!
5
Kom met uw scheppingswoord
in onze ziel!
Spreek dat de wind het hoort!
Kom, dat het water knielt,
bij ons aan boord!
6
Ik ben het, zegt Gij dan.
Kom maar met Mij
mee naar de overkant.
Wees maar niet bang, zegt Gij,
hier is mijn hand.
---
*594
#4
1
Wie oren om te horen heeft
hore naar de wet die God hem geeft:
gij zult geen vreemde goden
maar Mij alleen belijden voortaan.
Hoort, Isra‰l, mij geboden.
2
Bemint uw Heer te allen tijd.
Dient Hem met alles wat gij zijt.
Aanbidt Hem in uw daden.
Dit is het grootste en eerste gebod,
de wil van God, uw Vader.
3
Biedt uw naaste de helpende hand.
Spijzigt de armen in uw land,
een woning wilt hen geven.
Het tweede gebod is het eerste gelijk;
doet dit, en gij zult leven.
4
De macht der liefde is zo groot,
geen water blust haar vuren uit
wanneer zij is ontstoken.
Nu wilt ontbranden aan liefdes woord,
God heeft het tot ons gesproken.
---
*595
#4
1
Mijn ziel maakt groot de Heer,
mijn geest verheugt zich zeer,
want God heeft mij, geringe,
die Hem als dienstmaagd dien,
goedgunstig aangezien;
en deed mij grote dingen.
2
Van nu aan, om wat Hij,
de Sterke, deed aan mij,
zullen mij zalig prijzen
alle geslachten saam,
want heilig is zijn naam,
Hij zal zijn trouw bewijzen.
3
Zijn arm verstoot met kracht
de groten uit hun macht,
de vorsten van hun tronen;
maar Hij maakt kleinen groot
en zal met overvloed
de hongerigen lonen.
4
Hij heeft het lang voorzegd:
aan Isra‰l, zijn knecht,
zal Hij genade schenken,
en Hij zal Abraham
en al wie na hem kwam
in eeuwigheid gedenken.
---
*596
#6
1
Een zaaier ging uit om te zaaien,
hij zaaide zo wijd als de wind,
zo wijd als de winden waaien
waar niemand een spoor van vindt.
2
Een deel van het zaad ging verloren,
een deel van het zaad werd brood,
maar niemand weet van te voren
de weg van het zaad in de schoot.
3
Het wordt op de wegen vertreden,
het valt in een vruchteloos graf,
het sterft aan de doornen beneden,
de vogels van boven af.
4
De lage, de hoge gevaren
bedreigen het kiemende graan,
maar soms kan het openbaren
de zin van het aardse bestaan.
5
Er is geen verwachting van leven,
tenzij in de dood van het zaad,
wij moeten de aarde vergeven
dat zij ons sterven laat.
6
O Zaaier, ga uit om te zaaien
de kiem waaruit leven ontstond,
zo wijd als de winden waaien
en maak ons tot moedergrond!
---
*597
#6
1
Gij hebt met uw brede gebaren
de mensen gestrooid uit uw hand
en in de seizoenen der jaren
volmaakt Gij de oogst op uw land.
2
In deze onstuimige lente,
waarin heel de wereld bestaat,
verwekt Gij de elementen
en wie scheidt het goed van het kwaad?
3
En wie zal het zaad onderscheiden,
het zij tot verval of tot eer?
Uw regen geeft regen aan beide,
uw zon ziet op beide terneer.
4
Heer, zijn wij het zaad van uw akker,
Gij doet ons ontkiemen tot graan.
Wij sliepen en Gij roept ons wakker,
Gij doet ons uit aarde ontstaan.
5
Wij groeien de aarde te boven,
wij rijpen in weer en in wind,
totdat Gij in garven en schoven
de mensen tezamen bindt.
6
En als Gij ons brengt in uw schuren
ten tijde der eeuwigheid,
o laat ons het dorsen verduren
waarmee Gij het graan onderscheidt!
---
*598
#4
1
De schapen alle honderd,
die moeten binnen gaan,
maar ‚‚n is afgezonderd
naar eigen zin gegaan
Op alle honderd schapen
die van de kudde zijn
heeft ‚‚n de kooi verlaten
en dwaalt in de woestijn.
2
De herder is verwonderd:
waar is het schaapje heen?
Hij telt ze alle honderd,
hij telt ze een voor een...
Van al de honderd schapen
die Hem ter harte gaan
heeft ‚‚n de kooi verlaten
en is apart gegaan.
3
De herder is gedwongen
naar de woestijn te gaan.
Hij heeft het schaap gevonden,
zo komt het veilig aan
waar al de andre schapen
alreeds verzameld zijn,
want wie de kooi verlaten
die vinden de woestijn.
4
De mensen zijn gebonden
door herders zonder hart,
zo hebben zij gezondigd
en allen zijn zij zwart
Maar God wil van de schapen
de goede herder zijn.
Hij heeft de kooi verlaten,
Hij zoekt in de woestijn.
---
*599
#3
1
Looft uwe God, alle tongen en talen!
't Ene geslacht moet aan 't ander herhalen:
Christus de Redder, die 't won op de dood,
blijft onder ons in de schaduw van brood:
Alleluia, God is groot!
Alleluia, God is groot!
2
Roemt uw Verlosser, alom in de landen
biedt Hij de Vader zijn kruisofferande,
't hoogheilig offer van lichaam en bloed
dat alle schuld van mensen voldoet.
Alleluia, God is goed!
Alleluia, God is goed!
3
Nadert uw Heiland en komt voor Hem knielen,
vorsten en volken, gezegende zielen,
komt, want dit manna biedt hulp in de nood,
sterkt' in de strijd en behoud in de dood:
Alleluia, God is groot!
Alleluia, God is groot!
---
*601
#6
1
Broeders, die op uittocht gaat
uit het land der slaven,
uit die van dood en kwaad:
wie toch zal u laven?
Refrein:
Heer, die met ons gaat,
't water uit de rotsen slaat,
(Heer, Gij zult ons laven.)
2
't Volk dat zwerft in de woestijn,
zal Hij dat verlaten?
Zal Hij niet hun leeftocht zijn
en hun levend water?
Refrein:
(Heer, ons levend water.)
3
Water is het levend woord
dat ons toe zal klinken.
Broeders, die Gods woorden hoort,
komt hier allen drinken.
Refrein:
(laat uw woorden klinken.)
4
Wie Gods woord niet leven wil
smachtend gaat verloren
maar als God zich geven wil
worden wij herboren.
Refrein:
(laat ons niet verloren.)
5
Wie Gods woord wil waardig zijn.
zal tot leven komen.
Hij wordt bron in de woestijn,
eeuwig zal hij stromen.
Refrein:
(eeuwig zult gij komen.)
6
Broeders, die in Hem gedoopt,
in zijn Naam moogt gij leven,
Jezus zal u onverhoopt
geest en waarheid geven.
Refrein:
(schenk ons eeuwig leven.)
---
*602
#6
1
Ik ben de wijnstok,
mijn Vader de wijngaardenier;
Gij zijt de ranken,
dus blijft in Mij,
Ik blijf in u,
dan vindt Hij vruchten hier.
2
Zingt voor de Vader, de wijngaardenier,
dus blijft in Mij, Ik blijf in u,
dan vindt Hij vruchten hier.
3
Ranken onvruchtbaar,
die snijdt Hij af, die werpt Hij weg;
zij moeten branden.
Dus blijft in Mij,
Ik blijf in u,
't Is waarheid wat Ik zeg.
4
Zingt voor de Zoon, want zijn woord is uw weg,
Dus blijft in mij, Ik blijf in u,
't is waarheid wat Ik zeg.
5
Laat dan mijn woorden
uw waarheid en uw leven zijn;
blijft in mijn liefde,
zoals Ik in
de Vader blijf
gij zult vol vreugde zijn.
6
Bidt om de Geest, om het brood en de wijn,
en al wat gij de Vader vraagt,
zal u gegeven zijn.
---
*605
#5
1
Wij willen God de ere geven
en maken zijn genade groot;
want wij zijn voor de zonde dood
en wat God zelf heeft afgeschreven
zal niet herleven.
2
Wij zijn met onze Heer verbonden
en door de doop Hem toegewijd.
Wij gingen midden in de tijd
in Christus dood voor onze zonde
geheel te gronde.
3
De mensheid der verloren tijden
deed Christus sterven aan zijn kruis,
opdat Hij uit het slavenhuis,
als nieuwe mensen, zijn bevrijden
zou uitgeleiden.
4
Al onze boosheid en ellende
ging met de Heer ter rust in 't graf.
Wij zijn ontslagen van de straf
en God wil zich weer tot ons wenden
als zijn gekenden.
5
Zoals de Christus is verrezen
door 's Vaders heerlijke overmacht,
zo zijn ook wij aan 't licht gebracht
om nieuw te leven, zonder vrezen,
nu en na dezen.
---
*606
#4
1
Wie ingaat tot de dit water,
gaat in tot die het water schiep:
de liefde van de Vader
is als het water diep.
2
Wie ingaat tot dit water,
gaat met die inging in ons vlees,
de Zoon van de genade
die uit de dood herrees.
3
Wie ingaat tot dit water,
ontvangt die op het water zweeft,
die is uit Zoon en Vader,
de Geest die eeuwig leeft.
4
En opstaand uit dit water
vergeet hij 't land dat hij verliet,
omdat hij land en water
opnieuw geboren ziet.
---
*661
#6
1
Te Kana werd een feest gevierd,
Maria was daarbij.
Ook Jezus wou ter bruiloft gaan,
Hij was een mens als wij.
Refrein:
Geef ons te drinken, Heer, schenk ons uw Geest.
Brengt ons tezamen op uw bruiloftsfeest.
2
En als er goed gedronken is,
komt er gebrek aan wijn.
Wie zal nu voor zijn vrienden
de ware wijnstok zijn?
3
Maria sprak: "De wijn is op,
daar is geen drinken meer".
"Wat is er tussen u en Mij?"
sprak Jezus onze Heer.
4
Maria sprak de knechten aan
als zij 't niet gehoord:
"Doet al wat Hij u zeggen zal,
gelooft Hem op zijn woord".
5
En Jezus sprak de knechten aan:
"Vult dan die kruiken daar".
Toen werd voor 't eerst op aarde
zijn glorie openbaar.
6
Komt, vrienden in de ronde,
minnaars van aardse wijn:
Het feest kan voortgang vinden
zolang wij samen zijn.
---
*662
#3
1
God, die ons aan elkaar
als wijn te drinken geeft,
zendt op het feest die daar
het zoet geheim van heeft:
Hem die geheel ons zijn
herschept, en zie 't is goed,
die water maakt tot wijn,
vreugde in overvloed.
2
O Gast, Gij Zoon van God,
o wijnstok sterk en fris,
waaraan wij rijpen tot
elkanders lafenis.
Gij maakt uw bloed tot wijn,
wijn tot ons hartebloed:
wij moeten dronken zijn
van elkaars overvloed.
3
O Geest van God bewaar
ons altijd bij de Heer
bewaar ons bij elkaar,
verbind ons meer en meer,
opdat wij vrolijk zijn,
gezond van ziel en bloed,
en bij uw bruiloftswijn
leven in overvloed.
---
*663
#3
1
Welzalig is een ieder die God van harte vreest
en Hem als zijn gebieder gehoorzaamt allermeest.
Verheug u, gij zult eten de arbeid uwer hand.
Gelukkig zult gij heten, u deert geen tegenstand.
2
Voorwaar uw vrouw zal bloeien, een rijpe wingerdrank,
uw kindren zullen groeien, den Heer tot eer en dank,
als stekken van olijven die om uw tafel staan.
Ja,gij zult aan den lijve Gods zegen ondergaan.
3
Het goede zult g' aanschouwen van Gods verkoren stad,
en wat Hij in zijn trouwe u nog beschoren had;
uw toekomst onbestreden, heil voor uw nageslacht,
ja, algemene vrede aan Isrel toegedacht.
---
*666
#3
1
God die in het begin
uit aarde, naar zijn beeld,
de mensen voor elkaars
geluk geschapen heeft,
Hij doet u samen zijn,
Hij maakt u man en vrouw,
elkanders brood en wijn,
elkanders woord van trouw.
2
Zoals van meet af aan
een mens geen antwoord vindt,
als hij niet door een mens,
ten diepste wordt bemind,
zo zult gij nu voortaan
in liefde en in leed
elkanders antwoord zijn,
‚‚n lichaam en ‚‚n geest.
3
Zoals ten einde toe
de mensen twee aan twee
hun lange wegen gaan
en God gaat met hen mee,
zo zal Hij met u zijn
in leven en in dood,
Hij wordt uw brood en wijn,
en dit geheim is groot.
---
*667
#3
1
Refrein:
Zoals een man zich verheugt in zijn vrouw,
zo zal God zich verheugen in u.
Hij is een mantel van licht om u heen.
Zoals een bruidegom wacht op zijn bruid,
zoals een bruid zich tooit met haar sluier.
2
Zoals de aarde wacht op het zaad,
zoals de bomen bloeien in de zon,
zo moge God uw leven voltooien.
3
Zo zult gij heten: niet langer verlaten,
zo zal ieder u noemen gehuwden,
zo zal Hij tot u zeggen: mijn geliefden.
---
*668
#5
1
In diepe nacht ben ik gegaan.
Ik zocht in alle straten.
Mijn vriend is van mij heengegaan,
mijn God heeft mij verlaten.
2
Ik zocht hem en ik vond hem niet
och wachters op uw ronde,
o aarde, hebt gij uw God gezien?
Toen heeft hij mij gevonden.
3
Ik bracht hem in mijn moeders huis
en waar ik ben geboren.
Ik zal mijn naam vernemen daar.
Ik ga in hem verloren.
4
- Liefde is droever dan de dood,
o lichaam, goedertieren,
geen taal verstaat haar wonder groot
verblindend zijn uw vuren.
5
Wek niet de liefde voor haar tijd,
die dorst zal u verteren,
geen water blust de liefde uit,
haar roep is niet te keren.
---
*701
#6
1
Hoe lieflijk, hoe goed is mij, Heer,
het huis waar Gij uw naam en eer
hebt laten wonen bij de mensen.
Hoe brand ik van verlangen om
te komen in uw heiligdom.
Wat zou mijn hart nog liever wensen
dan dat het juichend U ontmoet
die leven zijt en leven doet.
2
Het heil dat uw altaar omgeeft
beschermt en koestert al wat leeft.
De mus, de zwaluw vindt een woning.
Haar jongen zijn in veiligheid.
Mij is een schuilplaats toebereid
in het paleis van U, mijn Koning.
Heil hen die toeven aan uw hof
en steeds zich wijden aan uw lof.
3
Welzalig die uit uw kracht leeft,
die naar uw tempel zich begeeft,
zijn hart wijst hem de rechte wegen.
Zij trekken op van overal
en, gaat het door het dorre dal,
dan valt op hen een milde regen.
Ja, in het hart van de woestijn
ontspringt een heldere fontein.
4
Van kracht tot kracht gaan zij steeds voort.
Hun lied weerklinkt van oord tot oord,
tot zij Jeruzalem betreden,
waar alle pelgrims binnengaan
om voor Gods aangezicht te staan.
Aanvaard, o Heer, ook mijn gebeden.
Verhoor mij, God van Israel,
die alles leidt naar uw bestel.
5
O Here, ons schild van omhoog,
zie neder met een gunstig oog
op uw gezalfde in uw tempel.
E‚n dag in uw paleis is meer
dan duizend elders.Ik verkeer
veel liever needrig aan uw drempel
dan dat ik aanzit, hooggeacht
waar men den Here God veracht.
6
Want God onze Heer die ons mild
bestraalt als zon, beschermt als schild,
zal in genade ons verhogen.
Zijn hand onthoudt het goede niet
aan wie oprecht Hem hulde biedt
en eerlijk wandelt voor zijn ogen.
Heer, die het al in handen houdt,
welzalig die op U vertrouwt.
---
*702
#8
1
De Heer die heeft geleid en hoedt
zijn volk op aarde, o herder goed,
o mensenzoon met ons begaan,
getrouwe heiland is uw naam.
2
Als schapen doolden allen rond
geen die nog weide en water vond.
Toen zijt Gij zelf ons voorgegaan,
getrouwe herder is uw Naam.
3
Geen die zijn leven voor ons gaf,
alwie kwam v¢¢r U, was vreemd en laf.
Geen huurling weidt ons meer voortaan,
Heer God, betrouwbaar is uw Naam.
4
Die als een lam draagt onze dood,
die breekt zijn lichaam als levend brood,
die om zijn kudde zich liet slaan -
getrouwe herder is zijn Naam.
5
Die maakt dat allen op zijn woord
komen te samen, Hij is de poort;
gij moet door Hem het rijk ingaan,
hoort, want Hij roept u bij uw naam.
6
In dood en leven, Heer, zult Gij
zijn die Gij zijt: uw klein volk nabij.
Gij zult met ons uw wegen gaan,
getrouwe herder is uw Naam.
---
*706
#7
1
Hoe helder staat de morgenster,
en straalt mij tegen van zo ver,
de luister van mijn leven.
Komt tot mij, zoon van David, kom,
mijn Koning en mijn Bruidegom,
mijn hart wil ik U geven.
Lieflijk,
vriendlijk,
schoon en heerlijk,
zo begeerlijk,
mild in 't geven,
stralend, vorstelijk verheven.
2
Gij zijt mijn parel en mijn kroon,
o Zoon van God, Maria's zoon,
een hooggeboren Koning.
O lelie die mijn hart bekoort,
uw zoete evangeliewoord,
is louter melk en honing.
Gij zijt
altijd
hosianna,
hemels manna,
dat wij eten,
nooit meer kan ik U vergeten.
3
Gij schittert als een edelsteen,
mijn hart is vol van U alleen,
uw liefde doet mij leven.
Hoe groei ik in uw lichte schijn,
hoe bloei ik op daar ik mag zijn
een rank met U verweven.
Aan U
blijft nu
heel mijn leven
weggegeven,
om te ontvangen
U, mijn liefde, mijn verlangen.
4
Hoe liefelijk is uw gelaat;
als Gij uw ogen op mij slaat,
dan doet de vreugd mij beven.
Gij Jezus, zijt zo trouw en goed;
uw woord en geest, uw vlees en bloed,
zij zijn mijn ziel, mijn leven.
Heer des
hemels
laat, getrouwe,
mij aanschouwen
uw erbarmen.
Herder neem mij in uw armen.
5
Voor Gij de wereld hebt gemaakt,
heeft mij uw liefde aangeraakt,
mijn sterke held, mijn Vader.
Uw Zoon komt tot mij, kiest mij uit,
Hij is mijn liefste, ik zijn bruid,
ik treed Hem zingend nader.
Hij de
mijne,
die het leven
mij zal geven
hoog daarboven,
eeuwig zal mijn hart Hem loven.
6
Laat al het vrolijke geluid,
van stemmen, van viool en fluit,
te zijner ere klinken.
Hij staat voor altijd aan mijn zij.
Mijn schone liefste is van mij,
in Hem wil ik verzinken.
Laat ons
samen
spelen zingen,
dansen springen
voor den Here,
die de Koning is der ere.
7
Hoe is Hij mij zo innig na,
de Alfa en de Omega,
mijn hart doet Hij ontbranden.
Hij zal mij tot zijn lof en prijs
opnemen in zijn paradijs,
dan klap ik in de handen.
Amen,
amen,
kom mij troosten
allerschoonste,
mijn begeren,
toef niet langer, kom o Here.
---
*707
#5
1
Indien de Heer het huis niet bouwt,
bouwen vergeefs de knechten.
Indien de Heer de stad niet houdt,
moet niemand voor haar vechten.
Refrein:
Indien de heer het huis niet bouwt,
bouwen vergeefs de kechten.
2
Al zijt gij 's morgens vroeg te been,
al werkt gij nog bij nachte,
indien de Heer geen brood verleent,
zult gij op eten wachten.
3
Terwijl gij eet het harde brood
van slaven en van zweten,
bezorgt de Heer zijn vriend in nood,
terwijl hij slaapt, te eten.
4
Alleen de Heer bevrucht uw stam
en schenkt u sterke zonen:
met deze zegen mag de man
zich in het dorp vertonen
5
Als pijlen in een krijgershand
zijn zonen voor hun vader.
En kinderrijk gezin houdt stand,
wanneer het onheil nadert.
---
*708
#4
1
Wij zoeken in uw huis uw aangezicht, o Here.
Naar vrede smachten wij, naar stille innigheid.
Laat ons van Jezus zelf, die op een berg klom, leren
alleen te zijn met U die geest en waarheid zijt.
2
Maar Jezus weend' en bad, alleen, omdat de mensen
als schapen dwalen waar geen herder 't oog op richt.
Verlos ons in zijn naam van onze ijd'le wensen.
Voor een gesloten hart blijft ook de hemel dicht.
3
Heer, wij gedenken U; laat ons dan nooit vergeten
de mensheid zonder God, de mensheid zonder brood:
Het bloed van Abel roept nog steeds tot ons geweten.
Wie 't zingend overstemt is Ka‹ns deelgenoot.
4
De Heiland op de berg, alleen met God zijn Vader,
vernam de stem van 't leed die van de aarde schreit.
Heer Jezus, maak uw kerk tot hoorder en tot dader,
opdat de wereld weet van uw barmhartigheid.
---
*709
#4
1
Wij hebben een sterke stad,
een stad met muren en schansen,
wij hebben een sterke stad,
een stad waar de kinderen dansen
en waar men muziek maakt en zingt,
een stad door de Heer omringd.
2
Wie wonen daar in die stad,
die stad op de nieuwe aarde?
Een volk dat de Heer aanbad
en de trouw aan zijn roeping bewaarde.
O poortwachter, open de poort
voor alwie vertrouwt op zijn woord!
3
Vertrouwt op de Heer, vertrouwt
want eeuwig zal Hij ons dragen.
De vesting zo hoog gebouwd,
die heeft Hij ternedergeslagen
maar mensen die steeds zijn geknecht
die wandelen hier in het licht.
4
Rechtvaardigen, hier is uw stad,
standvastigen, hier uw sterkte.
Een ruimte die niemand mat,
een ruimte die niemand bewerkte
dan Isra‰ls Heiland alleen,
Hij voert de verdrukten erheen.
---
*710
#4
1
Vergeef, o Heer, dat duizendvoud
ons stem en steen gescheiden houdt,
dat elk zijn eigen godshuis bouwt.
2
Vergeef het. Kome nu de tijd
dat U ‚‚n huis wordt toegewijd
van alle mensen wijd en zijd.
3
Dan wordt het grote lied gehoord
de wereld door met ‚‚n accoord
dat Christus prijst, het hemels woord.
4
Hoor hoe van land tot land het snelt,
‚‚n hoop, geloof en liefde meldt
en Jezus' naadloos kleed herstelt.
---
*711
#6
1
O Jezus Christus, licht ze bij
die leven aan uw licht voorbij.
Voeg ze met uwe kudde saam,
opdat zij niet verloren gaan.
2
Vervul met uw genadeschijn,
die op verkeerde paden zijn.
Sta bij, die heimlijk in zijn hart
verlokt en aangevochten wordt.
3
Breng, die aan uw gebod ontkwam,
terug als uw verloren lam.
Maakt de gewonde zielen heel
en geef ze aan de hemel deel.
4
Open de doven het gehoor,
de stomme lippen, spreek ze voor,
dat zij belijden hun geloof,
niet langer stom, niet langer doof.
5
Verlicht het oog dat U niet ziet.
Leid hem weerom die U verliet.
Verzamel, die verwijderd gaan.
Versterk ze die in twijfel staan.
6
Dan zullen zij, niet meer vervreemd,
voor tijd en eeuwigheid vereend,
in aarde en hemel, dan en nu,
allen tezamen danken U.
---
*712
#3
1
Jezus, wandlend langs de wegen,
kwam eens tien melaatsen tegen,
die van verre bleven staan,
roepend: Meester, zie ons aan.
En Hij zeide: wordt gereinigd,
wordt genezen, weest geheiligd.
Gaat en laat uzelve zien
aan de priester, alle tien.
2
Tien melaatsen gingen henen
en genazen, maar slechts ene,
slechts een vreemde, dankte Hem,
kerende, met luider stem.
En Hij vroeg: waar zijn de negen?
Waarom hebben zij gezwegen
en vindt slechts een vreemdeling
woorden van verheerlijking?
3
Heer, als wij, melaats van harte,
tot U roepen uit de verte
en Gij zegt: gaat heen, wordt rein,
laat ons als die ene zijn.
Laat de dank in onze monden
woorden vinden voor het wonder.
Laat ons lovend tot U gaan
om wat Gij ons hebt gedaan.
---
*713
#4
1
God is de Herder die waakt over mij,
die mij geleidt naar de groenende weiden;
God is mijn Herder, mij altijd nabij,
om mij naar vredige waat'ren te leiden.
Refrein:
Liefelijk lokt mij zijn wenkende stem:
God is mijn Herder, 'k ben veilig bij Hem.
2
Moet ik langs dreigend en donker ravijn,
nooit zal ik listige vijanden vrezen.
God zal mijn Hoeder, mijn veiligheid zijn,
God zal een steun en een trooster mij wezen.
3
God is mijn gastheer, zijn Huis is mijn woon,
Hij laat voor 't oog van zijn vijand mij eten,
heeft mij zijn lavende beker geboon:
'k ben als een vriend aan zijn tafel gezeten.
4
'k Weet mij gelukkig in leven en dood,
steeds hoop ik goedheid van God t' ondervinden
en zoek ik rust in zijn veilige Schoot;
'k Zal bij mijn Herder steeds zaligheid vinden.
---
*714
#4
1
Weet gij waarmee het koninkrijk
zich vergelijken laat?
Een zaadje, klein, onogelijk,
een mosterdzaad.
2
Als zaad dat in de aarde glijdt,
zo zwak is ons geloof,
maar 't wordt een boom die schaduw spreidt
met tak en loof.
3
De hemelvogels van omhoog
die zoeken naar een nest.
krijgen zijn schaduw in het oog,
en vinden rust.
4
O boom ten hemel uitgespreid
die in de aarde staat!
O edel kruid der eeuwigheid,
o mosterdzaad!
---
*715
#4
1
Gij komt tot ons, gans onverwacht,
in alle mooie dingen,
in bloemen, in de zonnepracht,
in 't lied dat wij nu zingen,
in 't brood dat op de tafel staat,
in 't hart dat blij en dankbaar slaat,
in duizend, duizend dingen.
2
Gij komt tot ons in 't morgenuur,
in dauw van nieuwe dingen,
in 't kind dat lacht, in licht en vuur,
in 't lied dat wij U zingen,
in 't woord dat Gij nu tot ons spreekt,
in 't brood dat Gij hier met ons breekt,
in duizend, duizend dingen.
3
Gij komt tot ons in heel de dag,
in arbeid aan de dingen,
in zorg en vreugde, pijn en lach,
in 't lied dat wij dan zingen,
in liefde ook van man en vrouw,
in vriendschap, vrede en in trouw,
in duizend, duizend dingen.
4
Gij komt tot ons als 't avond is,
in 't sterven van de dingen,
in 't afscheid dat het laatste is,
in 't lied dat wij niet zingen.
Op 't woord dat Gij spreekt hopen wij
uw liefde is ons toch nabij
in duizend, duizend dingen.
---
*740
#1
1
Wees gegroet, Maria, vol van genade,
de Heer is met U.
Gezegend zijt Gij boven alle vrouwen,
en gezegend is de vrucht
van uw lichaam, Jezus.
Heilige Maria Moeder Gods,
bid voor ons arme zondaars,
nu en in het uur van onze dood.
Amen.
---
*741
#4
1
O Koningin vol heerlijkheid,
die hoger dan de sterren zijt:
Hem, die u schiep, hebt gij behoed
en als een moeder zelf gevoed.
2
Wat Eva droevig deed vergaan,
biedt gij ons in uw Kind weer aan
gij zijt in onze pelgrimstijd
het venster op de eeuwigheid.
3
Tot God zijt gij de open poort,
de deur tot 't licht dat voor ons gloort:
verlosten juicht! 't Heeft God behaagd,
gij kreegt het leven door de Maagd.
4
U, Jezus, zij de heerlijkheid,
die uit de Maagd geboren zijt,
U met de Vader en de Geest,
zoals het altijd is geweest.
---
*742
#3
1
Maria, boven allen uitverkoren,
tot Moeder van het eeuwig Woord gewijd,
u bidden wij in zware schuld verloren,
reik ons uw hand die naar de hemel leidt.
U bidden wij in zware schuld verloren,
reik ons uw hand, die naar de hemel leidt.
2
Maria, zonder zondesmet ontvangen,
die om ons heil het offer hebt aanvaard,
gij leert ons in het kruis naar u verlangen,
die delend in Gods eigen smarten waart.
Gij leert ons in het kruis naar u verlangen,
die delend in Gods eigen smarten waart.
3
Maria, Onze-Liefe_vrouw van Vrede,
in ziel en lichaam glorievol gekroond,
wij bieden u de krans van onze bede,
en weten dat Gij met uw liefde loont.
Wij bieden u de krans van onze bede,
en weten dat Gij met uw liefde loont.
---
*743
#4
1
Ik groet u vol genade,
sprak d' engel Gabri‰l,
De bron van uw genade
is God, Emmanu‰l.
2
Want onder alle vrouwen
zijt gij gebenedijd;
gelukkig die aanschouwen
in dank uw heerlijkheid.
3
En meer nog zij gezegend
de vrucht van uwe schoot;
door Hem zijn wij genezen
van een volkomen dood.
4
Gods Moeder, wil ons horen:
bid dat wij zondaars groot
voor God niet gaan verloren
in 't uur van onze dood.
---
*744
#4
1
Dat u alle zegen zij!
Maar nog meer gezegend Hij,
die gij draagt, Hem prijs ik groot,
stil besloten in uw schoot.
2
Ach, vanwaar komt mij die eer,
dat de moeder van mijn Heer
mij nu zelf te hulp komt staan?
Wat heb ik voor goeds gedaan?
3
Zie, ik heb uw lieve woord,
uw bezorgde groet gehoord;
toen u mij uw hulp aanbood,
sprong het kind op in mijn schoot.
4
Zalig gij die hebt geloofd
wat de Heer u heeft beloofd.
Het is Hem, op wie ik bouw:
Hij is de Heer, de Heer is trouw!
---
*745
#3
1
Daar bloeid' ene lelie met zuiverlijke pracht,
voor eeuwen en tijden in 't diepst van Gods gedacht.
Zij was toch zo schone! Zij bloeide toch zo blank!
Er looft haar naar waarde noch mens noch eng'lenzang!
2
Vandaag is de lelie, zo menig eeuw verbeid,
op aarde ontsproten in reine heerlijkheid.
't Zijt gij, o Maria, o lelie eeuwig schoon,
Gods bruid en Gods dochter en moeder van Gods Zoon!
3
Al d' englenkoren begroeten heden d' aard.
Zij heeft hun, o wonder, een koningin gebaard!
O hemelse lelie, gij zijt onz' eeuw'ge roem,
gij zijt van de wereld de vlekkeloze bloem!
---
*746
#3
1
Lieve Vrouwe van ons land,
met uw kroon of sleep van kant
en getorst door ruwe hand
langs de vlakke wegen.
Lieve Vrouw langs beemd en gaard,
Lieve Vrouwke bij de haard,
door geslachten vroom bewaard,
schenk ons volk uw zegen.
Ave Maria, ave Maria,
ave Maria!
2
Moeder die op Vlaand'ren waakt,
van zover ons heug'nis raakt,
al wat Vlaand'rens grootheid maakt,
hebt Gij ons gegeven;
eenvoud, adel van gemoed,
moederweelde, minnegloed,
reinheid en de stille moed
voor uw Zoon te leven. Ave Maria.
3
Gij hebt ons de vree gebracht,
na zo meen'ge bange nacht.
Bij u vond ons volk de kracht
't eigen huis te bouwen;
Lieve Vrouwe t' allen tijd,
blijve Vlaand'ren u gewijd,
in de zege als in de strijd,
in al vreugd' en rouwen. Ave Maria.
---
*760
#5
1
Mijn vrienden zijt gij, zegt de Heer;
Ik noem u thans geen dienaars meer;
want 'k heb u alles toevertrouwd,
wat Mij de Vader heeft ontvouwd.
2
Zoals de Vader Mij eens zond,
zo zend Ik u de wereld rond.
Gaat heen en zaait Gods heilig woord,
dat elk de blijde boodschap hoort.
3
De Geest heb Ik u toevertrouwd,
de Sterke die u staande houdt,
die altijd in uw harten woont
en u de volle waarheid toont.
4
Gij die gelovig met Mij gaat
de weg van 't graan, van 't stervend zaad,
gij zult met Mij zijn waar Ik woon
en zet'len op de rechterstroon.
5
O Herder, blijf uw volk nabij,
en vol van vreugde zingen wij:
geprezen zij in eeuwigheid
de heilige Drievuldigheid.
---
*801
#2
1
Refrein:
Vriendelijk Licht van de heilige Glorie
van de onsterfelijke Vader,
van de hemelse, de heilige, de zalige:
Jezus Christus.
De zon gaat dalen en wij schouwen 't avondlicht;
WIj zingen Vader, Zoon en Geest het heilig
loflied toe: eer zij God!
2
Te allen tijde prijzen wij met heil'ge stem
U, Zoon van God, die alles 't leven geeft en zingen doet:
lof en dank!
---
*802
#4
1
Looft de Heer, al wat gemaakt is, prijst zijn Naam.
Verheft Hem voor eeuwig, dankt voor uw bestaan.
Looft Hem die gezeten is op tronen van gezang.
Zingt als rivieren mee voor God: Hij leve lang.
2
Storm en aarde, bomen, stromen, zon en vuur
gij wolken en dromen, nachten, dag en duur,
licht en donker, dood en leven, wereld, mensenzaad
weest mondig en volmaakt, looft Hem met woord en daad.
3
Dauw en regen, vorst en koude, ijs en sneeuw,
de slang en de vis, de vogels en de leeuw,
geesten in de hemel en gij mensen met uw stem:
gelooft Hem op zijn woord, dat gij bestaat in Hem.
4
Looft Hem, ook wie zondigt, looft Hem kwaad en goed.
Looft Hem, die zijn Woord in u mens worden doet.
Looft uw God en Vader, die zijn Geest geschonken heeft.
Looft Hem omdat gij zijt, ja looft Hem, want Hij leeft.
---
*803
#4
1
Vriendelijk Licht, dat heel de dag
aan de hemel hebt geblonken,
laat niet eenzaam in het donker
wie uw glorie stralen zag.
2
Vriendelijk Licht, dat leven schenkt
en het duister hebt verdreven,
geef mij warmte om te leven
als de koude dood mij wenkt.
3
Vriendelijk Licht, blijf in mijn hart
dat uw gloed niet kan ontberen,
nu de nacht gaat wederkeren
en al wat er leeft verstart.
4
Vriendelijk Licht, dat eeuwig brandt,
wil de dood in mij verteren,
Licht der zondaars, Licht des Heren,
Licht van 't eeuwig vaderland.
---
*804
#1
1
U komt de lof toe, U het gezang,
U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest
in alle eeuwen der eeuwen.
---
*805
#1
1
U komt de lof toe, U het gezang,
U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest
in alle eeuwen der eeuwen.
---
*806
#1
1
U komt de lof toe, U het gezang,
U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest
in alle eeuwen der eeuwen.
---
*807
#1
1
U komt de lof toe, U het gezang,
U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest
in de eeuwen der eeuwen.
---
*808
#3
1
Heer Jezus, o Gij dageraad,
wend naar ons toe uw licht gelaat.
Uw Geest die in de waarheid leidt
zij onze gids in deze tijd.
2
Geef dat ons hart mag zijn gericht
op U die ons verstand verlicht,
opdat uw naam ons steeds nabij,
uw lof op onze lippen zij,
3
totdat met alle englen saam
wij zingen: heilig is Gods naam!,
en zien U in het zalig licht
van aangezicht tot aangezicht.
---
*809
#3
1
Here Jezus, om uw woord
zijn wij hier bijeengekomen.
Laat in 't hart dat naar U hoort
uw genade binnenstromen.
Heilig ons, dat wij U geven
hart en ziel en heel ons leven.
2
Ons gevoel en ons verstand
zijn, o Heer, zo zonder klaarheid,
als uw Geest de nacht niet bant,
ons niet stelt in 't licht der waarheid.
't Goede denken, doen en dichten
moet Gij zelf in ons verrichten.
3
O Gij glans der heerlijkheid,
licht uit licht, uit God geboren,
maak ons voor uw heil bereid,
open hart en mond en oren,
dat ons bidden en ons zingen
tot de hemel door mag dringen.
---
*810
#7
1
De maan is opgekomen.
De aarde ligt in dromen.
De nacht is stil en klaar.
De donkre bossen zwijgen
en van de beemden stijgen
de nevels wit en wonderbaar.
2
De wereld die verstilde
en zich in schemer hulde,
wordt inniger vertrouwd
en houdt u zo geborgen,
dat gij verdriet en zorgen
van heel de dag vergeten zoudt.
3
Ziet gij de maan? De schone
wilt zich maar half vertonen,
toch is hij er geheel.
Zo zijn er grote zaken
waar wij geen ernst mee maken:
ons oog ziet enkel maar een deel.
4
Wij mensen, arm en zondig,
onmachtig en onmondig,
wat denken wij dan wel?
Of wij ons al vermeten
te menen iets te weten,
't is maar een droom, een schaduwspel.
5
Doe ons uw heil aanschouwen,
niet op ons oog vertrouwen,
niet blij zijn met de schijn.
Doe ons de eenvoud vinden,
en, God, voor U als kindren
op aarde vroom en vrolijk zijn.
6
Geef dat wij zonder lijden
uit deze wereld scheiden,
geef ons een zachte dood.
Hebt Gij ons weggenomen,
doe ons dan tot U komen,
o onze Heer en onze God!
7
Laten wij amen zeggen
en ons te slapen leggen.
Kil wordt de avondwind.
God, weer van ons het kwade
en wees in uw genade
met ieder eenzaam mensenkind.
---
*811
#5
1
Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt.
De nacht valt in, waarin geen licht meer straalt.
Andere helpers, Heer, ontvallen mij.
Der hulpelozen hulp, wees mij nabij.
2
Wees bij mij, nu de dag ten einde spoedt.
Alles verdoft wat glans bezat en gloed.
Alles vervalt in 't wisselend getij,
maar Gij die eeuwig zijt, blijf mij nabij.
3
U heb ik nodig, uw genade is
mijn enig licht in nacht en duisternis.
Wie anders zal mijn leidsman zijn dan Gij?
In nacht en ontij, Heer, blijf mij nabij.
4
Ik vrees geen kwaad, want bij mij is de Heer.
Tranen en leed zijn nu niet bitter meer.
Waar is uw prikkel, dood, wat dreigt ge mij?
Ik triomfeer, mij is de Heer nabij.
5
Houd, Heer, uw kruis hoog voor mijn brekend oog,
licht in het duister, wijs de weg omhoog.
Uw dag breekt aan, de schaduw gaat voorbij.
In dood en leven, Heer, wees Gij nabij.
---
*812
#6
1
Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet,
wil mij vergeven wat ik U misdeed;
verwerp mij niet, die op uw vrijspraak wacht,
maar troost mij met uw woord: het is volbracht.
2
Gij hebt mij, Heer, geroepen aan uw dis,
het heilig feest van uw gedachtenis;
schenk mij uw Geest, opdat ik U ontmoet
in 't teken van uw lichaam en uw bloed.
3
Gij, die voor armen rijkdom hebt bereid,
voor onrechtvaardigen gerechtigheid,
zie, hoe naar U zich mijn verlangen wendt
en leid mij zelf, Heer, tot uw sacrament.
4
Wie geeft het brood, dat hongerigen voedt,
waar is de bron waaruit ik drinken moet?
Gij, Heer, alleen kunt mijn genezing zijn;
voed mij en drenk mij met uw brood en wijn.
5
Nu ik mijn hand strek naar 't gebroken brood
en neem de beker, die Gij zelf mij boodt,
hoe komt Gij met uw goedheid mij nabij;
berg me in uw liefde, Heer, en zegen mij.
6
U wil ik danken, grote Levensvorst;
Gij hebt gestild mijn honger en mijn dorst.
Uw kracht, uw leven daalde in mij neer;
in uw gemeenschap wil ik blijven, Heer.
---
*813
#3
1
Wat God doet, dat is welgedaan,
zijn wil is wijs en heilig.
'k Zal aan zijn hand vertrouwend gaan,
die hand geleidt mij veilig.
In nood is mij
zijn trouw nabij.
Ja Hij, de Heer der heren,
blijft eeuwig wijs regeren.
2
Wat God doet, dat is welgedaan.
Hij is mijn licht en leven.
Ik wil mijzelf van nu voortaan
blijmoedig aan Hem geven,
omdat ik weet
in vreugd en leed:
zijn vaderlijke ontferming
blijft eeuwig mijn bescherming.
3
Wat God doet, dat is welgedaan,
daar laat ik het bij blijven.
Al moet ik door de engten gaan
waar mij de dood zal drijven
als God mij leidt
kan ik de tijd
van duisternis verdragen:
ik zal zijn licht zien dagen.
---
*814
#12
1
Almachtige, verheven Heer, halleluja,
aan U behoort de lof en eer, halleluja.
Wie kan U loven als Gij zijt, halleluja,
wij zegenen uw heerlijkheid, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
2
Geloofd om gans uw creatuur, halleluja!
Ten eerste om dat blinkend vuur, halleluja,
die warme schitterende bron, halleluja,
de heer des hemels, broeder zon, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
3
Hij is zo heerlijk in zijn pracht, halleluja,
verdrijft zo stralende de nacht, halleluja,
en geeft ons dag aan dag zijn licht, halleluja,
als afglans van uw aangezicht, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
4
Lof zij U Heer om zuster maan, halleluja,
om al de sterren die er staan, halleluja.
Zij tintelen in klare pracht, halleluja,
als edelstenen in de nacht, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
5
Geloofd zijt Gij om broeder wind, halleluja,
om lucht en wolken welgezind, halleluja,
daar Gij met alle wind en weer, halleluja,
uw schepslen onderhoudt o Heer, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
6
Voor zuster water danken wij, halleluja.
Hoe nederig en trouw is zij, halleluja,
als zij ons dient hoe kuis en goed, halleluja,
hoe kostbaar in haar overvloed, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
7
Lof zij U Heer om broeder vuur, halleluja,
die ons verlicht in 't nachtlijk uur, halleluja,
die zo robuust en vrolijk is, halleluja,
zo dapper in de duisternis, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
8
Geloofd om moeder aarde, Heer, halleluja,
ons leven staat in haar beheer, halleluja,
zij geeft ons vruchten zonder tal, halleluja,
en bonte bloemen overal, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
9
Geloofd om elk die U bemint, halleluja,
en tot vergeven is gezind, halleluja,
in vrede pijn en moeite lijdt, halleluja,
eens kroont Gij hem met heerlijkheid, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
10
Lof zij U Heer om zuster dood, halleluja,
zij is op aarde sterk en groot, halleluja,
zij heerst alom, er is geen man, halleluja,
die aan haar macht ontsnappen kan, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
11
Wee hun die sterven in de staat, halleluja,
van doodzonde en eeuwig kwaad, halleluja.
Zalig wie doet wat Gij gebiedt, halleluja,
de tweede dood verslindt hem niet, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
12
Geloofd, gezegend zijt Gij Heer, halleluja,
wij brengen U de lof en eer, halleluja.
Wij willen nederig en klein, halleluja,
de dienaars van uw grootheid zijn, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
---
*815
#3
1
God zij ons gunstig en genadig.
Hij schenke ons 't gezegend licht
dat overvloedig en gestadig
straalt van zijn heilig aangezicht;
opdat hier op aarde elk uw weg aanvaarde
en tot U zich wend',
zo, dat allerwegen ieder volk de zegen
van uw heil erkent.
2
De volken zullen U belijden,
o God, U loven al te zaam!
De landen zullen zich verblijden
en juichen over uwen naam.
Volken zult Gij rechten, /hun geding beslechten
in gerechtigheid,
volken op deez' aarde, /die uw arm vergaarde,
die Gij veilig leidt.
3
De aarde heeft de vrucht gegeven,
die door de hemel werd verwekt,
en uit haar schoot ontspruit nieuw leven
waar God zijn hand houdt uitgestrekt.
God is ons genegen, /onze God geeft zegen,
Hij die alles geeft,
Hij zal zijn geprezen, /Hem zal alles vrezen
wat op aarde leeft.
---
*901
#4
1
De Zoon, die voor de eeuwen bestond in heerlijkheid,
die God gelijk mocht heten, Hij werd een mens gelijk.
Hij heeft zichzelf ontledigd, zijn glorie afgestaan.
Tot losprijs voor de velen biedt Hij zijn leven aan.
2
O Heer, die in ons midden als dienaar waart geknield,
in liefde tot het einde hebt Gij ons volk gediend.
Laat ons uw deemoed leren, maak onze liefde waar,
opdat wij ons bekeren, U dienend in elkaar.
3
Maar hoog wordt Hij geheven: want wie de dood doorstond,
werd leidsman naar het leven, Heer van het nieuw verbond.
En eeuwig blijft weerklinken, hoog uit de wolk een stem:
mijn Zoon, de veelgeliefde! Gij allen, hoort naar Hem!
4
Heer, die omhoog geheven, de wereld tot U trekt,
o zaad, dat prijs gegeven, de rijkste vrucht verwerkt,
laat ons uw voetspoor volgen, opdat, waar Gij verblijft,
uw dienaars en getrouwen voor altijd met U zijn.
---
*902
#3
1
Ik wil mij gaan vertroosten
in Jesu lijden groot.
Al heeft 't gestaan ten boosten,
het mocht nog worden goed.
Al om mijn zondig leven
ben ik met druk bevaƒn.
Dat wil ik gaan begeven:
o Jesu, zie mij aan!
2
Mijn zuchten en mijn kermen
zie aan, genadig God!
Eilaas, wil mijns ontfermen,
al heb ik uw gebod
versmaad te meen'ger ure,
ik wil mij beetren gaan.
Dit doet mijn herte treuren:
o Jesu, zie mij aan!
3
De tijd heb ik verloren,
die Gij mij hebt verleend.
Naar U wild' ik niet horen,
in zonden was 'k versteend.
Zeer traag ben ik tot deugden,
al heb ik goed vermaan.
Oorsprong der eeuwge vreugden,
o Jesu, zie mij aan!
---
*903
#20
1
Naast het kruis, met wenend' ogen,
stond de moeder, diep bewogen,
wijl haar Zoon ter sterven hing.
2
Dwars toen door het zuchtend harte,
overstelpt van wee en smarte,
drong het zwaard der marteling.
3
O hoe droef, hoe vol van rouwen,
was de zegenrijkste Vrouwe,
moeder van de een'ge Zoon!
4
Hoe zij leed, de diepbedroefde,
tere moeder, wijl ze toefde
bij die Zoon, aan 't kruis ten toon.
5
Wie toch die niet wenen zoude,
zo hij 't bitter leed aanschouwde
dat Maria's hart verscheurt!
6
Wie, die zonder medelijden
Christus' moeder zou zien lijden,
daar zij met haar Zoon zo treurt!
7
Voor de zonden van de zijnen
zag zij Jezus in de pijnen
door de gesels gekastijd,
8
zag haar dierbaar kind in 't sterven
ook zijn Vaders troost nog derven,
heel verlaten al die tijd.
9
Laat mij, moeder, bron van liefde,
voelen 't leed dat u doorgriefde,
dat ik met u medeween.
10
Doe mijn hart voor Jezus branden,
vlecht gijzelf de liefdesbanden,
dat ik God behaag alleen.
11
Moeder, wil dit heil bewerken,
des Gekruisten wondemerken
diep te prenten in mijn hart.
12
Zoveel heeft in ziel en leden
gaarn' uw Zoon voor mij geleden
laat mij delen in zijn smart.
13
Laat als kind met u mij wenen,
medelijdend mij verenen
met uw Zoon, mijn leven lang.
14
Staan bij 't kruis aan uwe zijde,
en er klagen, met u lijden,
niets wat ik zo zeer verlang.
15
Maagd der maagden, nooit volprezen,
wil mij niet ongunstig wezen,
laat mij jamm'ren zoals gij.
16
Laat mij Christus' doodstrijd strijden,
deelgenoot van al zijn lijden,
't diep gevoelen zoals Hij.
17
Laat zijn wonden mij doorsteken
en voor 't kruis in liefd' ontsteken,
en voor 't bloed van uwe Zoon.
18
Wil mij aan het vuur onttrekken,
met uw voorspraak, Maagd, mij dekken,
als ik staan zal voor zijn troon.
19
Christus, om van hier te scheiden,
laat uw moeder mij geleiden
waar de zegepraal mij wacht.
20
Als mijn lichaam komt te sterven,
laat mijn ziele dan verwerven
's hemels blijde gloriepracht.
---
*904
#24
1
Koor:
Christus, de aanvang,
Christus, het einde,
Christus in eeuwigheid.
2
Allen:
Christus, de aanvang,
Christus, het einde
Christus in eeuwigheid.
3
Koor:
Verhoor ons, Christus.
4
Allen:
Verhoor ons, Christus.
5
Koor:
Verleen aan Gods heilige kerken
heil in der eeuwigheid. Redder der wereld,
6
Allen:
schenk haar uw bijstand.
7
Koor:
Heilige Maria,
8
Allen:
schenk haar uw bijstand.
9
Christus, de aanvang,
Christus, het einde,
Christus in eeuwigheid.
10
Koor:
Verhoor ons, Christus.
11
Allen:
Verhoor ons, Christus.
12
Koor:
Aan N..., opperste priester,
en herder van alle volken: leven!
Redder der wereld,
13
Allen:
schenk hem uw bijstand.
14
Koor:
Heilige Petrus,
15
Allen:
schenk hem uw bijstand.
16
Koor:
Heilige Paulus,
17
Allen:
schenk hem uw bijstand.
18
Allen:
Christus, de aanvang,
Christus, het einde,
Christus in eeuwigheid.
19
Koor:
Tijden van zegen komen,
Christus' vrede kome
tot alle geredden van Christus.
20
Koor:
In eeuwigheid!
21
Volk:
in eeuwigheid!
22
Allen:
In eeuwigheid!
23
Koor:
't Rijk van Christus kome.
24
Allen:
't Rijk van Christus kome
dank zij God de Heren, Amen.
---
*905
#4
1
U, Heer, zij lof gebracht, U klinkt ons feestlied ter ere.
Wat Gij, almachtige, veilig behoudt, komt U eren.
Al wat Gij geeft, alles wat ademt en leeft,
wil U, zijn oorsprong vereren.
2
Wie in uw liefde woont, heiligen, engelenkoren,
wie aan uw rechterhand neerzit, in liefde herboren,
zingt duizendmaal, zingt het hoogheilig koraal:
Heilig is God in den hoge.
3
Erbarm U over ons, als ons de zonden benauwen,
wees ons genadig, Heer, omdat wij vast op U bouwen.
In eeuwigheid, daar Gij de Heiland zijt,
blijft Gij de rots van vertrouwen.
4
Daarom Heer smeken wij: wil uw getrouwen bewaren,
die Gij door 't Nieuw Verbond van eeuw'ge dood wilde sparen.
Zegen het volk, zegen het volk van uw Naam,
leid het in eeuwigheid, Amen.
---
*906
#6
1
Midden in de dood
zijn wij in het leven,
want E‚n breekt het brood
om met ons te leven
midden in de dood.
2
Dood is in ons bloed,
dood voor onze ogen,
maar Hij geeft ons moed,
dat wij leven mogen
met de dood in 't bloed.
3
Dat wij uit de dood
opstaan om te leven,
etend van het brood
dat Hij heeft gegeven
midden in de dood.
4
Lamp voor onze voet,
licht voor onze ogen,
geef ons levensmoed
met de dood voor ogen,
met de dood in 't bloed.
5
Jezus, uit de dood
opgestaan tot leven,
wees voor ons het brood,
dat wij in U leven
midden in de dood.
6
Wees voor ons de wijn,
dat wij van U drinken.
Wees voor ons de pijn,
dat wij in U zinken,
dat wij in U zijn.
---
*909
#5
1
O Christus, Heer der heerlijkheid
die Gij aan ons zult openbaren,
al 't lijden hier in deze tijd
is maar een schaduw die verglijdt,
uw licht is niet te evenaren.
2
Gij zult aan ons uw wederschijn,
in ons bestaan uw rijk betonen.
Dan zullen wij, uit nood en pijn
geboren, eindlijk mensen zijn,
o mensenzoon, als Gij Gods zonen.
3
Daarnaar ziet heel de schepping uit,
zij wacht reikhalzend van verlangen,
dat Adam haar begroet als bruid,
dat hij haar weer een zin ontsluit,
die in zinloosheid was gevangen.
4
Ja, eens, met ons tesaam zal zij
verlost zijn, in uw licht verheven;
dan is haar kreunen en geschrei,
dan is de barensnood voorbij
slechts blijdschap om het nieuwe leven.
5
Dank voor de Geest, ons toevertrouwd,
die ons reeds nu die dag doet prijzen!
Gij, onze hoop en ons behoud,
geef ons, het heil, van ver aanschouwd,
aan heel uw schepping te bewijzen.
---
*910
#3
1
Midden in het leven zijn wij
door de dood omvangen.
Wie is daar die hulp ons biedt,
dat wij troost erlangen?
Alleen Gij, Here Jezus!
Hoezeer doet ons de zonde leed,
die Gods toorn ontbranden deed.
Heilige Here God,
heilige, sterke God,
heilige barmhartige Heiland,
Gij eeuwige God,
laat ons niet verzinken
in de bittre nood des doods!
Kyrieleison!
2
Midden in de dood zijn wij
door de hel omvangen.
Wie doet in die laatste nood
redding ons erlangen?
Alleen Gij, Here Jezus!
U gaat ter harte, dat wij zijn
in de zonde en in de pijn.
Heilige Here God,
heilige, sterke God,
heilige barmhartige Heiland,
Gij eeuwige God,
laat ons niet versagen
in de aanvechting der hel!
Kyrieleison!
3
Midden in de angst der hel
drijft ons onze zonde.
Waarheen vluchten, als die muil
haast ons heeft verslonden?
Alleen tot U, Heer Jezus!
Want Gij vergoot uw kostbaar bloed,
dat voor onze schuld voldoet.
Heilige Here God,
heilige sterke God,
heilige barmhartige Heiland,
Gij eeuwige God,
laat ons niet ontzinken
aan de troost van het geloof!
Kyrieleison!
---
*912
#2
1
Nu is het woord gezegd,
waarmee, o Heer, uw knecht
wordt vrijgekocht in vrede,
mijn ogen zijn vervuld
van 't heil dat Gij onthult
en dat Gij doet geschieden.
2
Gij hebt het opgericht,
voor aller aangezicht
een schouwspel voor de tijden,
een licht is opgegaan,
het zal de nacht verslaan
en Isra‰l verblijden.
---
*914
#10
1
K: mel a:
Roept God een mens tot leven,
wie weet waarom en hoe,
Hij moet zichzelf prijsgeven,
hij leeft ten dode toe.
2
A: mel a:
Gods woord roept door de tijden
zijn volk en grijpt het aan
Hij doet het uitgeleide
het moet de zee ingaan
3
K: mel b:
Geroepen en verzameld
uit dood en slavernij,
gedoopt in woord en water
dat volk van God zijn wij.
4
A: mel a:
Wij werden nieuw geboren
toen de mens Jezus kwam,
die als een slaaf de zonde
der wereld op zich nam.
5
K: mel b:
Met Hem in geest en water
tot zoon van God gewijd,
zijn wij met Hem begraven,
verrezen voor altijd.
6
A: mel a:
Gestorven voor de zonde
in Jezus' bloed vereend,
en met elkaar verbonden
levend voor God alleen.
7
K: mel b:
Wie Jezus' kelk wil drinken,
zijn doop wil ondergaan,
zal in de dood verzinken
en uit die dood opstaan.
8
A: mel a:
Hij zal zijn leven geven
hij maakt zichzelf tot brood,
hij sterft en and'ren leven,
hij overleeft de dood.
9
K: mel b:
Wie weerloos in de aarde
als graan gestorven is,
wordt tot het brood verzameld
dat aller leeftocht is.
10
A: mel a:
O Heer, Gij zult ons breken
en geven aan elkaar.
Uw tafel is het teken,
uw vrijmacht maakt het waar.
---
*915
#4
1
Wanneer dit kleed wordt afgelegd
en onze stede wordt geslecht,
Heer Jezus, als wij voor U staan:
doe ons het nieuwe lichaam aan
dat Gij bereid hebt aan uw kruis,
een nieuwe aarde wordt ons huis.
2
Wij zijn bezwaard en zuchten veel
omdat wij wachten op uw heil
uw krachten, uw verlossend woord,
de aarde heeft uw stem gehoord,
zij beeft en huivert en verstomt,
wij weten dat Gij haastig komt.
3
Ons is de dood gelijkenis
van uw geheim dat liefde is,
ons wordt het bitter sterven zoet
omdat wij erven door uw bloed
het land, het leven en het licht,
o Heer, Gij hebt ons opgericht.
4
Gij hebt ons in een huis gebracht:
daar is een bruid die U verwacht,
daar blaakt de wijn, daar breekt men brood
en wij gewagen van uw dood
totdat Gij komt, Heer, kom met spoed
en maak ons vrolijk, geef ons moed.
---
*916
#4
1
Heer, herinner U de namen
van hen, die gestorven zijn,
en vergeet niet, dat zij kwamen
langs de straten van de pijn,
langs de wegen van het lijden,
door het woud der eenzaamheid,
naar het dag en nacht verbeide
Vaderhuis, hun toebereid.
2
Heer, herinner U hun luistrend
wakker liggen in de nacht
en hun roepen in het duister,
de armzaalgheid van hun kracht,
en wil zeer aandachtig lezen
in de rimpels van hun huid
de verscheurdheid van hun wezen,
en wis hunne zonden uit.
3
Die Maria hebt vergeven
en de rover aan het kruis,
laat de doden eeuwig leven
met U in het paradijs.
Heer, herinner U hun namen,
oordeel hen en spreek hen vrij,
en bedek hun schuld en laat hen
zitten aan uw rechterzij.
4
Waarheen zal de mens zich keren,
die, staand voor uw aangezicht,
uwe liefde moet ontberen
bij het eindelijk gericht?
Heer, zo Gij niet wordt bewogen
door het breken van zijn stem,
door de droefheid in zijn ogen,
is bij niemand heil voor hem.
---
*917
#7
1
Het duurt niet lang meer tot de tijd
van Christus aan zal breken,
en Hij in grote heerlijkheid
het oordeel uit zal spreken.
Het lachen is dat uur gedaan,
als alles zal in vuur vergaan,
naar Petrus heeft geschreven.
2
Dan klinken de bazuinen luid
tot aan de verste kimmen.
Dan zullen alle doden uit
hun smalle graven klimmen.
Maar die nog op de aarde gaan,
die zal de Heer van stond af aan
tot nieuwe mensen maken.
3
Als Hij het boek geheven houdt
en leest wat staat geschreven,
wat ieder mens zo jong als oud
op aarde heeft bedreven,
hoort ieder mens Hem bevend aan,
hoort ieder wat hij heeft gedaan
de dagen van zijn leven.
4
Wee dan de mens die enkel heeft
het aardse goed verkoren,
niet bij des Heren woord geleefd,
de hemel heeft verloren.
Hij zal voorgoed ter zijde staan,
met satan mede moeten gaan,
van Christus af, in 't duister.
5
O Jezus, help mij dan ter tijd
terwille van uw wonden,
dat in het boek der zaligheid
ook mijn naam wordt gevonden.
Ik koester ook geen twijfel meer,
ik weet ook wel, getrouwe Heer,
dat Gij hebt overwonnen.
6
Sta daarom eenmaal in voor mij,
als Gij terug zult komen.
Lees in uw boek en spreek mij vrij
en stel mij bij uw vromen.
Opdat ik met mijn broeders mag
de hemel ingaan op die dag.
Gij doet hem voor ons open.
7
Heer Jezus, ach wat duurt het lang
tot aan die dag der dagen.
Zie ons op aarde klein en bang,
bezocht door duizend plagen.
Kom Rechter in uw majesteit
in uw genade, kom, bevrijd
ons van het kwade. Amen.
---
*918
#8
1
Eens komt de grote zomer
waarin zich 't hart verblijdt.
God zal op aarde komen
met groene eeuwigheid.
De hemel en de aarde
wordt stralende en puur.
God zal zich openbaren
in heel zijn kreatuur.
2
Geen woord kan het bereiken,
het is aan niets gelijk,
met niets te vergelijken
dat schone koninkrijk.
Als God zich openbaren
zal op de jongste dag
dan zullen wij ervaren
wat Hij met ons vermag.
3
Dan zien wij met verblijden
Hem die ons hart beleed,
de Heer die door zijn lijden
de hemel opendeed
en alle patriarchen
met de profeten saam,
apostlen, martelaren,
verlosten in zijn naam.
4
Ook ons zal God verlossen
uit alle pijn en nood,
van 't woeden van de boze,
van 't vrezen voor de dood,
van aarzelen en klagen,
verdriet en bitterheid,
van alles wat wij dragen,
van 't lijden aan de tijd.
5
Ja, Hij zal ons geleiden
in 't schone paradijs,
het bruiloftsmaal bereiden
zijn grote naam ten prijs.
De liefde die wij zingen,
zo schoon, zo ongekend,
zal uit de bron ontspringen
van God ons middelpunt.
6
Dan breekt muziek van snaren
aan alle kanten uit
een niet te evenaren,
een goddelijk geluid.
De engelen omringen
met heilgen tesaam
de troon van God en zingen
de glorie van het Lam.
7
Dan zijn wij aangezeten
in Gods verheven zaal,
en zullen met Hem eten
het eeuwig avondmaal.
Dan schenkt de boom des levens
ons vrucht in overvloed,
en van de stroom des levens
drinken wij daar met God.
8
Dan zal het loflied schallen
rondom de gouden troon,
dan heffen wij daar allen
met grote vreugde aan:
lof zij en eer en sterkte
de Vader en de Zoon,
de Geest om al zijn werken
zij lof van nu voortaan.
---
*919
#5
1
Het mensenvolk dat in het duister leeft
zal eenmaal een groot licht aanschouwen,
Er is een God die ons geroepen heeft
er is een woord dat wij vertrouwen.
Door de wolken zal Hij breken
uit de heem'len zal Hij spreken.
Stem van God die ons geroepen heeft
o, woord van God dat wij vertrouwen.
2
De stem van God die door de wolken breekt,
roept alle mensen bij hun namen;
dat woord van God dat in de wereld spreekt,
geeft alle mensen nieuwe namen;
Woord van God dat ons bejegent,
die ons met uw adem zegent,
Gij die alle harten openbreekt -
roep alle doden bij hun namen.
3
Die vriend van Jezus die gestorven is,
moet dagenlang in 't donker wachten.
Een dode slapend in zijn duisternis. -
Heer God, wat laat Gij op U wachten.
Maar een stem roept: kom naar buiten!
Jezus' stem is niet te stuiten.
Jezus zelf is de verrijzenis,
o woord van God dat wij verwachten.
4
De stem van God was in de dood verstomd -
o Heer, belijd ons voor uw Vader;
de Zoon van God lag in de dode grond -
o Heer, belijd ons voor uw Vader.
Door de mensen dood gezwegen,
heeft Hij macht van God gekregen.
Woord van God, Gij zijt ons nieuw verbond,
o Heer, belijd ons voor uw Vader.
5
Het mensenvolk moet in het duister zijn,
maar in Gods woord is licht en leven.
De harde aarde zal ons leven zijn,
want God heeft ons zijn woord gegeven.
Stem van God, roep onze namen,
roep ons uit de dood te samen.
Op uw woord zullen wij eeuwig zijn:
schenk ons uw licht, uw leven. Amen.
---
*920
#3
1
Refrein:
Wie zijn taak als mens vervulde in dit leven,
hem zal God zijn vriendschap en zijn liefde geven!
Het leven is een tocht doorheen de dagen
en naar Jezus' geest ten dienste staan;
het is het wel en wee van de medemensen dragen,
stervend leven als de korrel van het graan...
2
"Alwie in mij gelooft, zal eeuwig leven!"
hebben wij van U, o Heer, gehoord.
Wij hopen op uw groot erbarmen en vergeven,
wij vertrouwen op uw eeuwig godd'lijk woord.
3
Wij rouwen om de mens die wij verloren:
niemand kent ons diep en groot verdriet.
Maar in zijn goedheid zal de Heer ons wel verhoren:
Hij verlaat in 't uur van nood de zijnen niet.
---
*921
#3
1
Gestorven graan wordt brood,
geperste druiven wijn van vreugd',
zo gaat doorheen de dood
wat blijven zal en reeds verheugt.
Een mens moet leren sterven
om Leven te be‰rven.
2
De mensen die bestaan
zijn blijdschap na geboortepijn;
God noemt hen bij de naam,
bekend, geliefd door God te zijn
en altijd voort te leven
en sterven is maar even.
3
Wij zullen voor elkaar
de aarde en de hemel zijn,
daarom is dit gebaar:
gebroken brood, gedronken wijn,
een overvloed van leven,
een teken ons gegeven.
---
*922
#7
1
Koor:
Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,
dat zal een droom zijn.
Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,
dat zal een droom zijn.
2
Allen:
Als God ons...
3
Koor:
Wij zullen zingen, lachen, gelukkig zijn.
Dan zegt de wereld: "Hun God doet wonderen".
Ja, Gij doet wonderen, God in ons midden,
Gij onze vreugde.
4
Allen:
Als God ons...
5
Koor:
Breng ons dan thuis, keer ons tot leven,
zoals rivieren in de woestijn
die als de regen valt, opnieuw gaan stromen.
6
Koor:
Wie zaait in droefheid, zal oogsten in vreugde.
Een mens gaat zijn weg en zaait onder tranen.
Zingende keert hij t'rug met zijn schoven.
7
Allen:
Als God ons...
---
*923
#1
1
Niemand leeft voor zichzelf
niemand sterft voor zichzelf.
Wij leven en sterven voor God onze Heer
aan Hem behoren wij toe!
---
*924
#3
1
Ik sta voor U in leegte en gemis.
Vreemd is uw naam, onvindbaar zijn uw wegen.
Zijt Gij mijn God, sinds mensenheugenis,
dood is mijn lot, hebt Gij and're zegen?
Zijt Gij de God bij wie mijn toekomst is?
Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen?
2
Mijn dagen zijn door twijfel overmand,
ik ben gevangen in mijn onvermogen.
Hebt Gij mijn naam geschreven in Uw hand,
zult Gij mij bergen in uw mededogen?
Mag ik nog levend wonen in uw land,
mag ik nog eenmaal zien met nieuwe ogen?
3
Spreekt Gij het woord dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.
Open die wereld die geen einde heeft,
wil alle liefde aan Uw Zoon besteden.
Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.
---
*925
#5
1
Nu geef ik U mijn ziel in handen:
Gij zijt mijn Meester en mijn God.
Op U vertrouw ik, laat geen schande
mij overkomen en geen spot.
Refrein:
Nu geef ik U mijn ziel in handen:
Gij zijt mijn Meester en mijn God.
2
De trouwelozen moeten weten
dat Gij op uw getrouwen waakt,
dat Gij mijn baan hebt uitgeschreven
en mij uw bijstand biedt en raad.
3
Gedenk niet meer mijn kwaad verleden
en wat ik in mijn jeugd misdeed;
maar wees genadig en sta heden
met uw vergiffenis gereed.
4
Bevrijd mijn voet uit loze strikken
en uit benauwdheid hef mijn hart.
Gij laat mij niet in angst verstikken
wanneer een sterkere mij tart.
5
De anderen, zij zijn met velen
omringen mij met haat en spot:
Vertoon uw macht en snoer hun kelen,
verdedig mij, verlicht mijn lot.
---
*926
#1
1
Ten Paradijze
geleiden u de egelen
Dat bij uw aankomst
u begroeten mogen de martelaren.
Zij geleiden u
tot in de hemelse Stad, Jeruzalem.
Moge 't koor der engelen
u met vreugde ontvangen.
En als Lazarus, de arme van weleer,
zult gij voor eeuwig in het land van vrede zijn.
---
*927
#5
1
De Heer verschijnt te middernacht!
Nu is nog alles stil,
maar zalig hij die toch reeds wacht
en Hem begroeten wil.
2
Want ook als niemand naar Hem vraagt
noch in zijn dag gelooft,
zijn komst wordt door geen macht vertraagd:
Hij heeft het zelf beloofd.
3
Wie waakt er als een trouwe knecht,
zijn Meester toegedaan,
dat als de Heer komt om zijn recht
hij voor Hem kan bestaan?
4
Zijn onze lampen wel gereed
en branden ze wel goed,
zodat, als Christus binnentreedt,
Hij waardig wordt begroet?
5
De Heer verschijnt te middernacht!
Nu is nog alles stil
Zalig, die toch geduldig wacht
en Hem begroeten wil.
---
*928
#4
1
Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen,
of sterft zichzelf, wij zijn met Christus ‚‚n.
Wanneer wij leven leven wij voor Hem,
wanneer wij sterven horen wij zijn stem.
In leven en in sterven weten wij:
wij zijn geborgen in zijn heerschappij.
2
Immers daarom is Hij ons voorgegaan,
is Hij gestorven, is Hij opgestaan.
Daarom werd Hij weer levend, zie Hij leeft
opdat Hij ons met Hem het leven geeft.
En levenden en doden allebei
zijn onderworpen aan zijn heerschappij.
3
Waarom veroordeelt gij uw broeder dan?
Waarom veracht gij hem? Van man tot man,
van mens tot mens is hij uw lotgenoot.
Wij worden allen eens voorbij de dood
gesteld voor Christus rechterstoel en Hij
stelt ons in 't oordeel van zijn heerschappij.
4
Zoals geschreven is zo zal het zijn:
Ik leef, zo zegt de Heer, en gij zijt mijn.
En alle knie op aarde buigt zich neer,
en alle mond belijdt mij als de Heer.
Wij loven U o God, Gij zijt nabij
met de genade van uw heerschappij.
---
*929
#4
1
Het einde aller dingen is nabij,
zo weest dan nuchter, waakt in de gebeden,
vurig van hart en staat elkander bij;
liefde dekt alle ongerechtigheden.
2
Staat voor elkander open, dient elkaar,
ieder gelijk hij gaven heeft gekregen;
maakt om u heen het heil des Heren waar
en deelt met een ruim hart Gods grote zegen.
3
Als iemand spreekt, hij spreke vrank en vrij
als iemand dient, hij diene met zijn daden,
dat God in taal en taak verheerlijkt zij:
Woord van zijn Woord, genade voor genade.
4
Door Jezus den Messias wien behoort
de kracht, de heerlijkheid alle de dagen;
zo weest nu waakzaam en gedenkt het woord
het einde aller dingen heeft geslagen.
---
*930
#6
1
Een mens te zijn op aarde,
in eens voorgoed geboren zijn,
is levenslang geboortepijn.
Een mens te zijn op aarde
is leven van de wind.
2
De bomen hebben wortels
de bomen mogen stevig staan
maar mensen moeten verder gaan
de bomen hebben wortels
maar mensen gaan voorbij.
3
De vossen hebben holen
de mensen weten heg noch steg
zijn altijd naar hun huis op weg
de vossen hebben holen
maar wie is onze weg?
4
De mensen hebben zorgen
het brood is duur, het lichaam zwaar
en wij verslijten aan elkaar.
Wie kent de dag van morgen?
De dood komt lang verwacht.
5
Een mens te zijn op aarde
is pijnlijk begenadigd zijn
en zoeken, nooit verzadigd zijn,
is rusten in de aarde
als alles is volbracht
6
Hoe zullen wij volbrengen
wat door de eeuwen duren moet
een mens te zijn die sterven moet?
Wij branden van verlangen
tot alles is voltooid.
---
*931
#3
1
Hoe sprong mijn hart hoog op in mij,
toen men mij zeide: "Gord u aan
om naar des Heren huis te gaan!
Kom ga met ons en doe als wij!"
Jeruzalem, dat ik bemin,
wij treden uwe poorten in,
u, Godsstad, mogen wij ontmoeten!
Jeruzalem, van ver aanschouwd,
wel saamgevoegd en welgebouwd,
o schone stede, die wij groeten.
2
Hoe zijn de stammen opgegaan!
Hier gingen ons de voeten voor
der pelgrims, die de Heer verkoor,
hier, waar uw heilge muren staan!
Jeruzalem, dat ik bemin,
wij treden uwe poorten in
naar 's Heren woord, om zijns naams ere!
Zo is het Isra‰l gezegd;
hier zijn de zetels van het recht,
de troon, waar David zal regeren!
3
Bidt heil toe aan dit Vredesoord;
dat die u mint bevredigd zij,
dat vrede in uw wallen zij,
gezegend zij uw muur en poort!
Jeruzalem, dat ik bemin,
wij treden uwe poorten in
om u met vrede te ontmoeten!
Om al mijn broeders binnen u,
om 's Heren tempel wil ik u,
o stad van God, met vrede groeten.
---
*999
#4
1
Heer, ontferm U over ons.
Christus, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.
Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons.
Heilige Micha‰l, bid voor ons.
Heilige engelen Gods, bid voor ons.
Heilige Johannes de Doper, bid voor ons.
Heilige Jozef, bid voor ons.
Heilige Petrus en Paulus, bid voor ons.
Heilige Andreas, bid voor ons.
Heilige Johannes, bid voor ons.
Heilige Maria Magdalena, bid voor ons.
Heilige Stefanus, bid voor ons.
Heilige Ignatius van Antiochi‰, bid voor ons.
Heilige Laurentius, bid voor ons.
Heilige Perpetua en Felicitas, bid voor ons.
Heilige Agnes, bid voor ons.
Heilige Gregorius, bid voor ons.
Heilige Augustinus, bid voor ons.
Heilige Athanasius, bid voor ons.
Heilige Basilius, bid voor ons.
Heilige Martinus, bid voor ons.
Heilige Benedictus, bid voor ons.
Heilige Franciscus en Dominicus, bid voor ons.
Heilige Franciscus Xaverius, bid voor ons.
Heilige Pastoor van Ars, bid voor ons.
Heilige Catharina van Si‰na, bid voor ons.
Heilige Theresia van Avila, bid voor ons.
Alle heiligen Gods, bid voor ons.
2
Wees genadig, Verlos ons Heer.
Van alle kwaad, Verlos ons Heer.
Van elke zonde, Verlos ons Heer.
Van de eeuwige dood, Verlos ons Heer.
Door uw menswording, Verlos ons Heer.
Door uw sterven en verrijzen, Verlos ons Heer.
Door de uitstorting van uw Geest, Verlos ons Heer.
3
Wij zondaars,
Dat Gij deze uitverkorenen door het doopsel tot nieuw leven
wilt wekken,
Dat Gij deze doopvont, waarin uw kinderen tot leven komen,
door uw genade wilt heiligen,
Dat Gij deze wijdelingen wilt zegenen en heiligen,
Dat Gij deze wijdelingen wilt zegenen en heiligen en wijden,
Dat Gij deze kerk wilt wijden,
Jezus, Zoon van God.
4
Wij bidden U, verhoor ons.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.